Aanschrijving nr. 7 dd. 28.09.1998

AANSCHRIJVING 98/007

Aanschrijving nr. 7 dd. 28.09.1998


BTW-Revue nr. 136, blz. 477

Deze aanschrijving vervangt met ingang op 01.01.1996 de aanschrijving nr. 13 dd. 18.05.1994.
De aanschrijving nr. 9 dd. 13.04.1994 en de aanschrijving nr. 3 dd. 01.02.1995 worden opgeheven vanaf 01.01.1996.
De beslissing nr. E.T. 78.314 dd. 19.05.1993, wordt opgeheven vanaf 01.01.1996.
BTW
Maakloonwerk en intracommunautaire dienstverrichtingen
Lichamelijke roerende goederen.


INHOUDSTAFEL

ONDERWERP VAN DE AANSCHRIJVING........................................1-2 HOOFDSTUK I. MAAKLOONWERK.............................................3-7 HOOFDSTUK II. MATERIEEL WERK OF EXPERTISE MET BETREKKING TOT EEN ANDER GOED DAN EEN UIT ZIJN AARD ONROEREND GOED......................8-98 AFDELING 1. BEPALING VAN DE PLAATS VAN DE DIENSTEN EN DE SCHULDENAAR VAN DE BELASTING.....................................................8-26 § 1. Wetswijzigingen....................................................8 § 2. Begripsomschrijvingen...........................................9-12 Materieel werk.....................................................9 Expertise.........................................................10 Ander goed dan een onroerend goed uit zijn aard...................11 Terminologie......................................................12 § 3. De plaats van de dienst........................................13-18 a) Algemene regel.................................................14 b) Afwijkende regel............................................15-17 Principe.......................................................15-16 Voorbeelden.......................................................17 c) Bijzonder geval................................................18 § 4. Bewijsmiddelen met betrekking tot de afwijkende regel..........19-23 a) De identificatie in een andere Lidstaat........................20 b) Een vervoer buiten België...................................21-23 § 5. Schuldenaar van de belasting......................................24 § 6. Vermeldingen op de factuur........................................25 § 7. Tabel.............................................................26 AFDELING 2. STELSEL VAN DE OVERBRENGINGEN EN DE NIET OVERBRENGINGEN.27-36 § 1. Draagwijdte van het stelsel....................................27-31 Principe.......................................................27-29 Tolerantie........................................................30 Voorbeelden.......................................................31 § 2. Verplichtingen.................................................32-36 Register van niet-overbrengingen...............................32-33 Register van ontvangen materialen..............................34-36 AFDELING 3. VEREENVOUDIGINGEN.......................................37-82 § 1. Leverancier en dienstverrichter gevestigd in dezelfde Lid- staat..........................................................38-48 a) Schema.........................................................38 b) Niet vereenvoudigd stelsel.....................................39 c) Vereenvoudigd stelsel.......................................40-48 1. Principe.......................................................40 2. Verplichtingen van de belastingplichtige....................41-48 Verplichtingen van de leverancier A)...........................41-43 Verplichtingen van de dienstverrichter (B)........................44 Verplichtingen van (C) als afnemer van de goederen.............45-47 Verplichtingen van (C) als ontvanger van de dienst................48 § 2. Leverancier en dienstverrichter gevestigd in verschillende Lidstaten......................................................49-56 a) Schema.........................................................49 b) Niet vereenvoudigd stelsel.....................................50 c) Vereenvoudigd stelsel.......................................51-56 1. Principe.......................................................51 2. Verplichtingen van de belastingplichtige....................52-56 Verplichtingen van de leverancier (A).............................52 Verplichtingen van de dienstverrichter (B)........................53 Verplichtingen van (C) als afnemer van de goederen.............54-55 Verplichtingen van (C) als ontvanger van de dienst................56 § 3. Opeenvolgende dienstverrichters gevestigd in dezelfde Lidstaat.......................................................57-64 a) Schema.........................................................57 b) Toepasselijk stelsel........................................58-64 1. Principe....................................................58-59 2. Verplichtingen van de belastingplichtige....................60-64 Verplichtingen van de dienstverrichters (A) en (B).............60-63 Verplichtingen van de Opdrachtgever (C)...........................64 § 4. Hoofdaannemer en onderaannemer gevestigd in....................65-70 dezelfde Lidstaat a) Schema.........................................................65 b) Toepasselijk stelsel........................................66-70 1. Principe....................................................66-67 2. Verplichtingen van de belastingplichtige....................68-70 Verplichtingen van de hoofdaannemer van de dienst (A).............68 Verplichtingen van de dienstverrichter in onderaanneming (B)......69 Verplichtingen van de Opdrachtgever (C)...........................70 § 5. Opeenvolgende dienstverrichters gevestigd in verschillende Lidstaten........................................71-76 a) Schema.........................................................71 b) Toepasselijk stelsel........................................72-76 1. Principe....................................................72-73 2. Verplichtingen van de belastingplichtige....................74-76 Verplichtingen van de dienstverrichter (A)........................74 Verplichtingen van de dienstverrichter (B)........................75 Verplichtingen van de Opdrachtgever (C)...........................76 § 6. Hoofdaannemer en onderaannemer gevestigd in verschillende Lidstaten......................................................77-82 a) Schema.........................................................77 b) Vereenvoudigd stelsel.......................................78-82 1. Principe....................................................78-79 2. Verplichtingen van de belastingplichtigen...................80-82 Verplichtingen van de hoofdaannemer (A)...........................80 Verplichtingen van de onderaannemer (B)...........................81 Verplichtingen van de opdrachtgever (C)...........................82 AFDELING 4. BIJZONDERHEDEN BIJ ONDERAANNEMINGEN EN COMPLEXE OVEREENKOMSTEN..........................................83-97 § 1. Volledige of gedeeltelijke onderaanneming......................83-96 a) Opdrachtgever en hoofdaannemer gevestigd in dezelfde Lidstaat.......................................................84-89 Schema............................................................84 1. Gedeeltelijke onderaanneming................................85-86 Dienstverrichting van de onderaannemer (C)........................85 Dienstverrichting van de hoofdaannemer (B)........................86 2. Gehele onderaanneming.......................................87-89 Dienstverrichting van de onderaannemer (C)........................87 Dienstverrichting van de hoofdaannemer (B).....................88-89 Toepasselijk stelsel..............................................88 Toegeving wanneer de opdrachtgever geen BTW-identificatienummer aan de hoofdaannemer meedeelt.............89 b) Opdrachtgever en hoofdaannemer gevestigd in verschillende Lidstaten........................................90-96 Schema.........................................................90-91 1. Gedeeltelijke onderaanneming................................92-93 Dienstverrichting van de onderaannemer (C)........................92 Dienstverrichting van de hoofdaannemer (B)........................93 2. Gehele onderaanneming.......................................94-96 Dienstverrichting van de onderaannemer (C)........................94 Dienstverrichting van de hoofdaannemer (B).....................95-96 Toepasselijk stelsel..............................................95 Toegeving wanneer de opdrachtgever geen BTW-identificatienummer aan de hoofdaannemer meedeelt.............96 § 2. Combinatie van vereenvoudigingsmaatregelen........................97 AFDELING 5. OPHEFFINGSBEPALINGEN EN INWERKINGTREDING...................98 Onderwerp van de aanschrijving. 1. Sedert 1 januari 1996 werden een aantal wijzigingen op het vlak van de BTW doorgevoerd :

  • het maakloonwerk wordt opnieuw als een dienst aangemerkt;
  • een afwijkend criterium voor de plaats van de dienst treedt in werking voor een materieel werk of expertise met betrekking tot een ander goed dan een uit zijn aard onroerend goed.
Deze aanschrijving heeft tot doel een overzicht te geven van deze nieuwe regeling.

2. De wijzigingen zijn het gevolg van de Richtlijn 95/7/EG van de Raad van 10 april 1995 tot wijziging van de Richtlijn 77/388/EEG en van de invoering van nieuwe vereenvoudigingsmaatregelen op het vlak van de belasting over de toegevoegde waarde - toepassingsgebied en praktische regels voor de toepassing van de vrijstellingen (PB EG, nr. L102/18 van 5 mei 1995).

Deze richtlijn werd omgezet in Belgisch recht door het koninklijk besluit van 22 december 1995 tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (B.S., 30 december 1995).

HOOFDSTUK 1. - MAAKLOONWERK

3. De Zesde Richtlijn legde geen specifieke kwalificatie op voor het maakloonwerk behalve wanneer het intracommunautair maakloonwerk betrof, in welk geval het, onder bepaalde voorwaarden, diende gelijkgesteld te worden met een levering van goederen onder bezwarende titel.

Facultatief was ook in de mogelijkheid voorzien om het binnenlands maakloonwerk als een levering van goederen te beschouwen. België had van deze mogelijkheid gebruik gemaakt en beschouwde, sedert 1 januari 1993, elk maakloonwerk als een levering van goederen (oud art. 10, § 2, 2°, van het BTW-Wetboek).

4. Al deze regels zijn gewijzigd op 1 januari 1996 (opheffing van het art. 10, § 2, 2°, van het BTW-Wetboek).

Aangezien het maakloonwerk niet langer het voorwerp uitmaakt van specifieke regels, dient het voortaan, wat de aard van de handeling betreft, te worden beschouwd als een dienstverrichting.

Deze dienst dient te worden beschouwd als een materieel werk met betrekking tot een ander dan een uit zijn aard onroerend goed.

5. De definitie zelf van het maakloonwerk is specifiek als een dienstverrichting opgenomen in artikel 18 van het BTW-Wetboek.

Artikel 18, § 1, tweede lid, 1°, van het BTW-Wetboek werd op volgende wijze aangepast :

"Als een dienst wordt onder meer beschouwd, de uitvoering van een contract dat tot voorwerp heeft :

1° een materieel of intellectueel werk waaronder het maakloonwerk. Onder maakloonwerk wordt verstaan het vervaardigen of samenstellen van een roerend goed door een opdrachtnemer door middel van materialen en voorwerpen die daartoe door de opdrachtgever aan de opdrachtnemer zijn verstrekt, ongeacht of de opdrachtnemer al dan niet een deel van de gebruikte materialen heeft verstrekt;


2° ... "


6. Een arrest van het Europees Hof van Justitie gewezen op een prejudiciële vraag op 14 mei 1984 in de zaak 139-84 (Van Dijk's Boekhuis BV tegen Staatssecretaris van Financiën) (1), heeft de inhoud van het begrip maakloonwerk verder gepreciseerd :

"Er is slechts sprake van het vervaardigen van een werk in, roerende staat in de zin van artikel 5, lid 2, punt d) van Richtlijn 67/228/EEG van de Raad van 11 april 1967, en van het artikel 5, lid 5, punt a) van Richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lidstaten inzake omzetbelasting, indien een opdrachtnemer een nieuw goed maakt uit de materialen die de opdrachtgever hem heeft verstrekt. Er is een nieuw goed wanneer door het werk van de opdrachtnemer een goed ontstaat waarvan de functie volgens de in het maatschappelijk verkeer gangbare opvattingen verschilt van de functie die de verstrekte materialen hadden. "

7. Deze criteria zijn dus bijzonder beperkend in die zin dat er vereist is dat een nieuw goed moet verkregen worden van de goederen die door de opdrachtgever zijn overhandigd.

Het onderscheid tussen een maakloonwerk en een materieel werk met betrekking tot een ander goed dan een uit zijn aard onroerend goed dat geen maakloonwerk is, heeft enkel nog belang voor de verplichtingen die eruit kunnen voortvloeien (z. hierna).

HOOFDSTUK II. - MATERIEEL WERK OF EXPERTISE MET BETREKKING TOT EEN ANDER GOED DAN EEN UIT ZIJN AARD ONROEREND GOED

EERSTE AFDELING. - BEPALING VAN DE PLAATS VAN DE DIENST EN VAN DE SCHULDENAAR VAN DE BELASTING



§1. Wetswijzigingen
8. Vóór 1 januari 1996 werd, wanneer bet ging om een materieel werk of een expertise met betrekking tot een ander goed dan een uit zijn aard onroerend goed, krachtens artikel 21, § 3, 2°, van het BTW-Wetboek (oude tekst) als plaats van de dienst aangemerkt, de plaats waar het goed zich bevindt.

Vanaf 1 januari 1996 werd het artikel 21, § 3, 2°, van het BTW-Wetboek als volgt aangepast :

"§ 3. In afwijking van § 2 wordt als plaats van de dienst aangemerkt:


1°...


2° wanneer het gaat om een materieel werk of een expertise die betrekking hebben op een ander goed dan een uit zijn aard onroerend goed:

a) de plaats waar het goed zich bevindt op het ogenblik dat de dienst materieel wordt verricht;

b) in afwijking van a, op het grondgebied van de Lidstaat die aan de ontvanger het BTW-identificatienummer heeft toegekend waaronder de dienst aan hem is verleend wanneer de dienst wordt verstrekt aan een ontvanger die voor de BTW is geïdentificeerd in een andere Lidstaat dan die waarin de dienst materieel wordt verricht. Deze afwijking is niet van toepassing indien de goederen niet zijn verzonden of vervoerd buiten de Lidstaat waar de dienst materieel is verricht;


3°..."


Gelijktijdig met de invoering van deze nieuwe regel met betrekking tot de bepaling van de plaats van de dienst, werd de vrijstelling voor de expertises en de -werken met betrekking tot uit hun aard roerende goederen verricht voor een belastingplichtige geïdentificeerd in een andere Lidstaat afgeschaft (opheffing van art. 41, § 1, 8°, van het BTW-Wetboek).



§2. Begripsomschrijvingen
Materieel werk

9. Onder "materieel werk" in de zin van artikel 21, § 3, 2°, van het BTW-Wetboek, worden alle soorten van mechanische en menselijke werkzaamheden bedoeld die aan een ander dan een onroerend goed uit zijn aard worden uitgevoerd. Bedoeld zijn elke bewerking of verwerking van goederen, alsook alle reinigings-, onderhouds-, herstellings-, omvormings- en aanpassingswerken.

De revisie van goederen in het kader van een onderhoudscontract, zelfs indien de dienstverrichter zich beperkt tot het nakijken van het goed zonder enige andere materiële daad te stellen, is eveneens bedoeld.

Het verpakken en wederverpakken van goederen, alsook de conditionering van goederen met het oog op de verkoop van de goederen, is eveneens beoogd als materieel werk in de zin van artikel 21, § 3, 2°, van het BTW-Wetboek, voor zover beide eerstgenoemde handelingen niet samenhangen met enig goederenvervoer. Is dit laatste wel het geval, dan is de handeling bedoeld in artikel 21, § 3, 4°, c) of 4°bis van het BTW-Wetboek (z. aanschr. 11 van 21 oktober 1997).

Daarentegen wordt de dienstverrichting verricht door een dierenarts niet beschouwd als een materieel werk in de zin van artikel 21, § 3, 2°, van het BTW-Wetboek. De voornaamste taken van een dierenarts bestaan hoofdzakelijk in de geneeskundige verzorging van dieren overeenkomstig de regels der wetenschap. Al kan deze verzorging in sommige gevallen noodzakelijkerwijs meebrengen dat het dier een fysieke ingreep ondergaat, kan zulks evenwel niet volstaan om deze verzorging als "werkzaamheden" aan te merken.

Bijgevolg wordt als de plaats van de dienst van een dierenarts, overeenkomstig artikel 21, § 2, van het BTW-Wetboek, de plaats aangemerkt waar de dienstverrichter de zetel van zijn bedrijfsuitoefening of een vaste inrichting heeft gevestigd van waaruit hij de dienst verricht, of bij gebreke van een dergelijke zetel of een vaste inrichting, zijn woonplaats of zijn gebruikelijke verblijfplaats (Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, zaak nr. C-167/95, arrest van 6 maart 1997, BTW-Revue nr. 128, blz. 463; zie ook corrigendum van 14 april 1997 betreffende de aanschr. 11 van 12 augustus 1992, BTW-Revue nr. 128, blz. 391).

Expertise

10. Het begrip "expertise" met betrekking tot een ander dan een onroerend goed uit zijn aard werd niet gedefinieerd door de Europese wetgever. Bijgevolg dient aan dat begrip zijn gewone betekenis te worden gegeven, namelijk elke handeling die erin bestaat een goed of een zaak te beoordelen of te schatten.

Aangezien onder die benaming intellectuele handelingen of handelingen die van louter intellectuele aard zijn kunnen worden verstrekt door studiebureaus, laboratoria, enzovoort, dient met het oog op een omschrijving van het begrip expertise in de zin van artikel 21, § 3, 2°, van het BTW-Wetboek, bedoelde expertise te worden geplaatst tegenover de analyse- en studiewerkzaamheden als bedoeld in artikel 21, § 3, 7°, d), van hetzelfde Wetboek.

Wanneer derhalve een dienstprestatie betrekking heeft op het onderzoek, de definitie of de bepaling van de kenmerken of van de staat van een welbepaald goed ander dan een uit zijn aard onroerend goed (b.v. de schatting van de schade aan een goed), dan wordt die dienstprestatie beschouwd als een expertise die, overeenkomstig artikel 21, § 3, 2°, van genoemd Wetboek, wordt geacht plaats te vinden waar het goed, waarop de expertise betrekking heeft, zich bevindt.

Wanneer daarentegen de dienstprestatie betrekking heeft op een "studie" die verder gaat dan een expertisewerkzaamheid, zoals hiervoor omschreven, en in een ruimer kader moet worden geplaatst dan strikt beperkt tot een bepaald goed, dan wordt die dienstprestatie aangemerkt als een intellectuele werkzaamheid waarvan de plaats van de dienst wordt bepaald overeenkomstig artikel 21, § 2 en § 3, 7°, d), van het BTW-Wetboek (vraag nr. 530 dd. 22 april 1993 van de heer Volksvertegenwoordiger de Clippele, BTW-Revue nr. 107, blz. 101).

Tenslotte werd naar aanleiding van een concreet geval, met name de analyse van farmaceutische producten, het standpunt ingenomen dat de plaats van de dienst die bestaat in de analyse van producten omwille van het overwegend intellectueel karakter van genoemde dienst, bepaald wordt overeenkomstig artikel 21, § 2 en § 3, 7°, d), van het BTW-Wetboek (besl. van 25 november 1992, nr. E.T. 76.563, BTW-Revue nr. 102, blz. 181, nr. 962).

Ander goed dan een onroerend goed uit zijn aard

11. Het begrip "goed" zoals bedoeld in voornoemd artikel 21, § 3, 2°, van het BTW-Wetboek, beoogt alle andere lichamelijke goederen dan uit hun aard onroerende goederen (vraag nr. 530 dd. 22 april 1993 van de heer Volksvertegenwoordiger de Clippele, B7W-Revue nr. 107, blz. 101).

Bijgevolg zijn bedoeld in artikel 21, § 3, 2°, van het BTW-Wetboek :

  • de roerende goederen uit hun aard;
  • de onroerende goederen door bestemming.
Wel moet er worden op gewezen dat voor werken met betrekking tot sommige goederen die onroerend door bestemming zijn wegens de blijvende verbinding aan het onroerend goed, die kunnen worden aangemerkt als werken in onroerende staat, de plaats van de dienst bepaald wordt overeenkomstig artikel 21, § 3, 1°, van het BTW-Wetboek.

Terminologie

12. In de hiernavolgende uiteenzetting worden regelmatig de bewoordingen "werk aan een lichamelijk roerend goed", "grondstoffen", "tussenproducten" en "bewerkte producten" of "afgewerkte producten" gebruikt. Deze terminologie neemt niet weg dat in de besproken situaties tevens ieder materieel werk met betrekking tot een lichamelijk roerend goed ander dan een maakloonwerk wordt bedoeld, alsook de expertise die slaat op een ander dan een onroerend goed uit zijn aard.



§3. De plaats van de dienst
13. Overeenkomstig het gewijzigde artikel 21, § 3, 2°, van het BTW-Wetboek, bestaan er twee criteria om de plaats van de dienst te bepalen. Deze bepalingen zijn nu ook van toepassing op het maakloonwerk, waarvoor er voorheen specifieke regels bestonden.



a)Algemene regel
14. Zoals vóór 1 januari 1996 vindt de dienstverrichting, in beginsel, nog steeds plaats daar waar het goed zich bevindt op het ogenblik dat de dienst materieel wordt verricht.

Deze regel is in de volgende gevallen van toepassing

  • de ontvanger van de dienst beschikt niet over een BTW-identificatienummer omdat het gaat om een particulier, een persoon gevestigd buiten de Gemeenschap, of nog, om een belastingplichtige of een niet-belastingplichtige rechtspersoon aan wie geen BTW-identificatienummer werd toegekend;
  • de ontvanger van de dienst beschikt over een BTW-identificatienummer, toegekend door een andere Lidstaat dan deze waar het goed zich bevindt op het ogenblik van de materiële uitvoering van de dienst, MAAR deelt dit niet mede aan de dienstverrichter;
  • de ontvanger van de dienst deelt een BTW-identificatienummer mede waaronder de dienst aan hem is verleend en dat hem is toegekend door de Lidstaat waar het goed zich bevindt op het ogenblik van de materiële uitvoering van de dienst;
  • de ontvanger van de dienst deelt een BTW-identificatienummer mede waaronder de dienst aan hem is verleend en dat hem werd toegekend door een andere Lidstaat dan deze waar het goed zich bevindt op het ogenblik van de materiële uitvoering van de dienst, MAAR het goed wordt na bewerking niet verzonden of vervoerd buiten de Lidstaat waar de dienst materieel werd verricht (z. ook hierna);
  • de ontvanger van de dienst deelt een BTW-identificatienummer mede waaronder de dienst aan hem is verleend en dat hem werd toegekend door een Lidstaat van de Gemeenschap, MAAR de dienstverrichting wordt materieel uitgevoerd buiten de Gemeenschap (z. evenwel het bijzonder geval omschreven onder nr. 18).


b)Afwijkende regel
Principe

15. In afwijking van de algemene regel, wordt de plaats van de dienst geacht zich te bevinden op het grondgebied van de Lidstaat die aan de ontvanger van de dienst het BTW-identificatienummer heeft toegekend waaronder de dienst aan hem is verleend wanneer de dienst wordt verstrekt aan een ontvanger van de dienst die voor BTW-doeleinden geïdentificeerd is in een andere Lidstaat dan deze waarin de dienst materieel wordt verricht.

Deze afwijking is vergelijkbaar met hetgeen reeds van toepassing was sinds 1 januari 1993 voor diensten die samenhangen met intracommunautair goederenvervoer.

Het nieuwe artikel 21, § 3, 2°, b), van het BTW-Wetboek voegt echter een belangrijke voorwaarde toe voor de toepassing van de afwijkende regel: de goederen moeten na bewerking verzonden of vervoerd worden buiten de Lidstaat waar de dienst materieel is verricht. Bij gebreke daarvan is, zoals hiervoor reeds gezegd, de algemene regel van toepassing.

De hier bedoelde afwijkende regel kan worden toegepast zelfs wanneer de ontvanger van de dienst een BTW-identificatienummer mededeelt dat hem is toegekend in een andere Lidstaat dan deze waarin de dienst materieel is verricht, terwijl hij eveneens voor BTW-doeleinden is geïdentificeerd in de Lidstaat waar de dienst materieel wordt verricht.

16. Opdat de afwijkende regel kan worden toegepast, dient het BTW-identificatienummer dat door de ontvanger van de dienst wordt meegedeeld een prefix te bevatten overeenkomstig de internationale standaard ISO 3166 alpha 2, die aangeeft welke Lidstaat het nummer heeft toegekend (z. art. 22, eerste lid, d, van de Richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977).

Voor België bestaat dit prefix uit de letters BE.

Overeenkomstig artikel 50, § 1, van het BTW-Wetboek, wordt een BTW-identificatienummer dat de letters BE bevat toegekend aan navolgende personen :

a) de belastingplichtigen onderworpen aan de normale belastingregeling, m.a.w. de belastingplichtigen die periodieke BTW-aangiften, maandelijkse of per kwartaal, indienen;

b) de belastingplichtigen die aan de bijzondere landbouwregeling bedoeld in artikel 57 van het BTW-Wetboek zijn onderworpen (N.B. : deze kunnen het hun toegekende nummer zonder enige beperking geldig gebruiken voor de dienstverrichtingen die werkzaamheden met betrekking tot lichamelijk roerende goederen tot voorwerp hebben);

c) de belastingplichtigen die de vrijstellingsregeling genieten bedoeld in artikel 56, § 2, van het BTW-Wetboek, de belastingplichtigen die uitsluitend bij toepassing van artikel 44 van het BTW-Wetboek vrijgestelde handelingen verrichten die hen geen enkel recht op aftrek verlenen, en de niet-belastingplichtige rechtspersonen wanneer zij aangifte hebben gedaan:

  • hetzij van de overschrijding van de drempel van 450.000 F, bedoeld in artikel 25ter, § 1, tweede lid, 2°, b, van het BTW-Wetboek, voor de intracommunautaire verwervingen van goederen, andere dan nieuwe vervoermiddelen en accijnsproducten, die ze verricht hebben (z. art. 53bisvan het BTW-Wetboek) (N.B. : zij gebruiken het hen toegekende identificatieriummer geldig vanaf de datum dat de drempel werd overschreden tot en met 31 december van het daaropvolgende kalenderjaar). Indien de drempel in de loop van dat laatste jaar en, desgevallend, in de loop van de daaropvolgende jaren wordt overschreden, kan het identificatienummer geldig gebruikt worden tot en met 31 december van het jaar dat volgt op datgene waarin de drempel voor het laatst werd overschreden);
  • hetzij van de optie om alle intracommunautaire verwervingen van goederen, andere dan nieuwe vervoermiddelen en accijnsproducten, in België aan de belasting te onderwerpen (z. art. 25ter, § 1, tweede lid, 2°, van het BTW-Wetboek) (N.B. : zij gebruiken het hen toegekende identificatienummer geldig vanaf de datum dat ze de optieverklaring hebben ingediend tot en met 31 december van het tweede jaar volgend op deze optieverklaring).
Voorbeelden

17. a) Een in Nederland gevestigde particulier laat zijn wagen herstellen in een garage in België. Toepassing van de algemene regel : de belasting is verschuldigd op de plaats waar het goed zich bevindt op het ogenblik van de materiële uitvoering van de dienst, dit wil zeggen België. De afwijkende regel kan niet worden toegepast vermits de ontvanger van de dienst niet beschikt over een BTW-identificatienummer.

b) Een onderneming (A) gevestigd in Frankrijk geeft opdracht aan een onderneming (B), gevestigd in België om een machine te herstellen. Om dit te doen verzendt (A) de machine naar België. De dienstprestatie wordt verricht onder het Franse BTW-identificatienummer van de opdrachtgever (A). Na de herstelling wordt de machine terug naar Frankrijk verzonden. Toepassing van de afwijkende regel: de plaats van de dienst bestaande in de herstelling die effectief in België plaatsvond wordt geacht zich in Frankrijk te bevinden, Lidstaat die aan de ontvanger van de dienst het BTW-identificatienummer heeft toegekend waaronder de dienst aan hem werd verleend.

c) Een onderneming (A) gevestigd in Duitsland heeft een computer verkocht aan een onderneming (B), gevestigd in België die hem hier gebruikt om haar boekhouding te voeren. Het toestel raakt defect tijdens de waarborgperiode. (A) laat, op haar kosten, de computer ter plaatse herstellen door de onderneming (C), ook gevestigd in België. Toepassing van de algemene regel: de belasting is verschuldigd op de plaats waar het goed zich bevindt op het ogenblik van de materiële uitvoering van het werk, dit wil zeggen België. De afwijkende regel kan niet worden toegepast vermits het goed na bewerking het Belgisch grondgebied niet verlaat.



c)Bijzonder geval
18. Er dient opgemerkt te worden dat overeenkomstig artikel 41, § 2, 4°, van het koninklijk besluit nr. 7 van 29 december 1992, ter uitvoering van artikel 40, § 3, van het BTW-Wetboek, ieder materieel werk dat de dienstverrichter, handelend als geadresseerde bij de invoer, verricht voor zijn opdrachtgever, moet beschouwd worden als een werk dat voor de toepassing van artikel 21, § 3, 2°, van het BTW-Wetboek in België materieel wordt uitgevoerd.

De beoogde situatie is deze waarin goederen worden toevertrouwd aan een Belgische dienstverrichter die ze voor onderaanneming buiten de Gemeenschap verzendt om er een materieel werk te ondergaan en ze wederinvoert onder de regeling "passieve veredeling". De dienstverrichter die als geadresseerde optreedt moet de dienst die hij aan zijn opdrachtgever verleent aanmerken als een dienst die in België of in een andere Lidstaat plaatsvindt, naargelang de algemene regel dan wel de afwijking van artikel 21, § 3, 2°, van het BTW-Wetboek toepasselijk is, ingevolge de fictie bedoeld in artikel 41, § 2, 4°, van het koninklijk besluit nr. 7 (z. nrs. 24 tot 30 van de aanschr. 6 van 2 september 1996).



§4. Bewijsmiddelen met betrekking tot de afwijkende regel
19. Voor de toepassing van het nieuwe criterium met betrekking tot de bepaling van de plaats van de dienstverrichting (art. 21, § 3, 2°, b, van het BTW-Wetboek) in de situatie waarin de dienstverrichting materieel in België werd verricht, is het noodzakelijk het bewijs te leveren dat :

  • de ontvanger van de dienst voor BTW-doeleinden geïdentificeerd is in een andere Lidstaat dan België;
  • de goederen het voorwerp uitmaken van een verzending of een vervoer buiten België.


a)De identificatie in een andere Lidstaat
20. De hoedanigheid van de ontvanger van de dienst kan door de dienstverrichter slechts worden nagegaan aan de hand van de mededeling van het BTW-identificatienummer dat werd toegekend in een andere Lidstaat.

De in België gevestigde dienstverrichter die twijfels heeft omtrent de geldigheid van het BTW-identificatienummer dat hem werd meegedeeld door zijn afnemer kan hiervan de bevestiging bekomen op volgend adres:

Ministerie van Financiën
Centrale Eenheid voor administratieve samenwerking
met de andere E.G.-Lidstaten op het gebied van de BTW
R. A. C.
Kruidtuinlaan 50, bus 39
Financietoren - 15e verdieping
1010 BRUSSEL
Tel.: 02/210.29.58 - Fax: 02/210.29.20.

Op uitdrukkelijke aanvraag kan een schriftelijke bevestiging bekomen worden.

Het is echter belangrijk nogmaals te onderstrepen dat deze bevestiging noch noodzakelijk, noch voldoende is om aan te tonen dat aan de voorwaarde van de identificatie in een andere Lidstaat voldaan is.

Deze controle is evenwel niet in alle gevallen noodzakelijk. Wanneer een dienstverrichter een dienstverrichting verricht voor een afnemer uit een andere Lidstaat die hem geloofwaardige garanties biedt (omdat ze bijvoorbeeld reeds eerdere handelsrelaties aangegaan hebben), is het nutteloos de geldigheid van zijn BTW-identificatienummer na te gaan.

Algemeen is het aanbevolen dat de belastingplichtigen zich vergewissen van de identiteit van de persoon aan wie ze zonder BTW factureren met toepassing van artikel 21, § 3, 2°, b), van het BTW-Wetboek (identiteitskaart, paspoort, creditcard, enz. ...



b)Een vervoer buiten België
21. Het bewijs van het vervoer buiten België moet door de dienstverrichter geleverd worden door een geheel van gebruikelijke overeenstemmende handelsdocumenten die aantonen dat deze voorwaarde vervuld is.

Die stukken zijn onder meer : de bestelbons, facturen van de vervoerder, vervoerdocumenten, betalingsdocumenten, contracten, enz.

Dit bewijs moet dus blijken uit de gebruikelijke handelsdocumenten die, toelaten het bestaan van een vervoer aan te tonen. Hierbij dient opgemerkt dat elk bewijsmiddel toegelaten is maar dat geen enkel specifiek stuk op zichzelf noodzakelijk of voldoende is.

In ieder geval zullen de betalingsdocumenten afgeleverd door financiële instellingen een belangrijk bewijselement zijn en de belastingplichtigen zullen er alle belang bij hebben geen contante betalingen te aanvaarden, tenzij in uitzonderlijke gevallen.

In geval van een dienstverrichting met betrekking tot een vervoermiddel, maakt een kopie van het buitenlands inschrijvingsbewijs eveneens deel uit van het geheel van bewijsmiddelen waarmee de dienstverrichter de verzending naar een andere Lidstaat van het goed waaraan hij gewerkt heeft kan aantonen.

In het geval waarin het vervoer verricht wordt voor rekening van de opdrachtgever kan het verzamelen van deze bewijselementen voor de dienstverrichter moeilijker blijken.

Het volstaat echter twee situaties te onderscheiden:

1) Het vervoer werd verricht voor rekening van de opdrachtgever, door een vervoerder-commissionair of een vervoersonderneming

22. De gebruikelijke handelsdocumenten, vermeld in het punt hiervoor, vervolledigd met een dubbel van de gebruikelijke handelsdocumenten uitgereikt door de vervoerder waarover de ontvanger van de dienst beschikt (kopie van de C.M.R. bijvoorbeeld), kunnen de dienstverrichter toelaten het bestaan van het vervoer aan te tonen.

Bovendien kan een geschreven bestelling (telex, bestelbon, enz. uitgereikt door de ontvanger van de dienst, waarin hij uitdrukkelijk vermeldt dat de goederen bestemd zijn, om te worden verzonden buiten België, deze bewijselementen vervolledigen.

Hoe dan ook bestaat er geen twijfel over dat een verklaring uitgaande van de ontvanger van de dienst welke de naam, het adres en het BTW-identificatienummer van de ontvanger bevat, de omschrijving van de goederen en de verklaring dat de goederen het voorwerp hebben uitgemaakt van een vervoer buiten België kan gevraagd worden. Dit bewijsmiddel is echter slechts één tussen de vete en kan niet beschouwd worden als noodzakelijk, noch als voldoende om aan te tonen dat de geleverde dienstprestatie valt onder de toepassing van artikel 21, § 3, 2°, b), van het BTW-Wetboek.

2) Het vervoer werd uitgevoerd door de opdrachtgever van de dienst met zijn eigen vervoermiddelen

23. De bewijsmiddelen aangehaald in de nrs. 21 en 22, hiervoor, moeten ook toelaten het bestaan van het vervoer aan te tonen. De afwezigheid van de tussenkomst van een vervoerder vermindert nochtans de mogelijkheden het bestaan van dit vervoer aan te tonen.

Hier ook kunnen de betalingsdocumenten, een geschreven bestelling en een ontvangstverklaring de andere gebruikelijke handelsdocumenten in het bezit van de dienstverrichter nuttig vervolledigen.

Wanneer de dienstverrichter niet overtuigd is door de door de ontvanger van de dienst aangereikte elementen en dus geen totale geruststelling heeft aangaande de voldoening van de voorwaarde van verzending van de goederen buiten België, kan hij zich steeds de BTW laten betalen door zijn medecontractant.

Immers het vermoeden opgenomen in artikel 21, § 5, van het BTW-Wetboek dat stelt dat behoudens tegenbewijs, de dienstverrichting geacht wordt plaats te vinden in België als één van de bij de dienst betrokken partijen er een zetel van economische activiteit of een vaste inrichting heeft gevestigd of, bij gebrek aan een dergelijke zetel of vaste inrichting, een woonplaats of een gebruikelijke verblijfplaats, kan steeds spelen.

De ontvanger van de dienst heeft er dus alle belang bij aan zijn dienstverrichter bewijskrachtige documenten voor te leggen teneinde te vermijden dat hem de BTW in België wordt gefactureerd.



§5. Schuldenaar van de belasting
24. In geval de plaats van de dienstverrichting in België moet worden gesitueerd overeenkomstig de regel waar het goed zich bevindt op het ogenblik dat de dienst materieel wordt verricht (algemene regel), is het steeds de dienstverrichter die de schuldenaar van de belasting is (toepassing van art. 51, § 1, 1°, van het BTW-Wetboek).

In geval de plaats van de dienstverrichting in België moet worden gesitueerd overeenkomstig de regel van de Lidstaat die aan de ontvanger van de dienst het BTW-identificatienummer heeft toegekend waaronder de dienst aan hem werd verstrekt (afwijkende regel), is het steeds de ontvanger van de dienst die de schuldenaar van de belasting is (toepassing van art. 51, § 2, 1°, b), van het BTW-Wetboek), behalve wanneer de dienstverrichter zelf gevestigd is in België. In dit laatste geval is het opnieuw de dienstverrichter die de schuldenaar van de belasting is.

Een probleem kan zich in laatstgenoemde veronderstelling voordoen wanneer de dienstverrichter een onderneming is die beschikt over een vaste inrichting in de zin van artikel 55 van het BTW-Wetboek in België, doch die
haar administratieve hoofdzetel in het buitenland heeft en de dienst, die overeenkomstig artikel 21, § 3, 2°, b), van het BTW-Wetboek in België geacht wordt plaats te vinden. vanuit haar in het buitenland gevestigde zetel wordt verricht. Voor de toepassing van artikel 51, § 2, 1°, b), van het TW-Wetboek beschouwt de administratie een dergelijke onderneming als een buiten België gevestigde dienstverrichter in de mate dat de in België voor BTW-doeleinden geïdentificeerde inrichting niet tussenkomt bij de handeling en volgende voorwaarden samen vervuld zijn:



de bestelling van de dienst wordt gericht aan de buitenlandse zetel van de onderneming;
de prijs van de dienst wordt gefactureerd door de buitenlandse zetel van de onderneming;
de prijs wordt betaald aan de buitenlandse zetel van de onderneming;
de uitvoering van de dienstverrichting en van de aan de dienst bijkomstige handelingen vindt plaats zonder enige materiële tussenkomst van de in België voor BTW-doeleinden geïdentificeerde inrichting.
De belasting is in deze veronderstelling opeisbaar in hoofde van de ontvanger van de dienst en niet in hoofde van de buitenlandse dienstverrichter met vaste inrichting in België. Indien evenwel niet is voldaan aan alle in 1° t.e.m. 4° van het vorige lid gestelde voorwaarden, is de dienstverrichter schuldenaar van de belasting overeenkomstig artikel 51, § 1, 1°, van het BTW-Wetboek (besl. van 28 oktober 1997, nr. E.T. 80.387, BTW-Revue nr. 133, blz. 19, nr. 1050).



§6. Vermeldingen op de factuur
25. Naast de overige gegevens die de dienstverrichter op de door hem uit te reiken factuur dient te vermelden op grond van artikel 5, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1, dient voor elke handeling waarvoor de afwijkende regel vervat in artikel 21, § 3, 2°, b), van het BTW-Wetboek van toepassing is, op de factuur het nummer te worden vermeld waaronder de ontvanger van de dienst voor BTW-doeleinden is geïdentificeerd en waaronder hem de dienst wordt verstrekt (art. 5, § 1, 4°, a, van het kon. besl. nr. 1).

De dienstverrichter die een handeling verricht waarvoor de afwijkende regel vervat in artikel 21, § 3, 2°, b, van het BTW-Wetboek van toepassing is en die niet gevestigd is in de Lidstaat van de ontvanger van de dienst, dient bovendien in plaats van de vermelding van het tarief en het bedrag van de verschuldigde belasting de vermelding "Belasting te voldoen door de medecontractant - BTW-Wetboek, artikel 51, § 2" aan te brengen op de door hem uit te reiken factuur (art. 5, § 1, 9°, van het kon. besl. nr. 1).

De buiten België gevestigde belastingplichtige die een dienst verricht die in België plaatsvindt op grond van de afwijkende regel vervat in artikel 21, § 3, 2°, b), van het BTW-Wetboek en waarvoor bijgevolg zijn medecontractant schuldenaar is van de Belgische BTW, kan op de factuur in de voornoemde vermelding een verwijzing aanbrengen naar artikel 21, le lid, b, van de Zesde Richtlijn.

§7. Tabel
26. Alle mogelijke toepassingsgevallen worden weergegeven in navolgende tabel.

+ ------------------------------------------------------------------------+ ¦MATERIEEL WERK OF EXPERTISE MET BETEKKING TOT ¦ ¦EEN ANDER GOED DAN UIT ZIJN AARD ONROEREND GOED ¦ ¦------------------------------------------------------------------------¦ ¦Ontvanger ¦Verlaten de goe-¦ Plaats ¦Schuldenaar ¦ ¦(Geeft hij aan de ¦deren het grond-¦ van de dienst? ¦van de belasting¦ ¦verrichter een ¦gebied na beëin-¦ ¦ ¦ ¦BTW-identificatie-¦diging van de ¦ ¦ ¦ ¦nummer ¦dienst ¦ ¦ ¦ ¦------------------+----------------+-------------------+----------------¦ ¦Geen BTW-identi- ¦ja ¦LS waar de dienst ¦Dienstverrichter¦ ¦ficatienummer ¦----------------¦materieel wordt ¦(Wetb., art. 51, ¦ ¦opge-geven ¦nee ¦verricht (Wetb., ¦§ 1, 1°) ¦ ¦ ¦ ¦art. 21, § 3, 2°, ¦ ¦ ¦ ¦ ¦a) ¦ ¦ ¦------------------+----------------+-------------------+----------------¦ ¦BTW-identificatie-¦ja ¦LS waar de dienst ¦Dienstverrichter¦ ¦nummer van de LS ¦ ¦materieel wordt ¦(Wetb., art. 51, ¦ ¦waar de dienst ¦----------------¦verricht (= LS die ¦§ 1, 1°) ¦ ¦materieel wordt ¦ ¦het BTW-identifica-¦ ¦ ¦verricht ¦nee ¦tienummer heeft ¦ ¦ ¦ ¦ ¦uitgereikt) (Wetb., ¦ ¦ ¦ ¦ ¦art. 21, § 3, 2°, ¦ ¦ ¦ ¦ ¦a) ¦ ¦ ¦------------------+----------------+-------------------+----------------¦ ¦BTW-identificatie-¦ja ¦LS die aan de ont- ¦-Dienstverrich- ¦ ¦nummer in een ¦ ¦vanger een BTW- ¦ter wanneer hij ¦ ¦andere LS ¦ ¦identificatienummer¦gevestigd is in ¦ ¦ ¦ ¦heeft uitgereikt ¦de LS van de ¦ ¦ ¦ ¦(Wetb., art. 21, ¦ontvanger ¦ ¦ ¦ ¦§ 3, 2°, b) ¦(Wetb., art. 51, ¦ ¦ ¦ ¦ ¦§ 1, 1°) ¦ ¦ ¦ ¦ ¦-Ontvanger van ¦ ¦ ¦ ¦ ¦de dienst in het¦ ¦ ¦ ¦ ¦andere geval ¦ ¦ ¦ ¦ ¦(Wetb., art. 51, ¦ ¦ ¦ ¦ ¦§ 2, 1°, b) ¦ ¦ ¦----------------+-------------------+----------------¦ ¦ ¦nee ¦LS waar de dienst ¦-Dienstverricht-¦ ¦ ¦ ¦materieel wordt ¦er (Wetb., art. ¦ ¦ ¦ ¦verricht (Wetb., ¦51, § 1, 1°) ¦ ¦ ¦ ¦art. 21, § 3, 2°, ¦ ¦ ¦ ¦ ¦a) ¦ ¦ +------------------------------------------------------------------------+ AFDELING 2.- STELSEL VAN DE OVERBRENGINGEN EN DE NIET-OVERBRENGINGEN

§1. Draagwijdte van het stelsel
Principe

27. Vóór 1 januari 1996 werd de verzending van goederen vanuit België naar een andere Lidstaat met het oog op de aflevering van een maakloonwerk niet gelijkgesteld met een levering onder bezwarende titel (niet-overbrenging), voor zover de goederen naar België terugkeerden.

Sinds 1 januari 1996 is de bijzondere regeling inzake (bilateraal) maakloonwerk en dus ook deze bepaling inzake niet-overbrenging verdwenen (opheffing van het art. 12bis, tweede lid, 4°, van het BTWWetboek),

Daarentegen werd de bepaling inzake niet-overbrenging voor werken met betrekking tot andere goederen dan uit hun aard onroerende goederen die worden uitgevoerd in de Lidstaat van aankomst van het goed aangepast (aanpassing van art. 12bis, tweede lid, 5°, van het BTW-Wetboek).

28. Zodoende luidt voormelde desbetreffende tekst van het artikel 12bis van het BTW-Wetboek, voortaan als volgt :

"De overbrenging door een belastingplichtige van een goed van zijn bedrijf naar een andere Lidstaat wordt met een levering van goederen onder bezwarende titel gelijkgesteld.

Als overgebracht naar een andere Lidstaat wordt beschouwd elk lichamelijk goed dat door of voor rekening van de belastingplichtige buiten België maar binnen de Gemeenschap wordt verzonden of vervoerd voor bedrijfsdoeleinden, voor zover het daarbij niet om een van de volgende handelingen gaat:


1° ...


2° ...


3° ...


4° (opgeheven)


5° de verrichting van een dienst voor de belastingplichtige in verband met werkzaamheden betreffende dat goed, die daadwerkelijk worden uitgevoerd in de Lidstaat van aankomst van de verzending of het vervoer van het goed, voor zover de goederen na bewerking opnieuw worden verzonden naar deze belastingplichtige in België waarvandaan zij oorypronkelijk waren verzonden of vervoerd.


6° ...


7° ...


Wanneer één van de voorwaarden voor de toepassing van de bepalingen van het 2de lid hierboven niet meer wordt vervuld, wordt het goed evenwel beschouwd als overgebracht naar een andere Lidstaat. In dat geval vindt de overbrenging plaats op het tijdstip waarop de voorwaarde niet meer wordt vervuld.

29. Er is bijgevolg slechts sprake van een niet-overbrenging voor zover de goederen, na de bewerking (of na de expertise) in de Lidstaat van aankomst, terug verzonden worden ter bestemming van de belastingplichtige in België vanwaar ze oorspronkelijk verzonden of vervoerd werden.

Deze voorwaarde is dus restrictiever dan deze gesteld voor de bepaling van de plaats van de dienst volgens het afwijkend criterium volgens hetwelke het volstaat dat de goederen na bewerking verzonden of vervoerd worden buiten de Lidstaat waar de dienst materieel wordt uitgevoerd. Volgens dit afwijkend criterium is het niet nodig dat de goederen teruggezonden worden naar de Lidstaat van oorsprong, noch dat ze terugkeren naar de belastingplichtige die ze oorspronkelijk naar de dienstverrichter had toegezonden.

Tolerantie

30. Het gebeurt vaak dat een in België gevestigde belastingplichtige goederen doorverkoopt (of verhuurt) aan een eveneens in België gevestigde koper (huurder); maar deze goederen vooraleer te worden geleverd aan deze afnemer (ter beschikking gesteld van deze huurder) naar een andere Lidstaat worden verzonden teneinde er een bewerking te ondergaan voor rekening van de leverancier (verhuurder).

De administratie aanvaardt in dat geval ter vereenvoudiging, bij wijze van proef, dat aan de voorwaarde van terugkeer der goederen ter bestemming van de belastingplichtige in België vanwaar ze oorspronkelijk verzonden of vervoerd werden is voldaan, wanneer de leverancier (verhuurder) aan de hand van bewijskrachtige stukken kan aantonen dat de goederen na de bewerking rechtstreeks naar zijn koper (huurder) in België verzonden of vervoerd werden. Indien de in België gevestigde leverancier zich op deze tolerantie beroept, wordt de door hem verrichte levering geacht in België plaats te vinden en is deze binnenlandse levering onderworpen aan de belasting.

In omgekeerde zin wordt eveneens, bij wijze van proef, aanvaard dat de verzending vanuit een andere Lidstaat door een leverancier (verhuurder) naar een in België gevestigde dienstverrichter van goederen die na de bewerking België verlaten met als bestemming een koper (huurder) gevestigd in dezelfde Lidstaat als de leverancier (verhuurder). niet wordt gelijkgesteld, overeenkomstig artikel 25quater, § 1, van het BTW-Wetboek, met een belastbare intracommunautaire verwerving onder bezwarende titel in hoofde van de buitenlandse leverancier (verhuurder).Indien de in een andere Lidstaat gevestigde leverancier deze tolerantie kan toepassen, wordt hij niet geacht vanuit België een levering te verrichten naar zijn afnemer gevestigd in dezelfde Lidstaat toe.

Voornoemde administratieve tolerantie kan slechts ingeroepen worden voor zover de fiscale administratie van de Lidstaat waar de goederen vanuit België ter bewerking naartoe worden gezonden of van waaruit de goederen naar België ter bewerking worden toegezonden, zich niet verzet tegen de in deze tolerantie vervatte vereenvoudigingsmaatregel ten aanzien van de handelingen die op haar grondgebied plaatsvinden.



§2. Verplichtingen
Register van niet-overbrengingen

32. Elke verzending vanuit België door of voor rekening van een belastingplichtige van goederen voor bedrijfsdoeleinden naar een andere Lidstaat teneinde er een bewerking te ondergaan, moet door deze belastingplichtige worden opgetekend in een register, voor zover deze goederen na de bewerking opnieuw verzonden worden naar de belastingplichtige in België vanwaar zij oorspronkelijk verzonden of vervoerd werden.

Dit register dat moet gehouden worden overeenkomstig de artikelen 23 en 24 van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992, wordt aangewend voor de niet-overbrengingen bedoeld in artikel 12bis, tweede lid, 5° tot 7° en voor de verzendingen door een belastingplichtige wederverkoper naar een andere Lidstaat met het oog op de eventuele verkoop van goederen onderworpen aan de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge als bedoeld in artikel 58, § 4, van het BTW-Wetboek.

Dit register wordt eenvoudigheidshalve "register van nietoverbrengingen" genoemd.

33. In dit register moeten op het ogenblik van de verzending der goederen navolgende elementen worden aangetekend:



een volgnummer;
de datum van de handeling;
de naam en het adres van de bestemmeling van de betrokken goederen;
in voorkomend geval, het BTW-identificatienummer van die bestemmeling en de plaats van bestemming van de betrokken goederen;
de hoeveelheid van de verzonden of de vervoerde goederen en de gebruikelijke benaming van deze goederen;
hun nummers of identificatiekentekens wanneer deze er van voorzien zijn;
de waarde van de verzonden of de vervoerde goederen, bepaald overeenkomstig artikel 33, 1°, van het BTW-Wetboek.
Op het tijdstip van terugkeer der goederen in België moet het register worden aangezuiverd op volgende wijze :



de datum van terugkeer van de goederen;
de hoeveelheid en de gebruikelijke benaming van de teruggekeerde goederen, wanneer deze verschillen van die der verzonden of vervoerde goederen;
10°de hoeveelheid van de goederen die niet zijn teruggekeerd, alsook de reden van niet terugkeer;
11°de datum en het inschrijvingsnummer in de factuurboeken van de facturen of de als zodanig geldende stukken en van de creditnota's die hij heeft ontvangen of uitgereikt met betrekking tot deze handelingen.
Register van ontvangen materialen

34. Voor 1 januari 1996 diende elke belastingplichtige een register (of een aangepaste boekhouding) te houden van de materialen en voorwerpen die hem werden toevertrouwd door een belastingplichtige met het oog op de aflevering van een maakloonwerk. Het betrof hier het register voor maakloonwerk.

Na 1 januari 1996 werd dit register behouden en uitgebreid naar de andere materiële werken en de expertises verricht voor rekening van een belastingplichtige die voor BTW-doeleinden is geïdentificeerd in een andere Lidstaat. Sinds die datum moet elke belastingplichtige een register houden om de goederen te kunnen identificeren die hem zijn toegezonden vanuit een andere Lidstaat door of voor rekening van een belastingplichtige die voor BTW-doeleinden in die Lidstaat is geïdentificeerd en die het voorwerp uitmaken van een materieel werk of expertise met betrekking tot een ander goed dan uit zijn aard onroerend goed (wijziging van art. 54bis, § 1, tweede lid, van het BTW-Wetboek).

35. Het gewijzigd register van maakloonwerk (hierna genoemd "register van ontvangen materialen") wordt dus sedert 1 januari 1996 gebruikt voor twee soorten goederen (art. 25 van het kon. besl. nr. 1, met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde), met name voor:

  • de goederen die het voorwerp uitmaken van een maakloonwerk, wanneer ze werden toevertrouwd aan de dienstverrichter door een belastingplichtige. Het is van geen belang of die goederen werden toegezonden vanuit België of vanuit een andere Lidstaat;
  • de goederen die het voorwerp uitmaken van een expertise of een ander materieel werk dan een maakloonwerk, wanneer ze werden toegezonden naar de dienstverrichter vanuit een andere Lidstaat door of voor rekening van een in die Lidstaat voor BTW-doeleinden geïdentificeerde belastingplichtige.
36. Dit register moet volgende vermeldingen bevatten (art, 26 van het kon. besl. nr. 1) :



een volgnummer;
de datum van ontvangst van de goederen;
de naam en het adres van de opdrachtgever-,
het BTW-identificatienummer van de opdrachtgever;
de hoeveelheid der goederen die hem zijn toevertrouwd;
de gebruikelijke benaming van die goederen en hun nummers of identificatiekentekens wanneer ze er van voorzien zijn;
dadelijk na de voltooiing van de expertise of van het werk, de datum van de verzending of van het vervoer van de goederen die het voorwerp hebben uitgemaakt van de dienstverrichting;
per verzending, de hoeveelheid van de verzonden goederen alsook de gebruikelijke benaming ervan;
de hoeveelheid en de gebruikelijke benaming van de goederen die hem zijn toevertrouwd en die niet aan de opdrachtgever worden teruggegeven;
10°de datum en het inschrijvingsnummer in het boek voor uitgaande facturen van de facturen en de creditnota's die hij met betrekking tot de verrichte dienst heeft uitgereikt.
AFDELING 3. - VEREENVOUDIGINGEN

37. Onder het vroegere stelsel van niet-bilateraal intracommunautair maakloonwerk was er voorzien in een aantal vereenvoudigingsmaatregelen. De Commissie en de Lidstaten zijn overeengekomen om die vereenvoudigingen ook na 31 december 1995 verder toe te passen. Die regelingen worden hierna uiteengezet onder voorbehoud van eventuele wijzigingen en/of nieuwe vereenvoudigingsmaatregelen die de Lidstaten en de Commissie nog zouden nemen.

Er wordt opgemerkt dat de bedoelde vereenvoudigingen niet beperkt blijven tot het eigenlijke maakloonwerk, doch voortaan slaan op elk materieel werk of elke expertise met betrekking tot een lichamelijk roerend goed.



§1. Leverancier en dienstverrichter gevestigd in dezelfde Lidstaat
Geval nr. 1 : aankoop van goederen en opdracht tot uitvoering van een werk aan deze goederen in een andere Lidstaat dan die waar de opdrachtgever voor BTW-doeleinden geïdentificeerd is. Het afgewerkt product wordt verzonden naar de Lidstaat van de opdrachtgever. De leverancier en de dienstverrichter zijn in dezelfde Lidstaat gevestigd (zie ook Bijlage l).



a)Schema
+ -----------------------------+ +-----------------------------+ ¦ LS1 ¦ ¦ LS 2 ¦ ¦-----------------------------¦ ¦-----------------------------¦ ¦ A Verkoop van de grondstoffen------------+ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ vervoer ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ van de B¦-- werk aan een lichamelijk roerend goed ¦ ¦ grondstoffen ¦ --------------------------------------> C ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ B vervoer van het afgewerkte product----+ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ +-----------------------------+ +-----------------------------+ 38. Een leverancier (A), die voor BTW-doeleinden geïdentificeerd is in een Lidstaat (LS1), verkoopt grondstoffen aan (C). voor BTW-doeleinden geïdentificeerd in een andere Lidstaat (LS2). In opdracht van (C) worden de grondstoffen verzonden naar (B), dienstverrichter die voor BTW-doeleinden eveneens geïdentificeerd is in LS1, waarbij het afgewerkt product verzonden of vervoerd wordt naar (C).

b)Niet vereenvoudigd stelsel
39. Overeenkomstig de beginselen van de BTW-overgangsregeling is de levering van de materialen door (A) aan (C) een louter interne handeling die belast wordt in LS1, daar de materialen dit grondgebied niet verlaten. Na voltooiing van het werk verricht (C) bovendien een overbrenging van het afgewerkt product van LS1 naar LS2.

De plaats van de dienst bestaande in het werk aan de lichamelijk roerende goederen, dat materieel wordt uitgevoerd in LS1, wordt geacht zich te bevinden in LS2. (C) heeft immers een BTW-identificatie nummer meegedeeld dat hem werd toegekend in een andere Lidstaat dan deze van de materiële uitvoering van het werk en na bewerking worden de goederen verzonden of vervoerd buiten LS1.

(C) moet zich in principe voor BTW-doeleinden laten identificeren in LS1 alhoewel hij er, behalve een overbrenging van goederen, geen enkele belastbare handeling verricht.



c)Vereenvoudigd stelsel
1.Principe
40. Alle Lidstaten en de Europese Commissie zijn in dit geval unaniem de volgende praktische regels overeengekomen :

  • de levering van de materialen door (A) aan (C) is als intracommunautaire levering vrijgesteld indien voldaan is aan de voorwaarden van artikel 28quater, A, a), van de Zesde Richtlijn (z. art. 39bis, eerste lid, 1°, van het BTW-Wetboek);
  • hierbij dient de voorwaarde met betrekking tot het vervoer van de goederen te worden beoordeeld op grond van de bewijsstukken waarover de leverancier van de grondstoffen beschikt en die slaan op het vervoer van het afgewerkt product naar de Lidstaat waarin de opdrachtgever voor BTW-doeleinden geïdentificeerd is.


2.Verplichtingen van de belastingplichtige
België is LS1: de levering van de materialen en de materiële uitvoering van de dienstverrichting vinden plaats in België, door belastingplichtigen die voor BTW-doeleinden in België zijn geïdentificeerd

Verplichtingen van de leverancier (A)

41. De leverancier (A) verricht een levering van goederen voor zijn klant die voor BTW-doeleinden geïdentificeerd is in een andere Lidstaat.

Deze levering kan vrijgesteld worden van belasting, overeenkomstig artikel 39bis, eerste lid, 1°, van het BTW-Wetboek, op voorwaarde dat bij beschikt over het bewijs dat de goederen die hij aan de dienstverrichter heeft overhandigd, na uitvoering van het werk effectief het Belgisch grondgebied verlaten ter bestemming van de Lidstaat van de klant/opdrachtgever.

Hij neemt deze levering op in rooster 46 van zijn periodieke BTW-aangifte en in zijn intracommunautaire opgave (art, 53sexies van het BTW-Wetboek en het kon. besl. nr. 50 van 29 december 1992) met betrekking tot het tijdperk tijdens hetwelk de belasting over de betrokken levering opeisbaar is geworden en met vermelding van de medecontractant (C) als afnemer zoals deze is geïdentificeerd in LS2.

42. Overeenkomstig artikel 17, § 2, van het BTW-Wetboek is de belasting in beginsel opeishaar op de vijftiende van de maand die volgt op die waarin de levering van het goed heeft plaatsgevonden. Overeenkomstig artikel 16, § 1, van het BTW-Wetboek, heeft de levering plaats op het tijdstip waarop het goed ter beschikking wordt gesteld van de verkrijger of de overnemer. Wanneer het goed evenwel wordt vervoerd of verzonden door of voor rekening van de leverancier, heeft de levering plaats op het tijdstip van de aankomst van de verzending of van het vervoer ter bestemming van de verkrijger of overnemer.

Nochtans, wanneer de factuur met betrekking tot de levering van voormelde goederen wordt uitgereikt voor de vijftiende van de maand die volgt op het tijdstip van de levering, is de belasting opeisbaar op het tijdstip van het uitreiken van de factuur.

Geen enkele andere oorzaak kan tot gevolg hebben dat van de regel inzake de vijftiende van de maand volgend op het belastbaar feit wordt afgeweken wat de opeisbaarheid van de BTW voor intracommunautaire leveringen van goederen betreft. De betaling en de facturering van voorschotten hebben derhalve geen enkele invloed.

43. Hieruit volgt dat indien het vervoer van de grondstoffen naar de dienstverrichter (B) wordt verricht door of voor rekening van de leverancier (A), de levering plaatsheeft op het tijdstip van de aankomst van het vervoer bij (B).

Indien daarentegen (A) zich niet belast met het vervoer, heeft de levering plaats op het tijdstip waarop de grondstoffen ter beschikking worden gesteld in de inrichting van (A).

Het daaropvolgend vervoer van de bewerkte goederen heeft geen enkele invloed op het tijdstip van de levering der grondstoffen.

Verplichtingen van de dienstverrichter (B)

44. Bij de verzending of het vervoer van de bewerkte goederen naar de opdrachtgever realiseert de dienstverrichter (B) een dienstverrichting die geacht wordt plaats te vinden in LS2 (toepassing van art. 21, § 3, 2°, b), van het BTW-Wetboek). Hij neemt deze dienstverrichting op in rooster 47 van zijn periodieke BTW-aangifte (handeling verricht in het buitenland).

Geen, enkele inschrijving is vereist in de intracommunautaire opgave.

Wanneer de verrichte handeling bestaat uit een maakloonwerk in de zin van artikel 18. § 1. tweede lid. 1°, van het BTW-Wetboek, neemt de maakloonwerker de ontvangst van de materialen (zonder waardeaanduiding) op in het register der ontvangen materialen, overeenkomstig artikel 54bis, § 2, van het BTW-Wetboek en de artikelen 25, § 1 et 26 van het koninklijk besluit nr. 1.

Wanneer de verrichte handeling bestaat uit een expertise of een materieel werk ander dan een maakloonwerk, wordt bij wijze van toepassingsmodaliteit van de vereenvoudigingsmaatregel eveneens geëist dat (B) de goederen bij ontvangst opneemt in zijn register der ontvangen materialen.

Bij de terugzending van de goederen zuivert hij het register der ontvangen materialen aan overeenkomstig artikel 26 van het koninklijk besluit nr. 1.

België is LS2 : de levering van de materialen en de materiële uitvoering van de dienstverrichting vinden plaats in een andere Lidstaat voor rekening van de afnemer/opdrachtgever die voor BTW-doeleinden geïdentificeerd is in België.

Verplichtingen van (C) als afnemer van de goederen

45. (C) verricht een intracommunautaire verwerving van goederen onderworpen aan de BTW in België.

Hij neemt derhalve de maatstaf van heffing van de intracommunautaire verwerving van de goederen op in één van de roosters 81 tot 83 en in rooster 86 van zijn periodieke BTW-aangifte niet betrekking tot het tijdperk tijdens hetwelk de BTW opeisbaar is geworden over de intracommunautaire verwerving.

De opeisbare BTW wordt opgenomen in rooster 55 van dezelfde periodieke BTW-aangifte en is aftrekbaar volgens de gewone regels door opname in het rooster 59.

46. Overeenkomstig artikel 25septies van het BTW-Wetboek wordt de belasting opeisbaar op de vijftiende van de maand volgend op de maand waarin de intracornmunautaire verwerving heeft plaatsgevonden.

Nochtans wanneer de factuur met betrekking tot de intracommunautaire verwerving van de goederen aan de verkrijger wordt uitgereikt vóór de datum waarin voorzien in het vorige lid, wordt de belasting opeisbaar op het tijdstip van uitreiking van de factuur.

Bijgevolg mag de opdrachtgever (C) niet wachten tot de bewerkte goederen hem daadwerkelijk worden toegezonden om over te gaan tot de intracommunautaire verwerving van de grondstoffen. De intracommunautaire verwerving wordt in onderhavig geval immers geacht plaats te vinden op het tijdstip waarop de grondstoffen ter beschikking worden gesteld van de opdrachtgever of op het tijdstip van de aankomst van de verzending of het vervoer van de grondstoffen verricht door de leverancier (A) of voor zijn rekening (art. 25sexies, 25septies en art. 16, § 1, van het BTW-Wetboek).

47. Aangezien (C), op elke aanvraag van de administratie, de plaats waar de goederen die hij verworven heeft moet kunnen aantonen, alsook de naam en, desgevallend, het BTW-identificatienummer van de dienstverrichter, dient hij bij wijze van toepassingsmodaliteit van de vereenvoudigingsmaatregel, de verzending van de grondstoffen op te nemen in zijn register van niet-overbrengingen. Op het tijdstip van de ontvangst van de bewerkte goederen zuivert hij dit register aan.

Verplichtingen van (C) als ontvanger van de dienst

48. Overeenkomstig artikel 51, § 2, 1°, b), van het BTW-Wetboek is (C) schuldenaar van de BTW over de dienstverrichting die hem werd verstrekt en waarvan de plaats geacht wordt zich in België te bevinden op grond van artikel 21, § 3, 2°, b), van het BTW-Wetboek.

Hij neemt derhalve de maatstaf van heffing van de dienstverrichting op in één van de roosters 81 tot 83 alsook in rooster 88 van zijn periodieke BTW-aangifte niet betrekking tot de periode waarin de BTW opeisbaar is geworden overeenkomstig artikel 22, § 2, van het BTW-Wetboek.

De verschuldigde BTW wordt opgenomen in rooster 56 van dezelfde periodieke BTW-aangifte en is aftrekbaar volgens de gewone regels door opname in rooster 59.

§ 2. Leverancier en dienstverrichter gevestigd in verschillende Lidstaten.

Geval nr. 2 : aankoop van goederen en opdracht tot uitvoering van een werk aan deze goederen in een andere Lidstaat dan die waar de opdrachtgever voor BTW-doeleinden geïdentificeerd is. Het afgewerkt product wordt verzonden naar de Lidstaat van de opdrachtgever. De opdrachtgever bestelt de grondstoffen bij een leverancier gevestigd in een derde Lidstaat (zie ook Bijlage 2).

a) schema + ------------------------+ +------------------------+ ¦ LS1 ¦ ¦ LS2 ¦ ¦------------------------¦ ¦------------------------¦ ¦ + A verkoop van de grondstoffen ------------+ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ vervoer ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ +-----------¦------------+ ¦ ¦ ¦ van de ¦ ¦ ¦ ¦ +-----------¦------------+ ¦ ¦ ¦ ¦ grond- ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ stoffen ¦>B werk aan een lichamelijk onroerend goed ¦ ¦ ¦ ----------------------------------------> C ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ +>B vervoer van het afgewerkt product-------+ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦------------------------¦ +------------------------+ ¦ LS3 ¦ +------------------------+ 49. Een leverancier (A), die voor BTW-doeleinden geïdentificeerd is in LS1, verkoopt lichamelijke roerende goederen aan (C), die voor BTW-doeleinden geïdentificeerd is in een andere Lidstaat (LS2). De goederen worden in opdracht van (C) met het oog op een bewerking verzonden naar (B), dienstverrichter die voor BTW-doeleinden geïdentificeerd is in LS3. Het afgewerkt product wordt verzonden of vervoerd naar (C). Dit geval is een uitbreiding van geval nr. 1, in die zin dat het werk niet wordt verricht in de Lidstaat waar de grondstoffen aangekocht worden, doch wel in een derde Lidstaat van waaruit het afgewerkt product vervoerd zal worden ter bestemming van de Lidstaat waar de opdrachtgever voor BTW-doeleinden geïdentificeerd is.



b)Niet vereenvoudigd stelsel
50. De levering van de grondstoffen door (A) aan (C) kan aangemerkt worden als een intracommunautaire levering van goederen, die vrijgesteld is wanneer voldaan is aan de volgende voorwaarden (z. art. 28quater, A, a), van de Zesde Richtlijn en art. 39bis, eerste lid, 1°, van het BTW-Wetboek)

  • er is een levering aan (C) die voor BTW-doeleinden geïdentificeerd is in een andere Lidstaat (LS2);
  • de goederen worden verzonden of vervoerd door de verkoper, de afnemer, of voor hun rekening naar een plaats buiten LS1 doch binnen de Gemeenschap.
(A) moet deze levering bijgevolg opnemen in zijn intracommunautaire opgave.

De grondstoffen worden eerst naar LS3 verzonden om er een werk te ondergaan, alvorens verzonden te worden naar LS2. (C) verricht bijgevolg in LS3 een intracommunautaire verwerving van de grondstoffen. Na afloop van het werk verricht hij een overbrenging van het afgewerkt product naar LS2.

Dit betekent dat (C) in LS3 aan de verplichtingen moet voldoen wegens de verrichting van belastbare handelingen in deze Lidstaat: identificatie voor de BTW (in voorkomend geval, door middel van de erkenning van een aansprakelijk vertegenwoordiger), indienen van periodieke aangiften met vermelding van de verschuldigde/aftrekbare BTW op de intracommunautaire verwerving van de materialen en van de overbrenging van het eindproduct naar LS2.

Indien (C) aan (B) zijn BTW-identificatienummer mededeelt, dat hem werd toegekend in LS2, zal de dienstverrichting bestaande in het werk aan de roerende goederen, dat materieel uitgevoerd werd in LS3, geacht worden plaats te vinden in LS2. (C) heeft immers aan (B) zijn BTW-identificatienummer opgegeven dat hem werd toegekend door een andere Lidstaat dan deze van materiële uitvoering van het werk en de goederen werden na bewerking verzonden buiten LS3.

Indien (C) daarentegen aan (B) zijn BTW-identificatienummer dat hem werd toegekend in LS3 opgeeft, zal de plaats van de dienst bestaande in het werk geacht worden zich in LS3 te bevinden, plaats van de materiële uitvoering.



c)Vereenvoudigd stelsel
1.Principe
51. In dit geval hebben de Lidstaten en de Commissie unaniem beslist dat volgende praktische regels van toepassing zijn :

  • aangezien het afgewerkt product verzonden of vervoerd wordt naar de Lidstaat van de opdrachtgever, wordt de Lidstaat van aankomst van het afgewerkt product geacht de plaats van aankomst van de grondstoffen te zijn. Bijgevolg moet de Lidstaat waar het werk materieel wordt verricht, niet aangemerkt worden als de plaats van verwerving van deze grondstoffen in hoofde van de opdrachtgever;
  • teneinde de aanwezigheid van de goederen te rechtvaardigen, moet de belastingplichtige/uitvoerder van het werk, een voldoende gedetailleerde boekhouding voeren (in België gaat het om een register) die toelaat de goederen te identificeren die hem werden toevertrouwd door de opdrachtgever met het oog op de uitvoering van een werk (z, art. 22, lid 2, onder b), tweede alinea, van de Zesde Richtlijn; art. 54bis, § 1, tweede lid, van het BTW-Wetboek en art. 25, § 2, van het kon. besl. nr. 1).


2.Verplichtingen van de belastingplichtig
België is LS1: de levering van de materialen wordt verricht door een leverancier die voor BTW-doeleinden geïdentificeerd is in België.

Verplichtingen van de leverancier (A)

52. De leverancier (A) verricht een levering van goederen aan (C), die voor BTW-doeleinden geïdentificeerd is in een andere Lidstaat (LS2). Deze levering is in principe vrijgesteld van belasting, overeenkomstig artikel 39bis, eerste lid, 1°, van het BTW-Wetboek, indien deze goederen daadwerkelijk het Belgisch grondgebied verlaten.

Merk op dat deze vereenvoudiging volkomen verenigbaar is met de veiligheidsbepaling inzake de plaats van de intracommunautaire verwervingen van goederen (art. 25quinquies, § 3, van het BTW-Wetboek). Als (C) immers de goederen koopt onder het BTW-identificatienummer dat hem werd toegekend door LS2, wordt de plaats van de intracommunautaire verwerving in ieder geval geacht zich te bevinden in LS2. Bij gebrek aan herverzending van het afgewerkt product naar LS2, zal de veiligheidsbepaling geheel en al van toepassing zijn. Indien daarentegen het afgewerkt product daadwerkelijk verzonden wordt ter bestemming van LS2, zal de veiligheidsbepaling samenvallen met het algemeen beginsel van belastingheffing in de Lidstaat van aankomst van het vervoer, overeenkomstig artikel 25quinquies, § 2, van het BTW-Wetboek, dat niet als voorwaarde stelt dat de goederen in dezelfde staat als deze waarin ze werden aangekocht ter bestemming moeten aankomen.

(A) neemt deze levering op in rooster 46 van zijn periodieke BTW-aangifte en in zijn intracommunautaire opgave (art. 53sexies van het BTW-Wetboek en kon. besl. nr. 50 van 29 december 1992), met betrekking tot de periode waarin de belasting over deze levering opeisbaar is geworden overeenkomstig artikel 17, § 2, van het BTW-Wetboek (z. nrs. 42 en 43, hiervoor) en met vermelding van de medecontractant (C) als af nemer zoals deze geïdentificeerd is in LS2.

België is LS3: de dienst wordt uitgevoerd door een dienstverrichter die voor BTW-doeleinden geïdentificeerd is in België.

Verplichtingen van de dienstverrichter (B)

53. Bij de verzending of het vervoer van de bewerkte goederen naar de opdrachtgever verricht de dienstverrichter (B) een dienst die geacht wordt plaats te vinden in LS2 (toepassing van art. 21, § 3, 2°, b), van het BTW-Wetboek). Hij neemt deze dienstverrichting op in rooster 47 van zijn periodieke BTW-aangifte (handeling verricht in het buitenland).

Geen enkele inschrijving is vereist in de intracommunautaire opgave.

Wanneer de verrichte handeling bestaat uit een maakloon werk in de zin van artikel 18, § 1. tweede lid, van het BTW-Wetboek, neemt de maakloonwerker de ontvangst van de materialen (zonder waardeaanduiding) op in het register der ontvangen materialen. overeenkomstig artikel 54bis, § 2, van het BTW-Wetboek en de artikelen 25, § 1 et 26 van het koninklijk besluit nr. 1.

Wanneer de verrichte handeling bestaat uit een expertise of een materieel werk ander dan een maakloonwerk, wordt bij wijze van toepassingsmodaliteit van de vereenvoudigingsmaatregel eveneens geëist dat (B) de goederen bij ontvangst opneemt in zijn register der ontvangen materialen.

Bij de terugzending van de goederen zuivert hij het register der ontvangen materialen aan overeenkomstig artikel 26 van het koninklijk besluit nr. 1.

België is LS2 de ontvanger/opdrachtgever laat de goederen leveren in België alwaar hij voor BTW-doeleinden geïdentificeerd is.

Verplichtingen van (C) als afnemer van de goederen

54. (C) verricht een intracommunautaire verwerving van goederen onderworpen aan de BTW in België.

Hij neemt de maatstaf van heffing van de intracommunautaire verwerving van de goederen op in één van de roosters 81 tot 83 en in rooster 86 van de periodieke BTW-aangifte met betrekking tot het tijdperk tijdens hetwelk de BTW opeisbaar is geworden over de intracommunautaire verwerving overeenkomstig artikel 25septies van het BTW-Wetboek (z. nummer 46, hiervoor). In geen enkel geval mag hij wachten tot de bewerkte goederen hem daadwerkelijk worden toegezonden om over te gaan tot de intracommunautaire verwerving van de grondstoffen. De intracommunautaire verwerving wordt immers geacht plaats te vinden op het tijdstip waarop de grondstoffen ter beschikking worden gesteld van de opdrachtgever of op het tijdstip van de aankomst van de verzending of het vervoer van de grondstoffen verricht door de leverancier (A) of voor zijn rekening (art. 25sexies, 25septies en art. 16, § 1, van het BTW-Wetboek).

De verschuldigde BTW wordt opgenomen in rooster 55 van dezelfde periodieke BTW-aangifte en is aftrekbaar volgens de gewone regels door opname in rooster 59.

55. Aangezien (C), op elke aanvraag van de administratie, de plaats waar de goederen die hij verworven heeft moet kunnen aantonen, alsook de naam en, desgevallend, het BTW-identificatienummer van de dienstverrichter, dient hij bij wijze van toepassingsmodaliteit van de vereenvoudigingsmaatregel, de verzending van de grondstoffen op te nemen in zijn register van niet-overbrengingen. Op het tijdstip van de ontvangst van de bewerkte goederen zuivert hij dit register aan.

Verplichtingen van (C) als ontvanger van de dienst

56. Overeenkomstig artikel 51, § 2, 10, b), van het BTW-Wetboek is (C) schuldenaar van de BTW over de dienst die hem verstrekt is en die geacht wordt in België plaats te vinden op grond van artikel 21, § 3, 2°, b), van het BTW-Wetboek.

Hij neemt dus de maatstaf van heffing van de dienst op in één van de roosters 81 tot 83, alsook in rooster 88 van zijn periodieke BTW-aangifte met betrekking tot de periode waarin de BTW opeisbaar is geworden overeenkomstig artikel 22, § 2, van het BTW-Wetboek.

De verschuldigde BTW wordt opgenomen in rooster 56 van dezelfde periodieke BTW-aangifte en is overeenkomstig de gewone regels aftrekbaar in rooster 59.



§3. Opeenvolgende dienstverrichters gevestigd in dezelfde Lidstaat
Geval nr. 3.1 : opdracht tot uitvoering van twee of meerdere opeenvolgende werken met betrekking tot lichamelijk roerende goederen in een andere Lidstaat dan diegene waar de opdrachtgever voor BTW-doeleinden geïdentificeerd is. Het afgewerkt product keert terug ter bestemming van de opdrachtgever in de Lidstaat waar deze voor BTW-doeleinden geïdentificeerd is (zie ook Bijlage 3).



a)Schema
+ ----------------------------+ +-----------------------------+ ¦ LS 1 ¦ ¦ LS 2 ¦ ¦----------------------------¦ ¦-----------------------------¦ ¦ vervoer + A vervoer van de grondstoffen ------------+ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ +-------------+ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ van het ¦ werk aan een lichamelijk roerend goed C ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ +------------+ ¦ ¦ ¦ tussenpro- +> B vervoer van het afgewerkt product -------+ ¦ ¦ duct ¦ ¦ ¦ +----------------------------+ +-----------------------------+ 57. Een opdrachtgever (C), die voor BTW-doeleinden geïdentificeerd is in LS2, bestelt twee opeenvolgende werken met betrekking tot lichamelijk roerende goederen, waarvan het eerste wordt uitgevoerd door de dienstverrichter (A) en het tweede door de dienstverrichter (B), beiden voor BTW-doeleinden geïdentificeerd in LS1. De opdrachtgever verzendt de te bewerken goederen vanuit de Lidstaat waar hij gevestigd is (LS2). Het afgewerkt product keert terug naar de Lidstaat van de opdrachtgever (LS2).

b)Toepasselijk stelsel
1.Principe
58. In het in nr. 57 beschreven geval, mag worden aangenomen dat de voorwaarden gesteld in artikel 28ter, titel F, van de Zesde Richtlijn (z. art. 21, § 3, 2°, b), van het BTW-Wetboek) vervuld zijn, zowel voor de dienst verricht door (A) als voor deze verricht door (B). Inderdaad vormt een tijdelijk oponthoud der goederen in de vestiging van (B) geen hinderpaal opdat de voorwaarde inzake vervoer naar LS2 eveneens vervuld is in hoofde van (A), voor zover deze laatste over alle elementen beschikt om het vervoer van het afgewerkt product buiten LS1 aan te tonen.

59. Bijgevolg zijn de Lidstaten en de Commissie unaniem overeengekomen dat de volgende praktische regels van toepassing zijn :

  • beide diensten worden geacht zich te situeren overeenkomstig de regel ingesteld bij artikel 28ter, titel F, van de Zesde Richtlijn (z. art. 21, § 3, 2°, b), van het BTW-Wetboek) wanneer de toepassings-voorwaarden daartoe vervuld zijn;
  • de vervulling van de voorwaarde van het vervoer of de verzending buiten de Lidstaat waar het werk materieel werd verricht, moet daartoe worden beoordeeld op basis van de bewijsstukken waarover elk van de dienstverrichters beschikt met betrekking tot het vervoer van het afgewerkt product buiten de Lidstaat van materiële uitvoering;
  • de verzending van de lichamelijk roerende goederen buiten het grondgebied waarbinnen de opdrachtgever voor BTW-doeleinden is geïdentificeerd geeft geen aanleiding tot een belastbare overbrenging overeenkomstig artikel 28bis, lid 5, onder b), 5de streepje van de Zesde Richtlijn (z. art. 12bis, tweede lid, 5°, van het BTW-Wetboek) en impliceert, overeenkomstig artikel 22, lid 2, onder b, eerste alinea van de Zesde Richtlijn (z. art. 54bis, § 1, eerste lid, van het BTW-Wetboek), een inschrijving in het register der verzonden of vervoerde goederen (register der niet-overbrengingen).


2.Verplichtingen van de belastingplichtigen
België is LS1 : de werken aan de lichamelijk roerende goederen worden uitgevoerd door belastingplichtigen die voor BTW-doeleinden in België geïdentificeerd zijn.

Verplichtingen van de dienstverrichters (A) en (B)

60. De twee dienstverrichters verrichten een dienst die geacht wordt plaats te vinden in LS2 (toepassing van art. 21, § 3, 2°, b), van het BTW-Wetboek). Ze nemen deze dienst op in het rooster 47 van hun periodieke BTW-aangifte (handelingen verricht in het buitenland).

Geen enkele inschrijving is vereist in de intracommunautaire opgave.

61. Op het ogenblik dat bij de materialen ontvangt, neemt de dientverrichter (A) deze (zonder waardebepaling) op in het register der ontvangen materialen, overeenkomstig artikel 54bis, § 1, tweede lid, van het BTW-Wetboek en de artikelen 25 en 26 van het koninklijk besluit nr. 1.

Bij de verzending van de goederen naar B zuivert hij het register der ontvangen materialen aan, overeenkomstig artikel 26 van het koninklijk besluit nr. 1.

62. Wanneer de verrichte handeling bestaat uit een maakloonwerk in de zin van artikel 18, § 1, tweede lid, 1°, van het BTW-Wetboek, neemt de maakloonwerker (B) de ontvangst van de materialen (zonder waardeaanduiding) op in het register der ontvangen materialen, overeenkomstig artikel 54bis, § 2, van het BTW-Wetboek en, de artikelen 25, § 1 en 26 van het koninklijk besluit nr. 1.

Wanneer de verrichte handeling bestaat uit een expertise of een materieel werk ander dan een maakloonwerk, wordt bij wijze van toepassingsmodaliteit van de vereenvoudigingsmaatregel eveneens geëist dat (B) de goederen bij ontvangst opneemt in zijn register der ontvangen materialen.

Bij de terugzending van de goederen zuivert (B) het register der ontvangen goederen aan, overeenkomstig artikel 26 van het koninklijk besluit nr. 1.

63. Door het feit dat de bewerkte goederen door de eerste dienstverrichter (A) niet onmiddellijk buiten België verzonden zijn, moet hij, en in voorkomend geval elke andere tussenkomende dienstverrichter, over het bewijs beschikken dat de goederen na bewerking effectief verzonden of vervoerd zijn buiten België.

België is LS2 : de opeenvolgende dienstverrichtingen aan een lichamelijk roerend goed worden uitgevoerd voor rekening van een opdrachtgever die voor BTW-doeleinden in België is geïdentificeerd.

Verplichtingen van de opdrachtgever (C)

64. Bij de verzending van de te bewerken materialen naar LS1 bij de eerste dienstverrichter (A), moet de opdrachtgever (C) hiervan melding maken in zijn register der niet-overbrengingen, te houden overeenkomstig artikel 54bis, § 1, eerste lid, van het BTW-Wetboek en de artikelen 23 en 24 van het koninklijk besluit nr. 1.

Overeenkomstig artikel 51, § 2, 1°, b), van het BTW-Wetboek, is hij schuldenaar van de BTW over de diensten die hem werden verstrekt en die geacht worden in België plaats te vinden, op grond van artikel 21, § 3, 2°, b), van het BTW-Wetboek.

Hij neemt aldus de maatstaf van heffing van deze diensten op in één van de roosters 81 tot 83, alsook in rooster 88 van zijn periodieke BTW-aangifte met betrekking tot de periode waarin de BTW opeisbaar is geworden overeenkomstig artikel 22, § 2, van het BTW-Wetboek.

De verschuldigde BTW wordt opgenomen in rooster 56 van dezelfde periodieke BTW-aangifte en is overeenkomstig de normale regels aftrekbaar in rooster 59.

Op het tijdstip van aankomst der goederen bij (B), moet (C) de wijziging van bestemming der goederen vermelden in zijn register der niet-overbrengingen. Bij toepassing van artikel 24 van het koninklijk
besluit nr. 1, wordt in het register der niet-overbrengingen de naam en het adres van de bestemmeling der betrokken goederen (B) opgetekend, alsook het BTW-identificatienummer van deze bestemmeling en de plaats van bestemming van deze goederen.

(C) zuivert bij de terugkeer der goederen in LS2 zijn register der niet-overbrengingen aan overeenkomstig artikel 24 van het koninklijk besluit nr. 1.



§4. Hoofdaannemer en onderaannemer gevestigd in dezelfde Lidstaat
Geval nr. 3.2 : opdracht tot uitvoering van een werk aan een lichamelijk roerend goed in een andere Lidstaat dan die waar de opdrachtgever voor BTW-doeleinden geïdentificeerd is. De dienst verrichter geeft het werk geheel of gedeeltelijk in onderaanneming aan een dienstverrichter die voor BTW-doeleinden geïdentificeerd is in dezelfde Lidstaat. Het afgewerkt product keert terug naar de Lidstaat van de opdrachtgever (z. ook Bijlage 4).



a)Schema
+ --------------------------------+ +----------------------------------+ ¦ LS 1 ¦ ¦ LS 2 ¦ ¦--------------------------------¦ ¦----------------------------------¦ ¦ +------------------------------------------+ ¦ ¦ vervoer van een lichamelijk roerend goed ¦ ¦ ¦ A ---------------------------------------+ ¦ ¦ ¦ vervoer ¦werk ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ van een ¦aan een ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ lichamelijk ¦lichamelijk ¦>werk aan lichamelijk roerend goed C ¦ ¦ roerend ¦roerend ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ goed ¦goed ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ B -----------------------------------------+ ¦ ¦ vervoer van het afgewerkt product ¦ +--------------------------------+ +----------------------------------+ 65. Een opdrachtgever (C) die voor de BTW is geïdentificeerd in LS2, bestelt een werk aan een lichamelijk roerend goed bij dienstverrichter (A), die voor de BTW is geïdentificeerd in LS1. (A) geeft het werk geheel of gedeeltelijk in onderaanneming aan dienstverrichter (B), die eveneens voor BTW-doeleinden geïdentificeerd is in LS1. Het afgewerkt product wordt vervoerd naar (C) in LS2.

b)Toepasselijk stelsel
1.Principe
66. Vermits het afgewerkt product wordt teruggezonden naar (C) in LS2 op het tijdstip dat de dienstverrichting van (A) is voltooid, zijn geen werkelijke vereenvoudigingsregels van toepassing. Het oponthoud van de goederen bij dienstverrichter (B) vormt geen bezwaar om aan te nemen dat de voorwaarde inzake het vervoer van het afgewerkt product buiten LS1 vervuld is.



67.De toestand dient bijgevolg als volgt te worden geanalyseerd :
  • de dienst verricht door de eerste dienstverrichter aan de opdrachtgever is onderworpen aan de regels vervat in artikel 28ter, titel F, van de Zesde Richtlijn (z. art. 21, § 3. 2°, b). van het BTW-Wetboek) van zodra aan de twee aldaar opgelegde voorwaarden is voldaan;
  • of voldaan is aan de voorwaarde van het vervoer van de goederen buiten de Lidstaat van materiële uitvoering moet beoordeeld worden op basis van bewijsmiddelen waarover (de dienstverrichter beschikt en die betrekking hebben op het vervoer kan het afgewerkt product buiten de Lidstaat van de materiële uitvoering;
  • de verzending van de lichamelijk roerende goederen buiten de Lidstaat waarbinnen de opdrachtgever geïdentificeerd is geeft geen aanleiding tot een belastbare overbrenging overeenkomstig artikel 28bis, vijfde lid, onder b), 5de streepje van de Zesde Richtlijn (z. art. 12bis, tweede lid, 5°, van het BTW-Wetboek) en impliceert overeenkomstig artikel 22, tweede lid, onder b, eerste alinea van de Zesde Richtlijn (z. art. 54bis, § 1, van het BTW-Wetboek), een inschrijving in het register van verzonden of vervoerde goederen (register der niet-overbrengingen);
  • het werk door (A) in onderaanneming aan (B) gegeven, zal belast worden volgens het interne stelsel van LS1 (het wordt uitgevoerd voor een belastingplichtige die voor BTW-doeleinden in dezelfde Lidstaat is geïdentificeerd), de belasting is aftrekbaar in hoofde van (A).


2.Verplichtingen van de belastingplichtigen
België is LS1 : de werken aan de lichamelijk roerende goederen worden verricht in België.

Verplichtingen van de hoofdaannemer van de dienst (A)

68. (A) verricht een dienst die geacht wordt plaats te vinden in LS2 (toepassing van artikel 21, § 3, 2°, b), van het BTW-Wetboek). Hij neemt deze dienst op in rooster 47 van zijn periodieke BTW-aangifte (handeling verricht in het buitenland).

Geen enkele inschrijving is vereist in de intracommunautaire opgave.

Bij ontvangst van de materialen, maakt (A) daarvan melding (zonder waardeaanduiding) in zijn register van ontvangen materialen, overeenkomstig artikel 54bis, § 1, tweede lid, van het BTW-Wetboek en de artikelen 25 en 26 van het koninklijk besluit nr. 1.

(A) brengt op het tijdstip van de verzending van het goed naar (B) geen enkele vermelding aan in het register van ontvangen materialen, vermits de dienstverrichting van (A) op dat tijdstip nog niet is voltooid.

Bij de verzending van de goederen naar (C), op het tijdstip dat zijn dienstverrichting voltooid is, zuivert (A) het register van ontvangen materialen aan, overeenkomstig artikel 26 van het koninklijk besluit nr 1.

De BTW die hem door (B) aangerekend werd voor het werk uitgevoerd in onderaanneming is aftrekbaar door (A) volgens de gewone regels.

Door het feit dat de bewerkte goederen niet onmiddellijk door (A) verzonden zijn buiten België, moet deze het bewijs verkrijgen dat na de bewerking de goederen effectief buiten België zijn verzonden of vervoerd.

Verplichtingen van de dienstverrichter in onderaanneming(B)

69. (B) verricht een dienst die geacht wordt in België plaats te vinden (toepassing van art. 21, § 3, 2°, a), van het BTW-Wetboek).

Hij neemt het bedrag van zijn dienst (rooster 01 tot 03) en de daarover verschuldigde BTW op in zijn periodieke aangifte (rooster 54).

Wanneer de opdracht bestaat uit een maakloonwerk, maakt de maakloonwerker melding van de ontvangst van de materialen (zonder waardeaanduiding) in het register van de ontvangen materialen, overeenkomstig artikel 54bis, § 2, van het BTW-Wetboek en de artikelen 25, § 1 en 26 van het koninklijk besluit nr. 1.

Bij de terugzending van de goederen zuivert hij het register van ontvangen materialen aan, overeenkomstig artikel 26 van het koninklijk besluit nr 1.

België is LS2: de dienst wordt verricht voor een opdrachtgever die voorr BTW-doeleinden geïdentificeerd is in België.

Verplichtingen van de opdrachtgever (C)

70. Bij de verzending van de materialen vanuit België moet de opdrachtgever (C) deze opnemen in zijn register der niet-overbrengingen, overeenkomstig artikel 54bis, § 1, eerste lid, van het BTW-Wetboek en de artikelen 23 en 24 van het koninklijk besluit nr 1.

Overeenkomstig artikel 51, § 2, 1°, b), van het BTW-Wetboek is hij schuldenaar van de BTW over de dienst die hem door (A) werd verstrekt en die geacht wordt plaats te vinden in België op grond van artikel 21, § 3, 2°, b), van het BTW-Wetboek.

Hij neemt de maatstaf van heffing van die dienst bijgevolg op in één van de roosters 81 tot 83 alsook in rooster 88 van zijn periodieke BTW-aangifte met betrekking tot de periode waarin de BTW opeisbaar werd overeenkomstig artikel 22, § 2, van het BTW-Wetboek.

De verschuldigde BTW wordt opgenomen in rooster 56 van dezelfde periodieke BTW-aangifte en is aftrekbaar in rooster 59 volgens de gewone regels.

Hij zuivert overeenkomstig artikel 24 van het koninklijk besluit nr. 1 zijn register der niet-overbrengingen aan bij ontvangst van het afgewerkt product.

§ 5. Opeenvolgende dienstverrichters gevestigd in verschillende Lidstaten

Geval nr. 4.1 : opdracht tot uitvoering van twee of meerdere opeenvolgende werken aan lichamelijk roerende goederen die uitgevoerd worden in meerdere Lidstaten, andere dan deze waar de opdrachtgever voor BTW-doeleinden geïdentificeerd is. Het afgewerkt product keert terug naar de Lidstaat van de opdrachtgever (z. ook Bijlage 5).



a)Schema
+ --------------------------------+ +----------------------------------+ ¦ LS 1 ¦ ¦ LS 2 ¦ ¦--------------------------------¦ ¦----------------------------------¦ ¦ vervoer van het lichamelijk roerend goed ----+ ¦ ¦ A --------------------------------------------+ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ vervoer ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ +------------------¦-------------+ +--------------------------¦--¦----+ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ van het ¦ werk aan een lichamelijk roerend goed C ¦ +------------------¦-------------+ +--------------------------¦--¦----+ ¦ tussenproduct ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ B --------------------------------------------+ ¦ ¦ ¦ vervoer van het afgewerkt product ------------+ ¦ ¦--------------------------------¦ +----------------------------------+ ¦ LS 3 ¦ +--------------------------------+ 71. Een opdrachtgever (C), die voor BTW-doeleinden geïdentificeerd is in LS2, bestelt twee opeenvolgende werken aan lichamelijk roerende goederen, waarvan het eerste uitgevoerd wordt door dienstverrichter (A), die voor BTW-doeleinden geïdentificeerd is in LS1, en het tweede door dienstverrichter (B), die voor BTW-doeleinden geïdentificeerd is in LS3. (C) verzendt de te bewerken goederen van de Lidstaat waar hij is gevestigd (LS2) naar de dienstverrichter in LS1. Het afgewerkt product wordt uiteindelijk (na bewerking door (B) in LS3) verzonden naar (C) in LS2.

b)Toepasselijk stelsel
1.Principe
72. In het in nr. 71 beschreven geval, mag worden aangenomen dat de verzending der goederen door (C) vanuit LS2 geen aanleiding geeft tot een belastbare overbrenging overeenkomstig artikel 28bis, vijfde lid, onder b), vijfde streepje, van de Zesde Richtlijn (z. art. 12bis, tweede lid, 5°, van het BTW-Wetboek). Inderdaad vormt een tijdelijk oponthoud der goederen in de vestiging van (B) in LS3 geen hinderpaal opdat voldaan is aan de voorwaarde dat de goederen na bewerking worden teruggezonden ter bestemming van (C) in LS2 waarvandaan ze oorspronkelijk werden verzonden of vervoerd.

73. Bijgevolg zijn de Lidstaten en de Europese Commissie unaniem volgende praktische regels overeengekomen :

  • beide diensten worden geacht zich te situeren overeenkomstig de regel ingesteld bij artikel 28ter, titel F, van de Zesde Richtlijn (z. art. 21, § 3, 2°, b), van het BTW-Wetboek) want de toepassingsvoorwaarden daartoe zijn vervuld;
  • de vervulling van de voorwaarde van het vervoer of de verzending buiten de Lidstaat waar het werk materieel werd verricht, moet worden beoordeeld op basis van de bewijsstukken waarover elk van de dienstverrichters beschikt met betrekking tot het vervoer van de bewerkte goederen buiten de Lidstaat van de materiële uitvoering;
  • de verzending van de lichamelijke roerende goederen buiten het grondgebied waarbinnen de opdrachtgever voor BTW-doeleinden is geïdentificeerd, geeft geen aanleiding tot een belastbare overbrenging overeenkomstig artikel 28bis, lid 5, onder b), 5de streepje van de Zesde Richtlijn (z. art. 12bis, tweede lid, 5°, van het BTW-Wetboek) en impliceert, overeenkomstig artikel 22, lid 2, onder b, eerste lid van de Zesde Richtlijn (z. art. 54bis, § 1, eerste lid, van het BTW-Wetboek), een inschrijving in het register der verzonden of vervoerde goederen (register der niet-overbrengingen);
  • ter verantwoording van de aanwezigheid van de goederen die een bewerking dienen te ondergaan binnen de onderneming moeten de belastingplichtigen die deze bewerkingen verrichten een voldoende gedetailleerde boekhouding voeren (in België gaat het om een register) die toelaat de goederen die hen vanuit een andere Lidstaat werden toegezonden te identificeren (art. 22. lid 2, onder b), tweede alinea van de Zesde Richtlijn) (z. BTW-Wetboek art. 54bis, § 1, tweede lid en art. 25 van het kon. besl. nr. 1).


2.Verplichtingen van de belastingplichtigen
België is LS1 : de dienst wordt verricht door een dienstverrichter die voor BTW-doeleinden in België is geïdentificeerd.

Verplichtingen van de dienstverrichter (A)

74. De dienstverrichter (A) verricht een dienst die geacht wordt plaats te vinden in LS2 (toepassing van art. 21, § 3, 2°, b), van het BTW-Wetboek). Hij vermeldt deze dienst in rooster 47 van zijn periodieke BTW-aangifte (handeling verricht in het buitenland).

Geen enkele inschrijving is vereist in de intracommunautaire opgave.

Bij ontvangst van de materialen, maakt (A) daarvan melding (zonder waardeaanduiding) in zijn register van ontvangen materialen, overeenkomstig artikel 54bis, § 1, tweede lid, van het BTW-Wetboek en de artikelen 25 en 26 van het koninklijk besluit nr. 1.

Bij de verzending van de goederen naar B zuivert hij het register van ontvangen materialen aan, overeenkomstig artikel 26 van het koninklijk besluit nr 1.

België is LS3: de dienst wordt verricht door een dienstverrichter die voor de BTW-doeleinden in België is geïdentificeerd.

Verplichtingen van de dienstverrichter (B)

75. De dienstverrichter (B) verricht een dienst die geacht wordt plaats te vinden in LS2 (toepassing van art. 21, § 3, 2°, b), van het BTW-Wetboek). Hij vermeldt deze dienst in rooster 47 van zijn periodieke aangifte (handeling verricht in het buitenland).

Geen enkele inschrijving is vereist in de intracommunautaire opgave.

Wanneer de verrichte handeling bestaat uit een maakloonwerk in de zin van artikel 18, § 1, tweede lid, 1°, van het BTW-Wetboek, neemt de maakloonwerker de ontvangst van de materialen (zonder waardeaanduiding) op in het register der ontvangen materialen, overeenkomstig artikel 54bis, § 2, van het BTW-Wetboek en de artikelen 25, § 1 en artikel 26 van het koninklijk besluit nr. 1.

Wanneer de verrichte handeling bestaat uit een expertise of een materieel werk ander dan een maakloonwerk, wordt bij wijze van toepassingsmodaliteit van de vereenvoudigheidsmaatregel eveneens geëist dat (B) de goederen bij ontvangst opneemt in zijn register der ontvangen materialen.

Bij de terugzending van de goederen zuivert (B) het register der ontvangen materialen aan overeenkomstig artikel 26 van het koninklijk besluit nr. 1.

België is LS2: de diensten worden verricht voor een opdrachtgever die voor BTW-doeleinden in België is geïdentificeerd.

Verplichtingen van de opdrachtgever (C)

76. Bij de verzending van de materialen vanuit België moet de opdrachtgever deze opnemen in zijn register der niet-overbrengingen, overeenkomstig artikel 54bis, § 1, eerste lid, van het BTW-Wetboek en de artikelen 23 en 24 van het koninklijk besluit nr 1.

Overeenkomstig artikel 51, § 2, 1°, b), van het BTW-Wetboek is hij schuldenaar van de BTW over de dienstverrichtingen die voor hem werden verricht door (A) en door (B) en die geacht worden plaats te vinden in België op grond van artikel 21, § 3, 2°, b), van het BTW-Wetboek.

Hij neemt dus de maatstaf van heffing van die dienst op in één van de roosters 81 tot 83 alsook in rooster 88 van zijn periodieke BTW-aangifte met betrekking tot de periode waarin de BTW opeisbaar werd overeenkomstig artikel 22, § 2, van het BTW-Wetboek.

De verschuldigde BTW wordt opgenomen in rooster 56 van dezelfde periodieke BTW-aangifte en is aftrekbaar in rooster 59 volgens de gewone regels.

Op het tijdstip van aankomst der goederen bij (B), moet (C) de wijziging van bestemming der goederen vermelden in zijn register der niet-overbrengingen. Bij toepassing van artikel 24 van het koninklijk besluit nr. 1, wordt in het register der niet-overbrengingen de naam en het adres van de bestemmeling der betrokken goederen (B) opgetekend, alsook het BTW-identificatienummer van deze bestemmeling en de plaats van bestemming van deze goederen.

(C) zuivert bij de terugkeer der goederen in LS2 kijn register der niet-overbrengingen aan overeenkomstig artikel 24 van het koninklijk besluit nr. 1.

§ 6. Hoofdaannemer en onderaannemer gevestigd in verschillende Lidstaten

Geval nr. 4.2 : opdracht tot uitvoering van een werk aan lichamelijk roerende goederen in een andere Lidstaat dan die waar de opdrachtgever voor BTW-doeleinden geïdentificeerd is. De dienstverrichter geeft het werk geheel of gedeeltelijk in onderaanneming aan een dienstverrichter die voor BTW-doeleinden geïdentificeerd is in een derde Lidstaat. Het afgewerkt product keert terug naar de Lidstaat van de opdrachtgever (z. ook Bijlage 6).



a)Schema
+ ----------------------------------+ +--------------------------------+ ¦ LS 1 ¦ ¦ LS 2 ¦ ¦----------------------------------¦ ¦--------------------------------¦ ¦ vervoer van een lichamelijk roerend goed ----+ ¦ ¦ A --------------------------------------------+ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ vervoer ¦ werk ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ +----------¦---------¦-------------+ +--------------------------¦-¦---+ van een ¦ aan een ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ lichame- ¦ lichame-¦> werk aan een lichamelijk roerend goed C lijk ¦ lijk ¦ +----------¦---------¦-------------+ +----------------------------¦---+ ¦ roerend ¦ roerend ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ goed goed ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ B ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ vervoer van het afgewerkt product ------------+ ¦ ¦----------------------------------¦ +--------------------------------+ ¦ LS 3 ¦ +----------------------------------+ 77. Een opdrachtgever (C) die voor BTW-doeleinden geïdentificeerd is in LS2, geeft aan (A), die voor BTW-doeleinden in LS1 geïdentificeerd is, de opdracht een werk aan lichamelijk roerende goederen te verrichten. (A) geeft dit werk geheel of gedeeltelijk in onderaanneming aan (B) die voor BTW-doeleinden in LS3 geïdentificeerd is. Het afgewerkt product wordt naar (C) in LS2 verzonden.

b)Vereenvoudigd stelsel
1.Principe
78. In het nr. 77 beschreven geval, kan worden aangenomen dat de voorwaarden gesteld voor de toepassing van artikel 28ter, titel F, van de Zesde Richtlijn (z. art. 21, § 3, 2°, b), van het BTW-Wetboek) vervuld zijn, zowel voor het werk verricht door (A) als datgene verricht door(B).

Overigens geeft de verzending der goederen door (C) buiten het grondgebied van LS2 geen aanleiding tot een belastbare overbrenging overeenkomstig artikel 28bis, vijfde lid, onder b), vijfde streepje, van de Zesde Richtlijn (zie art. 12bis, tweede lid, 5°, van het BTW-Wetboek). Inderdaad een tijdelijk oponthoud van de goederen in de vestiging van (B) in LS3 (feit waarvan (C) overigens geen kennis heeft) vormt geen hinderpaal opdat voldaan is aan de voorwaarde dat de goederen na bewerking, worden teruggezonden ter bestemming van (C) in LS2 waarvandaan ze oorspronkelijk werden verzonden of vervoerd.

79. Bijgevolg zijn de Lidstaten en de Europese Commissie unaniem volgende praktische regels overeengekomen:

  • beide diensten wordt geacht zich te situeren overeenkomstig de regel ingesteld bij artikel 28ter, titel F, van de Zesde Richtlijn (z. art. 21, § 3, 2°, b), van het BTW-Wetboek) want de toepassingsvoorwaarden daartoe zijn vervuld;
  • de vervulling van de voorwaarde van het vervoer of de verzending buiten de Lidstaat waar het werk materieel werd verricht, zal worden beoordeeld op basis van de bewijsstukken waarover elk van de dienstverrichters beschikt met betrekking tot het vervoer van het afgewerkt product of de bewerkte goederen buiten de Lidstaat van materiële uitvoering;
  • de verzending van de lichamelijk roerende goederen buiten het grondgebied waarbinnen de opdrachtgever voor BTW-doeleinden is geïdentificeerd, geeft geen aanleiding tot een belastbare overbrenging overeenkomstig artikel 28bis, lid 5, onder b), 5de streepje van de Zesde Richtlijn (z. art. 12bis, tweede lid, 5°, van het BTW-Wetboek) en impliceert, overeenkomstig artikel 22, lid 2, onder b, eerste alinea van de Zesde Richtlijn (z. art. 54bis, § 1, eerste lid, van het BTW-Wetboek), een inschrijving in het register der verzonden of vervoerde goederen (register der niet-overbrengingen);
  • ter verantwoording van de aanwezigheid van de goederen die een bewerking dienen te ondergaan binnen de onderneming moeten de aannemer en onderaannemer die deze bewerkingen verrichten een voldoende gedetailleerde boekhouding voeren (in België gaat het om een register) die toelaat de goederen die hen vanuit een andere Lidstaat werden toegezonden te identificeren (art. 22, lid 2, onder b), tweede lid van de Zesde Richtlijn) (z. BTW-Wetboek, art. 54bis, § 1, tweede lid en art. 25 van het kon. besl. nr. 1).


2.Verplichtingen van de belastinplichtigen
België is LS1 : de dienst in hoofdaanneming wordt verricht door een dienstverrichter die voor BTW-doeleinden in België is geïdentificeerd.

Verplichtingen van de hoofdaannemer (A)

80. De dienstverrichter (A) verricht een dienst die geacht wordt plaats te vinden in LS2 (toepassing van art. 21, § 3, 2°, b), van het BTW-Wetboek). Hij vermeldt deze dienst in rooster 47 van zijn periodieke BTW-aangifte (handeling verricht in het buitenland).

Geen enkele inschrijving is vereist in de intracommunautaire opgave.

Bij ontvangst van de materialen, maakt (A) daarvan melding (zonder waardeaanduiding) in zijn register van ontvangen materialen, overeenkomstig artikel 54bis, § 1, tweede lid, van het BTW-Wetboek en de artikelen 25 en 26 van het koninklijk besluit nr. 1.

(A) brengt op het tijdstip van de verzending van de goederen naar (B) geen enkele vermelding aan in het register van ontvangen materialen, vermits de dienstverrichting van (A) op dat tijdstip nog niet voltooid is.

Bij de verzending van de goederen naar (C), op het tijdstip dat zijn dienstverrichting is voltooid, zuivert (A) het register van ontvangen materialen aan, overeenkomstig artikel 26 van het koninklijk besluit nr 1.

Overeenkomstig artikel 51, § 2, 1°, b), van het BTW-Wetboek is (A) schuldenaar van de BTW over de dienst die voor hem werd verricht door (B) en die geacht wordt in België plaats te vinden op grond van artikel 21, § 3, 2°, b), van het BTW-Wetboek.

Hij neemt de maatstaf van heffing van die dienst bijgevolg op in rooster 81 alsook in rooster 88 van zijn periodieke BTW-aangifte met betrekking tot de periode waarin de BTW opeisbaar is geworden overeenkomstig artikel 22, § 2, van het BTW-Wetboek.

De verschuldigde BTW wordt opgenomen in rooster 56 van dezelfde periodieke BTW-aangifte en is aftrekbaar in rooster 59 volgens de gewone regels.

België is LS3 : de dienst in onderaanneming wordt verricht door een dienstverrichter die voor BTW-doeleinden in België geïdentificeerd is.

Verplichtingen van de onderaannemer (B)

81. De dienstverrichter (B) verricht een dienst die geacht wordt plaats te vinden in LS1 (toepassing van artikel 21, § 3, 2°, b), van het BTW-Wetboek). Hij vermeldt deze dienst in rooster 47 van zijn periodieke BTW-aangifte (handeling verricht in het buitenland).

Geen enkele inschrijving is vereist in de intracommunautaire opgave.

Bij ontvangst van de materialen, maakt (B) daarvan melding (zonder waardeaanduiding) in zijn register van ontvangen materialen, overeenkomstig artikel 54bis, § 1, tweede lid, van het BTW-Wetboek en de artikelen 25 en 26 van het koninklijk besluit nr. 1.

Bij de terugzending van de goederen, zuivert hij het register van ontvangen materialen aan, overeenkomstig artikel 26 van het koninklijk besluit nr 1.

België is LS2 : de dienst in hoofdaanneming wordt verricht voor een opdrachtgever die voor BTW-doeleinden in België geïdentificeerd is.

Verplichtingen van de opdrachtgever (C)

82. Bij de verzending van de materialen vanuit België moet de opdrachtgever deze opnemen in zijn register der niet-overbrengingen, overeenkomstig artikel 54bis, § 1, eerste lid, van het BTW-Wetboek en de artikelen 23 en 24 van het koninklijk besluit nr 1.

Overeenkomstig artikel 51, § 2, 1°, b), van het BTW-Wetboek is hij schuldenaar van de BTW over de dienst voor hem verricht door (A) en die geacht wordt plaats te vinden in België op grond van artikel 21, § 3, 2°, b), van het BTW-Wetboek.

Hij neemt dus de maatstaf van heffing van die dienst op in één van de roosters 81 tot 83 alsook in rooster 88 van zijn periodieke BTW-aangifte met betrekking tot de periode waarin de BTW opeisbaar is geworden overeenkomstig artikel 22, § 2, van het BTW-Wetboek.

De verschuldigde BTW wordt opgenomen in rooster 56 van dezelfde periodieke BTW-aangifte en is aftrekbaar in rooster 59 volgens de gewone regels.

Hij zuivert overeenkomstig artikel 24 van het koninklijk besluit nr. 1 zijn register der niet-overbrengingen aan bij ontvangst van het afgewerkt product.

AFDELING 4. - BIJZONDERHEDEN BIJ ONDERAANNEMINGEN EN COMPLEXE
OVEREENKOMSTEN



§1. Volledige of gedeeltelijke onderaanneming
83. In principe, is er geen enkele reden om een onderscheid te maken tussen de volledige en de gedeeltelijke onderaanneming. De onderaanneming kan de aard zelf van de verrichting niet wijzigen. Zodoende wordt de verrichting uitgevoerd door de hoofdaannemer beschouwd als een materieel werk aan een ander goed dan een onroerend goed uit zijn aard, zelfs wanneer de hoofdaannemer het gehele werk toevertrouwt aan een onderaannemer.

De plaats van de dienst van de hoofdaannemer kan echter verschillen naargelang het gaat om een gedeeltelijke dan wel volledige onderaanneming en naargelang zijn opdrachtgever al dan niet voor BTW-doeleinden geïdentificeerd is.



a)Opdrachtgever en hoofdaannemer gevestigd in dezelfde Lidstaat
Situatie nr. 1 : uitvoering van een werk aan een lichamelijk roerend goed door een dienstverrichter gevestigd in dezelfde Lidstaat als de opdrachtgever. De dienstverrichter geeft het werk geheel of gedeeltelijk in onderaanneming aan een dienstverrichter gevestigd in een andere Lidstaat; het afgewerkt product keert terug naar de opdrachtgever.

Schema

+ --------------------------------+ +----------------------------------+ ¦ LS 1 ¦ ¦ LS 2 ¦ ¦--------------------------------¦ ¦----------------------------------¦ ¦ +------------------------------------------+ ¦ ¦ vervoer van de afgewerkte lichamelijke ¦ ¦ ¦ A ¦ ¦ roerende goederen ¦ ¦ ¦vervoer ¦ werk ¦ ¦ ¦ ¦ ¦van de ¦ aan een ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦lichamelijke¦ lichamelijk ¦>werk aan lichamelijk roerend goed C ¦ ¦roerende ¦ roerend ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦goederen ¦ goed ¦ ---------------------------------------+ ¦ ¦ ¦ B ------------------------------------------+ ¦ ¦ vervoer van de lichamelijke roerende goede-¦ ¦ ¦ ¦ ren ¦ +--------------------------------+ +----------------------------------+ 84. (A), gevestigd in LS1 vraagt aan (B), voor BTW-doeleinden geïdentificeerde belastingplichtige die eveneens gevestigd is in LS1, een werk uit te voeren aan een lichamelijk roerend goed; de goederen worden naar (B) verzonden. (B) geeft het werk gedeeltelijk (mogelijkheid 1) of geheel (mogelijkheid 2) in onderaanneming aan (C), gevestigd in LS2. (C) voert het werk materieel uit in LS2. (C) verricht het werk materieel in LS2 en de goederen worden na beëindiging van het werk teruggezonden naar (A) in LS1 en maken dus het voorwerp uit van een verzending of een vervoer buiten de Lidstaat waar het werk materieel werd uitgevoerd.

1.Gedeeltelijke onderaanneming
Dienstverrichting van de onderaannemer (C)



85.De dienstverrichting van (C) wordt geacht zich te bevinden:
  • op het grondgebied van LS1, overeenkomstig artikel 21, § 3, 2°, b), van het BTW-Wetboek, indien (B) zijn BTW-identificatienummer meedeelt dat hem door de LS1 werd toegekend. In dat geval zal (B), overeenkomstig artikel 21, lid 1. b). van de Zesde Richtlijn (z. art. 51. § 2. 1°, b). van het BTW-Wetboek) schuldenaar van de BTW zijn in LS1;
  • op het grondgebied van LS2, overeenkomstig artikel 21, § 3, 2°, a), van het BTW-Wetboek, indien (B) niet zijn geldig BTW-identificatienummer hem toegekend door een andere Lidstaat meedeelt. In dat geval zal (C), overeenkomstig artikel 21, lid 1, a), van de Zesde Richtlijn (z. art. 51, § 1, 1°, van het BTW-Wetboek) schuldenaar van de BTW zijn in LS2.
Dienstverrichting van de hoofdaannemer (B)

86. De dienstverrichting uitgevoerd door (B) bestaat uit het werk dat hijzelf materieel heeft uitgevoerd en datgene dat door (C) in LS2 werd uitgevoerd.

De dienstverrichting van (B) maakt evenwel een ondeelbaar geheel uit waarvoor een eigen bepaling van de plaats van de dienst geldt. Bijgevolg moet zijn dienstverrichting voor het geheel geacht worden plaats te vinden op de plaats van materiële uitvoering van het door hemzelf verrichte gedeelte van het werk besteld door (A).

De dienstverrichting van (B) wordt geacht materieel uitgevoerd te zijn in LS1, overeenkomstig artikel 21, § 3, 2°, a), van het BTW-Wetboek. De afwijkende regel kan niet van toepassing zijn gelet op het feit dat
de goederen na bewerking de Lidstaat van materiële uitvoering van het werk niet verlaten. Overeenkomstig artikel 21, lid 1, a), van de Zesde Richtlijn (z. art. 51, § 1, 1°, van het BTW-Wetboek), zal (B) schuldenaar van de belasting zijn in LS1.

Het feit dat (A) al dan niet een BTW-identificatienummer meedeelt heeft geen enkele invloed op de bepaling van de plaats van de dienst.



2.Gehele onderaanneming
Dienstverrichting van de onderaannemer (C)



87.De dienstvertichting van (C) wordt geacht plaats te vinden:
  • op het grondgebied van LS1, overeenkomstig artikel 21, § 3, 2°, b), van het BTW-Wetboek, indien (B) zijn BTW-identificatienummer meedeelt dat hem door de LS1 werd toegekend. In dat geval zal (B), overeenkomstig artikel 21, lid 1, b), van de Zesde Richtlijn (z. art. 51, § 2. 1°, b), van het BTW-Wetboek) schuldenaar van de BTW zijn in LS1;
  • op het grondgebied van LS2, overeenkomstig artikel 21, § 3, 2°, a), van het BTW-Wetboek, indien (B) niet zijn geldig BTW-identificatienummer hem toegekend door een andere Lidstaat meedeelt. In dat geval zal (C), overeenkomstig artikel 21, lid 1, a), van de Zesde Richtlijn (z. art. 51, § 1, 1°, van het BTW-Wetboek) schuldenaar van de BTW zijn in LS2.
Dienstverrichting van de hoofdaannemer (B)

Toepasselijk stelsel

88. (B) voert geen enkel materieel werk uit aan de goederen. Bijgevolg bevindt de plaats van de dienstverrichting die hij aan (A) verstrekt zich noodzakelijk in LS2 waar zijn onderaannemer (C) het gehele werk verricht.

De dienstverrichting van (B) wordt geacht plaats te vinden

  • op het grondgebied van LS1, overeenkomstig artikel 21, § 3, 2°, b), van het BTW-Wetboek indien (A) zijn BTW-identificatienummer meedeelt dat hem werd toegekend door LS1. In dat geval zal (B), overeenkomstig artikel 21, lid 1, a), van de Zesde Richtlijn (z. art. 51, § 1, 1°, van het BTW-Wetboek) schuldenaar van de BTW zijn in LS1. Ondanks het feit dat de afwijkende regel speelt om de plaats van de dienst te bepalen, is de dienstverrichter (B) immers gevestigd in dezelfde Lidstaat als deze die aan de opdrachtgever (A) diens BTW-identificatienummer heeft toegekend (LS1) (z. nr. 24);
  • op het grondgebied van LS2, overeenkomstig artikel 21, § 3, 2°, a), van het BTW-Wetboek indien (A) geen geldig BTW-identificatienummer meedeelt dat hem werd toegekend door een andere Lidstaat (b.v. omdat hij aan de vrijstellingsregeling onderworpen is in LS1 of omdat het gaat om een niet-belastingplichtige particulier). In dat geval zal (B), overeenkomstig artikel 21, lid 1, a), van de Zesde Richtlijn (z. art. 51, § 1, 1°, van het BTW-Wetboek) schuldenaar van de BTW zijn in LS2.
Toegeving wanneer de opdrachtgever geen BTW-identificatienummer aan de hoofdaannemer meedeelt

89. De situatie waarin de opdrachtgever (A) geen BTW-identificatienummer kan meedelen aan de hoofdaannemer (B) en waarin bijgevolg de dienstverrichting verricht door de hoofdaannemer geacht wordt zich in de Lidstaat van materiële uitvoering te bevinden (LS2), geeft aanleiding tot problemen omdat ze de hoofdaannemer (B) verplicht tot :

  • een onderscheid te maken tussen de gehele en gedeeltelijke onderaanneming;
  • het in rekening brengen van de BTW in LS2 en het laten erkennen van een aansprakelijk vertegenwoordiger in LS2.
De Administratie neemt in dat geval aan dat, bij wijze van vereenvoudigingsmaatregel en bij wijze van proef en om de in het vorige lid geschetste problemen te vermijden, te meer daar in de relatie tussen de onderaannemer (C) en de hoofdaannemer (B) de dienstverrichting in LS1 kan gelokaliseerd worden, de plaats van de materiële uitvoering van de dienstverrichting van (B) geacht wordt zich te bevinden op de plaats waar de dienstverrichting van zijn onderaannemer (C) plaatsvindt.

Dit betekent in de praktijk dat, indien de plaats van de dienst verricht door de onderaannemer (C) geacht wordt zich te bevinden in LS1, overeenkomstig artikel 21, § 3, 2°, b), van het BTW-Wetboek omdat (B) zijn BTW-identificatienummer hem toegekend door LS1 meedeelt, de plaats van de dienst verstrekt door (B) aan (A) zich eveneens in LS1 zal bevinden op grond van artikel 21, § 3, 2°, a), van het BTW-Wetboek.

Deze administratieve toegeving kan slechts spelen op voorwaarde dat de fiscale autoriteiten van de Lidstaat (andere dan België), ofwel deze waarin de onderaanneming werd verricht, ofwel deze waarin de hoofdaannemer gevestigd is, zich wat de dienstverrichtingen betreft die op haar grondgebied plaatsvinden niet verzetten, tegen de vereenvoudigingsmaatregel waarin voorzien in de toegeving.

Deze toegeving is tenslotte slechts een keuzemogelijkheid. Niets belet bijgevolg de hoofdaannemer aan deze vereenvoudigingsmaatregel te verzaken.



b)Opdrachtgever en hoofdaannemer gevestigd in verschillende Lidstaten
Situatie nr. 2 : uitvoering van een werk aan een lichamelijk roerend goed door een dienstverrichter gevestigd in een andere Lidstaat dan deze waarin de opdrachtgever voor BTW-doeleinden geïdentificeerd is. De dienstverrichter geeft het werk geheel of gedeeltelijk in onderaanneming aan een dienstverrichter die voor BTW-doeleinden geïdentificeerd is in een derde Lidstaat; het afgewerkt product keert terug naar de opdrachtgever.

Schema

+ ----------------------------------+ +--------------------------------+ ¦ LS 1 ¦ ¦ LS 2 ¦ ¦----------------------------------¦ ¦--------------------------------¦ ¦ vervoer van het afgewerkte product ----+ ¦ ¦ A ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ werk ¦ vervoer ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ +----------¦---------¦-------------+ +----------------------------¦---+ aan een ¦ van een ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ lichame- ¦ lichame-¦ werk aan een lichamelijk roerend goed C lijk ¦ lijk ¦ +------------------------------------------ +----------¦---------¦---¦---------+ +----------------------------¦---+ ¦ roerend ¦ roerend ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ goed ¦ goed ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ B ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ vervoer van een lichamelijk roerend goed------+ ¦ ¦----------------------------------¦ +--------------------------------+ ¦ LS 3 ¦ +----------------------------------+ 90. (A), gevestigd in LS1, vraagt aan (B), gevestigd in LS3, een werk uit te voeren aan een lichamelijk roerend goed; de goederen worden naar (B) in LS3 verzonden. (B) geeft het werk gedeeltelijk (mogelijkheid 1) of geheel (mogelijkheid 2) in onderaanneming aan (C), gevestigd in LS2. (C) voert het werk materieel uit in LS2 en de goederen worden na beëindiging van het werk teruggezonden naar (A) in LS1 en maken dus het voorwerp uit van een verzending of een vervoer buiten de Lidstaat waar het werk materieel werd uitgevoerd. 91. Dit tweede geval is vergelijkbaar met één van de vereenvoudigingen (z. afdeling 3, § 6, geval nr. 4.2). Een bijzonderheid doet zich voor wanneer de opdrachtgever (A) niet voor BTW-doeleinden geïdentificeerd is of zijn BTW-identificatienummer niet meedeelt aan de hoofdaannemer (B). De plaats van de dienst van (B) wordt dan geacht zich op de plaats van materiële uitvoering van het werk te bevinden, overeenkomstig artikel 21, § 3, 2°, a), van het BTW-Wetboek. De hier bedoelde toestand wordt hierna nader onderzocht.



1.Gedeeltelijke onderaanneming
Dienstverrichting van de onderaannemer (C)



92.De dienstverrichting van (C) wordt geacht plaats te vinden:
  • op het grondgebied van LS3, overeenkomstig artikel 21, § 3, 2°, b), van het BTW-Wetboek, indien (B) zijn BTW-identificatienummer meedeelt dat hem door de LS3 werd toegekend. In dat geval zal (B), overeenkomstig artikel 21, lid 1, b), van de Zesde Richtlijn (z. art. 51, § 2, 1°, b), van het BTW-Wetboek) schuldenaar van de BTW zijn in LS3;
  • op het grondgebied van LS2, overeenkomstig artikel 21, § 3, 2°, a), van het BTW-Wetboek, indien (B) niet zijn geldig BTW-identificatienummer mededeelt dat hem werd toegekend door een andere Lidstaat. In dat geval zal (C), overeenkomstig artikel 21, lid 1, a), van de Zesde Richtlijn (z. art. 51, § 1, 1°, van het BTW-Wetboek) schuldenaar van de BTW zijn in LS2.
Dienstverrichting van de hoofdaannemer (B)

93. De dienstverrichting uitgevoerd door (B) bestaat uit het werk dat hijzelf materieel heeft uitgevoerd en datgene dat door (C) in LS2 werd uitgevoerd.

De dienstverrichting van (B) maakt evenwel een ondeelbaar geheel uit waarvoor een eigen bepaling van de plaats van de dienst geldt. Bijgevolg moet zijn dienstverrichting voor het geheel geacht worden plaats te vinden op de plaats van materiële uitvoering van het door hemzelf verrichte gedeelte van het werk besteld door (A).

De dienstverrichting van (B) wordt geacht plaats te vinden:

  • op het grondgebied van LS1, overeenkomstig artikel 21, § 3, 2°, b), van het BTW-Wetboek indien (A) zijn BTW-identificatienummer meedeelt dat hem werd toegekend door LS1. In dat geval zal (A), overeenkomstig artikel 21, lid 1, b), van de Zesde Richtlijn (z. art. 51, § 2, 1°, b, van het BTW-Wetboek) schuldenaar van de BTW zijn in LS1;
  • op het grondgebied van LS3, overeenkomstig artikel 21, § 3, 2°, a), van het BTW-Wetboek indien (A) niet zijn geldig BTW-identificatienummer meedeelt dat hem werd toegekend door een andere Lidstaat (b.v. omdat hij aan de vrijstellingsregeling onderworpen is in LS1 of omdat het gaat om een niet-belastingplichtige particulier), In dat geval zal (B), overeenkomstig artikel 21, lid 1, a), van de Zesde Richtlijn (z. art. 51, § 1, 1°, van het BTW-Wetboek) schuldenaar van de BTW zijn in LS3.


2.Gehele onderaanneming
Dienstverrichting van de onderaannemer (C)



94.De dienstverrichting van (C) wordt geacht zich te bevinden:
  • op het grondgebied van LS3, overeenkomstig artikel 21, § 3, 2°, b), van het BTW-Wetboek, indien (B) zijn BTW-identificatienummer meedeelt dat hem door de LS3 werd toegekend. In dat geval zal (B), overeenkomstig artikel 21, lid 1, b), van de Zesde Richtlijn (z. art. 51, § 2, 1°, b), van het BTW-Wetboek) schuldenaar van de BTW zijn in LS3;
  • op het grondgebied van LS2, overeenkomstig artikel 21, § 3, 2°, a), van het BTW-Wetboek, indien (B) niet zijn geldig BTW-identificatienummer meedeelt dat hem werd toegekend door een andere Lidstaat. In dat geval zal (C), overeenkomstig artikel 21, lid 1, a), van de Zesde Richtlijn (z. art. 51, § 1, 1°, van het BTW-Wetboek) schuldenaar van de BTW zijn in LS2.
Dienstverrichting van de hoofdaannemer (B)

Toepasselijk stelsel

95. (B) voert geen enkel materieel werk uit aan de goederen. Bijgevolg bevindt de plaats van de dienstverrichting die hij aan (A) verstrekt zich noodzakelijk in LS2 waar zijn onderaannemer (C) het gehele werk verricht.

De dienstverrichting van (B) zal geacht worden plaats te vinden:

  • op het grondgebied van LS1, overeenkomstig artikel 21, § 3, 2°, b), van het BTW-Wetboek indien (A) zijn BTW-identificatienummer meedeelt dat hem werd toegekend door LS1. In dat geval zal (A), overeenkomstig artikel 21, lid 1, b), van de Zesde richtlijn (z. art. 51, § 2, 1°, b), van het BTW-Wetboek) schuldenaar van de BTW zijn in LS1;
  • op het grondgebied van LS2, overeenkomstig artikel 21, § 3, 2°, a), van het BTW-Wetboek indien (A) niet zijn geldig BTW-identificatienummer meedeelt dat hem werd toegekend door een andere Lidstaat (b.v. omdat hij aan de vrijstellingsregeling onderworpen is in LS1 of omdat het gaat om een niet-belastingplichtige particulier). In dat geval zal (B), overeenkomstig artikel 21, lid 1, a), van de Zesde Richtlijn (z. art. 51, § 1, 1°, van het BTW-Wetboek) schuldenaar van de BTW zijn in LS2.
Toegeving wanneer de opdrachtgever geen, BTW-identificatienummer aan de hoofdaannemer meedeelt

96. De situatie waarin de opdrachtgever (A) geen BTW-identificatienummer kan meedelen aan de hoofdaannemer (B) en waar bijgevolg de dienstverrichting verricht door de hoofdaannemer geacht wordt zich in de Lidstaat van materiële uitvoering te bevinden (LS2), geeft aanleiding tot problemen omdat ze de hoofdaannemer (B) verplicht tot :

  • een onderscheid te maken tussen de gehele en gedeeltelijke onderaanneming;
  • het in rekening brengen van de BTW in LS2 en het laten erkennen van een aansprakelijke vertegenwoordiger in LS2.
De Administratie neemt in dat geval aan dat, bij wijze van vereenvoudigingsmaatregel en bij wijze van proef en om de in het vorige lid geschetste problemen te vermijden, te meer daar in de relatie tussen de onderaannemer (C) en de hoofdaannemer (B) de dienstverrichting in LS3 kan gelokaliseerd worden, de plaats van de materiële uitvoering van de dienstverrichting van (B) geacht wordt zich te bevinden op de plaats waar de dienstverrichting van zijn onderaannemer (C) plaatsvindt.

Dit betekent in de praktijk dat, indien de plaats van de dienst verricht door de onderaannemer (C) geacht wordt zich te bevinden in LS3, overeenkomstig artikel 21, § 3, 2°, b), van het BTW-Wetboek, omdat (B) zijn BTW-identificatienummer hem toegekend door LS3 meedeelt, de plaats van de dienst verstrekt door (B) aan (A) zich eveneens in LS3 zal bevinden op grond van artikel 21, § 3, 2°, a), van het BTW-Wetboek.

Deze administratieve toegeving kan slechts spelen op voorwaarde dat de fiscale autoriteiten van de Lidstaat (andere dan België), ofwel deze waarin de onderaanneming werd verricht, ofwel deze waarin de hoofdaannemer gevestigd is, zich wat de dienstverrichtingen betreft die op haar grondgebied plaatsvinden niet verzetten tegen de vereenvoudigingsmaatregel waarin voorzien in de toegeving.

Deze toegeving is tenslotte slechts een keuzemogelijkheid. Niets belet bijgevolg de hoofdaannemer aan deze vereenvoudigingsmaatregel te verzaken.



§2. Combinatie van vereenvoudigingsmaatregelen
97. Alhoewel hierin niet uitdrukkelijk voorzien is in het akkoord tussen de Commissie en de Lidstaten, kan men zich de vraag stellen in welke mate in geval van complexe overeenkomsten met meerdere belastingplichtigen combinaties van vereenvoudigingsmaatregelen mogelijk zijn.

In deze materie neemt de administratie het standpunt in dat bepaalde combinaties kunnen toegestaan worden voor zover dat :

  • alle partijen over voldoende bewijsmiddelen beschikken met betrekking tot de verzending van de goederen buiten de Lidstaat waar de levering heeft plaatsgevonden of de materiële uitvoering van het werk plaatsvond;
  • de te combineren vereenvoudigingsmaatregelen niet van die aard zijn dat aan eenzelfde handeling een onderling afwijkende kwalificatie wordt gegeven;
  • de autoriteiten in de andere betrokken Lidstaten zich op geen enkele wijze verzetten tegen de toepassing van de vereenvoudigde procedure wanneer hen een bijzonder geval wordt voorgelegd.
AFDELING 5. - OPHEFFINGSBEPALINGEN EN INWERKINGTREDING

98. Deze aanschrijving vervangt met ingang op 1 januari 1996 de aanschrijving nr. 13 van 18 mei 1994.

De aanschrijvingen nr. 9 van 13 april 1994 en nr. 3 van 1 februari 1995 worden opgeheven vanaf 1 januari 1996.

De beslissing van 19 mei 1993, nr. E.T. 78.314 (BTW-Revue nr. 105, blz. 759) wordt opgeheven vanaf 1 januari 1996.

Namens de Minister:
De Directeur-generaal,
R.SUCAET
BIJLAGE 1

+ ------------------------------------------------------------------------+ ¦GEVAL¦ HANDELING ¦ PERIODIEKE AANGIFTE ¦ ¦ ¦ ¦-------------------------------------¦ ¦ ¦ ¦ ¦Vermelding in het ¦ ¦ ¦ ¦ ¦rooster ¦ ¦NR.1 ¦----------------------------+-----------------+-------------------¦ ¦ ¦ Fiscale ¦Betrok-¦Betrok-¦Aangegeven hande-¦Verwer- ¦ Levering¦ ¦ ¦ behandeling¦ken ¦ken ¦ling ¦ving ¦ Dienst ¦ ¦ ¦ ¦partij ¦Lid- ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦staat ¦ ¦ ¦ ¦ +------------------------------------------------------------------------+ +------------------------------------------------------------------------+ ¦A->C ¦intracommu- ¦ A ¦ 1 ¦ vrijgestelde ¦ ¦ja ¦ ¦ ¦nautaire ¦ ¦ ¦ levering ¦ ¦(rooster ¦ ¦ ¦levering ¦ ¦ ¦ ¦ ¦46) ¦ ¦ ¦van ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦goederen ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦intracommu- ¦ ¦ ¦ intracommunau- ¦ ¦ ¦ ¦ ¦nautaire ¦ ¦ ¦ taire verwerving¦ja (MVH ¦ ¦ ¦ ¦verwerving ¦ C ¦ 2 ¦ ¦roosters ¦ ¦ ¦ ¦van ¦ ¦ ¦ ¦81 tot 83¦ ¦ ¦ ¦goederen ¦ ¦ ¦ ¦en 86; ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦BTW: ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦rooster ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦55) ¦ ¦ ¦-----+------------+-------+-------+-----------------+---------+---------¦ ¦A->B ¦vervoer ¦ A ¦ 1 ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦lichamelijk ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦roerende ¦ B ¦ 1 ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦goederen ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦-----+------------+-------+-------+-----------------+---------+---------¦ ¦B->C ¦werk aan li-¦ B ¦ 1 ¦niet belaste ¦ ¦ja ¦ ¦ ¦chamelijk ¦ ¦ ¦dienst (Wb, art. ¦ ¦(rooster ¦ ¦ ¦roerende ¦ ¦ ¦21, § 3, 2°, b) ¦ ¦47) ¦ ¦ ¦goederen ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ C ¦ 2 ¦schuldenaar van ¦ ¦ja (MVH: ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦BTW over de ¦ ¦roosters ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦dienst ¦ ¦81 tot 83¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦en 88 ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦BTW: ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦rooster ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦56) ¦ +------------------------------------------------------------------------+ BIJLAGE 1 (vervolg) + ------------------------------------------------------------------------+ ¦GEVAL¦Intracommu- ¦Register der ¦Register der ont- ¦ ¦NR.1 ¦nautaire ¦niet- ¦vangen goederen ¦ ¦ ¦opgave (art. ¦overbrengingen (art. ¦(art. 54bis, § 1, ¦ ¦ ¦53sexies) ¦54bis, § 1, eerste ¦tweede lid en § 2) ¦ ¦ ¦ ¦lid) ¦ ¦ ¦ ¦----------------+---------------------+---------------------------¦ ¦ ¦Vermelding op de¦- Verzending van de ¦- Ontvangst ¦ ¦ ¦intracommunau- ¦ goederen ¦ van de goederen ¦ ¦ ¦taire opgave ¦- Ontvangst van de ¦- Terugzending ¦ ¦ ¦ ¦ goederen ¦ van de goederen ¦ +------------------------------------------------------------------------+ +------------------------------------------------------------------------+ ¦A->C ¦ ja ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ nr. van C ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ LS2 ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ja ¦ ¦ ¦ ¦ ¦(bij de verzending) ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦-----+----------------+---------------------+---------------------------¦ ¦A->B ¦ ¦ neen ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ja ¦ ¦ ¦ ¦ ¦(ontvangst, WB. art. ¦ ¦ ¦ ¦ ¦54bis, § 2) ¦ ¦-----+----------------+---------------------+---------------------------¦ ¦B->C ¦ neen ¦ ¦ja ¦ ¦ ¦ ¦ ¦(terugzending van ¦ ¦ ¦ ¦ ¦de goederen) ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ja (ontvangst ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ van de ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ goederen) ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ +------------------------------------------------------------------------+ BIJLAGE 2 + ------------------------------------------------------------------------+ ¦GEVAL¦ HANDELING ¦ PERIODIEKE AANGIFTE ¦ ¦ ¦ ¦-------------------------------------¦ ¦ ¦ ¦ ¦Vermelding in het ¦ ¦ ¦ ¦ ¦rooster ¦ ¦NR.2 ¦----------------------------+-----------------+----- -------------¦ ¦ ¦ Fiscale ¦Betrok-¦Betrok-¦Aangegeven hande-¦Verwer- ¦ Levering¦ ¦ ¦ behandeling¦ken ¦ken ¦ling ¦ving ¦ Dienst ¦ ¦ ¦ ¦partij ¦Lid- ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦staat ¦ ¦ ¦ ¦ +------------------------------------------------------------------------+ +------------------------------------------------------------------------+ ¦A->C ¦intracommu- ¦ A ¦ 1 ¦ vrijgestelde ¦ ¦ja ¦ ¦ ¦nautaire ¦ ¦ ¦ levering ¦ ¦(rooster ¦ ¦ ¦levering ¦ ¦ ¦ ¦ ¦46) ¦ ¦ ¦van ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦goederen ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦intracommu- ¦ ¦ ¦ intracommunau- ¦ ¦ ¦ ¦ ¦nautaire ¦ ¦ ¦ taire verwerving¦ja(MVH ¦ ¦ ¦ ¦verwerving ¦ C ¦ 2 ¦ ¦roosters ¦ ¦ ¦ ¦van ¦ ¦ ¦ ¦81 tot 83¦ ¦ ¦ ¦goederen ¦ ¦ ¦ ¦en 86; ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦BTW: ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦rooster ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦55) ¦ ¦ ¦-----+------------+-------+-------+-----------------+---------+---------¦ ¦A->B ¦vervoer ¦ A ¦ 1 ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦lichamelijk ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦roerende ¦ B ¦ 3 ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦goederen ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦-----+------------+-------+-------+-----------------+---------+---------¦ ¦B->C ¦werk aan li-¦ B ¦ 3 ¦niet-belaste ¦ ¦ja ¦ ¦ ¦chamelijk ¦ ¦ ¦dienst (Wb, art. ¦ ¦(rooster ¦ ¦ ¦roerende ¦ ¦ ¦21, § 3, 2°, b) ¦ ¦47) ¦ ¦ ¦goederen ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ C ¦ 2 ¦schuldenaar van ¦ ¦ja (MVH: ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦de BTW over de ¦ ¦roosters ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦dienst ¦ ¦81 tot 83¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦en 88 ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦BTW: ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦rooster ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦56) ¦ +------------------------------------------------------------------------+ BIJLAGE 2 (vervolg) + ------------------------------------------------------------------------+ ¦GEVAL¦Intracommu- ¦Register der ¦Register der ont- ¦ ¦NR.2 ¦nautaire ¦niet- ¦vangen goederen ¦ ¦ ¦opgave (art. ¦overbrengingen (art. ¦(art. 54bis, § 1, ¦ ¦ ¦53sexies) ¦54bis, § 1, eerste ¦tweede lid en § 2) ¦ ¦ ¦ ¦lid) ¦ ¦ ¦ ¦-----------------+---------------------+--------------------------¦ ¦ ¦Vermelding op de ¦- Verzending van de ¦- Ontvangst ¦ ¦ ¦intracommunau- ¦ goederen ¦ van de goederen ¦ ¦ ¦taire opgave ¦- Ontvangst van de ¦- Terugzending ¦ ¦ ¦ ¦ goederen ¦ van de goederen ¦ +------------------------------------------------------------------------+ +------------------------------------------------------------------------+ ¦A->C ¦ ja ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ nr. van C ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ LS2 ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ja ¦ ¦ ¦ ¦ ¦(bij de verzending) ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦-----+-----------------+---------------------+--------------------------¦ ¦A->B ¦ ¦ neen ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ja ¦ ¦ ¦ ¦ ¦(ontvangst van de ¦ ¦ ¦ ¦ ¦goederen) ¦ ¦-----+-----------------+---------------------+--------------------------¦ ¦B->C ¦ neen ¦ ¦ja ¦ ¦ ¦ ¦ ¦(terugzending van ¦ ¦ ¦ ¦ ¦de goederen) ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ja (ontvangst ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ van de ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ goederen) ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ +------------------------------------------------------------------------+ BIJLAGE 3 + ------------------------------------------------------------------------+ ¦GEVAL¦ HANDELING ¦ PERIODIEKE AANGIFTE ¦ ¦ ¦ ¦-------------------------------------¦ ¦ ¦ ¦ ¦Vermelding in het ¦ ¦ ¦ ¦ ¦rooster ¦ ¦NR. ¦----------------------------+-----------------+-------------------¦ ¦3.1 ¦ Fiscale ¦Betrok-¦Betrok-¦Aangegeven hande-¦Verwer- ¦ Levering¦ ¦ ¦ behandeling¦ken ¦ken ¦ling ¦ving ¦ Dienst ¦ ¦ ¦ ¦partij ¦Lid- ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦staat ¦ ¦ ¦ ¦ +------------------------------------------------------------------------+ +------------------------------------------------------------------------+ ¦C->A ¦verzending ¦ C ¦ 2 ¦ ¦ ¦ ¦ ¦C->B ¦van goederen¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦van zijn ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦onderneming ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦door ¦ontvangst ¦ A ¦ 1 ¦ ¦ ¦ ¦ ¦(A) ¦van goederen¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦-----+------------+-------+-------+-----------------+---------+---------¦ ¦A->C ¦werk aan ¦ A ¦ 1 ¦ niet-belaste ¦ ¦ja ¦ ¦ ¦lichamelijke¦ ¦ ¦ dienst (Wb. art.¦ ¦(rooster ¦ ¦ ¦roerende ¦ ¦ ¦ 21, § 3, 2°, b) ¦ ¦47) ¦ ¦ ¦goederen ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ C ¦ 2 ¦schuldenaar van ¦ ¦ja (MVH: ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦BTW over de ¦ ¦roosters ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦dienst ¦ ¦81 tot 83¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦en 88, ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦BTW:roos-¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ter56) ¦ ¦-----+------------+-------+-------+-----------------+---------+---------¦ ¦A->B ¦vervoer ¦ A ¦ 1 ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦lichamelijk ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦roerende ¦ B ¦ 1 ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦goederen ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦-----+------------+-------+-------+-----------------+---------+---------¦ ¦B->C ¦werk aan li-¦ B ¦ 1 ¦niet belaste ¦ ¦ja ¦ ¦ ¦chamelijk ¦ ¦ ¦dienst (Wb, art. ¦ ¦(rooster ¦ ¦ ¦roerende ¦ ¦ ¦21, § 3, 2°, b) ¦ ¦47) ¦ ¦ ¦goederen ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ C ¦ 2 ¦schuldenaar van ¦ ¦ja (MVH: ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦BTW over de ¦ ¦roosters ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦dienst ¦ ¦81 tot 83¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦en 88 ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦BTW: ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦rooster ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦56) ¦ +------------------------------------------------------------------------+ BIJLAGE 3 (vervolg) + ------------------------------------------------------------------------+ ¦GEVAL¦Intracommu- ¦Register der ¦Register der ont- ¦ ¦NR. ¦nautaire ¦niet- ¦vangen goederen ¦ ¦ 3.1 ¦opgave (art. ¦overbrengingen (art. ¦(art. 54bis, § 1, ¦ ¦ ¦53sexies) ¦54bis, õ 1, eerste ¦tweede lid en § 2) ¦ ¦ ¦ ¦lid) ¦ ¦ ¦ ¦-----------------+---------------------+--------------------------¦ ¦ ¦Vermelding op de ¦- Verzending van de ¦- Ontvangst ¦ ¦ ¦intracommunau- ¦ goederen ¦ van de goederen ¦ ¦ ¦taire opgave ¦- Ontvangst van de ¦- Terugzending ¦ ¦ ¦ ¦ goederen ¦ van de goederen ¦ +------------------------------------------------------------------------+ +------------------------------------------------------------------------+ ¦C->A ¦ ¦ ja ¦ ¦ ¦C->B ¦ ¦ (Wb. art. 54bis, ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ § 1, eerste lid) ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦door ¦ ¦ ¦ja (art. 54bis, § 1, ¦ ¦(A) ¦ ¦ ¦tweede lid) ¦ ¦-----+-----------------+---------------------+--------------------------¦ ¦A->C ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ja ¦ ¦ ¦ ¦ ¦(wijziging van ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ bestemming) ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦-----+-----------------+---------------------+--------------------------¦ ¦A->B ¦ ¦ neen ¦ja (terugzending) ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ja (ontvangst van de ¦ ¦ ¦ ¦ ¦goederen) ¦ ¦-----+-----------------+---------------------+--------------------------¦ ¦B->C ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ja (ontvangst ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ van de ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ goederen) ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ +------------------------------------------------------------------------+ BIJLAGE 4 + ------------------------------------------------------------------------+ ¦GEVAL¦ HANDELING ¦ PERIODIEKE AANGIFTE ¦ ¦ ¦ ¦-------------------------------------¦ ¦ ¦ ¦ ¦Vermelding in het ¦ ¦ ¦ ¦ ¦rooster ¦ ¦NR. ¦----------------------------+-----------------+-------------------¦ ¦ ¦ Fiscale ¦Betrok-¦Betrok-¦Aangegeven hande-¦Verwer- ¦ Levering¦ ¦ 3.2 ¦ behandeling¦ken ¦ken ¦ling ¦ving ¦ Dienst ¦ ¦ ¦ ¦partij ¦Lid- ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦staat ¦ ¦ ¦ ¦ +------------------------------------------------------------------------+ +------------------------------------------------------------------------+ ¦C->A ¦verzending ¦ C ¦ 2 ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦van goederen¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦van zijn ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦onderneming ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦door ¦ontvangst ¦ A ¦ 1 ¦ ¦ ¦ ¦ ¦(A) ¦van goederen¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦-----+------------+-------+-------+-----------------+---------+---------¦ ¦A->C ¦werk aan ¦ A ¦ 1 ¦ niet-belaste ¦ ¦ja ¦ ¦ ¦lichamelijk ¦ ¦ ¦ dienst ¦ ¦(rooster ¦ ¦ ¦roerende ¦ ¦ ¦(art. 21, § 3, ¦ ¦47) ¦ ¦ ¦goederen ¦ ¦ ¦2°, b)) ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ C ¦ 2 ¦schuldenaar van ¦ ¦ja (MVH: ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦de BTW over de ¦ ¦roosters ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦dienst ¦ ¦81 tot 83¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦en 88 ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦BTW: ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦rooster ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦56) ¦ ¦-----+------------+-------+-------+-----------------+---------+---------¦ ¦A->B ¦vervoer ¦ A ¦ 1 ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦lichamelijk ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦roerende ¦ B ¦ 1 ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦goederen ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦-----+------------+-------+-------+-----------------+---------+---------¦ ¦B->A ¦binnenlands ¦ B ¦ 1 ¦belaste ¦ ¦ ¦ ¦ ¦werk in ¦ ¦ ¦dienstverrichting¦ ¦ ¦ ¦ ¦Lidstaat ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ja (MVH: ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦roosters ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦01 tot 03¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦BTW: ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦rooster ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦11) ¦ ¦-----+------------+-------+-------+-----------------+---------+---------¦ ¦B->C ¦vervoer van ¦ A ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦het afge- ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦werkt ¦ C ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦product ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ +------------------------------------------------------------------------+ BIJLAGE 4 (vervolg) + ------------------------------------------------------------------------+ ¦GEVAL¦Intracommu- ¦Register der ¦Register der ont- ¦ ¦NR. ¦nautaire ¦niet- ¦vangen goederen ¦ ¦ 3.2 ¦opgave (art. ¦overbrengingen (art. ¦(art. 54bis, § 1, ¦ ¦ ¦53sexies) ¦54bis, § 1, eerste ¦tweede lid en § 2) ¦ ¦ ¦ ¦lid) ¦ ¦ ¦-----+-----------------+---------------------+--------------------------¦ ¦ ¦Vermelding op de ¦- Verzending van de ¦- Ontvangst ¦ ¦ ¦intracommunau- ¦ goederen ¦ van de goederen ¦ ¦ ¦taire opgave ¦- Ontvangst van de ¦- Terugzending ¦ ¦ ¦ ¦ goederen ¦ van de goederen ¦ +------------------------------------------------------------------------+ +------------------------------------------------------------------------+ ¦C->A ¦ ¦ja ¦ ¦ ¦ ¦ ¦(Wb. art. 54bis, ¦ ¦ ¦ ¦ ¦§ 1, eerste lid) ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦door ¦ ¦ ¦ ja (Wb. art. 54bis, § 1, ¦ ¦(A) ¦ ¦ ¦ tweede lid) ¦ ¦-----+-----------------+---------------------+--------------------------¦ ¦A->C ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦-----+-----------------+---------------------+--------------------------¦ ¦A->B ¦ ¦neen ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦neen ¦ ¦ ¦ ¦ ¦(indien maakloonwerk : ja ¦ ¦ ¦ ¦ ¦Wb. art. 54bis, § 2) ¦ ¦-----+-----------------+---------------------+--------------------------¦ ¦B->A ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦-----+-----------------+---------------------+--------------------------¦ ¦B->C ¦ ¦ ¦ ja (terugzending) ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ja (ontvangst) ¦ ¦ +------------------------------------------------------------------------+ BIJLAGE 5 + ------------------------------------------------------------------------+ ¦GEVAL¦ HANDELING ¦ PERIODIEKE AANGIFTE ¦ ¦ ¦ ¦-------------------------------------¦ ¦ ¦ ¦ ¦Vermelding in het ¦ ¦ ¦ ¦ ¦rooster ¦ ¦NR. ¦----------------------------+-----------------+-------------------¦ ¦4.1 ¦ Fiscale ¦Betrok-¦Betrok-¦Aangegeven hande-¦Verwer- ¦ Levering¦ ¦ ¦ behandeling¦ken ¦ken ¦ling ¦ving ¦ Dienst ¦ ¦ ¦ ¦partij ¦Lid- ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦staat ¦ ¦ ¦ ¦ +------------------------------------------------------------------------+ +------------------------------------------------------------------------+ ¦C->A ¦verzending ¦ C ¦ 2 ¦ ¦ ¦ ¦ ¦C->B ¦van goederen¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦van zijn ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦onderneming ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦door ¦ontvangst ¦ A ¦ 1 ¦ ¦ ¦ ¦ ¦(A) ¦van goederen¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦-----+------------+-------+-------+-----------------+---------+---------¦ ¦A->C ¦werk aan ¦ A ¦ 1 ¦ niet-belaste ¦ ¦ja ¦ ¦ ¦lichamelijke¦ ¦ ¦ dienst (Wb. art.¦ ¦(rooster ¦ ¦ ¦roerende ¦ ¦ ¦ 21, § 3, 2°, b) ¦ ¦47) ¦ ¦ ¦goederen ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ C ¦ 2 ¦schuldenaar van ¦ ¦ja(MVH: ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦BTW over de ¦ ¦roosters ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦dienst ¦ ¦81 tot 83¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦en 88, ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦BTW:roos-¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ter 56) ¦ ¦-----+------------+-------+-------+-----------------+---------+---------¦ ¦A->B ¦vervoer ¦ A ¦ 1 ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦lichamelijk ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦roerende ¦ B ¦ 3 ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦goederen ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦-----+------------+-------+-------+-----------------+---------+---------¦ ¦B->C ¦werk aan li-¦ B ¦ 3 ¦niet belaste ¦ ¦ja ¦ ¦ ¦chamelijk ¦ ¦ ¦dienst (Wb, art. ¦ ¦(rooster ¦ ¦ ¦roerende ¦ ¦ ¦21, § 3, 2°, b) ¦ ¦47) ¦ ¦ ¦goederen ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ C ¦ 2 ¦schuldenaar van ¦ ¦ja (MVH: ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦BTW over de ¦ ¦roosters ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦dienst ¦ ¦81 tot 83¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦en 88 ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦BTW: ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦rooster ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦56) ¦ +------------------------------------------------------------------------+ BIJLAGE 5 (vervolg) + ------------------------------------------------------------------------+ ¦GEVAL¦Intracommu- ¦Register der ¦Register der ont- ¦ ¦NR. ¦nautaire ¦niet- ¦vangen goederen ¦ ¦ 4.1 ¦opgave (art. ¦overbrengingen (art. ¦(art. 54bis, § 1, ¦ ¦ ¦53sexies) ¦54bis, § 1, eerste ¦tweede lid en § 2) ¦ ¦ ¦ ¦lid) ¦ ¦ ¦ ¦-----------------+---------------------+--------------------------¦ ¦ ¦Vermelding op de ¦- Verzending van de ¦- Ontvangst ¦ ¦ ¦intracommunau- ¦ goederen ¦ van de goederen ¦ ¦ ¦taire opgave ¦- Ontvangst van de ¦- Terugzending ¦ ¦ ¦ ¦ goederen ¦ van de goederen ¦ +------------------------------------------------------------------------+ +------------------------------------------------------------------------+ ¦C->A ¦ ¦ ja ¦ ¦ ¦C->B ¦ ¦ (Wb. art. 54bis, ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ § 1, eerste lid) ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦(door¦ ¦ ¦ja (art. 54bis, § 1, ¦ ¦ A) ¦ ¦ ¦tweede lid) ¦ ¦-----+-----------------+---------------------+--------------------------¦ ¦A->C ¦ ¦ ¦ja ¦ ¦ ¦ ¦ ¦(terugzending van ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ de goederen) ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ja ¦ ¦ ¦ ¦ ¦(wijziging van ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ bestemming) ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦-----+-----------------+---------------------+--------------------------¦ ¦A->B ¦ ¦ neen ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ja (ontvangst van ¦ ¦ ¦ ¦ ¦de goederen) ¦ ¦-----+-----------------+---------------------+--------------------------¦ ¦B->C ¦ ¦ ¦ja ¦ ¦ ¦ ¦ ¦(terugzending van ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ de goederen) ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ja (ontvangst ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ van de ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ goederen) ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ +------------------------------------------------------------------------+ BIJLAGE 6 + ------------------------------------------------------------------------+ ¦GEVAL¦ HANDELING ¦ PERIODIEKE AANGIFTE ¦ ¦ ¦ ¦-------------------------------------¦ ¦ ¦ ¦ ¦Vermelding in het ¦ ¦ ¦ ¦ ¦rooster ¦ ¦NR. ¦----------------------------+-----------------+-------------------¦ ¦4.2 ¦ Fiscale ¦Betrok-¦Betrok-¦Aangegeven hande-¦Verwer- ¦ Levering¦ ¦ ¦ behandeling¦ken ¦ken ¦ling ¦ving ¦ Dienst ¦ ¦ ¦ ¦partij ¦Lid- ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦staat ¦ ¦ ¦ ¦ +------------------------------------------------------------------------+ +------------------------------------------------------------------------+ ¦C->A ¦verzending ¦ C ¦ 2 ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦van goederen¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦van zijn ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦onderneming ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦door ¦ontvangst ¦ A ¦ 1 ¦ ¦ ¦ ¦ ¦(A) ¦van goederen¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦-----+------------+-------+-------+-----------------+---------+---------¦ ¦A->C ¦werk aan ¦ A ¦ 1 ¦ niet-belaste ¦ ¦ja ¦ ¦ ¦lichamelijke¦ ¦ ¦ dienst (Wb. art.¦ ¦(rooster ¦ ¦ ¦roerende ¦ ¦ ¦ 21, § 3, 2°, b) ¦ ¦47) ¦ ¦ ¦goederen ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ C ¦ 2 ¦schuldenaar van ¦ ¦ja(MVH: ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦BTW over de ¦ ¦roosters ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦dienst ¦ ¦81 tot 83¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦en 88, ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦BTW:roos-¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ter 56) ¦ ¦-----+------------+-------+-------+-----------------+---------+---------¦ ¦A->B ¦vervoer van ¦ A ¦ 1 ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦lichamelijk ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦roerende ¦ B ¦ 3 ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦goederen ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦-----+------------+-------+-------+-----------------+---------+---------¦ ¦B->A ¦werk aan li-¦ B ¦ 3 ¦niet belaste ¦ ¦ja ¦ ¦ ¦chamelijk ¦ ¦ ¦dienst (Wb, art. ¦ ¦(rooster ¦ ¦ ¦roerende ¦ ¦ ¦21, § 3, 2°, b) ¦ ¦47) ¦ ¦ ¦goederen ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ A ¦ 1 ¦schuldenaar van ¦ ¦ja (MVH: ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦BTW over de ¦ ¦roosters ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦dienst ¦ ¦81 tot 83¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦en 88 ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦BTW: ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦rooster ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦56) ¦ ¦-----+------------+-------+-------+-----------------+---------+---------¦ ¦B->C ¦vervoer af- ¦ B ¦ 3 ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦gewerkt ¦ C ¦ 2 ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦product ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ +------------------------------------------------------------------------+ BIJLAGE 6 (vervolg) + ------------------------------------------------------------------------+ ¦GEVAL¦Intracommu- ¦Register der ¦Register der ont- ¦ ¦NR. ¦nautaire ¦niet- ¦vangen goederen ¦ ¦ 4.2 ¦opgave (art. ¦overbrengingen (art. ¦(art. 54bis, § 1, ¦ ¦ ¦53sexies) ¦54bis, § 1, eerste ¦tweede lid en § 2) ¦ ¦ ¦ ¦lid) ¦ ¦ ¦ ¦-----------------+---------------------+--------------------------¦ ¦ ¦Vermelding op de ¦- Verzending van de ¦- Ontvangst ¦ ¦ ¦intracommunau- ¦ goederen ¦ van de goederen ¦ ¦ ¦taire opgave ¦- Ontvangst van de ¦- Terugzending ¦ ¦ ¦ ¦ goederen ¦ van de goederen ¦ +------------------------------------------------------------------------+ +------------------------------------------------------------------------+ ¦C->A ¦ ¦ ja ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ (Wb. art. 54bis, ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ § 1, eerste lid) ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦(door¦ ¦ ¦ja (art. 54bis, § 1, ¦ ¦ A) ¦ ¦ ¦tweede lid) ¦ ¦-----+-----------------+---------------------+--------------------------¦ ¦A->C ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦-----+-----------------+---------------------+--------------------------¦ ¦A->B ¦ ¦ neen ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ja (ontvangst van ¦ ¦ ¦ ¦ ¦de goederen) ¦ ¦-----+-----------------+---------------------+--------------------------¦ ¦B->A ¦ ¦ ¦ja ¦ ¦ ¦ ¦ ¦(terugzending van ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ de goederen) ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦-----+-----------------+---------------------+--------------------------¦ ¦B->C ¦ ¦ja(ontvangst van de ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ goederen) ¦ja(terugzending van ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ de goederen) ¦ +------------------------------------------------------------------------+