Aanschrijving nr. 26 dd. 31.08.1978
AANSCHRIJVING 78/026
Aanschrijving nr. 26 dd. 31.08.1978
Deze aanschrijving werd gewijzigd door de aanschrijving nr. 8 dd. 29.03.1994.
Regeling op vlak van faillissement, akkoord en beslag
INHOUD Nrs. Doel van de aanschrijving Eerste hoofdstuk. Regeling op het stuk van het faillissement Eerste afdeling. Algemene beginselen. Begrippen 1 - 3 Verplichtingen door de curator na te komen 4 Afdeling II. Verklaring van schuldvordering. Beginselen 5 - 8 Belasting over de toegevoegde waarde 9 - 13 Boeten 14 - 16 Interesten 17 Stuiting van de verjaring 18 Afdeling III. Vereffening van het faillissement. Algemeenheden 19 - 24 Aangifte van stopzetting van werkzaamheid 25 Facturering 26 BTW-aangifte en verschuldigde BTW 27 - 31 Voorbeelden 32 - 34 Betaling van de BTW 35 - 37 BTW-listing 38 Hoofdstuk II. Het akkoord Soorten van akkoord 39 Eerste afdeling. Het akkoord na faillissement. Definitie 40 Gevolgen 41 Afdeling II. Stelsel van het gerechtelijk akkoord. Definitie 42 Gevolgen 43 - 44 Afdeling III. Het akkoord met boedelafstand. Begrip 45 Gevolgen 46 - 47 Hoofdstuk III. Openbare verkoping bij uitvoerend beslag Begrippen 48 Toestand van de beslagene 49 - 49bis Doel van deze aanschrijving.
Afdeling I. Algemene beginselen.
Begrippen.
1. Het faillissement is een rechtspleging van gezamenlijke tenuitvoerlegging die in werking treedt wanneer een handelaar opgehouden heeft te betalen en zijn krediet aan het wankelen is gebracht. Deze instelling omvat een geheel van maatregelen die ten doel hebben gelijkmatig de schadeloosstelling te regelen van al degenen die op de dag van de faillietverklaring chirografaire schuldeisers van deze handelaar waren, rekening houdend met de rechten van de bevoorrechte en hypothecaire schuldeisers. Het patrimonium van de schuldenaar is vanaf dit ogenblik uitsluitend tot dit doel bestemd. De staat van faillissement blijkt uit het vonnis van de rechtbank van koophandel dat het bestaan ervan vaststelt.
2. Het vonnis van faillietverklaring ontneemt aan de gefailleerde niet de hoedanigheid van belastingplichtige die hij vóór dat vonnis wegens de uitgeoefende werkzaamheid bezat.
De handelingen verricht door de curator van een gefailleerde belastingplichtige ter uitvoering van de hem toevertrouwde opdracht, of door een derde onder toezicht van de curator, worden, ingevolge artikel 2, tweede lid, nieuw, van het BTW-Wetboek, geacht door de gefailleerde zelf te zijn verricht. Deze handelingen behoren bijgevolg tot de werkingssfeer van de BTW in zoverre ze dat waren indien ze door de gefailleerde zelf werden verricht.
3. De noodzaak om de omvang van het patrimonium van de gefailleerde op de dag van het vonnis van faillietverklaring vast te stellen, heeft het afsluiten van de rekening van de gefailleerde inzake belasting over de toegevoegde waarde tot gevolg.
Wanneer deze rekening sluit met een schuld van de gefailleerde tegenover de Staat, moet deze schuld het voorwerp uitmaken van de verklaring van schuldvordering waarvan sprake in afdeling 2 hierna.
Wanneer de rekening van de gefailleerde daarentegen sluit met een saldo in zijn voordeel, zullen de door de Staat verschuldigde sommen aan de curator worden terugbetaald.
Verplichtingen van de failliet verklaarde belastingplichtige die door de curator worden nagekomen.
4. Aangezien krachtens artikel 2, van het BTW-Wetboek, de curator geacht wordt de gefailleerde te vertegenwoordigen, moet hij in de plaats van de gefailleerde al de verplichtingen naleven die voor de gefailleerde BTW-belastingplichtige voortvloeien uit dat wetboek of de ter uitvoering ervan genomen besluiten, met name op het stuk van het uitreiken van facturen, het houden van factuurboeken, het opstellen van de jaarlijkse opgave (listing) van de afnemers-belastingplichtigen, en het bewaren en voorleggen ter inzage van bescheiden.
In afwijking echter van dit beginsel hoeven de periodieke aangiften die betrekking hebben op de handelingen van de gefailleerde welke het vonnis van faillietverklaring voorafgaan en door de gefailleerde op de dag van dit vonnis nog niet werden ingediend, niet te worden ingediend.
De omstandigheid dat tegen het vonnis van faillietverklaring verzet wordt aangetekend of tegen dit laatste in hoger beroep wordt gegaan, blijft zonder invloed op wat voorafgaat. Het verzet en het hoger beroep schorten overigens de uitvoering van het vonnis van faillietverklaring niet op.
Afdeling 2. Verklaring van schuldvordering
Beginselen.
5. De rekenplichtige van het BTW-ontvangkantoor waaronder de gefailleerde ressorteert, dient bij de griffie van de rechtbank van koophandel die het vonnis van faillietverklaring heeft uitgesproken, binnen de door die rechtbank vastgestelde termijn, de verklaring van schuldvordering van de Staat in tweevoud in, overeenkomstig de artikelen 496, 498 en 499 van de wet van 18 april 1851 betreffende het faillissement (z. Wetb. Koophandel, boek III).
6. Wanneer op het tijdstip waarop het vonnis van faillietverklaring wordt uitgesproken, de schuld van de gefailleerde tegenover de Schatkist reeds definitief vaststaat, slaat de verklaring van schuldvordering op het bedrag van die schuld.
7. Wanneer daarentegen op de dag waarop het vonnis wordt uitgesproken, de schuld van de gefailleerde niet vaststaat, moet de rekenplichtige, rekening houdend met de tijd die met het oog op het bepalen van de schuldvordering van de Schatkist nodig is om de geschriften van de gefailleerde te verzamelen en te raadplegen, binnen de door de rechtbank opgelegde termijn een provisionele en bevoorrechte verklaring van schuldvordering indienen, waarin vermeld staat dat de Staat zich het recht voorbehoudt de werkelijk verschuldigde sommen te bepalen na controle van de geschriften van de gefailleerde.
Deze provisionele aangifte heeft betrekking op de sommen die reeds het voorwerp waren van een raming door de administratie, zoniet wordt slechts 1 frank vermeld.
8. De schuldvordering van de Staat wordt bepaald volgens de regels uiteengezet in de nrs. 9 tot 17 hierna.
Bedrag van de verklaring van schuldvordering.
Belasting over de toegevoegde waarde.
9. Voor het opmaken van de verklaring van schuldvordering wordt de BTW in aanmerking genomen die de gefailleerde aan de Staat nog verschuldigd is op de datum van het vonnis van faillietverklaring, wegens de belastbare handelingen waarvoor de BTW vóór die datum verschuldigd was.
In die verklaring wordt onder meer het bedrag van de BTW opgenomen die de klanten van de gefailleerde hem op de dag van het vonnis van faillietverklaring nog niet betaald hebben, voor zover de belastingplichtige deze BTW niet zelf reeds aan de Schatkist heeft gestort.
10. Wanneer de gefailleerde onderworpen was aan de forfaitaire regeling van artikel 56, § 1, van het BTW-Wetboek, moet in de verklaring van schuldvordering, ten aanzien van de goederen verkregen vóór het vonnis van faillietverklaring, rekening worden gehouden met de krachtens artikel 9/1 van het koninklijk besluit nr. 2, van 7 november 1969, verschuldigde BTW, in zoverre die BTW niet aan de Schatkist werd betaald.
Wanneer de gefailleerde opeenvolgende jaarlijkse inventarissen van zijn voorraad heeft opgemaakt, wordt de verklaring van schuldvordering evenwel beïnvloed door de regularisatie bedoeld in artikel 9/1, derde lid, van het koninklijk besluit nr. 2, van 7 november 1969. Die regularisatie kan een teruggave of een invordering van BTW ten gevolge hebben naargelang de vergelijking tussen de laatst opgemaakte inventaris en de inventaris opgemaakt na het vonnis van faillietverklaring een aangroei of een vermindering van de voorraad laat blijken.
11. Wanneer wegens de uitspraak van het faillissement een einde wordt gesteld aan de uitvoering van de lopende contracten met betrekking tot dienstverrichtingen, met name werk in onroerende staat, tot de uitvoering waarvan de gefailleerde zich tegenover zijn klanten verbonden had, dan zijn die diensten, voor de toepassing van het BTW-Wetboek, voltooid op de dag van het vonnis van faillietverklaring, doch slechts in zoverre ze op het tijdstip van het vonnis materieel waren uitgevoerd.
De verschuldigde belasting zal bijgevolg berekend worden rekening houdend met de waarde van de op die datum werkelijk verrichte dienst.
12. De Administratie eist niet dat de gefailleerde de door hem in aftrek gebrachte belasting terugstort welke geheven is van een levering van goederen of een dienstverrichting door een leverancier of dienstverrichter die wegens gebrek aan betaling teruggaaf van deze BTW verkrijgt bij toepassing van artikel 77, § 1, 7°, van het Wetboek.
13. De schuld van de gefailleerde, die werd vastgesteld overeenkomstig de nrs. 9 en 11 hierboven, moet worden verminderd met het bedrag van de belasting geheven van de vóór het vonnis van faillietverklaring verrichte handelingen waarvoor hij, overeenkomstig de artikelen 45 tot 48 en 77 van het BTW-Wetboek, het recht op aftrek kon uitoefenen.
Dit is het geval, zelfs wanneer de gefailleerde in zijn vroeger ingediende periodieke BTW-aangiften verzuimd heeft binnen de voorgeschreven termijn de belasting op te nemen waarvoor hij het recht op aftrek kon uitoefenen.
Het voorgaande lid doet uiteraard geen afbreuk aan de regels volgens welke het recht op aftrek na vijf jaar vervalt, zoals blijkt uit artikel 4, § 2, van het koninklijk besluit nr. 3, van 10 december 1969 (z. aanschr. 29/1975), en het recht op teruggaaf na vijf jaar verjaart, ingevolge artikel 82 van het Wetboek.
Boeten.
14. De boete wegens niet-tijdige indiening van periodieke BTW- aangiften wordt gevorderd voor het niet indienen of niet-tijdig indienen van aangiften waarvoor de indieningstermijn verstreken was op het ogenblik van de faillietverklaring.
15. Evenzo wordt de boete wegens niet-tijdige betaling gevorderd voor de belasting waarvan de betaling niet binnen de wettelijke termijn heeft plaatsgehad, voor zover deze termijn vóór het vonnis van faillietverklaring was verstreken.
16. Het bedrag van de boeten bedoeld in de nrs. 14 en 15, en van de boeten welke andere overtredingen bestraffen die de belastingplichtige zou hebben begaan, wordt opgenomen in de verklaring van schuldvordering rekening houdend met de verminderingen bepaald in het barema dat van toepassing is op de dag van het vonnis van faillietverklaring.
Interesten.
17. De verklaring van schuldvordering van de Staat omvat de op de dag van het vonnis van faillietverklaring vervallen interesten. Deze worden berekend overeenkomstig artikel 91, § 1, van het Wetboek.
Stuiting van de verjaring.
18. De verklaring van schuldvordering wordt gelijkgesteld met een verzoek tot gerechtelijke erkenning van een bedreigd recht. Zo stuit de verjaring die tegen de Staat loopt. De stuiting van deze verjaring zal overigens hernieuwd worden door het opnemen, door de curator, van de schuldvordering in het passief van het faillissement.
De vraag is nu tot op welk tijdstip het stuitingseffect zich uitstrekt.
Op dit stuk dient het volgende onderscheid te worden gemaakt.
Wanneer het opnemen in de massa van de schuldvordering van de Staat wordt betwist is de dertigjarige verjaring van toepassing. De tussen de curator en een schuldeiser ontstane betwisting met betrekking tot het opnemen van een schuldvordering in de massa wordt gelijkgesteld met een gerechtelijk twistpunt (z. Répertoire pratique du droit belge, Faillite et Banqueroute, nr. 1876).
Wanneer de schuldvordering van de Staat zonder betwisting wordt opgenomen en gewaarborgd is door de inschrijving van de wettelijke hypotheek bedoeld in artikel 86 van het BTW-Wetboek, wordt de verjaringstermijn voor de invordering van deze schuldvordering niet opgeschort tussen het indienen van de verklaring van schuldvordering en het sluiten van het faillissement (Cass. 19 januari 1967, Pas. 1967, I, blz. 603). De ontvanger van de BTW moet er dus over waken dat de verjaring wordt gestuit op de wijze en onder de voorwaarden bepaald bij de artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek en dit binnen twee jaar na de laatste stuiting die zich heeft voorgedaan, overeenkomstig het bepaalde in artikel 83, eerste lid, van het BTW-Wetboek.
Wanneer de in het passief van het faillissement opgenomen schuldvordering niet door een hypothecaire inschrijving wordt gewaarborgd, bestaat er betwisting over de vraag of het overleggen van een verklaring van schuldvordering aan de massa al dan niet de verjaring opschort tot bij het sluiten van het faillissement. Bijgevolg zal de ontvanger van de BTW in dit geval eveneens erover moeten waken dat de verjaring zal worden gestuit.
Als daden die de verjaring stuiten worden met name aangemerkt, de gedeeltelijke en vrijwillige betalingen door de curator aan de schuldeisers, en de afstand van de verlopen tijd der verjaring.
Afdeling 3. Vereffening van het faillissement
Onderafdeling 1. Algemeenheden
19. De vereffening van het faillissement is het tegelde maken van het roerend en onroerend actief om de opbrengst ervan te verdelen onder de schuldeisers.
Voor de roerende goederen mag zulks geschieden bij openbare verkoping of bij verkoop uit de hand.
Maar de onroerende goederen moeten in principe worden tegelde gemaakt bij openbare verkoping (z. wet van 18 april 1851, betreffende het faillissement, art. 564).
20. Aangezien het vonnis van faillietverklaring geen einde stelt aan de belastingplicht van de gefailleerde en de verscheidene handelingen die de curator in het kader van de vereffening verricht geacht worden door de gefailleerde zelf te zijn verricht, behoren ze tot de werkingssfeer van de BTW in zoverre dit het geval geweest zou zijn als de gefailleerde niet failliet was verklaard. In dit verband moet geen onderscheid worden gemaakt naargelang de curator al of niet de werkzaamheid van de gefailleerde voortzet.
De verkoop van goederen die de gefailleerde uitsluitend voor privé- behoeften heeft gebruikt, blijft evenwel buiten de werkingssfeer van de BTW.
21. Wat de nieuwe gebouwen betreft, wordt de verkoop van deze goederen van rechtswege aan de BTW onderworpen, wanneer de gefailleerde de hoedanigheid had van beroepsoprichter.
Wanneer de gefailleerde daarentegen geen beroepsoprichter was, kan de verkoop van deze gebouwen slechts met toepassing van de BTW plaatshebben indien de curator de in artikel 8 van het Wetboek bedoelde optie uitoefent, overeenkomstig de procedure ingesteld bij het koninklijk besluit nr. 14, van 3 juni 1970.
22. De openbare verkoping van lichamelijke roerende goederen van de gefailleerde, andere dan die welke hij uitsluitend voor privé-behoeften heeft gebruikt, op verzoek van de curator van het faillissement, is aan de BTW onderworpen en is vrijgesteld van het evenredig registratierecht.
De openbare verkoping van de lichamelijke roerende goederen die de gefailleerde voor privé-behoeften heeft gebruikt blijft buiten de toepassing van de BTW en is onderworpen aan het evenredig registratierecht. Van dit recht is evenwel vrijgesteld, de openbare verkoping van inlands hout geleverd op stam of geveld (Wetb. reg., art. 80, 3°); in die gevallen is dus noch BTW, noch het evenredig registratierecht verschuldigd.
Wanneer bij een openbare verkoping de BTW is verschuldigd, dan wordt deze van de kopers gevorderd door de notaris of gerechtsdeurwaarder, die zijn ambt voor de verkoping verleent, en aan de curator overgemaakt (z. art. 9 van het KB nr. 1, van 23 juli 1969, zoals dit is gewijzigd bij art. 7 van het koninklijk besluit van 31 maart 1978, aanschr. 14/1978). Vanaf 1 januari 1993 wordt verwezen naar artikel 21 van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992.
De buitenwettelijke kosten moeten zoals inzake registratierecht, bij de toewijzingsprijs worden gevoegd voor het bepalen van de maatstaf van heffing van de BTW.
23. Wat de verkopingen van onroerende goederen uit hun aard betreft, deze zijn, in zoverre zij niet met BTW belastbaar zijn, onderworpen aan het evenredig registratierecht vastgesteld voor de overdrachten onder bezwarende titel van onroerende goederen (Wetb. reg., art. 44 en volgende).
Onderafdeling 2. Door de curator na te komen verplichtingen
24. De curator dient alle verplichtingen na te leven die het BTW- Wetboek en de ter uitvoering ervan genomen besluiten aan een belastingplichtige oplegt (z. nr. 4, eerste lid, hiervoor).
Ten aanzien van bepaalde verplichtingen zijn de volgende regels van toepassing (z. nrs. 25 tot 38).
Aangifte van stopzetting van werkzaamheid.
25. Binnen een maand na de sluiting van het faillissement dient de curator op het controlekantoor waaronder de gefailleerde ressorteert, de aangifte van stopzetting van werkzaamheid in, bedoeld in artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 10, van 12 maart 1970.
De curator mag evenwel die aangifte vóór de sluiting van het faillissement indienen zodra blijkt dat de failliete massa geen handelingen meer kan verrichten waarvoor zij schuldenares van de BTW tegenover de Staat kan worden.
Wanneer de curator niet met volledige zekerheid kan verklaren of de gefailleerde na de sluiting van het faillissement generlei beroepswerkzaamheid meer zal uitoefenen, mag hij de aangifte van stopzetting van werkzaamheid vervangen door een brief waarin hij zijn persoonlijke mening over het af of niet stopzetten van de werkzaamheid van de gefailleerde ter kennis van de Administratie brengt.
26. Facturering
Inzonderheid voor goederen van een gefailleerde die openbaar worden verkocht, moet door de curator in de regel een factuur worden uitgereikt in alle gevallen waarin die uitreiking volgens artikel 1, § 2 van het koninklijk besluit nr. 1, van 29 december 1992 verplicht zou zijn bij vrijwillige verkoop.
Wanneer in die gevallen door de instrumenterende notaris of gerechtsdeurwaarder aan de koper een uittreksel uit het proces-verbaal van toewijzing wordt uitgereikt met vermelding van de naam en het adres van de koper, en van diens BTW-registratienummer als hij een BTW-belastingplichtige is, stemt de Administratie ermede in, overeenkomstig het in nr. 22 aangehaalde artikel van het koninklijk besluit nr. 1, dat uittreksel aan te merken als een factuur, op voorwaarde dat :
1° die gegevens per toegewezen lot worden vermeld in het proces-verbaal van toewijzing; om het tempo van de verkoping eventueel niet te vertragen kan genoegen worden genomen met de eenvoudige vermelding "uittreksel nr. ";
2° een dubbel van dat uittreksel wordt overhandigd aan de curator met het oog op het bijhouden van de boekhouding van de gefailleerde en het opmaken van de jaarlijkse opgave (listing) van diens afnemers- belastingplichtigen (z. nr. 38 hierna).
Dit uittreksel uit het proces-verbaal van openbare verkoping en het dubbel ervan zijn vrijgesteld van zegelrecht (Wetboek der zegelrechten, art. 59/1, 4°); die vrijstelling is evenwel afhankelijk van de voorwaarde dat bovenaan op de bedoelde stukken de oorzaak van de vrijstelling wordt vermeld, dit is in het gestelde geval, de bijzondere bestemming van de stukken (zelfde wetboek, art. 60/1).
Aangifte van de belastbare handelingen en van de verschuldigde BTW.
27. De curator is ontslagen van de indiening van de periodieke aangiften bedoeld in artikel 53, eerste lid, 3°, van het BTW-Wetboek en in artikel 18, §§ 1 en 2 van het koninklijk besluit nr. 1, van 29 december 1992.
28. Hij moet echter binnen de termijn en op het kantoor die zijn bepaald in nr. 25 een verzamelaangifte indienen, waarin worden vermeld :
1° het bedrag, per tarief, van de belastbare handelingen die de curator sinds de dag van het vonnis van faillietverklaring heeft verricht, het bedrag van de wegens die handelingen verschuldigde BTW en, in voorkomend geval, het bedrag van de wegens uitvoer vrijgestelde handelingen (Wetboek, art. 39 tot 42);
2° het totaalbedrag van de aftrekbare BTW waarvoor het recht op aftrek is ontstaan sinds de dag van het vonnis van faillietverklaring.
29. De aangifte waarvan sprake in het voorgaande nummer, omvat niet de vervreemdingen van nieuwe gebouwen die de curator, krachtens artikel 8, van het BTW-Wetboek, met toepassing van de BTW heeft verricht. Deze handelingen en de betaling van de BTW die erop betrekking heeft blijven onderworpen aan de bepalingen vervat in het koninklijk besluit nr. 14, van 3 juni 1970.
30. In deze aangifte dient evenmin te worden opgenomen de verkoop van goederen die op de dag van het vonnis van faillietverklaring in voorraad waren bij een belastingplichtige, onderworpen aan de forfaitaire regeling bedoeld in artikel 56, § 1, van het BTW-Wetboek, met uitzondering evenwel van de verkopen van goederen waarvoor de forfaitaire regeling niet van toepassing is of waarvoor die regeling niet toegepast is geweest (z. nr. 37, leden 2 en volgende, hierna).
31. Wanneer de handelingen van vereffening van het faillissement niet geëindigd zijn na afloop van het kalenderjaar volgend op dat in de loop waarvan het vonnis van faillietverklaring werd uitgesproken, moet een eerste verzamelaangifte ingediend worden uiterlijk op 31 januari van het volgende jaar. Deze aangifte omvat de in nr. 28 opgesomde gegevens voor de periode gaande vanaf de datum van het vonnis tot 31 december van het jaar volgend op dat in de loop waarvan het vonnis werd uitgesproken.
Wanneer de handelingen van vereffening meer dan een jaar in beslag nemen, moet een nieuwe verzamelaangifte ingediend worden voor elk volledig kalenderjaar, telkens uiterlijk op 31 januari daaropvolgend.
Een laatste verzamelaangifte moet worden ingediend binnen een maand na het sluiten van de vereffening, voor de handelingen van het laatste jaar.
Voorbeelden.
32. Vonnis van faillietverklaring van 8 mei 1975.
Wanneer de sluiting van het faillissement plaats heeft op 12 mei 1976, moet de aangifte uiterlijk op 12 juni 1976 worden ingediend.
33. Zelfde geval als hierboven, maar het faillissement wordt slechts gesloten op 13 april 1978.
In dit geval moet een eerste aangifte worden ingediend op 31 januari 1977 voor de handelingen die hebben plaatsgevonden tussen 9 mei 1975 en 31 december 1976, inbegrepen. Een tweede aangifte moet worden ingediend op 31 januari 1978 voor de handelingen van het jaar 1977. Een derde aangifte moet tenslotte worden ingediend uiterlijk op 13 mei 1978 voor de handelingen die hebben plaatsgevonden tussen 1 januari 1978 en de dag waarop de vereffening is gesloten.
34. Wanneer, overeenkomstig artikel 475 van het Wetboek van koophandel, de werkzaamheid van de belastingplichtige wordt voortgezet, moeten evenwel, zolang deze voortzetting duurt, de BTW-aangiften verder worden ingediend volgens dezelfde periodiciteit als vóór het vonnis van faillietverklaring.
Betaling van de BTW.
35. De BTW die verschuldigd is voor de handelingen die na het vonnis van faillietverklaring worden verricht, moet worden voldaan - na eventuele aftrek van de voorbelasting waarvoor het recht op aftrek is ontstaan sinds het vonnis van faillietverklaring - op dezelfde tijdstippen als die welke werden bepaald voor het indienen van de aangiften (z. nrs. 28 tot 34).
De administratie hoeft de procedure van het faillissement niet te volgen om in te vorderen hetgeen haar wegens de hier bedoelde handelingen verschuldigd is. De BTW die haar toekomt moet immers door de curator, vóór elke verdeling, van het actief van de massa worden afgenomen.
De verschuldigde BTW moet worden gestort op de postrekening van de rekenplichtige van het gebied waarin de gefailleerde is gevestigd. De betaling mag niet worden gedaan op de postrekening van "BTW-Ontvangsten - Brussel".
36. De curator is ervan ontslagen het voorschot te betalen bedoeld in artikel 19, § 3 van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992, ten aanzien van de handelingen verricht gedurende de laatste aangifteperiode van het kalenderjaar.
37. Wanneer de gefailleerde onderworpen was aan de forfaitaire regeling bedoeld in artikel 56, § 1, van het BTW-Wetboek, of aan de regeling van de egalisatiebelasting bedoeld in artikel 56, § 2, (oud) van dat wetboek, zijn de goederen in voorraad bij de gefailleerde op het tijdstip van het vonnis van faillietverklaring in beginsel, en onder voorbehoud van het bepaalde in het volgende lid, onderworpen geweest aan een vervroegde aanslag bij de verkrijging; in de mate dat de vereffeningshandelingen betrekking hebben op dergelijke goederen, geven die handelingen dus geen aanleiding meer tot betaling van BTW aan de Staat, maar die belasting mag, volgens de normale regels, van de kopers worden gevorderd ter recuperatie van die vroeger aan de Staat betaalde BTW.
Het kan echter gebeuren dat goederen verkregen door de gefailleerde onder de forfaitaire regeling, aan de vervroegde aanslag werden onttrokken, inzonderheid wegens het opmaken van opeenvolgende jaarlijkse inventarissen (z. nr. 10, laatste lid). In dat geval moet bij de verkoop van deze goederen na het faillissement de BTW nog worden voldaan. Eenvoudigheidshalve mag die BTW worden berekend op basis van de bij de vereffening bekomen prijzen, inzonderheid bij openbare verkoop.
De goederen die na het vonnis van faillietverklaring worden verkregen, zijn, in beginsel, onderworpen aan de forfaitaire regeling of de regeling van de egalisatiebelasting, die op de gefailleerde van toepassing was. Maar de curator mag de normale regeling toepassen wanneer hij meent dat deze regeling de vereffeningshandelingen vergemakkelijkt.
BTW-listing
38. De curator is ervan ontslagen de opgave van de afnemers- belastingplichtigen bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 23, van 29 december 1992, in te dienen ten aanzien van de handelingen die de gefailleerde vóór het vonnis van faillietverklaring heeft verricht.
Voor de handelingen die na het vonnis van faillietverklaring werden verricht moet de curator zich evenwel houden aan de bepalingen van het hiervoor genoemde koninklijk besluit nr. 23.
Dit is onder meer het geval voor de op zijn verzoek gehouden openbare verkopingen van de roerende goederen van de gefailleerde.
Met het oog op de opname van deze verkopingen in de jaarlijkse opgave, dient de notaris of gerechtsdeurwaarder die zijn ambt voor de verkoping verleent, aan de curator een dubbel te overhandigen van ieder aan een koper-belastingplichtige uitgereikt uittreksel van proces-verbaal van toewijzing (z. nr. 26).
Hoofdstuk II. Het akkoord.
Soorten van akkoord.
39. Er zijn twee soorten van akkoord : het akkoord na faillissement (z. eerste afdeling hierna) en het gerechtelijk akkoord of akkoord tot voorkoming van faillissement (z. afdeling 2 hierna).
Degene die een akkoord heeft bekomen kan, om zich tegenover zijn schuldeisers van zijn schulden te bevrijden, hun zijn goederen of een gedeelte ervan afstaan. Deze variante van het akkoord wordt akkoord met boedelafstand genoemd (z. afdeling 3 hierna).
Afdeling 1. Het akkoord na faillissement
Definitie.
40. Het akkoord na faillissement is een gezamenlijke overeenkomst waarbij de schuldenaar die bij vonnis failliet werd verklaard weer aan het hoofd van zijn zaken wordt geplaatst en een gedeeltelijke vermindering van zijn schulden bekomt, evenals uitstel van betaling voor het saldo. Deze overeenkomst moet door de meerderheid van de schuldeisers, in vergadering verenigd, worden goedgekeurd en door de rechtbank worden bekrachtigd. Wanneer die voorwaarden vervuld zijn, is het akkoord onherroepelijk verbindend voor al de schuldeisers in de massa.
Het door de rechtbank bekrachtigde akkoord stelt een einde aan het faillissement.
Gevolgen.
41. Uit het verlenen van een akkoord na faillissement vloeit het volgende voort :
a) de toestand van de gefailleerde vóór het verlenen van het akkoord, blijft geregeld door de bepalingen vervat in hoofdstuk I hierboven;
b) een dergelijk akkoord maakt een einde aan het faillissement voor de toekomst, maar heeft geen terugwerkende kracht (Fredericq, Handboek van Belgisch Handelsrecht, d. II, blz. 643, nr. 1733; Van Rijn, Principes de droit commercial, d. IV, blz. 371, nr. 2852). De daden tot stuiting van de verjaring die tijdens de periode van het faillissement geldig werden gesteld, worden bijgevolg niet te niet gedaan. Zo verliest de verklaring van schuldvordering die naar aanleiding van de faillietverklaring van een belastingplichtige tijdig bij de rechtbank werd ingediend haar stuitingseffect niet (z. nr. 18 hierboven);
c) het indienen van periodieke aangiften en de betaling van de BTW, overeenkomstig de bepalingen vervat in het BTW-Wetboek, voor de handelingen die worden verricht na het vonnis van bekrachtiging van het akkoord, moeten door degene die het akkoord bekomen heeft, zelf worden verricht.
Afdeling 2. Stelsel van het gerechtelijk akkoord
Definitie.
42. Het gerechtelijk akkoord is een gezamenlijke overeenkomst waarbij een handelaar die zijn betalingen heeft gestaakt maar die geen bedrog heeft gepleegd noch een grove onregelmatigheid heeft begaan, aan het faillissement ontsnapt door van zijn schuldeisers een gedeeltelijke vermindering van zijn schuld, uitstel van betaling, of zelfs deze twee toegevingen samen te verkrijgen (besl. van de Regent van 25 september 1946, houdende samenschakeling van de wetten betreffende het gerechtelijk akkoord, art. 1 en volgende).
Deze overeenkomst is bindend wanneer ze door de rechtbank wordt gehomologeerd.
Het gerechtelijk akkoord brengt, in principe, geen enkele buitenbezitstelling van de goederen van de gefailleerde mede en de regels van het faillissement zijn op de laatste niet van toepassing.
De schuldeisers moeten niettemin schriftelijk aangifte doen van het bedrag van hun schuldvorderingen (z. voornoemd besluit van de Regent, art. 14, tweede lid). Wat de verklaring van schuldvordering voor de Schatkist betreft z. nrs. 9 tot 18.
Gevolgen.
43. De handelaar die een gerechtelijk akkoord heeft verkregen blijft ertoe gehouden al de verplichtingen bepaald in het BTW-Wetboek en de ter uitvoering ervan genomen besluiten na te leven, zowel voor de handelingen die vóór het vonnis van homologatie van het akkoord als voor de handelingen die daarna worden verricht.
44. Behalve voor het indienen van de verklaring van schuldvordering (z. nr. 42 hierboven), dienen de regels van hoofdstuk I hiervoor niet te worden toegepast, aangezien het gerechtelijk akkoord geen uitwerking heeft op de belastingen en andere openbare lasten (z. besluit van de Regent van 25 september 1946, houdende samenschakeling van de wetten betreffende het gerechtelijk akkoord, art. 29).
Afdeling 3. Bijzonder geval : het akkoord met boedelafstand
Begrip.
45. De schuldenaar die een verzoek tot akkoord indient, stelt soms aan zijn schuldeisers voor hun zijn goederen af te staan, opdat zij zouden worden betaald met de opbrengst van de tegeldemaking ervan die wordt toevertrouwd aan hiertoe door de rechtbank aangewezen vereffenaars.
Het akkoord met boedelafstand is onderworpen aan al de regels van het akkoord, op één belangrijk punt na : de buitenbezitstelling blijft bestaan voor de goederen die moeten worden vereffend.
De verkoop van de onroerende goederen van de schuldenaar mag, in principe, plaatshebben in de vorm van verkopen uit de hand.
Gevolgen.
46. Het toestaan van een akkoord met boedelafstand heeft geen invloed op de regels die hierboven ten aanzien van de toepassing van de BTW werden uiteengezet. Naargelang het akkoord wordt toegestaan na het faillissement of naargelang het een gerechtelijk akkoord betreft, dient dan ook verwezen te worden naar de regels die respectievelijk in afdeling 1 en afdeling 2 hierboven worden uiteengezet.
47. De op verzoek van de vereffenaar gehouden openbare verkoping van roerende goederen van degene die een akkoord heeft verkregen, is aan de BTW onderworpen, tenzij het gaat om goederen welke deze laatste voor privé-behoeften heeft gebruikt. De BTW moet door degene die het akkoord heeft verkregen worden opgenomen in zijn periodieke aangifte en worden afgedragen aan de Schatkist volgens de regels die hij moest volgen vóór het bekomen van het akkoord.
Hoofdstuk III. Openbare verkopingen bij uitvoerend beslag.
Begrippen.
48. Men noemt beslag, de procedure waarbij de roerende of onroerende goederen van een schuldenaar in de macht van het gerecht worden gesteld en onbeschikbaar gemaakt, ten einde hem te dwingen zijn verplichtingen na te komen.
De uitvoerende beslagleggingen zijn werkelijke middelen tot gedwongen tenuitvoerlegging. Ze leiden tot de verkoop van de inbeslag genomen goederen en, vervolgens, tot de betaling van de schuldeisers die beslag hebben laten leggen.
Het uitvoerend beslag houdt, in principe, het bestaan in van een gerechtelijke volmacht, vonnis of notariële akte, die het bestaan van het recht van de schuldeiser vaststelt.
Toestand van de beslagene.
49. De schuldenaar wiens goederen bij uitvoerend beslag worden verkocht, verliest de hoedanigheid van belastingplichtige niet.
De verkoop bij uitvoerend beslag van roerende goederen is echter niet aan de BTW onderworpen maar in beginsel wel aan het registratierecht. Evenwel is zelfs het evenredig registratierecht niet verschuldigd voor goederen die zijn bedoeld in de artikelen 2 en 3 van Titel I van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen (voertuigen onderworpen aan de inschrijvingstaks in hoofde van de koper).
49bis. Vanaf 1 januari 1994 wordt het nr. 49 vervangen door hetgeen hierna volgt.
"Aangezien de schuldenaar wiens goederen bij uitvoerend beslag worden verkocht, niet de hoedanigheid van belastingplichtige verliest (Sinds 1 januari 1993 moet onder belastingplichtige in de zin van de aanschrijving nr. 26 van 31 augustus 1978 vanzelfsprekend worden verstaan, een belastingplichtige met volledig of gedeeltelijk recht op aftrek van de voorbelasting hetgeen de door de artikelen 44 en 56, § 2, van het Wetboek beoogde belastingplichtigen uitsluit samen overigens met de belastingplichtigen die een recht op aftrek genieten maar dan enkel voor het verrichten van in artikel 44, § 3, 4° tot 10°, van het Wetboek beoogde handelingen (z. Wetb., art. 45, § 1, 4° en 5°) evenals de landbouwondernemers onderworpen aan de bijzondere regeling van artikel 57 van het Wetboek), is de verkoop bij uitvoerend beslag van zijn roerende goederen, andere dan die welke uitsluitend voor privé-doeleinden werden gebruikt, aan de BTW onderworpen en van het evenredig registratierecht vrijgesteld (z. W. Reg., art. 80, 1°).
Ingeval van openbare verkoop van roerende goederen met toepassing van de BTW, is het de notaris of de gerechtsdeurwaarder die zijn ambt tot die verkoop leent, die de opeisbare BTW van de koper ontvangt voor rekening van de beslagen belastingplichtige.
Voor het overige gelden in principe de in het BTW-Wetboek voorziene regels ten aanzien van de berekening van de opeisbare BTW, de aangifte van de belastbare handelingen en de verschuldigde BTW, de betaling van die belasting aan de Schatkist, enz.
In dit verband wordt er op gewezen dat op grond van artikel 26 van het BTW-Wetboek, zoals overigens inzake registratierecht, de extra-wettelijke kosten aan de toewijzingsprijs moeten worden toegevoegd om de maatstaf van heffing te bepalen.
Wat de facturering betreft is het, zoals ingeval van faillissement en rekening houdend met het speciaal karakter van de openbare verkopen, noodzakelijk gebleken te voorzien in bijzondere regels.
Zo is de beslagen belastingplichtige in de regel verplicht een factuur uit te reiken in de gevallen waarbij op grond van artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 1, van 29 december 1992, met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, de uitreiking van een factuur verplicht zou zijn in geval van vrijwillige verkoop.
Wanneer evenwel de instrumenterende notaris of gerechtsdeurwaarder aan de koper een uittreksel van het proces-verbaal van toewijzing uitreikt, mag dat uittreksel worden aangemerkt als een factuur, op voorwaarde dat :
1° het uittreksel wordt aangevuld met de vermeldingen bepaald in artikel 6, § 2, 1, van het bovengenoemd koninklijk besluit nr. 1 en in voorkomend geval, met het BTW-identificatienummer dat aan de koper in een andere Lid-Staat van de Europese Unie werd toegekend;
2° die gegevens per toegewezen lot worden vermeld in het proces-verbaal van toewijzing; om evenwel het vlot verloop van de verkoop niet te storen, kan genoegen worden genomen met de eenvoudige vermelding "uittreksel nr. ";
3° een dubbel van dat uittreksel wordt gevoegd bij de voor de beslagen verkoper bestemde verzamelstaat van de verkopen om zijn verplichtingen te kunnen nakomen.
Dit uittreksel uit het proces-verbaal van toewijzing en het dubbel ervan zijn vrijgesteld van zegelrecht (z. W. Zeg., art. 59/1, 4°). Die vrijstelling is evenwel afhankelijk van de voorwaarde dat bovenaan op de bedoelde stukken de oorzaak van de vrijstelling wordt vermeld, dit is in het gestelde geval, de bijzondere bestemming van de stukken (W. Zeg., art. 60/1).
De openbare verkoop bij uitvoerend beslag van lichamelijk roerende goederen die de schuldenaar voor zijn privé-behoeften heeft gebruikt, is niet aan de BTW maar aan het evenredig registratierecht onderworpen. Van het registratierecht is zelfs vrijgesteld, de openbare verkoop bij uitvoerend beslag van inlands hout, op stam of gekapt (W. Reg., art. 80, 3°); in dat geval is derhalve noch de BTW, noch het evenredig registratierecht verschuldigd.
Volledigheidshalve wordt er nog op gewezen dat op grond van artikel 1526bis van het Gerechtelijk Wetboek (z. art. 15 van de Wet van 14 januari 1993 tot wijziging van titel I, voorafgaande regels, en titel III, gedwongen tenuitvoerlegging, van deel V van het Gerechtelijk Wetboek inzake het bewarend beslag en de middelen tot tenuitvoerlegging en tot wijziging van artikel 476 van de Wet van 18 april 1851 betreffende het faillissement, de bankbreuk en het uitstel van betaling (B.S. van 20 februari 1993, blz. 3894 en volg.), de schuldenaar tegen wie een uitvoerend beslag op roerend goed geschiedt, de in beslag genomen goederen in der minne kan verkopen ten einde de opbrengst ervan aan te wenden voor de betaling van de schuldeisers. In dat geval blijven uiteraard de normale regels van toepassing".
Aanschrijving nr. 26 dd. 31.08.1978
Deze aanschrijving werd gewijzigd door de aanschrijving nr. 8 dd. 29.03.1994.
Regeling op vlak van faillissement, akkoord en beslag
INHOUD Nrs. Doel van de aanschrijving Eerste hoofdstuk. Regeling op het stuk van het faillissement Eerste afdeling. Algemene beginselen. Begrippen 1 - 3 Verplichtingen door de curator na te komen 4 Afdeling II. Verklaring van schuldvordering. Beginselen 5 - 8 Belasting over de toegevoegde waarde 9 - 13 Boeten 14 - 16 Interesten 17 Stuiting van de verjaring 18 Afdeling III. Vereffening van het faillissement. Algemeenheden 19 - 24 Aangifte van stopzetting van werkzaamheid 25 Facturering 26 BTW-aangifte en verschuldigde BTW 27 - 31 Voorbeelden 32 - 34 Betaling van de BTW 35 - 37 BTW-listing 38 Hoofdstuk II. Het akkoord Soorten van akkoord 39 Eerste afdeling. Het akkoord na faillissement. Definitie 40 Gevolgen 41 Afdeling II. Stelsel van het gerechtelijk akkoord. Definitie 42 Gevolgen 43 - 44 Afdeling III. Het akkoord met boedelafstand. Begrip 45 Gevolgen 46 - 47 Hoofdstuk III. Openbare verkoping bij uitvoerend beslag Begrippen 48 Toestand van de beslagene 49 - 49bis Doel van deze aanschrijving.
- Deze aanschrijving heeft ten doel de aanschrijving van 4 juli 1975, nr. 15, betreffende de BTW-regeling die van toepassing is inzake het faillissement, het akkoord en het beslag, bij te werken, inzonderheid tengevolge van de wet van 27 december 1977 tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, het Wetboek van der met het zegel gelijkgestelde taksen en het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten.
- Daarenboven heeft de aanschrijving van 29 maart 1994, nr. 8 het nr. 49 van de aanschrijving nr. 26 van 31 augustus 1978 gewijzigd (zie nr. 49bis).
- Overeenkomstig nr. 49 van de aanschrijving nr. 26 van 31 augustus 1978 met betrekking tot de regeling op het stuk van het faillissement, het akkoord en het beslag, is de verkoop bij uitvoerend beslag van roerende goederen niet aan de BTW onderworpen, zelfs indien de schuldenaar wiens goederen bij uitvoerend beslag worden verkocht de hoedanigheid van BTW-belastingplichtige heeft met geheel of gedeeltelijk recht op aftrek van de voorbelasting.
- De Belgische Staat werd op grond van artikel 169 van het Verdrag tot oprichting van de E.E.G. door de Europese Commissie in gebreke gesteld om reden dat het niet onderwerpen aan de BTW van bovengenoemde verkopen in strijd is met de Zesde Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de Wetgevingen der Lid-Staten inzak omzet, inzonderheid met artikel 2 van die richtlijn op grond waarvan aan de BTW zijn onderworpen, de leveringen van goederen en diensten welke in het binnenland door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht.
- De administratie kan slechts instemmen met de principiële door de Commissie aangevoerde argumenten.
Afdeling I. Algemene beginselen.
Begrippen.
1. Het faillissement is een rechtspleging van gezamenlijke tenuitvoerlegging die in werking treedt wanneer een handelaar opgehouden heeft te betalen en zijn krediet aan het wankelen is gebracht. Deze instelling omvat een geheel van maatregelen die ten doel hebben gelijkmatig de schadeloosstelling te regelen van al degenen die op de dag van de faillietverklaring chirografaire schuldeisers van deze handelaar waren, rekening houdend met de rechten van de bevoorrechte en hypothecaire schuldeisers. Het patrimonium van de schuldenaar is vanaf dit ogenblik uitsluitend tot dit doel bestemd. De staat van faillissement blijkt uit het vonnis van de rechtbank van koophandel dat het bestaan ervan vaststelt.
2. Het vonnis van faillietverklaring ontneemt aan de gefailleerde niet de hoedanigheid van belastingplichtige die hij vóór dat vonnis wegens de uitgeoefende werkzaamheid bezat.
De handelingen verricht door de curator van een gefailleerde belastingplichtige ter uitvoering van de hem toevertrouwde opdracht, of door een derde onder toezicht van de curator, worden, ingevolge artikel 2, tweede lid, nieuw, van het BTW-Wetboek, geacht door de gefailleerde zelf te zijn verricht. Deze handelingen behoren bijgevolg tot de werkingssfeer van de BTW in zoverre ze dat waren indien ze door de gefailleerde zelf werden verricht.
3. De noodzaak om de omvang van het patrimonium van de gefailleerde op de dag van het vonnis van faillietverklaring vast te stellen, heeft het afsluiten van de rekening van de gefailleerde inzake belasting over de toegevoegde waarde tot gevolg.
Wanneer deze rekening sluit met een schuld van de gefailleerde tegenover de Staat, moet deze schuld het voorwerp uitmaken van de verklaring van schuldvordering waarvan sprake in afdeling 2 hierna.
Wanneer de rekening van de gefailleerde daarentegen sluit met een saldo in zijn voordeel, zullen de door de Staat verschuldigde sommen aan de curator worden terugbetaald.
Verplichtingen van de failliet verklaarde belastingplichtige die door de curator worden nagekomen.
4. Aangezien krachtens artikel 2, van het BTW-Wetboek, de curator geacht wordt de gefailleerde te vertegenwoordigen, moet hij in de plaats van de gefailleerde al de verplichtingen naleven die voor de gefailleerde BTW-belastingplichtige voortvloeien uit dat wetboek of de ter uitvoering ervan genomen besluiten, met name op het stuk van het uitreiken van facturen, het houden van factuurboeken, het opstellen van de jaarlijkse opgave (listing) van de afnemers-belastingplichtigen, en het bewaren en voorleggen ter inzage van bescheiden.
In afwijking echter van dit beginsel hoeven de periodieke aangiften die betrekking hebben op de handelingen van de gefailleerde welke het vonnis van faillietverklaring voorafgaan en door de gefailleerde op de dag van dit vonnis nog niet werden ingediend, niet te worden ingediend.
De omstandigheid dat tegen het vonnis van faillietverklaring verzet wordt aangetekend of tegen dit laatste in hoger beroep wordt gegaan, blijft zonder invloed op wat voorafgaat. Het verzet en het hoger beroep schorten overigens de uitvoering van het vonnis van faillietverklaring niet op.
Afdeling 2. Verklaring van schuldvordering
Beginselen.
5. De rekenplichtige van het BTW-ontvangkantoor waaronder de gefailleerde ressorteert, dient bij de griffie van de rechtbank van koophandel die het vonnis van faillietverklaring heeft uitgesproken, binnen de door die rechtbank vastgestelde termijn, de verklaring van schuldvordering van de Staat in tweevoud in, overeenkomstig de artikelen 496, 498 en 499 van de wet van 18 april 1851 betreffende het faillissement (z. Wetb. Koophandel, boek III).
6. Wanneer op het tijdstip waarop het vonnis van faillietverklaring wordt uitgesproken, de schuld van de gefailleerde tegenover de Schatkist reeds definitief vaststaat, slaat de verklaring van schuldvordering op het bedrag van die schuld.
7. Wanneer daarentegen op de dag waarop het vonnis wordt uitgesproken, de schuld van de gefailleerde niet vaststaat, moet de rekenplichtige, rekening houdend met de tijd die met het oog op het bepalen van de schuldvordering van de Schatkist nodig is om de geschriften van de gefailleerde te verzamelen en te raadplegen, binnen de door de rechtbank opgelegde termijn een provisionele en bevoorrechte verklaring van schuldvordering indienen, waarin vermeld staat dat de Staat zich het recht voorbehoudt de werkelijk verschuldigde sommen te bepalen na controle van de geschriften van de gefailleerde.
Deze provisionele aangifte heeft betrekking op de sommen die reeds het voorwerp waren van een raming door de administratie, zoniet wordt slechts 1 frank vermeld.
8. De schuldvordering van de Staat wordt bepaald volgens de regels uiteengezet in de nrs. 9 tot 17 hierna.
Bedrag van de verklaring van schuldvordering.
Belasting over de toegevoegde waarde.
9. Voor het opmaken van de verklaring van schuldvordering wordt de BTW in aanmerking genomen die de gefailleerde aan de Staat nog verschuldigd is op de datum van het vonnis van faillietverklaring, wegens de belastbare handelingen waarvoor de BTW vóór die datum verschuldigd was.
In die verklaring wordt onder meer het bedrag van de BTW opgenomen die de klanten van de gefailleerde hem op de dag van het vonnis van faillietverklaring nog niet betaald hebben, voor zover de belastingplichtige deze BTW niet zelf reeds aan de Schatkist heeft gestort.
10. Wanneer de gefailleerde onderworpen was aan de forfaitaire regeling van artikel 56, § 1, van het BTW-Wetboek, moet in de verklaring van schuldvordering, ten aanzien van de goederen verkregen vóór het vonnis van faillietverklaring, rekening worden gehouden met de krachtens artikel 9/1 van het koninklijk besluit nr. 2, van 7 november 1969, verschuldigde BTW, in zoverre die BTW niet aan de Schatkist werd betaald.
Wanneer de gefailleerde opeenvolgende jaarlijkse inventarissen van zijn voorraad heeft opgemaakt, wordt de verklaring van schuldvordering evenwel beïnvloed door de regularisatie bedoeld in artikel 9/1, derde lid, van het koninklijk besluit nr. 2, van 7 november 1969. Die regularisatie kan een teruggave of een invordering van BTW ten gevolge hebben naargelang de vergelijking tussen de laatst opgemaakte inventaris en de inventaris opgemaakt na het vonnis van faillietverklaring een aangroei of een vermindering van de voorraad laat blijken.
11. Wanneer wegens de uitspraak van het faillissement een einde wordt gesteld aan de uitvoering van de lopende contracten met betrekking tot dienstverrichtingen, met name werk in onroerende staat, tot de uitvoering waarvan de gefailleerde zich tegenover zijn klanten verbonden had, dan zijn die diensten, voor de toepassing van het BTW-Wetboek, voltooid op de dag van het vonnis van faillietverklaring, doch slechts in zoverre ze op het tijdstip van het vonnis materieel waren uitgevoerd.
De verschuldigde belasting zal bijgevolg berekend worden rekening houdend met de waarde van de op die datum werkelijk verrichte dienst.
12. De Administratie eist niet dat de gefailleerde de door hem in aftrek gebrachte belasting terugstort welke geheven is van een levering van goederen of een dienstverrichting door een leverancier of dienstverrichter die wegens gebrek aan betaling teruggaaf van deze BTW verkrijgt bij toepassing van artikel 77, § 1, 7°, van het Wetboek.
13. De schuld van de gefailleerde, die werd vastgesteld overeenkomstig de nrs. 9 en 11 hierboven, moet worden verminderd met het bedrag van de belasting geheven van de vóór het vonnis van faillietverklaring verrichte handelingen waarvoor hij, overeenkomstig de artikelen 45 tot 48 en 77 van het BTW-Wetboek, het recht op aftrek kon uitoefenen.
Dit is het geval, zelfs wanneer de gefailleerde in zijn vroeger ingediende periodieke BTW-aangiften verzuimd heeft binnen de voorgeschreven termijn de belasting op te nemen waarvoor hij het recht op aftrek kon uitoefenen.
Het voorgaande lid doet uiteraard geen afbreuk aan de regels volgens welke het recht op aftrek na vijf jaar vervalt, zoals blijkt uit artikel 4, § 2, van het koninklijk besluit nr. 3, van 10 december 1969 (z. aanschr. 29/1975), en het recht op teruggaaf na vijf jaar verjaart, ingevolge artikel 82 van het Wetboek.
Boeten.
14. De boete wegens niet-tijdige indiening van periodieke BTW- aangiften wordt gevorderd voor het niet indienen of niet-tijdig indienen van aangiften waarvoor de indieningstermijn verstreken was op het ogenblik van de faillietverklaring.
15. Evenzo wordt de boete wegens niet-tijdige betaling gevorderd voor de belasting waarvan de betaling niet binnen de wettelijke termijn heeft plaatsgehad, voor zover deze termijn vóór het vonnis van faillietverklaring was verstreken.
16. Het bedrag van de boeten bedoeld in de nrs. 14 en 15, en van de boeten welke andere overtredingen bestraffen die de belastingplichtige zou hebben begaan, wordt opgenomen in de verklaring van schuldvordering rekening houdend met de verminderingen bepaald in het barema dat van toepassing is op de dag van het vonnis van faillietverklaring.
Interesten.
17. De verklaring van schuldvordering van de Staat omvat de op de dag van het vonnis van faillietverklaring vervallen interesten. Deze worden berekend overeenkomstig artikel 91, § 1, van het Wetboek.
Stuiting van de verjaring.
18. De verklaring van schuldvordering wordt gelijkgesteld met een verzoek tot gerechtelijke erkenning van een bedreigd recht. Zo stuit de verjaring die tegen de Staat loopt. De stuiting van deze verjaring zal overigens hernieuwd worden door het opnemen, door de curator, van de schuldvordering in het passief van het faillissement.
De vraag is nu tot op welk tijdstip het stuitingseffect zich uitstrekt.
Op dit stuk dient het volgende onderscheid te worden gemaakt.
Wanneer het opnemen in de massa van de schuldvordering van de Staat wordt betwist is de dertigjarige verjaring van toepassing. De tussen de curator en een schuldeiser ontstane betwisting met betrekking tot het opnemen van een schuldvordering in de massa wordt gelijkgesteld met een gerechtelijk twistpunt (z. Répertoire pratique du droit belge, Faillite et Banqueroute, nr. 1876).
Wanneer de schuldvordering van de Staat zonder betwisting wordt opgenomen en gewaarborgd is door de inschrijving van de wettelijke hypotheek bedoeld in artikel 86 van het BTW-Wetboek, wordt de verjaringstermijn voor de invordering van deze schuldvordering niet opgeschort tussen het indienen van de verklaring van schuldvordering en het sluiten van het faillissement (Cass. 19 januari 1967, Pas. 1967, I, blz. 603). De ontvanger van de BTW moet er dus over waken dat de verjaring wordt gestuit op de wijze en onder de voorwaarden bepaald bij de artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek en dit binnen twee jaar na de laatste stuiting die zich heeft voorgedaan, overeenkomstig het bepaalde in artikel 83, eerste lid, van het BTW-Wetboek.
Wanneer de in het passief van het faillissement opgenomen schuldvordering niet door een hypothecaire inschrijving wordt gewaarborgd, bestaat er betwisting over de vraag of het overleggen van een verklaring van schuldvordering aan de massa al dan niet de verjaring opschort tot bij het sluiten van het faillissement. Bijgevolg zal de ontvanger van de BTW in dit geval eveneens erover moeten waken dat de verjaring zal worden gestuit.
Als daden die de verjaring stuiten worden met name aangemerkt, de gedeeltelijke en vrijwillige betalingen door de curator aan de schuldeisers, en de afstand van de verlopen tijd der verjaring.
Afdeling 3. Vereffening van het faillissement
Onderafdeling 1. Algemeenheden
19. De vereffening van het faillissement is het tegelde maken van het roerend en onroerend actief om de opbrengst ervan te verdelen onder de schuldeisers.
Voor de roerende goederen mag zulks geschieden bij openbare verkoping of bij verkoop uit de hand.
Maar de onroerende goederen moeten in principe worden tegelde gemaakt bij openbare verkoping (z. wet van 18 april 1851, betreffende het faillissement, art. 564).
20. Aangezien het vonnis van faillietverklaring geen einde stelt aan de belastingplicht van de gefailleerde en de verscheidene handelingen die de curator in het kader van de vereffening verricht geacht worden door de gefailleerde zelf te zijn verricht, behoren ze tot de werkingssfeer van de BTW in zoverre dit het geval geweest zou zijn als de gefailleerde niet failliet was verklaard. In dit verband moet geen onderscheid worden gemaakt naargelang de curator al of niet de werkzaamheid van de gefailleerde voortzet.
De verkoop van goederen die de gefailleerde uitsluitend voor privé- behoeften heeft gebruikt, blijft evenwel buiten de werkingssfeer van de BTW.
21. Wat de nieuwe gebouwen betreft, wordt de verkoop van deze goederen van rechtswege aan de BTW onderworpen, wanneer de gefailleerde de hoedanigheid had van beroepsoprichter.
Wanneer de gefailleerde daarentegen geen beroepsoprichter was, kan de verkoop van deze gebouwen slechts met toepassing van de BTW plaatshebben indien de curator de in artikel 8 van het Wetboek bedoelde optie uitoefent, overeenkomstig de procedure ingesteld bij het koninklijk besluit nr. 14, van 3 juni 1970.
22. De openbare verkoping van lichamelijke roerende goederen van de gefailleerde, andere dan die welke hij uitsluitend voor privé-behoeften heeft gebruikt, op verzoek van de curator van het faillissement, is aan de BTW onderworpen en is vrijgesteld van het evenredig registratierecht.
De openbare verkoping van de lichamelijke roerende goederen die de gefailleerde voor privé-behoeften heeft gebruikt blijft buiten de toepassing van de BTW en is onderworpen aan het evenredig registratierecht. Van dit recht is evenwel vrijgesteld, de openbare verkoping van inlands hout geleverd op stam of geveld (Wetb. reg., art. 80, 3°); in die gevallen is dus noch BTW, noch het evenredig registratierecht verschuldigd.
Wanneer bij een openbare verkoping de BTW is verschuldigd, dan wordt deze van de kopers gevorderd door de notaris of gerechtsdeurwaarder, die zijn ambt voor de verkoping verleent, en aan de curator overgemaakt (z. art. 9 van het KB nr. 1, van 23 juli 1969, zoals dit is gewijzigd bij art. 7 van het koninklijk besluit van 31 maart 1978, aanschr. 14/1978). Vanaf 1 januari 1993 wordt verwezen naar artikel 21 van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992.
De buitenwettelijke kosten moeten zoals inzake registratierecht, bij de toewijzingsprijs worden gevoegd voor het bepalen van de maatstaf van heffing van de BTW.
23. Wat de verkopingen van onroerende goederen uit hun aard betreft, deze zijn, in zoverre zij niet met BTW belastbaar zijn, onderworpen aan het evenredig registratierecht vastgesteld voor de overdrachten onder bezwarende titel van onroerende goederen (Wetb. reg., art. 44 en volgende).
Onderafdeling 2. Door de curator na te komen verplichtingen
24. De curator dient alle verplichtingen na te leven die het BTW- Wetboek en de ter uitvoering ervan genomen besluiten aan een belastingplichtige oplegt (z. nr. 4, eerste lid, hiervoor).
Ten aanzien van bepaalde verplichtingen zijn de volgende regels van toepassing (z. nrs. 25 tot 38).
Aangifte van stopzetting van werkzaamheid.
25. Binnen een maand na de sluiting van het faillissement dient de curator op het controlekantoor waaronder de gefailleerde ressorteert, de aangifte van stopzetting van werkzaamheid in, bedoeld in artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 10, van 12 maart 1970.
De curator mag evenwel die aangifte vóór de sluiting van het faillissement indienen zodra blijkt dat de failliete massa geen handelingen meer kan verrichten waarvoor zij schuldenares van de BTW tegenover de Staat kan worden.
Wanneer de curator niet met volledige zekerheid kan verklaren of de gefailleerde na de sluiting van het faillissement generlei beroepswerkzaamheid meer zal uitoefenen, mag hij de aangifte van stopzetting van werkzaamheid vervangen door een brief waarin hij zijn persoonlijke mening over het af of niet stopzetten van de werkzaamheid van de gefailleerde ter kennis van de Administratie brengt.
26. Facturering
Inzonderheid voor goederen van een gefailleerde die openbaar worden verkocht, moet door de curator in de regel een factuur worden uitgereikt in alle gevallen waarin die uitreiking volgens artikel 1, § 2 van het koninklijk besluit nr. 1, van 29 december 1992 verplicht zou zijn bij vrijwillige verkoop.
Wanneer in die gevallen door de instrumenterende notaris of gerechtsdeurwaarder aan de koper een uittreksel uit het proces-verbaal van toewijzing wordt uitgereikt met vermelding van de naam en het adres van de koper, en van diens BTW-registratienummer als hij een BTW-belastingplichtige is, stemt de Administratie ermede in, overeenkomstig het in nr. 22 aangehaalde artikel van het koninklijk besluit nr. 1, dat uittreksel aan te merken als een factuur, op voorwaarde dat :
1° die gegevens per toegewezen lot worden vermeld in het proces-verbaal van toewijzing; om het tempo van de verkoping eventueel niet te vertragen kan genoegen worden genomen met de eenvoudige vermelding "uittreksel nr. ";
2° een dubbel van dat uittreksel wordt overhandigd aan de curator met het oog op het bijhouden van de boekhouding van de gefailleerde en het opmaken van de jaarlijkse opgave (listing) van diens afnemers- belastingplichtigen (z. nr. 38 hierna).
Dit uittreksel uit het proces-verbaal van openbare verkoping en het dubbel ervan zijn vrijgesteld van zegelrecht (Wetboek der zegelrechten, art. 59/1, 4°); die vrijstelling is evenwel afhankelijk van de voorwaarde dat bovenaan op de bedoelde stukken de oorzaak van de vrijstelling wordt vermeld, dit is in het gestelde geval, de bijzondere bestemming van de stukken (zelfde wetboek, art. 60/1).
Aangifte van de belastbare handelingen en van de verschuldigde BTW.
27. De curator is ontslagen van de indiening van de periodieke aangiften bedoeld in artikel 53, eerste lid, 3°, van het BTW-Wetboek en in artikel 18, §§ 1 en 2 van het koninklijk besluit nr. 1, van 29 december 1992.
28. Hij moet echter binnen de termijn en op het kantoor die zijn bepaald in nr. 25 een verzamelaangifte indienen, waarin worden vermeld :
1° het bedrag, per tarief, van de belastbare handelingen die de curator sinds de dag van het vonnis van faillietverklaring heeft verricht, het bedrag van de wegens die handelingen verschuldigde BTW en, in voorkomend geval, het bedrag van de wegens uitvoer vrijgestelde handelingen (Wetboek, art. 39 tot 42);
2° het totaalbedrag van de aftrekbare BTW waarvoor het recht op aftrek is ontstaan sinds de dag van het vonnis van faillietverklaring.
29. De aangifte waarvan sprake in het voorgaande nummer, omvat niet de vervreemdingen van nieuwe gebouwen die de curator, krachtens artikel 8, van het BTW-Wetboek, met toepassing van de BTW heeft verricht. Deze handelingen en de betaling van de BTW die erop betrekking heeft blijven onderworpen aan de bepalingen vervat in het koninklijk besluit nr. 14, van 3 juni 1970.
30. In deze aangifte dient evenmin te worden opgenomen de verkoop van goederen die op de dag van het vonnis van faillietverklaring in voorraad waren bij een belastingplichtige, onderworpen aan de forfaitaire regeling bedoeld in artikel 56, § 1, van het BTW-Wetboek, met uitzondering evenwel van de verkopen van goederen waarvoor de forfaitaire regeling niet van toepassing is of waarvoor die regeling niet toegepast is geweest (z. nr. 37, leden 2 en volgende, hierna).
31. Wanneer de handelingen van vereffening van het faillissement niet geëindigd zijn na afloop van het kalenderjaar volgend op dat in de loop waarvan het vonnis van faillietverklaring werd uitgesproken, moet een eerste verzamelaangifte ingediend worden uiterlijk op 31 januari van het volgende jaar. Deze aangifte omvat de in nr. 28 opgesomde gegevens voor de periode gaande vanaf de datum van het vonnis tot 31 december van het jaar volgend op dat in de loop waarvan het vonnis werd uitgesproken.
Wanneer de handelingen van vereffening meer dan een jaar in beslag nemen, moet een nieuwe verzamelaangifte ingediend worden voor elk volledig kalenderjaar, telkens uiterlijk op 31 januari daaropvolgend.
Een laatste verzamelaangifte moet worden ingediend binnen een maand na het sluiten van de vereffening, voor de handelingen van het laatste jaar.
Voorbeelden.
32. Vonnis van faillietverklaring van 8 mei 1975.
Wanneer de sluiting van het faillissement plaats heeft op 12 mei 1976, moet de aangifte uiterlijk op 12 juni 1976 worden ingediend.
33. Zelfde geval als hierboven, maar het faillissement wordt slechts gesloten op 13 april 1978.
In dit geval moet een eerste aangifte worden ingediend op 31 januari 1977 voor de handelingen die hebben plaatsgevonden tussen 9 mei 1975 en 31 december 1976, inbegrepen. Een tweede aangifte moet worden ingediend op 31 januari 1978 voor de handelingen van het jaar 1977. Een derde aangifte moet tenslotte worden ingediend uiterlijk op 13 mei 1978 voor de handelingen die hebben plaatsgevonden tussen 1 januari 1978 en de dag waarop de vereffening is gesloten.
34. Wanneer, overeenkomstig artikel 475 van het Wetboek van koophandel, de werkzaamheid van de belastingplichtige wordt voortgezet, moeten evenwel, zolang deze voortzetting duurt, de BTW-aangiften verder worden ingediend volgens dezelfde periodiciteit als vóór het vonnis van faillietverklaring.
Betaling van de BTW.
35. De BTW die verschuldigd is voor de handelingen die na het vonnis van faillietverklaring worden verricht, moet worden voldaan - na eventuele aftrek van de voorbelasting waarvoor het recht op aftrek is ontstaan sinds het vonnis van faillietverklaring - op dezelfde tijdstippen als die welke werden bepaald voor het indienen van de aangiften (z. nrs. 28 tot 34).
De administratie hoeft de procedure van het faillissement niet te volgen om in te vorderen hetgeen haar wegens de hier bedoelde handelingen verschuldigd is. De BTW die haar toekomt moet immers door de curator, vóór elke verdeling, van het actief van de massa worden afgenomen.
De verschuldigde BTW moet worden gestort op de postrekening van de rekenplichtige van het gebied waarin de gefailleerde is gevestigd. De betaling mag niet worden gedaan op de postrekening van "BTW-Ontvangsten - Brussel".
36. De curator is ervan ontslagen het voorschot te betalen bedoeld in artikel 19, § 3 van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992, ten aanzien van de handelingen verricht gedurende de laatste aangifteperiode van het kalenderjaar.
37. Wanneer de gefailleerde onderworpen was aan de forfaitaire regeling bedoeld in artikel 56, § 1, van het BTW-Wetboek, of aan de regeling van de egalisatiebelasting bedoeld in artikel 56, § 2, (oud) van dat wetboek, zijn de goederen in voorraad bij de gefailleerde op het tijdstip van het vonnis van faillietverklaring in beginsel, en onder voorbehoud van het bepaalde in het volgende lid, onderworpen geweest aan een vervroegde aanslag bij de verkrijging; in de mate dat de vereffeningshandelingen betrekking hebben op dergelijke goederen, geven die handelingen dus geen aanleiding meer tot betaling van BTW aan de Staat, maar die belasting mag, volgens de normale regels, van de kopers worden gevorderd ter recuperatie van die vroeger aan de Staat betaalde BTW.
Het kan echter gebeuren dat goederen verkregen door de gefailleerde onder de forfaitaire regeling, aan de vervroegde aanslag werden onttrokken, inzonderheid wegens het opmaken van opeenvolgende jaarlijkse inventarissen (z. nr. 10, laatste lid). In dat geval moet bij de verkoop van deze goederen na het faillissement de BTW nog worden voldaan. Eenvoudigheidshalve mag die BTW worden berekend op basis van de bij de vereffening bekomen prijzen, inzonderheid bij openbare verkoop.
De goederen die na het vonnis van faillietverklaring worden verkregen, zijn, in beginsel, onderworpen aan de forfaitaire regeling of de regeling van de egalisatiebelasting, die op de gefailleerde van toepassing was. Maar de curator mag de normale regeling toepassen wanneer hij meent dat deze regeling de vereffeningshandelingen vergemakkelijkt.
BTW-listing
38. De curator is ervan ontslagen de opgave van de afnemers- belastingplichtigen bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 23, van 29 december 1992, in te dienen ten aanzien van de handelingen die de gefailleerde vóór het vonnis van faillietverklaring heeft verricht.
Voor de handelingen die na het vonnis van faillietverklaring werden verricht moet de curator zich evenwel houden aan de bepalingen van het hiervoor genoemde koninklijk besluit nr. 23.
Dit is onder meer het geval voor de op zijn verzoek gehouden openbare verkopingen van de roerende goederen van de gefailleerde.
Met het oog op de opname van deze verkopingen in de jaarlijkse opgave, dient de notaris of gerechtsdeurwaarder die zijn ambt voor de verkoping verleent, aan de curator een dubbel te overhandigen van ieder aan een koper-belastingplichtige uitgereikt uittreksel van proces-verbaal van toewijzing (z. nr. 26).
Hoofdstuk II. Het akkoord.
Soorten van akkoord.
39. Er zijn twee soorten van akkoord : het akkoord na faillissement (z. eerste afdeling hierna) en het gerechtelijk akkoord of akkoord tot voorkoming van faillissement (z. afdeling 2 hierna).
Degene die een akkoord heeft bekomen kan, om zich tegenover zijn schuldeisers van zijn schulden te bevrijden, hun zijn goederen of een gedeelte ervan afstaan. Deze variante van het akkoord wordt akkoord met boedelafstand genoemd (z. afdeling 3 hierna).
Afdeling 1. Het akkoord na faillissement
Definitie.
40. Het akkoord na faillissement is een gezamenlijke overeenkomst waarbij de schuldenaar die bij vonnis failliet werd verklaard weer aan het hoofd van zijn zaken wordt geplaatst en een gedeeltelijke vermindering van zijn schulden bekomt, evenals uitstel van betaling voor het saldo. Deze overeenkomst moet door de meerderheid van de schuldeisers, in vergadering verenigd, worden goedgekeurd en door de rechtbank worden bekrachtigd. Wanneer die voorwaarden vervuld zijn, is het akkoord onherroepelijk verbindend voor al de schuldeisers in de massa.
Het door de rechtbank bekrachtigde akkoord stelt een einde aan het faillissement.
Gevolgen.
41. Uit het verlenen van een akkoord na faillissement vloeit het volgende voort :
a) de toestand van de gefailleerde vóór het verlenen van het akkoord, blijft geregeld door de bepalingen vervat in hoofdstuk I hierboven;
b) een dergelijk akkoord maakt een einde aan het faillissement voor de toekomst, maar heeft geen terugwerkende kracht (Fredericq, Handboek van Belgisch Handelsrecht, d. II, blz. 643, nr. 1733; Van Rijn, Principes de droit commercial, d. IV, blz. 371, nr. 2852). De daden tot stuiting van de verjaring die tijdens de periode van het faillissement geldig werden gesteld, worden bijgevolg niet te niet gedaan. Zo verliest de verklaring van schuldvordering die naar aanleiding van de faillietverklaring van een belastingplichtige tijdig bij de rechtbank werd ingediend haar stuitingseffect niet (z. nr. 18 hierboven);
c) het indienen van periodieke aangiften en de betaling van de BTW, overeenkomstig de bepalingen vervat in het BTW-Wetboek, voor de handelingen die worden verricht na het vonnis van bekrachtiging van het akkoord, moeten door degene die het akkoord bekomen heeft, zelf worden verricht.
Afdeling 2. Stelsel van het gerechtelijk akkoord
Definitie.
42. Het gerechtelijk akkoord is een gezamenlijke overeenkomst waarbij een handelaar die zijn betalingen heeft gestaakt maar die geen bedrog heeft gepleegd noch een grove onregelmatigheid heeft begaan, aan het faillissement ontsnapt door van zijn schuldeisers een gedeeltelijke vermindering van zijn schuld, uitstel van betaling, of zelfs deze twee toegevingen samen te verkrijgen (besl. van de Regent van 25 september 1946, houdende samenschakeling van de wetten betreffende het gerechtelijk akkoord, art. 1 en volgende).
Deze overeenkomst is bindend wanneer ze door de rechtbank wordt gehomologeerd.
Het gerechtelijk akkoord brengt, in principe, geen enkele buitenbezitstelling van de goederen van de gefailleerde mede en de regels van het faillissement zijn op de laatste niet van toepassing.
De schuldeisers moeten niettemin schriftelijk aangifte doen van het bedrag van hun schuldvorderingen (z. voornoemd besluit van de Regent, art. 14, tweede lid). Wat de verklaring van schuldvordering voor de Schatkist betreft z. nrs. 9 tot 18.
Gevolgen.
43. De handelaar die een gerechtelijk akkoord heeft verkregen blijft ertoe gehouden al de verplichtingen bepaald in het BTW-Wetboek en de ter uitvoering ervan genomen besluiten na te leven, zowel voor de handelingen die vóór het vonnis van homologatie van het akkoord als voor de handelingen die daarna worden verricht.
44. Behalve voor het indienen van de verklaring van schuldvordering (z. nr. 42 hierboven), dienen de regels van hoofdstuk I hiervoor niet te worden toegepast, aangezien het gerechtelijk akkoord geen uitwerking heeft op de belastingen en andere openbare lasten (z. besluit van de Regent van 25 september 1946, houdende samenschakeling van de wetten betreffende het gerechtelijk akkoord, art. 29).
Afdeling 3. Bijzonder geval : het akkoord met boedelafstand
Begrip.
45. De schuldenaar die een verzoek tot akkoord indient, stelt soms aan zijn schuldeisers voor hun zijn goederen af te staan, opdat zij zouden worden betaald met de opbrengst van de tegeldemaking ervan die wordt toevertrouwd aan hiertoe door de rechtbank aangewezen vereffenaars.
Het akkoord met boedelafstand is onderworpen aan al de regels van het akkoord, op één belangrijk punt na : de buitenbezitstelling blijft bestaan voor de goederen die moeten worden vereffend.
De verkoop van de onroerende goederen van de schuldenaar mag, in principe, plaatshebben in de vorm van verkopen uit de hand.
Gevolgen.
46. Het toestaan van een akkoord met boedelafstand heeft geen invloed op de regels die hierboven ten aanzien van de toepassing van de BTW werden uiteengezet. Naargelang het akkoord wordt toegestaan na het faillissement of naargelang het een gerechtelijk akkoord betreft, dient dan ook verwezen te worden naar de regels die respectievelijk in afdeling 1 en afdeling 2 hierboven worden uiteengezet.
47. De op verzoek van de vereffenaar gehouden openbare verkoping van roerende goederen van degene die een akkoord heeft verkregen, is aan de BTW onderworpen, tenzij het gaat om goederen welke deze laatste voor privé-behoeften heeft gebruikt. De BTW moet door degene die het akkoord heeft verkregen worden opgenomen in zijn periodieke aangifte en worden afgedragen aan de Schatkist volgens de regels die hij moest volgen vóór het bekomen van het akkoord.
Hoofdstuk III. Openbare verkopingen bij uitvoerend beslag.
Begrippen.
48. Men noemt beslag, de procedure waarbij de roerende of onroerende goederen van een schuldenaar in de macht van het gerecht worden gesteld en onbeschikbaar gemaakt, ten einde hem te dwingen zijn verplichtingen na te komen.
De uitvoerende beslagleggingen zijn werkelijke middelen tot gedwongen tenuitvoerlegging. Ze leiden tot de verkoop van de inbeslag genomen goederen en, vervolgens, tot de betaling van de schuldeisers die beslag hebben laten leggen.
Het uitvoerend beslag houdt, in principe, het bestaan in van een gerechtelijke volmacht, vonnis of notariële akte, die het bestaan van het recht van de schuldeiser vaststelt.
Toestand van de beslagene.
49. De schuldenaar wiens goederen bij uitvoerend beslag worden verkocht, verliest de hoedanigheid van belastingplichtige niet.
De verkoop bij uitvoerend beslag van roerende goederen is echter niet aan de BTW onderworpen maar in beginsel wel aan het registratierecht. Evenwel is zelfs het evenredig registratierecht niet verschuldigd voor goederen die zijn bedoeld in de artikelen 2 en 3 van Titel I van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen (voertuigen onderworpen aan de inschrijvingstaks in hoofde van de koper).
49bis. Vanaf 1 januari 1994 wordt het nr. 49 vervangen door hetgeen hierna volgt.
"Aangezien de schuldenaar wiens goederen bij uitvoerend beslag worden verkocht, niet de hoedanigheid van belastingplichtige verliest (Sinds 1 januari 1993 moet onder belastingplichtige in de zin van de aanschrijving nr. 26 van 31 augustus 1978 vanzelfsprekend worden verstaan, een belastingplichtige met volledig of gedeeltelijk recht op aftrek van de voorbelasting hetgeen de door de artikelen 44 en 56, § 2, van het Wetboek beoogde belastingplichtigen uitsluit samen overigens met de belastingplichtigen die een recht op aftrek genieten maar dan enkel voor het verrichten van in artikel 44, § 3, 4° tot 10°, van het Wetboek beoogde handelingen (z. Wetb., art. 45, § 1, 4° en 5°) evenals de landbouwondernemers onderworpen aan de bijzondere regeling van artikel 57 van het Wetboek), is de verkoop bij uitvoerend beslag van zijn roerende goederen, andere dan die welke uitsluitend voor privé-doeleinden werden gebruikt, aan de BTW onderworpen en van het evenredig registratierecht vrijgesteld (z. W. Reg., art. 80, 1°).
Ingeval van openbare verkoop van roerende goederen met toepassing van de BTW, is het de notaris of de gerechtsdeurwaarder die zijn ambt tot die verkoop leent, die de opeisbare BTW van de koper ontvangt voor rekening van de beslagen belastingplichtige.
Voor het overige gelden in principe de in het BTW-Wetboek voorziene regels ten aanzien van de berekening van de opeisbare BTW, de aangifte van de belastbare handelingen en de verschuldigde BTW, de betaling van die belasting aan de Schatkist, enz.
In dit verband wordt er op gewezen dat op grond van artikel 26 van het BTW-Wetboek, zoals overigens inzake registratierecht, de extra-wettelijke kosten aan de toewijzingsprijs moeten worden toegevoegd om de maatstaf van heffing te bepalen.
Wat de facturering betreft is het, zoals ingeval van faillissement en rekening houdend met het speciaal karakter van de openbare verkopen, noodzakelijk gebleken te voorzien in bijzondere regels.
Zo is de beslagen belastingplichtige in de regel verplicht een factuur uit te reiken in de gevallen waarbij op grond van artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 1, van 29 december 1992, met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, de uitreiking van een factuur verplicht zou zijn in geval van vrijwillige verkoop.
Wanneer evenwel de instrumenterende notaris of gerechtsdeurwaarder aan de koper een uittreksel van het proces-verbaal van toewijzing uitreikt, mag dat uittreksel worden aangemerkt als een factuur, op voorwaarde dat :
1° het uittreksel wordt aangevuld met de vermeldingen bepaald in artikel 6, § 2, 1, van het bovengenoemd koninklijk besluit nr. 1 en in voorkomend geval, met het BTW-identificatienummer dat aan de koper in een andere Lid-Staat van de Europese Unie werd toegekend;
2° die gegevens per toegewezen lot worden vermeld in het proces-verbaal van toewijzing; om evenwel het vlot verloop van de verkoop niet te storen, kan genoegen worden genomen met de eenvoudige vermelding "uittreksel nr. ";
3° een dubbel van dat uittreksel wordt gevoegd bij de voor de beslagen verkoper bestemde verzamelstaat van de verkopen om zijn verplichtingen te kunnen nakomen.
Dit uittreksel uit het proces-verbaal van toewijzing en het dubbel ervan zijn vrijgesteld van zegelrecht (z. W. Zeg., art. 59/1, 4°). Die vrijstelling is evenwel afhankelijk van de voorwaarde dat bovenaan op de bedoelde stukken de oorzaak van de vrijstelling wordt vermeld, dit is in het gestelde geval, de bijzondere bestemming van de stukken (W. Zeg., art. 60/1).
De openbare verkoop bij uitvoerend beslag van lichamelijk roerende goederen die de schuldenaar voor zijn privé-behoeften heeft gebruikt, is niet aan de BTW maar aan het evenredig registratierecht onderworpen. Van het registratierecht is zelfs vrijgesteld, de openbare verkoop bij uitvoerend beslag van inlands hout, op stam of gekapt (W. Reg., art. 80, 3°); in dat geval is derhalve noch de BTW, noch het evenredig registratierecht verschuldigd.
Volledigheidshalve wordt er nog op gewezen dat op grond van artikel 1526bis van het Gerechtelijk Wetboek (z. art. 15 van de Wet van 14 januari 1993 tot wijziging van titel I, voorafgaande regels, en titel III, gedwongen tenuitvoerlegging, van deel V van het Gerechtelijk Wetboek inzake het bewarend beslag en de middelen tot tenuitvoerlegging en tot wijziging van artikel 476 van de Wet van 18 april 1851 betreffende het faillissement, de bankbreuk en het uitstel van betaling (B.S. van 20 februari 1993, blz. 3894 en volg.), de schuldenaar tegen wie een uitvoerend beslag op roerend goed geschiedt, de in beslag genomen goederen in der minne kan verkopen ten einde de opbrengst ervan aan te wenden voor de betaling van de schuldeisers. In dat geval blijven uiteraard de normale regels van toepassing".
Namens de Minister :
De Directeur-generaal,
J. DECUYPER
Bron: FisconetPlus
