Aanschrijving nr. 8 dd. 29.03.1994

AANSCHRIJVING 94/008

Aanschrijving nr. 8 dd. 29.03.1994


Deze aanschrijving wijzigt de aanschrijving nr. 26 dd. 31.08.1978.
Regeling op vlak van faillissement, akkoord en beslag

Overeenkomstig nr. 49 van de aanschrijving nr. 26 van 31 augustus 1978 met betrekking tot de regeling op het stuk van het faillissement, het akkoord en het beslag, is de verkoop bij uitvoerend beslag van roerende goederen niet aan de BTW onderworpen, zelfs indien de schuldenaar wiens goederen bij uitvoerend beslag worden verkocht de hoedanigheid van BTW-belastingplichtige heeft met geheel of gedeeltelijk recht op aftrek van de voorbelasting.

De Belgische Staat werd op grond van artikel 169 van het Verdrag tot oprichting van de E.E.G. door de Europese Commissie in gebreke gesteld om reden dat het niet onderwerpen aan de BTW van bovengenoemde verkopen in strijd is met de Zesde Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de Wetgevingen der Lid- Staten inzake omzet, inzonderheid met artikel 2 van die richtlijn op grond waarvan aan de BTW zijn onderworpen, de leveringen van goederen en diensten welke in het binnenland door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht.

De administratie kan slechts instemmen met de principiële door de Commissie aangevoerde argumenten.

Bijgevolg wordt het nr. 49 van bovengenoemde aanschrijving vanaf 1 januari 1994, vervangen door hetgeen hierna volgt.

"49. Aangezien de schuldenaar wiens goederen hij uitvoerend beslag worden verkocht, niet de hoedanigheid van belastingplichtige verliest (1), is de verkoop bij uitvoerend beslag van zijn roerende goederen, andere dan die welke uitsluitend voor privé-doeleinden werden gebruikt, aan de BTW onderworpen en van het evenredig registratierecht vrijgesteld (z. W. Reg., art. 80, 1°).

Ingeval van openbare verkoop van roerende goederen met toepassing van de BTW, is het de notaris of de gerechtsdeurwaarder die zijn ambt tot die verkoop leent, die de opeisbare BTW van de koper ontvangt voor rekening van de beslagen belastingplichtige.

Voor het overige gelden in principe de in het BTW-Wetboek voorziene regels ten aanzien van de berekening van de opeisbare BTW, de aangifte van de belastbare handelingen en de verschuldigde BTW, de betaling van die belasting aan de Schatkist, enz.

In dit verband wordt er op gewezen dat op grond van artikel 26 van het BTW-Wetboek, zoals overigens inzake registratierecht, de extra-wettelijke kosten aan de toewijzingsprijs moeten worden toegevoegd om de maatstaf van heffing te bepalen.

Wat de facturering betreft is het, zoals ingeval van faillissement en rekening houdend met het speciaal karakter van de openbare verkopen, noodzakelijk gebleken te voorzien in bijzondere regels.

Zo is de beslagen belastingplichtige in de regel verplicht een factuur uit te reiken in de gevallen waarbij op grond van artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 1, van 29 december 1992, met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, de uitreiking van een factuur verplicht zou zijn in geval van vrijwillige verkoop.

Wanneer evenwel de instrumenterende notaris of gerechtsdeurwaarder aan de koper een uittreksel van het proces-verbaal van toewijzing uitreikt, mag dat uittreksel worden aangemerkt als een factuur, op voorwaarde dat:



het uittreksel wordt aangevuld met de vermeldingen bepaald in artikel 6, § 2, 1°, van het bovengenoemde koninklijk besluit nr. 1 en in voorkomend geval, met het BTW-identificatienummer dat aan de koper in een andere Lid-Staat van de Europese Unie werd toegekend;
die gegevens per toegewezen lot worden vermeld in het proces-verbaal van toewijzing; om evenwel het vlot verloop van de verkoop niet te storen, kan genoegen worden genomen met de eenvoudige vermelding "uittreksel nr. ";
een dubbel van dat uittreksel wordt gevoegd bij de voor de beslagen verkoper bestemde verzamelstaat van de verkopen om zijn verplichtingen te kunnen nakomen.
Dit uittreksel uit het proces-verbaal van toewijzing en het dubbel ervan zijn vrijgesteld van zegelrecht (z. W. Zeg., art. 59/1, 4°). Die vrijstelling is evenwel afhankelijk van de voorwaarde dat bovenaan op de bedoelde stukken de oorzaak van de vrijstelling wordt vermeld, dit is in het gestelde geval, de bijzondere bestemming van de stukken (W. Zeg., art. 60/1).

De openbare verkoop bij uitvoerend beslag van lichamelijk roerende goederen die de schuldenaar voor zijn privé-behoeften heeft gebruikt, is niet aan de BTW maar aan het evenredig registratierecht onderworpen. Van het registratierecht is zelfs vrijgesteld, de openbare verkoop bij uitvoerend beslag van inlands hout, op stam of gekapt (W. Reg., art. 80, 3°); in dat geval is derhalve noch de BTW, noch het evenredig registratierecht verschuldigd.

Volledigheidshalve wordt er nog op gewezen dat op grond van artikel 1526bis van het Gerechtelijk Wetboek (z. art. 15 van de Wet van 14 januari 1993 tot wijziging van titel I, voorafgaande regels, en titel III, gedwongen tenuitvoerlegging, van deel V van het Gerechtelijk Wetboek inzake het bewarend beslag en de middelen tot tenuitvoerlegging en tot wijziging van artikel 476 van de Wet van 18 april 1851 betreffende het faillissement, de bankbreuk en het uitstel van betaling (B.S. van 20 februari 1993, blz. 3894 en volg.), de schuldenaar tegen wie een uitvoerend beslag op roerend goed geschiedt, de in beslag genomen goederen in der minne kan verkopen ten einde de opbrengst ervan aan te wenden voor de betaling van de schuldeisers. In dat geval blijven uiteraard de normale regels van toepassing.".

Bovendien worden aan nr. 22 van dezelfde aanschrijving de volgende wijzigingen aangebracht:

  • in het tweede lid worden de woorden "van goederen die zijn bedoeld in de artikelen 2 en 3 van Titel I van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen (voertuigen onderworpen aan de inschrijvingstaks in hoofde van de koper), of" geschrapt evenals de verwijzing naar 2° van artikel 80 van het Wetboek der registratierechten (z. aanschr. 11/1993, tweede lid);
  • in het derde lid, past het vanaf 1 januari 1993 te verwijzen naar artikel 21 van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 en niet meer naar artikel 9 van het koninklijk besluit nr. 1 van 23 juli 1969;
  • het vierde lid wordt vervangen door het volgende: "De buitenwettelijke kosten moeten zoals inzake registratierecht, bij de toewijzingsprijs worden gevoegd voor het bepalen van de maatstaf van heffing van de BTW.".
Tenslotte wordt het nr. 50 van dezelfde aanschrijving opgeheven.

Namens de Minister:
De Directeur-generaal,
J. DECUYPER
NOOT ------------------- (1) Sinds 1 januari 1993 moet onder belastingplichtige in de zin van de aanschrijving nr. 26 van 31 augustus 1978 vanzelfsprekend worden verstaan, een belastingplichtige met volledig of gedeeltelijk recht op aftrek van de voorbelasting hetgeen de door de artikelen 44 en 56, § 2, van het Wetboek beoogde belastingplichtigen uitsluit samen overigens met de belastingplichtigen die een recht op aftrek genieten maar dan enkel voor het verrichten van in artikel 44, § 3, 4° tot 10°, van het Wetboek beoogde handelingen (z. Wetb., art. 45, § 1, 4° en 5°) evenals de landbouwondernemers onderworpen aan de bijzondere regeling van artikel 57 van het Wetboek.