Circulaire 2018/C/96 over de berekening van de nettobestaansmiddelen van wezen
Deze circulaire bespreekt de artikelen 2 en 3 van de wet van 6maart 2018 tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wat de bestaansmiddelen van wezen betreft.
kinderen ten laste ; nettobedrag van de bestaansmiddelen ; onderhoudsuitkering ; wezenrente.
FOD Financiën, 20.07.2018
Algemene Administratie van de Fiscaliteit – Personenbelasting
BIJLAGEN :
Inhoudstafel
I. Inleiding
II. Wettelijke bepalingen
A. W 06.03.2018
B. Gecoördineerde tekst van
A. Begrippen
B. Begrenzing tot 1.800 euro
C. Belastbaarheid
V. Inwerkingtreding
I. Inleiding
1. Deze circulaire bespreekt de artikelen 2 en 3 van de wet van 6 maart 2018 tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wat de bestaansmiddelen van wezen betreft (W 06.03.2018) (1).
(1) BS 15.03.2018.
Daarbij heeft de wetgever artikel 143, 6°, WIB 92, aangepast om de wezenrenten en de overlevingspensioenen van wezen tot een bedrag van 1.800 euro (vóór indexering) vrij te stellen voor de berekening van het nettobedrag van bestaansmiddelen bedoeld in art. 142, WIB 92, zoals dat al het geval was voor de onderhoudsuitkeringen toegekend aan kinderen.
II. Wettelijke bepalingen
A. W 06.03.2018
2. De art. 2 et 3, W 06.03.2018 bepalen:
Art. 2
Artikel 143, 6°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, ingevoegd bij de wet van 10 augustus 2001 en gewijzigd bij de wet van 26 december 2015, wordt vervangen als volgt:
'6° de uitkeringen bedoeld in artikel 90, eerste lid, 3°, de overlevingspensioenen toegekend aan wezen in de publieke sector en de wezenrenten, die zijn toegekend aan kinderen tot beloop van 1.800 euro per jaar.'
Art. 3
Deze wet is van toepassing vanaf het aanslagjaar waarin ze is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
B. Gecoördineerde tekst van artikel 143, 6°, WIB 92
3. Na de wijziging door artikel 2, W 06.03.2018, luidt art. 143, 6°, WIB 92, als volgt:
Art. 143, 6°, WIB 92
Voor het vaststellen van het nettobedrag van de bestaansmiddelen komen niet in aanmerking:
…
6° de uitkeringen vermeld in artikel 90, eerste lid, 3°, de overlevingspensioenen toegekend aan wezen in de publieke sector en de wezenrenten, die zijn toegekend aan kinderen tot beloop van 1.800 euro per jaar.
III. Algemeen
4. Vóór de W 06.03.2018 omvatte het in art. 142, WIB 92 bedoelde nettobedrag van de bestaansmiddelen dat in aanmerking moest worden genomen om na te gaan of een kind ten laste was in de zin van art. 136, WIB 92, de wezenrente toegekend aan het kind van een ouder die weduwnaar of weduwe geworden was, vanaf de eerste euro, terwijl de onderhoudsuitkering voor een kind van een gescheiden ouder tot een bedrag van 1.800 euro (vóór indexering) buiten beschouwing werd gelaten.
5. Met de W 06.03.2018 heeft de wetgever art. 143, 6°, WIB 92 aangepast, zodat de wezenrente of, in de openbare sector, het aan een wees toegekende overlevingspensioen tot het voormelde bedrag van 1.800 euro niet meer als bestaansmiddel wordt beschouwd, zoals dat al het geval was voor de onderhoudsuitkering toegekend aan een kind.
Zo worden kinderen die een rente krijgen als wees en kinderen van gescheiden ouders die een onderhoudsuitkering krijgen, voortaan op dezelfde manier behandeld bij de berekening van het nettobedrag van hun bestaansmiddelen.
IV. Commentaar
A. Begrippen
6. Tijdens de parlementaire voorbereiding (zie Kamer, zitting 2017-2018, DOC 54 1488/005, blz. 3) is verduidelijkt wat moet worden verstaan onder:
- overlevingspensioen: het overlevingspensioen toegekend aan wezen in de openbare sector overeenkomstig de artikelen 9 en volgende van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen
- wezenrente: de rente die door de werkgever van zijn overleden ouder krachtens een pensioenplan van de tweede pijler aan de wees wordt toegekend.
Het in de publieke sector aan wezen toegekende overlevingspensioen en de wezenrente zijn bedoeld om het verlies van één of de twee ouders op materieel vlak te compenseren en om de begunstigde in staat te stellen verder in zijn behoeften te voorzien. De overlevingspensioenen en het merendeel van de wezenrenten worden betaald tot de leeftijd van 18 jaar of zolang het kind het recht op kinderbijslag opent.
B. Begrenzing tot 1.800 euro
7. Merk op dat de eerste schijf van 1.800 euro (vóór indexering) die niet als bestaansmiddelen in aanmerking moet worden genomen, geldt voor alle in art. 143, 6°, WIB 92 bedoelde uitkeringen, pensioenen en renten samen.
8. Na indexering bedraagt de grens van 1.800 euro:
- 3.200 euro voor aanslagjaar 2018
- 3.270 euro voor aanslagjaar 2019.
Voorbeeld
9. In 2017 heeft een kind van 6 jaar dat bij zijn grootouders woont, een wezenrente ontvangen voor een bedrag van 2.400 euro (via een pensioenplan afgesloten door de werkgever van zijn vader, die in 2014 gestorven is) en een onderhoudsuitkering van zijn moeder voor een bedrag van 3.600 euro.
*
* *
Vaststelling van de nettobestaansmiddelen
- wezenrente: 2.400 euro
- onderhoudsuitkering: 3.600 euro
Totaal van de brutobestaansmiddelen: 6.000 - 3.200 = 2.800 euro
Aftrekbare forfaitaire kosten: 2.800 x 20 % = 560 euro
Totaal van de nettobestaansmiddelen: 2.800 – 560 = 2.240 euro.
Aangezien het bedrag van de nettobestaansmiddelen de grens van 3.200 euro niet overschrijdt, kan het kind als ten laste van zijn grootouders worden beschouwd.
C. Belastbaarheid
10. De wezenrente en het overlevingspensioen die hiervoor zijn besproken, blijven belastbaar overeenkomstig art. 34, WIB 92.
V. Inwerkingtreding
11. Art. 143, 6°, WIB 92, zoals gewijzigd door art. 2, W 06.03.2018, is van toepassing vanaf aanslagjaar 2018.
Interne ref. : 714.618
