Circulaire 2018/C/92 betreffende de mogelijkheid voor de adviseur-generaal of voor de door hem gedelegeerde ambtenaar om een ontheffing per kohier toe te staan en om zijn beslissing te verbeteren - Erratum
Deze circulaire verbetert op een aantal punten de circulaire 2018/C/79 van 21.06.2018.
inkomstenbelastingen ; administratieve geschillen ; gerechtelijke geschillen ; beslissing van de adviseur-generaal of van de door hem gedelegeerde ambtenaar ; uitstel van de mogelijkheid tot instellen van een vordering bij de rechtbank van eerste aanleg
FOD Financiën, 20.07.2018
Algemene Administratie van de Fiscaliteit – Geschillen
De voorbeelden opgenomen in de nummers 21 en 22 van voormelde circulaire moeten als volgt worden verbeterd.
21. Wanneer geen uitspraak werd gedaan over het verzoek tot rechtzetting binnen de termijn van één maand, verkrijgt de belastingplichtige opnieuw het recht om een gerechtelijke vordering in te stellen zonder dat deze termijn minder bedraagt dan drie maanden vanaf de kennisgeving van de eerste beslissing. Artikel 1385undecies, 5° lid van het Gerechtelijk Wetboek voorziet dat de vordering wordt ingesteld, in afwijking van het tweede lid, ten vroegste een maand vanaf de datum van ontvangst van het verzoek tot rechtzetting.
Deze wachttermijn wordt berekend overeenkomstig de artikelen 52 tot 54 van het Gerechtelijk Wetboek.
Voorbeeld 1:
- De beslissing van de door de adviseur-generaal gedelegeerde ambtenaar werd aan de belastingplichtige in kennis gegeven op 22 mei 2018. De termijn om een rechtsvordering in te stellen of een verzoek tot rechtzetting in te dienen begint te lopen op 25 mei 2018 om te verstrijken op 24 augustus 2018.
- De belastingplichtige dient met een aangetekende brief een verzoek tot rechtzetting in op 20 juli 2018. Vanaf die datum kan er geen rechtsvordering bij de rechtbank meer worden ingesteld.
- Wanneer de administratie nog geen uitspraak heeft gedaan over het verzoek tot rechtzetting op 20 augustus 2018, krijgt de belastingplichtige vanaf 21 augustus 2018 opnieuw het recht om een rechtsvordering in te stellen, zonder de uitspraak van de administratie over het verzoek tot rechtzetting te moeten afwachten.
- De rechtsvordering werd op 4 september 2018 (de administratie heeft dan nog steeds geen uitspraak gedaan) bij de rechtbank ingediend. De vordering is ontvankelijk, ook al werd dit ingediend na het verstrijken van de oorspronkelijke verjaringstermijn van 24 augustus 2018.
22. Wanneer de administratie een uitspraak heeft gedaan over het verzoek tot rechtzetting, heeft de belastingplichtige een termijn van één maand om eventueel een rechtsvordering in te dienen bij de rechtbank van eerste aanleg.
In elk geval kan deze termijn niet korter zijn dan 3 maanden te rekenen vanaf de kennisgeving van de beslissing bedoeld in artikel 375, § 1, WIB 92. Hiermee heeft de wetgever gewild om de belastingplichtigen, die snel een verzoek tot rechtzetting van de beslissing hebben gevraagd, niet te benadelen wanneer de administratie uitspraak doet binnen de termijn van één maand. Zo is het niet mogelijk dat de verjaringstermijn van drie maanden vanaf de oorspronkelijke beslissing wordt ingekort omwille van het feit dat een verzoek tot rechtzetting werd ingediend.
Voorbeeld 2:
- De beslissing van de door de adviseur-generaal gedelegeerde ambtenaar werd aan de belastingplichtige in kennis gegeven op 22 mei 2018. De termijn om een rechtsvordering in te stellen of een verzoek tot rechtzetting in te dienen begint te lopen op 25 mei 2018 om te verstrijken op 24 augustus 2018.
- De belastingplichtige dient met een aangetekende brief een verzoek tot rechtzetting in op 25 mei 2018. Vanaf die datum kan er geen rechtsvordering bij de rechtbank meer worden ingesteld.
- De administratie doet uitspraak over het verzoek tot rechtzetting op 11 juni 2018 en de kennisgeving van de beslissing gebeurt op dezelfde dag.
- De belastingplichtige verkrijgt opnieuw zijn recht om een rechtsvordering voor de rechtbank van eerste aanleg in te stellen en kan dit doen tot 24 augustus 2018 (en dus niet tot 13 juli 2018).
Wanneer daarentegen het verzoek tot rechtzetting pas tegen het einde van de termijn van drie maanden vanaf de eerste beslissing wordt ingediend, kan de volledige termijn om een rechtsvordering in te stellen, langer zijn dan drie maanden. De voornoemde termijn van één maand kan niet worden aangetast door het verstrijken van de oorspronkelijke verjaringstermijn of door de tijd die verlopen is tussen de oorspronkelijke beslissing en het verzoek tot rechtzetting.
Voorbeeld 3:
- Zelfde gegevens als in voorbeeld 1 maar de administratie doet uitspraak over het verzoek tot rechtzetting op 16 augustus 2018, waarvan de kennisgeving op dezelfde dag plaats heeft.
- De belastingplichtige verkrijgt op die datum opnieuw zijn recht om een rechtsvordering in te stellen, die hij kan instellen tot 20 september 2018 (overeenkomstig artikel 53bis, 2° van het Gerechtelijk Wetboek wordt deze termijn berekend vanaf de derde werkdag die volgt op die waarop de aangetekende brief met de beslissing aan de postdiensten werd overhandigd, tenzij de geadresseerde het tegendeel bewijst).
- In dat geval is de oorspronkelijke termijn van drie maanden (24 augustus 2018) verstreken, zonder dat dit een invloed heeft op de ontvankelijkheid van het beroep.
De verjaringstermijn van één maand is eveneens van toepassing wanneer de uitspraak over het verzoek tot rechtzetting heeft plaats gehad na het verstrijken van de wachttermijn van één maand (wanneer de belastingplichtige de voorkeur heeft gegeven om de beslissing van de administratie af te wachten na het verstrijken van deze termijn).
Voorbeeld 4:
- Zelfde gegevens als voorbeeld 1, maar de administratie doet uitspraak over het verzoek tot rechtzetting op 18 september 2018, en waarvan de kennisgeving op dezelfde dag is gebeurd.
- De belastingplichtige verkrijgt op die datum opnieuw zijn recht om een rechtsvordering in te stellen, die hij kan instellen tot 21 oktober 2018. De oorspronkelijke termijn van drie maanden (24 augustus 2018) is in dit geval ook verstreken.
Interne ref.: 715.717
