Circulaire nr. Ci.RH.243/588.588 (AOIF 25/2008) dd. 13.08.2008

CIRC 13.08.08/2

Circulaire nr. Ci.RH.243/588.588 (AOIF 25/2008) dd. 13.08.2008


BEROEPSKOSTEN
Administratieve boete
Aftrekbare beroepskosten
Boete
Europese kartelboete


Richtlijnen inzake de al dan niet aftrekbaarheid van allerhande boetes.
Aan alle ambtenaren van de niveaus A, B en C.
I. INLEIDING

1. Deze circulaire strekt ertoe de richtlijnen inzake de al dan niet aftrekbaarheid van boeten te verduidelijken in het licht van de evolutie in de rechtspraak. De centrale diensten hebben immers vastgesteld dat die evolutie in de praktijk aanleiding geeft tot een aantal misverstanden en verkeerde conclusies.

Verder bevat deze circulaire ook de conclusies van het onderzoek dat werd ingesteld naar aanleiding van de vraag of de bepalingen van nr. 53/110.1, Com. IB 92, waarin was gesteld dat de zogenaamde EG-kartelboeten [d.w.z. de boeten opgelegd wegens overtreding van de voorschriften betreffende de mededinging bepaald in de artikelen 85 en 86 (nu 81 en 82) van het verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (nu Europese Unie)] als beroepskosten aftrekbaar zijn, nog steeds mogen worden toegepast.

II. ALGEMEEN

2. Overeenkomstig art. 53, 6°, WIB 92, worden geldboeten, met inbegrip van transactionele geldboeten, verbeurdverklaringen en straffen van al-le aard, zelfs indien die geldboeten of straffen worden opgelopen door een per-soon die van de belastingplichtige bezoldigingen ontvangt als vermeld in art. 30, WIB 92, niet als aftrekbare beroepskosten aangemerkt.

3. Op grond van die bepaling was de administratie oorspronkelijk van oordeel dat onder meer de in art. 70, BTW-Wetboek bedoelde administratieve evenredige geldboeten niet als beroepskosten mochten worden aanvaard.

Het Hof van Cassatie besliste evenwel dat de administratieve geldboeten als bedoeld in art. 70, § 2, BTW-Wetboek wel aftrekbaar waren als beroepskosten (Cass., 12.1.1995, "SPRL Société Fermière RochefortArdennes-Ets Mathot" en 15.11.1996, "NV Metalced" - cf. nr. 53/97, Com. IB 92).

Het Hof steunde in voormelde arresten op de voorbereidende werkzaamheden van de wet van 20.11.1962, meer bepaald op de passage die stelt dat "... door de term 'straffen van alle aard' niet bedoeld worden de belastingverhogingen betreffende die belastingen en taksen welke, volgens hetgeen voorafgaat, de aard van bedrijfsuitgaven zullen behouden.".

De in deze arresten beoogde administratieve geldboeten (art. 70, § 2, BTW-Wetboek) houden een verhoging in van een verschuldigde aftrekbare be-lasting. In die optiek oordeelde het Hof dan ook dat die "verhogingen" onder de vorm van een geldboete niet het karakter hadden van een strafsanctie en derhalve ook geen straffen waren in de zin van art. 50, 5°, WIB (thans art. 53, 6°, WIB 92). Zij werden bijgevolg als aftrekbare beroepskosten aangemerkt. De administratie heeft zich bij dit standpunt aangesloten (cf. nr. 53/97, Com.IB 92).

Toen reeds werd door sommigen een overdreven belang gehecht aan het ontbreken van een strafrechtelijk karakter van deze boeten om hun aftrekbaarheid te verklaren, en werd hiermee voorbij gegaan aan de eigenlijke redenen die het Hof van Cassatie tot hun aftrekbaarheid deed besluiten.

III. INVLOED EN EVOLUTIE VAN DE RECHTSPRAAK INZAKE HET STRAFRECHTELIJK KARAKTER

4. Sedert een aantal jaren lijkt zich ogenschijnlijk een kentering voor te doen in de rechtspraak omtrent het strafrechtelijk karakter van fiscale administratieve boeten.

Zo wijzen twee arresten van het Hof van Cassatie van 5.2.1999 erop dat het Hof erkent dat de in art. 70, BTW-Wetboek bedoelde evenredige geldboeten wel degelijk het karakter van een strafsanctie kunnen hebben in de zin van art. 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, gewoonlijk Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens genoemd, of afgekort EVRM.

Daarnaast heeft ook het Arbitragehof (het huidige Grondwettelijk Hof) in een arrest van 24.2.1999 en onder verwijzing naar voormeld art. 6, EVRM, geoordeeld dat de in art. 70, § 2, BTW-Wetboek beoogde geldboeten een repressief karakter hebben.

5. In een arrest van het Hof van Cassatie van 25.5.1999 stelt het Hof - meer expliciet dan in zijn arresten van 5.2.1999 - dat een administratieve sanctie een strafsanctie kan zijn in de zin van art. 6, EVRM. Volgens het Hof hangt het strafrechtelijk karakter inzonderheid van volgende elementen af :

  1. zonder onderscheid alle belastingplichtigen treffen en niet slechts een bepaalde groep met een bijzonder statuut;
  2. een bepaald gedrag voorschrijven en op de naleving ervan een sanctie stellen;
  3. niet alleen een financiële vergoeding van de schade behelzen, maar essentieel ertoe strekken te straffen om een herhaling van gelijkaardige handelingen te voorkomen;
  4. stoelen op een norm met een algemeen karakter, waarvan het oogmerk tezelfdertijd preventief en repressief is;
  5. zeer zwaar zijn gelet op het bed rag ervan.

6. Uit latere rechtspraak blijkt dat de rechtbanken zich vaak op deze criteria baseren om te oordelen of een boete al dan niet een strafkarakter heeft. Zo oordeelde het Hof van Beroep te Antwerpen op 10.1.2000 dat een administratieve geldboete van 200 % (cf. art. 70, §1 bis, BTW-Wetboek) voor het ten onrechte aftrekken van BTW, een strafsanctie is en baseerde zich hiervoor op de vijf voormelde criteria. Ook de Rechtbanken van Eerste Aanleg te Hasselt en Gent baseren zich in hun vonnissen van respectievelijk 19.10.2005 en 13.12.2006 op deze criteria om het strafkarakter van een boete te beoordelen. In beide gevallen betrof het een boete wegens het niet betalen van het Eurovignet, gelijk aan drie maal het niet-betaalde vignet.

Telkens gebeurde de vaststelling van het strafrechtelijk karakter echter met het oogmerk om deze administratieve boeten te toetsen aan art. 6, EVRM. Deze bepaling garandeert aan diegene aan wie door een administratie een boete wordt opgelegd die zo zwaar is dat ze de gelijkenis met een echte straf kan doorstaan, op grond van het gelijkheidsbeginsel, het recht dat een onafhankelijke rechter zich kan buigen over de vraag of en in welke mate een boete verschuldigd is en dit op eenzelfde manier als dat het geval zou zijn wanneer door de gerechtelijke instanties een straf wordt opgelegd. Op basis van deze verdragsbepaling beschikt de rechtbank dan ook over een volle rechtsmacht om op grond van onder meer de evenredigheid tussen de inbreuk en de sanctie, de boete te kunnen kwijtschelden of verminderen.

7. In een andere zaak inzake een boete wegens een niet-betaald eurovignet, wilde de belastingplichtige deze boete effectief als beroepskost in mindering brengen en verwees hiervoor naar het arrest van het Hof van Cassatie van 12 januari 1995. De Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent meende echter dat het Hof van Cassatie zijn standpunt inzake het strafrechtelijk karakter van administratieve boeten gewijzigd had en besloot, mede gelet op voormelde criteria, dat de beoogde boete wel degelijk een strafrechtelijk karakter had en derhalve niet als een aftrekbare beroepskost kon worden aangemerkt (Rb. Gent 13.11.2003).

8. Dat laatste vonnis wordt nu echter vernietigd door een arrest d.d. 27.3.2007 van het Hof van Beroep te Gent. In dat arrest oordeelt het Hof dat het kwalificeren van een administratieve geldboete als strafrechtelijk in de zin van art. 6, EVRM, niet tot gevolg heeft dat die boete in de Belgische wetgeving van strafrechtelijke aard is, zodat deze boete toch als een aftrekbare beroepskost kan worden aangemerkt.

Inzonderheid op basis van dit laatste arrest menen sommige belastingplichtigen argumenten te hebben om alleen de geldboeten die naar Belgisch recht als strafrechtelijke sancties worden aangemerkt, als niet-aftrekbare beroepskosten te moeten beschouwen.

IV. STANDPUNT VAN DE ADMINISTRATIE
A. Weerslag van de rechtspraak

9. Vooreerst bevestigt de administratie dat, ook na de kentering in de rechtspraak aangaande het - althans op basis van art. 6, EVRM - strafrechterlijk karakter van proportionele BTW-boeten, dergelijke administratieve boeten in de regel als aftrekbare beroepskosten moeten worden aangemerkt. Belastingverhogingen betreffende belastingen en taksen die zelf als beroepskosten aftrekbaar zijn, zijn immers ook als beroepskosten aftrekbaar ingevolge de regel "bijzaak volgt hoofdzaak". In dit verband kan zowel verwezen worden naar de in nr. 3 geciteerde voorbereidende werkzaamheden van de wet van 20.11.1962, naar de arresten d.d. 12.1.1995 en 15.11.1996 van het Hof van Cassatie, als naar het bepaalde in de nrs. 53/67, 68 en 110, Com.IB 92.

Dit principe geldt uiteraard niet enkel inzake BTW, maar geldt ook voor belastingverhogingen of evenredige (d.w.z. door verhoging van rechten geheven) administratieve boeten die betrekking hebben op andere aftrekbare belastingen (zoals registratierechten of het eurovignet), en voor verhogingen van sociale bijdragen (cf. nr. 53/111, Com.IB 92). Vanuit die optiek is het dan ook logisch dat door de administratie geen voorziening in cassatie werd ingediend tegen het voormelde arrest d.d. 27.3.2007 van het Hof van Beroep te Gent. Alhoewel het een zware administratieve boete betrof, met name 300 % van het ontdoken recht, diende ze toch als een belastingverhoging van een aftrekbare belasting, met name het eurovignet, te worden aangemerkt.

Voorgaande geldboeten, die bestaan uit een al dan niet proportionele belastingverhoging, worden in feite geacht geen geldboeten of straffen van alle aard uit te maken in de zin van art. 53, 6°, WIB 92, maar dienen eerder als een integrerend deel te worden beschouwd van de belasting, taks of heffing waarop ze betrekking hebben. Dit blijkt overigens ook uit o.a. de bepalingen van art. 53, 5° en 198, 3°, WIB 92. Door belastingverhogingen inzake de niet-aftrekbare personen- en vennootschapsbelasting in de voormelde artikelen en dus niet in art. 53, 6°, WIB 92, op te nemen, wordt in feite bevestigd dat ze niet als in dat artikel beoogde boeten en straffen van alle aard worden beschouwd, maar als niet aftrekbaar worden aangemerkt op grond van de (niet-aftrekbare) belasting waarop ze betrekking hebben. In dezelfde gedachtegang is het dan ook logisch dat belastingverhogingen met betrekking tot aftrekbare belastingen evenmin geacht worden deel uit te maken van art. 53, 6°, WIB 92.

10. Voormelde zienswijze doet evenwel geen afbreuk aan het fiscaal stelsel van de eigenlijke boeten. Noch uit de letterlijke lezing van art. 53, 6°, WIB 92 (cf. nr. 2), noch uit de voorbereidende werkzaamheden van de wet van 20.11.1962, blijkt dat de wetgever enkel boeten van strafrechtelijke aard op het oog had.

Op grond van voormelde wettelijke bepaling zijn dus onder andere van de aftrek als beroepskost uitgesloten :

  • alle in het WIB 92 vermelde vaste geldboeten, zowel de administratieve geldboeten (art. 445 WIB 92) als de strafrechtelijke geldboeten (o.a. art. 449, 450, 452 en 456, WIB 92);
  • de niet-proportionele of vaste BTW-boeten (o.a. art. 70, § 4, BTW-Wetboek);
  • verkeersboetes (maar b.v. niet de belastingverhoging opgelegd wegens het niet tijdig betalen van de verkeersbelasting);
  • de gerechtelijke transactionele boeten;
  • boeten die werknemers oplopen en ten laste van de werkgever vallen;
  • boeten opgelegd overeenkomstig art. 129bis van het Wetboek van Vennootschappen wegens de niet of laattijdige neerlegging van jaarrekeningen afgesloten vanaf 31.12.2002 en vóór 1.10.2005 (cf. circ. AOIF 12/2007 d.d. 18.4.2007);
  • boeten wegens inbreuk op de reglementering van de prijzen of de kwaliteit, op de milieuwetgeving, op de reglementering inzake mededinging, enz.

11. De administratie wenst dan ook niet in een - foutieve - logica mee te stappen dat een boete overeenkomstig art. 53, 6°, WIB 92 slechts als een nietaftrekbare boete moet worden aangemerkt indien haar een strafrechtelijk karakter kan worden toegedicht.

Dienaangaande wordt trouwens opgemerkt dat in de hiervoor aangehaalde rechtspraak (met uitzondering van het voormelde arrest d.d. 27.3.2007 van het Hof van Beroep te Gent) de discussie volledig buiten de context van de aftrekbaarheid van de boeten gevoerd werd, maar er inzonderheid toe strekte om, met het oog op de toepassing van art. 6, EVRM, aan de belastingplichtige de mogelijkheid te bieden om de redelijkheid van zware opgelegde administratieve boeten te laten toetsen aan het oordeel van een rechter. Dit kon door die boeten voor de toepassing van art. 6, EVRM (doch niet noodzakelijkerwijze voor de fiscale toepassing), als strafsancties te kwalificeren.

Bovendien betreft geen enkele van de in deze rechtspraak geviseerde boeten een eigenlijke boete in de zin van art. 53, 6°, WIB 92, maar gaat het, gelet op de in nr. 9 uiteengezette redenen, steeds om als "boeten" gekwalificeerde "verhogingen" die hoe dan ook als aftrekbare beroepskosten moeten worden aangemerkt.

12. De administratie kan dan ook de stelling van bepaalde belastingplichtigen niet bijtreden waar zij, onder verwijzing naar voorgaande rechtspraak, stellen dat de in art. 53, 6°, WIB 92, beoogde boeten uitsluitend strafrechtelijke sancties naar Belgisch recht betreffen. Zulke zienswijze zou de wettelijke bepaling in kwestie volledig uithollen en bovendien in strijd zijn met het legaliteitsbeginsel. Noch op basis van de bewoordingen van art. 53, 6°, WIB 92, noch op basis van de voorbereidende werkzaamheden van de wet van 20.11.1962, kan immers worden gesteld dat deze wettelijke bepaling slechts uitwerking heeft wanneer de boete is opgelegd op grond van een strafwet. Zo worden op grond van deze wetsbepaling bijvoorbeeld niet enkel de fiscale geldboeten die onder de strafrechtelijke sancties vallen (cf. art. 449 e.v. WIB 92), als niet-aftrekbare geldboeten aangemerkt, doch evenzeer de in art. 445, WIB 92, vermelde boete, die onder de administratieve sancties valt.

B. Europese kartelboeten

13. Voorgaand onderzoek inzake de al dan niet aftrekbaarheid van boeten heeft ook bijgedragen tot een beter inzicht in de fiscale regeling van EGkartelboeten.

EG-kartelboeten kunnen oplopen tot 10 % van het totale omzetcijfer van de betrokken ondernemingen en kunnen dus zeer zwaar zijn. Die boetes zijn zo zwaar omdat ze bedoeld zijn als straf en een zo groot mogelijk afschrikkingseffect moeten hebben. Dergelijke boetes hebben immers tot doel kartelvorming te voorkomen en aldus het vrije verkeer van goederen en diensten in de Europese Unie veilig te stellen.

Oorspronkelijk werden deze EG-kartelboeten, gelet op de uitdrukkelijke bepalingen van art. 53, 6°, WIB 92, niet als aftrekbare beroepskosten aangemerkt (cf. het vroegere nr. 53/105, Com. IB 92).

Op een bepaald ogenblik werd deze passage in de administratieve commentaar, op verzoek van de toenmalige Minister van Financiën, geschrapt en vervangen door een bepaling die stelt dat de beoogde boeten wel als aftrekbare beroepskosten kunnen worden aangemerkt (cf. het huidige nr. 53/110.1, Com. IB 92).

Het verzoek om dergelijke boeten niet langer als verworpen uitgaven aan te merken, was inzonderheid gebaseerd op het arrest van het Hof van Cassatie van 12.1.1995 (cf. nr. 3). Volgens de toenmalige Minister van Financiën waren EG-kartelboeten vergelijkbaar met de in dat arrest beoogde BTWboeten, omdat beide boeten proportioneel berekend worden, wat impliceert dat zij dezelfde fiscale behandeling moesten ondergaan en m.a.w. als aftrekbare beroepskosten moesten worden beschouwd.

De administratie is, op basis van het in dit kader gevoerd onderzoek, evenwel tot het besluit gekomen dat deze stelling niet langer kan verdedigd worden, en dit inzonderheid om de volgende redenen.

1. De EG-kartelboete betreft een echte boete

14. Het is niet omdat deze boete wordt vastgesteld op basis van een percentage van het omzetcijfer, dat deze boete vergelijkbaar is met de in nr. 9 besproken belastingverhogingen. In tegenstelling tot voormelde proportionele BTWboeten, gaat het bij de EG-kartelboeten niet om een belastingverhoging of een evenredige administratieve boete bovenop een belasting of heffing die als beroepskost aftrekbaar is, maar eenvoudigweg om een boete zoals beoogd in nr. 10. Dergelijke kartelboete vormt dan ook geen bijzaak van de hoofdzaak, zijnde een aftrekbare belasting of heffing, maar maakt zelf de hoofdzaak uit. Het feit dat deze boete op basis van een percentage van de omzet wordt bepaald, betreft slechts een modaliteit van vaststelling van het bedrag van de boete en geeft haar daarom nog niet het karakter van een "belastingverhoging".

Bovendien is, alhoewel een EG-kartelboete op basis van de in nr. 5 uiteengezette criteria moeiteloos als een strafsanctie kan worden gekwalificeerd in de zin van art. 6, EVRM, niet het strafrechtelijk karakter bepalend om uit te maken of deze kartelboete als een aftrekbare beroepskost kan worden aangemerkt, maar wel of het een boete betreft die geacht wordt beoogd te zijn in art. 53, 6°, WIB 92. Op basis van voorgaande analyse dient deze vraag zonder twijfel bevestigend te worden beantwoord.

In die optiek is het bepaalde in nr. 53/110.1, Com.IB 92 dan ook strijdig met de uitdrukkelijke bepaling van art. 53, 6°, WIB 92, die alle geldboeten beoogt (andere dan de in nr. 9 vermelde "belastingverhogingen"), en dit ongeacht of ze al dan niet van strafrechtelijke aard zijn. Deze "contra legem" bepaling vormt derhalve een niet te verantwoorden verschil in behandeling ten overstaan van alle andere administratieve boeten die op grond van art. 53, 6°, WIB 92 als niet-aftrekbaar worden aangemerkt.

15. Tot voormelde andere niet-aftrekbare administratieve boeten behoren overigens ook de geldboeten die worden opgelegd wegens schending van de Belgische wetgeving op de mededinging. De huidige wet tot bescherming van de economische mededinging, zoals gecoördineerd op 15 september 2006 (BS 29 september 2006, 3e ed.), is bovendien grotendeels geïnspireerd op de Europese mededingingsregels.

2. Niet-aftrekbaarheid van EG-kartelboeten in andere EU-landen

16. Verschillende specialisten hebben er destijds op gewezen dat dergelijke EG-kartelboeten in andere EU-landen niet aftrekbaar zijn. Onderzoek heeft alvast uitgewezen dat de EG-kartelboeten noch in Frankrijk, noch in Nederland (waar alle EU-boeten uitdrukkelijk als niet aftrekbaar worden aangemerkt) aftrekbaar zijn.

Het toelaten van de aftrekbaarheid als beroepskost in België van een opgelegde EU-kartelboete, zou dan ook een ernstige discriminatie inhouden ten opzichte van deze landen.

Bovendien zou het toelaten van de aftrekbaarheid van opgelegde EU-kartelboeten als beroepskosten ten laste van de Belgische Schatkist erop neerkomen dat de Belgische Staat deze Europese boeten, die wegens zware overtredingen op het vlak van de mededinging worden opgelegd, gedeeltelijk zou subsidiëren, wat evenmin de bedoeling kan zijn, temeer daar de gewone belastingplichtige in dit geval tweemaal zou moeten opdraaien voor de schending van de regels van de mededinging, nl. een eerste maal door het betalen van duurdere consumentenprijzen wegens de niet toegelaten prijsafspraken tussen de "kartel-partners" en een tweede maal wegens het ten laste leggen van de gemeenschap (via de aftrek als beroepskosten) van een gedeelte van door die "kartel-partners" te betalen boeten.

3. Beginselen van behoorlijk bestuur vs. legaliteitsbeginsel

17. Uit een aantal lopende geschillen (waarbij de kartelboete niet als beroepskost werd aanvaard) is gebleken dat de betrokken belastingplichtigen zich beroepen op de beginselen van behoorlijk bestuur, en meer bepaald het recht op rechtszekerheid en het vertrouwensbeginsel, om inzonderheid op basis van het bepaalde in nr. 53/110.1, Com. IB 92, de aftrek van deze boeten te eisen.

Dienaangaande wordt erop gewezen dat reeds meermaals werd gevonnist dat het recht op rechtszekerheid geen onbeperkt recht is en onder omstandigheden moet wijken voor het legaliteitsbeginsel dat de rechtszekerheid en gelijkheid verzekert ten bate van alle belastingplichtigen (zie o.a. Cassatie, 3.11.2000).

Verder bevestigt de rechtspraak ook de voorrang van het legaliteitsbeginsel op administratieve circulaires indien deze contra legem zouden zijn (Cassatie, 29.5.1992 en Luik, 4.3.1998). Ook de huidige Minister van Financiën sluit zich hierbij aan en stelt dat fiscale aangelegenheden worden beheerst door het legaliteitsbeginsel, waaruit voortvloeit dat administratieve richtlijnen niet in het voordeel van de belastingplichtige, noch in het voordeel van de administratie kunnen worden afgedwongen indien zij geen steun vinden in de wet (Bull. Vr. en Antw., Kamer, 2003-2004, nr. 26 - vraag nr. 117 d.d. 12.11.2003 van Volksv. Leterme).

Tenslotte blijkt uit de rechtspraak van het Hof van Cassatie dat het Hof steeds voorrang verleent aan het legaliteitsbeginsel op het vertrouwensbeginsel zodra zich een rechtsvraag stelt en dit ongeacht of deze betrekking heeft op de draagwijdte van een wetsbepaling, de kwalificatie van sommige inkomsten, de belastbaarheid of vrijstelling van een bepaald inkomen, de aftrekbaarheid van beroepskosten, enz. (zie o.a. Cassatie, 18.1.1999, 3.11.2000, 6.11.2000, 26.10.2001 en 14.6.2002).

18. Zoals blijkt uit nr. 14 is het bepaalde in nr. 53/110.1, Com.IB 92, strijdig met de bepalingen van art. 53, 6°, WIB 92, die van openbare orde zijn. Aangezien zich in casu een rechtsvraag stelt, kunnen belastingplichtigen uit voormelde administratieve bepaling dan ook geen gewettigde verwachtingen putten om de aftrek van een EG-kartelboete te eisen, maar dient voorrang te worden gegeven aan het legaliteitsbeginsel dat deze aftrek verbiedt.
V. BESLUIT


19. Gelet op wat voorafgaat moet in het algemeen worden besloten dat de eigenlijke geldboeten zoals beoogd in nr. 10, overeenkomstig de uitdrukkelijke bepalingen van art. 53, 6°, WIB 92, nooit als aftrekbare beroepskosten kunnen worden aangemerkt, en dit ongeacht of ze al dan niet van strafrechtelijke aard zijn.

Wat meer specifiek de aftrek als beroepskost van een EGkartelboete betreft, is duidelijk dat die aftrek evenmin kan worden toegestaan op grond van het bepaalde in nr. 53/110.1, Com.IB 92, aangezien die administratieve bepaling in strijd is met de wettelijke bepalingen van art. 53, 6°, WIB 92.

Het bepaalde in nr. 53/110.1, Com. IB 92, komt dus te vervallen.

In nr. 53/105, Com. IB 92, zal worden verduidelijkt dat de geldboeten die aan ondernemingen worden opgelegd wegens overtreding van de regels betreffende de mededinging zoals bepaald in de art. 81 en 82 van het verdrag tot oprichting van de Europese Unie, alsook wegens schending van de regels betreffende de mededinging zoals bepaald in de Belgische wetgeving, gelet op de uitdrukkelijke bepalingen van art. 53, 6°, WIB 92, niet aftrekbaar zijn als beroepskosten.

De administratieve commentaar met betrekking tot de al dan niet aftrekbaarheid als beroepskosten van allerhande boetes zal worden aangepast in overeenstemming met wat voorafgaat.

De in deze circulaire opgenomen richtlijnen zijn onmiddellijk van toe-passing, in eender welk stadium van de procedure, ook wat de hangende en de toekomstige geschillen betreft.

NAMENS DE MINISTER
Voor de administrateur Kleine
en Middelgrote Ondernemingen :

J. VANHOUTTE
Directeur