Circulaire 2017/C/91 betreffende praktische toepassingsgevallen inzake de belastingplicht van publiekrechtelijke lichamen
Deze circulaire bevat 'Frequently Asked Questions' inzake de belastingplicht van publiekrechtelijke lichamen en vervangt de eerdere beslissing nr. E.T.128.015 van 12.02.2016. Zij heeft tot doel de bepalingen van circulaire AAFisc Nr. 42/2015 (nr. E.T.125.567) van 10.12.2015 te verduidelijken aan de hand van enkele toepassingsgevallen waarmee publiekrechtelijke lichamen vaak worden geconfronteerd.
Belastingplicht ; publiekrechtelijk lichaam ; handelen als overheid ; concurrentieverstoring van enige betekenis
FOD Financiën, 22.12.2017
Algemene Administratie van de Fiscaliteit – Belasting over de toegevoegde waarde
Inhoudstafel
I. Pro memorie
II. Frequently Asked Questions
3. Is een gemeente of OCMW belastingplichtig voor het verhuren van een ongemeubelde zaal?
16. Is een gemeente of OCMW belastingplichtig voor de verkoop van hout afkomstig uit houtkap?
18. Is er btw verschuldigd wanneer het gemeentepersoneel de gevel van het gemeentehuis reinigt?
19. Is een gemeente belastingplichtig voor de verhuur van materiaal?
21. Is een gemeente belastingplichtig voor de verkoop van pluimvee of plantgoed?
I. Pro memorie
Overeenkomstig artikel 6, eerste lid, van het Btw-Wetboek worden de staat, de gemeenschappen en de gewesten van de Belgische staat, de provincies, de agglomeraties, de gemeenten en de openbare instellingen niet als belastingplichtige aangemerkt voor de werkzaamheden of handelingen die zij als overheid verrichten, ook niet indien zij voor die werkzaamheden of handelingen rechten, heffingen, bijdragen of retributies innen.
Uit deze opsomming blijkt dat de openbare instellingen eveneens worden beoogd. Het betreft meer bepaald de openbare instelling die cumulatief aan onderstaande voorwaarden voldoet, zijnde de instelling die:
- een van de overheidsinstelling - die haar heeft opgericht - onderscheiden rechtspersoonlijkheid bezit
- wordt opgericht door een wet, een koninklijk of ministerieel besluit, een decreet of een verordening (oprichting bij wijze van stichting)
- wordt opgericht met als doel bepaalde collectieve behoeften van algemeen belang te bevredigen
- een autonomie geniet in de uitoefening van haar activiteiten en dit meer bepaald voor de organisatie en het beheer ervan
- in meer of mindere mate onderworpen blijft aan diverse controles waaronder het toezicht van de overheid.
Artikel 6 van het Btw-Wetboek beoogt aldus slechts die openbare lichamen die bij wijze van stichting werden opgericht (bv. het Instituut van de Accountants en Belastingconsulenten (I.A.B.), het Beroepsinstituut van erkende Boekhouders en Fiscalisten (B.I.B.F.), de orden der geneesheren, advocaten of architecten), politie- en hulpverleningszones. De openbare lichamen die bij wijze van vereniging tot stand werden gebracht (coöperatieven van openbare diensten, gemengde economische ondernemingen, de autonome gemeente- en provinciebedrijven, extern verzelfstandigde agentschappen in privaatrechtelijke vorm, OCMW-verenigingen (zie punt 2 van beslissing nr. E.T.129.914 van 27.04.2016) worden daarentegen niet beoogd door de bepalingen van artikel 6 van het Btw-Wetboek (zie punten 3 t.e.m. 5 van circulaire AAFisc Nr. 42/2015).
Gelet op de context waarin openbare lichamen in België handelen evenals op de wijze waarop zij hun werkzaamheden uitoefenen zal de administratie als uitgangspunt nemen dat publiekrechtelijke lichamen in België, in principe, steeds handelen als overheid in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Wetboek, en dus niet de hoedanigheid hebben van btw-belastingplichtige, onverminderd uiteraard de mogelijke toepassing van artikel 6, tweede of derde lid, van het Wetboek (zie punt 11 van circulaire AAFisc Nr. 42/2015).
Overeenkomstig de bepalingen van artikel 6, tweede lid, van het Btw-Wetboek wordt de hoedanigheid van btw-belastingplichtige evenwel aan publiekrechtelijke lichamen toegekend voor die werkzaamheden of handelingen waarvoor een behandeling als niet-belastingplichtige tot concurrentieverstoring van enige betekenis zou leiden.
De vraag of een bepaalde werkzaamheid die wordt verricht door een publiekrechtelijk lichaam aanleiding geeft tot 'concurrentieverstoring van enige betekenis' is een feitenkwestie die geval per geval en voor elke werkzaamheid afzonderlijk beschouwd dient te worden onderzocht.
De administratie neemt aan dat er ten aanzien van een bepaalde werkzaamheid geen concurrentieverstoring van enige betekenis is indien de jaarlijkse omzet van die economische activiteit het bedrag van 25.000 euro niet overschrijdt. Deze drempel dient dus per door dat publiekrechtelijk lichaam verrichte werkzaamheid te worden beoordeeld zodat slechts de op die werkzaamheid betrekking hebbende omzet in acht wordt genomen (en niet per verrichting).
Het openbaar lichaam dat in de loop van het kalenderjaar met betrekking tot een bepaalde werkzaamheid de drempel van 25.000 euro overschrijdt dient onverwijld contact op te nemen met het bevoegd btw-controlekantoor dat op basis van de feitelijke elementen en nadat het kennis heeft genomen van de argumenten van het openbaar lichaam zal beslissen of er sprake is van concurrentieverstoring van enige betekenis in de zin van artikel 6, tweede lid, van het Btw-Wetboek. Bij twijfel zal het btw-controlekantoor het advies inwinnen van de centrale diensten (zie punt 17 van circulaire AAFisc Nr. 42/2015).
Ten aanzien van de handelingen die door een publiekrechtelijk lichaam als overheid worden verricht en die worden beoogd door de bepalingen van artikel 44, van het Wetboek gaat de administratie ervan uit dat die handelingen in principe leiden tot een potentiële concurrentieverstoring waarvoor het publiekrechtelijk lichaam als een (vrijgestelde) btw-belastingplichtige wordt aangemerkt wanneer betreffende concurrentieverstoring van enige betekenis is. Daarenboven kan het publiekrechtelijk lichaam door het indienen van een gemotiveerd verzoekschrift bij de administratie het vermoeden van belastingplicht weerleggen door de afwezigheid van concurrentieverstoring aannemelijk te maken (zie punt 26 van circulaire AAFisc Nr. 42/2015).
Betreffende de handelingen opgenomen in de limitatieve lijst van artikel 6, derde lid, van het Btw-Wetboek verkrijgen publiekrechtelijke lichamen in elk geval de hoedanigheid van belastingplichtige voor zover deze handelingen niet van onbeduidende omvang zijn - zonder dat dient te worden nagegaan of er sprake is van een potentiële concurrentieverstoring. De administratie aanvaardt dat een bepaalde werkzaamheid van onbeduidende omvang is indien de jaarlijkse omzet van die werkzaamheid het bedrag van 25.000 euro niet overschrijdt (zie punt 20 van circulaire AAFisc Nr. 42/2015).
II. Frequently Asked Questions
1. Is een gemeente belastingplichtig wanneer zij tegen betaling werkzaamheden inzake reclame verricht (bijvoorbeeld advertentieruimte aanbieden op straatnaamborden, in sporthallen, in een gemeentelijk informatieblad …)?
Op grond van artikel 6, derde lid, 9°, van het Btw-Wetboek wordt de gemeente ten aanzien van werkzaamheden inzake reclame, in casu bestaande uit het aanbieden van advertentieruimte op straatnaamborden, in het gemeentelijk infoblad, en dergelijke, als btw-belastingplichtige beschouwd voor zover deze handelingen evenwel niet van onbeduidende omvang zijn.
De administratie gaat er van uit dat deze werkzaamheid inzake reclame van onbeduidende omvang is wanneer de jaarlijkse omzet van deze werkzaamheid het bedrag van 25.000 euro niet overschrijdt. In voorkomend geval zal de gemeente voor deze werkzaamheden inzake reclame niet als btw-belastingplichtige worden aangemerkt.
Bedraagt de jaarlijkse omzet van die werkzaamheid daarentegen meer dan 25.000 euro, dan neemt de administratie aan dat deze niet langer van onbeduidende omvang is zodat de gemeente als btw-belastingplichtige zal worden aangemerkt voor de door haar verrichte werkzaamheden inzake reclame.
In dit geval moet men aldus niet nagaan of er sprake is van een (potentiële) concurrentieverstoring.
2. Is een gemeente of OCMW belastingplichtig voor het verschaffen van dranken aan de gebruikers (onder andere lokale verenigingen …) van de gemeentelijke vergader-, feest- en sportzalen?
Opgelet, het gaat hier niet om de uitbating van een cafetaria, maar om een drankvoorraad waarvan voor en na de verhuur van betreffende zalen de stock wordt opgemaakt en het verschil aan de gebruiker van de zaal wordt gefactureerd.
Het verschaffen van dranken door een OCMW of een gemeente aan de huurders van deze zalen geeft in principe aanleiding tot (potentiële) concurrentieverstoring in de zin van artikel 6, tweede lid, van het Btw-Wetboek en dit ten aanzien van andere economische operatoren die gelijkaardige handelingen verrichten.
De administratie gaat er evenwel van uit dat deze concurrentieverstoring van enige betekenis kan zijn wanneer de jaarlijkse omzet van die economische activiteit het bedrag van 25.000 euro overschrijdt. Bij overschrijding van deze drempel moet de gemeente of het OCMW contact opnemen met het bevoegd btw-controlekantoor dat op basis van alle feitelijke elementen, en nadat het kennis heeft genomen van de argumenten van het openbaar lichaam, zal beslissen of er sprake is van concurrentieverstoring van enige betekenis. In voorkomend geval zal de gemeente of het OCMW aangemerkt worden als btw-belastingplichtige voor het verschaffen van deze dranken aan de gebruikers van die zalen en is deze handeling aan de btw onderworpen.
Overschrijdt de jaarlijkse omzet van die activiteit daarentegen het bedrag van 25.000 euro niet, dan neemt de administratie aan dat er in casu geen sprake is van concurrentieverstoring van enige betekenis zodat de gemeente of het OCMW in voorkomend geval niet als btw-belastingplichtige wordt aangemerkt voor het verschaffen van dranken aan de gebruikers van betreffende zalen.
3. Is een gemeente of OCMW belastingplichtig voor het verhuren van een ongemeubelde zaal?
De verhuur van een ongemeubelde zaal is in principe een dienst bedoeld in artikel 44, § 3, 2°, van het Btw-Wetboek.
De handelingen die door een publiekrechtelijk lichaam als overheid worden verricht en die worden beoogd door de bepalingen van artikel 44, van het Btw-Wetboek leiden in principe tot een potentiële concurrentieverstoring in de zin van artikel 6, tweede lid, van het Btw-Wetboek.
De administratie neemt aan dat er geen sprake is van concurrentieverstoring van enige betekenis wanneer de jaarlijkse omzet van die economische activiteit het bedrag van 25.000 euro niet overschrijdt.
Is betreffende concurrentieverstoring evenwel van enige betekenis dan is het verhuren van een zaal van de belasting vrijgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 44, § 3, 2°, van het Btw-Wetboek.
Hetgeen voorafgaat is mutatis mutandis van toepassing ten aanzien van de verhuur van een zaal die is uitgerust met onder andere tafels en stoelen en waarbij de terbeschikkingstelling van deze tafels en stoelen als een bijzaak - die voor de klant geen doel op zich vormt - bij voornoemde vrijgestelde onroerende verhuur kan worden gezien.
4. Is een OCMW belastingplichtig voor de uitbating van een cafetaria in zijn woonzorgcentrum wanneer die enkel toegankelijk is voor de bewoners, hun bezoekers en het personeel van dat centrum?
De handelingen die door een publiekrechtelijk lichaam als overheid worden verricht en die worden beoogd door de bepalingen van artikel 44, van het Btw-Wetboek leiden in principe tot een potentiële concurrentieverstoring in de zin van artikel 6, tweede lid, van het Btw-Wetboek. De administratie neemt aan dat er geen sprake is van concurrentieverstoring van enige betekenis wanneer de jaarlijkse omzet van die economische activiteit het bedrag van 25.000 euro niet overschrijdt.
Indien betreffende concurrentieverstoring evenwel van enige betekenis is, wordt aanvaard dat de uitbating van een drank- of eetgelegenheid door een OCWM-woonzorgcentrum tevens van de btw kan zijn vrijgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 44, § 2, 2°, van het Btw-Wetboek mits deze uitbating bijkomstig is bij de door dat woonzorgcentrum verrichte vrijgestelde handelingen en navolgende voorwaarden cumulatief zijn voldaan (zie beslissing nr. E.T.130.298 van 12.09.2016):
- de exploitatie van de drank- of eetgelegenheid geschiedt op de site van de inrichting waar de overeenkomstig artikel 44, § 2, 2°, van het Btw-Wetboek vrijgestelde handelingen van het OCWM-woonzorgcentrum worden verricht (hierna aangeduid als de betrokken inrichting)
- de overeenkomstig artikel 44, § 2, 2°, van het Btw-Wetboek vrijgestelde handelingen van het OCWM-woonzorgcentrum vormen een overwegend deel van de door de betrokken inrichting verrichte handelingen. Dit impliceert dat het totaalbedrag, per kalenderjaar, van de door het OCMW-woonzorgcentrum verrichte vrijgestelde handelingen groter is dan het totaalbedrag van de overige door die betrokken inrichting verrichte handelingen, zijnde zowel de belaste als overige vrijgestelde handelingen (met inbegrip van de drank- of eetgelegenheid)
- de ontvangsten uit de uitbating van de drank- of eetgelegenheid bedragen niet meer dan 10 % van de omzet van de overeenkomstig artikel 44, § 2, 2°, van het Btw-Wetboek vrijgestelde handelingen van de betrokken inrichting.
5. Is een OCMW belastingplichtig voor de uitbating van een cafetaria in zijn woonzorgcentrum wanneer de cafetaria voor iedereen toegankelijk is?
De exploitatie door een OCMW-woonzorgcentrum van een cafetaria die voor iedereen toegankelijk is, komt niet in aanmerking voor de vrijstelling van artikel 44, § 2, 2°, van het Btw-Wetboek en geeft in principe aanleiding tot (potentiële) concurrentieverstoring in de zin van artikel 6, tweede lid, van het Btw-Wetboek en dit ten aanzien van andere economische operatoren die gelijkaardige handelingen verrichten.
De administratie gaat er evenwel van uit dat deze concurrentieverstoring van enige betekenis kan zijn wanneer de jaarlijkse omzet van die economische activiteit het bedrag van 25.000 euro overschrijdt. Bij de overschrijding van deze drempel moet het OCMW contact opnemen met het bevoegde btw-controlekantoor dat op basis van alle feitelijke elementen, en nadat het kennis heeft genomen van de argumenten van het openbaar lichaam, zal beslissen of er sprake is van concurrentieverstoring van enige betekenis. In voorkomend geval zal het OCMW aangemerkt worden als btw-belastingplichtige voor de uitbating van de cafetaria en is deze handeling aan de btw onderworpen.
Overschrijdt de jaarlijkse omzet van die activiteit daarentegen het bedrag van 25.000 euro niet, dan neemt de administratie aan dat er in casu geen sprake is van concurrentieverstoring van enige betekenis zodat het OCMW in voorkomend geval niet als btw-belastingplichtige wordt aangemerkt voor de uitbating van de cafetaria.
6. Is een OCMW belastingplichtig voor de uitbating van een drank- of eetgelegenheid die voor iedereen toegankelijk is in het lokaal dienstencentrum?
Bij haar beslissing nr. E.T.130.608 van 23.09.2016 gaat de administratie er bij wijze van tolerantie van uit dat de exploitatie van een drank- of eetgelegenheid door een lokaal dienstencentrum de sociale doelstelling van artikel 44, § 2, 2°, van het Btw-Wetboek niet schendt en aldus geen belemmering vormt voor de toepassing van deze vrijstelling wanneer de door het lokaal dienstencentrum gerealiseerde jaarlijkse omzet in het kader van de exploitatie van een dergelijke drank- of eetgelegenheid niet meer bedraagt dan 80.000 euro. Deze drempel wordt beoordeeld per vestigingseenheid.
De handelingen die door een publiekrechtelijk lichaam als overheid worden verricht en die worden beoogd door de bepalingen van artikel 44 van het Btw-Wetboek leiden in principe tot een potentiële concurrentieverstoring in de zin van artikel 6, tweede lid, van het Btw-Wetboek. De administratie neemt aan dat er geen sprake is van concurrentieverstoring van enige betekenis wanneer de jaarlijkse omzet van die economische activiteit het bedrag van 25.000 euro niet overschrijdt.
Samengevat kunnen navolgende situaties zich voordoen:
| Omzet drank- of eetgelegenheid (X) | Gevolgen | |
| Geval 1 | X ≤ 25.000 euro | Geen belastingplicht De administratie gaat ervan uit dat er geen sprake is van een potentiële concurrentieverstoring in de zin van artikel 6, tweede lid, van het Btw-Wetboek. |
| Geval 2 | 25.000 euro X 80.000 euro | Belastingplicht, maar vrijgesteld De administratie gaat ervan uit dat er sprake is van een potentiële concurrentieverstoring in de zin van artikel 6, tweede lid, van het Btw-Wetboek maar dat deze werkzaamheid van de belasting is vrijgesteld overeenkomstig artikel 44, § 2, 2°, van voornoemd Wetboek (1). |
| Geval 3 | X > 80.000 euro | Belastingplicht, niet vrijgesteld De administratie gaat ervan uit dat er sprake is van een potentiële concurrentieverstoring in de zin van artikel 6, tweede lid, van het Btw-Wetboek. Voornoemde tolerantie opgenomen in beslissing nr. E.T. 130.608 is niet van toepassing. Het verstrekken van dranken of maaltijden wordt belast. |
(1) Het publiekrechtelijk lichaam kan door het indienen van een gemotiveerd verzoekschrift bij de administratie het vermoeden van belastingplicht weerleggen door de afwezigheid van concurrentieverstoring aannemelijk te maken (zie ook punt 26 van voornoemde circulaire AAFisc Nr. 42/2015).
In afwijking van het voorgaande wordt door de administratie aanvaard dat bij de beoordeling van een eventuele overschrijding van voornoemd drempelbedrag van 80.000 euro geen rekening dient te worden gehouden met de omzet uit maaltijden indien, hoewel het dienstencentrum voor iedereen toegankelijk is, de maaltijden slechts op bepaalde tijdstippen worden verschaft aan een beperkte doelgroep van senioren of sociaal zwakkeren (bijvoorbeeld personen met een handicap, personen met een WIGW-statuut en zorgbehoevenden). De administratie behoudt zich evenwel het recht voor om dit standpunt te herzien indien zou blijken dat private operatoren die gelijkaardige handelingen verrichten (uitbating van een drank-of eetgelegenheid) hier enig nadelig gevolg van zouden ondervinden.
7. Is een OCMW belastingplichtig voor de uitbating van een drank- of eetgelegenheid in het lokaal dienstencentrum die slechts voor een beperkte doelgroep toegankelijk is?
Vooreerst wordt opgemerkt dat deze situatie niet wordt beoogd door de beslissing nr. E.T.130.608 van 23.09.2016.
De administratie neemt evenwel aan dat de exploitatie door een OCMW van een drank- of eetgelegenheid die slechts voor een beperkte doelgroep toegankelijk is in het lokaal dienstencentrum het uitermate sociaal doel - dat er in hoofdzaak uit bestaat de sociale samenhang te bevorderen - dat een OCMW-dienstencentrum nastreeft niet schendt en aldus in principe geen belemmering vormt voor de toepassing van de vrijstelling van artikel 44, § 2, 2°, van het Btw-Wetboek.
De handelingen die door een publiekrechtelijk lichaam als overheid worden verricht en die worden beoogd door de bepalingen van artikel 44, van het Btw-Wetboek leiden in principe tot een potentiële concurrentieverstoring in de zin van artikel 6, tweede lid, van het Btw-Wetboek. De administratie neemt aan dat er geen sprake is van concurrentieverstoring van enige betekenis wanneer de jaarlijkse omzet van die economische activiteit het bedrag van 25.000 euro niet overschrijdt.
De administratie behoudt zich evenwel het recht voor om dit standpunt te herzien indien zou blijken dat private operatoren die gelijkaardige handelingen verrichten (uitbating van een drank-of eetgelegenheid) hier enig nadelig gevolg van zouden ondervinden.
8. Is een OCMW belastingplichtig wanneer het (ingevolge overcapaciteit in zijn eigen keuken) maaltijden verkoopt tegen kostprijs aan een ander OCMW dat deze maaltijden aan zijn eigen klanten gaat verkopen?
De verkoop van maaltijden door een OCMW - ingevolge overcapaciteit in zijn eigen keuken - aan een ander OCMW geeft in principe aanleiding tot (potentiële) concurrentieverstoring in de zin van artikel 6, tweede lid, van het Btw-Wetboek en dit ten aanzien van andere economische operatoren die gelijkaardige handelingen verrichten.
De administratie gaat er evenwel van uit dat deze concurrentieverstoring van enige betekenis kan zijn wanneer de jaarlijkse omzet van die economische activiteit het bedrag van 25.000 euro overschrijdt. Bij overschrijding van deze drempel moet het OCMW contact opnemen met het bevoegd btw-controlekantoor dat op basis van alle feitelijke elementen, en nadat het kennis heeft genomen van de argumenten van het openbaar lichaam, zal beslissen of er sprake is van concurrentieverstoring van enige betekenis. In voorkomend geval zal het OCMW aangemerkt worden als btw-belastingplichtige voor de verkoop van deze maaltijden en is deze handeling aan de btw onderworpen.
Overschrijdt de jaarlijkse omzet van die activiteit daarentegen het bedrag van 25.000 euro niet, dan neemt de administratie aan dat er in casu geen sprake is van concurrentieverstoring van enige betekenis zodat het OCMW in voorkomend geval niet als btw-belastingplichtige wordt aangemerkt voor de verkoop van die maaltijden.
Bij de bepaling van voornoemde omzetdrempel dient rekening te worden gehouden met de omzet uit alle maaltijden die door het OCMW aan derden worden verstrekt.
Gelet op de bijzondere context waarin de verkoop van maaltijden door een OCMW - ingevolge overcapaciteit in zijn eigen keuken - aan een ander OCMW geschiedt en op het feit dat deze maaltijden door dat OCMW hoofdzakelijk zullen worden verstrekt aan sociaal hulpbehoevenden aanvaardt de administratie evenwel dat de verkoop van deze maaltijden tegen kostprijs van de belasting is vrijgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 44, § 2, 2°, van het Btw-Wetboek.
9. Is een OCMW belastingplichtig voor het tegen kostprijs aan huis leveren van maaltijden bij ouderen en hulpbehoevenden?
De handelingen die door een publiekrechtelijk lichaam als overheid worden verricht en die worden beoogd door de bepalingen van artikel 44, van het Btw-Wetboek leiden in principe tot een potentiële concurrentieverstoring in de zin van artikel 6, tweede lid, van het Btw-Wetboek. De administratie neemt aan dat er geen sprake is van concurrentieverstoring van enige betekenis wanneer de jaarlijkse omzet van die economische activiteit het bedrag van 25.000 euro niet overschrijdt.
Indien betreffende concurrentieverstoring evenwel van enige betekenis is, is het bij ouderen of hulpbehoevenden aan huis leveren van maaltijden tegen kostprijs van de belasting vrijgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 44, § 2, 2°, van het Btw-Wetboek en dit rekening houdend met het sociale doel dat het OCMW in deze nastreeft.
Bij de bepaling van voornoemde omzetdrempel dient rekening te worden gehouden met de omzet uit alle maaltijden die door het OCMW aan derden worden verstrekt.
10. Is een OCMW belastingplichtig voor het tegen kostprijs leveren van maaltijden aan leerlingen, onderwijzend personeel en directieleden van instellingen wier onderwijsprestaties bestaande uit school- of universitair onderwijs van de belasting zijn vrijgesteld overeenkomstig artikel 44, § 2, 4°, a), van het Btw-Wetboek?
De handelingen die door een publiekrechtelijk lichaam als overheid worden verricht en die worden beoogd door de bepalingen van artikel 44, van het Btw-Wetboek leiden in principe tot een potentiële concurrentieverstoring in de zin van artikel 6, tweede lid, van het Btw-Wetboek. De administratie neemt aan dat er geen sprake is van concurrentieverstoring van enige betekenis wanneer de jaarlijkse omzet van die economische activiteit het bedrag van 25.000 euro niet overschrijdt.
Indien betreffende concurrentieverstoring evenwel van enige betekenis is, aanvaardt de administratie dat het tegen kostprijs leveren van maaltijden aan leerlingen, onderwijzend personeel en directieleden van instellingen wier onderwijsprestaties van de belasting zijn vrijgesteld overeenkomstig artikel 44, § 2, 4°, a), van het Btw-Wetboek, de sociale doelstelling die een OCMW nastreeft niet schendt en aldus in principe geen belemmering vormt voor de toepassing van de vrijstelling van artikel 44, § 2, 2°, van het Btw-Wetboek.
De administratie behoudt zich evenwel het recht voor om dit standpunt te herzien indien zou blijken dat private operatoren die gelijkaardige handelingen verrichten (verstrekken van maaltijden aan derden) hier enig nadelig gevolg van zouden ondervinden.
Bij de bepaling van voornoemde omzetdrempel dient rekening te worden gehouden met de omzet uit alle maaltijden die door het OCMW aan derden worden verstrekt.
11. Is een gemeente belastingplichtig voor het ter beschikking stellen van staanplaatsen op markten tegen betaling van een staangeld zoals vastgesteld door de gemeenteraad en dat meestal wordt bepaald in functie van de gebruikte oppervlakte?
Aangezien enkel de publieke overheid rechten kan verlenen op haar openbaar domein is de terbeschikkingstelling van staanplaatsen op een openbare markt in beginsel niet concurrentieverstorend. Zij is evenmin bedoeld in artikel 6, derde lid, van het Btw-Wetboek. Zodoende wordt een gemeente niet aangemerkt als btw-belastingplichtige voor het ter beschikking stellen van staanplaatsen op openbare markten tegen betaling van een staangeld.
Het is hierbij van geen belang of deze gemeente dat staangeld zelf int dan wel een beroep doet op een derde die door betreffende gemeente tijdelijk wordt belast met de inning van deze staangelden. In voorkomend geval verricht deze derde voor de gemeente een dienst als bedoeld in artikel 18, § 1, eerste lid, van het Btw-Wetboek, die belastbaar is tegen het normale btw-tarief, dat thans 21 % bedraagt, en waarvan de maatstaf van heffing bestaat in de bedragen die de gemeente afstaat aan deze derde.
Het voorgaande is mutatis mutandis van toepassing ten aanzien van onder meer het door gemeenten tegen vergoeding ter beschikking stellen van staanplaatsen op een kermis of een jaarmarkt en het verlenen van wegvergunningen (bijvoorbeeld in geval van bouwwerken of festiviteiten die gepaard gaan met verkeershinder).
12. Is een gemeente belastingplichtig voor de verkoop - onder bezwarende titel - van papieren toeristische brochures met bijvoorbeeld wandel- en fietsroutes, toeristische boeken over de eigen gemeente …?
De verkoop van deze toeristische brochures geeft aanleiding tot potentiële concurrentieverstoring in de zin van artikel 6, tweede lid, van het Btw-Wetboek en dit ten aanzien van andere private economische operatoren (uitgeverijen …) die gelijkaardige brochures met bijvoorbeeld wandel- en fietsroutes te koop aanbieden.
De administratie gaat er evenwel van uit dat deze concurrentieverstoring van enige betekenis kan zijn wanneer de jaarlijkse omzet van die economische activiteit het bedrag van 25.000 euro overschrijdt. Bij overschrijding van deze drempel moet de gemeente contact opnemen met het bevoegd btw-controlekantoor dat op basis van alle feitelijke elementen, en nadat het kennis heeft genomen van de argumenten van het openbaar lichaam, zal beslissen of er sprake is van concurrentieverstoring van enige betekenis. In voorkomend geval zal de gemeente aangemerkt worden als btw-belastingplichtige voor de verkoop van die toeristische brochures en is deze handeling aan de btw onderworpen.
Overschrijdt de jaarlijkse omzet van die activiteit daarentegen het bedrag van 25.000 euro niet, dan neemt de administratie aan dat er in casu geen sprake is van concurrentieverstoring van enige betekenis zodat de gemeente in voorkomend geval niet als btw-belastingplichtige wordt aangemerkt voor de verkoop van die toeristische brochures.
13. Is een gemeente belastingplichtig wanneer zij binnen het kader van haar reglementerings- en beheersbevoegdheid zelf instaat voor het ophalen van huishoudelijk afval aan huis? Is zij belastingplichtig voor de verkoop van huisvuilzakken aan haar bewoners?
Wanneer een gemeente binnen het kader van haar reglementerings- en beheersbevoegdheid zelf instaat voor het ophalen van huishoudelijk afval geeft dit in beginsel geen aanleiding tot (potentiële) concurrentieverstoring in de zin van artikel 6, tweede lid, van het Btw-Wetboek. De gemeente moet aldus niet als btw-belastingplichtige worden aangemerkt voor het ophalen van dit huishoudelijk afval.
Naar analogie van hetgeen voorafgaat is de gemeente evenmin btw-belastingplichtig voor de verkoop van huisvuilzakken in het kader van de huisvuilophaling waarvoor zij ingevolge haar reglementerings- en beheersbevoegdheid zelf instaat. Wanneer deze huisvuilzakken evenwel worden verkocht door tussenkomst van onder meer lokale handelaren die daarvoor een commissie ontvangen is deze commissie aan de btw onderworpen tegen het normale btw-tarief, dat thans 21 % bedraagt.
In de praktijk zal een gemeente vaak niet zelf instaan voor het ophalen van huishoudelijk afval maar wordt deze taak overgedragen aan een intercommunale of aan een intergemeentelijk samenwerkingsverband (opdrachthoudende vereniging). Wanneer de gemeente daartoe volledige afstand heeft gedaan van haar reglementerings- en beheersbevoegdheid zal die intercommunale of opdrachthoudende vereniging evenmin als btw-belastingplichtige worden aangemerkt voor het ophalen van dit huishoudelijk afval.
Tot slot wordt opgemerkt dat wanneer een gemeente zelf instaat voor het ophalen van niet-huishoudelijk afval (bedrijfsafval, industrieel afval, en dergelijke) dit in beginsel aanleiding geeft tot (potentiële) concurrentieverstoring in de zin van artikel 6, tweede lid, van het Btw-Wetboek en dit ten aanzien van andere private economische operatoren die gelijkaardige handelingen verrichten. De administratie gaat er evenwel van uit dat deze concurrentieverstoring van enige betekenis kan zijn wanneer de jaarlijkse omzet van die economische activiteit het bedrag van 25.000 euro overschrijdt. Bij overschrijding van deze drempel moet de gemeente contact opnemen met het bevoegd btw-controlekantoor dat op basis van alle feitelijke elementen, en nadat het kennis heeft genomen van de argumenten van het openbaar lichaam, zal beslissen of er sprake is van concurrentieverstoring van enige betekenis. In voorkomend geval zal de gemeente aangemerkt worden als btw-belastingplichtige voor het ophalen van niet-huishoudelijk afval (bedrijfsafval, industrieel afval, en dergelijke) en is deze handeling aan de btw onderworpen.
14. Is een gemeente belastingplichtig voor het aanbieden van parkeerplaatsen op de openbare weg tegen betaling van een retributie dan wel voor de exploitatie van een niet op de openbare weg gelegen parkeergelegenheid (bv. ondergrondse parking)?
Op grond van artikel 6, derde lid, 8°, van het Btw-Wetboek is een gemeente btw-belastingplichtig voor de exploitatie en het verlenen van rechten op de exploitatie van een parkeergelegenheid voor zover deze handelingen evenwel niet van onbeduidende omvang zijn.
Daar enkel de publieke overheid rechten kan verlenen op haar openbaar domein kan het ter beschikking stellen van parkeerplaatsen op de openbare weg door een gemeente niet worden aangemerkt als de exploitatie van een parkeergelegenheid in de zin van artikel 6, derde lid, 8°, van het Btw-Wetboek. Om dezelfde reden is de terbeschikkingstelling van parkeerplaatsen op de openbare weg in beginsel niet concurrentieverstorend. Bijgevolg wordt de gemeente niet als btw-belastingplichtige aangemerkt voor het ter beschikking stellen van parkeerplaatsen op de openbare weg tegen betaling van een retributie.
De gemeente is evenwel btw-belastingplichtig voor de exploitatie van een niet op de openbare weg gelegen parkeergelegenheid (bv. een ondergrondse parking) voor zover deze exploitatie niet van onbeduidende omvang is. De administratie gaat er hierbij van uit dat de exploitatie van een dergelijke parkeergelegenheid niet langer van onbeduidende omvang is wanneer de jaarlijkse omzet van deze werkzaamheid het bedrag van 25.000 euro overschrijdt.
Overschrijdt de jaarlijkse omzet van die activiteit daarentegen het bedrag van 25.000 euro niet, dan neemt de administratie aan dat deze werkzaamheid van onbeduidende omvang is zodat de gemeente niet als btw-belastingplichtige zal worden aangemerkt voor de exploitatie van deze niet op de openbare weg gelegen parkeergelegenheid.
15. Verschilt het antwoord op vraag 14 wanneer de gemeente het innen van retributies dan wel het beheer van de exploitatie van parkeerplaatsen al dan niet op de openbare weg toevertrouwt aan een derde?
Neen, het antwoord op vraag 14 blijft hetzelfde.
Wanneer de gemeente de inning van deze retributies dan wel het beheer - zowel op het stuk van controle als de inning - van hetzij het parkeren op de openbare weg, hetzij van de exploitatie van een niet op de openbare weg gelegen parkeergelegenheid toevertrouwt aan een derde, en in ruil hiervoor aan laatstgenoemde een deel van de ontvangsten afstaat, verricht deze derde echter voor de gemeente een dienst als bedoeld in artikel 18, § 1, eerste lid, van het Btw-Wetboek. Deze dienst is belastbaar tegen het normale btw-tarief, dat thans 21 % bedraagt, en waarvan de maatstaf van heffing bestaat in de sommen die de gemeente afstaat aan die derde.
16. Is een gemeente of OCMW belastingplichtig voor de verkoop van hout afkomstig uit houtkap?
In punt 21 van circulaire AAFisc Nr. 42/2015 wordt gesteld dat de handelingen die door een publiekrechtelijk lichaam als overheid worden verricht - en die niet uitdrukkelijk in het derde lid van artikel 6 van het Btw-Wetboek werden opgenomen - maar voorheen werden vermeld in koninklijk besluit nr. 26 met betrekking tot het onderwerpen van de openbare instellingen aan de belasting over de toegevoegde waarde, dat bij koninklijk besluit van 20.12.2007 werd opgeheven, in principe leiden tot een concurrentieverstoring.
Bijgevolg geeft de verkoop van bomen en hout van een bosbedrijf aanleiding tot concurrentieverstoring in de zin van artikel 6, tweede lid, van het Btw-Wetboek.
De administratie gaat er evenwel van uit dat deze concurrentieverstoring van enige betekenis kan zijn wanneer de jaarlijkse omzet van die economische activiteit het bedrag van 25.000 euro overschrijdt. Bij overschrijding van deze drempel moet de gemeente of het OCMW contact opnemen met het bevoegd btw-controlekantoor dat op basis van alle feitelijke elementen, en nadat het kennis heeft genomen van de argumenten van het openbaar lichaam, zal beslissen of er sprake is van concurrentieverstoring van enige betekenis. In voorkomend geval zal de gemeente of het OCMW aangemerkt worden als btw-belastingplichtige voor de verkoop van hout afkomstig uit houtkap en is deze verkoop aldus aan de btw is onderworpen.
Overschrijdt de jaarlijkse omzet van die activiteit daarentegen het bedrag van 25.000 euro niet, dan neemt de administratie aan dat er in casu geen sprake is van concurrentieverstoring van enige betekenis zodat de gemeente of het OCMW in voorkomend geval niet als btw-belastingplichtige wordt aangemerkt voor de verkoop van hout afkomstig uit houtkap.
Een gemeente die aldus slechts sporadisch hout verkoopt afkomstig uit houtkap, bv. ter gelegenheid van de heraanleg van een plein of een openbare weg waarlangs bomen waren aangeplant, zal aldus niet als btw-belastingplichtige worden aangemerkt wanneer de jaarlijkse omzet uit deze verkoop het bedrag van 25.000 euro niet overschrijdt.
17. Is een gemeente belastingplichtig voor bepaalde werken in onroerende staat ten behoeve van haar inwoners, zoals de herstelling onder bezwarende titel van een private oprit of het aansluiten van een gebouw op het openbaar rioleringsnetwerk?
Het verrichten van werken in onroerende staat, zoals de herstelling onder bezwarende titel van een private oprit door een gemeente of het aansluiten van een gebouw op het openbaar rioleringsnetwerk, geeft in principe aanleiding tot (potentiële) concurrentieverstoring in de zin van artikel 6, tweede lid, van het Btw-Wetboek en dit ten aanzien van andere economische operatoren die gelijkaardige handelingen verrichten.
De administratie gaat er evenwel van uit dat deze concurrentieverstoring van enige betekenis kan zijn wanneer de jaarlijkse omzet van die economische activiteit het bedrag van 25.000 euro overschrijdt. Bij overschrijding van deze drempel moet de gemeente contact opnemen met het bevoegd btw-controlekantoor dat op basis van alle feitelijke elementen, en nadat het kennis heeft genomen van de argumenten van het openbaar lichaam, zal beslissen of er sprake is van concurrentieverstoring van enige betekenis. In voorkomend geval zal de gemeente aangemerkt worden als btw-belastingplichtige voor de herstelling onder bezwarende titel van een oprit, het aansluiten van een gebouw aan het openbaar rioleringsnetwerk, en dergelijke en zijn deze handelingen aldus aan de btw onderworpen.
Overschrijdt de jaarlijkse omzet van die activiteit daarentegen het bedrag van 25.000 euro niet, dan neemt de administratie aan dat er in casu geen sprake is van concurrentieverstoring van enige betekenis zodat de gemeente in voorkomend geval voor die handelingen niet als btw-belastingplichtige wordt aangemerkt.
18. Is er btw verschuldigd wanneer het gemeentepersoneel de gevel van het gemeentehuis reinigt?
Het reinigen van een gevel is een werk in onroerende staat. Op grond van artikel 19, § 2, 1°, van het Btw-Wetboek is er in principe btw verschuldigd wanneer een belastingplichtige met zijn personeel een werk in onroerende staat verricht, voor de doeleinden van zijn economische activiteit.
Met ingang van 16.12.2017 is artikel 19, § 2, 1°, van het Btw-Wetboek echter gewijzigd zodat het herstellings-, onderhouds- en reinigingswerk niet gelijkgesteld wordt met een dienst verricht onder bezwarende titel.
In het verleden werd het toepassingsgebied van artikel 19, § 2, eerste lid, 1°, (oud), van het Btw-Wetboek ten aanzien van herstellings-, onderhouds- en reinigingswerk bij administratieve toegevingen steeds verder ingeperkt.
Door middel van beslissing nr. E.T.130.422 van 05.07.2016, werd de toepassing van artikel 19, § 2, eerste lid, 1°, (oud), van het Btw-Wetboek vanaf 01.07.2016 in geen enkele veronderstelling meer geëist voor het werk dat bestaat in het herstellen, het onderhouden of het reinigen van een uit zijn aard onroerend goed dat een belastingplichtige zelf of met eigen personeel verricht voor de doeleinden van zijn economische activiteit.
Deze beslissing heeft geen reden van bestaan meer aangezien ze reglementair is verankerd in artikel 19, § 2, tweede lid, (nieuw), van het Btw-Wetboek. Ze wordt bijgevolg opgeheven vanaf 16.12.2017.
Tot slot wordt eraan herinnerd dat artikel 19, § 2, 1°, van het Btw-Wetboek in geen geval van toepassing is ten aanzien van werk in onroerende staat verricht door een niet-belastingplichtig publiekrechtelijk lichaam (gemeenten, OCMW …) met behulp van eigen personeelsleden. In dat geval is er dus geen btw verschuldigd.
19. Is een gemeente belastingplichtig voor de verhuur van materiaal?
De verhuur van materiaal geeft aanleiding tot potentiële concurrentieverstoring in de zin van artikel 6, tweede lid, van het Btw-Wetboek en dit ten aanzien van andere private economische operatoren die gelijkaardige handelingen verrichten.
De administratie gaat er evenwel van uit dat deze concurrentieverstoring van enige betekenis kan zijn wanneer de jaarlijkse omzet van die economische activiteit het bedrag van 25.000 euro overschrijdt. Bij overschrijding van deze drempel moet de gemeente contact opnemen met het bevoegd btw-controlekantoor dat op basis van alle feitelijke elementen, en nadat het kennis heeft genomen van de argumenten van het openbaar lichaam, zal beslissen of er sprake is van concurrentieverstoring van enige betekenis. In voorkomend geval zal de gemeente aangemerkt worden als btw-belastingplichtige voor de verhuur van materiaal en is deze verhuur aldus aan de btw onderworpen.
Overschrijdt de jaarlijkse omzet van die activiteit daarentegen het bedrag van 25.000 euro niet, dan neemt de administratie aan dat er in casu geen sprake is van concurrentieverstoring van enige betekenis zodat de gemeente in voorkomend geval niet als btw-belastingplichtige wordt aangemerkt voor de verhuur van dergelijk materiaal.
20. Is een gemeente belastingplichtig voor de organisatie van culturele voorstellingen waarbij ook brochures of programmaboekjes over die voorstellingen aan de toeschouwers te koop worden aangeboden?
De organisatie van culturele voorstellingen door een gemeente is in principe een dienst bedoeld in art. 44, § 2, 9°, van het Btw-Wetboek.
De handelingen die door een publiekrechtelijk lichaam als overheid worden verricht en die worden beoogd door de bepalingen van artikel 44, van het Btw-Wetboek leiden in principe tot een potentiële concurrentieverstoring in de zin van artikel 6, tweede lid, van het Btw-Wetboek. De administratie neemt aan dat er geen sprake is van concurrentieverstoring van enige betekenis wanneer de jaarlijkse omzet van die economische activiteit het bedrag van 25.000 euro niet overschrijdt.
Indien deze concurrentieverstoring evenwel van enige betekenis is, is de organisatie van culturele voorstellingen door een gemeente van de belasting vrijgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 44, § 2, 9°, van het Btw-Wetboek en dit voor zover de inkomsten die de gemeente uit die werkzaamheid verkrijgt uitsluitend worden gebruikt tot dekking van de kosten ervan. Desgevallend is ook de verkoop van brochures met betrekking tot die voorstellingen van de belasting vrijgesteld overeenkomstig dit artikel.
21. Is een gemeente belastingplichtig voor de verkoop van pluimvee of plantgoed?
De verkoop van pluimvee geeft aanleiding tot potentiële concurrentieverstoring in de zin van artikel 6, tweede lid, van het Btw-Wetboek en dit ten aanzien van andere private economische operatoren die gelijkaardige handelingen verrichten.
De administratie gaat er evenwel van uit dat deze concurrentieverstoring van enige betekenis kan zijn wanneer de jaarlijkse omzet van die economische activiteit het bedrag van 25.000 euro overschrijdt. Bij overschrijding van deze drempel moet de gemeente contact opnemen met het bevoegd btw-controlekantoor dat op basis van alle feitelijke elementen, en nadat het kennis heeft genomen van de argumenten van het openbaar lichaam, zal beslissen of er sprake is van concurrentieverstoring van enige betekenis. In voorkomend geval zal de gemeente aangemerkt worden als btw-belastingplichtige voor de verkoop van pluimvee en is deze verkoop aldus aan de btw onderworpen.
Overschrijdt de jaarlijkse omzet van die activiteit daarentegen het bedrag van 25.000 euro niet, dan neemt de administratie aan dat er in casu geen sprake is van concurrentieverstoring van enige betekenis zodat de gemeente in voorkomend geval niet als btw-belastingplichtige wordt aangemerkt voor de verkoop van pluimvee.
Het voorgaande is mutatis mutandis van toepassing ten aanzien van de verkoop van plantgoed.
22. Is een gemeente belastingplichtig voor het onder bezwarende titel verlenen van rechten op de exploitatie van een cafetaria?
In punt 21 van circulaire AAFisc Nr. 42/2015 wordt gesteld dat de handelingen die door een publiekrechtelijk lichaam als overheid worden verricht - en die niet uitdrukkelijk in het derde lid van artikel 6 van het Btw-Wetboek werden opgenomen - maar voorheen werden vermeld in koninklijk besluit nr. 26 met betrekking tot het onderwerpen van de openbare instellingen aan de belasting over de toegevoegde waarde, dat bij koninklijk besluit van 20.12.2007 werd opgeheven, in principe leiden tot een concurrentieverstoring.
Bijgevolg geeft het verlenen van rechten op de exploitatie van een drankgelegenheid die voor het publiek vrij toegankelijk is aanleiding tot concurrentieverstoring in de zin van artikel 6, tweede lid, van het Btw-Wetboek.
De administratie gaat er evenwel van uit dat deze concurrentieverstoring van enige betekenis kan zijn wanneer de jaarlijkse omzet van die economische activiteit het bedrag van 25.000 euro overschrijdt. Bij overschrijding van deze drempel moet de gemeente contact opnemen met het bevoegd btw-controlekantoor dat op basis van alle feitelijke elementen, en nadat het kennis heeft genomen van de argumenten van het openbaar lichaam, zal beslissen of er sprake is van concurrentieverstoring van enige betekenis.
Er wordt evenwel opgemerkt dat hierbij geval per geval moet worden nagegaan of de vrijstelling inzake verhuur van onroerende goederen zoals beoogd door de bepalingen van artikel 44, § 3, 2°, van het Btw-Wetboek van toepassing is. Het spreekt voor zich dat daarbij rekening moet worden gehouden met de specifieke elementen eigen aan elk geval.
23. Is een gemeente of een OCMW belastingplichtig voor de terbeschikkingstelling van personeel onder bezwarende titel aan een ander publiekrechtelijk lichaam?
Er wordt aanvaard dat de terbeschikkingstelling van personeel door een gemeente, een OCMW, een politiezone of een hulpverleningszone aan een ander publiekrechtelijk lichaam geen aanleiding geeft tot (potentiële) concurrentieverstoring in de zin van artikel 6, tweede lid, van het Btw-Wetboek.
Deze toegeving geldt ook ten aanzien van de terbeschikkingstellingen van personeel door een gemeente, een OCMW, een politiezone of een hulpverleningszone aan entiteiten die door lokale besturen worden opgericht en die onder hun toezicht staan. De loutere toekenning van prijssubsidies of werkingstoelagen volstaat aldus niet om van deze tolerantie gebruik te kunnen maken. Komen wel in aanmerking voor deze tolerantie: de autonome gemeentebedrijven, de OCMW-verenigingen en de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden.
Wanneer zou blijken dat private operatoren die gelijkaardige handelingen verrichten (de terbeschikkingstelling van personeel) hier enig nadelig gevolg van zouden ondervinden, kan dit standpunt herzien worden.
Tot slot wordt opgemerkt dat de administratie zich voor wat de terbeschikkingstellingen van personeel in het kader van artikel 60, § 7, van de organieke wet van 08.07.1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, die er in hoofdzaak op gericht zijn om sociale rechten op te bouwen niet zal verzetten tegen de toepassing van de vrijstelling van artikel 44, § 2, 2°, van het Btw-Wetboek ten aanzien van die terbeschikkingstellingen. Dit voor zover deze terbeschikkingstellingen nog niet worden beoogd door eerdergenoemde toegeving.
Hetgeen voorafgaat vervangt integraal het standpunt opgenomen onder punt 1 van beslissing nr. E.T.129.914 van 27.04.2016 die hierbij wordt opgeheven.
24. Is een gemeente (respectievelijk een OCMW) belastingplichtig voor het verrichten van leveringen van goederen en diensten onder bezwarende titel aan het eigen OCMW (respectievelijk de eigen gemeente)?
Gemeenten en OCMW's, kunnen een beroep doen op elkaars diensten, of ze richten gemeenschappelijke diensten op die diensten verlenen aan de beide entiteiten. Soms wordt deze dienstverlening gefactureerd aan de andere entiteit, andere keren niet. In sommige gevallen beïnvloedt deze samenwerking de gemeentelijke dotatie aan het OCMW, in andere gevallen niet.
De administratie aanvaardt dat dergelijke dienstprestaties onder bezwarende titel door een gemeente aan haar eigen OCMW of extern verzelfstandigd agentschap dan wel dergelijke prestaties door het OCMW aan de eigen gemeente of extern verzelfstandigd agentschap, ongeacht de omvang ervan, niet leiden tot concurrentieverstoring.
Hetgeen voorafgaat is mutatis mutandis van toepassing ten aanzien van de leveringen van goederen door een gemeente aan haar eigen OCMW of extern verzelfstandigd agentschap dan wel ten aanzien van dergelijke leveringen door het OCMW aan de eigen gemeente of extern verzelfstandigd agentschap.
Desgevallend worden deze handelingen beoogd door de bepalingen van artikel 6, eerste lid, van het Btw-Wetboek. Dit heeft voor gevolg dat respectievelijk de gemeente dan wel het OCMW als niet-belastingplichtige wordt aangemerkt voor het verrichten van deze handelingen.
Interne ref.: 130.932
