Circulaire nr. Ci.D.19/402.192 dd. 10.10.1990 (24e afl.)
CIRC 10.10.90/2
Circulaire nr. Ci.D.19/402.192 dd. 10.10.1990 (24e afl.)
Bull. nr. 699, pag. 2979
AANSLAG PB
Berekening.
HERVORMINGSWET 1988
Belastingvrije som.
VERMINDERING VOOR JONGE GEZINNEN
Afschaffing.
VERMINDERING VOOR LEVENSVERZEKERING
Afschaffing.
Commentaar op art. 6, §§ 1 tot 4, art. 7 en art. 35, § 1, 14° tot 22° en § 2, W. 07.12.1988 houdende hervorming van de inkomstenbelasting en wijziging van de met het zegel gelijkgestelde taksen :
INHOUDSTABEL
I. WETTEKSTEN
II. ALGEMENE DRAAGWIJDTE
II/672 De bepalingen van art. 6, §§ 1 tot 4, van de hervormingswet vervangen grotendeels de thans afgeschafte bepalingen met betrekking tot het belastingvrije minimuminkomen en de verminderingen voor gezinslasten.
In de plaats daarvan komt nu een belastingvrije som die wordt aangerekend op de onderste inkomstenschijven (art. 7, § 2, hervormingswet).
II/673 Voor de toekenning van het basisbedrag van die belastingvrije som (voorheen het belastingvrije minimuminkomen) wordt voortaan onderscheid gemaakt tussen een alleenstaande en echtgenoten.
II/674 Toeslagen bij die belastingvrije som worden in dezelfde omstandigheden toegekend als voorheen de verminderingen voor gezinslasten.
Daarbij past het echter aan te stippen :
III. BELASTINGVRIJE SOM
A. Basisbedrag van de belastingvrije som
1. Alleenstaande
II/676 Het basisbedrag van de belastingvrije som bedraagt voor een alleenstaande 165.000 F (art. 6, § 1, eerste lid, 1°, hervormingswet).
II/677 Onder alleenstaande moeten hier bij voortduur worden verstaan (cf. art. 1, 2°, hervormingswet) ongehuwden, weduwnaars of weduwen, uit de echt gescheiden personen, zomede gehuwden voor de periode waarin zij fiscaal als alleenstaanden moeten worden beschouwd, namelijk :
2. Echtgenoten
II/678 Het basisbedrag van de belastingvrije som bedraagt voor elke echtgenoot 130.000 F (art. 6, §1, eerste lid, 2°, hervormingswet).
II/679 Echtgenoten zijn zij die niet als alleenstaande moeten worden beschouwd (cf. art. 1, 1°, hervormingswet en nr. II/660).
Zodra ten minste één van de echtgenoten beroepsinkomsten heeft, zijn er ALTIJD twee aanslagbasissen, hetzij omdat beide echtgenoten beroepsinkomsten hebben, hetzij omdat een gedeelte van het beroepsinkomen van de ene echtgenoot aan de andere wordt toegerekend (zie nr. II/660).
Daarom ook mogen de belastingvrije sommen van beide echtgenoten niet worden samengeteld en op het inkomen van één der echtgenoten worden aangerekend, maar moet op elke aanslagbasis een belastingvrije som van 130.000 F worden aangerekend.
Alleen wanneer één van beide aanslagbasissen onvoldoende hoog is (of geheel weggevallen is, BV door de aanrekening van een beroepsverlies of de aftrek van een onderhoudsuitkering) mag het saldo van de belastingvrije som van 130.000 F van de desbetreffende echtgenoot worden samengeteld met de belastingvrije som van de andere echtgenoot en op de ene overblijvende aanslagbasis worden aangerekend (cf. art. 6, § 3, hervormingswet).
Ook wanneer geen van beide echtgenoten beroepsinkomsten heeft, mag op de enige aanslagbasis (gevormd door het totaal van onroerende, roerende en diverse inkomsten van het gezin) een belastingvrije som van 2 x 130.000 F worden verleend.
Voorbeelden II/680 1. Resterend gezinsinkomen : Beroepsinkomen man : 620.000 700.000 F Onroerend inkomen : 80.000 Afgezonderd beroepsinkomen (beroepsinkomen van de vrouw) : 600.000 F Op beide aanslagbasissen wordt een belastingvrije som van 130.000 F aangerekend. 2. Resterend gezinsinkomen : 305.000 F (K.I. 60.000 F; winst van de man 245.000 F) Afgezonderd beroepsinkomen : 105.000 F (Winsttoekenning door de man aan de vrouw : 350.000 x 30 pct. = 105.000 F.) Op dit laatste inkomen kan slechts een belastingvrije som van 105.000 F worden aangerekend. Het saldo wordt samen met de andere belastingvrije som van 130.000 F op het resterend gezinsinkomen aangerekend, nl. 25.000 F (130.000 - 105.000) + 130.000 F = 155.000 F. B. Toeslagen op de belastingvrije som
a) Algemeen
II/681 De verminderingen voor kinderen ten laste zijn vervangen door toeslagen op de belastingvrije som.
Zoals de verminderingen voorheen, zijn ook de toeslagen progressief en worden dus per kind groter naargelang het aantal kinderen stijgt.
Het begrip "kinderen ten laste" ondergaat geen wijzigingen ten opzichte van vroeger, behoudens dat met ingang an het aj. 1989 een tijdens het inkomstenjaar overleden kind in bepaalde gevallen nog als ten laste van de belastingplichtige kan worden beschouwd.
Ook voor de berekening van de toeslagen worden zwaar gehandicapte kinderen voor twee geteld.
b) Kinderen
II/682 Voor de toekenning van de toeslagen voor kinderen te laste mogen als kinderen van de belastingplichtige worden beschouwd :
II/683 Ter zake blijven de bestaande regels verder van toepassing, d.w.z. dat de in nr. II/682 bedoelde kinderen slechts als ten laste van de belastingplichtige kunnen worden beschouwd, indien zij :
d) Overleden kinderen
II/684 Op de in nr. II/683 sub 1° aangehaalde voorwaarde heeft de hervormingswet evenwel een uitzondering ingevoerd met betrekking tot de in de loop van het inkomstenjaar overleden kinderen.
Art. 6, § 1, derde lid, van die wet stelt immers dat een overleden kind geacht wordt deel uit te maken van het gezin van de belastingplichtige op 1 januari van het aanslagjaar dat volgt op het jaar van zijn overlijden, op voorwaarde dat het :
II/686 Tijdens het inkomstenjaar overleden (doch niet in dat jaar geboren) kinderen die het vorige aanslagjaar niet ten laste van de belastingplichtige waren omdat zij op 1 januari van dat aanslagjaar geen deel uitmaakten van zijn gezin of omdat zij tijdens het aan dat aanslagjaar verbonden inkomstenjaar nettobestaansmiddelen hadden genoten van meer dan 60.000 F of bezoldigingen hadden verkregen die voor de belastingplichtige beroepskosten waren, kunnen met betrekking tot het jaar van overlijden evenmin als te zijnen laste worden beschouwd. Het doet er daarbij niet toe dat zij i.v.m. het overlijdensjaar zelf eventueel wel aan de 2° en de 3° voorwaarde van nr. II/683 voldoen.
II/687 Tenslotte wordt de aandacht erop gevestigd dat de in nr. II/684 bedoelde afwijking alleen betrekking heeft op de eerste van in nr. II/683 gestelde voorwaarden, generlei afbreuk doet aan de beide andere in dat nr. gestelde voorwaarden.
II/688 Een overleden kind kan derhalve niet ten laste zijn als het in het jaar van overlijden bestaansmiddelen heeft gehad van meer dan 60.000 F netto of bezoldigingen heeft genoten die voor de belastingplichtige beroepskosten zijn.
II/689 Tevens wordt nogmaals herhaald dat de in de nrs. II/684 tot 688 besproken wijzigingen, reeds van toepassing is met ingang van het aj. 1989 (cf. art. 39, eerste lid, 2°, hervormingswet).
e) Verdubbeling voor handicap
II/690 Zoals voorheen worden de in nr. II/682 bedoelde kinderen, die zwaar gehandicapt zijn, voor twee geteld (art. 6, § 1, tweede lid, hervormingswet).
Onder "zwaar gehandicapte kinderen" worden diegenen verstaan die voldoen aan de begripsomschrijving waarvan sprake is in nr. II/758 (zie ook de nrs. II/759 tot 763).
De in het eerste lid aangehaalde regel geldt eveneens voor overleden kinderen die overeenkomstig het bepaalde in de nrs. II/684 tot 688 hierboven als ten laste van de belastingplichtige kunnen worden beschouwd, voor zover is aangetoond dat zij tijdens het deel van het inkomstenjaar waarin zij in leven waren voldeden aan de in het vorige lid bedoelde begripsomschrijving.
f) Bedrag van de toeslag
II/691 De toeslagen voor kinderen ten laste bedragen :
a) Algemeen
II/692 Het betreft hier een totaal nieuwe gezinsvriendelijke maatregel, waarbij aan de belastingplichtige voor ieder kind ten laste dat op 1 januari van het aanslagjaar de leeftijd van 3 jaar niet heeft bereikt en waarvoor geen uitgaven voor opvang worden afgetrokken, op de belastingvrije som een bijkomende toeslag van 10.000 F wordt verleend.
Die toeslag wordt bij de gewone toeslagen voor kinderen ten laste gevoegd.
De regels met betrekking tot de tijdens het inkomstenjaar overleden kinderen (nrs. II/684 tot 688) en de verdubbeling voor handicap (nr. II/690) zijn ook hier van toepassing.
b) Beoogde kinderen
II/693 Het betreft hier kinderen die ten laste van de belastingplichtige zijn en op 1 januari van het aanslagjaar de leeftijd van 3 jaar niet hebben bereikt.
II/694 Voor de begrippen "kinderen" en "kinderen ten laste" wordt verwezen naar de nrs. II/682 en 683.
Daar moet evenwel nog worden aan toegevoegd dat het tijdens het inkomstenjaar overleden kind dat aan de in nr. II/684 gestelde omschrijving beantwoordt, ook voor de toekenning van die bijkomende toeslag als ten laste van de belastingplichtige wordt beschouwd.
II/695 Die bijkomende toeslag kan alleen worden verleend voor kinderen die op 1 januari van het aanslagjaar de leeftijd van 3 jaar niet hebben bereikt (of zouden hebben bereikt wat de in het tweede lid van het vorige nummer bedoelde overleden kinderen betreft).
Het tijdstip waarop de leeftijdsvoorwaarde moet worden beoordeeld, wijkt hier dus wel af van wat inzake de aftrek van kinderopvangkosten geldt (nl. de werkelijke leeftijd op het tijdstip van de opvang-zie dienaangaande nr. II/554).
c) Onverenigbaarheid
II/696 De bijkomende toeslag wordt niet verleend met betrekking tot kinderen voor wie overeenkomstig art. 15 van de hervormingswet kosten van kinderopvang worden afgetrokken (voor meer bijzonderheden over de aftrek van kinderopvangkosten wordt verwezen naar de nrs. II/538 tot 576).
Die onverenigbaarheid geldt per kind en niet per gezin; aldus kan binnen hetzelfde gezin voor een bepaald kind voor de aftrek van de opvangkosten en voor een ander kind voor de toekenning van de bijkomende toeslag op de belastingvrije som gekozen worden.
Het staat de belastingplichtige vrij voor de ene of de andere maatregel te kiezen (inzonderheid wanneer een kind slechts voor een zeer beperkte periode van het jaar door een kinderdagverblijf of een opvangouder is opgevangen), voor zover uiteraard aan de wettelijke voorwaarden van de beide maatregelen is voldaan (zie o.m. nr. II/695).
In de praktijk dient de belastingplichtige zijn keuze - voor elk aanslagjaar - kenbaar te maken bij het invullen van zijn belastingaangifte; Die keuze is trouwens niet onherroepelijk (zie nr. II/575).
d) Bedrag van de toeslag
II/697 De bijkomende toeslag bedraagt 10.000 F voor elk kind dat jonger is dan 3 jaar.
Zoals voor de toekenning van de toeslagen voor kinderen ten laste wordt een zwaar gehandicapt kind (zie nr. II/690 hierboven) van minder dan 3 jaar ook voor de toekenning van de hier bedoelde bijkomende toeslag dubbel geteld; voor dergelijk kind bedraagt die bijkomende toeslag derhalve 2 x 10.000 F.
a) Algemeen
II/698 In plaats van de vroegere belastingvermindering van 4.618 F per persoon ten laste, wordt de belastingvrije som voortaan verhoogd met een toeslag van 35.000 F per persoon ten laste.
Het begrip "andere personen ten laste" ondergaat geen wijzigingen behoudens dat, met ingang van het aj. 1990, een dergelijke tijdens het inkomstenjaar overleden persoon nog geacht wordt deel uit te maken van het gezin van de belastingplichtige op 1 januari van het betreffende aanslagjaar, op voorwaarde dat hij reeds voor het vorige aanslagjaar ten laste was.
b) Andere personen ten laste
II/699 Als "andere personen ten laste" van de belastingplichtige worden aangemerkt :
II/700 Wanneer een in het eerste lid, tweede gedachtenstreep, van het vorige nummer bedoelde persoon ook kan worden aangemerkt als een "kind dat volledig of hoofdzakelijk ten laste is" van de belastingplichtige (zie de toeslag voor "kind ten laste" worden toegekend (zie nrs; II 681 tot 691) in plaats van de in re. II/705 vermelde toeslag.
c) Overleden personen ten laste
II/701 Op de voorwaarde dat een persoon slechts ten laste van de belastingplichtige kan zijn indien hij op 1 januari van het aanslagjaar deel uitmaakt van zijn gezin, heeft de hervormingswet evenwel een uitzondering ingevoerd met betrekking tot tijdens het inkomstenjaar overleden personen.
Art. 6, § 2, tweede lid, van de hervormingswet stelt immers dat de in art. 82, § 1,3° tot 5°, WIB bedoelde persoon die overleden is, geacht wordt deel uit te maken van het gezin van de belastingplichtige op 1 januari van het aanslagjaar dat volgt op het jaar van zijn overlijden, op voorwaarde dat hij reeds voor het vorige aanslagjaar ten laste was.
II/702 Die bepaling slaat dus uitsluitend op de in art. 82, § 1, 3° tot 5°, WIB bedoelde personen, d.w.z. op de "andere personen ten laste" waarvan sprake is in nr. II/699.
II/703 Daar de voormelde bepaling voor het overige gelijkluidend is aan de eerste in art. 6, § 1, derde lid, van de hervormingswet gestelde voorwaarde inzake overleden (doch niet in hetzelfde jaar geboren) kinderen, wordt voor meer bijzonderheden dienaangaande verwezen naar de in de nrs; II/686 tot 688 verstrekte commentaar, die mutatis mutandis op overleden personen ten laste van toepassing is.
II/704 Wat de inwerkingtreding van die nieuwe maatregel betreft, wordt er nog op gewezen dat de maatregel met betrekking tot overleden personen ten laste slechts ingaat vanaf het aj. 1990 (art. 39, eerste lid, 1°, hervormingswet), terwijl de maatregel met betrekking tot overleden kinderen reeds van toepassing was voor het aj. 1989 (art. 39, eerste lid, 2°, hervormingswet).
d) Bedrag van de toeslag
II/705 De toeslag voor "andere personen ten laste" bedraagt 35.000 F per persoon.
a) Algemeen
II/706 Voor zwaar gehandicapte personen (kinderen uitgezonderd) wordt eveneens een toeslag van 35.000 F op de belastingvrije som verleend.
Deze toeslag vervangt de vaste belastingvermindering van 8.000 F.
b) Handicap
II/707 De toeslag wordt slechts verleend voor zwaar gehandicapte personen.
Onder "zwaar gehandicapte personen" worden diegenen verstaan die voldoen aan de begripsomschrijving waarvan sprake is in nr. II/764.
Voor meer bijzonderheden dienaangaande wordt derhalve verwezen naar de in de daaropvolgende nummers verstrekte commentaar (zie inzonderheid de nrs. II/765 tot 782 en 786 tot 796).
c) Andere personen dan kinderen
II/708 Het betreft hier de belastingplichtige zelf, de echtgenoot en de andere personen ten laste waarvan sprake is in nr. II/699 hierboven (voor de toeslag wegens de zware handicap van kinderen wordt inzonderheid naar II/690 verwezen).
II/709 Hier zijn eveneens de overleden personen ten laste bedoeld waarvan sprake is in de nrs. II/701 tot 703, mits is aangetoond dat zij tijdens het aan hun overlijden voorafgaande deel an het inkomstenjaar aan de begripsomschrijving van zwaar gehandicapte voldeden.
II/710 Onder diezelfde voorwaarde mag de toeslag eveneens worden toegekend voor de berekening van de aanslag op naam van de nalatenschap van de overleden belastingplichtige (of van de overleden echtgenoot, die alsdan evenwel ook als een alleenstaande belastingplichtige wordt beschouwd).
d) Bedrag van de toeslag
II/711 De toeslag voor handicap van andere personen dan kinderen bedraagt 35.000 F per zwaar gehandicapte.
Wat zwaar gehandicapte personen "ten laste" betreft, worde nog opgemerkt dat de toeslag voor handicap bovenop de gewone toeslag voor "persoon ten laste" wordt verleend.
a) Algemeen
II/712 Op voorwaarde dat zij ten minste één kind ten laste hebben, wordt op de belastingvrije som van de weduwnaar, de weduwe of de ongehuwde ouder een toeslag van 35.000 F verleend.
Die toeslag vervangt eveneens de vaste belastingvermindering van 4.618 F.
b) Begunstigden
II/713 Alhoewel de in art. 81, § 2, 2°, WIB voorkomende term "niet-gehuwde ouder" thans is vervangen door de term "ongehuwde vader of moeder", blijkt uit de voorbereidende werkzaamheden met betrekking tot de hervormingswet niet dat het de bedoeling van de wetgever is geweest een andere draagwijdte aan die bepaling te geven, doch wel de Nederlandse tekst beter in overeenstemming te brengen met de Franse.
De begunstigden zijn dus de personen die voorheen de in art. 81, § 2,2°, WIB bedoelde belastingvermindering genoten, d.w.z., op voorwaarde dat zij ten minste één kind ten laste hebben :
c) Bedrag van de toeslag
II/715 De toeslag op de belastingvrije som bedraagt 35.000 F, ongeacht het aantal kinderen ten laste.
Die toeslag wordt bovenop de toeslagen voor kinderen ten laste verleend.
a) Algemeen
II/716 Voor het jaar van huwelijk wordt aan de belastingplichtige een toeslag van 35.000 F op de belastingvrije som verleend, op voorwaarde dat zijn echtgenoot geen nettobestaansmiddelen heeft gehad van meer dan 60.000 F.
Die toeslag vervangt de vaste belastingvermindering van 4.618 F.
b) Begunstigden
II/717 De toeslag wordt voor het jaar van huwelijk aan de (immers als alleenstaande te beschouwen) echtgenoot verleend, mits de andere echtgenoot dat jaar persoonlijk evenwel geen bestaansmiddelen heeft genoten van meer dan 60.000 F netto.
II/718 In het uitzonderlijke geval dat het huwelijk reeds in hetzelfde jaar wordt ontbonden door het overlijden van één der echtgenoten, wordt die toeslag in voorkomend geval gelijktijdig verleend met de toeslag van 95.000 F voor het jaar van overlijden van één der echtgenoten (zie nrs. II/720 tot 724 hierna).
c) Bedrag van de toeslag
II/719 De toeslag voor het jaar van huwelijk bedraagt 35.000 F.
a) Algemeen
II/720 Voor het jaar van overlijden van één der echtgenoten wordt de belastingplichtige verhoogd met een toeslag van 95.000 F (Dit bedrag is in feite gelijk aan het verschil tussen de belastingvrije som van echtgenoten (2 x 130.000 F) en van een alleenstaande (165.000 F).), op voorwaarde dat de andere echtgenoot geen bestaansmiddelen heeft gehad die meer dan 60.000 F netto bedragen.
Die toeslag komt in de plaats van de vaste belastingvermindering van 4.618 F.
b) Begunstigden
II/721 De toeslag wordt aan de belastingplichtige toegekend voor het jaar waarin één van de echtgenoten overlijdt, op voorwaarde dat de andere echtgenoot tijdens dat jaar persoonlijk geen bestaansmiddelen heeft genoten van meer dan 60.000 F netto.
Zoals o.m. uit de Memorie van toelichting (Senaat, Buitengewone zitting 1988, doc. 440/1, p. 10) en de uitleg verstrekt bij de artikelsgewijze bespreking in de Commissie voor de Financiën (Senaat, Gewone zitting 1988 - 1989, doc. 440/2, p. 41) blijkt, kan die toeslag voor de aanslag op de inkomsten van de overledene (= aanslag op naam van de nalatenschap) worden toegekend wanneer de overlevende echtgenoot tijdens dat jaar niet meer dan 60.000 F nettobestaansmiddelen heeft gehad, of voor de aanslag op naam van de overlevende echtgenoot (weduwnaar of weduwe) indien de overledene tijdens dat jaar niet meer dan 60.000 F nettobestaansmiddelen heeft gehad.
II/722 Zoals reeds vermeld in de nrs. II/714 en 718, kan deze toeslag samen met de toeslag voor weduwnaars of weduwen met kinderlast en met de toeslag voor het jaar van huwelijk worden verleend.
II/723 De hier besproken toeslag wordt niet toegekend voor het jaar van echtscheiding of van scheiding van tafel en bed.
c) Bedrag van de toeslag
II/724 De toeslag die voor het jaar van overlijden van één der echtgenoten wordt verleend, bedraagt 95.000 F (zijnde het verschil tussen het basisbedrag van de belastingvrije som van beide echtgenoten enerzijds en van een alleenstaande anderzijds).
II/725 Onderstaande tabel geeft een overzicht van de diverse toeslagen.
----------------------------------------------------------------------- Nr. | Aard van de toeslag | Materie behandeld | Bedrag van de toeslag| | | in de nrs. | | | | | | ----------------------------------------------------------------------- 1. | Kinderen ten laste | II/681 tot 691 | 1 kind : 35.000 F | | | | 2 kind. : 90.000 F | | | | 3 kind. : 202.000 F | | | | 4 kind. : 327.500 F | | | | 5 kind. 327.500 F +| | | | en meer : 125.000 F | | | | per kind boven het| | | | vierde | | | | (zwaar gehandicapte | | | | kinderen worden voor | | | | twee geteld) | | | | | ----------------------------------------------------------------------- 2. | Kinderen jonger | II/692 tot 697 | 10.000 F per kind | | dan 3 jaar | | (zwaar gehandicapte | | (geen opvangkosten) | | kinderen worden voor | | | | twee geteld) | | | | | ----------------------------------------------------------------------- 3. | Andere personen ten | II/698 tot 705 | 35.000 F per persoon | | laste. | | | | | | | ----------------------------------------------------------------------- 4. | Zware handicap van | II/706 tot 711 | 35.000 F per zwaar | | andere personen dan | | gehandicapte | | kinderen | | | | | | | ----------------------------------------------------------------------- 5. | Weduwnaar, weduwe | II/712 tot 715 | 35.000 F | | of ongehuwde ouder | | | | met kinderlast | | | | | | | ----------------------------------------------------------------------- 6. | Jaar van huwelijk | II/716 tot 719 | 35.000 F | | (nettobestaansmid- | | | | delen echtg. | | | | 60.000 F | | | ----------------------------------------------------------------------- 7. | Jaar van overlijden | II/720 tot 724 | 95.000 F | | van een echtgenoot | | | | (nettobestaans- | | | | middelen andere | | | | echtg. 60.000 F | | | | | | | -----------------------------------------------------------------------
a) Alleenstaanden
II/726 Alle toeslagen op de belastingvrije som waarop de belastingplichtige recht heeft, worden samengeteld met het basisbedrag van 165.000 F en het resultaat van die samentelling vormt de belastingvrije som, d.w.z. het gedeelte van het inkomen van de belastingplichtige waarop hij geen belasting moet betalen (zie ook nrs. II/730 tot 735 voor de eigenlijke berekening van de belasting).
b) Echtgenoten
II/727 Na aanrekening van het basisbedrag van de belastingvrije som op de wijze als is uiteengezet in de nrs. II/678 tot 680, worden alle toeslagen waarop gehuwde belastingplichtigen aanspraak kunnen hebben (in de praktijk zijn het de toeslagen waarvan sprake is in de nrs. 1 art. 2, b, van de hervormingswet beoogde grondslag, d.w.z. de grondslag waarin zowel de onroerende, de roerende en de diverse inkomsten van beide echtgenoten als de beroepsinkomsten van de echtgenoot met het hoogste beroepsinkomen zijn begrepen (eenvoudigheidshalve wordt die grondslag het "resterend gezinsinkomen" genoemd).
Dit geldt eveneens wanneer het resterend gezinsinkomen uiteindelijk, inzonderheid wegens de aftrek van de van het totale netto-inkomen aftrekbare bedragen, lager blijkt te zijn dan de in art. 2, a, van de hervormingswet beoogde grondslag, waarin slechts de beroepsinkomsten van de echtgenoot met het laagste beroepsinkomen (verder afgezonderd beroepsinkomen genoemd) begrepen zijn.
Alleen wanneer het resterend gezinsinkomen onvoldoende groot is om de totale belastingvrije som aan te rekenen, wordt het saldo op het "afgezonderde beroepsinkomen" aangerekend.
Voor de eigenlijke berekening van de belasting wordt verwezen naar de nrs. II/730 tot 736.
Voorbeelden
Voorbeeld 1 II/728 Afgezonderd beroepsinkomen : 400.000 F Resterend gezinsinkomen : 700.000 F Kinderen ten laste : 2 (7 en 9 jaar oud). Aanrekening van de belastingvrije sommen :
Voorbeeld 2 II/729 Afgezonderd beroepsinkomen : 320.000 F Resterend gezinsinkomen : 430.000 F Kinderen ten laste : 3 (6, 4 en 1 jaar), van wie het jongste zwaar gehandicapt is (er zijn geen uitgaven voor kinderopvang afgetrokken). Aanrekening van de belastingvrije sommen : a) op het resterend gezinsinkomen : - basisbedrag : 130.000 F - toeslagen : - voor 4 kinderen ten laste : 327.500 F - voor 2 kinderen jonger dan 3 jaar : 20.000 F - totaal : 477.500 F te beperken tot het bedrag van het resterend gezinsinkomen, zijnde 430.000 F; b) op het afgezonderde beroepsinkomen : - basisbedrag : 130.000 F - saldo van de toeslagen : 477.500 - 430.000 = 47.500 F - totaal : 177.500 F IV. BEREKENING VAN DE BELASTING A. Tarief
1. Algemeen
II/730 Alle vroegere belastingtarieven worden opgeheven en vervangen door één enkele tariefstructuur die nog slechts 7 inkomstenschijven bevat.
2. Schaal
II/731 Art. 7, § 1, van de hervormingswet bepaalt de belasting op :
25 pct. voor de inkomstenschijf van 1 frank tot 230.000 frank;
30 pct. voor de schijf van 230.000 frank tot 305.000 frank;
40 pct. voor de schijf van 305.000 frank tot 435.000 frank;
45 pct. voor de schijf van 435.000 frank tot 1.000.000 frank;
50 pct. voor de schijf van 1.000.000 frank tot 1.500.000 frank;
52,5 pct. voor de schijf van 1.500.000 frank tot 2.200.000 frank;
55 pct. voor de schijf boven 2.200.000 frank.
Zoals kan worden opgemerkt :
De aldus berekende belasting wordt verder "basisbelasting" genoemd.
3. Praktische tabel
II/732 Onderstaande tabel maakt het mogelijk de verschuldigde basisbelasting vlugger te berekenen. --------------------------------------------------- | Inkomen | Belasting | Tarief boven de | | | | inkomstenschijf | |-------------|----------------|------------------| | 0 - 230.000 | 25 pct. | - | |-------------|----------------|------------------| | 230.000 | 57.500 | 30 pct. | |-------------|----------------|------------------| | 305.000 | 80.000 | 40 pct. | |-------------|----------------|------------------| | 435.000 | 132.000 | 45 pct. | |-------------|----------------|------------------| | 1.000.000 | 386.250 | 50 pct. | |-------------|----------------|------------------| | 1.500.000 | 636.250 | 52,5 pct. | |-------------|----------------|------------------| | 2.200.000 | 1.003.750 | 55 pct. | |-------------|----------------|------------------| B. Aanrekening van de belastingvrije som 1. Algemeen
II/733 Krachtens art. 7, § 2, van de hervormingswet wordt de belastingvrije som aangerekend op de opeenvolgende tariefschijven, te beginnen met de eerste (d.w.z. de laagste). Als deze opgebruikt is, gebeurt de aanrekening vervolgens op de 2e schijf, na uitputting van de 2e schijf, op de 3e, enz.
De belasting die aldus met de belastingvrije som overeenstemt wordt vervolgens van de basisbelasting afgetrokken om tot de "om te slane belasting" te komen (zie nrs. II/737 en volgende).
2. Praktische toepassing
II/734 De eenvoudigste manier om de om te slane belasting volgens de nieuwe structuur te berekenen bestaat erin, aan de hand van de in nr. II/732 opgegeven tabel het bedrag van de belasting te berekenen die zou verschuldigd zijn eensdeels op het totale inkomen (of op het resterend gezinsinkomen en het afgezonderde beroepsinkomen, wat echtgenoten betreft) en anderdeels op de belastingvrije som en daarna gewoon het verschil tussen beide resultaten te maken.
Indien de belastingvrije som gelijk is aan of meer bedraagt dan het in aanmerking te nemen inkomen, is op dat inkomen geen belasting verschuldigd, zodat verdere berekeningen dan overbodig zijn.
Als de belastingvrije som alleen is samengesteld uit het basisbedrag en de gewone toeslag voor kinderen ten laste, kan de ermede overeenstemmende belasting gemakkelijk van de hiernavolgende tabel worden afgelezen.
--------------------------------------------------------------------- | Aantal | Alleenstaande | Echtgenoot met het | | kinderen | | hoogste beroepsinkomen | | ten laste |----------------------------|---------------------------| | | Belastingvrije | Belasting | Belastingvrije | Belasting| | | som | | som | | |-----------|----------------|-----------|----------------|----------| | - | 165.000 | 41.250 | 130.000 | 32.500 | |-----------|----------------|-----------|----------------|----------| | 1 | 200.000 | 50.000 | 165.000 | 41.250 | |-----------|----------------|-----------|----------------|----------| | 2 | 255.000 | 65.000 | 220.000 | 55.000 | |-----------|----------------|-----------|----------------|----------| | 3 | 367.500 | 105.000 | 332.500 | 91.000 | |-----------|----------------|-----------|----------------|----------| | 4 | 492.500 | 157.875 | 457.500 | 142.125 | |-----------|----------------|-----------|----------------|----------| | 5 | 617.500 | 214.125 | 582.500 | 198.375 | |-----------|----------------|-----------|----------------|----------| | 6 | 742.500 | 270.375 | 707.500 | 254.625 | |-----------|----------------|-----------|----------------|----------| (Voor de andere echtgenoot bedraagt de belastingvrije som 130.000 F (indien het beroepsinkomen ten minste 130.000 F bedraagt); de ermede overeenstemmende belasting bedraagt dus steeds 32.500 F.) Een uitgebreidere tabel is als bijlage toegevoegd; in die tabel zijn alle mogelijkheden opgenomen inzake de belastingvrije som van alleenstaanden of gezinnen die niet meer dan 5 kinderen ten laste hebben maximaal 3 maal de toeslag van 35.000 F (wegens één of meer van de in II/725, nrs. 3 tot 6, aangehaalde situaties) genieten.
3. Voorbeelden
Voorbeeld 1 II/735 Weduwe met 2 kinderen ten laste (4 en 6 jaar). Gezamenlijk belastbaar inkomen : 683.572 F Belastingvrije som : - basisbedrag : 165.000 F - toeslagen : - voor 2 kinderen ten laste : 90.000 F - voor weduwe met kinderlast : 35.000 F - totaal : 290.000 F Berekening van de belasting a) belasting op 683.572 F : 132.000 + (683.572 - 435.000) x 45 pct. = 243.857 F b) belasting op 290.000 F : 57.500 + (290.000 - 230.000) x 30 pct. = 75.500 F c) verschil (= om te slane belasting) : 168.357 F Voorbeeld 2 II/736 Echtpaar met 3 kinderen ten laste (5, 7 en 9 jaar). Afgezonderd beroepsinkomen : 406.328 F Belastingvrije som : 130.000 F Resterend gezinsinkomen : 1.123.786 F Belastingvrije som : - basisbedrag : 130.000 F - toeslag voor 3 kinderen ten laste : 202.500 F - totaal : 332.500 F Berekening van de belasting a) Afgezonderd beroepsinkomen. - belasting op 406.328 F : 80.000 + (406.328 - 305.000) x 40 pct. = 120.531 F - belasting op 130.000 F : 130.000 x 25 pct. - 32.500 F - verschil : 88.031 F b) Resterend gezinsinkomen. - belasting op 1.123.786 F: 386.250 + (1.123.786 - 1.000.000) x 50 pct. = 448.143 F - belasting op 332.500 F : 80.000 + (332.500 - 305.000) x 40 pct. = - 91.000 F -------------- - verschil : 357.143 F c) Om te slane belasting : 88.031 + 357. 143 = 445.174 C. Omslag van de belasting 1. Algemeen
II/737 Met het oog op de berekening van de verminderingen voor pensioenen, vervangingsinkomsten, brugpensioenen, werkloosheidsuitkeringen en wettelijke vergoedingen inzake ziekte- en invaliditeitsverzekering, de verminderingen voor inkomsten van buitenlandse oorsprong, de beperkingen inzake verrekening van niet terugbetaalbare voorheffingen en de belastingvermeerdering wegens onvoldoende voorafbetalingen, moet de belasting over de diverse bestanddelen van het inkomen worden omgeslagen.
II/738 Bij alleenstaanden geschiedt de omslag zoals voorheen proportioneel op basis van het totale gezamenlijk belastbare netto- inkomen.
II/739 Om bij echtgenoten evenwel rekening te houden enerzijds met het feit dat in de regel twee aanslagbasissen moeten worden vastgesteld (zie nr. II/656) en anderzijds met het feit dat niet alle van het totale netto-inkomen aftrekbare uitgaven proportioneel onder de echtgenoten mogen worden verdeeld (zie nrs. II/585 tot 599), moet het totale bedrag van de op de twee aanslagbasissen verschuldigde belasting (= om te slane belasting) vooreerst proportioneel over die twee basissen worden omgeslagen; de beide resultaten worden vervolgens elk afzonderlijk op de gebruikelijke wijze (proportioneel) over de diverse bestanddelen van de overeenstemmende aanslagbasis omgeslagen op grond van het totale in die aanslagbasis begrepen gezamenlijk belastbare netto-inkomen.
2. Om te slane belasting
a) Alleenstaanden
II/740 De om te slane belasting is gelijk aan het verschil tussen de basisbelasting en de belasting op de belastingvrije som.
In het voorbeeld sub nr. II/735 bedraagt de om te slane belasting dus 168.357 F, nl. 243.857 F (basisbelasting) - 75.500 F (belasting op de belastingvrije som van 290.000 F).
b) Echtgenoten
II/741 De om te slane belasting is gelijk aan de totale op het gezinsinkomen verschuldigde belasting. Die belasting wordt verkregen door de twee basisbelastingen (respectievelijk berekend op het afgezonderde beroepsinkomen en op het resterend gezinsinkomen) te verminderen met de belasting op de respectieve belasting op de respectieve belastingvrije sommen en door de verschillen vervolgens samen te tellen.
II/742 Alhoewel er in de regel twee aanslagbasissen zijn waarop een belasting wordt berekend, mag niet worden gesteld dat de op de ene basis berekende belasting die is welke door de ene echtgenoot verschuldigd is en de op de andere basis berekende belasting die is van de andere echtgenoot. Men mag immers niet uit het oog verliezen dat het resterend gezinsinkomen in voorkomend geval ook alle onroerende, roerende en diverse inkomsten van het gezin bevat en dat de toeslagen op de belastingvrije som normaal slechts op één aanslagbasis worden toegerekend niettegenstaande beide echtgenoten in principe aan de voorwaarden voldoen die het recht op een dergelijke toeslag (BV inzake kinderen ten laste) openen.
Daarom moet het totaal van de afzonderlijk vast gestelde belastingen (= om te slane belasting) als één gezinsbelasting worden beschouwd en het is die gezinsbelasting, die vervolgens evenredig moet worden omgeslagen om uit te maken welk gedeelte van de belasting op elk bestanddeel van het inkomen betrekking heeft.
Voorbeeld II/743 Echtpaar met drie kinderen ten laste (van meer dan 3 jaar). K.I. verhuurde woning : 40.000 F Nettobezoldiging van de man : 400.000 F Nettobezoldiging van de vrouw : 380.000 F Afgezonderd beroepsinkomen : 380.000 F Belastingvrije som : 130.000 F Resterend gezinsinkomen : 440.000 F Belastingvrije som : - basisbedrag : 130.000 F - toeslag voor 3 kinderen ten laste 202.500 F ------------- - totaal : 332.500 F Berekening van de belasting a) Afgezonderd beroepsinkomen : - basisbelasting op 380.000 F : 80.000 + (380.000 - 305.000) x 40 pct. = 110.000 F - belasting op 130.000 F : 130.000 x 25 pct. = - 32.500 F ------------- - verschil : 77.500 F b) Resterend gezinsinkomen : - basisbelasting op 440.000 F : 132.000 + (440.000 - 435.000) x 45 pct. = 134.250 F - belasting op 332.500 F : 80.000 + (332.500 - 305.000) x 40 pct. = - 91.000 F -------------- - verschil : 43.250 F c) Om te slane belasting : 77.500 + 43.250 = 120.750 F Gedeelte van de op te slane belasting dat betrekking heeft op : - het afgezonderd beroepsinkomen : 380.000 120.750 x ---------- = 55.957 F 820.000 (380.000 + 440.000 = 820.000) - het resterend gezinsinkomen : 440.000 120.750 x ------------ = 64.793 820.000 ( 380.000 + 440.000 = 820.000) Voor de verdere berekening van de belasting (vermindering voor pensioenen, vermindering voor buitenlandse inkomsten, enz.) moet dus worden uitgegaan van de vaststelling dat de belasting op het afgezonderd beroepsinkomen 55.957 F bedraagt (en niet aan 77.500 F) en de belasting op het resterend gezinsinkomen 64.793 F bedraagt (en niet aan 43.250 F). 3. Berekeningsregels
a) Alleenstaanden
II/744 De omslag van de belasting heeft ten opzichte van vroeger geen wijzigingen ondergaan.
Voor meer details dienaangaande wordt dan ook verwezen naar de nrs. 90 tot 93 en 95 tot 97 van de circ. Ci.RH.331/403.252 van 31.5.1989 (voorlichting omtrent de berekening van de aanslagen in de PB over het aj. 1989).
b) Echtgenoten
II/745 De omslag van de belasting gebeurt in twee stadia. Eerst wordt de om te slane belasting evenredig verdeeld over het afgezonderde beroepsinkomen en het resterend gezinsinkomen.
Daarbij worde aangestipt dat onder "afgezonderd beroepsinkomen" moet worden verstaan het (netto)beroepsinkomen van de echtgenoot met het laagste beroepsinkomen, verminderd met het gedeelte van de gemeenschappelijke uitgaven (zie nrs; II/588 en 589) en met de personaliseerbare uitgaven (zie nrs. II/590 tot 594) die daarvan aftrekbaar zijn, terwijl onder "resterend gezinsinkomen" moet worden verstaan de som van het (netto)beroepsinkomen van de echtgenoot met het hoogste beroepsinkomen en het netto-inkomen van onroerende, roerende en diverse aard van het gezin, min het gedeelte van de gemeenschappelijke uitgaven en de personaliseerbare uitgaven die van die som mogen worden afgetrokken.
Vervolgens moet het gedeelte van de om te slane belasting dat op het afgezonderd beroepsinkomen betrekking heeft, volgens de gewone regels proportioneel worden omgeslagen over de soorten netto-inkomsten van dat afgezonderd beroepsinkomen, terwijl het gedeelte van om te slane belasting dat op het resterend gezinsinkomen betrekking heeft eveneens volgens de gewone regels (d.w.z. proportioneel) over de bestanddelen van dat inkomen moet worden omgeslagen.
Met betrekking tot die tweede fase gelden dezelfde regels en principes als die waarnaar wordt verwezen in nr. II/744, tweede lid, hierboven.
Opmerkingen
II/746 1. Wanneer zowel het resterend gezinsinkomen als het afgezonderd beroepsinkomen slechts één enkel netto-inkomen bevatten, is de tweede fase van de omdeling uiteraard overbodig.
2. Indien de van het totale netto-inkomen aftrekbare uitgaven zowel voor de man als voor de vrouw uitsluitend uit gemeenschappelijke uitgaven bestaan (zie nrs. II/588 en 589), mag de belasting ook worden omgeslagen volgens de regels die voor ajren; 1989 en vorige van toepassing waren; dit betekent dat de om te slane belasting alsdan rechtstreeks over het totale netto-inkomen van beide echtgenoten samen mag worden omgeslagen (zie voorbeeld in nr. II/748).
3. Wanneer er slechts één aanslagbasis voorhanden is, hetzij omdat geen van de echtgenoten beroepsinkomsten heeft, hetzij omdat één basis volledig door een beroepsverlies is opgeslorpt, geschiedt de omslag van de belasting uiteraard op dezelfde wijze als bij alleenstaanden.
Dit geldt evenwel niet wanneer één van beide aanslagbasissen tot nul wordt teruggebracht ingevolge de aftrek van personaliseerbare uitgaven (zie nrs. II/590 tot 594); alsdan gelden de omslagregels waarvan sprake is in nr. II/745.
Voorbeeld 1 II/747 Echtpaar met 3 kinderen ten laste (ouder dan 3 jaar) K.I. verhuurde woning : 50.000 F. Aftrekbare giften : 9.140 F. Pensioensparen (man) : 20.000 F. Vaststelling van de nettoberoepsinkomsten Man Vrouw Bezoldigingen Ziekte- Pensioen uitkeringen Beroepsinkomsten (na aftrek van de beroeps- kosten) : 600.000 F 200.000 F 120.000 F Aftrekbare levens- verzekeringspremie (man : 40.000 F; vrouw : 16.000 F) : - 40.000 F - 10.000 F - 6.000 F --------------- ------------ ------------- Nettoberoepsinkomsten : 560.000 F 190.000 F 114.000 F 304.000 F Vaststelling van de aanslagbasissen Nettoberoepsinkomen : - bezoldigingen : 560.000 F - ziekte-uitkeringen : 190.000 F - pensioen : 114.000 F Netto-inkomen uit onroerende goederen : 50.000 F -------------- ------------- Totaal netto-inkomen : 610.000 F 304.000 F Aftrekbare uitgaven : - giften (9.140 F) : - 6.100 F - 3.040 F - pensioensparen (man) - 20.000 F --------------- -------------- Resterend gezinsinkomen : 583.900 F Afgezonderd beroepsinkomen : 300.960 F Berekening van de belasting a) Afgezonderd beroepsinkomen : - basisbelasting op 300.960 F : 57.500 + (300.960 - 230.000) x 30 pct. = 78.788 F - belasting op 130.000 F : 130.000 x 25 pct. = - 32.500 F ---------------- - verschil : 46.288 F b) Resterend gezinsinkomen : - basisbelasting op 583.900 F : 132.000 + (583.900 - 435.000) x 45 pct. = 199.005 F - belasting op 332.500 F (130.000 + 202.500) : 80.000 + (332.500 - 305.000) x pct. = - 91.000 F ------------------ - verschil : 108.005 F c) Om te slane belasting
1e fase Gedeelte met betrekking tot : - het afgezonderd beroepsinkomen : 300.960 154.293 x ---------- = 52.478 F 884.860 (300.960 + 583.900) - het resterend gezinsinkomen : 583.900 154.293 x ----------- = 101.815 F 884.860 ------------------ Totaal : 154.293 F
2e fase Gedeelte met betrekking tot : - het onroerend inkomen : 50.000 101.815 x ------------ = 8.345 F 610.000 - de bezoldigingen : 560.000 101.815 x ----------- = 93.470 F 610.000 - de ziekte-uitkeringen : 190.000 52.478 x ------------ = 32.799 F 304.000 - het pensioen : 114.000 52.478 x ----------- = 19.679 F 304.000 ---------------- Totaal : 154.293 F
Besluit :
Om uit te maken of de verminderingen voor wettelijke ziekte- en invaliditeitsuitkeringen en voor pensioenen tot het bedrag van de belasting op die inkomsten moeten worden beperkt, moeten die verminderingen worden vergeleken met respectievelijk 32.799 F en 19.679 F Voorbeeld 2 II/748 Echtpaar zonder kinderlast. Beroepsinkomen (na aftrek van de beroepskosten) : - man (inkomsten van Belgische oorsprong) : - winst : 1.000.000 F - bezoldigingen ven bestuurder : 100.000 F - pensioen : 80.000 F - vrouw (inkomsten van buitenlandse oorsprong die bij overeenkomst in België zijn vrijgesteld) : - bezoldigingen : 800.000 F Betaalde levensverzekeringspremies : - man : 59.000 F - vrouw : 40.000 F Giften : 10.000 F Onderhoudsuitkeringen aan hun zoon : 240.000 F Vaststelling van het nettoberoepsinkomen winst Man Vrouw bez. best. pensioen buitenl; bezold. 1.000.000 F 100.000 F 80.000 F 800.000 F Levensverzeke- ringspremie : - 50.000 F - 5.000 F -4.000 F -40.000 F -------------- ---------- ---------- ------------ Nettoberoeps- inkomen : 950.000 F 95.000 F 76.000 F 760.000 F | ----------------------------------| = 1.121.000 F Vaststelling van de aanslagbasissen Nettoberoepsinkomen : - winst : 950.000 F - bezoldigingen van bestuurder : 95.000 F - pensioen : 76.000 F - buitenlandse bezoldigingen : 760.000 F -------------- ------------ Totaal netto-inkomen : 1.121.000 F 760.000 F Aftrekbare uitgaven : - giften (10.000 F) : - 5.960 F - 4.040 F - onderhoudsuitkeringen (240.000 x 80 pct. = 192.000 F) : - 114.0424 F - 77.576 F ----------------- --------------- Resterend gezinsinkomen : 1.000.616 F Afgezonderd beroepsinkomen : 678.384 F Berekening van de belasting a) Afgezonderd beroepsinkomen : - basisbelasting op 678.384 F : 132.000 + (678.384 - 435.000) x 45 pct. = 241.523 F - belasting op 130.000 F : 130.000 x 25 pct. = - 32.500 F -------------- - verschil : 209.023 F b) Resterend gezinsinkomen : - basisbelasting op 1.000.616 F : 386.250 + (1.000.616 - 1.000.000 ) x 50 pct. = 386.558 F - belasting op 130.000 F : 130.000 x 25 pct. = - 32.500 F -------------- - verschil : 354.058 F c) Om te slane belasting : 209.023 + 354.058 = 563.081 F Omslag van de belasting 1e fase Gedeelte met betrekking tot : - het afgezonderd beroepsinkomen : 678.384 563.081 x --------------- = 227.508 F 1.679.000 (678.384 + 1.000.616 = 1.679.000) - het resterend gezinsinkomen : 1.000.616 563.081 x ----------- = 335.573 F 1.679.000 --------------- Totaal : 563.081 F 2e fase Gedeelte met betrekking tot : - de winst : 950.000 335.573 x ---------------- = 284.384 F 1.121.000 - de bezoldigingen van bestuurder : 95.000 335.573 x ----------- = 28.438 F 1.121.000 - het pensioen : 76.000 335.573 x ----------- = 22.751 F 1.121.000 - de buitenlandse bezoldigingen : 760.000 227.508 x ----------- = 227.508 F 760.000 --------------- Totaal : 563.081 F Besluit
Gedeelte met betrekking tot : - de winst : 950.000 563.081 x ---------- = 284.384 F 1.881.000 (1.121.000 + 760.000 = 1.881.000) - de bezoldigingen van bestuurder : 95.000 563.081 x ----------- = 28.438 F 1.881.000 - pensioen : 76.000 563.081 x --------- = 22.751 F 1.881.000 - de buitenlandse bezoldigingen : 760.000 563.081 x ----------- = 227.508 F 1.881.000 Men stelt vast dat de resultaten identiek zijn. V. VERMINDERING VOOR JONGE GEZINNEN II/749 De in art. 87, WIB vermelde vermindering voor jonge gezinnen is zonder meer opgeheven door art. 35, § 1, 21°, van de hervormingswet.
VI. VERMINDERING VOOR LEVENSVERZEKERING
II/750 De in art. 87bis, WIB vermelde vermindering voor levensverzekering is opgeheven door art. 35, § 1, 22°, van de hervormingswet.
Deze opheffing gaat evenwel gepaard met de optrekking van de maximumgrens inzake aftrekbare levensverzekeringspremies en kapitaalaflossingen van 45.000 F naar 60.000 F (art. 13, § 2, a, hervormingswet).
VII. OPGEHEVEN BEPALINGEN
II/750.1 Naast de in nrs. II/749 en 750 aangehaalde bepalingen zijn ook de volgende wettelijke bepalingen opgeheven :
II/750.2 De in nrs. II/671 tot 750.1 besproken wijzigingen treden in werking met ingang van het aj. 1990, behalve de in de nrs. II/684 tot 689 besproken maatregel met betrekking tot de tenlasteneming van overleden kinderen, die reeds met ingang van het aj. 1989 van toepassing is (cf. art. 39, eerste lid, 1° en 2°, hervormingswet).
---------------------------------------------------------- | TABEL | | van de belastingvrije sommen en de ermede | | overeenstemmende belasting | |---------------------------------------------------------| | Belastingvrije | Belasting | Belastingvrije | Belasting | | som | | som | | |----------------|-----------|----------------|-----------| | 130.000 | 32.500 | 385.000 | 112.000 | | 165.000 | 41.250 | 387.500 | 113.000 | | 175.000 | 43.750 | 395.000 | 116.000 | | 200.000 | 50.000 | 397.500 | 117.000 | | 210.000 | 52.500 | 400.000 | 118.000 | | 220.000 | 55.000 | 402.500 | 119.000 | | 230.000 | 57.500 | 405.000 | 120.000 | | 235.000 | 59.000 | 410.000 | 122.000 | | 240.000 | 60.500 | 412.500 | 123.000 | | 245.000 | 62.000 | 420.000 | 126.000 | | 255.000 | 65.000 | 422.500 | 127.000 | | 260.000 | 66.500 | 430.000 | 130.000 | | 265.000 | 68.000 | 432.500 | 131.000 | | 270.000 | 69.500 | 437.500 | 133.125 | | 275.000 | 71.000 | 440.000 | 134.250 | | 280.000 | 72.500 | 447.500 | 137.625 | | 290.000 | 75.500 | 455.000 | 141.000 | | 295.000 | 77.000 | 457.500 | 142.125 | | 300.000 | 78.500 | 462.500 | 144.375 | | 305.000 | 80.000 | 465.000 | 145.500 | | 310.000 | 82.000 | 467.500 | 146.625 | | 315.000 | 84.000 | 472.500 | 148.875 | | 325.000 | 88.000 | 475.000 | 150.000 | | 330.000 | 90.000 | 477.500 | 151.125 | | 332.500 | 91.000 | 482.500 | 153.375 | | 335.000 | 92.000 | 487.500 | 155.625 | | 340.000 | 94.000 | 492.500 | 157.875 | | 342.500 | 95.000 | 497.500 | 160.125 | | 345.000 | 96.000 | 502.500 | 162.375 | | 350.000 | 98.000 | 507.500 | 164.625 | | 352.500 | 99.000 | 512.500 | 166.875 | | 360.000 | 102.000 | 517.500 | 169.125 | | 362.500 | 103.000 | 522.500 | 171.375 | | 365.000 | 104.000 | 527.500 | 173.625 | | 367.500 | 105.000 | 532.500 | 175.875 | | 370.000 | 106.000 | 537.500 | 178.125 | | 375.000 | 108.000 | 542.500 | 180.375 | | 377.500 | 109.000 | 547.500 | 182.625 | | 380.000 | 110.000 | 552.500 | 184.875 | |----------------|-----------|----------------|-----------| In deze tabel zijn alle mogelijkheden opgenomen die zich kunnen voordoen bij belastingplichtigen die niet meer dan 5 kinderen ten laste hebben en ten hoogste 3 maal de toeslag van 35.000 F genieten. Bijlage
--------------------------------------------------------- | Belastingvrije | Belasting | Belastingvrije | Belasting | | som | | som | | |----------------|-----------|----------------|-----------| | 557.500 | 187.125 | 707.500 | 254.625 | | 562.500 | 189.375 | 712.500 | 256.875 | | 567.500 | 191.625 | 717.500 | 259.125 | | 572.500 | 193.875 | 722.500 | 261.375 | | 577.500 | 196.125 | 727.500 | 263.625 | | 582.500 | 198.375 | 732.500 | 265.875 | | 587.500 | 200.625 | 737.500 | 268.125 | | 592.500 | 202.875 | 742.500 | 270.375 | | 597.500 | 205.125 | 747.500 | 272.625 | | 602.500 | 207.375 | 752.500 | 274.875 | | 607.500 | 209.625 | 757.500 | 277.125 | | 612.500 | 211.875 | 762.500 | 279.375 | | 617.500 | 214.125 | 767.500 | 281.625 | | 622.500 | 216.375 | 772.500 | 283.875 | | 627.500 | 218.625 | 777.500 | 286.125 | | 632.500 | 220.875 | 782.500 | 288.375 | | 637.500 | 223.125 | 787.500 | 290.625 | | 642.500 | 225.375 | 792.500 | 292.875 | | 647.500 | 227.625 | 797.500 | 295.125 | | 652.500 | 229.875 | 802.500 | 297.375 | | 657.500 | 232.125 | 812.500 | 301.875 | | 662.500 | 234.375 | 817.500 | 304.125 | | 667.500 | 236.625 | 822.500 | 306.375 | | 672.500 | 238.875 | 827.500 | 308.625 | | 677.500 | 241.125 | 832.500 | 310.875 | | 682.500 | 243.375 | 837.500 | 313.125 | | 687.500 | 245.625 | 847.500 | 317.625 | | 692.500 | 247.875 | 857.500 | 322.125 | | 697.500 | 250.125 | 867.500 | 326.625 | | 702.500 | 252.375 | | | |----------------|-----------|----------------|-----------|
Circulaire nr. Ci.D.19/402.192 dd. 10.10.1990 (24e afl.)
Bull. nr. 699, pag. 2979
AANSLAG PB
Berekening.
HERVORMINGSWET 1988
Belastingvrije som.
VERMINDERING VOOR JONGE GEZINNEN
Afschaffing.
VERMINDERING VOOR LEVENSVERZEKERING
Afschaffing.
Commentaar op art. 6, §§ 1 tot 4, art. 7 en art. 35, § 1, 14° tot 22° en § 2, W. 07.12.1988 houdende hervorming van de inkomstenbelasting en wijziging van de met het zegel gelijkgestelde taksen :
- belastingvrije som;
- berekening van de belasting;
- afschaffing van de verminderingen voor jonge gezinnen en voor levensverzekering.
INHOUDSTABEL
I. WETTEKSTEN
| Art. | 6 |
| Art. | 7 |
| Art. | 35 |
| Art. | 39 |
II/672 De bepalingen van art. 6, §§ 1 tot 4, van de hervormingswet vervangen grotendeels de thans afgeschafte bepalingen met betrekking tot het belastingvrije minimuminkomen en de verminderingen voor gezinslasten.
In de plaats daarvan komt nu een belastingvrije som die wordt aangerekend op de onderste inkomstenschijven (art. 7, § 2, hervormingswet).
II/673 Voor de toekenning van het basisbedrag van die belastingvrije som (voorheen het belastingvrije minimuminkomen) wordt voortaan onderscheid gemaakt tussen een alleenstaande en echtgenoten.
II/674 Toeslagen bij die belastingvrije som worden in dezelfde omstandigheden toegekend als voorheen de verminderingen voor gezinslasten.
Daarbij past het echter aan te stippen :
- dat een overleden kind nog geacht wordt deel uit te maken van het gezin van de belastingplichtige op 1 januari van het aanslagjaar dat volgt op het jaar van zijn overlijden, op voorwaarde dat het reeds voor het vorige aanslagjaar te zijnen laste was of tijdens het belastbare tijdperk geboren en overleden is (in tegenstelling tot de meeste bepalingen van de hervormingswet is die bepaling reeds van toepassing met ingang van het aj. 1989 - cf. art. 39, eerste lid, 2°, hervormingswet);
- dat een andere overleden persoon ten laste eveneens geacht wordt deel uit te maken van het gezin van de belastingplichtige op 1 januari van het aanslagjaar dat op het jaar van zijn overlijden volgt, op voorwaarde evenwel dat hij reeds voor het vorige aanslagjaar ten laste was;
- ook dat een toeslag op de belastingvrije som wordt toegekend voor kinderen van minder dan 3 jaar waarvoor geen uitgaven voor kinderopvang worden afgetrokken.
III. BELASTINGVRIJE SOM
A. Basisbedrag van de belastingvrije som
1. Alleenstaande
II/676 Het basisbedrag van de belastingvrije som bedraagt voor een alleenstaande 165.000 F (art. 6, § 1, eerste lid, 1°, hervormingswet).
II/677 Onder alleenstaande moeten hier bij voortduur worden verstaan (cf. art. 1, 2°, hervormingswet) ongehuwden, weduwnaars of weduwen, uit de echt gescheiden personen, zomede gehuwden voor de periode waarin zij fiscaal als alleenstaanden moeten worden beschouwd, namelijk :
| a) | voor het jaar van huwelijk; |
| b) | voor het jaar van overlijden van één der echtgenoten |
| c) | voor het jaar van echtscheiding; |
| d) | vanaf het jaar dat volgt op het jaar waarin de feitelijke scheiding heeft plaatsgevonden (en voor zover die scheiding niet ongedaan is gemaakt); |
| e) | vanaf het jaar van scheiding van tafel en bed. |
II/678 Het basisbedrag van de belastingvrije som bedraagt voor elke echtgenoot 130.000 F (art. 6, §1, eerste lid, 2°, hervormingswet).
II/679 Echtgenoten zijn zij die niet als alleenstaande moeten worden beschouwd (cf. art. 1, 1°, hervormingswet en nr. II/660).
Zodra ten minste één van de echtgenoten beroepsinkomsten heeft, zijn er ALTIJD twee aanslagbasissen, hetzij omdat beide echtgenoten beroepsinkomsten hebben, hetzij omdat een gedeelte van het beroepsinkomen van de ene echtgenoot aan de andere wordt toegerekend (zie nr. II/660).
Daarom ook mogen de belastingvrije sommen van beide echtgenoten niet worden samengeteld en op het inkomen van één der echtgenoten worden aangerekend, maar moet op elke aanslagbasis een belastingvrije som van 130.000 F worden aangerekend.
Alleen wanneer één van beide aanslagbasissen onvoldoende hoog is (of geheel weggevallen is, BV door de aanrekening van een beroepsverlies of de aftrek van een onderhoudsuitkering) mag het saldo van de belastingvrije som van 130.000 F van de desbetreffende echtgenoot worden samengeteld met de belastingvrije som van de andere echtgenoot en op de ene overblijvende aanslagbasis worden aangerekend (cf. art. 6, § 3, hervormingswet).
Ook wanneer geen van beide echtgenoten beroepsinkomsten heeft, mag op de enige aanslagbasis (gevormd door het totaal van onroerende, roerende en diverse inkomsten van het gezin) een belastingvrije som van 2 x 130.000 F worden verleend.
Voorbeelden II/680 1. Resterend gezinsinkomen : Beroepsinkomen man : 620.000 700.000 F Onroerend inkomen : 80.000 Afgezonderd beroepsinkomen (beroepsinkomen van de vrouw) : 600.000 F Op beide aanslagbasissen wordt een belastingvrije som van 130.000 F aangerekend. 2. Resterend gezinsinkomen : 305.000 F (K.I. 60.000 F; winst van de man 245.000 F) Afgezonderd beroepsinkomen : 105.000 F (Winsttoekenning door de man aan de vrouw : 350.000 x 30 pct. = 105.000 F.) Op dit laatste inkomen kan slechts een belastingvrije som van 105.000 F worden aangerekend. Het saldo wordt samen met de andere belastingvrije som van 130.000 F op het resterend gezinsinkomen aangerekend, nl. 25.000 F (130.000 - 105.000) + 130.000 F = 155.000 F. B. Toeslagen op de belastingvrije som
| 1. | Toeslagen voor kinderen ten laste (art. 6, § 1, eerste lid, 3°, a tot e, tweede en derde lid, hervormingswet |
II/681 De verminderingen voor kinderen ten laste zijn vervangen door toeslagen op de belastingvrije som.
Zoals de verminderingen voorheen, zijn ook de toeslagen progressief en worden dus per kind groter naargelang het aantal kinderen stijgt.
Het begrip "kinderen ten laste" ondergaat geen wijzigingen ten opzichte van vroeger, behoudens dat met ingang an het aj. 1989 een tijdens het inkomstenjaar overleden kind in bepaalde gevallen nog als ten laste van de belastingplichtige kan worden beschouwd.
Ook voor de berekening van de toeslagen worden zwaar gehandicapte kinderen voor twee geteld.
b) Kinderen
II/682 Voor de toekenning van de toeslagen voor kinderen te laste mogen als kinderen van de belastingplichtige worden beschouwd :
- zijn afstammelingen en die van zijn echtgenoot (kinderen, kleinkinderen, achterkleinkinderen van beiden of van één van hen, evenals ten volle geadopteerde kinderen);
- de kinderen die hij volledig of hoofdzakelijk ten laste heeft en voor hun meerderjarigheid ten laste zijn genomen (pleegkinderen).
II/683 Ter zake blijven de bestaande regels verder van toepassing, d.w.z. dat de in nr. II/682 bedoelde kinderen slechts als ten laste van de belastingplichtige kunnen worden beschouwd, indien zij :
| 1° | op 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd deel uitmaken van zijn gezin (zie evenwel nrs. II/684 tot 689 hierna); |
| 2° | persoonlijk in het vorige jaar geen bestaansmiddelen hebben genoten die meer dan 60.000 F bedragen; |
| 3° | geen bezoldigingen hebben genoten die voor de belastingplichtige beroepskosten zijn. |
II/684 Op de in nr. II/683 sub 1° aangehaalde voorwaarde heeft de hervormingswet evenwel een uitzondering ingevoerd met betrekking tot de in de loop van het inkomstenjaar overleden kinderen.
Art. 6, § 1, derde lid, van die wet stelt immers dat een overleden kind geacht wordt deel uit te maken van het gezin van de belastingplichtige op 1 januari van het aanslagjaar dat volgt op het jaar van zijn overlijden, op voorwaarde dat het :
- ofwel reeds voor het vorige aanslagjaar te zijnen laste was;
- ofwel tijdens het belastbare tijdperk geboren en overleden is.
II/686 Tijdens het inkomstenjaar overleden (doch niet in dat jaar geboren) kinderen die het vorige aanslagjaar niet ten laste van de belastingplichtige waren omdat zij op 1 januari van dat aanslagjaar geen deel uitmaakten van zijn gezin of omdat zij tijdens het aan dat aanslagjaar verbonden inkomstenjaar nettobestaansmiddelen hadden genoten van meer dan 60.000 F of bezoldigingen hadden verkregen die voor de belastingplichtige beroepskosten waren, kunnen met betrekking tot het jaar van overlijden evenmin als te zijnen laste worden beschouwd. Het doet er daarbij niet toe dat zij i.v.m. het overlijdensjaar zelf eventueel wel aan de 2° en de 3° voorwaarde van nr. II/683 voldoen.
II/687 Tenslotte wordt de aandacht erop gevestigd dat de in nr. II/684 bedoelde afwijking alleen betrekking heeft op de eerste van in nr. II/683 gestelde voorwaarden, generlei afbreuk doet aan de beide andere in dat nr. gestelde voorwaarden.
II/688 Een overleden kind kan derhalve niet ten laste zijn als het in het jaar van overlijden bestaansmiddelen heeft gehad van meer dan 60.000 F netto of bezoldigingen heeft genoten die voor de belastingplichtige beroepskosten zijn.
II/689 Tevens wordt nogmaals herhaald dat de in de nrs. II/684 tot 688 besproken wijzigingen, reeds van toepassing is met ingang van het aj. 1989 (cf. art. 39, eerste lid, 2°, hervormingswet).
e) Verdubbeling voor handicap
II/690 Zoals voorheen worden de in nr. II/682 bedoelde kinderen, die zwaar gehandicapt zijn, voor twee geteld (art. 6, § 1, tweede lid, hervormingswet).
Onder "zwaar gehandicapte kinderen" worden diegenen verstaan die voldoen aan de begripsomschrijving waarvan sprake is in nr. II/758 (zie ook de nrs. II/759 tot 763).
De in het eerste lid aangehaalde regel geldt eveneens voor overleden kinderen die overeenkomstig het bepaalde in de nrs. II/684 tot 688 hierboven als ten laste van de belastingplichtige kunnen worden beschouwd, voor zover is aangetoond dat zij tijdens het deel van het inkomstenjaar waarin zij in leven waren voldeden aan de in het vorige lid bedoelde begripsomschrijving.
f) Bedrag van de toeslag
II/691 De toeslagen voor kinderen ten laste bedragen :
- voor één kind : 35.000 F
- voor twee kinderen : 90.000 F
- voor drie kinderen : 202.500 F
- voor vier kinderen : 327.500 F
- voor vijf kinderen en meer : 327.500 F plus 125.000 F per kind boven het vierde.
| 2. |
Toeslagen voor kinderen jonger dan 3 jaar (art. 6, § 1, eerste lid, 3°, f, tweede en derde lid, hervormingswet) |
II/692 Het betreft hier een totaal nieuwe gezinsvriendelijke maatregel, waarbij aan de belastingplichtige voor ieder kind ten laste dat op 1 januari van het aanslagjaar de leeftijd van 3 jaar niet heeft bereikt en waarvoor geen uitgaven voor opvang worden afgetrokken, op de belastingvrije som een bijkomende toeslag van 10.000 F wordt verleend.
Die toeslag wordt bij de gewone toeslagen voor kinderen ten laste gevoegd.
De regels met betrekking tot de tijdens het inkomstenjaar overleden kinderen (nrs. II/684 tot 688) en de verdubbeling voor handicap (nr. II/690) zijn ook hier van toepassing.
b) Beoogde kinderen
II/693 Het betreft hier kinderen die ten laste van de belastingplichtige zijn en op 1 januari van het aanslagjaar de leeftijd van 3 jaar niet hebben bereikt.
II/694 Voor de begrippen "kinderen" en "kinderen ten laste" wordt verwezen naar de nrs. II/682 en 683.
Daar moet evenwel nog worden aan toegevoegd dat het tijdens het inkomstenjaar overleden kind dat aan de in nr. II/684 gestelde omschrijving beantwoordt, ook voor de toekenning van die bijkomende toeslag als ten laste van de belastingplichtige wordt beschouwd.
II/695 Die bijkomende toeslag kan alleen worden verleend voor kinderen die op 1 januari van het aanslagjaar de leeftijd van 3 jaar niet hebben bereikt (of zouden hebben bereikt wat de in het tweede lid van het vorige nummer bedoelde overleden kinderen betreft).
Het tijdstip waarop de leeftijdsvoorwaarde moet worden beoordeeld, wijkt hier dus wel af van wat inzake de aftrek van kinderopvangkosten geldt (nl. de werkelijke leeftijd op het tijdstip van de opvang-zie dienaangaande nr. II/554).
c) Onverenigbaarheid
II/696 De bijkomende toeslag wordt niet verleend met betrekking tot kinderen voor wie overeenkomstig art. 15 van de hervormingswet kosten van kinderopvang worden afgetrokken (voor meer bijzonderheden over de aftrek van kinderopvangkosten wordt verwezen naar de nrs. II/538 tot 576).
Die onverenigbaarheid geldt per kind en niet per gezin; aldus kan binnen hetzelfde gezin voor een bepaald kind voor de aftrek van de opvangkosten en voor een ander kind voor de toekenning van de bijkomende toeslag op de belastingvrije som gekozen worden.
Het staat de belastingplichtige vrij voor de ene of de andere maatregel te kiezen (inzonderheid wanneer een kind slechts voor een zeer beperkte periode van het jaar door een kinderdagverblijf of een opvangouder is opgevangen), voor zover uiteraard aan de wettelijke voorwaarden van de beide maatregelen is voldaan (zie o.m. nr. II/695).
In de praktijk dient de belastingplichtige zijn keuze - voor elk aanslagjaar - kenbaar te maken bij het invullen van zijn belastingaangifte; Die keuze is trouwens niet onherroepelijk (zie nr. II/575).
d) Bedrag van de toeslag
II/697 De bijkomende toeslag bedraagt 10.000 F voor elk kind dat jonger is dan 3 jaar.
Zoals voor de toekenning van de toeslagen voor kinderen ten laste wordt een zwaar gehandicapt kind (zie nr. II/690 hierboven) van minder dan 3 jaar ook voor de toekenning van de hier bedoelde bijkomende toeslag dubbel geteld; voor dergelijk kind bedraagt die bijkomende toeslag derhalve 2 x 10.000 F.
| 3. |
Toeslagen voor andere personen ten laste dan kinderen (art. 6, § 1, eerste lid, 4° en § 2, tweede lid, hervormingswet). |
II/698 In plaats van de vroegere belastingvermindering van 4.618 F per persoon ten laste, wordt de belastingvrije som voortaan verhoogd met een toeslag van 35.000 F per persoon ten laste.
Het begrip "andere personen ten laste" ondergaat geen wijzigingen behoudens dat, met ingang van het aj. 1990, een dergelijke tijdens het inkomstenjaar overleden persoon nog geacht wordt deel uit te maken van het gezin van de belastingplichtige op 1 januari van het betreffende aanslagjaar, op voorwaarde dat hij reeds voor het vorige aanslagjaar ten laste was.
b) Andere personen ten laste
II/699 Als "andere personen ten laste" van de belastingplichtige worden aangemerkt :
- zijn ascendenten en die van zijn echtgenoot (ouders, grootouders, enz.);
- zijn zijverwanten tot en met de tweede graad en die van zijn echtgenoot (broers en zusters van beide echtgenoten);
- de personen van wie de belastingplichtige of zijn echtgenoot volledig of hoofdzakelijk ten laste waren toen zij nog kinderen waren.
II/700 Wanneer een in het eerste lid, tweede gedachtenstreep, van het vorige nummer bedoelde persoon ook kan worden aangemerkt als een "kind dat volledig of hoofdzakelijk ten laste is" van de belastingplichtige (zie de toeslag voor "kind ten laste" worden toegekend (zie nrs; II 681 tot 691) in plaats van de in re. II/705 vermelde toeslag.
c) Overleden personen ten laste
II/701 Op de voorwaarde dat een persoon slechts ten laste van de belastingplichtige kan zijn indien hij op 1 januari van het aanslagjaar deel uitmaakt van zijn gezin, heeft de hervormingswet evenwel een uitzondering ingevoerd met betrekking tot tijdens het inkomstenjaar overleden personen.
Art. 6, § 2, tweede lid, van de hervormingswet stelt immers dat de in art. 82, § 1,3° tot 5°, WIB bedoelde persoon die overleden is, geacht wordt deel uit te maken van het gezin van de belastingplichtige op 1 januari van het aanslagjaar dat volgt op het jaar van zijn overlijden, op voorwaarde dat hij reeds voor het vorige aanslagjaar ten laste was.
II/702 Die bepaling slaat dus uitsluitend op de in art. 82, § 1, 3° tot 5°, WIB bedoelde personen, d.w.z. op de "andere personen ten laste" waarvan sprake is in nr. II/699.
II/703 Daar de voormelde bepaling voor het overige gelijkluidend is aan de eerste in art. 6, § 1, derde lid, van de hervormingswet gestelde voorwaarde inzake overleden (doch niet in hetzelfde jaar geboren) kinderen, wordt voor meer bijzonderheden dienaangaande verwezen naar de in de nrs; II/686 tot 688 verstrekte commentaar, die mutatis mutandis op overleden personen ten laste van toepassing is.
II/704 Wat de inwerkingtreding van die nieuwe maatregel betreft, wordt er nog op gewezen dat de maatregel met betrekking tot overleden personen ten laste slechts ingaat vanaf het aj. 1990 (art. 39, eerste lid, 1°, hervormingswet), terwijl de maatregel met betrekking tot overleden kinderen reeds van toepassing was voor het aj. 1989 (art. 39, eerste lid, 2°, hervormingswet).
d) Bedrag van de toeslag
II/705 De toeslag voor "andere personen ten laste" bedraagt 35.000 F per persoon.
| 4. |
Toeslag voor handicap van andere personen dan kinderen (art. 6, § 2, eerste lid, 2°, hervormingswet) |
II/706 Voor zwaar gehandicapte personen (kinderen uitgezonderd) wordt eveneens een toeslag van 35.000 F op de belastingvrije som verleend.
Deze toeslag vervangt de vaste belastingvermindering van 8.000 F.
b) Handicap
II/707 De toeslag wordt slechts verleend voor zwaar gehandicapte personen.
Onder "zwaar gehandicapte personen" worden diegenen verstaan die voldoen aan de begripsomschrijving waarvan sprake is in nr. II/764.
Voor meer bijzonderheden dienaangaande wordt derhalve verwezen naar de in de daaropvolgende nummers verstrekte commentaar (zie inzonderheid de nrs. II/765 tot 782 en 786 tot 796).
c) Andere personen dan kinderen
II/708 Het betreft hier de belastingplichtige zelf, de echtgenoot en de andere personen ten laste waarvan sprake is in nr. II/699 hierboven (voor de toeslag wegens de zware handicap van kinderen wordt inzonderheid naar II/690 verwezen).
II/709 Hier zijn eveneens de overleden personen ten laste bedoeld waarvan sprake is in de nrs. II/701 tot 703, mits is aangetoond dat zij tijdens het aan hun overlijden voorafgaande deel an het inkomstenjaar aan de begripsomschrijving van zwaar gehandicapte voldeden.
II/710 Onder diezelfde voorwaarde mag de toeslag eveneens worden toegekend voor de berekening van de aanslag op naam van de nalatenschap van de overleden belastingplichtige (of van de overleden echtgenoot, die alsdan evenwel ook als een alleenstaande belastingplichtige wordt beschouwd).
d) Bedrag van de toeslag
II/711 De toeslag voor handicap van andere personen dan kinderen bedraagt 35.000 F per zwaar gehandicapte.
Wat zwaar gehandicapte personen "ten laste" betreft, worde nog opgemerkt dat de toeslag voor handicap bovenop de gewone toeslag voor "persoon ten laste" wordt verleend.
| 5. |
Toeslag voor weduwnaar, weduwe of ongehuwde ouder met kinderlast (art. 6, § 2, tweede lid, 1°, hervormingswet) |
II/712 Op voorwaarde dat zij ten minste één kind ten laste hebben, wordt op de belastingvrije som van de weduwnaar, de weduwe of de ongehuwde ouder een toeslag van 35.000 F verleend.
Die toeslag vervangt eveneens de vaste belastingvermindering van 4.618 F.
b) Begunstigden
II/713 Alhoewel de in art. 81, § 2, 2°, WIB voorkomende term "niet-gehuwde ouder" thans is vervangen door de term "ongehuwde vader of moeder", blijkt uit de voorbereidende werkzaamheden met betrekking tot de hervormingswet niet dat het de bedoeling van de wetgever is geweest een andere draagwijdte aan die bepaling te geven, doch wel de Nederlandse tekst beter in overeenstemming te brengen met de Franse.
De begunstigden zijn dus de personen die voorheen de in art. 81, § 2,2°, WIB bedoelde belastingvermindering genoten, d.w.z., op voorwaarde dat zij ten minste één kind ten laste hebben :
- de niet-hertrouwde weduwnaar;
- de niet-hertrouwde weduwe;
- de ongehuwde ouder, d.w.z. de persoon die nooit gehuwd geweest is en die ten minste één kind heeft of ten volle geadopteerd heeft;
- de uit de echt gescheiden en niet-hertrouwde persoon die ten minste één na de echtscheiding verwekt kind ten laste heeft.
c) Bedrag van de toeslag
II/715 De toeslag op de belastingvrije som bedraagt 35.000 F, ongeacht het aantal kinderen ten laste.
Die toeslag wordt bovenop de toeslagen voor kinderen ten laste verleend.
| 6. |
Toeslag voor het jaar van huwelijk (art. 6, § 2, eerste lid, 3°, hervormingswet) |
II/716 Voor het jaar van huwelijk wordt aan de belastingplichtige een toeslag van 35.000 F op de belastingvrije som verleend, op voorwaarde dat zijn echtgenoot geen nettobestaansmiddelen heeft gehad van meer dan 60.000 F.
Die toeslag vervangt de vaste belastingvermindering van 4.618 F.
b) Begunstigden
II/717 De toeslag wordt voor het jaar van huwelijk aan de (immers als alleenstaande te beschouwen) echtgenoot verleend, mits de andere echtgenoot dat jaar persoonlijk evenwel geen bestaansmiddelen heeft genoten van meer dan 60.000 F netto.
II/718 In het uitzonderlijke geval dat het huwelijk reeds in hetzelfde jaar wordt ontbonden door het overlijden van één der echtgenoten, wordt die toeslag in voorkomend geval gelijktijdig verleend met de toeslag van 95.000 F voor het jaar van overlijden van één der echtgenoten (zie nrs. II/720 tot 724 hierna).
c) Bedrag van de toeslag
II/719 De toeslag voor het jaar van huwelijk bedraagt 35.000 F.
| 7. |
Toeslag voor het jaar van overlijden van een echtgenoot (art. 6, § 2, eerste lid, 4°, hervormingswet) |
II/720 Voor het jaar van overlijden van één der echtgenoten wordt de belastingplichtige verhoogd met een toeslag van 95.000 F (Dit bedrag is in feite gelijk aan het verschil tussen de belastingvrije som van echtgenoten (2 x 130.000 F) en van een alleenstaande (165.000 F).), op voorwaarde dat de andere echtgenoot geen bestaansmiddelen heeft gehad die meer dan 60.000 F netto bedragen.
Die toeslag komt in de plaats van de vaste belastingvermindering van 4.618 F.
b) Begunstigden
II/721 De toeslag wordt aan de belastingplichtige toegekend voor het jaar waarin één van de echtgenoten overlijdt, op voorwaarde dat de andere echtgenoot tijdens dat jaar persoonlijk geen bestaansmiddelen heeft genoten van meer dan 60.000 F netto.
Zoals o.m. uit de Memorie van toelichting (Senaat, Buitengewone zitting 1988, doc. 440/1, p. 10) en de uitleg verstrekt bij de artikelsgewijze bespreking in de Commissie voor de Financiën (Senaat, Gewone zitting 1988 - 1989, doc. 440/2, p. 41) blijkt, kan die toeslag voor de aanslag op de inkomsten van de overledene (= aanslag op naam van de nalatenschap) worden toegekend wanneer de overlevende echtgenoot tijdens dat jaar niet meer dan 60.000 F nettobestaansmiddelen heeft gehad, of voor de aanslag op naam van de overlevende echtgenoot (weduwnaar of weduwe) indien de overledene tijdens dat jaar niet meer dan 60.000 F nettobestaansmiddelen heeft gehad.
II/722 Zoals reeds vermeld in de nrs. II/714 en 718, kan deze toeslag samen met de toeslag voor weduwnaars of weduwen met kinderlast en met de toeslag voor het jaar van huwelijk worden verleend.
II/723 De hier besproken toeslag wordt niet toegekend voor het jaar van echtscheiding of van scheiding van tafel en bed.
c) Bedrag van de toeslag
II/724 De toeslag die voor het jaar van overlijden van één der echtgenoten wordt verleend, bedraagt 95.000 F (zijnde het verschil tussen het basisbedrag van de belastingvrije som van beide echtgenoten enerzijds en van een alleenstaande anderzijds).
| 8. |
Schematisch overzicht van de toeslagen |
| 9. |
Aanrekening van toeslagen (art. 6, § 4, hervormingswet) |
II/726 Alle toeslagen op de belastingvrije som waarop de belastingplichtige recht heeft, worden samengeteld met het basisbedrag van 165.000 F en het resultaat van die samentelling vormt de belastingvrije som, d.w.z. het gedeelte van het inkomen van de belastingplichtige waarop hij geen belasting moet betalen (zie ook nrs. II/730 tot 735 voor de eigenlijke berekening van de belasting).
b) Echtgenoten
II/727 Na aanrekening van het basisbedrag van de belastingvrije som op de wijze als is uiteengezet in de nrs. II/678 tot 680, worden alle toeslagen waarop gehuwde belastingplichtigen aanspraak kunnen hebben (in de praktijk zijn het de toeslagen waarvan sprake is in de nrs. 1 art. 2, b, van de hervormingswet beoogde grondslag, d.w.z. de grondslag waarin zowel de onroerende, de roerende en de diverse inkomsten van beide echtgenoten als de beroepsinkomsten van de echtgenoot met het hoogste beroepsinkomen zijn begrepen (eenvoudigheidshalve wordt die grondslag het "resterend gezinsinkomen" genoemd).
Dit geldt eveneens wanneer het resterend gezinsinkomen uiteindelijk, inzonderheid wegens de aftrek van de van het totale netto-inkomen aftrekbare bedragen, lager blijkt te zijn dan de in art. 2, a, van de hervormingswet beoogde grondslag, waarin slechts de beroepsinkomsten van de echtgenoot met het laagste beroepsinkomen (verder afgezonderd beroepsinkomen genoemd) begrepen zijn.
Alleen wanneer het resterend gezinsinkomen onvoldoende groot is om de totale belastingvrije som aan te rekenen, wordt het saldo op het "afgezonderde beroepsinkomen" aangerekend.
Voor de eigenlijke berekening van de belasting wordt verwezen naar de nrs. II/730 tot 736.
Voorbeelden
Voorbeeld 1 II/728 Afgezonderd beroepsinkomen : 400.000 F Resterend gezinsinkomen : 700.000 F Kinderen ten laste : 2 (7 en 9 jaar oud). Aanrekening van de belastingvrije sommen :
| a) | op het resterend gezinsinkomen : 130.000 F (basisbedrag) + 90.000 F (toeslag voor 2 kinderen ten laste) = 220.000 F; |
| b) | op het afgezonderde beroepsinkomen : 130.000 F (basisbedrag). |
1. Algemeen
II/730 Alle vroegere belastingtarieven worden opgeheven en vervangen door één enkele tariefstructuur die nog slechts 7 inkomstenschijven bevat.
2. Schaal
II/731 Art. 7, § 1, van de hervormingswet bepaalt de belasting op :
25 pct. voor de inkomstenschijf van 1 frank tot 230.000 frank;
30 pct. voor de schijf van 230.000 frank tot 305.000 frank;
40 pct. voor de schijf van 305.000 frank tot 435.000 frank;
45 pct. voor de schijf van 435.000 frank tot 1.000.000 frank;
50 pct. voor de schijf van 1.000.000 frank tot 1.500.000 frank;
52,5 pct. voor de schijf van 1.500.000 frank tot 2.200.000 frank;
55 pct. voor de schijf boven 2.200.000 frank.
Zoals kan worden opgemerkt :
- wordt het belastingtarief voortaan in principe toegepast vanaf de eerste frank van het inkomen (zie evenwel de nrs. II/733 tot 736 hierna wat de aanrekening van de belastingvrije som betreft);
- bestaat niet langer een maximumheffing t.a.v. het totale inkomen (de afgeschafte tekst van art. 78, § 2, WIB, is niet vervangen).
De aldus berekende belasting wordt verder "basisbelasting" genoemd.
3. Praktische tabel
II/732 Onderstaande tabel maakt het mogelijk de verschuldigde basisbelasting vlugger te berekenen. --------------------------------------------------- | Inkomen | Belasting | Tarief boven de | | | | inkomstenschijf | |-------------|----------------|------------------| | 0 - 230.000 | 25 pct. | - | |-------------|----------------|------------------| | 230.000 | 57.500 | 30 pct. | |-------------|----------------|------------------| | 305.000 | 80.000 | 40 pct. | |-------------|----------------|------------------| | 435.000 | 132.000 | 45 pct. | |-------------|----------------|------------------| | 1.000.000 | 386.250 | 50 pct. | |-------------|----------------|------------------| | 1.500.000 | 636.250 | 52,5 pct. | |-------------|----------------|------------------| | 2.200.000 | 1.003.750 | 55 pct. | |-------------|----------------|------------------| B. Aanrekening van de belastingvrije som 1. Algemeen
II/733 Krachtens art. 7, § 2, van de hervormingswet wordt de belastingvrije som aangerekend op de opeenvolgende tariefschijven, te beginnen met de eerste (d.w.z. de laagste). Als deze opgebruikt is, gebeurt de aanrekening vervolgens op de 2e schijf, na uitputting van de 2e schijf, op de 3e, enz.
De belasting die aldus met de belastingvrije som overeenstemt wordt vervolgens van de basisbelasting afgetrokken om tot de "om te slane belasting" te komen (zie nrs. II/737 en volgende).
2. Praktische toepassing
II/734 De eenvoudigste manier om de om te slane belasting volgens de nieuwe structuur te berekenen bestaat erin, aan de hand van de in nr. II/732 opgegeven tabel het bedrag van de belasting te berekenen die zou verschuldigd zijn eensdeels op het totale inkomen (of op het resterend gezinsinkomen en het afgezonderde beroepsinkomen, wat echtgenoten betreft) en anderdeels op de belastingvrije som en daarna gewoon het verschil tussen beide resultaten te maken.
Indien de belastingvrije som gelijk is aan of meer bedraagt dan het in aanmerking te nemen inkomen, is op dat inkomen geen belasting verschuldigd, zodat verdere berekeningen dan overbodig zijn.
Als de belastingvrije som alleen is samengesteld uit het basisbedrag en de gewone toeslag voor kinderen ten laste, kan de ermede overeenstemmende belasting gemakkelijk van de hiernavolgende tabel worden afgelezen.
--------------------------------------------------------------------- | Aantal | Alleenstaande | Echtgenoot met het | | kinderen | | hoogste beroepsinkomen | | ten laste |----------------------------|---------------------------| | | Belastingvrije | Belasting | Belastingvrije | Belasting| | | som | | som | | |-----------|----------------|-----------|----------------|----------| | - | 165.000 | 41.250 | 130.000 | 32.500 | |-----------|----------------|-----------|----------------|----------| | 1 | 200.000 | 50.000 | 165.000 | 41.250 | |-----------|----------------|-----------|----------------|----------| | 2 | 255.000 | 65.000 | 220.000 | 55.000 | |-----------|----------------|-----------|----------------|----------| | 3 | 367.500 | 105.000 | 332.500 | 91.000 | |-----------|----------------|-----------|----------------|----------| | 4 | 492.500 | 157.875 | 457.500 | 142.125 | |-----------|----------------|-----------|----------------|----------| | 5 | 617.500 | 214.125 | 582.500 | 198.375 | |-----------|----------------|-----------|----------------|----------| | 6 | 742.500 | 270.375 | 707.500 | 254.625 | |-----------|----------------|-----------|----------------|----------| (Voor de andere echtgenoot bedraagt de belastingvrije som 130.000 F (indien het beroepsinkomen ten minste 130.000 F bedraagt); de ermede overeenstemmende belasting bedraagt dus steeds 32.500 F.) Een uitgebreidere tabel is als bijlage toegevoegd; in die tabel zijn alle mogelijkheden opgenomen inzake de belastingvrije som van alleenstaanden of gezinnen die niet meer dan 5 kinderen ten laste hebben maximaal 3 maal de toeslag van 35.000 F (wegens één of meer van de in II/725, nrs. 3 tot 6, aangehaalde situaties) genieten.
3. Voorbeelden
Voorbeeld 1 II/735 Weduwe met 2 kinderen ten laste (4 en 6 jaar). Gezamenlijk belastbaar inkomen : 683.572 F Belastingvrije som : - basisbedrag : 165.000 F - toeslagen : - voor 2 kinderen ten laste : 90.000 F - voor weduwe met kinderlast : 35.000 F - totaal : 290.000 F Berekening van de belasting a) belasting op 683.572 F : 132.000 + (683.572 - 435.000) x 45 pct. = 243.857 F b) belasting op 290.000 F : 57.500 + (290.000 - 230.000) x 30 pct. = 75.500 F c) verschil (= om te slane belasting) : 168.357 F Voorbeeld 2 II/736 Echtpaar met 3 kinderen ten laste (5, 7 en 9 jaar). Afgezonderd beroepsinkomen : 406.328 F Belastingvrije som : 130.000 F Resterend gezinsinkomen : 1.123.786 F Belastingvrije som : - basisbedrag : 130.000 F - toeslag voor 3 kinderen ten laste : 202.500 F - totaal : 332.500 F Berekening van de belasting a) Afgezonderd beroepsinkomen. - belasting op 406.328 F : 80.000 + (406.328 - 305.000) x 40 pct. = 120.531 F - belasting op 130.000 F : 130.000 x 25 pct. - 32.500 F - verschil : 88.031 F b) Resterend gezinsinkomen. - belasting op 1.123.786 F: 386.250 + (1.123.786 - 1.000.000) x 50 pct. = 448.143 F - belasting op 332.500 F : 80.000 + (332.500 - 305.000) x 40 pct. = - 91.000 F -------------- - verschil : 357.143 F c) Om te slane belasting : 88.031 + 357. 143 = 445.174 C. Omslag van de belasting 1. Algemeen
II/737 Met het oog op de berekening van de verminderingen voor pensioenen, vervangingsinkomsten, brugpensioenen, werkloosheidsuitkeringen en wettelijke vergoedingen inzake ziekte- en invaliditeitsverzekering, de verminderingen voor inkomsten van buitenlandse oorsprong, de beperkingen inzake verrekening van niet terugbetaalbare voorheffingen en de belastingvermeerdering wegens onvoldoende voorafbetalingen, moet de belasting over de diverse bestanddelen van het inkomen worden omgeslagen.
II/738 Bij alleenstaanden geschiedt de omslag zoals voorheen proportioneel op basis van het totale gezamenlijk belastbare netto- inkomen.
II/739 Om bij echtgenoten evenwel rekening te houden enerzijds met het feit dat in de regel twee aanslagbasissen moeten worden vastgesteld (zie nr. II/656) en anderzijds met het feit dat niet alle van het totale netto-inkomen aftrekbare uitgaven proportioneel onder de echtgenoten mogen worden verdeeld (zie nrs. II/585 tot 599), moet het totale bedrag van de op de twee aanslagbasissen verschuldigde belasting (= om te slane belasting) vooreerst proportioneel over die twee basissen worden omgeslagen; de beide resultaten worden vervolgens elk afzonderlijk op de gebruikelijke wijze (proportioneel) over de diverse bestanddelen van de overeenstemmende aanslagbasis omgeslagen op grond van het totale in die aanslagbasis begrepen gezamenlijk belastbare netto-inkomen.
2. Om te slane belasting
a) Alleenstaanden
II/740 De om te slane belasting is gelijk aan het verschil tussen de basisbelasting en de belasting op de belastingvrije som.
In het voorbeeld sub nr. II/735 bedraagt de om te slane belasting dus 168.357 F, nl. 243.857 F (basisbelasting) - 75.500 F (belasting op de belastingvrije som van 290.000 F).
b) Echtgenoten
II/741 De om te slane belasting is gelijk aan de totale op het gezinsinkomen verschuldigde belasting. Die belasting wordt verkregen door de twee basisbelastingen (respectievelijk berekend op het afgezonderde beroepsinkomen en op het resterend gezinsinkomen) te verminderen met de belasting op de respectieve belasting op de respectieve belastingvrije sommen en door de verschillen vervolgens samen te tellen.
II/742 Alhoewel er in de regel twee aanslagbasissen zijn waarop een belasting wordt berekend, mag niet worden gesteld dat de op de ene basis berekende belasting die is welke door de ene echtgenoot verschuldigd is en de op de andere basis berekende belasting die is van de andere echtgenoot. Men mag immers niet uit het oog verliezen dat het resterend gezinsinkomen in voorkomend geval ook alle onroerende, roerende en diverse inkomsten van het gezin bevat en dat de toeslagen op de belastingvrije som normaal slechts op één aanslagbasis worden toegerekend niettegenstaande beide echtgenoten in principe aan de voorwaarden voldoen die het recht op een dergelijke toeslag (BV inzake kinderen ten laste) openen.
Daarom moet het totaal van de afzonderlijk vast gestelde belastingen (= om te slane belasting) als één gezinsbelasting worden beschouwd en het is die gezinsbelasting, die vervolgens evenredig moet worden omgeslagen om uit te maken welk gedeelte van de belasting op elk bestanddeel van het inkomen betrekking heeft.
Voorbeeld II/743 Echtpaar met drie kinderen ten laste (van meer dan 3 jaar). K.I. verhuurde woning : 40.000 F Nettobezoldiging van de man : 400.000 F Nettobezoldiging van de vrouw : 380.000 F Afgezonderd beroepsinkomen : 380.000 F Belastingvrije som : 130.000 F Resterend gezinsinkomen : 440.000 F Belastingvrije som : - basisbedrag : 130.000 F - toeslag voor 3 kinderen ten laste 202.500 F ------------- - totaal : 332.500 F Berekening van de belasting a) Afgezonderd beroepsinkomen : - basisbelasting op 380.000 F : 80.000 + (380.000 - 305.000) x 40 pct. = 110.000 F - belasting op 130.000 F : 130.000 x 25 pct. = - 32.500 F ------------- - verschil : 77.500 F b) Resterend gezinsinkomen : - basisbelasting op 440.000 F : 132.000 + (440.000 - 435.000) x 45 pct. = 134.250 F - belasting op 332.500 F : 80.000 + (332.500 - 305.000) x 40 pct. = - 91.000 F -------------- - verschil : 43.250 F c) Om te slane belasting : 77.500 + 43.250 = 120.750 F Gedeelte van de op te slane belasting dat betrekking heeft op : - het afgezonderd beroepsinkomen : 380.000 120.750 x ---------- = 55.957 F 820.000 (380.000 + 440.000 = 820.000) - het resterend gezinsinkomen : 440.000 120.750 x ------------ = 64.793 820.000 ( 380.000 + 440.000 = 820.000) Voor de verdere berekening van de belasting (vermindering voor pensioenen, vermindering voor buitenlandse inkomsten, enz.) moet dus worden uitgegaan van de vaststelling dat de belasting op het afgezonderd beroepsinkomen 55.957 F bedraagt (en niet aan 77.500 F) en de belasting op het resterend gezinsinkomen 64.793 F bedraagt (en niet aan 43.250 F). 3. Berekeningsregels
a) Alleenstaanden
II/744 De omslag van de belasting heeft ten opzichte van vroeger geen wijzigingen ondergaan.
Voor meer details dienaangaande wordt dan ook verwezen naar de nrs. 90 tot 93 en 95 tot 97 van de circ. Ci.RH.331/403.252 van 31.5.1989 (voorlichting omtrent de berekening van de aanslagen in de PB over het aj. 1989).
b) Echtgenoten
II/745 De omslag van de belasting gebeurt in twee stadia. Eerst wordt de om te slane belasting evenredig verdeeld over het afgezonderde beroepsinkomen en het resterend gezinsinkomen.
Daarbij worde aangestipt dat onder "afgezonderd beroepsinkomen" moet worden verstaan het (netto)beroepsinkomen van de echtgenoot met het laagste beroepsinkomen, verminderd met het gedeelte van de gemeenschappelijke uitgaven (zie nrs; II/588 en 589) en met de personaliseerbare uitgaven (zie nrs. II/590 tot 594) die daarvan aftrekbaar zijn, terwijl onder "resterend gezinsinkomen" moet worden verstaan de som van het (netto)beroepsinkomen van de echtgenoot met het hoogste beroepsinkomen en het netto-inkomen van onroerende, roerende en diverse aard van het gezin, min het gedeelte van de gemeenschappelijke uitgaven en de personaliseerbare uitgaven die van die som mogen worden afgetrokken.
Vervolgens moet het gedeelte van de om te slane belasting dat op het afgezonderd beroepsinkomen betrekking heeft, volgens de gewone regels proportioneel worden omgeslagen over de soorten netto-inkomsten van dat afgezonderd beroepsinkomen, terwijl het gedeelte van om te slane belasting dat op het resterend gezinsinkomen betrekking heeft eveneens volgens de gewone regels (d.w.z. proportioneel) over de bestanddelen van dat inkomen moet worden omgeslagen.
Met betrekking tot die tweede fase gelden dezelfde regels en principes als die waarnaar wordt verwezen in nr. II/744, tweede lid, hierboven.
Opmerkingen
II/746 1. Wanneer zowel het resterend gezinsinkomen als het afgezonderd beroepsinkomen slechts één enkel netto-inkomen bevatten, is de tweede fase van de omdeling uiteraard overbodig.
2. Indien de van het totale netto-inkomen aftrekbare uitgaven zowel voor de man als voor de vrouw uitsluitend uit gemeenschappelijke uitgaven bestaan (zie nrs. II/588 en 589), mag de belasting ook worden omgeslagen volgens de regels die voor ajren; 1989 en vorige van toepassing waren; dit betekent dat de om te slane belasting alsdan rechtstreeks over het totale netto-inkomen van beide echtgenoten samen mag worden omgeslagen (zie voorbeeld in nr. II/748).
3. Wanneer er slechts één aanslagbasis voorhanden is, hetzij omdat geen van de echtgenoten beroepsinkomsten heeft, hetzij omdat één basis volledig door een beroepsverlies is opgeslorpt, geschiedt de omslag van de belasting uiteraard op dezelfde wijze als bij alleenstaanden.
Dit geldt evenwel niet wanneer één van beide aanslagbasissen tot nul wordt teruggebracht ingevolge de aftrek van personaliseerbare uitgaven (zie nrs. II/590 tot 594); alsdan gelden de omslagregels waarvan sprake is in nr. II/745.
| c) |
Voorbeelden |
Om uit te maken of de verminderingen voor wettelijke ziekte- en invaliditeitsuitkeringen en voor pensioenen tot het bedrag van de belasting op die inkomsten moeten worden beperkt, moeten die verminderingen worden vergeleken met respectievelijk 32.799 F en 19.679 F Voorbeeld 2 II/748 Echtpaar zonder kinderlast. Beroepsinkomen (na aftrek van de beroepskosten) : - man (inkomsten van Belgische oorsprong) : - winst : 1.000.000 F - bezoldigingen ven bestuurder : 100.000 F - pensioen : 80.000 F - vrouw (inkomsten van buitenlandse oorsprong die bij overeenkomst in België zijn vrijgesteld) : - bezoldigingen : 800.000 F Betaalde levensverzekeringspremies : - man : 59.000 F - vrouw : 40.000 F Giften : 10.000 F Onderhoudsuitkeringen aan hun zoon : 240.000 F Vaststelling van het nettoberoepsinkomen winst Man Vrouw bez. best. pensioen buitenl; bezold. 1.000.000 F 100.000 F 80.000 F 800.000 F Levensverzeke- ringspremie : - 50.000 F - 5.000 F -4.000 F -40.000 F -------------- ---------- ---------- ------------ Nettoberoeps- inkomen : 950.000 F 95.000 F 76.000 F 760.000 F | ----------------------------------| = 1.121.000 F Vaststelling van de aanslagbasissen Nettoberoepsinkomen : - winst : 950.000 F - bezoldigingen van bestuurder : 95.000 F - pensioen : 76.000 F - buitenlandse bezoldigingen : 760.000 F -------------- ------------ Totaal netto-inkomen : 1.121.000 F 760.000 F Aftrekbare uitgaven : - giften (10.000 F) : - 5.960 F - 4.040 F - onderhoudsuitkeringen (240.000 x 80 pct. = 192.000 F) : - 114.0424 F - 77.576 F ----------------- --------------- Resterend gezinsinkomen : 1.000.616 F Afgezonderd beroepsinkomen : 678.384 F Berekening van de belasting a) Afgezonderd beroepsinkomen : - basisbelasting op 678.384 F : 132.000 + (678.384 - 435.000) x 45 pct. = 241.523 F - belasting op 130.000 F : 130.000 x 25 pct. = - 32.500 F -------------- - verschil : 209.023 F b) Resterend gezinsinkomen : - basisbelasting op 1.000.616 F : 386.250 + (1.000.616 - 1.000.000 ) x 50 pct. = 386.558 F - belasting op 130.000 F : 130.000 x 25 pct. = - 32.500 F -------------- - verschil : 354.058 F c) Om te slane belasting : 209.023 + 354.058 = 563.081 F Omslag van de belasting 1e fase Gedeelte met betrekking tot : - het afgezonderd beroepsinkomen : 678.384 563.081 x --------------- = 227.508 F 1.679.000 (678.384 + 1.000.616 = 1.679.000) - het resterend gezinsinkomen : 1.000.616 563.081 x ----------- = 335.573 F 1.679.000 --------------- Totaal : 563.081 F 2e fase Gedeelte met betrekking tot : - de winst : 950.000 335.573 x ---------------- = 284.384 F 1.121.000 - de bezoldigingen van bestuurder : 95.000 335.573 x ----------- = 28.438 F 1.121.000 - het pensioen : 76.000 335.573 x ----------- = 22.751 F 1.121.000 - de buitenlandse bezoldigingen : 760.000 227.508 x ----------- = 227.508 F 760.000 --------------- Totaal : 563.081 F Besluit
| 1. | Voor de berekening van de belastingvermeerdering wegens gebrek aan voorafbetalingen bedraagt de belasting die geacht wordt te slaan op de aan de vermeerdering onderworpen inkomsten (zie Com.IB 89/9) 284.384 + 28.438 = 312.822 F. |
| 2. | De belastingvermindering voor pensioenen moet worden vergeleken met de op het pensioen slaande belasting van 22.751 F. |
| 3. | De vermindering voor buitenlandse inkomsten bedraagt 227.508 F. |
| 4. | Daar ter zake alleen gemeenschappelijke uitgaven van de netto- inkomsten worden afgetrokken, kan de omslag ook eenvoudiger, nl. volgens de voorheen geldende regels, geschieden. De omgeslagen belasting zou dan als volgt worden berekend. |
VI. VERMINDERING VOOR LEVENSVERZEKERING
II/750 De in art. 87bis, WIB vermelde vermindering voor levensverzekering is opgeheven door art. 35, § 1, 22°, van de hervormingswet.
Deze opheffing gaat evenwel gepaard met de optrekking van de maximumgrens inzake aftrekbare levensverzekeringspremies en kapitaalaflossingen van 45.000 F naar 60.000 F (art. 13, § 2, a, hervormingswet).
VII. OPGEHEVEN BEPALINGEN
II/750.1 Naast de in nrs. II/749 en 750 aangehaalde bepalingen zijn ook de volgende wettelijke bepalingen opgeheven :
- de art. 77 tot 79, WIB (belastingtarief en belastingvrij minimum) : art. 35, § 1, 14° tot 16°, hervormingswet;
- art. 80, WIB (vermindering voor echtgenoten) : art. 35, § 1, 17°, hervormingswet;
- art. 80bis, WIB (jaarlijkse aanpassing van het belastingtarief) : art. 35, § 1, 18°, hervormingswet;
- art. 81, WIB (vermindering voor gezinslasten) : art. 35, § 1, 19°, hervormingswet;
- art. 86, WIB (nooit toegepaste bepaling die aan de Koning de macht gaf om bepaalde bedragen te verhogen wanneer de economische omstandigheden zulks wettigden) : art. 35, § 1, 20°, hervormingswet;
- art. 2,4°, art. 3,4°, art. 4,4° en art. 5,1° d, 2°, d en 4°, c, van de W. 1.8.1985 houdende fiscale en andere bepalingen, V. 1785 - B. 642 (oorspronkelijke aanpassing voor het aj. 1990 van de bedragen die voorkomen in de thans afgeschafte art. 77 tot 80, WIB) : art. 35, § 2, hervormingswet.
II/750.2 De in nrs. II/671 tot 750.1 besproken wijzigingen treden in werking met ingang van het aj. 1990, behalve de in de nrs. II/684 tot 689 besproken maatregel met betrekking tot de tenlasteneming van overleden kinderen, die reeds met ingang van het aj. 1989 van toepassing is (cf. art. 39, eerste lid, 1° en 2°, hervormingswet).
---------------------------------------------------------- | TABEL | | van de belastingvrije sommen en de ermede | | overeenstemmende belasting | |---------------------------------------------------------| | Belastingvrije | Belasting | Belastingvrije | Belasting | | som | | som | | |----------------|-----------|----------------|-----------| | 130.000 | 32.500 | 385.000 | 112.000 | | 165.000 | 41.250 | 387.500 | 113.000 | | 175.000 | 43.750 | 395.000 | 116.000 | | 200.000 | 50.000 | 397.500 | 117.000 | | 210.000 | 52.500 | 400.000 | 118.000 | | 220.000 | 55.000 | 402.500 | 119.000 | | 230.000 | 57.500 | 405.000 | 120.000 | | 235.000 | 59.000 | 410.000 | 122.000 | | 240.000 | 60.500 | 412.500 | 123.000 | | 245.000 | 62.000 | 420.000 | 126.000 | | 255.000 | 65.000 | 422.500 | 127.000 | | 260.000 | 66.500 | 430.000 | 130.000 | | 265.000 | 68.000 | 432.500 | 131.000 | | 270.000 | 69.500 | 437.500 | 133.125 | | 275.000 | 71.000 | 440.000 | 134.250 | | 280.000 | 72.500 | 447.500 | 137.625 | | 290.000 | 75.500 | 455.000 | 141.000 | | 295.000 | 77.000 | 457.500 | 142.125 | | 300.000 | 78.500 | 462.500 | 144.375 | | 305.000 | 80.000 | 465.000 | 145.500 | | 310.000 | 82.000 | 467.500 | 146.625 | | 315.000 | 84.000 | 472.500 | 148.875 | | 325.000 | 88.000 | 475.000 | 150.000 | | 330.000 | 90.000 | 477.500 | 151.125 | | 332.500 | 91.000 | 482.500 | 153.375 | | 335.000 | 92.000 | 487.500 | 155.625 | | 340.000 | 94.000 | 492.500 | 157.875 | | 342.500 | 95.000 | 497.500 | 160.125 | | 345.000 | 96.000 | 502.500 | 162.375 | | 350.000 | 98.000 | 507.500 | 164.625 | | 352.500 | 99.000 | 512.500 | 166.875 | | 360.000 | 102.000 | 517.500 | 169.125 | | 362.500 | 103.000 | 522.500 | 171.375 | | 365.000 | 104.000 | 527.500 | 173.625 | | 367.500 | 105.000 | 532.500 | 175.875 | | 370.000 | 106.000 | 537.500 | 178.125 | | 375.000 | 108.000 | 542.500 | 180.375 | | 377.500 | 109.000 | 547.500 | 182.625 | | 380.000 | 110.000 | 552.500 | 184.875 | |----------------|-----------|----------------|-----------| In deze tabel zijn alle mogelijkheden opgenomen die zich kunnen voordoen bij belastingplichtigen die niet meer dan 5 kinderen ten laste hebben en ten hoogste 3 maal de toeslag van 35.000 F genieten. Bijlage
--------------------------------------------------------- | Belastingvrije | Belasting | Belastingvrije | Belasting | | som | | som | | |----------------|-----------|----------------|-----------| | 557.500 | 187.125 | 707.500 | 254.625 | | 562.500 | 189.375 | 712.500 | 256.875 | | 567.500 | 191.625 | 717.500 | 259.125 | | 572.500 | 193.875 | 722.500 | 261.375 | | 577.500 | 196.125 | 727.500 | 263.625 | | 582.500 | 198.375 | 732.500 | 265.875 | | 587.500 | 200.625 | 737.500 | 268.125 | | 592.500 | 202.875 | 742.500 | 270.375 | | 597.500 | 205.125 | 747.500 | 272.625 | | 602.500 | 207.375 | 752.500 | 274.875 | | 607.500 | 209.625 | 757.500 | 277.125 | | 612.500 | 211.875 | 762.500 | 279.375 | | 617.500 | 214.125 | 767.500 | 281.625 | | 622.500 | 216.375 | 772.500 | 283.875 | | 627.500 | 218.625 | 777.500 | 286.125 | | 632.500 | 220.875 | 782.500 | 288.375 | | 637.500 | 223.125 | 787.500 | 290.625 | | 642.500 | 225.375 | 792.500 | 292.875 | | 647.500 | 227.625 | 797.500 | 295.125 | | 652.500 | 229.875 | 802.500 | 297.375 | | 657.500 | 232.125 | 812.500 | 301.875 | | 662.500 | 234.375 | 817.500 | 304.125 | | 667.500 | 236.625 | 822.500 | 306.375 | | 672.500 | 238.875 | 827.500 | 308.625 | | 677.500 | 241.125 | 832.500 | 310.875 | | 682.500 | 243.375 | 837.500 | 313.125 | | 687.500 | 245.625 | 847.500 | 317.625 | | 692.500 | 247.875 | 857.500 | 322.125 | | 697.500 | 250.125 | 867.500 | 326.625 | | 702.500 | 252.375 | | | |----------------|-----------|----------------|-----------|
Bron: FisconetPlus
