Circulaire 2017/C/56 betreffende de bijkomende aangifteverplichtingen inzake verrekenprijzen

Zie ook: Circulaire 2019/C/14 - Addendum bij de circulaire 2017/C/56 betreffende de aanvullende rapporteringsverplichtingen inzake verrekenprijzen

Commentaar op de artikelen 321/1 tot 321/7, WIB 92, die aanvullende aangifteverplichtingen inzake verrekenprijzen opleggen

Verrekenprijzen ; aangifte ; bijkomende verplichtingen

FOD Financiën, 04.09.2017

Algemene Administratie van de Fiscaliteit – Taxatieprocedure en Verplichtingen

Inhoudstafel

1. Inleiding

2. Wettelijke en reglementaire bepalingen

A. Programmawet van 01.07.2016 (BS 04.07.2016)

B. Koninklijke besluiten

C. Toelichting bij de formulieren

3. Commentaar

A. Algemeen

B. Nieuw artikel 321/1 WIB 92 (artikel 54 PW)

Definities

C. Nieuw artikel 321/2 WIB 92 (artikel 55 PW)

Landenrapport: formulier 275 CBC

C.1. Toepassingsgebied

C.2. Principe: indiening door de uiteindelijke moederentiteit

C.3. Indiening door een andere groepsentiteit

C.4. Indiening door een surrogaatmoederentiteit

C.5. Inhoud van het landenrapport

C.6. Modaliteiten

C.7. Wijze van mededeling van het landenrapport aan de buitenlandse administraties

D. Nieuw artikel 321/3 WIB 92 (artikel 56 PW)

Notificatieplicht voor de Belgische groepsentiteiten van een multinationale groep: formulier 275 CBC NOT

E. Nieuw artikel 321/4 WIB 92 (artikel 57 PW)

Indiening van een groepsdossier door de Belgische groepsentiteit: formulier 275 MF

E.1. Toepassingsgebied

E.2. Inhoud van het groepsdossier

E.3. Modaliteiten

F. Nieuw artikel 321/5 WIB 92 (artikel 58 PW)

Indiening lokaal dossier door de Belgische groepsentiteit: formulier 275 LF

F.1. Toepassingsgebied

F.2. Inhoud van het lokaal dossier

F.3. Modaliteiten

G. Nieuw artikel 321/6 WIB 92 (artikel 59 PW)

Gebruik van het landenrapport door de administratie

H. Nieuw artikel 321/7 WIB 92 (artikel 60 PW)

Gebruik van Engels in de formulieren

I. Wijziging van artikel 445 WIB 92 (artikel 63 PW)

Specifieke sancties

J. Beroepsgeheim

4. Inwerkingtreding (artikel 64 PW)

5. Overgangsmaatregel met betrekking tot de dienst naar dewelke de formulieren moeten worden verstuurd

1. Inleiding

1. Deze circulaire omvat de commentaar op de invoering van de artikelen 321/1 tot 321/7 in het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92) door de artikelen 53 tot 60 en 63 tot 64 van de programmawet (PW) van 01.07.2016 (1).

(1) Zie BS 04.07.2016.

2. Zij heeft eveneens betrekking op de koninklijke besluiten van 28.10.2016 ter uitvoering van deze bepalingen:

- koninklijk besluit tot vastlegging van het model van formulier als bedoeld in artikel 321/2, paragraaf 5, van het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992;

- koninklijk besluit tot vastlegging van het model van formulier als bedoeld in artikel 321/4, § 4, van het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992 en;

- koninklijk besluit tot vastlegging van het model van formulier als bedoeld in artikel 321/5, § 4, van het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992 (2).

(2) Zie BS van 02.12.2016, evenals de publicatie van de toelichting bij de te gebruiken formulieren in deze materie en het erratum in het BS van 14.08.2017.

2. Wettelijke en reglementaire bepalingen

A. Programmawet van 01.07.2016 (BS 04.07.2016)

3. De artikelen 53 tot 60 en 63 tot 64 van de PW van 01.07.2016 voeren de artikelen 321/1 tot 321/7 in het WIB 92 in (zie bijlage).

B. Koninklijke besluiten

4. Koninklijk besluit van 28.10.2016 tot vastlegging van het model van formulier als bedoeld in artikel 321/2, paragraaf 5, van het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992 (3).

(3)BS 02.12.2016.

5. Koninklijk besluit van 28.10.2016 tot vastlegging van het model van formulier als bedoeld in artikel 321/4, § 4, van het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992 (4).

(4) BS 02.12.2016.

6. Koninklijk besluit van 28.10.2016 tot vastlegging van het model van formulier als bedoeld in artikel 321/5, § 4, van het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992 (5).

(5) BS 02.12.2016.

C. Toelichting bij de formulieren

7. Toelichting bij de formulieren 275 CBC, 275 MF en 275 LF ingevoerd door de koninklijke besluiten van 28.10.2016 in uitvoering van de artikelen 321/2, 321/4 en 321/5 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92) en het formulier 275 CBC NOT inzake de in artikel 321/3 WIB 92 bedoelde notificatieverplichting (6).

(6) BS 02.12.2016en erratum in BS 14.08.2017.

3. Commentaar

A. Algemeen

8. Door de globalisering van de economie hebben landen meer en meer ingezet om ongewenste fiscale effecten voor bedrijven te neutraliseren o.m. door het afsluiten van dubbelbelastingverdragen tussen verschillende staten en het afstemmen van de interne wetgeving op een meer internationale context.

Internationale bedrijven zijn erin geslaagd om de bestaande nationale en internationale regels zo tegen elkaar uit te spelen dat dit leidt tot het uithollen van de belastbare basis en het verschuiven van de winst naar landen met een gunstiger belastingregime (in het Engels gekend als 'Base Erosion and Profit Shifting' of BEPS). De dubbele belasting heeft plaats gemaakt voor een dubbele niet-belasting. Op initiatief van de G20 werd aan de OESO de opdracht gegeven om een actieplan te ontwikkelen dat moet leiden tot een gemeenschappelijke aanpak om dit fenomeen te bestrijden.

Eén van de principes van dit plan is de 'internationale transparantie'. Om hieraan tegemoet te komen voert artikel 13 van het actieplan (BEPS 13) een aantal nieuwe regels in met betrekking tot de verrekenprijsdocumentatie en voorziet dit artikel de invoering van een landenrapport. De uitwisseling van informatie is ter zake een prioriteit.

Kortom de informatie circuleert binnen de groep, van haar entiteiten naar de (uiteindelijke) moedermaatschappij. Deze laatste bezorgt de informatie aan de fiscale administratie van haar land die het op haar beurt verstuurt naar de verschillende landen waar de multinationale groep fiscale verplichtingen heeft in het kader van de automatische uitwisseling van inlichtingen.

De wet van 01.07.2016 zet de modelwetgeving uitgewerkt door de OESO om in Belgisch intern recht.

Tevens is er binnen de Europese Unie gewerkt aan de omzetting van de modelwetgeving in een Richtlijn (EU) 2016/881 van de Raad van 25.05.2016 tot wijziging van de Richtlijn 2011/016/EU wat betreft de verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied (7).

(7) Zie Pb, L. 146 van 03.06.2016.

Deze richtlijn werd omgezet in Belgisch intern recht bij wet van 31.07.2017 houdende omzetting van meerdere Richtlijnen inzake de verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied (8).

(8) BS 11.08.2017.

9. Derhalve wordt een nieuwe afdeling I/1 ingevoegd onder de titel VII, hoofdstuk III van het WIB 92: 'Aanvullende rapporteringsverplichtingen inzake verrekenprijzen'. Deze afdeling bevat de artikelen 321/1 tot 321/7.

10. De materie wordt grotendeels bepaald door de interpretatie van de OESO aangaande de rapporteringsverplichtingen die zij gedefinieerd heeft in BEPS 13. Echter, deze interpretatie wordt regelmatig aangevuld en gewijzigd. Bijgevolg wordt verwezen naar de website van de OESO voor het bekomen van geactualiseerde verduidelijkingen inzake de inhoud van de rapporten bedoeld in de artikelen 321/1 en volgende van het WIB 92 evenals voor de stand van zaken van de internationale overeenkomsten waarvan België deel uitmaakt (9).

(9) Link naar de 'Guidance on the Implementation of Country-by-Country Reporting: BEPS Action 13'.

B. Nieuw artikel 321/1 WIB 92 (artikel 54 PW)

Definities

11. Dit artikel omvat een aantal definities die toelaten tot een gemeenschappelijke internationale interpretatie van die termen en een correcte implementatie ervan te komen.

1° De uitdrukking 'groep': een verzameling ondernemingen die door eigenaarschap of controle op zulkdanige manier verbonden zijn dat ze ofwel op grond van de geldende boekhoudkundige regels een geconsolideerde jaarrekening moet opmaken voor de financiële verslaggeving, ofwel dit zou moeten doen indien aandelenbelangen in een van de ondernemingen zouden verhandeld worden op een gereglementeerde markt.

Het laatste deel van de definitie werd ingevoerd teneinde rekening te houden met de geldende IFRS-standaard, waarbij een groep een geconsolideerde jaarrekening moet indienen wanneer zij beursgenoteerd is.

2° De uitdrukking 'onderneming': elke vorm van bedrijfsuitoefening door elke persoon zoals die is bedoeld in artikel 338, paragraaf 2, 13°, b., c. en d. van het WIB 92.

Deze definitie komt voort uit de amenderingsrichtlijn en viseert een commerciële activiteit die wordt uitgeoefend door een rechtspersoon, een vereniging van personen die bevoegd is rechtshandelingen te verrichten, maar niet de status van rechtspersoon bezit (indien de geldende wetgeving in die mogelijkheid voorziet) of elke andere juridische constructie die activa bezit of beheert, met inbegrip van de daardoor gegenereerde inkomsten, en welke aan belasting in de zin van richtlijn 2011/16/EU zijn onderworpen.

3° De uitdrukking 'multinationale groep': elke groep die twee of meer ondernemingen omvat die van een verschillend rechtsgebied inwoner zijn, of die een onderneming omvat die inwoner is van het ene rechtsgebied en in een ander rechtsgebied aan belasting onderworpen is ter zake van de werkzaamheden die met behulp van een vaste inrichting worden uitgeoefend.

4° De uitdrukking 'groepsentiteit':

a. elke afzonderlijke entiteit van een multinationale groep die opgenomen is in de geconsolideerde jaarrekening van de multinationale groep voor de financiële verslaggeving, of die in die jaarrekening zou opgenomen worden indien aandelenbelangen in dergelijke entiteit van een multinationale groep op een gereglementeerde markt zouden verhandeld worden;

b. elke dergelijke entiteit die enkel op grond van omvang of materieel belang niet opgenomen is in de geconsolideerde jaarrekening van de multinationale groep; en

c. elke vaste inrichting van elke afzonderlijke entiteit van de multinationale groep die onder punt a) of b) hierboven valt, op voorwaarde dat de entiteit voor die vaste inrichting een afzonderlijke jaarrekening opmaakt met het oog op de financiële verslaggeving, op het naleven van de reglementering, op het aangeven van de belastingen of op interne beheerscontrole.

Er wordt opgemerkt dat verwezen wordt naar elke groepsentiteit die mee in de consolidatiekring van de uiteindelijke moederentiteit werd opgenomen alsook elke entiteit die deel uitmaakt van de groep maar omwille van redenen van omvang of materieel belang niet opgenomen is in de geconsolideerde jaarrekening van de multinationale groep.

Onder de Belgische consolidatieregels worden een aantal entiteiten verplicht uitgesloten van de consolidatiekring (bijvoorbeeld ondernemingen in vereffening, de activiteiten van de onderneming worden stopgezet of wanneer de opname van de onderneming tegen het getrouw beeld van de jaarrekening zou indruisen). Een aantal ondernemingen kunnen optioneel worden uitgesloten van de consolidatiekring (bijvoorbeeld ondernemingen van een te verwaarlozen betekenis, de opname van de onderneming in de consolidatiekring leidt tot onevenredige moeilijkheden of wanneer de aandelen van de dochteronderneming enkel met het oog op een latere vervreemding worden aangehouden).

De OESO heeft evenwel een zo breed mogelijke definiëring van de term 'groepsentiteit' voor ogen gehouden. De ondernemingen die onder de verplichte of optionele uitsluiting van de consolidatiekring naar Belgische regels vallen, moeten aldus worden beschouwd als een groepsentiteit.

5° De uitdrukking 'gereglementeerde markt': een markt in de zin van artikel 2, 3°, van de wet van 02.08.2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten.

Hier wordt elke Belgische of buitenlandse markt bedoeld.

6° De uitdrukking 'Belgische groepsentiteit': elke groepsentiteit die fiscaal inwoner is van België (10).

(10) De Belgische groepsentiteiten zullen indien nodig het landenrapport, het groepsdossier en het lokaal dossier indienen bij de Belgische belastingadministratie en hebben tevens een notificatieplicht.

Het betreft dus iedere groepsentiteit die in België ofwel in de Ven.B ofwel in de BNI/Ven belastbaar is.

7° De uitdrukking 'rapporterende entiteit': de groepsentiteit die, in het rechtsgebied waarvan zij fiscaal inwoner is, namens de multinationale groep een landenrapport moet indienen. De rapporterende entiteit kan de uiteindelijke moederentiteit zijn, de surrogaatmoederentiteit, of elke andere entiteit die is omschreven in paragraaf 2 van artikel 321/2.

8° De uitdrukking 'uiteindelijke moederentiteit': een groepsentiteit van een multinationale groep die aan de volgende voorwaarden voldoet:

a. ze bezit middellijk of onmiddellijk een belang in een of meer andere groepsentiteiten van die multinationale groep dat voldoende groot is om verplicht te zijn een geconsolideerde jaarrekening op te maken op grond van de boekhoudkundige regels die over het algemeen van toepassing zijn in het rechtsgebied waar die entiteit fiscaal inwoner is, of om verplicht te zijn dit te doen indien haar aandelenbelangen in het rechtsgebied waar ze haar fiscale woonplaats heeft, zouden verhandeld worden op een gereglementeerde markt, en

b. geen andere groepsentiteit van die multinationale groep bezit middellijk of onmiddellijk een belang in de eerstgenoemde groepsentiteit zoals omschreven in alinea a. hierboven.

Het niveau van consolidatie van de jaarrekeningen bepaalt dus wie de uiteindelijke moederentiteit is.

9° De uitdrukking 'surrogaatmoederentiteit': een groepsentiteit van de multinationale groep die door die multinationale groep werd aangewezen als enige plaatsvervanger voor de uiteindelijke moederentiteit om namens die multinationale groep het landenrapport in te dienen, wanneer een of meer van de in artikel 321/2, § 2, eerste lid opgenoemde voorwaarden van toepassing zijn.

10° De uitdrukking 'rapporteringsperiode', gebruikt in verband met een multinationale groep: de periode waarvoor de uiteindelijke moederentiteit van de multinationale groep haar geconsolideerde jaarrekening opmaakt.

11° De uitdrukking 'internationaal akkoord':

- de Multilaterale overeenkomst inzake wederzijdse administratieve bijstand in fiscale aangelegenheden van 25.01.1988, of

- elk bilateraal of multilateraal belastingverdrag of

- elk akkoord inzake de uitwisseling van belastinggegevens waarbij België partij is en die voorziet in de uitwisseling van inlichtingen, daaronder begrepen de automatische uitwisseling van die gegevens.

12° De uitdrukking 'kwalificerend akkoord tussen bevoegde autoriteiten': een akkoord:

a. dat gesloten is tussen gemachtigde vertegenwoordigers van België en rechtsgebieden buiten de Europese Unie die partij zijn bij een internationaal akkoord, en

b. dat de automatische uitwisseling vereist van landenrapporten tussen de rechtsgebieden die partij zijn.

13° De uitdrukking 'geconsolideerde jaarrekening': de jaarrekening van een multinationale groep waarin de activa, passiva, de opbrengsten, de kosten en, in voorkomend geval, de kasstromen van de uiteindelijke moederentiteit en van de groepsentiteiten weergegeven zijn als die van een enkele economische entiteit.

14° De uitdrukking 'systematische nalatigheid', gebruikt in verband met een rechtsgebied: het feit dat een rechtsgebied een in werking zijnd kwalificerend akkoord tussen bevoegde autoriteiten heeft met België, maar dat dit rechtsgebied om andere redenen dan die welke in overeenstemming zijn met de bepalingen van dat akkoord, die automatische uitwisseling opgeschort heeft, dan wel anderszins stelselmatig nagelaten heeft om aan België automatisch de landenrapporten te bezorgen die het in zijn bezit heeft en die multinationale groepen betreffen die groepsentiteiten hebben in België.

15° De uitdrukking 'landenrapport': een rapport dat de volgende elementen bevat:

a. verzamelde informatie over het bedrag van de opbrengsten en van de winst of het verlies vóór inkomstenbelasting, over de betaalde inkomstenbelasting, in de enkelvoudige jaarrekening opgenomen nog verschuldigde inkomstenbelasting, het gestorte kapitaal, de gereserveerde winst (11), het aantal personeelsleden, uitgedrukt in voltijdse equivalenten, en alle activa met uitzondering van liquiditeiten, geldbeleggingen met een vervaldatum korter dan drie maanden dewelke niet onderhevig zijn aan significante waardeschommelingen, immateriële vaste activa en aandelen geboekt binnen de financiële vaste activa (12), en dit voor elk rechtsgebied waarin de multinationale groep actief is;

(11) Met gereserveerde winst wordt bedoeld de rekeningen 'Uitgiftepremies', 'Herwaarderingsmeerwaarden', 'Reserves', 'Overgedragen winst/verlies', 'Kapitaalsubsidies' en 'Voorschotten aan vennoten op verdeling netto actief', oftewel de rekeningen 11/12/13/14/15 en 19 van de balans.

(12) 'Tangible assets other than cash and cash equivalents'.

Deze omvatten:

- Rekeningen 22-27: Materiële vaste activa

- Rekeningen 29: Vorderingen op meer dan één jaar

- Rekeningen 3: Voorraden en bestellingen in uitvoering

- Rekeningen 40-41: Vorderingen op ten hoogste één jaar.

b. een identificatie van elke groepsentiteit van de multinationale groep met vermelding van het rechtsgebied waarvan die groepsentiteit inwoner is, en indien verschillend, het rechtsgebied op grond van wiens wetgeving die groepsentiteit werd opgericht, en de aard van de voornaamste bedrijfsactiviteit of -activiteiten van die groepsentiteit.

16° De uitdrukking 'bedrijfseenheid': elk onderdeel, divisie, departement van de Belgische groepsentiteit gegroepeerd rond een bepaalde activiteit, productgroep of technologie.

Deze definitie is belangrijk voor het vervolledigen van het lokaal dossier.

Gelet op het internationaal karakter van de verrekenprijzen worden hierna de meest gebruikte Engelse termen opgesomd en vertaald in het Nederlands:

- groep – Group;

- multinationale groep – MNE Group;

- groepsentiteit – Constituent Entity;

- rapporterende entiteit – Reporting Entity;

- uiteindelijke moederentiteit – Ultimate Parent Entity;

- surrogaatmoederentiteit – Surrogate Parent Entity;

- rapporteringsperiode – Fiscal Year;

- internationaal akkoord – International Agreement;

- kwalificerend akkoord tussen bevoegde autoriteiten - Qualifying Competent Authority Agreement;

- geconsolideerde jaarrekening – Consolidated Financial Statements;

- systematische nalatigheid – Systemic Failure;

- landenrapport – Country-by-Country Report.

C. Nieuw artikel 321/2 WIB 92 (artikel 55 PW)

Landenrapport: formulier 275 CBC

C.1. Toepassingsgebied

12. Multinationale groepen waarvan de geconsolideerde bruto-opbrengsten 750 miljoen euro of meer bedragen moeten een landenrapport indienen.

Onder bruto-opbrengsten wordt hier verstaan de som van de bruto bedrijfsopbrengsten, de bruto financiële opbrengsten en de bruto uitzonderlijke opbrengsten zoals deze tot uiting komen in de geconsolideerde jaarrekening van de uiteindelijke moederentiteit.

De indiening van een landenrapport is ook verplicht indien de belastbare basis forfaitair wordt bepaald.

C.2. Principe: indiening door de uiteindelijke moederentiteit

13. Indien de uiteindelijke moederentiteit van een multinationale groep inwoner is van België, moet zij het landenrapport van die groep opmaken en indienen bij de administratie bevoegd voor de vestiging van de inkomstenbelastingen, met name de Algemene Administratie van de Fiscaliteit (AAFisc).

C.3. Indiening door een andere groepsentiteit

14. In drie gevallen moet de Belgische groepsentiteit die niet de uiteindelijke moederentiteit van de multinationale groep is alsnog het landenrapport indienen bij de AAFisc als één van de hiernavolgende omstandigheden zich voordoet:

- de uiteindelijke moederentiteit is, in het land waar ze fiscaal inwoner is, niet verplicht om het landenrapport voor de multinationale groep op te maken en in te dienen;

- de uiteindelijke moederentiteit moet een landenrapport voor haar groep opmaken en indienen, maar er is, uiterlijk 12 maanden na de laatste dag van de rapporteringsperiode, een internationaal akkoord maar geen kwalificerend akkoord tussen de bevoegde autoriteiten dat voorziet in de automatische uitwisseling van het landenrapport met België; of

- de uiteindelijke moederentiteit moet een landenrapport voor haar groep opmaken en indienen en er is een instrument aanwezig dat voorziet in de automatische uitwisseling van het landenrapport, maar er gebeurt geen effectieve uitwisseling van het landenrapport omwille van redenen, anders dan deze die gestipuleerd staan in het instrument. In dit geval spreekt men van een systematische nalatigheid van dat rechtsgebied.

15. Wanneer een Belgische groepsentiteit (13) met deze rapporteringsverplichting geconfronteerd wordt, zal zij alles in het werk dienen te stellen om een zo volledig mogelijk landenrapport met betrekking tot de multinationale groep in te dienen. Een minimum dat kan worden verwacht van de Belgische groepsentiteit is dat zij contact opneemt met haar uiteindelijke moederentiteit teneinde die informatie te bekomen. Wanneer, desondanks, de uiteindelijke moederentiteit blijft weigeren om de informatie te delen met de Belgische groepsentiteit, zal de Belgische groepsentiteit alsnog een landenrapport moeten indienen met alle informatie die zij tot haar beschikking heeft en bovendien zal zij de Belgische administratie (AAFisc) op de hoogte moeten brengen van deze weigering. Er werd overeengekomen binnen de EU dat in dergelijk geval elke lidstaat op de hoogte wordt gebracht van deze weigering.

(13) Indien er meerdere Belgische groepsentiteiten zijn, is elke entiteit er in principe toe gehouden een landenrapport in te dienen.

16. Wanneer twee of meer Belgische groepsentiteiten of groepsentiteiten van de Europese Unie van dezelfde multinationale groep in een dergelijke situatie zitten, dan is het voldoende dat één van hen het landenrapport indient bij de AAFisc of bij haar belastingadministratie. Zij zal deze administratie eveneens moeten mededelen dat deze indiening gebeurt met het oog op het vervullen van de rapporteringsverplichtingen toepasselijk op alle groepsentiteiten van die multinationale groep die fiscale inwoners zijn van de Europese Unie.

Wanneer, bij wijze van voorbeeld, een multinationale groep in België opereert via twee Belgische dochtervennootschappen en een vaste inrichting van de moedervennootschap, zullen al deze entiteiten het landenrapport moeten indienen, tenzij één van deze entiteiten deze rapporteringsplicht voor de beide andere Belgische groepsentiteiten vervult of tenzij de voorwaarden van § 3 van art. 321/2 WIB 92, vervuld zijn.

Wat deze laatste twee alinea’s betreft, zal de Belgische groepsentiteit slechts een rapport kunnen indienen als ze alle informatie over de multinationale groep kan bezorgen.

C.4. Indiening door een surrogaatmoederentiteit

17. Indien één van de omstandigheden beschreven in nr. 14 voorkomt en de Belgische groepsentiteit dus het landenrapport zal moeten opmaken en indienen, kan de multinationale groep een andere groepsentiteit aanstellen om het landenrapport op te maken en in te dienen bij haar belastingadministratie. Deze laatste groepsentiteit zal dan handelen als surrogaatmoederentiteit. Opdat deze groepsentiteit de surrogaatmoederentiteit van een moederentiteit in België kan zijn, moeten de volgende voorwaarden evenwel voldaan zijn:

- de surrogaatmoederentiteit moet een landenrapport opmaken en indienen in het rechtsgebied waarvan zij fiscaal inwoner is;

- er wordt voorzien in een automatische uitwisseling van het landenrapport tussen België en het rechtsgebied waarvan de surrogaatmoederentiteit fiscaal inwoner is;

- er is een effectieve uitwisseling van het landenrapport;

- de belastingadministratie van de surrogaatmoederentiteit is op de hoogte gesteld van het feit dat zij als de surrogaatmoederentiteit ageert; en

- de AAFisc heeft een notificatie ontvangen van de naam en identiteit van de surrogaatmoederentiteit in overeenstemming met artikel 321/3, § 2, WIB 92.

C.5. Inhoud van het landenrapport

18. Het landenrapport bevat twee delen:

- de verzamelde informatie over het bedrag van de opbrengsten en van de winst of het verlies vóór inkomstenbelasting, over de betaalde inkomstenbelasting, in de enkelvoudige jaarrekening opgenomen nog verschuldigde inkomstenbelasting, het gestorte kapitaal, de gereserveerde winst, het aantal personeelsleden, uitgedrukt in voltijdse equivalenten, en alle activa met uitzondering van liquiditeiten, geldbeleggingen met een vervaldatum korter dan drie maanden dewelke niet onderhevig zijn aan significante waardeschommelingen, immateriële vaste activa en aandelen geboekt binnen de financiële vaste activa, en dit voor elk rechtsgebied waarin de multinationale groep actief is; en

- een identificatie van elke groepsentiteit van de multinationale groep met vermelding van het rechtsgebied waarvan die groepsentiteit inwoner is, en indien verschillend, het rechtsgebied op grond van wiens wetgeving die groepsentiteit werd opgericht, en de aard van de voornaamste bedrijfsactiviteit of -activiteiten van die groepsentiteit.

C.6. Modaliteiten

19. In elk van de beschreven situaties heeft de Belgische groepsentiteit 12 maanden de tijd na het afsluiten van het boekjaar van de multinationale groep om het landenrapport bij de AAFisc in te dienen.

De rapporteringsperiode van de multinationale groep komt overeen met het boekjaar van de uiteindelijke moederentiteit.

Het zal mogelijk zijn de eerste landenrapporten elektronisch in te dienen vanaf 30.11.2017.

Het modelformulier is bepaald in het koninklijk besluit van 28.10.2016 tot vastlegging van het model van formulier als bedoeld in artikel 321/2, § 5, WIB 92 (14).

(14) Zie link naar het formulier 275 CBC.

C.7. Wijze van mededeling van het landenrapport aan de buitenlandse administraties

20. De belastingadministratie zal vervolgens het landenrapport op automatische wijze uitwisselen met een EU-lidstaat of andere betrokken partners in overeenstemming met de bepalingen zoals voorzien door het betrokken internationaal akkoord (Multilateraal Verdrag, dubbelbelastingverdrag, TIEA of Richtlijn 2011/16/EU (15)).

(15) Zoals gewijzigd door de Richtlijn (EU) 2016/881 van de Raad van 25.05.2016.

De OESO heeft met dit doel in het bijzonder een Multilateraal Akkoord tussen bevoegde autoriteiten opgesteld dat de automatische uitwisseling van landenrapporten mogelijk maakt (hierna 'Multilateraal Akkoord'). België maakt deel uit van dat akkoord.

21. Zo regelt het Multilateraal Akkoord op dit ogenblik de wijze van automatische uitwisseling van het landenrapport tussen de deelnemende landen. Er is hierin vastgelegd dat elke bevoegde autoriteit elk jaar, op automatische wijze, elk landenrapport dat ze ontvangen heeft van elke rapporterende entiteit die inwoner is, uitwisselt met de andere autoriteiten bevoegd voor de rechtsgebieden waarvoor dit akkoord geldt en in dewelke, op basis van de inlichtingen in het landenrapport, één of meerdere groepsentiteiten van de multinationale groep van de rapporterende entiteit fiscaal inwoner zijn of belast zijn op de activiteiten van de vaste inrichting. Het landenrapport dient zo vlug als mogelijk te worden verstuurd, en ten laatste 15 maanden na de laatste dag van het boekjaar van de multinationale groep die het voorwerp uitmaakt van dit rapport. Het Multilateraal Akkoord tussen de bevoegde autoriteiten voorziet dat de eerste uitwisseling zo vlug als mogelijk zal gebeuren en ten laatste 18 maanden na de laatste dag van de rapporteringsperiode.

22. De Europese richtlijn (EU) 2016/881 van de Raad van 25.05.2016 die de Richtlijn 2011/16/EU wijzigt, herneemt de regels vastgelegd door de OESO en artikel 8 bis bis en bepaalt dat de lidstaat het landenrapport aan alle andere betrokken lidstaten (namelijk deze waarvan, blijkens het rapport, een groepsentiteit van de multinationale groep fiscaal inwoner is, of waarin deze aan belasting onderworpen is met betrekking tot de activiteiten die via een vaste inrichting worden uitgeoefend) moet mededelen. Deze mededeling dient plaats te vinden binnen een termijn van 15 maanden na de laatste dag van het betrokken boekjaar.

Het eerste landenrapport wordt meegedeeld voor het boekjaar van de multinationale groep dat begint op of na 1 januari 2016, en wel binnen 18 maanden na de laatste dag van dat boekjaar. De uitwisseling dient plaats te vinden langs elektronische weg met gebruikmaking van het Europese Common Communication Network ('CCN').

23. Zoals vermeld in nr.10 hiervoor, zal de website van de OESO actuele informatie over de inwerkingtreding van nieuwe overeenkomsten bevatten. Tevens wordt de naam van elk land vermeld waarmee België door een internationale overeenkomst is gebonden.

D. Nieuw artikel 321/3 WIB 92 (artikel 56 PW)

Notificatieplicht voor de Belgische groepsentiteiten van een multinationale groep: formulier 275 CBC NOT

24. Elke Belgische groepsentiteit moet de AAFisc uiterlijk op de laatste dag van de rapporteringsperiode van de multinationale groep laten weten of ze de uiteindelijke moederentiteit is, of ze de surrogaatmoederentiteit is, of ze een groepsentiteit is zoals beschreven in nr.14 hiervoor. Indien ze tot geen enkele van deze drie types van entiteiten behoren, moeten de Belgische groepsentiteiten de identiteit van de uiteindelijke moederentiteit of, in voorkomend geval, de surrogaatmoederentiteit aanduiden alsook het rechtsgebied waarvan deze fiscaal inwoner is.

25. Deze procedure laat toe om te weten welke entiteit van de groep het landenrapport zal indienen.

26. Deze notificatie dient jaarlijks te gebeuren.

27. Het model van het formulier, de opgave 275 CBC NOT, is in het Belgisch Staatsblad van 02.12.2016 gepubliceerd uit een bekommernis van uniformiteit en gebruiksgemak (16). Het model is niet verplicht.

(16) Zie link naar het formulier 275 CBC NOT.

E. Nieuw artikel 321/4 WIB 92 (artikel 57 PW)

Indiening van een groepsdossier door de Belgische groepsentiteit: formulier 275 MF

E.1. Toepassingsgebied

28. De verplichting tot indiening van het groepsdossier geldt voor elke Belgische groepsentiteit van een multinationale groep, die voor het boekjaar dat onmiddellijk voorafgaat aan het laatste afgesloten boekjaar, één van onderstaande criteria overschrijdt zoals blijkt uit haar enkelvoudige jaarrekening:

- een totaal van 50 miljoen euro aan bedrijfs- en financiële opbrengsten met uitsluiting van de niet-recurrente opbrengsten;

- een balanstotaal van 1 miljard euro;

- het jaargemiddelde van het personeelsbestand van 100 voltijdse equivalenten.

De indiening van een groepsdossier is ook verplicht indien de belastbare basis forfaitair wordt bepaald.

29. Heeft het boekjaar een duur van minder of meer dan twaalf maanden, dan dient het bedrag van de bedrijfsopbrengsten evenredig herleid te worden a rato van het effectief aantal maanden van het boekjaar, waarbij elke begonnen maand voor een volle maand wordt geteld.

E.2. Inhoud van het groepsdossier

30. Om belastingadministraties te ondersteunen bij de beoordeling van de aanwezigheid van een verrekenprijsrisico, geeft het groepsdossier een overzicht van de multinationale groep, inclusief de aard van haar bedrijfsactiviteiten, de immateriële vaste activa, de intra-groep financiële verrichtingen en de geconsolideerde financiële en fiscale positie van de multinationale groep, haar algehele bedrijfspolitiek en haar wereldwijde allocatie van haar inkomsten en economische activiteiten.

Het koninklijk besluit van 28.10.2016 tot vastlegging van het model van formulier als bedoeld in artikel 321/4, § 4, van het WIB 92 (zie nr. 5 hiervoor) schrijft hiertoe de mededeling voor van:

- de organisatiestructuur van de multinationale groep;

- de aard van de bedrijfsactiviteiten;

- haar immateriële vaste activa;

- haar intra-groep financiële verrichtingen;

- haar geconsolideerde financiële en fiscale positie.

Het groepsdossier heeft betrekking op de laatst afgesloten rapporteringsperiode van de groep.

E.3. Modaliteiten

31. Het dossier dient ingediend te worden bij de AAFisc binnen 12 maanden na de laatste dag van de rapporteringsperiode van de multinationale groep.

32. Het modelformulier is bepaald in voornoemd koninklijk besluit van 28.10.2016 (17).

(17) Zie de link naar het formulier 275 MF.

F. Nieuw artikel 321/5 WIB 92 (artikel 58 PW)

Indiening lokaal dossier door de Belgische groepsentiteit: formulier 275 LF

F.1. Toepassingsgebied

33. De verplichting tot indiening van een lokaal dossier geldt voor elke Belgische groepsentiteit van een multinationale groep die, voor het boekjaar dat onmiddellijk voorafgaat aan het laatste afgesloten boekjaar, één van onderstaande criteria overschrijdt zoals blijkt uit haar enkelvoudige jaarrekening:

- een totaal van 50 miljoen euro aan bedrijfs- en financiële opbrengsten met uitsluiting van de niet-recurrente opbrengsten;

- een balanstotaal van 1 miljard euro;

- het jaargemiddelde van het personeelsbestand van 100 voltijdse equivalenten.

De indiening van het lokaal dossier is ook verplicht indien de belastbare basis forfaitair wordt bepaald.

Heeft het boekjaar een duur van minder of meer dan twaalf maanden, dan dient het bedrag van de bedrijfsopbrengsten evenredig herleid te worden a rato van het effectief aantal maanden van het boekjaar, waarbij elke begonnen maand voor een volle maand wordt geteld.

F.2. Inhoud van het lokaal dossier

34. Deze Belgische groepsentiteit dient bij haar aangifte een lokaal dossier in met betrekking tot het boekjaar waarop die aangifte betrekking heeft.

35. Dit dossier bestaat in alle gevallen uit een eerste gedeelte dat bijkomende informatie bevat betreffende de lokale entiteit. Volgens het koninklijk besluit hebben deze gegevens betrekking op de structuur van de onderneming, haar aandeelhouders, haar activiteiten, haar concurrenten, de aanwezigheid van buitenlandse vaste inrichtingen, betrokkenheid in een herstructurering en een detail van het bedrijfsresultaat indien ze de jaarrekeningen niet neerlegt volgens een volledig schema.

36. Wanneer voor tenminste één van de bedrijfseenheden binnen de Belgische groepsentiteit de drempelwaarde van een totaal van 1 000 000 euro aan grensoverschrijdende transacties met groepsentiteiten binnen dezelfde groep werd overschreden in het laatste afgesloten boekjaar, bestaat het lokaal dossier bovendien uit een tweede deel, een inlichtingenformulier. In dat geval moet het inlichtingenformulier ingevuld worden voor elke bedrijfseenheid die deze drempelwaarde overschrijdt. Het herneemt per bedrijfseenheid van de Belgische groepsentiteit, de aard van haar activiteiten, de transacties tussen de lokale entiteit en de buitenlandse entiteiten van de multinationale groep (goederen, diensten, financiële transacties en andere), de verbonden leningen, samen met een gedetailleerde verrekeningsprijsanalyse van deze bedrijfseenheid, in het bijzonder de relevante financiële informatie van deze verrichtingen, de vergelijkbaarheidsstudie en de selectie en de toepassing van de meest aangewezen verrekenprijsmethode. Het refereert dus specifiek naar belangrijke transacties van de lokale belastingplichtige. De twee delen van het formulier vormen een geheel.

Verder mag bij het invullen van de gedetailleerde inlichtingen per bedrijfseenheid in de tabellen B3 t.e.m. B6 rekening worden gehouden met een materialiteitsvereiste van 25.000 euro per transactie (zie toelichting gepubliceerd in BS op 02.12.2016). Voor alle bedrijfseenheden moet dezelfde werkwijze (met of zonder materialiteitsvereiste) worden toegepast.

F.3. Modaliteiten

37. Het lokaal dossier (het formulier 275 LF) dient gevoegd te worden bij de aangifte VenB of BNI/Ven (zie evenwel de maatregelen in nr. 51 hierna). Dit formulier vormt een integrerend deel van de aangifte. Bij het niet naleven van deze verplichting en indien de voorwaarden zijn voldaan kan de administratie de aanslag van ambtswege vestigen overeenkomstig artikel 351, 1ste al., 2de gedachtestreepje, WIB 92.Het modelformulier is bepaald in het koninklijk besluit van 28.10.2016 tot vastlegging van het model van formulier als bedoeld in artikel 321/5, § 4, van het WIB 92 (18).

(18) Zie link naar het formulier 275 LF.

G. Nieuw artikel 321/6 WIB 92 (artikel 59 PW)

Gebruik van het landenrapport door de administratie

38. Het landenrapport zal worden gebruikt voor de beoordeling:

- van grote verrekenprijsrisico’s en

- van andere risico’s die verband houden met de uitholling van de belastbare grondslag en met winstverschuiving

- daaronder begrepen het risico dat leden van de multinationale groep waarvoor regels in verband met verrekenprijzen van toepassing zijn, die regels niet naleven.

Het formulier zal bestemd zijn voor het rapporteren van de verdeling van de inkomsten, belastingen en bedrijfsactiviteiten van een multinationale groep per rechtsgebied.

Waar aangewezen zal het landenrapport ook worden gebruikt voor het maken van een economische en statistische analyse.

39. Correcties van de verrekenprijzen mogen niet louter gebaseerd zijn op het landenrapport. De inlichtingen in dit rapport kunnen geen gedetailleerde analyse van de verrekenprijzen vervangen.

Niettegenstaande het voorgaande, kunnen de inlichtingen van het landenrapport als basis dienen voor een grondig onderzoek van de door de multinationale groep van ondernemingen gehanteerde verrekenprijzen of voor andere belastingaangelegenheden in het kader van een controle. Dientengevolge kan het belastbaar inkomen van een groepsentiteit passend worden gecorrigeerd.

40. Wanneer de belastbare opbrengsten van een groepsentiteit gecorrigeerd worden als gevolg van bijkomend onderzoek dat gebaseerd is op de gegevens die opgenomen zijn in het landenrapport, en die aanpassing tot ongewenste economische resultaten leidt, ook wanneer het om een specifieke onderneming gaat, plegen de bevoegde autoriteiten van de rechtsgebieden waarvan de groepsentiteiten inwoner zijn overleg met elkaar en voeren ze besprekingen om tot een oplossing voor dat geval te komen. Dit gebeurt via de procedure van onderling overleg zoals voorzien in dubbelbelastingverdragen.

Door belastingadministraties gemaakte ongepaste aanpassingen, die in strijd zijn met wat hoger wordt geschreven, zullen buiten beschouwing gelaten worden in elke procedure van onderling overleg die door bevoegde autoriteiten ingesteld wordt.

41. Alle internationaal uitgewisselde inlichtingen zijn onderworpen aan de verplichtingen inzake vertrouwelijkheid en aan de andere beschermingsmaatregelen die zijn bepaald in de overeenkomst of de rechtsgrond op basis waarvan de inlichtingen uitgewisseld worden, daaronder begrepen de bepalingen die het gebruik van de uitgewisselde inlichtingen beperken.

42. Er wordt opnieuw verwezen naar de website van de OESO om de regelgeving met betrekking tot het gebruik van de gegevens afkomstig van het landenrapport te consulteren (zie nr. 10 hiervoor).

H. Nieuw artikel 321/7 WIB 92 (artikel 60 PW)

Gebruik van Engels in de formulieren

43. Om zijn aanvullende rapporteringsverplichtingen inzake verrekenprijzen te vervullen, kan de belastingplichtige de formulieren, naast de gebruikelijke landstalen, ook in het Engels invullen.

Voor elk ander gebruik van de formulieren dan de voorziene rapportering of een daaruit volgende controle, moet, indien vereist, een vertaling in een van de Belgische landstalen, al dan niet door een beëdigd vertaler, door de belastingplichtige ingediend worden.

44. Taalgebruik in het landenrapport (Formulier 275 CBC):

- In de Uitvoeringsverordening 2016/1963/EU van de Europese Commissie van 09.11.2016 wordt bepaald dat landenrapporten in het Engels dienen te worden verstrekt, behalve wanneer de verstrekkende lidstaat en alle andere lidstaten waaraan het landenrapport worden verstrekt, zijn overeengekomen dat een andere officiële taal van de Unie wordt gebruikt.

- Op OESO-niveau is in de XML user guide het volgende bepaald: 'With a view to allowing the most widespread use of the information contained in the CbC Report, the use of the English language is preferred, if permissible under such local law.'

Als gevolg hiervan zullen de landenrapporten in het Engels ingediend worden.

I. Wijziging van artikel 445 WIB 92 (artikel 63 PW)

Specifieke sancties

45. In het geval de bepalingen van de artikelen 321/1 tot 321/6, WIB 92, en de uitvoeringsbesluiten ervan niet worden nageleefd zal een boete worden opgelegd waarvan de toepassing in een volgende circulaire zal worden besproken.

J. Beroepsgeheim

46. De rapporten bedoeld in de artikelen 321/2, 321/4 en 321/5, WIB 92, die de Belgische belastingadministratie ontvangt, zullen aan dezelfde vertrouwelijkheidsvoorwaarden onderworpen zijn zoals voorzien in artikel 337, WIB 92.

47. De door de buitenlandse administraties meegedeelde gegevens kunnen enkel worden gebruikt zoals voorzien in de overeenkomsten (zie nr. 41). Er wordt verwezen naar deze overeenkomsten.

4. Inwerkingtreding (artikel 64 PW)

48. Artikel 63 PW dat artikel 445, WIB 92 wijzigt, is van toepassing vanaf aanslagjaar 2017.

49. De andere in deze circulaire besproken artikelen van de PW zijn van toepassing voor rapporteringsperiodes van multinationale groepen of boekjaren die beginnen vanaf 01.01.2016. De koninklijke uitvoeringsbesluiten hebben gelijkaardige bepalingen.

50. Er wordt opgemerkt dat de toelichting bij de formulieren die in het Belgisch Staatsblad is gepubliceerd op 02.12.2016 een aantal verduidelijkingen geeft met betrekking tot de rapporteringsperiodes.

Zo hebben de inlichtingen in het lokaal dossier betrekking op verschillende rapporteringsperiodes naargelang het algemene informatie of informatie van een gedetailleerd inlichtingenformulier betreft. Het eerste (algemene ondernemingsinformatie - A1 t.e.m. A8) en het derde deel (andere documenten - C1) van dit formulier zijn van toepassing voor rapporteringsperiodes van multinationale groepen of boekjaren die beginnen vanaf 01.01.2016 terwijl het tweede deel (gedetailleerd inlichtingenformulier per bedrijfseenheid - B1 t.e.m. B12) pas van toepassing is voor rapporteringsperiodes van multinationale groepen of boekjaren die beginnen vanaf 01.01.2017.

Opmerking: als het boekjaar niet op 31.12.2016 afsluit moet het tweede deel van het formulier pas voor het eerst ingediend worden voor het boekjaar dat aanvangt na 01.01.2017.

Evenzo is het notificatieformulier inzake het landenrapport van toepassing voor de rapporteringsperiodes van multinationale groepen of boekjaren die beginnen vanaf 01.01.2016. De ondernemingen waarvoor de rapporteringsperiode begint vanaf 01.01.2016 moeten dus hun notificatieplicht vervullen uiterlijk einde 2016, maar de administratie heeft een uitzonderlijk en enig uitstel verleend tot 30.09.2017. Het spreekt voor zich dat deze tolerantie niet tot gevolg heeft om de wettelijk voorziene termijn in te korten voor de entiteiten waarvoor de rapporteringsperiode aanvangt vanaf 01.01.2016, maar die eindigt na 30.09.2017.

5. Overgangsmaatregel met betrekking tot de dienst naar dewelke de formulieren moeten worden verstuurd

51. In afwachting van een nog te ontwikkelen digitale toepassing, kunnen de vier formulieren op de volgende wijze worden ingediend:

1. het formulier voor de notificatieplicht inzake het landenrapport, de opgave 275 CBC NOT, dient verstuurd te worden naar het mailadres BEPS13@minfin.fed.be ofwel naar het volgende postadres:

FOD Financiën
Algemene Administratie van de Fiscaliteit
Administratie Grote Ondernemingen
Centrum GO Beheer en Gespecialiseerde Controles
Afdeling Sectorcoördinatie
Kruidtuinlaan 50 bus 3354
1000 Brussel

Het telefoonnummer van de dienst is 0257 919 50.

2. het formulier inzake het landenrapport, de opgave 275 CBC, een formulier in het XML-formaat, zoals bepaald door OESO (19), dient uitsluitend via MyMinfin Pro te worden verstuurd;

(19) De specificaties van dit XML-formaat en de betreffende handleiding kan u vinden op: http://www.oecd.org/tax/country-by-country-reporting-xml-schema-user-guide-for-tax-administrations-and-taxpayers.htm.

3. het formulier inzake het groepsdossier, de opgave 275 MF, dient uitsluitend verstuurd te worden via MyMinfin Pro;

4. het formulier inzake het lokaal dossier, de opgave 275 LF, dient verstuurd te worden naar het mailadres BEPS13@minfin.fed.be en dit binnen de termijn voorzien voor het indienen van de aangifte Ven.B of BNI/Ven. Het indienen van dit formulier op papier is enkel toegestaan voor belastingplichtigen die toestemming van de administratie hebben gekregen om hun aangifte Ven.B of aangifte BNI/Ven op papier in te dienen. Het postadres is vermeld onder 1).

Eens de digitale toepassing operationeel is, zal de administratie hieromtrent communiceren.

Interne ref.: 711.171