Circulaire nr. Ci.RH.624/460.080 d.d. 31.08.1995
Bull. nr. 753, pag. 2636
BUITENLAND
Buitenlandse kaderlid
Buitenlandse vorser
In het kader van het bijzonder aanslagstelsel voor sommige buitenlandse kaderleden toegelaten bewijsmiddelen om de werkelijk in het buitenland gepresteerde dagen aan te tonen.
Aan alle ambtenaren van de niveaus 1, 2 en 3.
1. De circulaire van 8 augustus 1983, nr. Ci.RH.624/325.294 (Bull. 620, blz. 2061) (zie ook nrs. 139/8 tot 9.8 en 142/2 tot 5.11, Com.IB) bepaalt inzonderheid dat de bezoldigingen met betrekking tot de in het buitenland gepresteerde werkzaamheden niet tot de belastbare bezoldigingen behoren van buitenlandse kaderleden en vorsers die van het bijzonder aanslagstelsel genieten.
Ondanks de wijzigingen welke door artikel 314, W 28.12.1989, houdende fiscale bepalingen (V 2019, Bull. 691, blz. 346 - BS 29.12.1989) aan art. 142, § 1, 3°, WIB (huidig art. 230, 3°, WIB 92), zijn aangebracht is er beslist deze vrijstelling als zodanig te behouden zonder dat het noodzakelijk is dat de desbetreffende bezoldigingen op de resultaten van een in het buitenland gelegen inrichting zouden worden toegerekend.
2. Het spreekt echter vanzelf dat deze vrijstelling geen bron van misbruiken mag zijn. Daarom werd het nuttig geacht nauwkeurig te bepalen welke bewijsmiddelen voortaan zullen worden aanvaard om het aantal in het buitenland gepresteerde dagen vast te stellen.
In dit verband moet de belastingplichtige het dubbel bewijs leveren :
1° van de echtheid van de dagen die hij in het buitenland heeft doorgebracht;
2° dat deze dagen aan de uitoefening van zijn beroepswerkzaamheid werden besteed.
3. Over het algemeen moet dit dubbel bewijs worden geleverd aan de hand van een geheel van betrouwbare en voor de taxatieambtenaar overtuigende elementen en documenten zoals inzonderheid :
- transport- en andere aanverwante documenten, met vermelding van naam en datum (Boarding-pass, enz.);
- facturen in verband met verblijfskosten (hotel, huren van een auto, enz.);
- de betalingen van reis- en verblijfskosten met een kredietkaart;
- het bewijs van aanwezigheid op vergaderingen;
- het bewijs van aanwezigheid in de buitenlandse vennootschap bezocht door het kaderlid (uittreksel uit een register, enz.);
- getuigschriften van derden.
4. Het is duidelijk dat de documenten die door de belastingplichtige moeten worden voorgelegd afhankelijk zijn van de feitelijke omstandigheden eigen aan iedere situatie, maar dat ze een voldoende bewijskrachtig geheel moeten vormen. In dit verband zal er een grotere nauwgezetheid worden vereist, met dien verstande evenwel dat geschillen waarbij slechts geringe belangen op het spel staan, moeten worden vermeden.
5. Hoewel deze circulaire eigenlijk gezegd geen enkele nieuwe bepaling inhoudt maar slechts een striktere benadering van de problematiek tot doel heeft, zal zij wat betreft de in het buitenland gepresteerde dagen pas worden ingeroepen vanaf de eerste dag van de tweede maand volgend op de publicatie ervan in het bulletin der belastingen.
NAMENS DE MINISTER :
Voor de Directeur-generaal :
De Auditeur-generaal,
M. CHERPION
