Circulaire nr. Ci.RH.332/557.605 (AOIF 26/2003) van 01.10.2003
CIRC 01.10.03/1
Bull. nr. 842, pag. 2905-2914
AFZONDERLIJK BELASTBAAR INKOMEN
Gemiddelde aanslagvoet
BEZWAARSCHRIFT
Bezwaartermijn
ONTHEFFING VAN AMBTSWEGE
Nieuw feit of bescheid
Toepassingsvoorwaarde van een ontheffing van ambtswege
RECHTSPRAAK
Arrest van het Arbitragehof
VAKANTIEGELD
Vervroegd vakantiegeld
Gemiddelde aanslagvoet
BEZWAARSCHRIFT
Bezwaartermijn
ONTHEFFING VAN AMBTSWEGE
Nieuw feit of bescheid
Toepassingsvoorwaarde van een ontheffing van ambtswege
RECHTSPRAAK
Arrest van het Arbitragehof
VAKANTIEGELD
Vervroegd vakantiegeld
Fiscaal stelsel van het vakantiegeld na het arrest nr. 185/2002 van 11 december 2002 van het Arbitragehof en art. 123 van de Programmawet (1) van 8 april 2003 om elke discriminatie tussen bedienden en arbeiders weg te werken.
Aan alle ambtenaren.
1. In het arrest nr. 185/2002 van 11 december 2002 (Belgisch Staatsblad van 24 februari 2003) heeft het Arbitragehof geoordeeld dat het fiscaal stelsel van het vakantiegeld verkregen door en betaald aan een arbeider naar aanleiding van zijn brugpensioen, discriminerend is.
Bijgevolg werd art. 171, 6°, eerste streepje, WIB 92 gewijzigd door art. 123 van de Programmawet van 8 april 2003 (Belgisch Staatsblad van 17 april 2003) teneinde het in overeenstemming te brengen met het voormelde arrest.
A.
Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992
2. Artikel 171
"In afwijking van de artikelen 130 tot 168, zijn afzonderlijk belastbaar, behalve wanneer de aldus berekende belasting, vermeerderd met de belasting betreffende de andere inkomsten, meer bedraagt dan die welke zou voortvloeien uit de toepassing van de evenvermelde artikelen op het geheel van de belastbare inkomsten :
(…)
6° tegen de aanslagvoet met betrekking tot het geheel van de andere belastbare inkomsten :
- het verkregen vakantiegeld dat wordt betaald aan een hoofdarbeider die de onderneming verlaat;
(…)".
3. "TITEL V. - Financiën -
HOOFDSTUK X - Afzonderlijke taxatie van het vervroegd uitbetaald vakantiegeld
Art. 123. Artikel 171, 6°, eerste streepje, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wordt vervangen als volgt :
" - het vakantiegeld dat, tijdens het jaar dat de werknemer zijn werkgever verlaat, is opgebouwd en aan hem wordt betaald;"
Art. 124. Dit hoofdstuk heeft uitwerking vanaf aanslagjaar 2003."
4. TITEL II. - Fiscale en financiële bepalingen
HOOFDSTUK IX. - Wijziging aan het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992
Art. 17. In artikel 171, 6°, eerste streepje van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, vervangen bij artikel 123 van de programmawet van 8 april 2003, worden de woorden "of de bedrijfsleider die is tewerkgesteld met een arbeidsovereenkomst" ingevoegd tussen de woorden "dat de werknemer" en de woorden "zijn werkgever verlaat".
Art. 18. Artikel 17 heeft uitwerking vanaf het aanslagjaar 2003.
A.
Discriminatie
5. Het Arbitragehof heeft in zijn arrest nr. 185/2002 van 11 december 2002 geoordeeld dat art. 171, 6°, eerste streepje, WIB 92 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt in zoverre dat artikel het voordeel van de afzonderlijke aanslagvoet waaraan het verkregen vakantiegeld dat wordt betaald aan een bediende die de onderneming verlaat is onderworpen, uitsluitend aan de bedienden voorbehoudt en het voordeel van een aanslag tegen dezelfde preferentiële aanslagvoet bijgevolg ontzegt aan het vakantiegeld dat wordt betaald aan de arbeiders die zich in dezelfde situatie bevinden.
6. Er is beslist de draagwijdte van het arrest te beperken tot de situatie die werd onderzocht door het Arbitragehof. Dit betekent dat alleen de gewezen
arbeiders (zij die hun onderneming hebben verlaten) die hun vakantiegeld hebben verkregen na hun
brugpensionering, in aanmerking komen voor een eventuele rechtzetting van hun fiscale toestand.
Onder
brugpensioen moet worden verstaan, de
voltijdse wettelijke (ingesteld door een wet) of conventionele (ingesteld door collectieve arbeidsovereenkomsten) brugpensioenen, die recht geven op wettelijke werkloosheidsuitkeringen en op aanvullende vergoedingen ten laste van de werkgever en eventueel van een fonds voor bestaanszekerheid. Die vergoedingen worden vermeld op een fiche 281.13 (model 2002), vakken 9 tot 14, rubrieken c en d.
De
brugpensionering komt overeen met het einde van de opzeggingstermijn, het is het moment waarop de werknemer recht heeft op zijn werkloosheidsuitkeringen en de aanvullende vergoedingen ten laste van de werkgever of van een fonds voor bestaanszekerheid.
7. Het betreft het vakantiegeld met betrekking tot de arbeidsprestaties van het jaar van brugpensionering dat aan betrokkene wordt betaald na zijn brugpensionering. Voor een arbeider wordt dit vakantiegeld in principe betaald in de loop van het jaar dat volgt op dat van de brugpensionering.
Dit vakantiegeld wordt betaald door de RJV (Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie) of door een sectoriële verlofkas.
Het belastbaar bedrag van het vakantiegeld evenals het bedrag van de bedrijfsvoorheffing zijn in principe vermeld op een door de schuldenaar aan de werknemer uitgereikt uittreksel van de individuele afrekening evenals op een in het fiscaal dossier te rangschikken fiche 281.10.
8. Het vakantiegeld met betrekking tot de arbeidsprestaties van het jaar waarin de arbeider op brugpensioen is gegaan, moet afzonderlijk worden belast tegen de gemiddelde aanslagvoet vermeld in art. 171, 6°, WIB 92, namelijk
tegen de aanslagvoet met betrekking tot het geheel van de andere belastbare inkomsten en dit zelfs indien het vakantiegeld in de loop van het volgend jaar wordt betaald.
9. De in aanmerking te nemen aanslagvoet is de gemiddelde aanslagvoet van toepassing op het geheel van de andere belastbare inkomsten van het jaar waarin het vakantiegeld effectief is betaald.
Voor de verkrijger met het statuut van arbeider zal het referentiejaar in principe dat zijn dat volgt op het jaar van brugpensionering.
10. Rekening houdende met de wetswijziging opgenomen in de Programmawet van 8 april 2003 zal het voormelde fiscaal stelsel slechts van toepassing zijn voor het vakantiegeld dat ten laatste in de loop van het jaar 2001 werd betaald.
11. Een
arbeider is op brugpensioen sinds maart 2000. De verlofkas betaalt hem in juni 2000 zijn vakantiegeld met betrekking tot de arbeidsprestaties van het jaar 1999. De verlofkas betaalt hem in augustus 2001 zijn vakantiegeld met betrekking tot de arbeidsprestaties van het jaar 2000.
Het vakantiegeld met betrekking tot de arbeidsprestaties van het jaar 1999 dat wordt betaald in 2000 is gezamenlijk belastbaar voor het aanslagjaar 2001.
Het vakantiegeld met betrekking tot de arbeidsprestaties van het jaar 2000 dat wordt betaald in 2001 is voor het aanslagjaar 2002 belastbaar tegen de gemiddelde aanslagvoet van de andere belastbare inkomsten van het jaar 2001. Dit vakantiegeld mag bijgevolg voor werknemers worden opgenomen tegenover de codes 251 of 301 (gehuwde vrouw) - kenletter B van de aangifte in de personenbelasting en voor bedrijfsleiders met een arbeidersovereenkomst tegenover de codes 402 of 427 - kenletter B Dir.
Het vakantiegeld met betrekking tot de arbeidsprestaties van het jaar 2000 dat wordt betaald in 2001 is voor het aanslagjaar 2002 belastbaar tegen de gemiddelde aanslagvoet van de andere belastbare inkomsten van het jaar 2001. Dit vakantiegeld mag bijgevolg voor werknemers worden opgenomen tegenover de codes 251 of 301 (gehuwde vrouw) - kenletter B van de aangifte in de personenbelasting en voor bedrijfsleiders met een arbeidersovereenkomst tegenover de codes 402 of 427 - kenletter B Dir.
12. Indien uit het fiscaal dossier van de belastingplichtige blijkt dat hij in het jaar X op brugpensioen is gegaan (hetgeen kan worden geverifieerd aan de hand van de fiche 281.13) en in het jaar X+1 door de RJV of door een verlofkas vakantiegeld werd uitbetaald, mag het voormelde fiscaal stelsel worden toegepast indien een tijdig bezwaarschrift of verzoek tot ambtshalve ontheffing werd ingediend.
13. De betrokken belastingplichtigen kunnen de voordelen van voormeld fiscaal stelsel verkrijgen door een bezwaarschrift in te dienen dat voldoet aan de vorm- en termijnvoorwaarden bepaald in de artikelen 366 tot 372 WIB 92.
Indien de bezwaartermijn is verstreken kunnen ze een ambtshalve ontheffing op grond van artikel 376, § 1, WIB 92 vragen, aangezien de administratie van oordeel is dat de arresten van het Arbitragehof op prejudiciële vragen moeten worden beschouwd als een nieuw bewijskrachtig feit in de zin van dat artikel (cfr. Circ. 4.5.2001, Ci.RH.862/536.019, Bull. 816, blz. 1257).
Er wordt aan herinnerd dat krachtens de bewoordingen van het Hof van Cassatie er slechts sprake is van nieuwe bewijskrachtige feiten in de zin van artikel 376 § 1, WIB 92 indien de belastingplichtige niet in staat was die nieuwe bewijskrachtige feiten te leveren vóór het verstrijken van de bezwaartermijn bepaald in artikel 371 WIB 92 (Cass., 30.4.1968, Bull. 462, blz. 541; 31.10.1991, Arr. Cass., 1991 - 1992, I, nr. 126 blz. 210; 2.12.1999, Arr. Cass., 1999, deel 9 nr. 652 blz. 1549). Aangezien het een uitspraak betreft van het Arbitragehof over een prejudiciële vraag moet de bezwaartermijn verstreken zijn vóór de datum waarop het arrest gepubliceerd werd in het Belgisch Staatsblad.
In dit geval werd het arrest van het Arbitragehof geveld op 11 december 2002 en werd het gepubliceerd op 24 februari 2003. Bij het onderzoek of de toepassingsvoorwaarden van artikel 376 § 1, WIB 92 verenigd zijn moet de datum in aanmerking worden genomen die voor de belastingplichtige het gunstigste is (cfr. voormelde Circ. van 4.5.2001).
A.
Art. 171, 6°, eerste streepje, WIB 92
14. Artikel 123 van de Programmawet van 8 april 2003 en artikel 17 van de Programmawet van 5 augustus 2003 hebben art. 171, 6°, eerste streepje, WIB 92, zodanig gewijzigd dat het vakantiegeld dat,
tijdens het jaar dat de werknemer of de bedrijfsleider die is tewerkgesteld met een arbeidsovereenkomst zijn werkgever verlaat, is opgebouwd en aan hem wordt betaald, afzonderlijk zal worden belast tegen de aanslagvoet met betrekking tot het geheel van de andere belastbare inkomsten.
Voortaan wordt uitdrukkelijk het vakantiegeld beoogd dat is betaald aan een arbeider of een bediende die zijn werkgever verlaat, en dat betrekking heeft op de periode van het jaar waarin de werknemer is tewerkgesteld door die werkgever, in zoverre dat vakantiegeld in het jaar zelf is uitbetaald, dus zonder een onderscheid te maken tussen bedienden en arbeiders.
Die tekst geeft beter de filosofie weer die achter de afzonderlijke taxatie zit, namelijk de progressiviteit van de belasting niet verzwaren door de samenvoeging van het vervroegd vakantiegeld berekend op grond van de prestaties van het jaar van vertrek met het gewone vakantiegeld berekend op grond van de prestaties van het vorige jaar (Kamer, St. 50 2343/022, blz. 3).
15. Het betreft in feite een herschrijving van art. 171, 6°, eerste streepje, WIB 92, met als gevolg dat in de praktijk het fiscaal stelsel met betrekking tot het vervroegd vakantiegeld zoals het bestond vóór het arrest van het Arbitragehof van 11 december 2002 opnieuw wordt toegepast.
De tekst werd evenwel zodanig gewijzigd dat elke letterlijke discriminatie is uitgesloten en dat hij bijgevolg expliciet van toepassing is op alle werknemers, arbeiders inbegrepen, van zodra ze zich in gelijkaardige objectieve omstandigheden bevinden.
Aangezien een arbeider zijn vakantiegeld met betrekking tot de arbeidsprestaties van het jaar waarin hij zijn werkgever verlaat slechts het volgende jaar ontvangt, zal hij in feite de afzonderlijke aanslag niet kunnen genieten.
De richtlijnen opgenomen in de nrs. 171/342 en 343 Com. IB 92 blijven dus van toepassing. Ze zullen evenwel worden aangepast rekening houdend met de wijziging die is aangebracht aan art. 171, 6°, eerste streepje, WIB 92.
16. Het betreft het vervroegd vakantiegeld, dit wil zeggen datgene dat betrekking heeft op arbeidsprestaties van een jaar en dat wegens het stopzetten van de arbeidsovereenkomst, aan de werknemer wordt betaald in de loop van datzelfde jaar.
17. Zijn in principe bedoeld, de bedienden met inbegrip van de bedrijfsleiders verbonden door een arbeidsovereenkomst en de arbeiders die vervroegd vakantiegeld ontvangen.
Alhoewel deze bepaling in rechte geldt voor de arbeiders zullen ze, aangezien ze geen vervroegd vakantiegeld ontvangen, in feite niet onder de toepassing ervan vallen.
18. Het nieuwe art. 171, 6°, WIB 92 treedt in werking vanaf aanslagjaar 2003 (inkomsten van het jaar 2002).
Het betreft bijgevolg het vanaf het jaar 2002 door werknemers ontvangen vervroegd vakantiegeld.
Het is bijgevolg van toepassing op werknemers die hun onderneming vanaf het jaar 2002 verlaten.
19. Een
bediende verlaat zijn werkgever in november 2002 :
- de werkgever betaalt hem in mei 2002 zijn (gewoon) vakantiegeld met betrekking tot de arbeidsprestaties van het jaar 2001;
- de werkgever betaalt hem in december 2002 zijn (vervroegd) vakantiegeld met betrekking tot de arbeidsprestaties van het jaar 2002.
Het gewoon vakantiegeld is gezamenlijk belastbaar voor het aanslagjaar 2003. Dit vakantiegeld moet bijgevolg voor werknemers worden opgenomen tegenover de codes 250 of 300 (gehuwde vrouw) - kenletter T van de aangifte in de personenbelasting en voor bedrijfsleiders met een arbeidsovereenkomst tegenover de codes 400 of 425 - kenletter T Dir.
Het vervroegd vakantiegeld is voor het aanslagjaar 2003 afzonderlijk belastbaar tegen het gemiddeld tarief van de andere inkomsten van het jaar 2002. Dit vakantiegeld mag bijgevolg voor werknemers worden opgenomen tegenover de codes 251 of 301 (gehuwde vrouw) - kenletter B van de aangifte in de personenbelasting en voor bedrijfsleiders met een arbeidsovereenkomst tegenover de codes 402 of 427 - kenletter B Dir.
Het vervroegd vakantiegeld is voor het aanslagjaar 2003 afzonderlijk belastbaar tegen het gemiddeld tarief van de andere inkomsten van het jaar 2002. Dit vakantiegeld mag bijgevolg voor werknemers worden opgenomen tegenover de codes 251 of 301 (gehuwde vrouw) - kenletter B van de aangifte in de personenbelasting en voor bedrijfsleiders met een arbeidsovereenkomst tegenover de codes 402 of 427 - kenletter B Dir.
20. Zelfde gegevens als voorbeeld 1 behalve dat het vakantiegeld betreffende de arbeidsprestaties van 2002 aan de werknemer is betaald in januari 2003.
Het vakantiegeld met betrekking tot de arbeidsprestaties van het jaar 2001 dat wordt betaald in 2002 is gezamenlijk belastbaar voor het aanslagjaar 2003. Dit vakantiegeld moet bijgevolg voor werknemers worden opgenomen tegenover de codes 250 of 300 (gehuwde vrouw) - kenletter T van de aangifte in de personenbelasting (aanslagjaar 2003 - inkomsten van het jaar 2002) en voor bedrijfsleiders met een arbeidsovereenkomst tegenover de codes 400 of 425 - kenletter T Dir.
Het vakantiegeld met betrekking tot de arbeidsprestaties van het jaar 2002 dat wordt betaald in 2003 is gezamenlijk belastbaar voor het aanslagjaar 2004. Dit vakantiegeld moet bijgevolg voor werknemers worden opgenomen tegenover de codes 250 of 300 (gehuwde vrouw) - kenletter T van de aangifte in de personenbelasting (aanslagjaar 2004 - inkomsten van het jaar 2003) en voor bedrijfsleiders met een arbeidsovereenkomst tegenover de codes 400 of 425 - kenletter T Dir.
21. Een
arbeider verlaat zijn werkgever in maart 2002 :
- de verlofkas betaalt hem in juni 2002 zijn (gewoon) vakantiegeld met betrekking tot de arbeidsprestaties van het jaar 2001;
- de verlofkas betaalt hem in augustus 2003 zijn vakantiegeld met betrekking tot de arbeidsprestaties van het jaar 2002.
Het vakantiegeld met betrekking tot de arbeidsprestaties van het jaar 2001 dat wordt betaald in 2002 is gezamenlijk belastbaar voor het aanslagjaar 2003. Idem als voorbeeld 2.
Het vakantiegeld met betrekking tot de arbeidsprestaties van het jaar 2002 dat wordt betaald in 2003 is gezamenlijk belastbaar voor het aanslagjaar 2004. Idem als voorbeeld 2.
Het vakantiegeld met betrekking tot de arbeidsprestaties van het jaar 2002 dat wordt betaald in 2003 is gezamenlijk belastbaar voor het aanslagjaar 2004. Idem als voorbeeld 2.
Voor de Administrateur-generaal
van de Belastingen en de Invordering :
De Directeur,
P. LEROY
Bron: FisconetPlus
