Circulaire 2021/C/96 betreffende de btw-vrijstelling voor vervoerdiensten die rechtstreeks verband houden met een uitvoer van goederen (Bijgewerkt)
Deze circulaire heeft betrekking op het toepassingsgebied van de vrijstelling voorzien in artikel 41, § 1, eerste lid, 3°, van het Btw-Wetboek voor wat betreft vervoerdiensten die rechtstreeks verband houden met de uitvoer van goederen vanuit België of vanuit een andere lidstaat buiten de Gemeenschap.
vrijstelling ; diensten samenhangend met internationaal vervoer ; vervoerdiensten
FOD Financiën, 27.10.2021
Algemene Administratie van de Fiscaliteit – Belasting over de toegevoegde waarde
III. Gevolgen voor de Belgische btw-wetgeving
Overeenkomstig artikel 146, lid 1, onder e), van richtlijn 2006/112/EG van de raad van 28.11.2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, verlenen de lidstaten vrijstelling voor diensten, met inbegrip van vervoer en met die diensten samenhangende handelingen en met uitzondering van de overeenkomstig de artikelen 132 en 135 van de richtlijn 2006/112/EG vrijgestelde diensten, wanneer die diensten rechtstreeks verband houden met de uitvoer of invoer van goederen die onder artikel 61 en artikel 157, lid 1, onder a), van de richtlijn 2006/112/EG vallen.
In een arrest (1) heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie het toepassingsgebied van de vrijstelling voorzien in artikel 146, lid 1, onder e), van de richtlijn 2006/112/EG nader afgebakend voor wat betreft vervoerdiensten die rechtstreeks verband houden met de uitvoer van goederen. Het onderliggende geschil heeft meer bepaald betrekking op diensten bestaande uit het vervoer van goederen naar een derde land, waarbij die diensten niet rechtstreeks voor de afzender of de ontvanger van die goederen worden verricht. Het hof heeft zich uitgesproken over het al dan niet bestaan in een dergelijke situatie van een rechtstreeks verband tussen de vervoerdienst en de uitvoer van goederen.
(1) Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest 'L.C.' IK, zaak C-288/16, van 29.06.2017.
Wat betreft de Belgische btw-wetgeving, heeft het arrest gevolgen voor de toepassing van de vrijstelling voorzien in artikel 41, § 1, eerste lid, 3°, van het Btw-Wetboek. Deze bepaling vormt immers de gedeeltelijke omzetting van artikel 146, lid 1, onder e), van de richtlijn 2006/112/EG in Belgisch recht.
Volgens het hof volgt uit de bewoording en de doelstelling van artikel 146, lid 1, onder e), van de richtlijn 2006/112/EG dat die bepaling aldus moet worden uitgelegd dat het bestaan van een rechtstreekse band niet alleen tot gevolg heeft dat de betrokken diensten door hun voorwerp tot de daadwerkelijke realisatie van een uitvoerhandeling bijdragen, maar ook dat die diensten naar omstandigheid rechtstreeks voor de uitvoerder of de ontvanger van de in die bepaling bedoelde goederen worden verricht.
Opdat een vervoerdienst rechtstreeks verband houdt met de uitvoer van goederen, in de zin van voornoemde bepaling, is zodoende vereist dat die dienst rechtstreeks voor de uitvoerder of de ontvanger van de goederen wordt verricht. Dat impliceert dat de vrijstelling slechts kan worden toegepast in de verhouding tussen enerzijds de dienstverrichter en anderzijds de afzender of de ontvanger van de goederen.
Indien de dienstverrichter een beroep doet op een onderaannemer, kan in de verhouding tussen de onderaannemer en de dienstverrichter geen toepassing worden gemaakt van de vrijstelling voorzien in artikel 146, lid 1, onder e), van de richtlijn 2006/112/EG.
III. Gevolgen voor de Belgische btw-wetgeving
Uit het arrest volgt dat de vrijstelling voor vervoerdiensten die rechtstreeks verband houden met de uitvoer van goederen, voorzien in artikel 41, § 1, eerste lid, 3°, van het Btw-Wetboek, slechts van toepassing kan zijn in de verhouding tussen enerzijds de dienstverrichter en anderzijds de afzender of de ontvanger van de uit te voeren goederen. De twee laatstgenoemde personen betreffen onder meer:
- de verkoper of de koper van de uit te voeren goederen
- de eigenaar, de huurder of de ontlener van de uit te voeren goederen
- de maakloonwerker die goederen uitvoert buiten de Gemeenschap om ze een herstelling, bewerking, verwerking of aanpassing te laten ondergaan
- de persoon die goederen wederuitvoert buiten de Gemeenschap, welke hij op zicht, op proef of in consignatie had ontvangen
- de persoon die goederen wederuitvoert buiten de Gemeenschap, nadat ze door hem zijn hersteld, bewerkt, verwerkt of aangepast.
Indien de dienstverrichter een beroep doet op een onderaannemer voor het verrichten van de goederenvervoerdienst, kan de dienst verricht door de onderaannemer niet van de btw worden vrijgesteld op grond van artikel 41, § 1, eerste lid, 3°, van het Btw-Wetboek.
Voorbeeld
Een Belgische belastingplichtige A heeft goederen verkocht aan een in China gevestigde belastingplichtige B. Voor het vervoer van de goederen vanuit België naar de vestiging van B in China, doet A een beroep op een in België gevestigde vervoeronderneming X. Deze laatste geeft het vervoer van de goederen op haar beurt in onderaanneming aan de in België gevestigde vervoeronderneming Y.
De vervoerdienst die X voor A verricht, vindt in België plaats (artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek) en is er aan de btw onderworpen (artikel 2, eerste lid, van het Btw-Wetboek). Deze dienst wordt echter van de belasting vrijgesteld op grond van artikel 41, § 1, eerste lid, 3°, van het Btw-Wetboek.
De vervoerdienst die Y voor X verricht, vindt in België plaats (artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek) en is er aan de btw onderworpen (artikel 2, eerste lid, van het Btw-Wetboek). Het voorgaande in acht genomen, is de vrijstelling voorzien in artikel 41, § 1, eerste lid, 3°, van het Btw-Wetboek in deze relatie niet van toepassing.
De oorspronkelijke alinea opgenomen onder titel IV:
[Teneinde de betrokken belastingplichtigen toe te laten zich te conformeren aan voornoemde beperking van het toepassingsgebied van de vrijstelling voorzien in artikel 41, § 1, eerste lid, 3°, van het Btw-Wetboek voor wat betreft goederenvervoerdiensten, is het onder punt III uiteengezette administratieve standpunt van toepassing vanaf 01.01.2022.] (1)
Interne ref.: 132.341/3
(1) De oorspronkelijke inwerkingtreding van deze circulaire, vastgelegd op 01.01.2022, werd uitgesteld:
- bij het addendum van 22.11.2021 (circulaire 2021/C/101) tot 01.04.2022
- bij het tweede addendum van 15.03.2022 (circulaire 2022/C/26) tot 01.09.2022
- bij het derde addendum van 19.07.2022 (circulaire 2022/C/72) werd de inwerkingtreding opgeschort
