Circulaire nr. 6/2009 (AFZ nr. 3/2009) d.d. 07.04.2009
Vlaams Gewest - Decreet van 19 december 2008 :
- Successierechten : verruiming keuze prijscourant ; aftrekbaar passief bij recht van overgang door overlijden; verlaagd tarief voor legaten aan bepaalde rechtspersonen.
- Registratierechten : verlaagd tarief voor schenkingen aan bepaalde rechtspersonen
Federale Overheidsdienst FINANCIEN
PATRIMONIUM DOCUMENTATIE
Kadaster, Registratie en Domeinen
Dienst VI
Dossier nr. E.E./L. 185V
Administratie van Fiscale Zaken
4de dienst - 3de directie
Dossier nr. 423
2 bijlagen
In het Belgisch Staatsblad van 29 december 2008 werd het decreet van 19 december 2008 van het Vlaams Gewest "houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2009" bekendgemaakt.
Bij dat decreet worden een aantal bepalingen in de Vlaamse wetboeken betreffende de registratie- en de successierechten aangepast aan de vereisten waaraan ook regionale regelgeving als onderdeel van de nationale wetgeving moet voldoen om conform te zijn met de E.U.-regels. Het betreft inzonderheid de bepaling van het aannemelijk passief in het W. Succ. VL. (artikel 29 van het decreet - aanpassing art. 27 W. Succ. VL. ; bepaling aftrekbaar passief in geval van recht van overgang bij overlijden) en de bepalingen in het W. Reg. VL. en in het W. Succ. VL. inzake het bijzonder tarief voor schenkingen en legaten aan bepaalde rechtspersonen (artikelen 31 en 32 van het decreet - aanpassing art. 140 W. Reg. VL. en art. 60 W. Succ. VL. ; voordeeltarieven gelden ook voor gelijkaardige EER-rechtspersonen).
Voorts wordt aan de rechtverkrijgenden van in de prijscourant genoteerde openbare effecten de mogelijkheid geboden om de waardering van die effecten ook te doen aan de hand van de derde prijscourant volgend op die welke werd bekendgemaakt binnen de maand die volgt op de maand van het overlijden (wijziging art. 21, III, W. Succ. VL.).
Het decreet is in werking getreden op 1 januari 2009. Voor de wijzigingen aan het W. Succ. en het W. Reg. werd echter telkens een bijzondere datum van inwerkingtreding (retroactieve inwerkingtreding) bepaald (artikel 96 van het decreet).
In deze circulaire wordt een eerste commentaar verstrekt bij de wijzigingen die door dit decreet zijn aangebracht aan het Wetboek der successierechten en aan het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten. De tekst van het decreet gaat in bijlage 1. Bijlage 2 bevat de gecoördineerde tekst van de artikelen 21, 27 en 60 W. Succ. VL. en art. 140 W. Reg. VL., na de wijziging ervan bij dit decreet.
Commentaar
1. Door de E.U.-regels geïnspireerde wijzigingen aan de wetboeken.
1.1. Recht van overgang bij overlijden - aftrekbaarheid van specifiek passief ingeval de overledene een EER-inwoner is.
1.1.1. Klassieke regel
Tot bij de inwerkingtreding van dit decreet gold als regel dat indien het recht van overgang bij overlijden (overledene ≠ rijksinwoner) verschuldigd is, er van een aannemelijk passief nooit sprake kan zijn.
1.1.2. Europees Hof van Justitie
In het arrest Eckelkamp van 11 september 2008 (1) luidde het dictum van het Europees Hof van Justitie :
"De artikelen 56 EG en 58 EG, in hun onderlinge samenhang gelezen, moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling als die in het hoofdgeding, betreffende de berekening van de successierechten en de rechten van overgang over een in een lidstaat gelegen onroerende zaak, krachtens welke de aftrek van op deze onroerende zaak rustende schulden niet mogelijk is wanneer de erflater op het tijdstip van zijn overlijden geen ingezetene van deze staat, maar van een andere lidstaat was, terwijl deze aftrek wel mogelijk is wanneer de erflater op dat tijdstip ingezetene was van de staat waarin de nagelaten onroerende zaak is gelegen."
[(1) Arrest van het Hof (Derde kamer) van 11 september 2008 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Hof van Beroep te Gent - België) - Hans Eckelkamp, Natalie Eckelkamp, Monica Eckelkamp, Saskia Eckelkamp, Thomas Eckelkamp, Jessica Eckelkamp, Joris Eckelkamp/ Belgische Staat ? Zaak C-11/07]
1.1.3. Reactie van de Vlaamse Regering - aannemelijk passief in geval van het overlijden van een EER-inwoner.
Om aan vermeld arrest tegemoet te komen heeft de Vlaamse Regering aan het Vlaams Parlement voorgesteld om aan artikel 27 van het Wetboek der successierechten, dat enkel het aannemelijk passief met betrekking tot de nalatenschap van een rijksinwoner definieerde, een lid toe te voegen dat, in afwijking van artikel 18 van hetzelfde Wetboek, het aannemelijk passief definieert met betrekking tot de nalatenschap van een niet-rijksinwoner die echter wel op het ogenblik van zijn overlijden zijn domicilie of de zetel van zijn vermogen in de Europese Economische Ruimte (EER) (2) heeft. Het Parlement is de Regering hierin gevolgd (zie artikel 29 van het decreet).
[(2) Voor het begrip Europese Economische Ruimte zie circ. nr. 5/2004, punt 8.4.3.1. De landen die er op datum van deze circulaire deel van uitmaken zijn : België, Bulgarije, Cyprus, Denemarken, Duitsland, Estland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Hongarije, Ierland, Italië, IJsland, Letland, Liechtenstein, Litouwen, Luxemburg, Malta, Nederland, Noorwegen, Oostenrijk, Polen, Portugal, Roemenië, Slovenië, Slovakije, Spanje, de Tsjechische Republiek, het Verenigd Koninkrijk en Zweden.]
1.1.3.1. Begrip EER-inwoner in het kader van het recht van overgang bij overlijden
Naar analogie met het begrip rijksinwoner wordt voor een beter begrip - hoewel de Vlaamse Decreetgever dat niet uitdrukkelijk heeft gedaan ? door de Administratie in de context van het recht van overgang bij overlijden de notie "EER-inwoner" geïntroduceerd.
Aldus is in het kader van het recht van overgang bij overlijden een EER-inwoner : iemand die op het ogenblik van zijn overlijden zijn domicilie of de zetel van zijn vermogen wel op het grondgebied van de Europese Economische Ruimte (3) maar niet op het grondgebied van het Rijk heeft. Met andere woorden, de categorie van de EER-inwoners omvat in deze context (uiteraard) niet de categorie van de rijksinwoners (4).
[(3) Benadrukt wordt dat dit begrip in deze context afwijkt van de gewone inhoud van dat begrip waarmee alle inwoners van de Europese Economische Ruimte worden bedoeld, inclusief de inwoners van de drie Belgische Gewesten. De inwoners van de drie Belgische gewesten vallen in de context van het recht van overgang bij overlijden buiten de notie EER-inwoner, omdat op het ogenblik van hun overlijden een andere belasting dan het recht van overgang bij overlijden hun nalatenschap, als zijnde die van een rijksinwoner, bezwaart.
(4) cf. definitie Rijksinwoner in artikel 1 W. Succ. : "Voor een Rijksinwoner wordt gehouden, hij die, op het ogenblik van zijn overlijden, binnen het Rijk zijn domicilie of de zetel van zijn vermogen heeft gevestigd". Rijksinwoners zijn steeds onderworpen aan het recht van successie, nooit aan het recht van overgang bij overlijden.]
1.1.3.2. Aannemelijk passief wanneer het recht van overgang bij overlijden van toepassing is en de overledene een EER-inwoner is - specifiek passief.
Krachtens het nieuwe tweede lid van artikel 27 W. Succ. VL. bestaat het aannemelijk passief in geval de overledene een EER-inwoner is uit : "de schulden waarvan de aangevers het bewijs leveren dat ze specifiek werden aangegaan om deze onroerende goederen te verwerven of te behouden.".
Opmerking : het is duidelijk dat met de woorden "deze onroerende goederen" de onroerende goederen worden bedoeld die het belastbaar actief van de nalatenschap van de EER-inwoner uitmaken, m.a.w. de door de overledene nagelaten onroerende goederen die zijn gelegen in het Vlaams Gewest (5), althans in principe (6).
Draagwijdte van de omschrijving "schulden die specifiek werden aangegaan om die onroerende goederen te verwerven of te behouden" ?
In de voorbereidende werken wordt expliciet aangegeven dat het de bedoeling was van de decreetgever aan deze omschrijving dezelfde inhoud te geven als die welke eraan werd gegeven in de context van artikel 48 W. Succ. VL. (7)
De destijds in de context van artikel 48 W. Succ. VL. gegeven interpretatie moet hier dus worden hernomen :
« De termen "verwerven" en "behouden" dienen hier ruimer begrepen dan wat bedoeld wordt in art. 33, laatste lid, 2° W. Succ. VL. Het onrechtstreeks verband tussen de schuld en de verkrijging of het behoud van het onroerend goed volstaat. Met name zal dus bijvoorbeeld een lening, die de erflater zou hebben aangegaan om de prijs van een door hem aangekocht onroerend goed te betalen, terzake voor aanrekening op het onroerend actief in aanmerking komen. Ook de schulden die betrekking hebben op het juridisch behoud van het onroerend goed kunnen op het onroerend actief aangerekend worden.
De begrippen "verbetering" en "terugbekoming" komen echter niet voor in de decreettekst van art. 48 W. Succ. VL. Doch de decreten werden evenwel geïnspireerd door het woordgebruik inzake specifieke schulden aangaande directe belastingen (cf. artikel 14 WIB 92). Vandaar dat de schulden die werden aangegaan met het doel de waarde van een onroerend goed te verhogen of op hetzelfde peil te houden door het uitvoeren van verbouwings-, verbeterings-, aanpassings-, moderniserings- of onderhoudswerken eveneens in aanmerking komen (cf. commentaar art. 14 WIB) » (8).
Uiteraard moeten de aangevers van een en ander het bewijs leveren.
Het bewijs van het bestaan van de schuld(en) dient geleverd te worden overeenkomstig het bepaalde in artikel 29 van het Wetboek der successierechten (9). Het bewijs van het specifiek karakter van de aangegane schuld(en) moet worden geleverd overeenkomstig het gemeen recht (10).
[(5) Deze beperking tot in principe de onroerende goederen gelegen in het Vlaams Gewest volgt uit de lokalisatieregels inzake het recht van overgang bij overlijden; zie de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten, zoals gewijzigd door de bijzondere wet van 13 juli 2001 tot herfinanciering van de gemeenschappen en uitbreiding van de bevoegdheden van de Gewesten, Art. 5, § 2, 4°, tweede streep.
(6) Indien de onroerende goederen van de niet-rijksinwoner gelegen zijn in meerdere Gewesten dan wordt het recht van overgang bij overlijden gelokaliseerd in het gewest waartoe het ontvangstkantoor behoort in wiens ambtsgebied het deel van de goederen met het hoogste federaal kadastraal inkomen gelegen is. In voorkomend geval kan het Vlaams recht van overgang bij overlijden dus ook van toepassing zijn op in andere dan in het Vlaams Gewest gelegen onroerende goederen. Vandaar de toevoeging van de woorden "in principe".
(7) zie Vlaams Parlement Stuk 1894 (2008-2009) - Nr. 1.Ontwerp van decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2009 - blz. 11 : "Met de schulden die specifiek zijn aangegaan om onroerende goederen te verwerven of te behouden worden de schulden zoals bedoeld in artikel 48, §2, zesde lid, van het Wetboek der successierechten bedoeld.".
(8) Zie circulaire 11/2006 van 4 mei 2006 - nr. 4.2.2.1.
(9) zie Vlaams Parlement Stuk 1894 (2008-2009) - Nr. 1.Ontwerp van decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2009 - blz 11.
(10) Zie circulaire 11/2006 van 4 mei 2006 - nr. 4.2.2.1.]
1.1.4. Geen aannemelijk passief in geval het recht van overgang bij overlijden van toepassing is en de overledene een niet-EER-inwoner is.
Wanneer de overledene geen EER-inwoner is, kan er ook na de inwerkingtreding van dit decreet nooit sprake zijn van enig aannemelijk passief. De klassieke regel werd enkel doorbroken voor de EER-inwoners ; voor de niet-EER-inwoners verandert er niets.
1.1.5. Samenvattend : Tabel aannemelijk passief volgens artikel 27 W. Succ. VL.
| Recht van successie ( overledene = rijksinwoner) | Recht van overgang bij overlijden (overledene ≠ rijksinwoner) | |
| overledene = EER-inwoner | overledene ≠ EER-inwoner | |
|
| geen |
1.1.6. Datum van inwerkingtreding van het nieuwe tweede lid van art. 27 W. Succ. VL.
Artikel 96 van het decreet bepaalt dat artikel 29 van het decreet uitwerking heeft met ingang van 1 oktober 2008.
In het kader van het recht van overgang bij overlijden zal de schuldenaftrek voor schulden die specifiek zijn aangegaan om de in België gelegen onroerende goederen te verwerven of te behouden, dus worden toegestaan voor alle overlijdens van EER-inwoners die plaatsvinden vanaf voormelde datum (11).
Naar analogie met wat gezegd wordt met betrekking tot de inwerkingtreding van de wijziging aan artikel 21, III, tweede lid, W. Succ. VL. (zie punt 2.3. van deze circulaire) zullen de aangevers van een sedert 1 oktober opengevallen nalatenschap die de aangifte al hebben ingediend vóór de bekendmaking van het decreet in het Belgisch Staatsblad, het aannemelijk passief nog kunnen aangeven en, indien reeds betaald, teruggave kunnen bekomen van de teveel betaalde rechten, mits indiening van een bijvoeglijke aangifte waarin ze het aannemelijk passief vermelden en, indien reeds betaald, teruggave van de teveel betaalde rechten vragen op grond van het bepaalde in artikel 134, enig lid, 1°, W. Succ. VL.
[(11) zie voetnoot 8.]
1.2. Bijzonder tarief voor schenkingen aan bepaalde rechtspersonen.
1.2.1. Tarief van 5,5% ook voor E.E.R.-rechtspersonen die vergelijkbaar zijn met de in artikel 140, eerste lid, 1° W. Reg. VL. bedoelde Vlaamse rechtspersonen.
In de circulaire nr. 5/2004 (AFZ 9/2004) d.d. 07.04.2004 werd de uitbreiding van het toepassingsgebied van het voordeeltarief voor schenkingen aan bepaalde rechtspersonen tot schenkingen aan gelijkaardige rechtspersonen van de EER-lidstaten, van commentaar voorzien (zie nr. 8 van die circulaire).
Deze bij het decreet van 19 december 2003 doorgevoerde uitbreiding van het toepassingsgebeid van het voordeeltarief bleef echter beperkt tot de EER.-rechtspersonen die vergelijkbaar zijn met de in artikel 140, eerste lid, 2° en 3° W. Reg. VL. vermelde rechtspersonen. Zij strekte zich niet uit tot de EER-rechtspersonen die vergelijkbaar zijn met de in artikel 140, eerste lid, 1° en 4° bedoelde rechtspersonen.
De Europese Commissie was echter van oordeel dat het voordelig belastingtarief van 5,5% voor de in artikel 140, eerste lid, 1° W. Reg. VL. vermelde Vlaamse rechtspersonen, ook moest gelden voor EER-rechtspersonen die vergelijkbaar zijn met de vermelde Vlaamse rechtspersonen. Anders zou er volgens de Europese Commissie sprake zijn van belemmering van het vrij kapitaalverkeer.
Met deze aanpassing van artikel 40, tweede lid W. Reg. VL. komt het Vlaams Gewest tegemoet aan de kritiek van de Europese Commissie.
In de memorie van toelichting bij het ontwerp (12) van decreet werd nog gezegd dat "de toepassingsvoorwaarden voorzien in het huidig artikel 140, laatste lid, W.Reg. van toepassing blijven". Dit moet enigszins genuanceerd worden. Het artikel van het ontwerp waarbij artikel 140, laatste lid, W. Reg. werd gewijzigd, werd immers nog geamendeerd (13) en wel derwijze dat het bedoelde lid volledig werd herschreven. Wat de toepassingsvoorwaarden betreft verschilt de nieuwe redactie van het lid in één essentieel punt van de oude : in de oude was er sprake van "onderworpen zijn aan de wetgeving van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte" terwijl in de geamendeerde (14) tekst (die de door het Parlement aangenomen tekst is geworden) sprake is van "onderworpen zijn aan de wetgeving van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte". Bij een letterlijke interpretatie van de oorspronkelijke tekst moest men besluiten dat gelijkaardige rechtspersonen in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en in het Waals Gewest de voordeeltarieven van 7% en 100 euro (15) niet konden genieten; "andere lidstaat" kon immers niet anders geïnterpreteerd worden dan een andere lidstaat dan België. Het weglaten van het woord "andere" in de definitieve tekst was dus inderdaad nodig om de voordeeltarieven van 5,50 pct., 7 pct. en 100 euro, zonder twijfel toepasselijk te maken op de gelijkaardige rechtspersonen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en het Waals Gewest.
[(12) zie voetnoot 8.
(13) In de verantwoording bij het amendement (Stuk 1894 (2008-2009) - Nr. 5, blz. 3) werd opgemerkt dat de in het ontwerp voorgestelde aanpassing " om legistieke redenen interpretatieproblemen zou kunnen opleveren". Vervolgens luidt het "Om alle mogelijke onduidelijkheid daarover weg te nemen, wordt de tekst aangepast. Aan het opzet en de inhoud van de kwestieuze bepalingen wordt niets gewijzigd;".
(14) Vlaams Parlement Stuk 1894 (2008-2009) - Nr. 5 Amendementen, Amendement Nr. 7 voorgesteld door mevrouw Hilde Eeckhout, de heer Eric Matthijs, mevrouw Michèle Hostekint en de heer Eric Van Rompuy.
(15) Vóór de wijziging van het tweede lid van artikel 140 W. Reg. VL. bij dit decreet, genoten gelijkaardige EER-rechtspersonen enkel deze voordeeltarieven.]
1.2.2. Inwerkingtreding
Artikel 96 van het decreet bepaalt de inwerkingtreding van het nieuwe tweede lid van artikel 140 W. Reg. VL. met terugwerkende kracht op 1 oktober 2008. (16)
Opdat het nieuwe tweede lid van artikel 140 W. Reg. VL. van toepassing zou kunnen zijn moet het belastbare feit van de schenking dus dagtekenen van na 30 september 2008.
Wat die in aanmerking te nemen datum betreft, moet een onderscheid gemaakt worden volgens de aard van de akte en het voorwerp van de schenking.
Die datum is :
- voor een in België verleden notariële schenkingsakte : de datum van de notariële akte;
- voor een in het buitenland verleden notariële schenkingsakte :
° de datum van de notariële akte indien de in de akte vastgestelde rechtshandeling in België verplicht te registreren is;
° de datum van de aanbieding ter registratie in België indien de in de akte vastgestelde rechtshandeling in België niet verplicht te registreren is;
- voor een onderhandse schenkingakte van roerende goederen : de datum van aanbieding ter registratie in België.
[(16) In de memorie van toelichting bij het ontwerp van decreet ( ref. zie voetnoot nr. 8) wordt gezegd dat "de datum van 1 oktober (2008) wordt gekozen omdat deze datum zo nauw mogelijk aansluit bij de ingebrekestelling (door de Europese Commissie), transparant is en de rechtszekerheid ten goede komt.]
1.3. Bijzonder tarief voor legaten aan bepaalde rechtspersonen
Hoewel de kritiek van de Europese Commissie aangaande de belemmering van het vrij verkeer van kapitaal enkel werd geuit ten aanzien van artikel 140 W. Reg. VL. (zie punt 1.2.1.), heeft de Vlaamse Decreetgever logischerwijze ook artikel 60 W. Succ. VL. aangepast.
Hetgeen hiervoor werd gezegd met betrekking tot de wijziging van het toepassingsgebied van de in artikel 140 W. Reg. VL. bepaalde voordeeltarieven van 5,5 pct., 7pct. en 100 euro (zie punt 1.2.1, laatste alinea) is dus mutatis mutandis ook van toepassing op de in artikel 59 W. Succ. VL. bepaalde rechten van 6,60 pct. en 8,80 pct. (17)
Idem dito wat betreft de inwerkingtreding van het nieuwe artikel 60 W. Succ. VL. (zie punt 1.2.2) . Opdat dat nieuwe artikel van toepassing zou kunnen zijn moet het overlijden dus dagtekenen van na 30 september 2008.
[(17) De voordeeltarieven van 6,6 pct. en 8,80 pct. gelden dus ook voor gelijkaardige rechtspersonen die opgericht zijn volgens en onderworpen zijn aan de Belgische wetgeving en die bovendien hun statutaire zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging hebben binnen de Europese Economische Ruimte inclusief het Brussels Hoofdstedelijk en het Waals Gewest.]
2. Aandelencrash - Waardering van openbare effecten - prijscourant
2.1. Ratio legis
Deze maatregel werd bij amendement (18) in het ontwerp van decreet ingeschreven. In de verantwoording bij het amendement wordt het volgende gezegd :
"Voor beursgenoteerde aandelen kan er een aanzienlijk verschil optreden tussen de verkoopwaarde ten dage van het overlijden, en het ogenblik van het indienen van de aangifte en de berekening van de successierechten. Soms kan dit verschil zo oplopen dat het actief van de nalatenschap niet meer volstaat om de verschuldigde rechten te voldoen.
Door de erfgenamen de keuzemogelijkheid te geven uit vier prijscouranten, kan deze situatie toch al enigszins worden gemilderd.
Gelet op de bijzondere omstandigheden waarmee de financiële markten vandaag geconfronteerd worden, is het aangewezen deze keuzemogelijkheid uit te breiden met een bijkomende prijscourant die nog binnen de gewone aangiftetermijn wordt gepubliceerd. Deze maatregel heeft een beperkte draagwijdte en wijzigt niets aan de algemene uitgangspunten van de bestaande waarderingsregels.".
[(18) Vlaams Parlement, Stuk 1894 (2008 - 2009) - Nr. 5, Amendement nr. 6 voorgesteld door mevrouw Hilde Eeckhout, de heer Eric Matthijs, mevrouw Michèle Hostekint en de heer Eric Van Rompuy.]
2.2. Draagwijdte van de wijziging
Bij artikel 30 van het decreet werd in het tweede lid van de tekst sub III van artikel 21 W. Succ. Vl. het woord "twee" vervangen door het woord "drie".
De wijziging van artikel 21 W. Succ. VL. houdt dus in dat de aangevers voor de waardering van openbare effecten, d.w.z. effecten die in België op een effectenbeurs zijn genoteerd, voortaan de keuze hebben uit vier prijscouranten : deze van de maand die volgt op de maand van het overlijden en de drie daaropvolgende prijscouranten. Voor het overige blijft alles bij het oude : de gekozen prijscourant moet, indien wordt gekozen voor één van de drie prijscouranten volgend op die van de maand volgend op het overlijden, vermeld worden in de aangifte. De (impliciet (19) of uitdrukkelijk) gekozen prijscourant moet gebruikt worden voor de waardering van alle aan te geven openbare effecten, voor zover ze in de gekozen prijscourant worden genoteerd.
[(19) Indien niet uitdrukkelijk voor een van de drie prijscouranten volgend op die van de maand volgend op het overlijden wordt gekozen, moet de waardering geschieden aan de hand van laatstbedoelde prijscourant.]
2.3. Inwerkingtreding
Artikel 96 van het decreet bepaalt de inwerkingtreding van de maatregel op 1 juni 2008.
Dit betekent dat voor overlijdens vanaf die datum de uitgebreide keuzemogelijkheid zal kunnen ingeroepen worden.
De Vlaamse Minister van Financiën heeft in een brief aan de Administrateur-generaal van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie bevestigt dat die keuzemogelijkheid ook geldt voor vanaf 1 juni 2008 opengevallen nalatenschappen waarvoor ondertussen (20) reeds een aangifte van nalatenschap werd ingediend (21). Voor bedoelde nalatenschappen kan door de aangevers de in de aangifte gedane waardering nog herzien worden en ze kunnen teruggave van de teveel betaalde rechten verkrijgen op basis van een uitdrukkelijke keuze voor de vierde prijscourant.
Om in bedoeld geval hun keuze te herzien moeten de aangevers :
1) een bijvoeglijke aangifte indienen;
2) daarin de door hen gekozen prijscourant, d.i. de prijscourant van de vierde maand die volgt op de maand van het overlijden, vermelden;
3) alle aangegeven aandelen die volgens de oorspronkelijk (impliciet of uitdrukkelijk) gekozen prijscourant werden gewaardeerd, opnieuw waarderen overeenkomstig de prijscourant bedoeld sub 2);
4) en, indien reeds betaald, verzoeken om teruggave van de teveel betaalde rechten op grond van artikel 134, enig lid, 1° van het Wetboek der successierechten (22).
[(20) Dit wil zeggen in geval al een aangifte was ingediend vóór de bekendmaking van het decreet in het Belgisch Staatsblad.
(21) In zijn brief benadrukt de Vlaamse Minister van Financiën dat het onlogisch zou zijn aan aangevers die de aangifte van nalatenschap laattijdig indienen deze uitgebreide keuzemogelijkheid aan te bieden, terwijl aangevers die hun aangifte wel tijdig hebben ingediend het voordeel zou worden ontzegd. Als wettelijke basis voor de teruggave verwijst hij naar artikel 134, enig lid, 1° van het Wetboek der successierechten.
(22) zie voetnoot 20.]
NAMENS DE MINISTER :
De adjunct-administrateur-generaal,
Paul NECKEBROECK.
BIJLAGE 1
UITTREKSEL UIT HET BELGISCH STAATSBLAD VAN 29 DECEMBER 2008
VLAAMSE OVERHEID
19 DECEMBER 2008. - Decreet houdende
bepalingen tot begeleiding van de begroting 2009.
Het Vlaams Parlement heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt : decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2009.
Artikel 1. Dit decreet regelt een gemeenschaps- en gewestaangelegenheid.
…
HOOFDSTUK III. - Fiscaliteit
…
Afdeling V. - Successierechten
Art. 29. Aan artikel 27 van het Wetboek der successierechten wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
« In afwijking van artikel 18 geldt als aannemelijk passief met betrekking tot de nalatenschap van iemand die geen rijksinwoner is, maar wiens domicilie of zetel van zijn vermogen gevestigd was binnen de Europese Economische Ruimte, de schulden waarvan de aangevers het bewijs leveren dat ze specifiek werden aangegaan om deze onroerende goederen te verwerven of te behouden. »
Art. 30. In artikel 21 van het Wetboek der successierechten wordt in het tweede lid van de tekst sub III het woord « twee » vervangen door het woord « drie ».
Afdeling VI. - Verlaagde tarieven inzake schenkings- en successierechten
Art. 31. Artikel 140, tweede lid, van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten wordt vervangen door wat volgt :
« De verlagingen vermeld sub 1°, 2° en 3°, zijn ook toepasselijk op gelijkaardige rechtspersonen die opgericht zijn volgens en onderworpen zijn aan de wetgeving van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte, en die bovendien hun statutaire zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de Europese Economische Ruimte hebben. »
Art. 32. Artikel 60 van het Wetboek der Successierechten wordt vervangen door wat volgt :
« De verlagingen bepaald in artikel 59 zijn ook toepasselijk op gelijkaardige rechtspersonen die opgericht zijn volgens en onderworpen zijn aan de wetgeving van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte, en die bovendien hun statutaire zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de Europese Economische Ruimte hebben. »
Kondigen dit decreet af, bevelen dat het in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Brussel, 19 december 2008.
(volgen de namen van de betrokken ministers van de Vlaamse Regering).
BIJLAGE 2
Gecoördineerde teksten van de gewijzigde artikelen
A. van het Vlaams Wetboek der successierechten
- art. 21
In afwijking van artikel 19, wordt de belastbare waarde der tot de nalatenschap behorende goederen als volgt vastgesteld :
I. Voor de in het buitenland gelegen onroerende goederen, indien de verkoopwaarde niet blijkt uit akten en bescheiden, door twintig of dertig maal de jaarlijkse opbrengst der goederen of de prijs der lopende huurcelen, zonder aftrekking van de lasten aan de huurder of aan de pachter opgelegd, naar gelang het gaat om bebouwde eigendommen of onbebouwde eigendommen; in geen geval, mag de belastbare waarde lager zijn dan deze die tot grondslag gediend heeft voor de heffing van de belasting in het buitenland.
II. Voor het kapitaal en de interesten vervallen of verkregen van de schuldvorderingen, door het nominaal bedrag van dit kapitaal en van deze interesten, onder voorbehoud voor de aangevers de schuldvordering op haar verkoopwaarde te schatten, in geval van onvermogen van de schuldenaar of van het bestaan van alle andere oorzaak van waardevermindering.
III. Voor de openbare effecten, volgens de prijscourant die op last van de regering wordt uitgegeven, voor zoveel de noteringen van de prijscourant beantwoorden aan een koers genoteerd gedurende de maand waarvoor zij opgemaakt wordt.
De te bezigen prijscourant is deze welke werd bekendgemaakt binnen de maand die volgt op de maand van het overlijden. Evenwel, kunnen de belanghebbenden zich beroepen op een van de drie daaropvolgende prijscouranten, op voorwaarde hun keus in hun aangifte aan te duiden.
Slechts één prijscourant mag gekozen worden; deze is toepasselijk op al de nagelaten waarden.
IV. Voor de altijddurende of voor een onbepaalde tijd gevestigde erfpachten, grondrenten en andere prestatiën, evenals voor de al dan niet gehypothekeerde altijddurende renten, door twintig maal de rente of de jaarlijkse prestatie, onder voorbehoud voor de aangevers de rente of prestatie op haar verkoopwaarde te begroten, in geval van onvermogen van de schuldenaar of van het bestaan van alle andere oorzaak van waardevermindering.
V. Voor de op het hoofd van een derde gevestigde lijfrenten en andere levenslange uitkeringen, door de vermenigvuldiging van het jaarlijks bedrag der uitkering met het getal :
18, indien hij, op wiens hoofd de rente is gevestigd, 20 jaar oud is of minder;
17, indien hij, op wiens hoofd de rente is gevestigd, boven de 20 tot 30 jaar oud is;
16, indien hij, op wiens hoofd de rente is gevestigd, boven de 30 tot 40 jaar oud is;
14, indien hij, op wiens hoofd de rente is gevestigd, boven de 40 tot 50 jaar oud is;
13, indien hij, op wiens hoofd de rente is gevestigd, boven de 50 tot 55 jaar oud is;
11, indien hij, op wiens hoofd de rente is gevestigd, boven de 55 tot 60 jaar oud is;
9,5, indien hij, op wiens hoofd de rente is gevestigd, boven de 60 tot 65 jaar oud is;
8, indien hij, op wiens hoofd de rente is gevestigd, boven de 65 tot 70 jaar oud is;
6, indien hij, op wiens hoofd de rente is gevestigd, boven de 70 tot 75 jaar oud is;
4, indien hij, op wiens hoofd de rente is gevestigd, boven de 75 tot 80 jaar oud is;
2, indien hij, op wiens hoofd de rente is gevestigd, boven de 80 jaar oud is.
VI. Voor het op het hoofd van een derde gevestigde vruchtgebruik, door de jaarlijkse opbrengst van de goederen, berekend tegen 4 % van de waarde van de volle eigendom, vermenigvuldigd met het onder nummer V aangeduide cijfer.
VII. Voor de voor een beperkte tijd gevestigde renten of prestatiën, door de som die door de kapitalisatie van de renten of prestatiën ad 4 % op de datum van het overlijden wordt vertegenwoordigd, onder dit voorbehoud dat het bedrag van de kapitalisatie, al naar het geval, de belastbare waarde, zoals die in nummers IV en V wordt bepaald, niet te boven gaat.
Dezelfde regel is van toepassing wanneer het gaat over een voor beperkte tijd gevestigd vruchtgebruik, met dien verstande dat dan de opbrengst van de goederen zoals in nummer VI wordt gezegd tot grondslag van de kapitalisatie wordt genomen.
VIII. Voor de blote eigendom, door de waarde van de volle eigendom onder aftrek van de waarde van het vruchtgebruik berekend naar de voorschriften van dit artikel en van artikel 22.
Geen aftrek heeft plaats wanneer het vruchtgebruik bij toepassing van artikel 67 vrij is van het recht van successie en van overgang bij overlijden.
- art. 27
Als aannemelijk passief met betrekking tot de nalatenschap van een Rijksinwoner gelden slechts :
1° de op de dag van zijn overlijden bestaande schulden van de overledene;
2° de begrafeniskosten.
In afwijking van artikel 18 geldt als aannemelijk passief met betrekking tot de nalatenschap van iemand die geen Rijksinwoner is, maar wiens domicilie of zetel van zijn vermogen gevestigd was binnen de Europese Economische Ruimte, de schulden waarvan de aangevers het bewijs leveren dat ze specifiek werden aangegaan om deze onroerende goederen te verwerven of te behouden.
- art. 60
De verlagingen bepaald in artikel 59 zijn ook toepasselijk op gelijkaardige rechtspersonen die opgericht zijn volgens en onderworpen zijn aan de wetgeving van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte, en die bovendien hun statutaire zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de Europese Economische Ruimte hebben.
B.van het Vlaams Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten.
- art. 140
De bij artikel 131 vastgestelde rechten worden gebracht op :
1° 5,5 pct. voor schenkingen aan
a. provincies, gemeenten, provinciale en gemeentelijke openbare instellingen gelegen in het Vlaamse Gewest;
b. de door de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij erkende maatschappijen;
c. de coöperatieve vennootschap "Vlaams Woningfonds van de grote gezinnen;
d. dienstverlenende en opdrachthoudende verenigingen zoals bedoeld in het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking;
2° 7 pct. voor de schenkingen, inclusief inbrengen om niet, aan verenigingen zonder winstoogmerk, ziekenfondsen en landsbonden van ziekenfondsen, beroepsverenigingen en internationale verenigingen zonder winstoogmerk, aan de private stichtingen en stichtingen van openbaar nut;
3° 100 euro voor de schenkingen, inclusief inbrengen om niet, gedaan aan stichtingen of rechtspersonen bedoeld in 2°, zo de schenker zelf een dezer stichtingen of rechtspersonen is;
4° 1,10 pct. voor de schenkingen, inclusief inbrengen om niet, gedaan door de gemeenten aan de pensioenfondsen die zij onder de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk hebben opgericht in uitvoering van een door de voogdijoverheid goedgekeurd saneringsplan.
De verlagingen vermeld sub 1°, 2° en 3° zijn ook toepasselijk op gelijkaardige rechtspersonen die opgericht zijn volgens en onderworpen zijn aan de wetgeving van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte, en die bovendien hun statutaire zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de Europese Economische Ruimte hebben.
