Circulaire 2018/C/79 betreffende de mogelijkheid voor de adviseur-generaal of voor de door hem gedelegeerde ambtenaar om een ontheffing per kohier toe te staan en om zijn beslissing te verbeteren
Deze circulaire bespreekt de wijzigingen die aan artikel 375 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 werden aangebracht waardoor de adviseur-generaal of de door hem gedelegeerde ambtenaar bij de aanvaarding van de grieven van een bezwaarschrift of van een rechtsvordering een ontheffing kan toestaan met een verbeterend kohier (wet van 25 december 2017 houdende diverse fiscale bepalingen IV) en zijn beslissing kan verbeteren op vraag van de belastingplichtige (wet van 15 april 2018 tot wijziging van artikel 375 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen).
inkomstenbelastingen ; administratieve geschillen ; gerechtelijke geschillen ; beslissing van de adviseur-generaal of van de door hem gedelegeerde ambtenaar ; uitstel van de mogelijkheid tot instellen van een vordering bij de rechtbank van eerste aanleg.
FOD Financiën, 21.06.2018
Algemene Administratie van de Fiscaliteit – Geschillen
Inhoudstafel
I. Algemeen
II. Wettelijke bepalingen
III. Ontheffingen per kohier
IV. Rechtzetting van de beslissing van de adviseur-generaal of van de door hem gedelegeerde ambtenaar
1. Voorwerp en ontvankelijkheid van de vraag tot rechtzetting
2. Wie kan een verzoek tot rechtzetting van de beslissing indienen?
3. Schriftelijk en gemotiveerd verzoek
4. Aan wie moet het verzoek tot rechtzetting worden gericht?
5. Termijn voor het indienen van het verzoek tot rechtzetting van de beslissing – gevolgen van de keuze van de belastingplichtige
6. Termijn waarbinnen een beslissing moet worden genomen over het verzoek tot rechtzetting – Termijn voor het instellen van een rechtsvordering
7. Draagwijdte van de beslissing over het verzoek tot rechtzetting – Beoordelingsbevoegdheid van de rechtbank
8. Gemotiveerde beslissing
9. Eventuele toepassing van artikel 356, WIB 92
10. Geen tweede vraag tot rechtzetting mogelijk
11. Geen tussenkomst van de fiscale bemiddelingsdienst
12. Artikel 374, WIB 92
V. Inwerkingtreding
I. Algemeen
1. De wet van 25 december 2017 houdende diverse fiscale bepalingen IV (BS 29 december 2017 – Ed. 1) heeft artikel 375 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 aangevuld en heeft artikel 380, WIB 92, hersteld. Hiermee krijgt de adviseur-generaal van de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen of de door hem gedelegeerde ambtenaar de mogelijkheid om een aanslag te vernietigen of te ontheffen (wanneer de grieven die zijn opgenomen in een bezwaarschrift (toepassing artikel 366, WIB 92) of in een rechtsvordering, worden aanvaard) door middel van een registratie, op naam van de betrokken belastingplichtige van het ontheven of vernietigd bedrag in een kohier dat uitvoerbaar wordt verklaard.
Deze wijziging heeft tot doel de toegepaste procedures van 'ontheffing per kohier' wettelijk te regelen voor de eenvoudige gevallen die het gevolg zijn van onbetwiste fouten van de administratie of van de belastingplichtige in het geval dat dergelijke ontheffingsvragen worden ingediend binnen de termijn van 6 maanden zoals bepaald in artikel 371, WIB 92.
Sinds de wijziging van artikel 366, WIB 92, door de wet van 3 augustus 2016 (BS 11 augustus 2016), moeten dergelijke vragen beschouwd worden als een bezwaarschrift, ongeacht of deze werden ingediend bij de adviseur-generaal of bij elke andere ambtenaar van de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen (1). Voortaan kunnen de bezwaarschriften worden opgelost met een 'ontheffing per kohier', zoals dit reeds voorzien is in artikel 376ter, WIB 92, met betrekking tot de ontheffingen van ambtswege die werden toegekend overeenkomstig artikel 376, WIB 92.
(1) Ook bij een ambtenaar van de administratie belast met de inning en de invordering van de inkomstenbelastingen en sinds de wet van 10 juli 2017 (BS 20 juli 2017) bij de fiscale bemiddelingsdienst zoals opgericht met artikel 116 van de wet van 25 april 2017 houdende diverse bepalingen (IV).
De voorbereidende werken verduidelijken ook dat 'Omwille van redenen verbonden met de automatisering en het vergemakkelijken van de taak van de Algemene Administratie van de Inning en de Invordering in het behandelen van de beslissingen genomen op basis van artikel 375, WIB 92 en de uitvoering van de gerechtelijke beslissingen, wordt er voorgesteld de uitgavestukken te vervangen door een inkohiering met het oog op de automatische uitvoering van alle administratieve of gerechtelijke beslissingen die aanleiding geven tot de toekenning van een ontheffing of vernietiging van de aanslag' (Parl. St., Kamer, 54 2792/001, p. 16).
2. Daarnaast is het voortaan met de wet van 15 april 2018 tot wijziging van artikel 375 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (BS 20 april 2018 – Ed. 2) voor de adviseur-generaal van de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen of de door hem gedelegeerde ambtenaar mogelijk om zijn beslissing recht te zetten, op schriftelijke en gemotiveerde vraag van de belastingplichtige of van zijn echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd. Het verzoek dient te worden ingediend binnen een termijn van drie maanden vanaf de kennisgeving van de beslissing over het bezwaarschrift. Het verzoek is onontvankelijk wanneer de belastingplichtige ervoor kiest om het geschil aan de rechtbank van eerste aanleg voor te leggen binnen dezelfde termijn.
Als gevolg van het verzoek tot rechtzetting wordt het recht van de belastingplichtige om een rechtsvordering in te stellen geschorst gedurende een termijn van één maand. Wanneer de beslissing over het verzoek tot rechtzetting door de administratie wordt genomen, moet een eventuele vordering voor de rechtbank van eerste aanleg worden ingediend binnen een termijn van één maand vanaf de kennisgeving van deze beslissing, zonder dat deze termijn minder bedraagt dan drie maanden vanaf de kennisgeving van de oorspronkelijke beslissing.
Volgens de voorbereidende werkzaamheden voegt de nieuwe wet 'in de inkomstenbelastingen een vorm van willig beroep in tegen een beslissing over een bezwaarschrift' (Parl. St. Kamer 54 201/005, p. 5), met als doelstelling 'aan de FOD Financiën de mogelijkheid te geven om een beslissing recht te zetten wanneer deze beslissing onregelmatig is zonder de betrokken belastingplichtige te verplichten om een juridische procedure op te starten.'. Het is bedoeld 'om zo een verplicht beroep voor het gerecht te vermijden, daar waar de belastingsplichtige en de administratie in feite inhoudelijk akkoord zijn. Dit zal meer doelmatig zijn dan een gerechtelijke procedure waarbij een akkoordconclusie wordt neergelegd' (Parl. St. Kamer, 54 201/006, p. 3 en 4).
II. Wettelijke bepalingen
3. Art. 15, wet 25 december 2017
« In artikel 375, § 1, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 15 maart 1999 en gewijzigd bij de wet van 27 april 2016, wordt het tweede lid vervangen als volgt :
"Hij kan evenwel de aanslag vernietigen of een ontheffing verlenen voortkomende uit het geheel of ten dele aanvaarden van de bezwaren aangevoerd door de belastingschuldige of door zijn echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd, door middel van de registratie, op naam van de betrokken belastingplichtige, van het ontheven of vernietigd bedrag in een kohier dat uitvoerbaar wordt verklaard.
In alle gevallen geschiedt de kennisgeving van de beslissing bij ter post aangetekende brief. Deze beslissing is onherroepelijk wanneer geen vordering is ingesteld bij de rechtbank van eerste aanleg binnen de in artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek vermelde termijn.".».
Art. 16, wet 25 december 2017
« Artikel 380 van hetzelfde Wetboek, opgeheven bij de wet van 15 maart 1999 wordt hersteld als volgt :
"Art. 380. De adviseur-generaal van de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen of de door hem gedelegeerde ambtenaar kan de gerechtelijke beslissing die een ontheffing verleent of een aanslag vernietigt, uitvoeren door middel van de registratie, op naam van de betrokken belastingplichtige, van het ontheven of vernietigd bedrag in een kohier dat uitvoerbaar wordt verklaard.". ».
4. Art. 2, wet 15 april 2018
« In artikel 374, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 april 2016, worden de woorden "het bezwaarschrift" vervangen door de woorden "het bezwaarschrift of het verzoek tot rechtzetting"»
Art. 3, L. 15.04.2018
« In artikel 375 van het hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 december 2017, wordt een paragraaf 1/1 ingevoegd, luidende :
" § 1/1. In afwijking van paragraaf 1 kan de belastingschuldige of zijn echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd, de adviseur-generaal van de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen of de door hem gedelegeerde ambtenaar schriftelijk en gemotiveerd verzoeken zijn beslissing recht te zetten. Het verzoek dient te worden ingediend binnen een termijn van drie maanden te rekenen van de derde werkdag volgend op de verzending van de kennisgeving van de beslissing over het bezwaarschrift. Het verzoek is onontvankelijk wanneer de belastingschuldige voorafgaand aan het verzoek tot rechtzetting een vordering bij de rechtbank van eerste aanleg heeft ingesteld.
De adviseur-generaal of zijn gedelegeerde kan de in paragraaf 1 genomen beslissing geheel of gedeeltelijk rechtzetten. Hij doet tevens gemotiveerd uitspraak over de aangevoerde grieven tegen de in paragraaf 1 genomen beslissing.
De kennisgeving van de met rede omklede beslissing genomen bij toepassing van het tweede lid geschiedt bij ter post aangetekende brief. De beslissing is onherroepelijk wanneer geen vordering is ingesteld bij de rechtbank van eerste aanleg binnen de in artikel 1385undecies, vijfde lid, van het Gerechtelijk Wetboek vermelde termijn.". »
Art. 4, wet 15 april 2018
« Artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 10 juli 2017, wordt aangevuld met een lid, luidende :
"In geval van toepassing van artikel 375, § 1/1, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wordt in afwijking van het tweede lid de vordering ingesteld ten vroegste een maand vanaf de datum van ontvangst van het verzoek tot rechtzetting indien hierover geen uitspraak is gedaan en, op straffe van verval, uiterlijk binnen een termijn van een maand vanaf de kennisgeving van de beslissing over dat verzoek zonder dat deze termijn minder bedraagt dan drie maanden vanaf de kennisgeving van de beslissing bedoeld in artikel 375, § 1 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.".»
Art. 5, wet 15 april 2018
« Deze wet is van toepassing op de beslissingen genomen bij toepassing van artikel 375, § 1, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vanaf de eerste dag van de maand na afloop van een termijn van tien dagen te rekenen van de dag volgend op de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.»
5. Art. 375 WIB 92, zoals van toepassing na de diverse wetswijzigingen:
|
§ 1. De adviseur-generaal van de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen of de door hem gedelegeerde ambtenaar doet, als administratieve overheid, uitspraak bij met redenen omklede beslissing nopens de bezwaren aangevoerd door de belastingschuldige of door zijn echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd. Hij kan evenwel de aanslag vernietigen of een ontheffing verlenen voortkomende uit het geheel of ten dele aanvaarden van de bezwaren aangevoerd door de belastingschuldige of door zijn echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd, door middel van de registratie, op naam van de betrokken belastingplichtige, van het ontheven of vernietigd bedrag in een kohier dat uitvoerbaar wordt verklaard. In alle gevallen geschiedt de kennisgeving van de beslissing bij ter post aangetekende brief. Deze beslissing is onherroepelijk wanneer geen vordering is ingesteld bij de rechtbank van eerste aanleg binnen de in artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek vermelde termijn. § 1/1. In afwijking van paragraaf 1 kan de belastingschuldige of zijn echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd, de adviseur-generaal van de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen of de door hem gedelegeerde ambtenaar schriftelijk en gemotiveerd verzoeken zijn beslissing recht te zetten. Het verzoek dient te worden ingediend binnen een termijn van drie maanden te rekenen van de derde werkdag volgend op de verzending van de kennisgeving van de beslissing over het bezwaarschrift. Het verzoek is onontvankelijk wanneer de belastingschuldige voorafgaand aan het verzoek tot rechtzetting een vordering bij de rechtbank van eerste aanleg heeft ingesteld. De adviseur-generaal of zijn gedelegeerde kan de in paragraaf 1 genomen beslissing geheel of gedeeltelijk rechtzetten. Hij doet tevens gemotiveerd uitspraak over de aangevoerde grieven tegen de in paragraaf 1 genomen beslissing. De kennisgeving van de met rede omklede beslissing genomen bij toepassing van het tweede lid geschiedt bij ter post aangetekende brief. De beslissing is onherroepelijk wanneer geen vordering is ingesteld bij de rechtbank van eerste aanleg binnen de in artikel 1385undecies, vijfde lid, van het Gerechtelijk Wetboek vermelde termijn. § 2. Het is hem niet toegelaten bij zijn beslissing een aanvullende aanslag te vestigen, noch de compensatie te verwezenlijken tussen een rechtmatig bevonden ontheffing en een ontoereikendheid van aanslag die zou zijn vastgesteld. |
6. Art. 374, 1ste lid, CIR 92:
| Ten einde de behandeling van het bezwaarschrift of het verzoek tot rechtzetting te verzekeren beschikt een ambtenaar van de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen, met een hogere titel dan die van attaché, over de bewijsmiddelen en de bevoegdheden die aan de administratie verleend zijn bij de artikelen 315 tot 319, 322 tot 330, 333 tot 336, 339 tot 343 en 346. |
7. Art. 1385undecies, Ger. W.:
|
Tegen de belastingadministratie wordt de vordering inzake de geschillen bedoeld in artikel 569, eerste lid, 32°, slechts toegelaten indien de eiser voorafgaandelijk het door of krachtens de wet georganiseerde administratief beroep heeft ingesteld. De vordering wordt ingesteld ten vroegste zes maanden vanaf de datum van ontvangst van het administratief beroep zo over dit beroep geen uitspraak is gedaan en, op straffe van verval, uiterlijk binnen een termijn van drie maanden vanaf de kennisgeving van de beslissing met betrekking tot het administratief verhaal. De in het tweede lid bedoelde termijn van zes maanden wordt met drie maanden verlengd wanneer de betwiste aanslag van ambtswege door de administratie is gevestigd. De in het tweede lid bedoelde termijn van zes maanden, desgevallend verlengd als bepaald in het derde lid, wordt met vier maanden verlengd wanneer een door belastingplichtige ingediende aanvraag tot bemiddeling binnen de in het tweede en derde lid vermelde termijnen ontvankelijk werd verklaard door de fiscale bemiddelingsdienst bedoeld in artikel 116 van de wet van 25 april 2007 houdende diverse bepalingen (IV). In geval van toepassing van artikel 375, § 1/1, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wordt in afwijking van het tweede lid de vordering ingesteld ten vroegste een maand vanaf de datum van ontvangst van het verzoek tot rechtzetting indien hierover geen uitspraak is gedaan en, op straffe van verval, uiterlijk binnen een termijn van een maand vanaf de kennisgeving van de beslissing over dat verzoek zonder dat deze termijn minder bedraagt dan drie maanden vanaf de kennisgeving van de beslissing bedoeld in artikel 375, § 1 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992. |
III. Ontheffingen per kohier
8. De adviseur-generaal of de door hem gedelegeerde ambtenaar kan voortaan de aanslag vernietigen of een ontheffing verlenen (als gevolg van het geheel of gedeeltelijk aanvaarden van de bezwaren aangevoerd in een overeenkomstig artikel 366, WIB 92, ingediend bezwaarschrift of in een rechtsvordering), door middel van de registratie van het ontheven of vernietigd bedrag in een kohier dat uitvoerbaar wordt verklaard op naam van de betrokken belastingplichtige.
Hiervoor wordt, mutatis mutandis, verwezen naar de Commentaar van het WIB 92, nr. 376ter. .
IV. Rechtzetting van de beslissing van de adviseur-generaal of van de door hem gedelegeerde ambtenaar
1. Voorwerp en ontvankelijkheid van de vraag tot rechtzetting
9. Overeenkomstig artikel 375, § 1/1, 2de lid, WIB 92, doet de adviseur-generaal of de door hem gedelegeerde ambtenaar een gemotiveerde uitspraak over de grieven die worden aangevoerd tegen de beslissing zoals bepaald in paragraaf 1.
Het verzoek tot rechtzetting moet dan ook gericht zijn tegen de beslissing die werd genomen op grond van artikel 375, § 1, WIB 'en dit in tegenstelling tot de motieven in het bezwaarschrift die gericht zijn tegen de aanslag' (Parl. St. Kamer, 54 0201/005, p. 5).
Het betreft een uitzondering op het principe van het onherroepelijk karakter van de directoriale beslissing dat is ingeschreven in artikel 375, § 1, 3de lid. Zoals elke uitzondering moet deze bepaling restrictief worden uitgelegd.
De belastingplichtige moet zich bijgevolg beperken tot wat in de beslissing werd behandeld en hij kan geen nieuwe grieven inroepen tegen de belastingen die het voorwerp hebben uitgemaakt van zijn bezwaarschrift of een later geschrift en die werden onderzocht in de beslissing. Hij kan evenmin aanslagen betwisten die niet het voorwerp hebben uitgemaakt van zijn bezwaarschrift. Dergelijke verzoeken moeten onontvankelijk worden verklaard. Het verzoek tot rechtzetting is dan ook beperkt tot het voorwerp van de betwisting waarover de adviseur-generaal of de door hem gedelegeerde ambtenaar heeft beslist.
Daarnaast kan de belastingplichtige aan de administratie vragen om de beslissing aan te vullen in het geval dat de adviseur-generaal of de door hem gedelegeerde ambtenaar niet heeft geantwoord op een gedeelte van het bezwaarschrift (contra: Com.IB, nr. 375/16).
10. Er wordt aan herinnerd dat het de bedoeling van de wet is om aan de FOD Financiën toe te laten om een beslissing recht te zetten wanneer deze onregelmatig is (Parl. St. Kamer, 54 201/006, p. 3 en 4).
Vanuit dit oogpunt zal de administratie aanvaarden dat haar beslissing opnieuw zal worden onderzocht wanneer deze een materiële vergissing bevat (Parl. St. Kamer, 54 201/005, p. 6). De rechtzetting kan ook gebeuren wanneer er manifest een fout werd begaan bij de beoordeling van de feitelijke elementen. Bij wijze van voorbeeld wordt in de parlementaire werkzaamheden verwezen naar een geval 'waar de gewestelijk directeur klaarblijkelijk ten onrechte het bezwaar als laattijdig beschouwt' (Ibid).
Het verzoek tot rechtzetting kan eveneens worden toegestaan wanneer de administratie haar beslissing heeft gemotiveerd op basis van een manifest verkeerde interpretatie van een wettelijke bepaling. Het is evident dat de argumentatie aangevoerd in deze vraag steeds kan worden betwist door de administratie. Wanneer de administratie bij haar standpunt blijft zoals dit in de genomen beslissing werd ontwikkeld, rest er de belastingplichtige niets anders dan de zaak voor de rechtbank te brengen.
11. Aangezien het verzoek tot rechtzetting in principe gericht is tegen de beslissing, spreekt het voor zich dat de verbetering van één of meerdere fouten van de administratie kan leiden tot een herziening van de belastbare basis en dus tot een gehele of gedeeltelijke ontheffing van de aanslag of zelfs de vernietiging ervan (voor zover het voorwerp van de vraag tot rechtzetting is beperkt tot wat hierboven werd uiteengezet).
12. Voor de goede orde wordt er ook gepreciseerd dat de adviseur-generaal of de door hem gedelegeerde ambtenaar de toestand van de belastingplichtige niet kan 'verzwaren' in zijn beslissing als gevolg van het verzoek tot rechtzetting van de oorspronkelijk genomen beslissing. 'Artikel 375, § 2, WIB 92, is zowel van toepassing op de beslissing over het bezwaarschrift als over het verzoek tot rechtzetting.'(Parl. St. Kamer, 54-0201/005, p. 6).
2. Wie kan een verzoek tot rechtzetting van de beslissing indienen?
13. Overeenkomstig artikel 375, § 1/1, WIB 92, kan het verzoek tot rechtzetting van de beslissing worden ingediend door de belastingschuldige of zijn echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd.
Bovendien verzet er zich niets tegen dat een verzoek tot rechtzetting wordt ingediend door een mandataris, zelfs wanneer deze niet is tussengekomen in de voorafgaande geschillenprocedure.
3. Schriftelijk en gemotiveerd verzoek
14. Zoals het bezwaarschrift moet een verzoek tot rechtzetting schriftelijk worden gedaan. Hiervoor kan er verwezen worden naar wat hierover wordt uiteengezet in de circulaire AAFisc nr. 5/2016 (nr. Ci.704.063) d.d. 3 februari 2016,Fisconetplus.
Het verzoek tot rechtzetting kan meer bepaald worden ingediend per fax of per e-mail.
15. Het verzoek tot rechtzetting moet bovendien worden gemotiveerd, wat wil zeggen dat het de argumenten in rechte en in feite moet bevatten die de eisen van de belastingplichtige ondersteunen. In het verzoek moeten de grieven tegen de beslissing worden opgenomen zodat de bevoegde adviseur-generaal in de mogelijkheid is deze te onderzoeken en er op te antwoorden. Wanneer dit niet het geval is zal het verzoek tot rechtzetting onontvankelijk moeten worden verklaard.
4. Aan wie moet het verzoek tot rechtzetting worden gericht?
16. Overeenkomstig artikel 375, § 1/1, WIB 92, moet het verzoek tot rechtzetting worden gericht aan de adviseur-generaal of aan de door hem gedelegeerde ambtenaar die de beslissing heeft genomen.
In het kader van een procedurele samenwerking, zal de dienst waar verkeerdelijk een verzoek tot rechtzetting is toegekomen, dit doorzenden naar de dienst die de beslissing heeft genomen. Aangezien er geen soortgelijke bepaling als in artikel 366, WIB 92, is voorzien, zal evenwel de datum die in aanmerking wordt genomen voor het indienen van het verzoek, de datum van ontvangst door de bevoegde dienst zijn.
5. Termijn voor het indienen van het verzoek tot rechtzetting van de beslissing – gevolgen van de keuze van de belastingplichtige
17. Het verzoek tot rechtzetting moet ingediend worden binnen een termijn van drie maanden te rekenen van de derde werkdag volgend op de kennisgeving van de beslissing over het bezwaarschrift. Het betreft dezelfde termijn als deze die voorzien is om een vordering bij de rechtbank van eerste aanleg in te dienen.
Vanaf de kennisgeving van de beslissing overeenkomstig artikel 375, § 1, WIB 92, heeft de belastingplichtige dus de keuze tussen het indienen van een vordering voor de rechtbank van aanleg en het indienen van een verzoek tot rechtzetting van de beslissing overeenkomstig artikel 375, § 1/1 nieuw, WIB 92 (de belastingplichtige kan zich natuurlijk ook neerleggen bij de beslissing van de administratie).
18. Wanneer de belastingplichtige kiest voor een rechtsvordering, kan hij geen verzoek tot rechtzetting indienen. De twee mogelijkheden kunnen in geen geval gelijktijdig worden toegepast, ook niet wanneer de voorziening niet gericht is tegen de beslissing maar enkel tegen de in zijnen hoofde geheven belastingen. Door het instellen van een gerechtelijke vordering, aanvaardt de belastingplichtige impliciet dat de administratie niet meer moet oordelen over de betwisting.
Wanneer de belastingplichtige daarentegen aan de administratie vraagt om de beslissing recht te zetten, wordt de op straffe van verval voorgeschreven termijn van drie maanden om een voorziening bij de rechtbank van eerste aanleg in te dienen geschorst. De belastingplichtige kan echter opnieuw handelen voor de rechtbank, ofwel wanneer de wachttermijn van één maand is verstreken (zie infra nr. 21), ofwel nadat de administratie een beslissing heeft genomen over het verzoek tot rechtzetting (zie infra nr. 22).
19. Net zoals voor het bezwaarschrift, wordt de uitdrukking 'worden ingediend' in die zin begrepen dat het niet volstaat dat het verzoek tot rechtzetting wordt verzonden binnen de voorgeschreven termijn, maar dat het moet zijn toegekomen bij de adviseur-generaal of bij de door hem gedelegeerde ambtenaar binnen de wettelijke termijn (zie naar analogie Com.IB, WIB 92, nr. 371/35).
Wanneer het verzoek tot rechtzetting werd ingediend met een aangetekende brief, geldt, zoals in de bezwaarprocedure, de datum van de poststempel als datum van indiening (zie artikel 371, 3de lid, WIB 92).
6. Termijn waarbinnen een beslissing moet worden genomen over het verzoek tot rechtzetting – Termijn voor het instellen van een rechtsvordering
20. In de wet wordt geen termijn voorzien waarbinnen moet geoordeeld worden over het verzoek tot rechtzetting van de beslissing. Zoals voor de beslissing over een bezwaarschrift wordt de afwezigheid van een termijn echter gematigd door de mogelijkheid voor de belastingplichtige om de zaak voor de bevoegde rechtbank te brengen zonder de beslissing van de adviseur-generaal of van de door hem gedelegeerde ambtenaar af te wachten. Hierdoor wordt het geschil definitief onttrokken aan de administratie.
Wanneer het verzoek tot rechtzetting niet het voorwerp heeft uitgemaakt van een beslissing binnen een termijn van één maand vanaf de datum van ontvangst van het verzoek tot rechtzetting, kan de belastingplichtige een vordering indienen bij de rechtbank van eerste aanleg. Hieruit blijkt dat de wetgever heeft gemeend dat één maand een redelijke termijn is om een verzoek tot rechtzetting te behandelen.
Hier moet ook benadrukt worden dat de belastingplichtige niet verplicht is om een rechtsvordering in te stellen na een termijn van één maand. Zoals in het kader van het onderzoek van het bezwaarschrift, kan hij steeds de beslissing over zijn verzoek tot rechtzetting afwachten. De administratie stelt dan de belastingplichtige die het verzoek heeft ingediend in kennis van de redenen die hebben verhinderd dat de adviseur-generaal of de door hem gedelegeerde ambtenaar uitspraak heeft gedaan (zie, mutatis mutandis, Com.IB 92, nr. 375/14).
In elk geval moet de administratie er op toe zien dat zo snel mogelijk een uitspraak wordt gedaan over het verzoek tot rechtzetting en dat de termijn van één maand wordt nageleefd.
21. Wanneer geen uitspraak werd gedaan over het verzoek tot rechtzetting binnen de termijn van één maand, verkrijgt de belastingplichtige opnieuw het recht om een gerechtelijke vordering in te stellen zonder dat deze termijn minder bedraagt dan drie maanden vanaf de kennisgeving van de eerste beslissing. Artikel 1385undecies, 5de lid van het Gerechtelijk Wetboek voorziet dat de vordering wordt ingesteld, in afwijking van het tweede lid, ten vroegste een maand vanaf de datum van ontvangst van het verzoek tot rechtzetting. Deze wachttermijn wordt berekend overeenkomstig de artikelen 52 tot 54 van het Gerechtelijk Wetboek.
Voorbeeld 1:
- De beslissing van de door de adviseur-generaal gedelegeerde ambtenaar werd aan de belastingplichtige in kennis gegeven op 22 mei 2018. De termijn om een rechtsvordering in te stellen of een verzoek tot rechtzetting in te dienen begint te lopen op 25 mei 2018 om te verstrijken op 27 augustus 2018 (25 augustus zijnde een zaterdag).
- De belastingplichtige dient met een aangetekende brief een verzoek tot rechtzetting in op 20 juli 2018. Vanaf die datum wordt het recht om een vordering bij de rechtbank in te stellen geschorst.
- Wanneer de administratie nog geen uitspraak heeft gedaan over het verzoek tot rechtzetting op 20 augustus 2018, krijgt de belastingplichtige vanaf die datum opnieuw het recht om een rechtsvordering in te stellen, zonder de uitspraak van de administratie over het verzoek tot rechtzetting af te wachten.
- De rechtsvordering werd op 4 september 2018 (de administratie heeft dan nog steeds geen uitspraak gedaan) bij de rechtbank ingediend. De vordering is ontvankelijk, ook al werd dit ingediend na het verstrijken van de oorspronkelijke verjaringstermijn van 27 augustus 2018.
22. Wanneer de administratie een uitspraak heeft gedaan over het verzoek tot rechtzetting, heeft de belastingplichtige een termijn van één maand om eventueel een rechtsvordering in te dienen bij de rechtbank van eerste aanleg.
In elk geval kan deze termijn niet korter zijn dan 3 maanden te rekenen vanaf de kennisgeving van de beslissing bedoeld in artikel 375, § 1, WIB 92. Hiermee heeft de wetgever gewild om de belastingplichtigen, die snel een verzoek tot rechtzetting van de beslissing hebben gevraagd, niet te benadelen wanneer de administratie uitspraak doet binnen de termijn van één maand. Zo is het niet mogelijk dat de verjaringstermijn van drie maanden vanaf de oorspronkelijke beslissing wordt ingekort omwille van het feit dat een verzoek tot rechtzetting werd ingediend.
Voorbeeld 2:
- De beslissing van de door de adviseur-generaal gedelegeerde ambtenaar werd aan de belastingplichtige in kennis gegeven op 22 mei 2018. De termijn om een rechtsvordering in te stellen of een verzoek tot rechtzetting in te dienen begint te lopen op 25 mei 2018 om te verstrijken op 27 augustus 2018 (25 augustus zijnde een zaterdag).
- De belastingplichtige dient met een aangetekende brief een verzoek tot rechtzetting in op 25 mei 2018. Vanaf die datum wordt het recht om een vordering bij de rechtbank in te stellen geschorst.
- De administratie doet uitspraak over het verzoek tot rechtzetting op 11 juni 2018 en de kennisgeving van de beslissing gebeurt op dezelfde dag.
- De belastingplichtige verkrijgt opnieuw zijn recht om een rechtsvordering voor de rechtbank van eerste aanleg in te stellen en kan dit doen tot 27 augustus 2018 (en dus niet tot 11 juli 2018).
Wanneer daarentegen het verzoek tot rechtzetting pas tegen het einde van de termijn van drie maanden vanaf de eerste beslissing wordt ingediend, kan de volledige termijn om een rechtsvordering in te stellen, langer zijn dan drie maanden. De voornoemde termijn van één maand kan niet worden aangetast door de verstrijken van de oorspronkelijke verjaringstermijn of door de tijd die verlopen is tussen de oorspronkelijke beslissing en het verzoek tot rechtzetting.
Voorbeeld 3:
- Zelfde gegevens als in voorbeeld 1 maar de administratie doet uitspraak over het verzoek tot rechtzetting op 17 augustus 2018, waarvan de kennisgeving op dezelfde dag plaats heeft.
- De belastingplichtige verkrijgt op die datum opnieuw zijn recht om een rechtsvordering in te stellen, die hij kan instellen tot 22 september 2018 (Overeenkomstig artikel 53bis, 2° van het Gerechtelijk Wetboek wordt deze termijn berekend vanaf de derde werkdag die volgt op die waarop de aangetekende brief met de beslissing aan de postdiensten werd overhandigd, tenzij de geadresseerde het tegendeel bewijst).
- In dat geval is de oorspronkelijke termijn van drie maanden (27 augustus) verstreken, zonder dat dit een invloed heeft op de ontvankelijkheid van het beroep.
De verjaringstermijn van één maand is eveneens van toepassing wanneer de uitspraak over het verzoek tot rechtzetting heeft plaats gehad na het verstrijken van de wachttermijn van één maand (wanneer de belastingplichtige de voorkeur heeft gegeven om de beslissing van de administratie af te wachten na het verstrijken van deze termijn).
Voorbeeld 4:
- Zelfde gegevens als voorbeeld 1, maar de administratie doet uitspraak over het verzoek tot rechtzetting op 18 september 2018, en waarvan de kennisgeving op dezelfde dag is gebeurd.
- De belastingplichtige verkrijgt op die datum opnieuw zijn recht om een rechtsvordering in te stellen, die hij kan instellen tot 21 oktober 2018. De oorspronkelijke termijn van drie maanden (27 augustus 2018) is in dit geval ook verstreken.
7. Draagwijdte van de beslissing over het verzoek tot rechtzetting – Beoordelingsbevoegdheid van de rechtbank
23. Overeenkomstig artikel 375, § 1/1, 2de lid, WIB 92, doet de adviseur-generaal of de door hem gedelegeerde ambtenaar uitspraak over de grieven die werden geformuleerd tegen de beslissing zoals bepaald in paragraaf 1. Hij kan overigens de beslissing gedeeltelijk of in zijn geheel rechtzetten.
Voor alles dat wordt rechtgezet, vervangt de beslissing datgene dat werd beslist in de eerste beslissing en heeft uitwerking vanaf de datum van de beslissing over het verzoek tot rechtzetting. Het gaat hier wel degelijk over een rechtzetting en niet over een intrekking van de eerste beslissing. In geval van een gedeeltelijke rechtzetting zijn er dan ook twee verschillende beslissingen.
In elk geval is het niet de beslissing van de adviseur-generaal of van de door hem gedelegeerde ambtenaar die worden aangevochten voor de rechtbank, maar wel de fiscale betwisting in zijn geheel. Dit principe is eveneens van toepassing wanneer de uitspraak over het verzoek tot rechtzetting aanleiding geeft tot een rechtsvordering binnen de in artikel 1385undecies, Ger. W. gestelde termijn. De beoordelingsbevoegdheid van de rechtbank is in geen enkel geval beperkt tot wat het voorwerp heeft uitgemaakt van het verzoek tot rechtzetting.
8. Gemotiveerde beslissing
24. Overeenkomstig artikel 375, § 1/1, WIB 92, moet de beslissing over het verzoek tot rechtzetting gemotiveerd worden. De adviseur-generaal of de door hem gedelegeerde ambtenaar kan zich dus niet beperken tot het zonder meer verwerpen van het verzoek.
Er wordt hier mutatis mutandis verwezen naar de commentaar WIB 92, nr. 375/15.
9. Eventuele toepassing van artikel 356, WIB 92
25. Overeenkomstig artikel 356, WIB 92, blijft de zaak op de rol ingeschreven gedurende 6 maanden vanaf de rechterlijke beslissing wanneer tegen een beslissing van de adviseur-generaal van de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen een vordering in rechte is ingesteld en de rechter de aanslag geheel of ten dele nietig verklaart om een andere reden dan verjaring. Gedurende die termijn van 6 maanden die de termijnen om verzet, hoger beroep of cassatie aan te tekenen schorst, kan de administratie een subsidiaire aanslag door middel van conclusies aan het oordeel van de rechter onderwerpen op naam van dezelfde belastingschuldige en op grond van alle of een deel van dezelfde belastingelementen als de initiële aanslag.
Wanneer de beslissing van de adviseur-generaal of van de door hem gedelegeerde ambtenaar zoals bepaald in artikel 375, § 1, WIB 92, het voorwerp uitmaakt van een verzoek tot rechtzetting, blijft de initiële beslissing al zijn gevolgen bewaren totdat deze eventueel wordt rechtgezet door de administratie. Dit heeft tot gevolg dat wanneer een rechtsvordering wordt ingesteld na de termijn van één maand zoals bepaald in artikel 1385undecies, 5de lid, Ger. W. zonder dat een beslissing over het verzoek tot rechtzetting werd genomen, de administratie nog steeds de mogelijkheid heeft een subsidiaire aanslag voor te leggen wanneer de rechtbank de gevestigde aanslag zou vernietigen. 'Immers de beslissing over het bezwaarschrift bestaat nog steeds, alleen werd ze niet rechtgezet(Parl. St. Kamer, 54 201/005, p. 6)'.
10. Geen tweede vraag tot rechtzetting mogelijk
26. Krachtens artikel 375, § 1/1, 3de lid, WIB 92, is de beslissing over het verzoek tot rechtzetting onherroepelijk wanneer geen vordering is ingesteld bij de rechtbank van eerste aanleg binnen de in artikel 1385undecies, 5de lid van het Gerechtelijk Wetboek vermelde termijn.
Hieruit volgt dat een tweede verzoek tot rechtzetting onontvankelijk is, zelfs wanneer deze gesteund is op andere motieven dan het eerste verzoek. De beslissing die werd uitgesproken op grond van artikel 375, § 1/1, CIR 92, ontheft de administratie definitief van haar beslissingsbevoegdheid. Bij niet-akkoord rest er de belastingplichtige niets anders dan het indienen van een vordering voor de rechtbank.
11. Geen tussenkomst van de fiscale bemiddelingsdienst
27. Krachtens artikel 376quinquies, WIB 92, kan de belastingschuldige, evenals zijn echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd, in geval een bezwaarschrift werd ingediend bij de adviseur-generaal van de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen, een aanvraag tot bemiddeling indienen bij de fiscale bemiddelingsdienst.
Nadat de administratie een beslissing als bedoeld in artikel 375, § 1, WIB 92, heeft genomen, is de fiscale bemiddelingsdienst niet langer bevoegd om tussen te komen. Daarbij is het van geen belang dat een beslissing werd genomen na de goedkeuring van het bemiddelingsverslag of dat de adviseur-generaal of de door hem gedelegeerde ambtenaar heeft beslist zonder een bemiddelingsverslag (wanneer de termijn voorzien in artikel 116, § 1 van de wet van 25 april 2007 houdende diverse bepalingen(IV) is verstreken of wanneer de rechten van de schatkist in gevaar zijn (2).
(2) Artikel 116, § 1/1 van de wet van 25 april 2007 houdende diverse bepalingen (IV): 'Een ontvankelijk verklaarde aanvraag tot bemiddeling heeft een schorsende werking op het nemen van enige beslissing, behalve indien de rechten van de Schatkist in gevaar zijn. De schorsingstermijn vangt aan vanaf de datum waarop de aanvraag tot fiscale bemiddeling ontvankelijk is verklaard.
De in het eerste lid bedoelde schorsingstermijn wordt beëindigd op de dag waarop het bemiddelingsverslag wordt goedgekeurd door het College van fiscaal bemiddelaars, behoudens verzaking of eerder akkoord tussen de betrokken partijen, en ten laatste één maand voor het verstrijken van de in artikel 1385undecies, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde termijn'.
Het verzoek tot rechtzetting van de beslissing heeft niet tot gevolg dat een nieuwe bezwaarprocedure wordt geopend. Bovendien heeft de tussenkomst van de fiscale bemiddelingsdienst tot gevolg dat het nemen van een beslissing wordt geschorst (3), wat in strijd is met de wil van de wetgever om het onderzoek van het verzoek tot rechtzetting te beperken tot één maand (zie supra, nr. 20).
(3) Overeenkomstig voormeld artikel 116, § 1/1 van de wet van 25 april 2007.
12. Artikel 374, WIB 92
28. Gelet op het doel van de wet en zijn bewoordingen – de adviseur-generaal of de door hem gedelegeerde ambtenaar kan zijn beslissing rechtzetten– is er geen enkel beletsel dat het onderzoek van het verzoek tot rechtzetting wordt toevertrouwd aan de ambtenaar die het bezwaarschrift heeft onderzocht dat het voorwerp was van de betwiste beslissing.
De adviseur-generaal kan daarentegen ook een andere ambtenaar aanduiden die het onderzoek zal doen van de door de belastingplichtige in zijn verzoek tot rechtzetting opgenomen argumenten.
29. Overeenkomstig artikel 374, 1ste lid, nieuw WIB 92, beschikt de ambtenaar van de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen met een hogere graad dan die van attaché, over de bewijsmiddelen en bevoegdheden bepaald in de in dit artikel opgenomen bepalingen van het WIB 92, om het onderzoek van het verzoek tot rechtzetting uit te voeren.
Hiervoor wordt verwezen naar de commentaar WIB 92, nr. 374/6 tot 374/28.
30. Artikel 374, 3de lid, WIB 92, werd niet gewijzigd. Dit artikel geeft aan de bezwaarindiener het recht om gehoord te worden op voorwaarde dat hij dit heeft aangevraagd in zijn bezwaarschrift. Stricto sensu wordt deze mogelijkheid dan ook uitgesloten in het kader van de procedure van rechtzetting van de beslissing.
In het kader van de beginselen van behoorlijk bestuur kan de bevoegde dienst wel ingaan op de door de belastingschuldige of door de echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd gestelde vraag om gehoord te worden. Dit mag echter niet ten koste gaan van de mogelijkheid van de administratie om uitspraak te doen over het verzoek binnen een termijn van één maand (zijnde de termijn waarbinnen de betwisting voor de rechtbank van eerste aanleg kan worden gebracht).
V. Inwerkingtreding
31. De wet van 25 december 2017 houdende diverse fiscale bepalingen IV werd in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd op 29 december 2017 (ed. 1). Aangezien er geen specifieke bepaling is voorzien, treden de artikelen 15 en 16 dus in werking op 8 januari 2018.
32. De wet van 15 april 2018 tot wijziging van artikel 375 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 is van toepassing op beslissingen genomen bij toepassing van artikel 375, § 1, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vanaf de eerste dag van de maand na afloop van een termijn van tien dagen te rekenen van de dag volgend op de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.
De artikelen 375, § 1/1, WIB 92 en 1385undecies, 5de lid van het Gerechtelijk Wetboek zijn dus van toepassing op de beslissingen die door de adviseur-generaal of door de door hem gedelegeerde ambtenaar zijn genomen vanaf 1 mei 2018.
De wijziging van artikel 374, 1ste lid, WIB 92, is van toepassing op de onderzoeken die worden gedaan met betrekking tot de verzoeken tot rechtzetting ingediend naar aanleiding van beslissingen die vanaf 1 mei 2018 werden genomen.
Interne ref.: 715.717
