Aanschrijving nr. E.T.97.794 dd. 01.03.2001

AANSCHRIJVING ET97794

Aanschrijving nr. E.T.97.794 dd. 01.03.2001


BTW-Revue nr. 150, blz. 63

UITVOER

Inhoudstafel

Inleiding 1-4
Hoofdstuk I : Algemeenheden
Afdeling 1 : Definitie van uitvoer 5-6
Afdeling 2 : Verschillende gebieden van de Gemeenschap 7-8
A : Het douanegebied9-10
B : Het gebied bepaald door artikel 227 van het EG-Verdrag 11-12
C : Het accijnsgebied13
D : Het BTW-gebied14-15
Afdeling 3 : Gevallen waarin er om reden van uitvoer vrijstelling is 16-18
Afdeling 4 : Bedoelde goederen 19-24
Hoofdstuk II : De rechtstreekse uitvoer
Afdeling 1 : Het internationaal handelsverkeer van goederen - Draagwijdte van de regeling 25
Afdeling 2 : Wettelijke bepalingen 26-27
Afdeling 3 : Voorwaarden voor de vrijstelling 28
Voorwaarde nr. 1. De handeling moet betrekking hebben op goederen die in de Gemeenschap in het vrije verkeer zijn29
De douanestatus van communautaire goederen30-34
Regeling inzake het intern communautair douanevervoer en de opschortende fiscale regeling35
Voorwaarde nr. 2. Het moet om een levering met verzending of vervoer van goederen gaan, of om een dienstverrichting bestaande in een werk aan roerende goederen, die in België belast zouden zijn, mochten de goederen niet worden uitgevoerd.36
Levering van goederen en dienstverrichtingen die op grond van de artikelen 15, § 2, tweede lid, 1° of 21, § 3, 2° van het BTW-Wetboek in België plaatsvinden37-44
De levering van goederen en de dienst wordt onder bezwarende titel verricht door een als zodanig handelende belastingplichtige45-50
Voorwaarde nr. 3. De goederen moeten binnen de daartoe voorziene termijn naar een plaats buiten de Gemeenschap worden verzonden of vervoerd door de verkoper, of de dienstverrichter, door de niet in België gevestigde koper of afnemer van de dienst, of voor rekening van één van deze personen51
Uitvoer door de verkoper, door de dienstverrichter of voor hun rekening52-53
Uitvoer door de koper, door de ontvanger van de dienst of voor hun rekening54-56
Bijzondere gevallen
De gezamenlijke uitvoer57
De levering "Franco buitengrens van de Gemeenschap"58
Uitvoertermijn
Andere goederen dan landvoertuigen uitgerust met motor 59-60
Landvoertuigen uitgerust met motor61
Voorwaarde nr. 4. De handeling mag niet uitdrukkelijk van de vrijstelling uitgesloten zijn door artikel 39, § 1, 2° en 3° van het BTW-Wetboek 62
Levering van goederen die de koper zelf vervoert en die bestemd zijn voor de uitrusting of de bevoorrading van pleziervaartuigen, sportvliegtuigen of van elk ander vervoermiddel voor privé-gebruik63-67
De levering van goederen die een reiziger meeneemt in zijn persoonlijk bagage68
Dienstverrichtingen die zijn vrijgesteld op grond van de artikelen 41 en 42 van het BTW-Wetboek69
Werken verricht aan roerende goederen die niet werden verworven of ingevoerd om deze werken te ondergaan70-73
Voorwaarde nr. 5 De persoon die de vrijstelling toepast, moet zijn recht daarop kunnen verantwoorden
Bewijs van de vrijstelling74
De uitvoerder 75-78
Kopiefactuur 79
Ontvangstbewijs 80
Afdeling 4 : Douaneformaliteiten bij uitvoer - Aangifte ten uitvoer
Gevolgen van de instelling van de Europese éénheidsmarkt op de te vervullen uitvoerformaliteiten.81-82
De aangifte ten uitvoer83-86
De verzending van de goederen naar het buitenland - Algemene procedure87-95
Het vervoeren van de goederen naar het buitenland - Bijzondere procedures
Indiening van een aangifte ten uitvoer in een andere Lid-Staat dan die waar de uitvoerder is gevestigd96
Uitvoer van goederen onder dekking van een carnet TIR of onder de regeling communautair douanevervoer97
Uitvoer van accijnsgoederen onder schorsing98
Uitvoer over zee99
Uitvoer per post en postcolli100
Uitvoer van niet-duurzame verpakkingsmiddelen101
Speciale procedures betreffende douaneformaliteiten
Procedure van de mondelinge aangifte bij uitvoer102-103
Procedure van de onvolledige aangifte bij uitvoer104
De vereenvoudigde aangifte bij uitvoer105
Vooraf indienen van de uitvoeraangifte106
Maandelijkse globalisatie van aangiften ten uitvoer (globalisatie bij vertrek)107
Globalisatie bij vervoer via leidingen108
Erkende uitvoerders (domiciliëring bij uitvoer)109
Hoofdstuk III : Uitvoer door reizigers
Afdeling 1 : Het internationaal reizigersverkeer - Draagwijdte van de regeling 110-113
Afdeling 2 : Wettelijke bepalingen 114-115
Afdeling 3 : Voorwaarden voor de vrijstelling 116
Voorwaarde nr. 1. De handeling moet betrekking hebben op goederen die zich in de Gemeenschap in het vrije verkeer bevinden.117-118
Voorwaarde nr. 2. Het moet gaan om een levering van goederen aan een reiziger die niet in de Gemeenschap gevestigd is en die de goederen in het land in bezit neemt. Bovendien moet de levering in België belastbaar zijn indien de goederen niet zouden uitgevoerd worden
Levering van goederen aan een reiziger die de goederen in het land in het bezit neemt en die in België belastbaar zou zijn indien de goederen niet zouden uitgevoerd worden119-121
Levering van goederen aan een niet in de Gemeenschap gevestigde reiziger122-127
Voorwaarde nr. 3. De aankoop mag geen handels- of beroepskarakter hebben128-130
Voorwaarde nr. 4. De globale waarde van de goederen, belasting inbegrepen, moet per factuur hoger zijn dan 5000 BEF131-134
Voorwaarde nr. 5. De goederen moeten in de persoonlijke bagage van de koper buiten de Gemeenschap worden uitgevoerd uiterlijk op het einde van de derde maand volgend op de maand waarin de levering plaatsvond
De goederen moeten door de koper naar een plaats buiten de Gemeenschap worden uitgevoerd in zijn persoonlijke bagage135-137
De goederen moeten buiten de Gemeenschap worden uitgevoerd uiterlijk op het einde van de derde maand volgend op de maand waarin de levering plaatsvond138-140
Voorwaarde nr. 6. De verkoper moet de echtheid van de uitvoer van de goederen aantonen141
Gewone procedure142-151
Bijzondere procedure van de "reizigerscheque"152-154
Tussenkomst van het privaatrechtelijk organisme in de vrijstellingsprocedure155
Toepassingsvoorwaarden van het bijzonder systeem
1 : Aard van de tussenkomst van de NV GLOBAL REFUND BELGIUM 156-157
2 : Tijdstip en plaats van de terugbetaling aan de reizigers 158-160
3 : Gebruik van de reizigerscheque als verantwoordingsstuk voor de vrijstelling161-163
4 : Boekhouding van de verkopers164-165
Analyse op het stuk van de BTW van de diensten verricht door de NV GLOBAL REFUND BELGIUM en haar betaalagenten166
1 : Handelingen verricht door de NV GLOBAL REFUND BELGIUM 167-170
2 : Handelingen gesteld door betaalagenten171
Viseren a posteriori van de documenten172-175
Afdeling 4 : Leveringen van goederen door taksvrije verkooppunten gelegen in een Belgische internationale luchthaven 176-184
Hoofdstuk IV : De onrechtstreekse uitvoer
Afdeling 1 : Bijzondere vrijstellingen verbonden aan het internationaal handelsverkeer van goederen die onder douanetoezicht werden geplaatst - draagwijdte van de regeling 185-187
Afdeling 2 : Wettelijke bepalingen 188-189
Afdeling 3 : Voorwaarden voor de vrijstelling 190
A : Levering of intracommunautaire verwerving van goederen die bestemd zijn om te worden geplaatst daar waar één van de door artikel 23, § 4, 1°, 4°, 5°, 6° of 7° van het BTW-Wetboek beoogde regelingen van toepassing is
Principe 191-193
De tijdelijke opslag 194
De vrije zone en het vrije entrepot 195-196
Het douane-entrepot 197
De actieve veredeling met schorsingssysteem 198-199
De boor- en werkeilanden 200
Grenzen en voorwaarden201-206
B : Opeenvolgende leveringen van goederen die zich op een plaats bevinden waar één van de regelingen bedoeld in artikel 23, § 4, 1°, 4°, 5°, 6° of 7° van het BTW-Wetboek wordt toegepast met handhaving van één van die regelingen
Principe 207
Beperkingen en voorwaarden208-212
C : Diensten bestaande uit werkzaamheden met betrekking tot goederen die het voorwerp uitmaken van een levering met plaatsing onder een regeling als bedoeld in artikel 23, § 4, 1°, 4°, 5°, 6° of 7° van het BTW-Wetboek of die zich onder één van deze regelingen bevinden
Principe 213
Beperkingen en voorwaarden214-224
Afdeling 4 : Formaliteiten
Douaneformaliteiten225-228
BTW formaliteiten229-231
Afdeling 5 : Werking van de regeling 232-236
Afdeling 6 : Bewijs van het recht op vrijstelling 237-239
Bijzonder geval - gezamenlijke onrechtstreekse uitvoer 240-241
Afdeling 7 : Regularisatie bij ontstentenis van uitvoer 242-247
Afdeling 8 : Handelingen verricht door buitenlandse belastingplichtigen - Fiscale vertegenwoordiging 248-253
Hoofdstuk V : De opschorting van de betaling van de BTW
Afdeling 1 : Doel en draagwijdte van de regeling 254-256
Afdeling 2 : Wettelijke bepalingen 257-258
Afdeling 3 : Gevallen en toepassingsvoorwaarden 259
A : Toepassingsgevallen260-265
B : Toepassingsvoorwaarden266
Algemene vergunning267-269
Bijzondere vergunning270-272
Regularisatie bij gebrek aan uitvoer273-276
Wijzigingen of intrekking van de vergunning277
Hoofdstuk VI : Uitvoer door erkende organisaties
Afdeling 1 : Doel en draagwijdte van de regeling 278-280
Afdeling 2 : Wettelijke bepalingen 281-283
Afdeling 3 : Voorwaarden voor de vrijstelling 284-285
Vrijstelling van de BTW die wordt bekomen via een vergunning
Aanvraag en uitreiking van de vergunning286-288
Duur en intrekking van de vergunning289-290
Aankopen van goederen in België - Aansprakelijkheid van de leverancier291-293
Intracommunautaire verwerving van de goederen294-297
Invoer van goederen298-301
Aard van de vrijstelling - Uitvoertermijn302-303
Controle over de vrijstelling304-305
Regularisatie bij ontstentenis van uitvoer306-310
Bewaring van de documenten311
Vrijstelling van de BTW verleend bij wijze van teruggaaf
Recht op teruggaaf312-313
Aanvraag om teruggaaf314-315
Behandeling van de aanvraag om teruggaaf316
Afdeling 4 : Bijzonder geval - Het schenken van goederen aan een erkende organisatie 317-322
Hoofdstuk VII : Bijzondere situaties323
Afdeling 1 : De uitvoer van onttrokken goederen 324-333
Afdeling 2 : Overbrenging en uitvoer 334-340
Afdeling 3 : De intracommunautaire verwerving van goederen gevolgd door de uitvoer ervan 341-345
Verplichtingen van de aansprakelijke vertegenwoordiger 346
Erkenningsprocedure347-350
Periodieke BTW-aangiften351
Bedrag van de zekerheid352
Aftrek van de BTW353
BIJLAGE 1. UITTREKSELS UIT DE ZESDE B.T.W.-RICHTLIJN VAN DE RAAD VAN 17 MEI 1977 (77/388/EEG)
BIJLAGE 2. UITTREKSELS UIT HET BTW-WETBOEK EN DE KONINKLIJKE UITVOERINGSBESLUITEN
BIJLAGE 3. COMMENTAAR BETREFFENDE DE GEBIEDEN MET EEN BIJZONDER STATUUT
BIJLAGE 4. UITVOERAANGIFTE EN AANWIJZIGINGEN BIJ HET INVULLEN VAN DE VERSCHILLENDE VAKKEN VAN DEZE UITVOERAANGIFTE
BIJLAGE 5. LIJST VAN DE COMMUNAUTAIRE LUCHTHAVENS MET EEN INTERNATIONAAL KARAKTER (DOUANELUCHTVAARTTERREINEN)


Aan al de diensten sector Taxatie (sector BTW)

Inleiding

1. Voor internationale handelstransacties geldt op fiscaal vlak het principe dat de belasting en inzonderheid wat de BTW betreft, toekomt aan het land waar de goederen en de diensten met betrekking tot die goederen ook effectief verbruikt worden.

Om deze doelstelling te bereiken heeft de Zesde BTW-Richtlijn van 17 mei 1977 als regel gesteld dat uitvoeren van de belasting dienden ontheven en invoeren aan de belasting dienden onderworpen te worden. Vóór de in werking treding van de interne markt op 1 januari 1993 werden deze handelingen aangemerkt als het buitengaan van een goed uit een Lid-Staat van de Gemeenschap, of als het binnenkomen in een Lid-Staat en dit zowel voor transacties met andere Lid-Staten als voor transacties met derde landen.

In het handelsverkeer tussen de Lid-Staten van de Gemeenschap had het mechanisme van belastingvrijstelling bij uitvoer en de taxatie bij invoer, van toepassing vóór 1993, voornamelijk tot doel de fiscale neutraliteit te waarborgen door de in een Lid-Staat ingevoerde goederen aan een zelfde heffing te onderwerpen als dat het geval was voor de nationale goederen. Dankzij het behoud van het mechanisme inzake aftrek van de belasting geheven van goederen en diensten met betrekking tot deze goederen in het stadium voorafgaand aan de uitvoer, drukt op de vóór het eindgebruik uitgevoerde goederen en diensten geen belasting. De fiscale druk wordt hersteld door de invoer in de Lid-Staat van bestemming te belasten tegen het er op van toepassing zijnde tarief, waardoor de concurrentiële neutraliteit werd gewaarborgd, zelfs zonder harmonisering van de tarieven en de vrijstelling tussen de Lid-Staten.

2. Tot bij het wegvallen van de fiscale binnengrenzen tussen de Lid-Staten bij het totstandkomen van de Europese eenheidsmarkt op 1 januari 1993, werd genoemd systeem niet fundamenteel gewijzigd.

Sedertdien moest de vrijstelling wegens uitvoer beperkt worden tot de handelingen verricht met gebieden die buiten de toepassingssfeer vallen van het gemeenschappelijk BTW-stelsel dat van toepassing is in de Lid-Staten van de Gemeenschap. Ook de heffing bij invoer is sedertdien beperkt tot de goederen die vanuit die gebieden de Gemeenschap binnenkomen.

3. Ingevolge het wegvallen van de douane- of fiscale grenzen binnen de gemeenschap, werden de formaliteiten die bij uitvoer naar die van het gemeenschappelijk BTW-stelsel uitgesloten gebieden moeten worden vervuld, bovendien ingrijpend gewijzigd.

Immers, ten aanzien van communautaire goederen die naar een derde land of een derdelands gebied werden verstuurd, moeten de douane- en fiscale bepalingen het in het kader van de Europese éénheidsmarkt toelaten het principe van het vrije verkeer van goederen binnen de Gemeenschap te verzekeren vermits het overschrijden van een binnengrens geen aanleiding meer kan geven tot enige administratieve formaliteit (afschaffing van de regeling intern communautair douanevervoer, op enkele bijzondere situaties na) terwijl aan de operatoren wel de mogelijkheid moet geboden worden het bewijs te leveren dat de goederen de Gemeenschap hebben verlaten zodat ze de vrijstelling kunnen verantwoorden waarvan ze genieten bij uitvoer vanuit de Lid-Staat waarin de levering plaatsvindt, zelfs wanneer de goederen de Gemeenschap verlaten via een andere Lid-Staat dan die waarin de levering werd verricht.

4. Onderhavige aanschrijving heeft tot doel de nationale bepalingen inzake uitvoer van goederen sinds de totstandkoming van de Europese eenheidsmarkt te becommentariëren en, in voorkomend geval, de beperkingen en de toepassingsvoorwaarden ervan te bepalen. Deze zijn terug te vinden in de artikelen 39, 40, § 1, 1°, a) en 42, § 3, eerste lid, 8° van het BTW-Wetboek. Ze zijn de omzetting in nationaal recht van de artikelen 14, punt 1, a), 15, punten 1, 2, 3 en 12, 16, punten 1, letters B, C en D en 1bis en 28quater, letter B van de Zesde BTW-Richtlijn.

Wat de materies inzake uitvoer betreft die na 31 december 1992 van toepassing zijn gebleven, vervangt deze aanschrijving de aanschrijving nr. 17 van 15 december 1987 die wordt opgeheven.

Hoofdstuk 1 definiëert het algemeen kader waarbinnen de vrijstellingen wegens uitvoer toepassing vinden (definitie van de uitvoer, territoriale draagwijdte, gevallen waarin er vrijstelling is, de bedoelde goederen, ...).

Hoofdstuk 2 behandelt de zogenaamde rechtstreekse uitvoer.

Hoofdstuk 3 heeft het over de uitvoer door reizigers van goederen die ze in hun persoonlijke bagage meevoeren.

Hoofdstuk 4 onderzoekt de rechtstreekse uitvoer. Het betreft de gevallen waarbij goederen, in afwachting van hun later uitvoer, in België worden geleverd op plaatsen waar bepaalde douaneregelingen van toepassing zijn.

Hoofdstuk 5 bepaalt de gevallen en de stelt de voorwaarden vast waaronder de opschorting van betaling van de BTW van toepassing is ten aanzien van de belasting die opeisbaar is geworden vóór de effectieve uitvoer van de goederen en van de diensten met betrekking tot die goederen.

Hoofdstuk 6 bepaalt de grenzen en de voorwaarden voor de toepassing van de vrijstelling waarvan bepaalde erkende organismen genieten voor de aankoop van goederen die ze in het kader van hun menslievend, liefdadig of opvoedkundig werk uitvoeren.

Hoofdstuk 7 behandelt de regels die van toepassing zijn in enkele bijzondere situaties zoals de de omtrekking van goederen die bestemd zijn om te worden uitgevoerd, de intracommunautaire overbrenging van uit te voeren goederen, alsmede de intracommunautaire verwerving van goederen gevolgd door hun uitvoer.

Bijlage 1 van deze aanschrijving herneemt de tekst van de artikelen van de Zesde BTW-Richtlijn met betrekking tot becommentarieerde stof.

Bijlage 2 bevat de tekst van de artikelen van het BTW-Wetboek en van de uitvoeringsbesluiten in verband met de uitvoer van goederen en diensten.

Bijlage 3 geeft een beknopte commentaar over de gebieden met een "bijzonder statuut", met name die gebieden die tot het douane-, accijns- of BTW-gebied behoren, of tot meerdere ervan, evenwel zonder dat ze tegelijk tot alle drie de gebieden behoren.

Bijlage 4 geeft een specimen weer van een aangifte ten uitvoer zoals die overeenkomstig de douanereglementering moet neergelegd worden, evenals een bondige omschrijving van de vermeldingen die in de diverse vakken van die aangifte moeten aangebracht worden.

Bijlage 5 bevat de lijst van de douaneluchtvaartterreinen van de verschillende Lid-staten van de Gemeenschap, d.w.z. de openbare luchthavens die door de bevoegde overheden erkend zin voor het vliegverkeer met derde landen.

Bijlage 6 geeft een specimen weer van de reizigerscheque die gebruikt wordt in het internationaal reizigersverkeer.

Er wordt naar deze bijlagen verwezen naargelang de uiteenzetting van de materie in onderhavige aanschrijving.



Hoofdstuk I: Algemeenheden

Afdeling 1: Definitie van uitvoer

5. In tegenstelling tot het begrip "invoer", dat duidelijk wordt gedefinieerd in artikel 7 van de Zesde BTW-Richtlijn en in artikel 23 van het BTW-Wetboek, is in de communautaire of de nationale bepalingen nergens een definitie terug te vinden van het begrip "uitvoer".

Dit komt doordat de invoer één van de vier belastbare feiten inzake BTW is (met name de levering van goederen, de dienstverrichtingen, de intracommunautaire verwerving van goederen en de invoer van goederen), terwijl de uitvoer op zich slechts een materieel feit is dat, wanneer het zich voordoet, toelaat om onder bepaalde voorwaarden een levering van goederen, een dienstverrichting, een intracommunautaire verwerving van goederen en een invoer van goederen vrij te stellen (z. nr. 16).

6. Bij ontstentenis van een definitie, kan uit de bepalingen van artikel 15 van de Zesde BTW-Richtlijn en uit artikel 39, § 1 van het BTW-Wetboek evenwel ondubbelzinnig afgeleid worden dat sinds de instelling van de Europese Eenheidsmarkt op 1 januari 1993, het begrip "uitvoer" voor de toepassing van de BTW betrekking heeft op de verzending of het vervoer van een goed naar een plaats buiten het grondgebied van de Gemeenschap, binnen hetwelk de gemeenschappelijke BTW-regeling van toepassing is.



WAT WORDT INZAKE BTW VERSTAAN ONDER HET BEGRIP UITVOER?

Uitvoer = het verzenden of vervoeren van een goed buiten het BTW-gebied van de Gemeenschap


Afdeling 2:Verschillende gebieden van de Gemeenschap

7. Het grondgebied van de Gemeenschap waar de gemeenschappelijke BTW-regeling van toepassing is, valt niet volledig samen met het douanegebied van de Gemeenschap noch met het accijnsgebied van de Gemeenschap. Deze twee laatste gebieden vallen evenmin samen.

Deze situatie vloeit voort uit het feit dat de gebieden waar de BTW en de communautaire accijnsrechten moeten worden toegepast, worden gedefinieerd in het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, meer bepaald in artikel 227 van het Verdrag waarin bepaalde gebieden of landen worden toegevoegd of weggelaten. Het douanegebied daarentegen wordt gedefinieerd in het Communautair Douanewetboek, zonder enige verwijzing naar artikel 227 van het hiervoor genoemde EG-Verdrag.

8. Meer algemeen kan men stellen dat het douanegebied uitgebreider is dan het accijns- en BTW-gebied.

Welnu, goederen zijn in principe nog enkel bij het binnenkomen van of buitengaan uit het douanegebied van de Gemeenschap aan douanecontroles en -formaliteiten onderworpen.

Niettemin, goederen afkomstig uit of bestemd voor delen van het douanegebied die niet tot het BTW-gebied of accijnsgebied behoren, blijven nochtans bij hun binnenkomst in het BTW-gebied of accijnsgebied of bij hun verzending uit één van deze twee gebieden ten behoeve van de BTW ( Toepassing van artikel 33bis van de Zesde BTW-Richtlijn dat werd ingevoegd door artikel 1, punt 24 van de Richtlijn 91/680/EEG) - en de accijnsregeling onderworpen aan douaneformaliteiten.

Voorbeeld: De Canarische Eilanden behoren niet tot het BTW- en het accijnsgebied, maar wel tot het douanegebied. Bij het verzenden van accijnsgoederen naar deze eilanden, moeten wat de accijns en de BTW betreft de douaneformaliteiten (o.m. de overlegging van een enig document) worden vervuld.

Aangezien de uit te voeren controles en de te vervullen douaneformaliteiten voor louter BTW- en accijnsdoeleinden niet dezelfde zijn als de controles en formaliteiten voorzien voor de uitvoer van goederen uit het douanegebied van de Gemeenschap, dienen de verschillende gebieden van de Gemeenschap duidelijk onderscheiden te worden.

A. Het douanegebied

9. Artikel 3 van het Communautair Douanewetboek bepaalt dat het douanegebied van de Gemeenschap omvat:
-het grondgebied van het Koninkrijk België;
-het grondgebied van het Koninkrijk Denemarken, met uitzondering van de Faeroër en Groenland;
-het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland, met uitzondering van enerzijds het eiland Helgoland en anderzijds het grondgebied van Büsingen (Verdrag van 23 november 1964 tussen de Bondsrepubliek Duitsland en de Zwitserse Bondsstaat);
-het grondgebied van het Koninkrijk Spanje, met uitzondering van Ceuta en Melilla ( De Canarische eilanden worden beschouwd als deel uitmakende van het douanegebied. Krachtens artikel 1 van Verordening (EEG) nr. 1911/91 van 26 juni 1991 (P.B. nr. L 171 van 29 juni 1991) zijn de bepalingen van de Verdragen en van de besluiten van de Instellingen van de Europese Gemeenschappen onder de in deze verordening bedoelde voorwaarden van toepassing op de Canarische Eilanden);
-het grondgebied van de Franse Republiek (met inbegrip van de Overzeese Departementen: Guyana, Guadeloupe, Martinique en Réunion), met uitzondering van de overzeese gebieden, van St. Pierre en Miquelon en van Mayotte;
-het grondgebied van de Helleense Republiek (met inbegrip van de Berg Athos);
-het grondgebied van Ierland;
-het grondgebied van de Italiaanse Republiek, met uitzondering van de gemeenten Livigno en Campione d'Italia, alsmede van de nationale wateren van het Meer van Lugano vanaf de oever tot aan de politieke grens van de zone tussen Ponte Tresa en Porto Ceresio;
-het grondgebied van het Groothertogdom Luxemburg;
-het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden in Europa;
-het grondgebied van de Republiek Oostenrijk;
-het grondgebied van de Portugese Republiek (met inbegrip van de Azoren en Madeira);
-het grondgebied van de Republiek Finland (met inbegrip van de Åland-Eilanden);
-het grondgebied van het Koninkrijk Zweden;
-het grondgebied van het Verenigd-Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (met uitzondering van Gibraltar en de overzeese gebieden), alsmede de Kanaaleilanden en het eiland Man.


10. Ofschoon het buiten het grondgebied van de Franse Republiek is gelegen, wordt het grondgebied van het Vorstendom Monaco zoals het is omschreven in de te Parijs op 18 mei 1963 ondertekende Douaneovereenkomst (Journal officiel de la République française van 27 september 1963, blz. 8679) beschouwd als ook deel uitmakend van het douanegebied van de Gemeenschap.

B. Het gebied bepaald door artikel 227 van het EG-Verdrag

11. Artikel 227 van het EG-Verdrag bepaalt de territoriale toepassingssfeer van het verdrag dat de Europese Economische Gemeenschap opricht.

Vermits de toepassingsgebieden van de BTW en van de communautaire accijnsrechten samenvallen met de toepassingssfeer van het EG-Verdrag, wordt eerst de draagwijdte van voornoemd artikel 227 omschreven om het BTW- en accijnsgebied af te bakenen.

12. De territoriale toepassingssfeer van het EG-Verdrag zoals bepaald in artikel 227 omvat momenteel:

-het Koninkrijk België;
-het Koninkrijk Denemarken, met uitzondering van de eilanden Faeroër en Groenland;
-de Bondsrepubliek Duitsland;
-de Helleense Republiek;
-het Koninkrijk Spanje;
-de Franse Republiek, met uitzondering van de overzeese gebieden en van Mayotte en van St. Pierre en Miquelon;
-Ierland;
-de Italiaanse Republiek;
-het Groothertogdom Luxemburg;
-het Koninkrijk der Nederlanden, met uitzondering van de overzeese gebieden;
-de Republiek Oostenrijk;
-de Portugese Republiek;
-de Republiek Finland;
-het Koninkrijk Zweden;
-het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, met uitzondering van de overzeese gebieden.


C. Het accijnsgebied

13. Artikel 4, § 1 van de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben ervan, het verkeer daarvan en de controles daarop, bepaalt dat in de op grond ervan genomen uitvoeringsbesluiten, onder grondgebied van de Gemeenschap wordt verstaan: het grondgebied van de Gemeenschap zoals het voor iedere Lid-Staat is omschreven in het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid in artikel 227 (artikel 227, § 5 van het EG-Verdrag, gewijzigd door de Toetredingsakte, alsook het hier bijgevoegde protocol nr. 2, sluiten de Anglo-Normandische en de Åland-Eilanden uit van het accijnsgebied. Alhoewel het toepassingsgebied van de richtlijnen inzake accijnzen gebonden is aan artikel 227 van het EG-Verdrag, zijn de bepalingen van deze richtlijnen niet van toepassing op Gibraltar), met uitzondering van de volgende nationale grondgebieden:
-voor de Bondsrepubliek Duitsland: het eiland Helgoland en het grondgebied van Büsingen;
-voor de Italiaanse Republiek: Livigno, Campione d'Italia en de Italiaanse wateren van het meer van Lugano;
-voor het Koninkrijk Spanje: de Canarische eilanden, Ceuta en Melilla;
-voor de Franse Republiek: de overzeese departementen;
Transacties van herkomst uit of ter bestemming van:
-het Vorstendom Monaco worden behandeld als transacties herkomstig uit of ter bestemming van de Franse Republiek;
-het eiland Man worden behandeld als transacties herkomstig uit of ter bestemming van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland;
-San Marino worden behandeld als transacties herkomstig uit of ter bestemming van de Italiaanse Republiek.


D. Het BTW-gebied

14. Artikel 1, § § 2 tot 4 van het BTW-Wetboek omschrijft het BTW-gebied van de Gemeenschap als zijnde het geheel van het binnenland van de Lid-Staten zoals bepaald door artikel 227 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, met uitsluiting van de volgende nationale grondgebieden van enkele van deze Lid-Staten:
-Bondsrepubliek Duitsland:
het eiland Helgoland;
het grondgebied van Büsingen;
-Koninkrijk Spanje:
Ceuta;
Melilla;
de Canarische eilanden;
-Italiaanse Republiek:
Livigno;
Campione d'Italia;
de nationale wateren van het meer van Lugano;
-Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland:
Gibraltar;
de Anglo-Normandische eilanden;
-Franse Republiek:
de overzeese departementen;
-Helleense Republiek:
de Berg Athos;
-Republiek Finland:
de Åland-Eilanden.
Bovendien bepaalt artikel 1, § 5 van het BTW-Wetboek dat voor de toepassing van de BTW het Vorstendom Monaco geacht wordt deel uit maken van het nationale grondgebied van de Franse Republiek en het eiland Man van het Verenigd-Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland.

15.



EEN VERGELIJKEND OVERZICHT VAN DE UITGESTREKTHEDEN VAN DE DOUANE-, ACCIJNS- EN BTW-GEBIEDEN VAN DE GEMEENSCHAP


Lid-StatenMet inbegrip vanMet uitzondering van
Douanegebied1. België--
2. Denemarken-a) Faeröereilanden
b) Groenland
3. Duitsland-a) Helgoland
b) Büsingen
4. SpanjeCanarische Eilandena) Ceuta
b) Melilla
5. GriekenlandBerg Athos-
6. Frankrijka) Overzeese Departementen
b) Monaco
a) Overzeese Gebieden
b) Saint-Pierre en Miquelon
c) Mayotte
7. Ierland--
8. Italië-a) Livigno
b) Campione d'Italia
c) Nationale wateren van het Meer van Lugano
d) San Marino
9. Luxemburg--
10. Nederlandenkel Europa-
11. Portugala) de Azoren
b) Madeira
-
12. Groot-Brittannië + Noord-Ierlanda) Anglo-Normandische Eilanden
b) Eiland Man
a) Gibraltar
b) Overzeese Gebieden
13. FinlandÅland-Eilanden-
14. Oostenrijk--
15. Zweden--



Accijnsgebied= Douanegebied met inbegrip van San Marino maar met uitzondering van : - Berg Athos
- Overzeese Departementen
- Canarische Eilanden
- Anglo-Normandische Eilanden
- Åland-Eilanden



BTW-Gebied= Douanegebied met uitzondering van : - Berg Athos
- Overzeese Departementen
- Canarische Eilanden
- Anglo-Normandische Eilanden
- Åland-Eilanden

OF

= Accijnsgebied met uitzondering van :

- San Marino



Bijlage 3 bevat een bondige commentaar over de gebieden met een "bijzonder statuut" waarvan sprake in de vergelijkingstabel hiervoor, met name de gebieden die behoren tot het douane-, accijns- of BTW-gebied, maar niet tot alle drie de gebieden tegelijkertijd.

Afdeling 3:Gevallen waarin er om reden van uitvoer vrijstelling is

16. De artikelen 39 en 42 van het BTW-Wetboek stellen vrijstellingen in voor bepaalde handelingen die verband houden met de uitvoer of met een ermee gelijkgestelde bestemming.

Zijn aldus van de BTW vrijgesteld om reden van uitvoer:
-op grond van artikel 39, § 1, 1° tot 3° van het BTW-Wetboek, de leveringen van goederen en de diensten, bestaande uit werkzaamheden met betrekking tot goederen die naar een plaats buiten de Gemeenschap worden verzonden of vervoerd hetzij door de verkoper of de dienstverrichter, hetzij door de niet in België gevestigde koper of ontvanger van de dienst, dan wel voor hun rekening;
-op grond van artikel 39, § 1, 4° van het BTW-Wetboek, de leveringen van goederen aan een niet in de Gemeenschap gevestigde reiziger, die deze goederen in België in bezit neemt en ze in zijn persoonlijke bagage uitvoert naar een plaats buiten de Gemeenschap;
-op grond van artikel 39, § 2 van het BTW-Wetboek, de leveringen en de intracommunautaire verwervingen van goederen alsmede de dienst-verrichtingen met betrekking tot deze goederen die in België onder bepaalde douaneregelingen worden geplaatst, met het oog op hun later uitvoer, de levering van goederen met handhaving van één van deze regelingen en de diensten bestaande uit werkzaamheden met betrekking tot goederen die zich reeds onder één van genoemde regelingen bevinden;
-op grond van artikel 42, § 3, eerste lid, 8° van het BTW-Wetboek, de leveringen van goederen aan erkende organisaties die ze in het kader van hun menslievend, liefdadig of opvoedkundig werk naar een plaats buiten de Gemeenschap uitvoeren. Door toepassing van artikel 40, § 1, 1°, a) van het BTW-Wetboek geldt deze vrijstelling eveneens ten aanzien van de invoer en de intracommunautaire verwerving van goederen bestemd voor hetzelfde gebruik door deze organisaties.


17. Het is dus mogelijk om de vrijgestelde uitvoeren in vier categorieën in te delen in functie van hun eigen specificaties. Het is op basis van deze indeling dat deze aanschrijving is uitgewerkt.

DE VRIJGESTELDE UITVOEREN WORDEN IN VIER CATEGORIEEN OPGEDEELD:
- de zogenaamde rechtstreekse uitvoer bedoeld in artikel 39, § 1, 1° tot 3° van het BTW-Wetboek.
- de uitvoer door reizigers bedoeld in artikel 39, § 1, 4° van het BTW-Wetboek.
- de onrechtstreekse uitvoer bedoeld in artikel 39, § 2 van het BTW-Wetboek.
- de uitvoer door erkende organisaties bedoeld in artikel 42, § 3, eerste lid, 8° van het BTW-Wetboek, en bij uitbreiding, in artikel 40, § 1, 1°, a) van het BTW-Wetboek.


18. Er weze nog opgemerkt dat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, in zijn arrest van 2 augustus 1993 in de zaak C-111/92 W. Lange, voor recht heeft verklaard dat artikel 15, punt 1 van de Zesde BTW-Richtlijn (omgezet in Belgisch recht door artikel 39, § 1, 1° tot 3° van het BTW-Wetboek) moet geïnterpreteerd worden in die zin dat de vrijstelling wegens uitvoer niet mag worden geweigerd voor handelingen die worden verricht in strijd met de nationale bepalingen die ertoe strekken de uitvoer naar bepaalde Staten afhankelijk te maken van een voorafgaande vergunning, en waarvoor in geen enkele Lid-Staat van de Gemeenschap een uitvoervergunning kan worden uitgereikt als gevolg van een nationaal embargo.

Voornoemd artikel 15, punt 1 bevat in feite, conform aan het fiscale neutraliteitsprincipe waarop de Zesde BTW-Richtlijn is gebaseerd, geen enkel onderscheid tussen de legale en niet-legale uitvoeren. Hieruit volgt dat, wanneer deze laatste betrekking hebben op goederen waarop de Zesde BTW-Richtlijn van toepassing is, zij moeten worden behandeld op dezelfde wijze als de legale uitvoeren van goederen.

Afdeling 4:Bedoelde goederen

19. De vrijstellingen inzake uitvoer voorzien in de artikelen 39 en 42, § 3, eerste lid, 8° van het BTW-Wetboek kunnen enkel toegepast worden op handelingen met betrekking tot goederen die in België aan de BTW zouden onderworpen zijn indien de goederen niet zouden worden uitgevoerd. Aangezien een uitvoer steeds een vervoer of een verzending van goederen naar een plaats buiten de Gemeenschap impliceert, moeten de goederen bovendien verplaatsbaar zijn.

De vrijstellingen wegens uitvoer zijn dus uitsluitend voorbehouden aan lichamelijke roerende goederen in de zin van artikel 9 van het BTW-Wetboek, daaronder begrepen elektriciteit, gas, warmte en koude, ongeacht of deze vloeistoffen over zee, via pijpleidingen, elektrische leidingen of anderszins buiten de Gemeenschap worden verzonden of vervoerd.

Deze lichamelijke roerende goederen mogen evenmin onder een bijzondere vrijstellingsregeling vallen die primeert op de vrijstellingen inzake uitvoer. Dat is bijvoorbeeld het geval voor niet afgestempelde postzegels die in België een wettelijke waarde hebben en die tegen de nominale waarde verkocht worden en waarvan de levering reeds is vrijgesteld op grond van artikel 44, § 3, 12° van het BTW-Wetboek, of nog voor beleggingsgoud zoals gedefinieerd in artikel 1, § 8 van het BTW-Wetboek, waarvan de levering reeds is vrijgesteld op grond van artikel 44bis van het BTW-Wetboek.

20. Artikel 9 van het BTW-Wetboek sluit effecten aan toonder uit van het toepassingsgebied van de BTW. Zij worden voor BTW-doeleinden niet beschouwd als lichamelijke goederen. Daartoe moeten de effecten voorzien zijn van de vermeldingen bedoeld in de artikelen 44, 89 of 199 van de samengestelde wetten op de handelsvennootschappen (handtekening, volgnummer, ...). Bovendien moeten zij daadwerkelijk een beleggingswaarde hebben, wat dus vereist dat de effecten, in de vorm die zij op het ogenblik van de handeling hebben, hun houder de mogelijkheid bieden om de eraan verbonden rechten uit te oefenen. Dit is niet het geval zolang zij niet de vereiste handtekeningen dragen, nog niet werden uitgegeven of wanneer zij het voorwerp uitmaken van een levering of een andere handeling door de drukker die ze heeft moeten drukken.

21. Worden evenmin beschouwd als lichamelijke goederen:
-geld en geldstukken die deviezen vormen en die in hun land van herkomst tot beloop van hun nominale waarde een betaalmiddel zijn voor goederen en diensten. Goud-, of zilverstukken of andere edele metalen, die geen betaalmiddel zijn, maar die ter beurze zijn genoteerd of worden verhandeld, niet op basis van hun nominale waarde, maar wegens de prijsschommelingen van de metaalsoort, zijn daarentegen geen geldstukken, ook als zij in hun land van uitgifte theoretisch een wettelijke koers behouden.
-schuldvorderingen, rentebewijzen, aandelen of obligaties van een vennootschap, bankbiljetten, ...


22. Bovendien worden bepaalde goederen voor de toepassing van de BTW niet voor hun volledige waarde als lichamelijke goederen aangemerkt, inzonderheid omdat een deel van hun waarde betrekking heeft ofwel op een gebruiksrecht, ofwel op een prestatie van intellectuele aard.

Voorbeelden van dergelijke goederen zijn industriële plannen en tekeningen, geladen magnetische kaarten en autowegvignetten.

Software voor specifiek gebruik is een ander typisch voorbeeld. In tegenstelling tot software voor standaardgebruik dat een product is dat in serie wordt vervaardigd en dat door alle klanten vrij kan worden aangeschaft en, na installatie en een beperkte opleiding, door hen zelfstandig kan worden gebruikt in een standaardvorm voor dezelfde toepassingen of functies, is software voor specifiek gebruik datgene wat wordt ontwikkeld of aangepast op maat van de specifieke behoeften van de klant overeenkomstig de door hem gegeven richtlijnen.

Voor de toepassing van de BTW wordt de verkoop van software voor standaardgebruik, in principe, beschouwd als de levering van een goed zoals bedoeld in artikel 10 van het BTW-Wetboek. De levering van deze software kan dus plaats hebben met vrijstelling van de BTW om reden van uitvoer krachtens de artikelen 39, § 1, 1°, 2° en 4° of 42, § 3, eerste lid, 8° van het BTW-Wetboek (z. nr. 16).

Anderzijds en niettegenstaande het materiële gedeelte van software voor specifiek gebruik (de drager) een lichamelijk goed is, toch wordt de levering van de gegevens of de instructies die die software bevat, beschouwd als een dienst bestaande uit een intellectueel werk die in België is belast overeenkomstig de criteria inzake de plaatsbepaling bedoeld in artikel 21 van het BTW-Wetboek.

In het geval van uitvoer van software voor specifiek gebruik kunnen de bepalingen inzake vrijstelling zoals voorzien in de artikelen 39 en 42, § 3, eerste lid, 8° slechts worden toegepast met betrekking tot de drager van de software. Immers, enerzijds kan de vrijstelling om reden van uitvoer voor diensten zoals voorzien in artikel 39, § 1, 3° van het BTW-Wetboek niet worden toegepast ten aanzien van het verschaffen van gegevens omdat de creatie van software voor specifiek gebruik niet bestaat uit een materieel werk met betrekking tot een roerend goed (z. nr. 16), maar uit een intellectueel werk in de zin van artikel 21, § 3, 7°, d) van het BTW-Wetboek, en anderzijds voorziet artikel 42, § 3, eerste lid, 8° van het BTW-Wetboek niet in een vrijstelling voor dienstverrichtingen (z. nr. 16).

23. Wat de tabaksfabrikaten betreft, is op grond, van artikel 58, § 1 van het BTW-Wetboek, zowel de opeisbaarheid als de vrijstelling van de BTW gekoppeld aan de regeling voor de communautaire accijnsrechten.

De reglementering met betrekking tot de artikelen 39 en 42, § 3, eerste lid, 8° van het BTW-Wetboek is dus niet van toepassing op de uitvoer van tabaksfabrikaten.

24. Ten aanzien van gebruikte goederen, kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten zoals bedoeld in artikel 58, § 4 van het BTW-Wetboek, die werden aangekocht door een belastingplichtige-wederverkoper die de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge kan toepassen op de levering van deze goederen voor zover de daarbij gestelde voorwaarden en modaliteiten zijn vervuld en de goederen naar een plaats buiten de Gemeenschap worden uitgevoerd door de belastingplichtige-wederverkoper of door zijn niet in België gevestigde koper of voor hun rekening, kunnen twee mogelijkheden worden onderscheiden:
-ofwel past de belastingplichtige wederverkoper de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge toe en verkoopt hij de goederen dus BTW inbegrepen. In dat geval moet hij de uitvoer van de goederen niet aantonen;
-ofwel past de belastingplichtige wederverkoper overeenkomstig artikel 58, § 4, 7° van het BTW-Wetboek, de normale regeling van belastingheffing toe en verkoopt hij de goederen zonder BTW.
Indien de belastingplichtige wederverkoper zijn recht op de vrijstelling om reden van uitvoer van gebruikte goederen, kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten niet kan aantonen, is hij vanzelfsprekend schuldenaar van de BTW die opeisbaar is ten aanzien van de levering van deze goederen, en die wordt berekend over de totaliteit van de verkoopprijs. Hij kan in deze veronderstelling niet meer terugkomen op de regeling van belastingheffing over de winstmarge.



WELKE GOEDEREN KOMEN IN AANMERKING VOOR DE VRIJSTELLING OM REDEN VAN UITVOER? De lichamelijke roerende goederen bedoeld in artikel 9 van het BTW-Wetboek, met uitzondering van de tabaksfabrikaten en van de goederen waarvoor reeds een bijzondere vrijstellingsregeling geldt.


Hoofdstuk II:De rechtstreekse uitvoer

Afdeling 1:Het internationaal handelsverkeer van goederen - Draagwijdte van de regeling

25. Sedert de totstandkoming op 1 januari 1993 van de Europese interne markt, zijn de fiscale grenzen tussen de Lid-Staten van de Gemeenschap verdwenen en werden de fiscale controles aan die grenzen afgeschaft. Het begrip uitvoer en de eraan verbonden vrijstellingen hebben sindsdien nog enkel betrekking op het internationaal goederenverkeer met derde landen.

Onderhavig hoofdstuk behandelt uitvoerig de handelingen bedoeld in artikel 39, § 1, 1° tot 3° van het BTW-Wetboek.

Genoemde bepalingen stellen vrij van de belasting, de internationale handelstransacties (leveringen van goederen en diensten) waarvoor de schuldenaar van de belasting die normaal verschuldigd is (de verkoper of de dienstverrichter) rechtstreeks betrokken is bij de uitvoer van de geleverde goederen of van de goederen waaraan diensten werden verricht, hetzij omdat hij de goederen zelf uitvoert ter bestemming van zijn klant, hetzij omdat hij het vervoer of de verzending van de goederen tot op een plaats buiten de Gemeenschap overeenkomstig de voorwaarden van het contract, overlaat aan die klant. Daarom worden deze transacties als "rechtstreekse uitvoeren" aangemerkt.

Dergelijke handelingen onderscheiden zich duidelijk van andere wegens uitvoer vrijgestelde handelingen (z. nr. 16 en 17) waarbij de verkoper of de dienstverrichter niet rechtstreeks deelneemt aan het vervoer van de goederen naar een plaats buiten de Gemeenschap zodat hij geen controle heeft op de naleving van deze voorwaarde voor de vrijstelling, en er dan ook niet aansprakelijk voor kan worden gesteld. Dat is het geval voor de levering van goederen aan een reiziger (artikel 39, § 1, 4° van het BTW-Wetboek), voor de levering van goederen en voor diensten verricht aan goederen die in België onder bepaalde douaneregelingen worden geplaatst met het oog op hun latere uitvoer (artikel 39, § 2 van het BTW-Wetboek), alsmede voor de levering van goederen aan erkende organisaties die deze goederen voor uitvoer bestemmen in het kader van hun menslievend, liefdadig of opvoedkundig werk (artikel 42, § 3, eerste lid, 8° van het BTW-Wetboek).

Rechtstreekse uitvoer houdt niet in dat de goederen de Gemeenschap moeten verlaten via een Belgische grens. Het uitgaan van de goederen uit de Gemeenschap mag ook via een andere Lid-Staat gebeuren.

Voorbeeld: Een Belgisch handelaar verkoopt goederen aan een Braziliaanse klant. De goederen kunnen rechtstreeks vanuit België, bijvoorbeeld met het vliegtuig van de luchthaven te Zaventem, uitgevoerd worden. Ze kunnen ook over de weg tot in Marseille vervoerd worden om van daaruit verscheept te worden richting Brazilië.

In dit hoofdstuk wordt vanzelfsprekend enkel de "Belgische" uitvoeren behandeld, d.w.z. deze die het gevolg zijn van een levering of een dienst die in België plaatsvindt, en dit ongeacht de Lid-Staat waarlangs de goederen de Gemeenschap verlaten.

Afdeling 2:Wettelijke bepalingen

26. Artikel 39, § 1 van het BTW-Wetboek (a rtikel 39, § 1, 1° tot 3° van het BTW-Wetboek is de omzetting in Belgisch recht van artikel 15, punten 1, 2, eerste lid en 3 van de Zesde BTW-Richtlijn) bepaalt dat:

"§ 1. VAN DE BELASTING ZIJN VRIJGESTELD:
DE LEVERINGEN VAN GOEDEREN DIE DOOR OF VOOR REKENING VAN DE VERKOPER WORDEN VERZONDEN OF VERVOERD NAAR EEN PLAATS BUITEN DE GEMEENSCHAP;
DE LEVERINGEN VAN GOEDEREN DIE DOOR OF VOOR REKENING VAN EEN NIET IN BELGIE GEVESTIGDE KOPER WORDEN VERZONDEN OF VERVOERD NAAR EEN PLAATS BUITEN DE GEMEENSCHAP, MET UITZONDERING VAN DE DOOR DE KOPER ZELF VERVOERDE GOEDEREN BESTEMD VOOR DE UITRUSTING OF DE BEVOORRADING VAN PLEZIERVAARTUIGEN EN SPORTVLIEGTUIGEN OF VAN ANDERE VERVOERMIDDELEN VOOR PRIVÉ-GEBRUIK, EN VAN DE DOOR EEN REIZIGER IN ZIJN PERSOONLIJKE BAGAGE MEEGENOMEN GOEDEREN;
DE DIENSTEN, ANDERE DAN DIE WELKE ZIJN VRIJGESTELD BIJ TOEPASSING VAN DE ARTIKELEN 41 EN 42, BESTAANDE UIT WERKZAAMHEDEN MET BETREKKING TOT ROERENDE GOEDEREN DIE ZIJN VERWORVEN OF INGEVOERD TENEINDE DEZE WERKZAAMHEDEN TE ONDERGAAN EN DIE NAAR EEN PLAATS BUITEN DE GEMEENSCHAP WORDEN VERZONDEN OF VERVOERD DOOR DE DIENSTVERRICHTER OF DE NIET IN BELGIË GEVESTIGDE ONTVANGER VAN DE DIENST DAN WEL VOOR HUN REKENING;
..."
27. Bovendien bepaalt artikel 39, § 3 van het BTW-Wetboek:

"§ 3.DE KONING BEPAALT DE VOORWAARDEN DIE VOOR HET VERKRIJGEN VAN DE IN DE § § 1 EN 2 BEDOELDE VRIJSTELLINGEN MOETEN WORDEN NAGELEEFD...".

Zo is de vrijstelling van artikel 39, § 1, 1° tot 3° van het BTW-Wetboek ondergeschikt aan de naleving van de voorwaarden, het vervullen van de formaliteiten en de voorlegging van de verantwoordingsstukken bedoeld in de artikelen 2 tot 7 van het koninklijk besluit nr. 18 van 29 december 1992 (z. bijlage 2).

Afdeling 3:Voorwaarden voor de vrijstelling

28. Uit de wettelijke bepalingen vernoemd in de nrs. 26 en 27 alsook uit de algemene economie van het BTW-Wetboek volgt dat vijf voorwaarden vervuld moeten zijn om een handeling wegens uitvoer te kunnen vrijstellen op grond van artikel 39, § 1, 1° tot 3° van het BTW-Wetboek:

WELKE ZIJN DE VIJF VOORWAARDEN DIE VERVULD MOETEN ZIJN OM EEN HANDELING VRIJ TE STELLEN WEGENS RECHTSTREEKSE UITVOER?
1. de handeling moet betrekking hebben op goederen die in de Gemeenschap in het vrije verkeer zijn;
2. het moet gaan ofwel om een levering met verzending of vervoer van goederen, ofwel om een dienstverrichting bestaande uit een werk met betrekking tot roerende goederen dat in België belast zou worden, indien de goederen niet zouden uitgevoerd worden;
3. de goederen moeten binnen de daartoe voorziene termijn door de verkoper of de dienstverrichter, door de niet in België gevestigde koper of de ontvanger van de dienst, of voor rekening van één van deze personen naar een plaats buiten de Gemeenschap worden verzonden of vervoerd;
4. het mag geen handeling zijn die door artikel 39, § 1, 2° en 3° van het BTW-Wetboek uitdrukkelijk van de vrijstelling wordt uitgesloten;
5. de persoon die de vrijstelling toepast, moet zijn recht daarop kunnen verantwoorden.


Voorwaarde nr. 1. De handeling moet betrekking hebben op goederen die in de Gemeenschap in het vrije verkeer zijn

29. Artikel 39, § 1, 1° tot 3° van het BTW-Wetboek stelt in principe enkel die handelingen vrij van de belasting die betrekking hebben op goederen die zich in de Gemeenschap in het vrije verkeer bevinden.

Deze voorwaarde voor de toepassing van de vrijstelling bedoeld i artikel 39, § 1, 1° tot 3° van het BTW-Wetboek staat weliswaar niet letterlijk ingeschreven in deze wetsbepaling, maar vloeit voort uit de algemene economie van het BTW-Wetboek in zijn geheel.

Immers, door gebruik te maken van de mogelijkheid waarin artikel 16, punt 1, letter D en E van de Zesde BTW-Richtlijn voorziet om de levering van goederen en de diensten met betrekking tot goederen die zich onder een douaneregeling bevinden, van de belasting vrij te stellen, heeft de Belgische wetgever voor dergelijke handelingen een bijzondere vrijstelling ingesteld, met name in artikel 40, § 2 van het BTW-Wetboek dewelke van toepassing is zelfs wanneer de bedoelde handelingen een uitvoer van goederen met zich brengen. artikel 40, § 2 van het BTW-Wetboek primeert bijgevolg op de algemene vrijstelling van artikel 39, § 1 van het BTW-Wetboek.

WELKE GOEDEREN BEVINDEN ZICH IN HET VRIJE VERKEER IN DE GEMEENSCHAP?
Bevinden zich in de Gemeenschap in het vrije verkeer, de goederen:
- die de douanestatus van communautaire goederen bezitten in de zin van artikel 4 van het Communautair douanewetboek;
- en die zich niet bevinden onder de regeling inzake het intern communautair douanevervoer of onder een opschortende fiscale regeling zoals bedoeld in artikel 23, § 5 van het BTW-Wetboek.


De douanestatus van communautaire goederen

30. Goederen bezitten de communautaire douanestatus in de zin van artikel 4 van het Communautair douanewetboek wanneer ze:
-geheel zijn verkregen (gewonnen, geoogst, geproduceerd) in het douanegebied van de Gemeenschap (z. nr. 9 en 10), zonder toevoeging van goederen die ingevoerd zijn uit landen of gebieden die geen deel uitmaken van het douanegebied;
-zijn ingevoerd uit landen of gebieden die geen deel uitmaken van het douanegebied van de Gemeenschap en die in het vrije verkeer zijn gebracht. Dit impliceert in hoofdzaak de toepassing bij de invoer van de douanerechten, van heffingen van gelijke werking of van landbouwheffingen op die goederen, alsmede de toepassing van handelspolitieke maatregelen;
-in het gebied van de Gemeenschap zijn verkregen, hetzij uitsluitend uit goederen als bedoeld in het tweede streepje, hetzij uit goederen als bedoeld in het eerste en het tweede streepje.
Communautaire goederen verliezen in principe deze douanestatus wanneer ze het douanegebied van de Gemeenschap verlaten.

In afwijking op dit principe behouden communautaire goederen hun douanestatus wanneer ze onder de douaneregeling inzake het intern communautair douanevervoer van één plaats in het douanegebied van de Gemeenschap naar een andere worden vervoerd via het grondgebied van een derde land.

31. Goederen die geen communautaire douanestatus hebben, kunnen niet regelmatig in een Lid-Staat aanwezig zijn en er vervoerd worden, tenzij wanneer ze van bij het binnenkomen in de Gemeenschap een andere toegelaten douanebestemming hebben gekregen dan de plaatsing onder de douaneregeling inzake het in het vrije verkeer brengen, of wanneer ze, in voorkomend geval, onder de regeling inzake tijdelijke opslag werden geplaatst.

Die toegelaten douanebestemmingen zijn:
a)de plaatsing van het goed onder één van de volgende douaneregelingen:
-het douanevervoer;
-het douane-entrepot;
-de actieve veredeling met toepassing van het schorsingssysteem;
-de behandeling onder douanetoezicht;
-de tijdelijke invoer;
-passieve veredeling;
b)het binnenbrengen van het goed in een vrije zone of in een vrij entrepot.


32. Met uitzondering van de regeling -behandeling onder douanetoezicht-, zijn de genoemde douanebestemmingen en -regelingen deze welke zijn opgenomen in artikel 23, § 4 van het BTW-Wetboek.

Welnu, de levering van goederen die vanaf het binnenkomen in de Gemeenschap onder één van de regelingen worden geplaatst als bedoeld in artikel 23, § 4 van het BTW-Wetboek, met handhaving van één van die regelingen, alsmede de dienstverrichtingen met betrekking tot die goederen, zijn van de belasting vrijgesteld op grond van artikel 40, , § 2 van het BTW-Wetboek binnen de perken en onder voorwaarden gesteld in artikel 42 van het koninklijk besluit nr. 7 van 29 december 1992.

Aangezien deze bijzondere vrijstellingsbepaling van het BTW-Wetboek zich evenzeer uitstrekt tot de levering van goederen en tot diensten met betrekking tot goederen die kunnen worden uitgevoerd terwijl ze zich onder één van de regelingen bedoeld in artikel 23, § 4 van het BTW-Wetboek bevinden, is het niet nodig om zich ten aanzien van die goederen en diensten op de algemene vrijstelling wegens uitvoer te beroepen die bedoeld is in artikel 39, § 1 van het BTW-Wetboek.

Voorbeeld: Groothandelaar A uit Antwerpen verkoopt aan een Amerikaanse klant B goederen van Roemeense oorsprong onder de clausule "franco bestemming". A heeft de goederen bij hun aankomst in België onder de regeling inzake douane-entrepot geplaatst.

De levering van de goederen door A aan B is een levering met vervoer die overeenkomstig artikel 15, § 2, tweede lid, 1° van het BTW-Wetboek in België plaatsvindt en derhalve overeenkomstig artikel 2 van het BTW-Wetboek, in principe aan de belasting is onderworpen. Vermits de niet communautaire goederen zich bij hun verkoop onder de regeling douane-entrepot bevonden, is die levering vrijgesteld op grond van artikel 40, § 2, 1° van het BTW-Wetboek . De regeling douane-entrepot blijft immers gehandhaafd tot zijn aanzuivering door de uitvoer van de goederen. Er dient derhalve geen beroep te worden gedaan op de vrijstelling wegens uitvoer waarin artikel 39, § 1 van het BTW-Wetboek voorziet.

33. Wat de regeling behandeling onder douanetoezicht betreft, die een uitzondering vormt op de situatie uiteengezet in nr. 32, herinneren we eraan dat op grond van deze regeling niet communautaire goederen, invoergoederen genoemd, het douanegebied van de Gemeenschap kunnen binnengebracht worden om de bewerkingen te ondergaan waarbij hun aard en vorm gewijzigd kunnen worden, zonder dat daarbij invoerrechten verschuldigd zijn of handelspolitieke maatregelen toepassing vinden.

Enkel de na bewerking bekomen goederen, verkregen veredelingsproducten genoemd, moeten voor het vrije verkeer worden aangegeven en ondergaan het erop toepasselijk tarief van invoerrechten, rekening houdend met de hoeveelheid en de waarde van dat product.

Deze regeling werd ingevoerd omdat gebleken is dat ondanks de samenhangende structuur van het gemeenschappelijk douanetarief en de handelspolitieke maatregelen, het bedrag van de verschuldigde invoerrechten op bepaalde goederen die in de Gemeenschap werden verwerkt, in bepaalde gevallen hoger was dan de verschuldigde invoerrechten op het goed dat reeds in die afgewerkte vorm zou worden ingevoerd vanuit een derde land. De regeling behandeling onder douanetoezicht beoogt derhalve de bescherming van E.G. producten die met dergelijke gevallen te maken krijgen en voorkomt dat bepaalde activiteiten van verwerking naar buiten de Gemeenschap zouden verlegd worden.

Deze problematiek stelt zich niet inzake BTW aangezien het aftrekmechanisme de effecten van de verschillende tarieven die in voorkomend geval van toepassing zijn op een bepaald goed in de intermediaire fase van het economisch proces neutraliseert, zodat deze geen invloed hebben op het toepasselijk tarief in de handelsfase van het eindverbruik.

De regeling behandeling onder douanetoezicht is dus niet terug te vinden in de BTW-wetgeving. De BTW wordt geheven van de ingevoerde goederen die ten verbruik moeten aangegeven worden, en niet van de verkregen veredelingsproducten.

De toepassing van de regeling behandeling onder douanetoezicht sluit de uitvoer van de verkregen veredelingsproducten niet uit. Wanneer de verwerkte goederen vóór hun aangifte voor het vrije verkeer worden verkocht en bestemd zijn voor de uitvoer, gaat het om niet communautaire goederen waarvan de levering bij wijze van uitzondering op de voorwaarde nr. 1, toch op grond van artikel 39, § 1, 1° tot 3) van het BTW-Wetboek is vrijgesteld, aangezien deze douaneregeling niet is opgenomen in artikel 40, § 2 van het BTW-Wetboek.

Voorbeeld: een Belgisch industrieel A voert onder de regeling behandeling onder douanetoezicht groene koffie in vanuit Brazilië om deze te branden en daarna te verkopen aan klanten in de Gemeenschap (groene koffie is onderworpen aan een hoger douanetarief dan gebrande koffie). Ter gelegenheid van de invoer wordt het "Enig Document" gebruikt als aangifte IM9 waaruit blijkt dat de groene koffie enerzijds onder de opschortende douaneregeling wordt geplaatst en anderzijds de BTW wegens invoer van dat goed wordt betaald.

Gedurende de productie vindt A evenwel een interessantere markt en hij verkoopt de gebrande koffie aan zijn Oekraïense klant B die hem vraagt de goederen te leveren in de haven van Odessa. Ten aanzien van de invoerrechten brengt A de gebrande koffie dus niet in het vrije verkeer. Door de gebrande koffie onder de douaneregeling inzake uitvoer te plaatsen, zuivert A de douaneregeling inzake behandeling onder douanetoezicht aan.

De levering A-B vindt plaats in België, daar waar het vervoer aanvangt. Ze is dus op grond van artikel 2 van het BTW-Wetboek in principe aan de BTW onderworpen. Ze is nochtans vrijgesteld bij toepassing van artikel 39, § 1, 1° van het BTW-Wetboek, aangezien verkoper A de gebrande koffie buiten de Gemeenschap uitvoert.

34. Tevens wordt erop gewezen dat de douaneregeling inzake actieve veredeling waarvan sprake in nr. 31, in feite bestaat uit twee varianten, met name het schorsingssysteem en het systeem van terugbetaling.

Deze regeling laat toe om in het douanegebied van de Gemeenschap binnen te brengen:
-ofwel, onder het schorsingssysteem, niet communautaire goederen, bestemd om als veredelingsproducten na veredelingsbehandeling te hebben ondergaan, buiten het douanegebied van de Gemeenschap te worden wederuitgevoerd zonder dat invoerrechten verschuldigd zijn of handelspolitieke maatregelen worden toegepast;
-ofwel, onder het terugbetalingssysteem, goederen die in het vrije verkeer werden gebracht, maar waarbij terugbetaling of kwijtschelding van de invoerrechten kan worden bekomen indien die goederen na veredeling als veredelingsproducten buiten het douanegebied van de Gemeenschap worden wederuitgevoerd,
teneinde aan die goederen één of meerdere veredelingsbehandelingen te verrichten waarbij eventueel communautaire goederen worden gebruikt.

De regeling actieve veredeling is dus ingesteld ter bevordering van de uitvoer buiten het douanegebied van de Gemeenschap. Ze stelt de communautaire operatoren die vanuit derde landen afkomstige goederen gebruiken om goederen te bekomen bestemd voor de uitvoer, op voet van gelijkheid met hun concurrenten uit derde landen die diezelfde goederen produceren zonder betaling van douanerechten. Dit wordt gerealiseerd door tijdelijke vrijstelling van invoerrechten te verlenen (schorsingssysteem) of door die rechten terug te betalen (terugbetalingssysteem) ten aanzien van goederen afkomstig uit derde landen en die gebruikt werden om de uitgevoerde veredelingsproducten te bekomen.

De bepalingen inzake BTW die van toepassing zijn bij uitvoer van de veredelingsproducten, werden in de nrs. 31 en 32 onderzocht wat de goederen betreft die zich bevinden onder de douaneregeling inzake actieve veredeling, met gebruik van het schorsingssysteem.

In de terugbetalingsregeling werden de ingevoerde goederen voor het vrije verkeer aangegeven, waardoor die goederen inzake douane communautaire goederen zijn geworden. Hieruit volgt dat zowel de bewerkingen die aan die goederen werden verricht, als de levering van de verkregen veredelingsproducten, handelingen zijn die, wanneer ze hier te lande plaats vinden, aan de BTW zijn onderworpen en niet onder de vrijstelling van artikel 40, § 2 van het BTW-Wetboek vallen. Wanneer die handelingen kaderen in de uitvoer buiten de Gemeenschap van de bekomen veredelingsproducten, kunnen ze van de belasting vrijgesteld worden op grond van artikel 39, § 1 van het BTW-Wetboek.

Regeling inzake het intern communautair douanevervoer en de opschortende fiscale regeling

35. Goederen die afkomstig zijn van gebieden die wel tot het douanegebied van de Gemeenschap behoren maar niet tot het BTW-gebied (z. nrs. 7 tot 15), bezitten de douanestatus van communautaire goederen wanneer ze beantwoorden aan de definitie van die goederen zoals die in nr. 30 wordt gegeven. De communautaire goederen afkomstig uit dergelijke gebieden zijn niettemin onderworpen aan de douanereglementering wanneer ze voor de toepassing van de BTW- en/of van de accijnswetgeving binnengebracht worden in het BTW- en/of accijnsgebied (z. nr. 8).

Dergelijke goederen moeten in principe voor het verbruik worden aangegeven met betaling van de BTW wegens invoer.

Dergelijke goederen kunnen evenwel onder de regeling inzake het intern communautair douanevervoer worden geplaatst. Ze mogen evenzeer in België verblijven onder een fiscaal regime inzake tijdelijke opslag, entrepot, actieve veredeling met toepassing van het schorsingssysteem of tijdelijke invoer zonder dat de BTW moet betaald worden (z. artikel 23, § 5 van het BTW-Wetboek en artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 7 van 29 december 1992).

Niettegenstaande het gaat om goederen met een communautaire douanestatus, is de levering van die goederen die zich onder één van de in vorig lid bedoelde regelingen bevinden, alsmede de diensten verricht aan die goederen, niet vrijgesteld van de BTW op grond van artikel 39, § 1 van het BTW-Wetboek wegens de uitvoer ervan, aangezien artikel 40, § 2 van het BTW-Wetboek deze handelingen reeds vrijstelt.

Voorbeeld: A brengt goederen afkomstig uit Guyana de Gemeenschap in via Antwerpen. Hij plaatst ze onder de fiscale regeling inzake actieve veredeling met toepassing van het schorsingssysteem om er door ambachtsman B in België een maakloonwerk aan te laten verrichten, waarna ze naar Israël zullen worden uitgevoerd. A deelt aan B zijn Belgisch BTW-identificatienummer mee.

Het maakloonwerk is een dienst bedoeld in artikel 18, § 1, tweede lid, 1° van het BTW-Wetboek. In de mate dat deze handeling geacht wordt in België plaats te vinden door toepassing van de regels inzake plaatsbepaling bedoeld in artikel 21, § 3, 2°, a) van het BTW-Wetboek en ze onder bezwarende titel wordt verricht, is ze in principe onderworpen aan de Belgische BTW. De bedoelde handeling is evenwel vrijgesteld op grond van artikel 40, § 2, 2° van het BTW-Wetboek dat van de belasting vrijstelt, de dienstverrichtingen, andere dan die welke zijn vrijgesteld door de artikel 41 en 42, die betrekking hebben op goederen die vanaf hun binnenkomst in de Gemeenschap onder één van de fiscale regelingen bedoeld in artikel 23, § 5 van het BTW-Wetboek werden geplaatst.

Voor deze dienst moet de vrijstelling bedoeld in artikel 39, § 1 van het BTW-Wetboek bijgevolg niet toegepast worden.

Voorwaarde nr. 2. Het moet om een levering met verzending of vervoer van goederen gaan, of om een dienstverrichting bestaande in een werk aan roerende goederen, die in België belast zouden zijn, mochten de goederen niet worden uitgevoerd.

36. Artikel 39, § 1, 1° tot 3° van het BTW-Wetboek stelt enkel die handelingen van de belasting vrij die in België de BTW opeisbaar maken indien de goederen die er het voorwerp van zijn, niet worden uitgevoerd. Het moet dus gaan om leveringen en diensten waarvan sprake in artikel 2 van het BTW-Wetboek die onder bezwarende titel werden verricht door een als zodanig handelende belastingplichtige.

Bovendien, vermits een uitvoer hoe dan ook een vervoer van goederen naar een plaats buiten de Gemeenschap impliceert, komen slechts de leveringen van goederen met verzending of vervoer alsmede de diensten die bestaan in een werk aan een roerend goed, voor zover ze geacht worden in België plaats te vinden op grond van de artikelen 15, § 2, tweede lid, 1° of 21, § 3, 2° van het BTW-Wetboek, voor de betreffende vrijstelling in aanmerking.

WELKE HANDELINGEN KOMEN IN AANMERKING VOOR VRIJSTELLING WEGENS RECHTSTREEKSE UITVOER?
Enkel de leveringen van goederen en diensten:
- die bij toepassing van de artikelen 15, § 2, tweede lid, 1° of 21, § 3, 2° van het BTW-Wetboek geacht worden in België plaats te vinden;
- en die onder bezwarende titel worden verricht door een als zodanig handelende belastingplichtige,
kunnen op grond van artikel 39, § 1, 1° tot 3° van het BTW-Wetboek worden vrijgesteld.
Artikel 39 van het BTW-Wetboek blijft vreemd aan andere handelingen.

Voorbeeld: een Belgische onderneming verzendt een deel van haar productie naar een plaats buiten de Gemeenschap om er een voorraad goederen beschikbaar te hebben ten behoeve haar klanten in dat derde land.

Een dergelijke verzending geschiedt buiten elke handelstransactie om. Ze is niet belastbaar in België en behoeft dus ook niet vrijgesteld te worden wegens uitvoer.

Levering van goederen en dienstverrichtingen die op grond van de artikelen 15, § 2, tweede lid, 1° of 21, § 3, 2° van het BTW-Wetboek in België plaatsvinden

37. Wanneer de vrij te stellen handeling een levering van goederen is, moet deze handeling op grond van het bepaalde in artikel 15 van het BTW-Wetboek geacht worden in België plaats te vinden. Een uitvoer impliceert bovendien steeds een vervoer van goederen. Bijgevolg komt enkel de levering die op grond van artikel 15, § 2, tweede lid, 1° van het BTW-Wetboek geacht wordt plaats te vinden in België, namelijk op de plaats waar de verzending of het vervoer naar een plaats buiten de Gemeenschap, ter bestemming van de koper, aanvangt, in aanmerking voor de toepassing van de vrijstelling wegens rechtstreekse uitvoer.

38. Wanneer een levering van goederen op grond van het algemeen beginsel vervat in artikel 15, § 2, eerste lid van het BTW-Wetboek, geacht wordt in België plaats te vinden, met name op de plaats waar de goederen ter beschikking van de koper of de verkrijger worden gesteld, kan deze vrijstelling, bij ontstentenis van enig vervoer, bijgevolg niet toegepast worden.

Dit is belangrijk ingeval van kettingverkopen van goederen die bestaan uit een opeenvolging van eigendomsoverdrachten zonder dat de goederen materieel geleverd worden en voor dewelke het goed uiteindelijk slechts éénmaal vervoerd wordt van de eerste verkoper naar de laatste koper.

Bij toepassing van de algemene principes inzake de plaatsbepaling van de levering, is er in de ketting slechts één levering met vervoer in de zin van artikel 15, § 2, tweede lid, 1° van het BTW-Wetboek. De plaats van de andere leveringen in de ketting wordt bepaald volgens het criterium van de terbeschikkingstelling van de goederen, dus zonder vervoer. Enkel de levering waarvoor er een vervoer wordt verricht, komt in aanmerking voor de toepassing van de vrijstelling van BTW wegens uitvoer naar een plaats buiten de Gemeenschap.

Voorbeeld: A produceert in België ruwe suiker die hij opslaat in zijn entrepot. De suiker wordt achtereenvolgens doorverkocht aan B, C, D en E die gespecialiseerde tussenpersonen zijn in de handel van deze grondstof op internationale markten. E verkoopt de ruwe suiker uiteindelijk aan F uit Tsjechië die de suiker bij A komt ophalen om in zijn land te raffineren.

Al de voornoemde leveringen worden geacht plaats te vinden in België: de leveringen A-B, B-C, C-D en D-E bij toepassing van artikel 15, § 2, eerste lid van het BTW-Wetboek op de plaats waar de suiker ter beschikking wordt gesteld van de achtereenvolgende kopers en de levering E-F bij toepassing artikel 15, § 2, tweede lid, 1° van het BTW-Wetboek op de plaats waar het vervoer naar Tsjechië aanvangt. Op grond van artikel 2 van het BTW-Wetboek zijn ze in principe allemaal aan de belasting onderworpen.

Enkel de levering E-F kan op grond van artikel 39, § 1, 2° van het BTW-Wetboek van de belasting worden vrijgesteld. De andere leveringen die alle hier te lande plaatsvinden, kunnen bij gebrek aan vervoer, geen aanspraak maken op de vrijstelling bedoeld in voornoemde bepaling.

39. Tevens wordt eraan herinnerd dat de levering vanuit België van goederen die door of voor rekening van de leverancier worden geïnstalleerd of gemonteerd, overeenkomstig artikel 15, § 2, tweede lid, 1° van het BTW-Wetboek, geacht wordt plaats te vinden daar waar de installatie of de montage wordt verricht.

Wanneer die plaats buiten het BTW-gebied ligt, is de levering niet aan de belasting onderworpen en moet men zich niet beroepen op de vrijstelling wegens uitvoer.

In dat verband wordt bovendien opgemerkt dat de plaatsbepaling van de levering niet geschiedt op grond van artikel 15, § 2, tweede lid, 1° van het BTW-Wetboek wanneer de goederen naar de installaties van de koper vervoerd of verzonden worden nadat de installatie of montage heeft plaatsgevonden.

40. Wat de vrij te stellen diensten betreft, deze kunnen op zich uiteraard niet materieel buiten de Gemeenschap verzonden of vervoerd worden, omdat ze zich uit hun aard zelf niet kunnen verplaatsen.

Diensten zijn in feite wegens uitvoer vrijgesteld omdat de goederen zelf waaraan deze diensten worden verricht, worden uitgevoerd. Die goederen moeten uiteraard zelf wel verplaatst kunnen worden (z. nr. 19). Bijgevolg komen enkel diensten met betrekking tot roerende goederen in aanmerking voor de toepassing van de vrijstelling bij uitvoer.

Die diensten moeten volgens de bewoordingen van artikel 39, § 1, 3° van het BTW-Wetboek bovendien uitsluitend bestaan in werkzaamheden met betrekking tot deze goederen. Het gaat dus om diensten bestaande uit een materieel werk zoals herstelling, verwerking, aanpassing, onderhoud, reiniging van een goed en die bij toepassing van artikel 21, § 3, 2°, a) of b) van het BTW-Wetboek geacht worden in België plaats te vinden.

Voor de toepassing van artikel 39, § 1, 3° van het BTW-Wetboek beschouwt de administratie de expertise van een roerend goed als een werk.

41. Er wordt opgemerkt dat de dienstverrichting niet noodzakelijk gelocaliseerd moet zijn in de Lid-Staat waar het werk aan het roerend goed ook materieel wordt verricht. Wanneer de dienst geacht wordt in België plaats te vinden, terwijl het werk aan het roerend goed materieel wordt verricht in een andere Lid-Staat van waaruit het goed wordt uitgevoerd, komt deze dienstverrichting wel degelijk in aanmerking voor de vrijstelling wegens uitvoer op grond van artikel 39, § 1, 3° van het BTW-Wetboek.

Voorbeeld: Meubelfabrikant A uit Moeskroen verzendt een lot stoelen naar B in Frankrijk om door B beschilderd te worden. De stoelen zijn bestemd om naar Zwitserland uitgevoerd te worden. A deelt aan B zijn Belgisch BTW-identificatienummer mee. Na de schilderwerken verzendt B de stoelen vanuit Frankrijk rechtstreeks naar Zwitserland, naar de klant van A.

De dienst verricht door B wordt bij toepassing van artikel 21, § 3, 2°, b) van het BTW-Wetboek geacht in België plaats te vinden. Overeenkomstig de artikelen 2 en 51, § 2, 1°, b) van het BTW-Wetboek is A schuldenaar van de Belgische BTW op deze handeling. De dienst is evenwel vrijgesteld van de belasting op grond van artikel 39, § 1, 3° van het BTW-Wetboek omdat de goederen door de dienstverrichter werden uitgevoerd.

42. Hoewel de levering van een goed en de dienst beide belastbare handelingen zijn, is het onderscheid tussen deze twee handelingen belangrijk, inzonderheid wat de bepaling betreft van de plaats waar de handeling is gelocaliseerd en bijgevolg voor zijn taxatie en eventuele vrijstelling wegens uitvoer.

Zo wordt in de regel als een levering van goederen zoals bedoeld in artikel 10 van het BTW-Wetboek aangemerkt, de uitvoering van een contract dat tot voorwerp heeft de levering met plaatsing van machines en industriële apparaten die roerend blijven of die hooguit onroerend door bestemming worden.

Wanneer die machines of die apparaten daarentegen onroerend uit hun aard worden ingevolge hun inplanting in de grond of hun aanhechting aan een gebouw, dan wel ingevolge hun volume of gewicht, moet de overeenkomst beschouwd worden als een dienstverrichting bedoeld in artikel 18, § 1, tweede lid, 1° van het BTW-Wetboek.

43. Om dienaangaande talloze moeilijkheden te voorkomen, heeft de Administratie beslist dat het onderhoud of de herstelling van een roerend goed evenals de handeling waarbij de levering van een goed gepaard gaat met de installatie of de montage ervan, moeten beschouwd worden:
-ofwel als een dienst voor het geheel wanneer de waarde van de onderdelen en van de leveringen die noodzakelijk zijn voor het onderhoud of de herstelling, of wanneer de waarde van het te installeren of te monteren goed kleiner is dan 50 pct van de gefactureerde prijs. De plaats van deze diensten wordt bepaald op basis van artikel 21, § 3, 2°, a) of b) van het BTW-Wetboek;
-ofwel als een levering van goederen voor het geheel wanneer de waarde van de onderdelen en van de leveringen die noodzakelijk zijn voor het onderhoud of de herstelling, of wanneer de waarde van het te installeren of te monteren goed gelijk is aan of hoger dan 50 pct van de gefactureerde prijs. Deze leveringen worden, overeenkomstig artikel 15, § 2, tweede lid, 1° van het BTW-Wetboek, geacht plaats te vinden daar waar het vervoer aanvangt, behalve wanneer het te installeren of te monteren goed vóór de installatie of de montage naar de koper wordt vervoerd of verzonden, in welk geval de installatie of de montage, overeenkomstig artikel 15, § 2, tweede lid, 2° van het BTW-Wetboek, geacht wordt plaats te vinden daar waar de installatie of de montage gebeurt.


44. Wat de kwalificatie betreft van een maakloonwerk, dit is de afgifte door een ondernemer aan zijn medecontractant, van een roerend goed dat hij geproduceerd of geassembleerd heeft met materialen en voorwerpen die zijn medecontractant hem daartoe ter beschikking heeft gesteld, deze handeling werd tot 31 december 1995 overeenkomstig artikel 10, § 2, 2° van het BTW-Wetboek aangemerkt als een levering van een goed en niet als een dienstverrichting ongeacht of de ondernemer al dan niet een deel van de gebruikte materialen heeft geleverd.

Als gevolg van de omzetting in nationaal recht van de tweede vereenvoudigingsrichtlijn van 10 april 1995, werd artikel 10, § 2, 2° van het BTW-Wetboek opgeheven door artikel 2 van het koninklijk besluit van 22 december 1995 (Belgisch Staatsblad van 30 december 1995). Hierdoor wordt maakloonwerk vanaf 1 januari 1996 opnieuw aangemerkt als een dienst bedoeld in artikel 18, § 1, tweede lid, 1° van het BTW-Wetboek.

De levering van goederen en de dienst wordt onder bezwarende titel verricht door een als zodanig handelende belastingplichtige

45. Een levering van goederen of een dienst die in België plaatsvindt kan enkel wegens uitvoer vrijgesteld worden, indien deze handeling aan de belasting is onderworpen.

Een dergelijke handeling moet dus onder bezwarende titel worden verricht door een als zodanig handelende belastingplichtige in de zin van artikel 4 van het BTW-Wetboek.

Eenieder die in de uitoefening van een economische activiteit geregeld en zelfstandig, met of zonder winstoogmerk, hoofdzakelijk of aanvullend, leveringen van goederen of diensten verricht, omschreven in het BTW-Wetboek, heeft van rechtswege de hoedanigheid van belastingplichtige in de zin van artikel 4 van het BTW-Wetboek, ongeacht op welke plaats de economische activiteit wordt uitgeoefend.

Is derhalve belastingplichtig, elke fysieke persoon, elke rechtspersoon (vennootschap, vereniging met burgerlijke persoonlijkheid) of elke vereniging zonder rechtspersoonlijkheid (feitelijke vereniging) die op geregelde wijze en buiten elke band van ondergeschiktheid om, een economische activiteit uitoefent als producent, handelaar of dienstverrichter, daaronder begrepen ontginningsactiviteiten, landbouw, de vrije beroepen en aanverwanten, teneinde uit die activiteit duurzame ontvangsten te verkrijgen.

46. Rekening houdend met de opheffing op 1 januari 1993 van artikel 5 van het BTW-Wetboek zijn de personen, de inrichtingen, de ondernemingen, de organisatie en andere instellingen die handelingen verrichten als bedoeld in artikel 44 van het BTW-Wetboek, evenzeer belastingplichtigen. Het zijn evenwel belastingplichtigen zonder recht op aftrek.

Vermits de handelingen van deze belastingplichtigen vrijgesteld zijn op grond van artikel 44 van het BTW-Wetboek, is de vrijstelling van de BTW om reden van uitvoer, bedoeld in artikel 39, § 1, 1° of 2° van het BTW-Wetboek, niet van toepassing op de door die belastingplichtigen verrichte leveringen van goederen en diensten.

47. Hetzelfde geldt voor de levering van beleggingsgoud zoals bedoeld in artikel 1, § 8 van het BTW-Wetboek, door belastingplichtigen op wie de vrijstellingsregeling bedoeld in artikel 44bis, § 1, eerste lid van het BTW-Wetboek sedert 1 januari 2000 van toepassing is.

De levering van beleggingsgoud door belastingplichtigen die beleggingsgoud produceren of het goud van welke oorsprong ook, verwerken tot beleggingsgoud en die ervoor geopteerd hebben om de levering van beleggingsgoud aan een andere belastingplichtige te belasten, blijven onderworpen aan de gewone regels. Dergelijke leveringen kunnen bijgevolg bij toepassing van artikel 39, § 1, 1° of 2° van het BTW-Wetboek worden vrijgesteld wegens uitvoer.

Hetzelfde geldt voor belastingplichtigen die in het kader van hun economische activiteit normaliter goud leveren bestemd voor industriële doeleinden. Zij kunnen eveneens opteren voor de belastingheffing op hun leveringen aan andere belastingplichtigen van goud in de vorm van staven of plaatjes van een door de goudmarkten aanvaard gewicht van meer dan één gram en met een zuiverheid van ten minste 995 duizendsten. Indien voor een heffing wordt geopteerd, belet niets dat die leveringen de vrijstelling wegens uitvoer kunnen genieten overeenkomstig de algemene BTW-principes.

48. De vrijstelling bedoeld in artikel 39, § 1, 1° of 2° van het BTW-Wetboek is eveneens van toepassing op de uitvoer van goederen door een belastingplichtige die onderworpen is het forfaitair stelsel bedoeld in artikel 56, § 1 van het BTW-Wetboek.

De vrijstelling wordt in die gevallen verkregen door bij de vaststelling van het aan de BTW onderworpen omzetcijfer, geen rekening te houden met de aangekochte goederen die bestemd zijn voor handelingen die wegens uitvoer zijn vrijgesteld (z. artikel 11 van het koninklijk besluit nr. 2 van 7 november 1969 met betrekking tot de vaststelling van forfaitaire grondslagen van aanslag voor de belasting over de toegevoegde waarde).

49. De leveringen en de diensten verricht door kleine ondernemingen bedoeld in artikel 56, § 2 van het BTW-Wetboek zijn op algemene wijze vrijgesteld van de BTW.

De vrijstelling van BTW om reden van uitvoer bedoeld in artikel 39, § 1 van het BTW-Wetboek is bijgevolg niet van toepassing op de handelingen verricht door die kleine ondernemingen.

50. De vrijstelling van de BTW wegens uitvoer is, in principe, van toepassing op de leveringen van goederen verricht door een belastingplichtige die is onderworpen aan de bijzondere regeling voor landbouwondernemers bedoeld in artikel 57 van het BTW-Wetboek.

Wanneer een landbouwondernemer een dergelijke levering zou doen, behoudt hij zijn recht op terugbetaling van het bedrag van de forfaitaire compensatie voor de oorspronkelijke belasting indien zijn medecontractant een belastingplichtige is of een niet belastingplichtige rechtspersoon bedoeld in artikel 57, § 2, 1°, 2° of 3° van het BTW-Wetboek.

De medecontractant van zijn kant heeft recht op de teruggaaf van dat bedrag van de forfaitaire compensatie. Indien die medecontractant in België periodieke BTW-aangiften indient wordt de terugbetaling gerealiseerd via rooster 59 van die aangifte. Vermits de levering wegens uitvoer van de BTW is vrijgesteld, moet de medecontractant geen enkel ander BTW-bedrag meer opnemen in zijn periodieke aangifte.

Voorwaarde nr. 3. De goederen moeten binnen de daartoe voorziene termijn naar een plaats buiten de Gemeenschap worden verzonden of vervoerd door de verkoper, of de dienstverrichter, door de niet in België gevestigde koper of afnemer van de dienst, of voor rekening van één van deze personen

51. Om de vrijstelling wegens uitvoer te kunnen genieten, moeten de goederen die zich hier te lande bevinden, naar een plaats buiten de Gemeenschap worden verzonden of vervoerd. Niet iedereen mag evenwel met dat vervoer worden belast.

WIE MAG IN HET KADER VAN DE VRIJSTELLING WEGENS RECHTSTREEKSE UITVOER MET HET VERVOER WORDEN BELAST?
Kunnen wegens rechtstreekse uitvoer worden vrijgesteld, de handelingen met betrekking tot goederen die naar een plaats buiten de Gemeenschap worden verzonden of vervoerd:
- ofwel door de verkoper van de goederen of door de dienstverrichter met hun eigen vervoermiddelen of door een derde persoon die de goederen in opdracht en voor rekening van de verkoper of de dienstverrichter vervoert;
- ofwel door de niet in België gevestigde koper of ontvanger van de dienst met hun eigen vervoermiddelen of door een derde persoon die de goederen in opdracht en voor rekening van de koper of de ontvanger van de dienst vervoert.


Uitvoer door de verkoper, door de dienstverrichter of voor hun rekening

52. Er is sprake van uitvoer door de verkoper of door de dienstverrichter wanneer deze persoon de goederen met eigen vervoermiddelen vervoert van een plaats in België naar een plaats buiten de Gemeenschap.

53. Er is sprake van uitvoer voor rekening van de verkoper of de dienstverrichter wanneer deze persoon aan een derde persoon opdracht geeft om de goederen te vervoeren van een plaats in België naar een plaats buiten de Gemeenschap. Deze derde persoon handelt dan voor rekening van de verkoper of van de dienstverrichter en factureert hem zijn prestatie.

De persoon die het vervoer verricht kan zijn:
-een vervoersonderneming, dit is iemand die tegen betaling het vervoer verricht (bijvoorbeeld de N.M.B.S., SABENA, de Post, een rederij, een wegtransporteur...);
-een commisionair-expediteur, dit is een tussenpersoon inzake vervoer met name tussen de verkoper en de vervoersondernemer.
Het is van geen belang dat de persoon die voor rekening van de verkoper of van de dienstverrichter het vervoer vanuit België naar het buitenland verricht, al dan niet in België is gevestigd.

Wanneer de verkoper of de diensverrichter daarentegen aan zijn eigen klant zou vragen het vervoer te verrichten, dan doet die koper of die afnemer van de dienst dit vervoer in feite voor eigen rekening. In dat geval is de vrijstelling van de belasting wegens uitvoer enkel van toepassing wanneer die koper of die afnemer van de dienst niet in België is gevestigd en wat eerstgenoemde betreft, wanneer de grenzen en de voorwaarden van artikel 39, § 1, 2° van het BTW-Wetboek werden nageleefd (b ij wijze van toegeving en totdat er ter zake uniforme communautaire regels tot stand komen, aanvaard de Administratie dat de verkopen van goederen in het vrije verkeer in taksvrije verkooppunten gelegen in een Belgische internationale luchthaven, aan reizigers die zich buiten de Gemeenschap begeven, worden aangemerkt als een levering van goederen die voor rekening van de verkoper buiten de Gemeenschap worden vervoerd en derhalve onder toepassing van artikel 39, § 1, 1° van het BTW-Wetboek valt. Deze bijzondere afwijking wordt becommentarieerd in de nrs. 176 en volgende) (z. nrs. 54 tot 56).

Uitvoer door de koper, door de ontvanger van de dienst of voor hun rekening

54. Er is sprake van uitvoer door de niet in België gevestigde koper of afnemer van de dienst, wanneer deze in België bij zijn verkoper of bij zijn dienstverrichter bezit neemt van de goederen en verklaart ze uit te voeren door ze zelf te vervoeren van een plaats in België naar een plaats buiten de Gemeenschap.

55. Er is sprake van uitvoer voor rekening van de niet in België gevestigde koper of afnemer van de dienst, wanneer deze aan een derde persoon de opdracht geeft om de goederen in België bij zijn verkoper of bij zijn dienstverrichter op te halen en ze naar een plaats buiten de Gemeenschap te verzenden of te vervoeren.

56. Wordt inzake uitvoer beschouwd als een niet in België gevestigde koper of afnemer van de dienst:
-de persoon die in het buitenland is gevestigd en die in België geen vaste inrichting heeft. Het feit dat deze persoon ingevolge artikel 55 van het BTW-Wetboek in België een aansprakelijke vertegenwoordiger heeft laten erkennen, heeft geen invloed op deze toestand;
-de onderneming die de voornaamste zetel van haar beroepswerkzaamheid in het buitenland heeft en die in België een vaste inrichting heeft, in de gevallen waarin de buitenlandse zetel rechtstreeks handelt met de hier te lande gevestigde verkoper of dienstverrichter en voor zover de uitvoer, alsmede het vervoer en de betalingen in verband hiermee, geschieden zonder enige tussenkomst van de in België gevestigde vaste inrichting;
-de buitenlandse afdeling van een hier te lande gevestigde onderneming in de gevallen waarin deze buitenlandse afdeling rechtstreeks handelt met de hier te lande gevestigde verkoper of dienstverrichter en voor zover de uitvoer alsmede het vervoer en de betalingen in verband hiermee, geschieden zonder enige tussenkomst van de in België gevestigde zetel van de onderneming.
56/2. Bij wijze van toegeving aanvaardt de Administratie eveneens dat met een niet in België gevestigde koper of afnemer van de dienst wordt gelijkgesteld, de in België gevestigde persoon die tot genoegdoening van de Administratie kan aantonen dat hij beslist heeft zich op korte termijn in het buitenland te vestigen.

Omwille van zijn nakende verhuis naar het buitenland wordt dergelijke persoon reeds aangemerkt als niet in België gevestigde koper of afnemer van de dienst. De vrijstelling van de BTW om reden van uitvoer voorzien in artikel 39, § 1, 2° of 3° van het BTW-Wetboek, kan worden toegepast vanaf het tijdstip waarop het vertrek naar het buitenland als zeker kan worden beschouwd.

Deze toegeving doet geen afbreuk aan de verplichting om de goederen binnen de voorziene termijn buiten de Gemeenschap uit te voeren (z. nrs. 59 tot 61) en daarvan het bewijs te leveren. Bovendien moet op de factuur of op het als dusdanig geldend stuk het nieuwe buitenlandse adres en niet het Belgische vermeld worden. Hieruit volgt dat geen enkele vrijstelling met terugwerkende kracht kan verleend worden voor goederen die reeds voordien waren aangekocht en die buiten de Gemeenschap werden uitgevoerd.

Bijzondere gevallen

De gezamenlijke uitvoer

57. Wanneer een persoon goederen bestelt bij één of meerdere leveranciers en/of aan één of meerdere dienstverrichters vraagt deze goederen te verwerken, waarbij aan deze leveranciers en dienstverrichters opdracht wordt gegeven om de goederen af te leveren bij één onder hen die ze alle groepeert en ze nadien uitvoert of daartoe opdracht geeft, dan zijn de levering van de goederen en de diensten met betrekking tot die goederen verricht door elk van die leveranciers of dienstverrichters, vrijgesteld van de BTW op grond van artikel 39, § 1, 1° of 3° van het BTW-Wetboek.

Hetzelfde principe is van toepassing wanneer de goederen worden uitgevoerd door of voor rekening van de niet in België gevestigde opdrachtgever. In dat geval zijn de leveringen en de diensten bedoeld in vorig lid, vrijgesteld op grond van artikel 39, § 1, 2° of 3° van het BTW-Wetboek.

Voorbeeld: Een Zwitserse groothandelsketen D bestelt bij meubelfabrikant A uit Moeskroen een lot stoelen. D geeft aan A opdracht die stoelen naar B in Doornik te brengen aan wie D opdracht heeft gegeven ze te vernissen. Vervolgens moet B de stoelen naar C in Kortrijk brengen die in opdracht van D het zitvlak van de stoelen moet bekleden. Uiteindelijk moet C in opdracht van D de stoelen via het spoor uitvoeren.

Zowel de levering van de stoelen door A, als de diensten verricht door B en C komen in aanmerking voor vrijstelling van de BTW bij toepassing van artikel 39, § 1, 1° en 3° van het BTW-Wetboek

De levering "Franco buitengrens van de Gemeenschap"

58. Wanneer de verkoper de contractuele verplichting heeft om de goederen op een plaats aan de buitengrens van de Gemeenschap te leveren, gaat het om een zogenaamde levering "Franco buitengrens EG". Een typisch voorbeeld van een dergelijke levering is de levering F.O.B.-zeeschip waarbij de leverancier de goederen aan boord van het zeeschip brengt, erlangs of op de zogenaamde blauwe steen van de kaai.

Ingevolge de opheffing op 1 januari 1993 van de fiscale grenzen tussen de Lid-Staten van de Gemeenschap, werd de notie uitvoer inzake BTW ingeperkt. Uitvoer is sedertdien het vervoer van roerende goederen naar een plaats buiten de Gemeenschap in plaats van buiten België. Een FOB-levering kon dus niet automatisch meer gelijkgesteld worden met een uitvoer, juist omdat de onder die clausule geleverde goederen ook het voorwerp kunnen zijn van een intracommunautaire levering.

Bij een verkoop "Franco - buitengrens EG" voert de verkoper de goederen niet zelf uit buiten de Gemeenschap. Hij doet ze evenmin voor zijn rekening uitvoeren. De levering kan derhalve in principe enkel op grond van artikel 39, § 1, 2° van het BTW-Wetboek van de BTW worden vrijgesteld indien de koper niet in België is gevestigd en deze koper de goederen zelf uitvoert of ze voor zijn rekening doet uitvoeren.

De strikte toepassing van deze reglementering leidt ertoe dat geen vrijstelling van BTW wegens uitvoer kan worden toegepast wanneer de verkoper de goederen binnen de Gemeenschap ter beschikking stelt van een in België gevestigde medecontractant.

In dezelfde geest van soepelheid zoals die vóór 1 januari 1993 bestond ten aanzien van de gevallen waarbij er geen twijfel bestond aangaande de uiteindelijke uitvoer van de goederen, staat de Administratie toe dat de verkoper de door hem verrichte levering vrijstelt op grond van artikel 39, § 1, 1° van het BTW-Wetboek wanneer hij de contractuele verplichting heeft de goederen aan de buitengrens van de Gemeenschap (in België of in een andere Lid-Staat) te leveren en dit ongeacht waar de koper is gevestigd, voor zover de hierna vermelde voorwaarden samen vervuld zijn:
-de verkoper moet de goederen leveren op een plaats waar zich een douanekantoor van uitgang bevindt (z. nrs. 82 en 87 tot 95);
-van bij de aanvang van het vervoer door de verkoper of voor diens rekening naar de voornoemde plaats, moet het vaststaan dat de goederen voor uitvoer zijn bestemd. Dit moet blijken zowel uit het feit dat de douaneformaliteiten inzake uitvoer in België moeten worden aangevangen, in die zin dat de verkoper de aangifte ten uitvoer hier te lande moet overleggen, zelfs wanneer de goederen de Gemeenschap verlaten via een andere Lid-Staat dan België (z. nrs. 82 en 87 tot 95), als door het feit dat de aangifte ten uitvoer op naam van de verkoper moet staan voor de levering die hij verricht (z. nr. 75 en volgende). De verkoper moet derhalve de uiteindelijke bestemming van de goederen buiten de Gemeenschap kennen.
De administratieve toegeving beoogt derhalve niet de levering van goederen die worden opgeslagen op een plaats in de Gemeenschap, zelfs aan de buitengrens ervan, maar waarvan de verkoper de eindbestemming niet kent, bijvoorbeeld omdat zijn klant zelf nog geen koper voor de goederen gevonden heeft.

De toegeving is in feite gebaseerd op de fictie dat de plaats waar de verkoper de goederen ten behoeve van zijn koper moet afleveren, reeds beschouwd wordt als zijnde gelegen buiten de Gemeenschap, hetgeen virtueel ook het geval is.

In de logica van deze fictie zijn de daaropvolgende leveringen van de goederen leveringen waarvan de plaats voor de toepassing van artikel 15, § 2, eerste lid en/of tweede lid, 1° van het BTW-Wetboek geacht wordt buiten de Gemeenschap te zijn gelegen. Deze leveringen zijn derhalve niet aan de belasting onderworpen.

Voorbeelden:
-De Amerikaanse onderneming A bestelt bij handelaar B uit Doornik een machine. B heeft de machine zelf niet in voorraad, zodat hij het order doorgeeft aan fabrikant C uit Brussel. De leveringsvoorwaarde tussen B en C is FOB-Zaventem. De verzending per vliegtuig van Zaventem naar Amerika geschiedt in opdracht en voor rekening van B. C plaatst de machine in Brussel onder de douaneregeling inzake uitvoer, waardoor hij in het bezit is van een aangifte ten uitvoer op zijn naam.
Aangezien C de machine niet zelf uitvoert en koper B in België is gevestigd, kan de levering C-B in principe niet van de BTW worden vrijgesteld op grond van artikel 39 van het BTW-Wetboek.
De Administratie aanvaardt evenwel dat de plaats waar de machine aan B moet worden geleverd, wordt beschouwd als extraterritoriaal ten opzichte van de Gemeenschap in de mate dat de uitvoerformaliteiten op naam van C worden verricht, wat in casu het geval is.
Door deze fictie kan de levering C-B van de belasting worden vrijgesteld bij toepassing van artikel 39, § 1, 1° van het BTW-Wetboek, terwijl de levering B-A een levering is die geacht wordt buiten de Gemeenschap plaats te vinden en die derhalve niet aan de belasting is onderworpen.
-Een voedingsbedrijf A dat buiten de Gemeenschap is gevestigd, wenst in België suiker aan te kopen. Om de bestelling te doen, contacteert ze een Belgische trader B. Overeenkomstig de gebruikelijke handelspraktijken in de suikerbranche moet B zich richten tot een commissionair C die het exclusief verkoopsrecht heeft van een groep van Belgische suikerraffinaderijen. De commissionair contacteert op zijn beurt verschillende raffinaderijen en besluit dat de raffinaderij D het best geplaatst is aan om te voldaan aan de wensen van de buitenlandse klant A.
Trader B koopt de suiker aan onder leveringsvoorwaarde FOB-Antwerpen. Raffinaderij D moet de suiker op de kade voor uitvoer leveren.
Aangezien commissionair C de suiker in eigen naam maar voor rekening van raffinaderij D aan trader B levert, vinden er bij toepassing van artikel 13 van het BTW-Wetboek twee leveringen plaats, één tussen D en C en een tweede tussen C en B.
Wat betreft de levering D-C, deze wordt overeenkomstig artikel 15, § 2, tweede lid, 1° van het BTW-Wetboek geacht plaats te vinden daar waar het vervoer naar D aanvangt, met name in België. Deze levering kan bij toepassing van de administratieve toegeving bedoeld in nr. 58 op grond van artikel 39, § 1, 1° van het BTW-Wetboek van de belasting worden vrijgesteld indien D de uitvoerformaliteiten op zijn naam verricht, wat in dit geval mogelijk is aangezien de producent de uiteindelijke bestemming van de goederen kent.
De levering C-B kan ofwel een levering met vervoer zijn, bijvoorbeeld wanneer trader B de suiker aan A verkoopt onder de clausule CIF en hij dus zelf moet instaan voor het vervoer van de goederen tot in de haven van bestemming in het derde land, ofwel een levering zonder vervoer, bijvoorbeeld wanneer trader B de suiker verkoopt onder de clausule FOB Antwerpen waarbij het vervoer van de goederen vanuit Antwerpen ten laste van A is.
In beide gevallen wordt deze levering op grond van artikel 15, § 2, tweede lid, 1° of 15, § 2, eerste lid van het BTW-Wetboek geacht plaats te vinden in België. Aangezien de Administratie evenwel de plaats waar de suiker in Antwerpen aan B moet geleverd worden, reeds aanmerkt als gelegen buiten de Gemeenschap in de mate dat de uitvoerformaliteiten werden verricht op naam van D, wordt de levering C-B als gevolg van deze fictie, aangemerkt als een levering die buiten de Gemeenschap plaatsvindt en die dus niet aan de belasting is onderworpen.
Hetzelfde geldt voor de levering B-A.
Uitvoertermijn

Andere goederen dan landvoertuigen uitgerust met motor

59. Ten aanzien van andere goederen dan landvoertuigen uitgerust met motor zoals bedoeld in artikel 8bis, § 2, 1° van het BTW-Wetboek ( h et gaat om landvoertuigen uitgerust met motor met een cilinderinhoud van meer dan 48cc of met een vermogen van meer dan 7,2 kilowatt bestemd voor het vervoer van personen of van goederen) die naar een plaats buiten de Gemeenschap worden vervoerd door de verkoper, door de dienstverrichter of voor hun rekening, schrijft de wetgeving geen termijn voor waarbinnen de uitvoer moet worden gerealiseerd worden. Dit is logisch vermits er zich vóór de effectieve uitvoer geen belastbaar feit voordoet en de belasting niet opeisbaar wordt.

Inderdaad, voor de levering van goederen die door of rekening van de leverancier worden uitgevoerd, vindt, overeenkomstig de artikelen 16, § 1, tweede lid en 17, § 1, eerste lid van het BTW-Wetboek, het belastbaar feit plaats en wordt de belasting opeisbaar op het tijdstip van aankomst van de verzending of het vervoer van de goederen naar de koper of de afnemer.

Wat de diensten betreft, bepaalt artikel 22, § 1, eerste lid en § 2, eerste lid, van het BTW-Wetboek dat het belastbaar feit plaatsvindt en de belasting opeisbaar wordt op het tijdstip dat de dienst voltooid is. Een dienst is in de zin dat artikel voltooid wanneer de dienstverrichter al zijn verplichtingen is nagekomen die hem door de overeenkomst worden opgelegd. Het gaat hierbij dan om het vervoer van de bewerkte goederen naar een plaats buiten de Gemeenschap. Hieruit volgt dat er geen belasting opeisbaar wordt vóór de effectieve uitvoer van de goederen.

Wanneer zich evenwel overeenkomstig de artikelen 17, § 1, tweede en derde lid en 22, § 2, tweede en derde lid van het BTW-Wetboek een subsidiaire oorzaak van opeisbaarheid van de belasting voordoet, en wanneer de leverancier of de dienstverrichter zich beroept op de regeling inzake opschorsing van de betaling van de belasting, moeten de goederen worden uitgevoerd binnen een termijn van twaalf maanden te rekenen vanaf het tijdstip waarop zich de subsidiaire oorzaak van opeisbaarheid van de BTW heeft voorgedaan. Deze termijn kan echter worden verlengd. Dit stelsel wordt in detail uiteengezet in de nrs 254 en volgende.

60. Ten aanzien van andere goederen dan landvoertuigen uitgerust met motor zoals bedoeld in artikel 8bis, § 2, 1° van het BTW-Wetboek die naar een plaats buiten de Gemeenschap worden vervoerd door de niet in België gevestigde koper of ontvanger van de dienst of voor hun rekening, vindt het belastbaar feit plaats en wordt de belasting opeisbaar, hetzij overeenkomstig de artikelen 16, § 1, eerste lid en 17, § 1, eerste lid van het BTW-Wetboek op het tijdstip dat de goederen ter beschikking van koper of de afnemer worden gesteld, hetzij overeenkomstig artikel 22 van het BTW-Wetboek op het tijdstip dat de dienst voltooid is, dit is eveneens op het tijdstip dat de bewerkte goederen ter beschikking van koper of de afnemer worden gesteld. Om bijgevolg de vrijstelling te kunnen genieten, moet de uitvoer onmiddellijk na de terbeschikkingstelling worden verricht en, in elk geval, binnen de termijn die strikt nodig is om de goederen te vervoeren van op de plaats waar ze ter beschikking van de deze personen worden gesteld tot op het douanekantoor van uitgang waar ze de Gemeenschap verlaten. De goederen mogen bovendien in België of in een andere Lid-Staat niet gebruikt worden tenzij om ze uitvoer te voeren.

Voorbeeld: Een Marokkaans ingezetene vraagt zijn schoonzoon die in de streek van Charleroi woont, om hem een jet-ski aan te kopen en deze mee te brengen bij een volgend bezoek aan Marokko tijdens de jaarlijkse vakantie in augustus. De schoonzoon neemt in de loop van juli bezit van het goed en besluit het eerst nog te gebruiken op het plaatselijk meer.

Gelet op het gebruik van de jet-ski in België kan de levering ervan niet meer worden aangemerkt als een levering met vervoer van het goed buiten de Gemeenschap. Bijgevolg kan de vrijstelling bedoeld in artikel 39, § 1, 2° van het BTW-Wetboek niet worden toegepast.

Landvoertuigen uitgerust met motor

61. Om tegemoet te komen aan de aanbevelingen van de Europese Gemeenschappen volgens dewelke de Lid-Staten er moeten naar streven de afgifte van nummerplaten uit een gewone serie voor te behouden aan landvoertuigen die werden aangekocht of ingevoerd volgens de algemene voor de binnenlandse markt geldende regels inzake belastingheffing en die wegens uitvoer niet in aanmerking komen voor vrijstelling of teruggaaf van de omzetbelasting, de accijns of gelijk welke andere belasting op het verbruik (z. Richtlijn nr 83/182/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende de belastingvrijstellingen bij de tijdelijke invoer van bepaalde vervoermiddelen binnen de Gemeenschap - artikel 4.1; BTW-Revue nr. 59/7/83), legt artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 18 (z. bijlage 2) beperkingen op inzake de inschrijving van voertuigen die met het oog op de uitvoer verkocht werden.

Op grond van deze bepaling kan voor nieuwe of tweedehandse landvoertuigen uitgerust met een motor zoals bedoeld in artikel 8bis, § 2, 1° van het BTW-Wetboek (het gaat om landvoertuigen uitgerust met motor met een cilinderinhoud van meer dan 48cc of met een vermogen van meer dan 7,2 kilowatt bestemd voor het vervoer van personen of van goederen), die door BTW-belastingplichtigen worden verkocht met vrijstelling van de BTW wegens uitvoer op grond van de artikel 39, § 1, 1° of 2° van het BTW-Wetboek en waarvoor bij de dienst belast met de inschrijving van motorvoertuigen (D.I.V.) een aanvraag om inschrijving wordt ingediend, enkel een tijdelijke nummerplaat met het bijhorend inschrijvingsbewijs worden bekomen.

Aangezien het recht op vrijstelling inzonderheid ondergeschikt is aan de definitieve uitvoer van de voertuigen, herinnert de D.I.V. aan deze voorwaarde door op het inschrijvingsbewijs een vermelding af te drukken die de uiterste datum aangeeft waarop het voertuig moet zijn uitgevoerd. Het voertuig moet in principe zijn uitgevoerd uiterlijk op het einde van de derde maand volgend op deze van de inschrijving. Wanneer het voertuig evenwel niet verzekerd is voor de ganse overeenstemmende periode, geeft de D.I.V. op het tijdelijk inschrijvingsbewijs aan dat het voertuig moet uitgevoerd worden uiterlijk op het tijdstip dat de verzekeringsovereenkomst verstrijkt.

In het vak "Identificatie van het voertuig" van het inschrijvingsbewijs staat bovendien een codenummer vermeldt dat eindigt op het cijfer 7 (zogenaamde "code 7" of "blokkeringscode"). Dit cijfer verhindert elke latere aanvraag tot inschrijving of elke latere vraag tot wijziging van inschrijving zonder dat een voorafgaandelijk onderzoek naar de fiscale toestand van het voertuig heeft plaatsgevonden. Een vraag tot wijziging of vervanging van een dergelijk inschrijvingsbewijs veronderstelt immers dat het betrokken voertuig zich nog steeds in België bevindt, hetgeen in tegenspraak is met de voorwaarden voor de vrijstelling.

Om die redenen delen de douanediensten die verbonden zijn aan de D.I.V. en die elke aanvraag om inschrijving onderzoeken, aan de Centrale administratie van de BTW de aanvragen tot wijziging of tot vervanging mee van inschrijvingsbewijzen waarop de voornoemde speciale vermeldingen voorkomen. Ze nodigen de aanvrager uit zich op de daartoe voorziene dagen en uren aan te bieden bij de diensten van die administratie teneinde de fiscale toestand van dat voertuig te regulariseren alvorens de inschrijvingsformaliteiten te kunnen verder zetten.

BINNEN WELKE TERMIJN MOETEN DE GOEDEREN RECHTSTREEKS WORDEN UITGEVOERD?
Andere goederen dan landvoertuigen uitgerust met een motor
- uitvoer door de verkoper, de dienstverrichter of voor hun rekening: GEEN TERMIJN.
- uitvoer door de koper, de afnemer van de dienst of voor hun rekening: BINNEN DE TERMIJN DIE STRIKT NOODZAKELIJK IS OM DE GOEDEREN BUITEN DE GEMEENSCHAP TE VERVOEREN.
Landvoertuigen uitgerust met een motor
- uitgevoerd onder dekking van een tijdelijke inschrijving aangevraagd naar aanleiding van de levering met uitvoer: UITERLIJK OP HET EINDE VAN DE DERDE MAAND VOLGEND OP DIE WAARIN DE INSCHRIJVING PLAATSVOND.
- uitgevoerd zonder inschrijving of onder dekking van de inschrijving in een gewone reeks die was toegekend vóór de levering met uitvoer: IDEM ALS VOOR DE ANDERE GOEDEREN DAN LANDVOERTUIGEN UITGERUST MET EEN MOTOR.


Voorwaarde nr. 4. De handeling mag niet uitdrukkelijk van de vrijstelling uitgesloten zijn door artikel 39, § 1, 2° en 3° van het BTW-Wetboek

62. Artikel 39, § 1, 2° en 3° van het BTW-Wetboek bevat vier uitzonderingen die bepaalde leveringen van goederen en bepaalde dienstverrichtingen van de vrijstelling uitsluit, niettegenstaande de goederen naar een plaats buiten de Gemeenschap vervoerd of verzonden worden.

Deze uitsluitingen hebben geen betrekking op de leveringen van goederen die zijn vrijgesteld op grond van artikel 39, § 1, 1° van het BTW-Wetboek. Voor die leveringen is de voorwaarde nr. 4 bijgevolg zonder voorwerp.

WELKE HANDELINGEN ZIJN UITGESLOTEN VAN DE VRIJSTELLING WEGENS RECHTSTREEKSE UITVOER?
Zijn uitgesloten van de vrijstelling bedoeld in artikel 39, § 1, 2° van het BTW-Wetboek:
- de levering van goederen die de koper zelf vervoert en die bestemd zijn voor de uitrusting of de bevoorrading van pleziervaartuigen, van sportvliegtuigen of van elk ander vervoermiddel voor privé-gebruik;
- de levering van goederen die een reiziger meeneemt in zijn persoonlijke bagage.
Zijn uitgesloten van de vrijstelling bedoeld in artikel 39, § 1, 3° van het BTW-Wetboek:
- de diensten die zijn vrijgesteld op grond van de artikelen 41 en 42 van het BTW-Wetboek;
- de werken met betrekking tot roerende goederen die niet zijn verworven of ingevoerd teneinde deze werkzaamheden te ondergaan.


Levering van goederen die de koper zelf vervoert en die bestemd zijn voor de uitrusting of de bevoorrading van pleziervaartuigen, sportvliegtuigen of van elk ander vervoermiddel voor privé-gebruik

63. De regeling internationaal verkeer van vervoermiddelen laat de gebruikers van voertuigen die moeten worden ingeschreven, toe om onder dekking van die inschrijving de grenzen te overschrijden zonder dat voor die voertuigen een douane-aangifte inzake in- of uitvoer vereist is.

Vermits het voor de leverancier niet mogelijk is om een uitvoerbewijs te bekomen, sluit artikel 39, § 1, 2° van het BTW-Wetboek derhalve van de vrijstelling van BTW wegens uitvoer uit, de levering van goederen die door de niet in België gevestigde koper worden vervoerd, wanneer deze goederen bestemd zijn voor de bevoorrading of de uitrusting van pleziervaartuigen, sportvliegtuigen of van gelijk welk ander vervoermiddel voor privé-gebruik.

Omdat het voor de leverancier eveneens onmogelijk is om op het tijdstip van de levering van de goederen de bestemming te kennen die er buiten de Gemeenschap aan zal worden gegeven, wordt de toepassing van de restrictieve bepaling bedoeld in vorig lid door artikel 5, § 3 van het koninklijk besluit nr. 18 beperkt tot goederen die bestemd zijn voor de uitrusting of de bevoorrading van dergelijke vervoermiddelen en die zich als zodanig aan boord van die vervoermiddelen bevinden op het tijdstip van hun uitvoer (z. bijlage 2).

De uitsluiting van de vrijstelling is van toepassing zonder onderscheid naargelang het vervoermiddel in België of in het buitenland is ingeschreven.

64. Gelet op het feit dat artikel 42 van het BTW-Wetboek eveneens een aantal specifieke bepalingen bevat met betrekking tot schepen, boten en vliegtuigen, vloeit uit de samenlezing van de artikelen 39 en 42 van het BTW-Wetboek voort dat uiteindelijk geen vrijstelling van de belasting kan toegekend worden voor:
a)de levering van goederen die worden ingelijft in:
-voertuigen voor vervoer over de weg (met of zonder motor);
-vliegtuigen andere dan deze gebruikt door de Staat of door luchtvaartmaatschappijen die tegen betaling goederen- of personenvervoer verrichten;
-jachten en pleziervaartuigen;
b)de levering van goederen die worden beschouwd als normale toebehoren of uitrusting van de onder a) bedoelde vervoermiddelen en die zich op het tijdstip van hun uitvoer als zodanig aan boord bevinden van die vervoermiddelen zonder dat ze er in zijn geïncorporeerd;
c)de levering van goederen bestemd voor de bevoorrading van:
-vervoermiddelen bedoeld onder a);
-vliegtuigen toebehorend aan de Staat;
-oorlogsschepen andere dan deze vermeld in post 89.01A van het Tarief van invoerrechten die het land verlaten ter bestemming van een haven of aanlegplaats in het buitenland,
en die zich aan boord bevinden op het tijdstip van hun uitvoer. Wat de andere vervoermiddelen dan de autovoertuigen betreft, worden aangemerkt als goederen bestemd voor de bevoorrading, de goederen bedoeld in artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 6 van 27 december 1977 met betrekking tot de vrijstellingen ten aanzien van internationaal vervoer, zee- en binnenschepen en luchtvaartuigen op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde (z. bijlage 2).

Voorbeelden: Geen vrijstelling van BTW kan toegepast worden op:
-de aankoop van een autoradio die in een toerismewagen geplaatst wordt of van banden die worden gemonteerd op een vrachtwegen, een aanhangwagen, een caravan...;
-de aankoop van een krik of van een band die op het reservewiel van een voertuig wordt gemonteerd;
-de aankoop van brandstof die in de brandstoftank of in de reservetank van een voertuig wordt gegoten;
-de herstelling van een voertuig waarbij reserveonderdelen worden geleverd waarvan de waarde gelijk is aan of hoger dan de helft van de gefactureerde prijs (z. nr. 43).


65. Er wordt bovendien opgemerkt dat de goederen die bestemd zijn voor de uitrusting of de bevoorrading van pleziervaartuigen en van de sportvliegtuigen of van gelijk welk ander vervoermiddel voor privé-gebruik, en die zich op het tijdstip van hun uitvoer als zodanig aan boord van die vervoermiddelen bevinden, geenszins kunnen beschouwd worden als zijnde uitgevoerd in de persoonlijke bagage van de reiziger. Hieruit volgt dat de vrijstelling van BTW waarin artikel 39, § 1, 4° van het BTW-Wetboek voorziet en dat becommentarieerd wordt in de nrs. 110 en volgende, nooit kan toegepast worden.

66. Anderzijds, ten aanzien van goederen die ontegensprekelijk kunnen aangemerkt worden als uitrustings- of bevoorradingsgoederen van vervoermiddelen bedoeld in nr. 64, maar die zich op het tijdstip van hun uitvoer niet als zodanig aan boord bevinden van die vervoermiddelen, of die worden uitgevoerd door een ander persoon dan de koper zelf, kunnen daarentegen wel vrijstelling van BTW genieten op grond van artikel 39, § 1, 1°, 2° of 4° van het BTW-Wetboek onder de daarbij gestelde voorwaarden.

67. Tenslotte wordt opgemerkt dat de eigenaar van een in nr. 64 bedoeld vervoermiddel die in België voor de toepassing van de BTW geen vaste inrichting, noch een aansprakelijke vertegenwoordiger heeft, en die aantoont dat hij het vervoermiddel in het buitenland gebruikt voor handelingen die, wanneer ze in België zouden zijn verricht, een recht op aftrek zouden doen ontstaan, eventueel teruggaaf kan bekomen van de BTW die hij bij aankoop van de uitrustings- of bevoorradingsgoederen heeft betaald, voor zover deze BTW aftrekbaar is bij toepassing van de artikelen 45 tot 48 van het BTW-Wetboek. Deze teruggaaf moet schriftelijk worden gevraagd bij het Centraal BTW-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen, Jozef Stevensstraat 7 te 1000 Brussel.

De levering van goederen die een reiziger meeneemt in zijn persoonlijk bagage

68. De vrijstelling waarin artikel 39, § 1, 2° van het BTW-Wetboek voorziet, is niet van toepassing op de levering van goederen aan een reiziger die deze goederen in zijn persoonlijke bagage meeneemt naar een plaats buiten de Gemeenschap.

Immers, ten aanzien van dergelijke leveringen bestaat er een bijzondere vrijstellingsregeling, met name deze bedoeld in artikel 39, § 1, 4° van het BTW-Wetboek (z. nr. 110 en volgende). De bedoelde vrijstelling beoogt de levering van goederen die in hoofde van de koper geen enkel handels- of beroepskarakter vertoont.

Hieruit volgt dat:
-de aankoop van goederen met een handels- of beroepskarakter door een reiziger die deze goederen in zijn persoonlijke bagage meeneemt naar een plaats buiten de Gemeenschap, onder de toepassing blijft van de bepalingen voorzien in artikel 39, § 1, 2° van het BTW-Wetboek;
-de aankoop van goederen zonder een handels- of beroepskarakter door een reiziger die deze goederen in zijn persoonlijke bagage meeneemt naar een plaats buiten de Gemeenschap en waarbij de grenzen en de voorwaarden ingesteld door artikel 39, § 1, 4° van het BTW-Wetboek om op basis van die bepaling vrijgesteld te worden, niet zijn vervuld, geen enkele vrijstelling van BTW genieten (de vrijstelling van artikel 39, § 1, 1° van het BTW-Wetboek is niettemin van toepassing ten aanzien van de leveringen verricht door taksvrije verkooppunten gelegen in een Belgische luchthaven (z. nr. 176 en volgende)) . Dit is met name het geval wanneer de goederen worden geleverd aan een in de Gemeenschap gevestigde reiziger, of wanneer de waarde van de aangekochte goederen, belasting inbegrepen, per factuur geen 5000 BEF ( 125 EUR vanaf 1 januari 2002 (z. koninklijk besluit van 20 juli 2000 Belgisch Staatsblad van 30 augustus 2000) overschrijdt.
Voorbeelden:

De vrijstelling van BTW bedoeld in artikel 39, § 1, 2° van het BTW-Wetboek kan worden toegepast op de aankoop van vijf draagbare computers door een Amerikaans zakenman die ze voor zijn onderneming bestemt en ze in zijn persoonlijke bagage meeneemt naar een plaats buiten de Gemeenschap.

Er kan daarentegen geen vrijstelling van BTW verleend worden voor de aankoop in België van:
-een juweel door een Franse toerist die ze in zijn persoonlijke bagage meeneemt naar een plaats buiten de Gemeenschap;
-een kledingsstuk ter waarde van 3999 BEF, BTW inbegrepen, door een Zwitserse toerist die het in zijn persoonlijke bagage meevoert naar een plaats buiten de Gemeenschap;


Dienstverrichtingen die zijn vrijgesteld op grond van de artikelen 41 en 42 van het BTW-Wetboek

69. De diensten die op grond van artikel 39, § 1, 3° van het BTW-Wetboek voor vrijstelling in aanmerking komen, zijn diensten die bestaan uit materiële werkzaamheden zoals de herstelling, de verwerking, de aanpassing, het onderhoud en de reiniging van een uit te voeren goederen, expertise daaronder begrepen (z. nr. 40).

Voornoemd artikel bepaalt evenwel uitdrukkelijk dat de vrijstelling niet toepasselijk is op diensten die op grond van de artikelen 41 en 42 van het BTW-Wetboek zijn vrijgesteld. Deze handelingen zijn vrijgesteld op grond van die bijzondere bepalingen van zodra ze worden verricht in de voorwaarden gesteld door de genoemde artikelen.

Werken verricht aan roerende goederen die niet werden verworven of ingevoerd om deze werken te ondergaan

70. Met betrekking tot diensten verricht aan goederen die worden uitgevoerd, hetzij door of voor rekening van de dienstverrichter, hetzij door of voor rekening van de niet in België gevestigde afnemer van de dienst, is de vrijstelling van BTW bedoeld in artikel 39, § 1, 3° van het BTW-Wetboek slechts van toepassing indien die goederen werden verworven of ingevoerd met het oog op het verrichten van dergelijke handelingen.

De in dat artikel voorziene vrijstelling is derhalve niet van toepassing indien de goederen zich om andere redenen dan voor de uitvoering van de werken die ze moeten ondergaan, in de Lid-Staat bevinden waar de dienst materieel wordt verricht (z. nr 41).

71. Deze bepaling heeft inzonderheid tot gevolg dat de diensten met betrekking tot vervoermiddelen bedoeld in nr. 64, a) van de vrijstelling worden uitgesloten wanneer deze diensten worden verricht ingevolge een defect, een ongeval of een onvoorziene gebeurtenis die zich heeft voorgedaan tijdens het verblijf in België.

De redenen daarvoor zijn dezelfde als die uiteengezet onder nr. 63 met betrekking tot de levering van goederen die bestemd zijn voor de uitrusting en de bevoorrading van vervoermiddelen, namelijk de onmogelijkheid voor de dienstverrichter om voor de vervoermiddelen in het algemeen een uitvoerbewijs te bekomen, aangezien deze laatste worden gebruikt onder de regling internationaal verkeer van vervoermiddelen hetgeen aan de gebruiker toelaat onder dekking van hun inschrijving de grenzen te overschrijden.

Deze beperking van de vrijstelling is van toepassing ongeacht of het vervoermiddel in België dan wel elders is ingeschreven, dat het een toerismewagen of gelijk welk ander voertuig betreft, al dan niet voor beroepsgebruik (zoals bijvoorbeeld vrachtwagens of gelijkaardige voertuigen), een vliegtuig, een jacht of een pleziervaartuig.

72. Alleszins, de niet in België gevestigde eigenaar van het vervoermiddel die hier te lande geen vaste inrichting heeft, noch voor de toepassing van de BTW een aansprakelijke vertegenwoordiger heeft laten erkennen, en die aantoont dat het vervoermiddel in het buitenland wordt gebruikt voor handelingen die, wanneer ze in België zouden plaatsvinden, een recht op aftrek zouden doen ontstaan, kan eventueel teruggaaf bekomen van de BTW die werd betaald voor deze werken, in de mate dat deze aftrekbaar is overeenkomstig de artikelen 45 tot 48 van het BTW-Wetboek. Deze teruggaaf moet schriftelijk worden aangevraagd bij het Centraal BTW-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen, J. Stevensstraat 7 te 1000 Brussel.

73. Tenslotte wordt eraan herinnerd dat goederen die hier te lande worden ingevoerd om er een herstelling of een behandeling te ondergaan ofwel:
-voor het vrije verkeer en het verbruik kunnen aangegeven worden met betaling van de invoerrechten indien deze verschuldigd zijn en van de BTW;
-in de Gemeenschap binnengebracht kunnen worden onder de douaneregeling actieve veredeling met toepassing van de schorsingsregeling zoals bedoeld in artikel 23, § 4, 6° van het BTW-Wetboek;
-in de Gemeenschap binnengebracht kunnen worden onder de fiscale regeling die equivalent is aan de regeling actieve veredeling met toepassing van de schorsingsregeling bedoeld in artikel 23, § 5 van het BTW-Wetboek.
In de eerste veronderstelling kan de dienst van de belasting vrijgesteld worden op grond van artikel 39, § 1, 3° van het BTW-Wetboek indien de goederen worden wederuitgevoerd onder de bij dat artikel gestelde voorwaarden.

In de andere twee veronderstellingen kan laatstgenoemde bepaling daarentegen niet worden toegepast omdat de bijzondere vrijstellingsbepaling bedoeld in artikel 40, § 2, 2° van het BTW-Wetboek primeert. Deze stelt van de belasting vrij de diensten, andere dan deze die zijn vrijgesteld op basis van de artikelen 41 en 42 van het BTW-Wetboek, die betrekking hebben op goederen die van bij hun binnenkomst in de Gemeenschap, onder één van de regelingen werden geplaatst bedoeld in artikel 23, § § 4 en 5 van het BTW-Wetboek.

Overeenkomstig artikel 42, § 2 van het koninklijk besluit nr. 7 van 29 december 1992 met betrekking tot de invoer van goederen voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde, genomen ter uitvoering van artikel 40, § 2 van het BTW-Wetboek, moeten de betreffende diensten bestaan in handelingen die zijn toegelaten onder dekking van de douaneregeling inzake actieve veredeling. Overigens wordt de vrijstelling slechts voorlopig verleend. Ze wordt slechts definitief verworven bij de uitvoer van de goederen na veredeling. Indien de goederen bij ontstentenis van uitvoer, voor het verbruik worden aangegeven, blijft de vrijstelling slechts gehandhaafd voor de diensten verricht ten behoeve van de geadresseerde en, in voorkomend geval, voor de voorafgaande handelingen.

Voorbeeld: De Zwitserse vennootschap B belast de Belgische onderneming A ermee om uit ruwe opgerolde bladen aluminium die afkomstig zijn uit Hongarije, industriële stukken in aluminium te vervaardigen. Volgens de gesloten overeenkomst moet A instaan voor het verrichten van alle formaliteiten inzake in- en uitvoer. De afgewerkte producten moeten naar Zwitserland uitgevoerd worden.

Het vervaardigen van een roerend goed door een ondernemer aan de hand van materialen en voorwerpen die hem ter beschikking werden gesteld door zijn opdrachtgever, is een maakloonwerk in de zin van artikel 18, § 1, tweede lid, 1° van het BTW-Wetboek, ongeacht of de ondernemer al dan niet zelf een deel van de gebruikte materialen heeft geleverd (z. nr. 44). Op grond van artikel 21, § 3, 2°, a) van het BTW-Wetboek vindt deze dienst in België plaats (er wordt verondersteld dat B in de Gemeenschap geen enkel BTW-identificatienummer heeft). De dienst is dus overeenkomstig artikel 2 van het BTW-Wetboek in principe aan de BTW onderworpen.

Aangezien opgerolde bladen aluminium noch aan invoerrechten, noch aan handelspolitieke maatregelen onderworpen zijn, kan A kiezen tussen twee regelingen om de goederen in te voeren.

Eerste mogelijkheid: A past de opschortende douaneregeling niet toe bij het binnenkomen van de goederen in het douanegebied. Vermits er geen invoerrechten verschuldigd zijn en A bovendien overeenkomstig artikel 6, § 5, 2° van het koninklijk besluit nr 7 van 29 december 1992 met betrekking tot de invoeren op het stuk van de BTW, als geadresseerde bij de invoer kan optreden, kiest hij ervoor om de bladen aluminium voor het vrije verkeer en het verbruik aan te geven. Hierdoor moet hij inzake douane ook geen speciale boekhouding bijhouden, zoals de douaneregeling voorschrijft. Vermits de goederen werden ingevoerd om de bedoelde werken te ondergaan, kunnen ze op grond van artikel 39, § 1, 3° van het BTW-Wetboek van de BTW worden vrijgesteld in de mate dat de goederen ook effectief worden uitgevoerd.

Tweede mogelijkheid: A past bij het binnenkomen in België van de bladen aluminium de opschortende douaneregeling inzake actieve veredeling toe teneinde aldus de voorfinanciering van de wegens invoer verschuldigde BTW te vermijden. De handeling die A verricht is dan op grond van artikel 40, § 2, 2° van het BTW-Wetboek vrijgesteld. Het gaat immers om een dienst met betrekking tot goederen die van bij het binnenkomen in de Gemeenschap onder één van de regelingen werden geplaatst bedoeld in artikel 23, § 4 van het BTW-Wetboek.

Voorwaarde nr. 5 De persoon die de vrijstelling toepast, moet zijn recht daarop kunnen verantwoorden

Bewijs van de vrijstelling

74. De vrijstelling bedoeld in artikel 39, § 1, 1° tot 3° van het BTW-Wetboek wordt verleend voor zover de voorwaarden zijn vervuld, de formaliteiten werden nagekomen en de bewijzen worden geleverd die zijn bepaald in de artikelen 2 tot 7 van het koninklijk besluit nr. 18 van 29 december 1992 met betrekking tot de vrijstellingen ten aanzien van de uitvoer van goederen en diensten naar een plaats buiten de Gemeenschap op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde (z. bijlage 2).

Overeenkomstig deze bepalingen moet de verkoper of de dienstverrichter het bewijs van de uitvoer kunnen leveren aan de hand van een geheel van overeenstemmende documenten waaruit de echtheid van de uitvoer blijkt. Deze documenten zijn onder meer de bestelbons, de vervoerdocumenten, de betalingsdocumenten, het ontvangstbewijs ingeval van uitvoer door of voor rekening van de niet in België gevestigde koper of afnemer van de dienst, alsook de aangifte ten uitvoer die overeenkomstig de douanewetgeving ter zake moet worden ingediend.

Maar en ofschoon de aangifte ten uitvoer een essentieel element is inzake het bewijs van de uitvoer, volstaat de enkele voorlegging ervan op zich niet om het recht op de vrijstelling van de BTW te verantwoorden. Uit de boekhouding van de verkoper of de dienstverrichter moet bovendien de echtheid van de verrichte handeling blijken.

De uitvoerder

75. De naam of de maatschappelijke benaming alsmede het volledige adres van de uitvoerder moeten in vak 2 van douane-aangifte ten uitvoer vermeld worden (z. nr 83 en volgende en bijlage 4).

76. De aanduiding van de persoon die als uitvoerder kan optreden en die als dusdanig op dat document moet vermeld worden, is dus belangrijk en kan belangrijke gevolgen hebben voor de toepassing van de vrijstelling van BTW wegens uitvoer. De volgende regels zijn ter zake toepasselijk.

Inzake douane merkt de douanewetgeving (z. artikel 788 van de toepassingsbepalingen van het communautair douanewetboek) als uitvoerder aan, de persoon voor wiens rekening de aangifte ten uitvoer wordt opgemaakt en die op het tijdstip van de aanvaarding van deze aangifte door de douane, eigenaar is van de betrokken goederen of die dienaangaande een gelijkaardig beschikkingsrecht heeft. Wanneer de eigendom of het gelijkaardig beschikkingsrecht krachtens de overeenkomst die aan de uitvoer ten grondslag ligt, berust bij een buiten de Gemeenschap gevestigde persoon, wordt de in de Gemeenschap gevestigde overeenkomstsluitende partij als uitvoerder beschouwd.

Inzake BTW bestaat er geen specifieke definitie van de uitvoerder, net zomin als er een definitie van uitvoer bestaat (z. nrs 5 en 6). Hoe dan ook, het bewijs van de uitvoer moet geleverd worden door de verkoper of de dienstverrichter die overeenkomstig artikel 51, § 1, 1° van het BTW-Wetboek schuldenaar is van de BTW ten aanzien van de handeling die voor vrijstelling in aanmerking komt (z. nr. 74). De verkoper of de dienstverrichter van de wegens rechtstreekse uitvoer vrij te stellen handeling moet dus altijd als uitvoerder worden vermeld op de aangifte ten uitvoer.

Deze BTW-vereiste aangaande de als uitvoerder te vermelden persoon op de aangifte ten uitvoer is perfect in overeenstemming met de definitie van uitvoerder inzake douane. De belastingplichtige die gerechtigd is aanspraak te maken op de vrijstelling van BTW wegens uitvoer, is inderdaad dezelfde persoon die inzake douane beantwoordt aan de definitie van uitvoerder.

Op economisch vlak, wanneer de uitvoer van goederen onderworpen is aan een vergunning, is het de titularis van de vergunning die als uitvoerder moet vermeld worden op de aangifte ten uitvoer.

77. Tevens wordt opgemerkt dat de verkoper of de dienstverrichter aansprakelijk blijft voor de uitvoer van de goederen en bijgevolg voor de BTW met betrekking tot de levering of de dienst, in het geval de niet in België gevestigde koper of afnemer van de dienst in België de goederen in bezit zou nemen om ze zelf uit te voeren of voor hun rekening te doen uitvoeren. Hij is pas van zijn aansprakelijkheid ontheven als hij kan aantonen dat de goederen in de gestelde voorwaarden werden uitgevoerd, inzonderheid via het bezit van een aangifte ten uitvoer opgesteld op zijn naam.

78. Inzake het leveren van het bewijs van de uitvoer kunnen er zich in bepaalde situaties bovendien problemen voordoen, met name daar waar meerdere personen de vrijstelling kunnen inroepen. Dat is onder meer het geval bij onderaanneming of bij gezamenlijke uitvoer (z. nr. 57).

In dergelijke gevallen wordt er inderdaad maar één enkele aangifte ten uitvoer opgesteld op naam van de leverancier of dienstverrichter die de goederen buiten de Gemeenschap uitvoert of voor zijn rekening doet uitvoeren.

Opdat de andere leveranciers en/of dienstverrichters hun toegepaste vrijstelling zouden kunnen verantwoorden, moet de uitvoerder ofwel op de aangifte ten uitvoer, ofwel op een lijst die bij die aangifte wordt gevoegd en er één geheel mee uitmaakt, alle leveranciers en/of dienstverrichters vermelden die gezamenlijk met hem uitvoeren. Hij moet tevens voor elk van deze personen de door hen geleverde goederen of het werk dat ze hebben verricht, vermelden.

Die andere leveranciers en/of dienstverrichters moeten er voor zorgen dat ze in het bezit te zijn van ofwel een verklaring die verwijst naar de aangifte ten uitvoer, ofwel van een kopie van die aangifte.

Kopiefactuur

79. Overeenkomstig de artikelen 2, 6 en 7 van het koninklijk besluit nr. 18 (z. bijlage 2), moet een kopie van de factuur uitgereikt door de verkoper of de dienstverrichter worden afgegeven op het douanekantoor waar, overeenkomstig de douanereglementering inzake uitvoer, een aangifte ten uitvoer moet worden ingediend.

Bij ontstentenis van een factuur, met name wanneer de factuur nog niet werd uitgereikt op het tijdstip van de uitvoer of wanneer er geen factureringsplicht is, moet een verzendingsstuk dat alle gegevens van een verkoopfactuur bevat, worden afgegeven op het douanekantoor van uitvoer.

Het gaat om de kopie van verkoopfactuur of het verzendingsstuk uitgereikt door de persoon op wiens naam de aangifte ten uitvoer is opgesteld.

Wanneer op de kopiefactuur die wordt opgesteld voor diensten verricht met vrijstelling van de BTW op grond van artikel 39, § 1, 3° van het BTW-Wetboek, de hoeveelheid en de gebruikelijke benaming van de uitgevoerde goederen niet vermeld zijn, moet de kopiefactuur daarmee worden aangevuld. Bij ontstentenis, moet een verzendingsstuk dat deze vermeldingen bevat, eveneens worden afgegeven op het douanekantoor van uitvoer.

De kopiefacturen of de verzendingsstukken moeten gehecht worden aan exemplaar 1 voor het kantoor (z. nr. 86) van de aangifte ten uitvoer.

Er is geen kopiefactuur of verzendingsstuk vereist voor de zendingen waarvan de waarde geen 250,00 EUR (10.000 BEF) (*) overschrijdt, behalve wanneer meerdere zendingen van 250,00 EUR (10.000 BEF) (*) of minder door dezelfde expediteur op dezelfde dag naar dezelfde bestemmeling in het buitenland worden verzonden en voor zover het totaalbedrag 250,00 EUR (10.000 BEF) (*) overschrijdt.

Ingeval van onderaanneming of gezamenlijke uitvoer (z. nr. 57) wordt de aangifte ten uitvoer opgesteld op naam van de leverancier of van de dienstverrichter die de goederen buiten de Gemeenschap vervoert of voor zijn rekening doet uitvoeren. Deze persoon hecht aan de uitvoeraangifte, benevens een kopie van zijn eigen factuur, een kopie van de factuur van elk van de leveranciers en/of dienstverrichters die gezamenlijk met hem uitvoeren, of bij ontstentenis van factuur, een verzendingsstuk van elk van hen.

[(*) Omzetting naar euro : aanschrijving 101.564 dd.19.12.2001 (inwerkingtreding 01.01.2002)]

Ontvangstbewijs

80. De artikelen 5 en 7 van het koninklijk besluit nr. 18 (z. bijlage 2) schrijven voor dat de niet in België gevestigde koper of ontvanger van de dienst, die de te leveren goederen in zijn bezit neemt, bij de inbezitname aan zijn in België gevestigde verkoper of zijn dienstverrichter een ontvangstbewijs moet afleveren. Dit ontvangstbewijs moet de datum van afgifte, de omschrijving van de goederen en het land van bestemming vermelden.

Hetzelfde document moet aan de verkoper of aan de dienstverrichter worden afgegeven wanneer een derde persoon die handelt voor rekening van de niet in België gevestigde koper of ontvanger van de dienst, de goederen in België omt ophalen. In dergelijk geval moet die derde persoon dat document afgeven waarin hij verklaart te handelen voor rekening van zijn opdrachtgever.

Ingeval van onderaanneming of gezamenlijke uitvoer (z. nr. 57) moet één enkel ontvangstbewijs worden afgegeven aan de leverancier of aan de dienstverrichter op wiens naam de aangifte ten uitvoer is opgesteld.

VERANTWOORDING VAN HET RECHT OP VRIJSTELLING WEGENS RECHTSTREEKSE UITVOER
DOOR WIE? Door de verkoper of de dienstverrichter die voor de vrijgestelde handeling in principe schuldenaar van de belasting is.
HOE? Door een geheel van overeenstemmende documenten waaruit de echtheid van de uitvoer blijkt. De aangifte ten uitvoer die overeenkomstig de douanereglementering moet overgelegd worden, vormt daarbij een essentieel element, maar is op zich alleen onvoldoende.
OP WIENS NAAM? De aangifte ten uitvoer moet steeds op naam van de verkoper of de dienstverrichter die op de vrijstelling aanspraak maakt, worden opgesteld, zelfs wanneer de goederen door de niet in België gevestigde koper of afnemer van de dienst of voor hun rekening worden uitgevoerd.


Afdeling 4:Douaneformaliteiten bij uitvoer - Aangifte ten uitvoer

Gevolgen van de instelling van de Europese éénheidsmarkt op de te vervullen uitvoerformaliteiten.

81. De opheffing op 1 januari 1993 van alle douane- en fiscale grenzen binnen de Gemeenschap heeft de na te leven uitvoerformaliteiten grondig gewijzigd.

Immers, sedertdien heeft het fiscale begrip uitvoer geen betrekking meer op de verrichtingen tussen de Lid-Staten van de Gemeenschap, maar enkel nog op de handelingen met de gebieden die uitgesloten zijn van het gemeenschappelijk BTW-stelsel dat in de Lid-Staten van de Gemeenschap van toepassing is. Anders gezegd, de verzending of het vervoer van een goed buiten een Lid-Staat is niet meer noodzakelijk een uitvoer. Daarvoor moet bovendien dat goed het BTW-gebied van de Gemeenschap verlaten.

In functie van de gebruikte vervoerswijze en van de geografische ligging van de Lid-Staten kunnen de goederen ofwel rechtstreeks, ofwel via één of meerdere andere Lid-Staten uitgevoerd worden.

In de kontekst van de Europese éénheidsmarkt moeten de douane- en fiscale bepalingen daarom:
-het principe garanderen van het vrije verkeer van goederen binnen de Gemeenschap, vermits het overschrijden van een binnengrens geen aanleiding meer mag geven tot enige administratieve formaliteit (afschaffing, op enkele bijzondere situaties na, van het intern communautair douanevervoer);
-aan de operatoren de mogelijkheid bieden om het bewijs te leveren dat de goederen de Gemeenschap hebben verlaten en op die manier de fiscale vrijstelling wegens uitvoer te bewijzen ten behoeve van de overheden van de Lid-Staat waar de levering of de dienst geacht wordt plaats te vinden, ook al verlaten de goederen de Gemeenschap via een andere Lid-Staat dan die waar de levering of de dienst geacht wordt plaats te vinden.


82. Om dit doel te bereiken, voorziet de douanewetgeving inzonderheid in een dubbel visum op de douanedocumenten bij uitvoer. Algemeen bestaat deze techniek erin om vóór het vervoer of de verzending van de goederen naar een plaats buiten de Gemeenschap, de aangifte ten uitvoer te valideren op het douanekantoor dat bevoegd is voor de plaats waar de uitvoerder is gevestigd of waar de goederen worden verpakt of ingeladen met het oog op hun vervoer bij uitvoer (dit kantoor wordt douanekantoor van uitvoer genoemd) en het effectief uitgaan van de goederen uit de Gemeenschap te laten controleren door een tweede douanekantoor, gelegen aan de buitengrens van de Gemeenschap (dit kantoor wordt douanekantoor van uitgang genoemd). Dit laatste kantoor viseert, na vaststelling van de uitvoer, de aangifte ten uitvoer die voorafgaandelijk door het douanekantoor van uitvoer al was geldig gemaakt. Tussen deze beide douanekantoren kunnen de goederen binnen de Gemeenschap vrij circuleren.

Hieruit volgt dat een aangifte ten uitvoer die door het douanekantoor van uitvoer geldig is gemaakt, maar nog niet geviseerd is door het douanekantoor van uitgang, geen enkele waarde heeft.

Op deze standaardprocedure bestaan er tal van afwijkingen die rekening houden met de bijzonderheden eigen aan bepaalde situaties. Ze worden hierna meer gedetailleerd weergegeven.

De aangifte ten uitvoer

83. Overeenkomstig de artikelen 59 en 161 van het communautair douanewetboek is de uitvoer van communautaire goederen buiten het douanegebied van de Gemeenschap ondergeschikt aan de plaatsing van die goederen onder de douaneregeling uitvoer. Dit houdt inzonderheid de verplichting in om de goederen aan te bieden en om bij de douane een schriftelijke aangifte ten uitvoer over te leggen opgesteld op een formulier genaamd "Enig Document".

Dit formulier is een administratief document gecreëerd door de Europese Gemeenschappen om gebruikt te worden bij het handelsverkeer tussen de Lid-Staten van de Gemeenschap en de landen die daar geen deel van uitmaken. Hetzelfde formulier wordt gebruikt als aangifte ten verbruik bij invoer, als aangifte voor plaatsing van de goederen onder een douaneregeling van entrepot of doorvoer of nog, als aangifte ten uitvoer.

84. Het "Enig Document" wordt eveneens gebruikt in de handelsrelaties met de delen van het douanegebied die niet behoren tot het BTW-gebied van de Gemeenschap. Inzake BTW vormen dergelijke goederenbewegingen immers in- en uitvoeren. De afschaffing van de douaneformaliteiten en -controles ten aanzien van communautaire goederen die binnen het BTW-gebied van de Gemeenschap circuleren, mag dus niet worden uitgebreid tot die delen van het douanegebied (z. nr. 7 en volgende).

85. Wanneer het "Enig Document" als aangifte ten uitvoer wordt gebruikt, wordt in het eerste vak van het formulier, naargelang het geval, het letterwoord EX1, EU1 of COM1 aangebracht.

Het letterwoord EX1 wordt gebruikt in geval van:
-een definitieve uitvoer buiten het douanegebied van de Gemeenschap, behalve wanneer het een EVA- of een VISEGRAD-land betreft (h et gaat om IJsland, Noorwegen, Zwitserland, Hongarije, Polen, Slovakije en Tchechië);
-een definitieve verzending van niet communautaire goederen in het kader van het handelsverkeer tussen twee Lid-Staten van de Gemeenschap.
Het letterwoord EU1 wordt gebruikt om een definitieve uitvoer van goederen aan te geven naar een EVA-land of een VISEGRAD-land.

Het letterwoord COM1 wordt gebruikt om een definitieve uitvoer van communautaire goederen aan te geven in het kader van het handelsverkeer tussen gedeelten van het douanegebied van de Gemeenschap waar de bepalingen van de Zesde BTW-Richtlijn van toepassing zijn en gedeelten van dat gebied waar deze bepalingen niet van toepassing zijn ( het gaat om de Canarische eilanden, de Franse overzeese departementen, de berg Athos, de Åland-eilanden en de Anglo-Normandische eilanden (z. nrs 7 tot 15)).

86. Het "Enig Document" bestaat in principe uit een set van acht exemplaren, genummerd van 1 tot 8. De exemplaren 1 tot 3 van het formulier zijn bestemd voor de uitvoerformaliteiten, eventueel aangevuld met een exemplaar A bestemd voor het CIV en een exemplaar R voor het BIRB.

Exemplaar 1 is bestemd voor het land van uitvoer en wordt gerangschikt op het douanekantoor van geldigmaking.

Exemplaar 2 wordt gebruikt voor statistiekdoeleinden van de Lid-Staat van uitvoer.

Exemplaar 3 is bestemd voor de uitvoerder. Na visum door de douanedienst moet het terugkeren bij de uitvoerder. Het kan eventueel fungeren als bewijsstuk voor de toepassing van de BTW-vrijstelling wegens uitvoer van de goederen.

Het supplementaire exemplaar A is bestemd voor het centrum voor informatieverwerking van de douane. Het moet enkel gebruikt worden als de aangifte ten uitvoer niet via Sadbel of mini-Sadbel wordt opgemaakt.

Het supplementaire exemplaar R is bestemd voor het Belgisch Interventie- en Restitutiebureau (BIRB). Het wordt in het kader van de gemeenschappelijke landbouwpolitiek gebruikt wanneer ten aanzien van uitgevoerde goederen subsidies worden uitgekeerd. De douane zendt dit exemplaar nadat het werd geviseerd, naar voornoemd Bureau, Trierstraat 82 te 1040 Brussel.

De toelichting bij het gebruik van het formulier "Enig Document" bevat de bepalingen met betrekking tot de algemene voorstelling van het formulier, alsook de voorschriften om de verschillende vakken in te vullen. Deze toelichting is terug te vinden in bijlage 5 van de instructie Enig Document - 1999 (D.I. 530.11) van de administratie der douane en accijnzen. Deze instructie kan bij de dienst documentatie van deze administratie worden besteld op het volgende adres:

MINISTERIE VAN FINANCIËN
DOCUMENTATIEDIENST DER DOUANE EN ACCIJNZEN
Rijksadministratief centrum
Financietoren, bus 37
Kruidtuinlaan 50
1010 Brussel
Tel: 02/210.38.15

Bijlage 4 van onderhavige aanschrijving bevat een specimen van exemplaar 3 van het Enig Document, alsmede een bondige omschrijving van de vermeldingen die in de verschillende vakken van dat document moeten opgenomen worden wanneer dat document als aangifte ten uitvoer gebruikt wordt.

De verzending van de goederen naar het buitenland - Algemene procedure

87. In nr. 82 werd een kort overzicht gegeven van de algemene procedure voor de verzending van goederen naar het buitenland.

Overeenkomstig artikel 161, § 5 van het Communautair douanewetboek moet de aangifte ten uitvoer in principe worden ingediend bij het douanekantoor dat bevoegd is voor het toezicht voor de plaats waar de uitvoerder is gevestigd of waar de goederen zijn verpakt of met het oog op de uitvoer in of op het vervoermiddel zijn geladen. Dit kantoor wordt douanekantoor van uitvoer genoemd.

In de praktijk komt dit algemeen principe erop neer dat de uitvoeraangifte moet worden ingediend bij het douanekantoor dat volgens het aan dat kantoor toegewezen ambtsgebied, bevoegd is voor het toezicht voor de plaats:
-waar de uitvoerder (z.nrs 75 tot 78) is gevestigd, of
-waar de goederen met het oog op de uitvoer in een container worden geladen, of
-waar de goederen met het oog op de uitvoer in of op een vervoermiddel zijn geladen.
Indien gekozen wordt voor de plaats van verpakking of het laden van de goederen, dient deze plaats dusdanig te worden geïnterpreteerd dat het uitsluitend kan gaan om de eerste plaats van lading op een vervoermiddel, zelfs indien dit niet het vervoermiddel is waarmee de goederen het douanegebied van de Gemeenschap zullen verlaten. Bepalend is het tijdstip waarop de goederen de douanebestemming uitvoer krijgen.

Ingeval van onderaanneming mag de aangifte ten uitvoer eveneens worden ingediend bij het douanekantoor dat bevoegd is voor de plaats waar de onderaannemer is gevestigd.

88. De omzendbrief "Uitvoer van goederen - Bevoegdheid van de kantoren" nr. D.D.191.102 (D.I.537.02) van de Administratie der douane en accijnzen, die overigens bij de documentatiedienst van die administratie op het in nr. 86 vermelde adres kan worden besteld, bevat alle nuttige preciseringen om het douanekantoor van uitvoer aan te duiden waar in België de aangifte ten uitvoer moet worden ingediend in functie van de hiervoor uiteengezette regels. Op deze regels bestaan evenwel een aantal afwijkingen.

Dat is met name het geval voor:
a)groepagezendingen: indien goederen op een verzamelpunt worden bijeengebracht om vervolgens met het oog op de uitvoer gezamenlijk in een vervoermiddel te worden geladen, mag de uitvoeraangifte worden ingediend bij het douanekantoor dat bevoegd is voor het toezicht voor de plaats waar het betrokken verzamelpunt is gelegen;
b)een lading op diverse plaatsen: indien goederen met het oog op de uitvoer op diverse plaatsen worden geladen mag de aangifte ten uitvoer worden ingediend bij het douanekantoor dat bevoegd is voor het toezicht voor de plaats waar de laatste lading wordt verricht (plaats waar de volledige lading voor het eerst kan worden aangeboden);
c)een gedwongen omweg: indien het principieel bevoegd douanekantoor zich op een zodanige afstand of in een zodanige richting ten opzichte van de plaats van vestiging van de exporteur bevindt, dat het economisch niet verantwoord zou zijn het in nr. 87 bepaalde principe toe te passen, moet de aangifte ten uitvoer worden ingediend op het eerstvolgende bevoegde douanekantoor, dat gelegen is op of in de nabijheid van de normale reisweg voor het bereiken van de aangegeven bestemming;
d)een dringende verzending: indien het principieel bevoegd douanekantoor beperkte openingsdagen en -uren heeft en gesloten is op het tijdstip dat een dringende verzending moet worden verricht, dan mag de aangifte ten uitvoer worden ingediend op het eerstvolgende bevoegde douanekantoor dat gelegen is op of in de nabijheid van de normale reisweg voor het bereiken van de aangegeven bestemming;
e)de aangifte van verse, gekoelde of diepgevroren producten: rekening houdend met de vereisten omtrent de inrichting en de infrastructuur nodig voor de behandeling van dergelijke goederen en waarvoor de fysieke verificatie in een koelinstallatie dient te gebeuren, zijn enkel bepaalde douanekantoren bevoegd voor de uitvoer van die producten. Indien het principieel bevoegd douanekantoor zich in het ambtsgebied bevindt van één van deze speciaal bevoegde kantoren, moet de aangifte ten uitvoer op dit kantoor worden ingediend, behoudens afwijking ingeval van gedwongen omweg of dringende verzending. In het omgekeerde geval moet de aangifte ten uitvoer worden ingediend op het eerstvolgende speciaal bevoegde douanekantoor dat gelegen is op of in de nabijheid van de normale reisweg voor het bereiken van de vooropgestelde bestemming, behoudens afwijking ingeval van gedwongen omweg of dringende verzending.


89. Nadat het douanekantoor van uitvoer de gegevens die op de aangifte ten uitvoer voorkomen, heeft geverifieerd, wordt de aangifte geldiggemaakt door in vak A van de desbetreffende exemplaren de datum van aanvaarding, de identificatie van het douanekantoor en een volgnummer aan te brengen. Een handtekening of andere aantekeningen (paraaf, serienummer van de kantoorstempel...) laten toe de douanier te identificeren die de aangifte heeft geldiggemaakt.

Het douanekantoor van uitvoer houdt de exemplaren 1 en 2 in van de gevalideerde aangifte ten uitvoer, alsmede, eventueel, de exemplaren A en R van dat document. Het gevalideerde exemplaar 3 wordt aan de aangever teruggegeven, die het samen met de goederen moet aanbieden bij het douanekantoor van uitgang uit de Gemeenschap.

90. Onder douanekantoor van uitgang wordt verstaan:
a)voor goederen die per spoor, per post, door de lucht of over zee worden uitgevoerd, het douanekantoor dat bevoegd is voor de plaats waar de goederen, in het kader van een enkele vervoersovereenkomst, door de spoorwegmaatschappijen, de posterijen of de lucht- of scheepsvaartmaatschappijen voor vervoer naar een derde land worden aangenomen ( dus niet in het geval de opgegeven bestemming een laatste kantoor (haven of luchthaven) is waarlangs de goederen de Gemeenschap zullen verlaten);
b)voor goederen die via een pijpleiding worden uitgevoerd en voor elektrische energie, het douanekantoor dat is aangewezen door de Lid-Staat waar de exporteur is gevestigd;
c)voor goederen die langs andere wegen of onder omstandigheden werden uitgevoerd waarop het bepaalde onder a) en b) niet van toepassing is, het laatste douanekantoor voordat de goederen het douanegebied van de Gemeenschap verlaten.
Afhankelijk van de gebruikte vervoerswijze, van de plaats waar de exporteur is gevestigd alsmede van de eventuele afwijkingen inzake de aanduiding van het bevoegde douanekantoor van uitvoer, kan het douanekantoor van uitvoer tegelijkertijd ook het douanekantoor van uitgang zijn.

91. Indien het kantoor van uitvoer tevens het kantoor van uitgang uit de Gemeenschap is, wordt - zodra de goederen het land hebben verlaten - in het vak "Controle door het kantoor van uitvoer" op de keerzijde van exemplaar 1 evenals op de keerzijde van exemplaar 3 de werkelijke uitvoer uit België aangetekend door het aanbrengen van de vermelding "UITVOER". Deze aantekening wordt gewaarmerkt met de kantoorstempel. Het aldus geviseerde exemplaar 3 wordt teruggegeven aan de aangever (z. evenwel nr. 94).

Wanneer bovendien de aangifte werd opgesteld met het oog op het toekennen van restituties, moet de datum van uitgang uit het douanegebied van de Gemeenschap duidelijk worden vermeld op de keerzijde van de exemplaren 1, A, 3 en R met de vermelding "Uitgaan uit het douanegebied Gemeenschap vastgesteld" en gewaarmerkt met de ronde datumstempel waarop de werkelijke datum voorkomt waarop de goederen het douanegebied van de Gemeenschap hebben verlaten.

92. Indien het douanekantoor van uitvoer niet tevens het douanekantoor van uitgang uit de Gemeenschap is, wordt het geldiggemaakte exemplaar 3 van de aangifte door het douanekantoor van uitvoer aan de belanghebbende teruggegeven nadat alle vereiste formaliteiten zijn verricht.

Exemplaar 3 moet door de belanghebbende samen met de goederen aan het kantoor van uitgang uit de Gemeenschap worden voorgelegd voor vaststelling van de uitvoer, vermits in dat geval de regeling voor intern communautair douanevervoer geen toepassing vindt.

Wanneer de goederen op het douanekantoor van uitgang uit de Gemeenschap samen met exemplaar 3 van de aangifte ten uitvoer worden aangebracht respectievelijk overgelegd, vergewist dit kantoor zich ervan of de voorgelegde goederen in overeenstemming zijn met de aangifte. Voor zover de aangever zijn wens te kennen heeft gegeven om exemplaar 3 terug te bekomen, bevestigt dit kantoor het daadwerkelijk uitgaan van de goederen door het aanbrengen van een visum. Het aldus geviseerde exemplaar 3 wordt aan de aangever teruggegeven (z. evenwel nr. 94).

Indien onregelmatigheden worden vastgesteld, wordt dit vermeld op voornoemd exemplaar 3 en medegedeeld aan het douanekantoor van uitvoer.

93. Wanneer het uitgaan in gedeelten plaatsvindt, wordt de aangifte ten uitvoer slechts geviseerd voor het werkelijk uitgevoerde deel van de goederen. Wanneer het uitgaan in gedeelten plaatsvindt via verschillende kantoren, waarmerkt het douanekantoor van uitgang waar het oorspronkelijke exemplaar 3 van de uitvoeraangifte is overgelegd, de kopieën van dat exemplaar 3 voor de hoeveelheden goederen die via andere kantoren zullen uitgaan. Op het oorspronkelijke exemplaar 3 wordt de afgifte van die kopieën aangetekend.

94. Indien het moeilijk of onmogelijk is de exemplaren 3 dadelijk aan de aangever of vervoerder af te geven na de behandeling op het kantoor van uitgang (bijvoorbeeld omdat, zoals in zeehavens, de vaststelling van de uitvoer eerst na het uitvaren van het schip geschiedt), treft de douane de nodige maatregelen om de exemplaren 3 ter beschikking te houden van de belanghebbende na vaststelling van de uitvoer. De aldus ter beschikking gehouden exemplaren worden vernietigd indien ze niet zijn afgehaald binnen de drie maanden na de vaststelling van de uitvoer.

95. Wanneer de goederen het douanegebied van de Gemeenschap hebben verlaten zonder dat er een aangifte ten uitvoer voor werd opgesteld, dan moet a posteriori een aangifte worden ingediend op het bevoegde douanekantoor. Dit doet geen afbreuk aan het eventueel oplopen van strafrechterlijke sancties.

WAT IS INZAKE UITVOER DE ALGEMENE PROCEDURE DIE GEVOLGD MOET WORDEN BIJ HET VERVOER VAN DE GOEDEREN?
PRINCIPE: dubbel visum van de douanedocumenten bij uitvoer:
=> voorafgaande validering bij de aanvang van het vervoer naar een plaats buiten de Gemeenschap door het douanekantoor dat bevoegd is voor het toezicht over de plaats waar de uitvoerder is gevestigd of waar de goederen worden verpakt of geladen met het oog op hun vervoer bij uitvoer (douanekantoor van uitvoer);
=> controle op het effectief uitgaan van de goederen uit de Gemeenschap door een tweede douanekantoor gelegen aan de buitengrens van de Gemeenschap (douanekantoor van uitgang) dat dit uitgaan bevestigt door het aanbrengen van een visum.
Tussen de twee douanekantoren kunnen de goederen vrij circuleren onder dekking van de aangifte ten uitvoer.
Hieruit volgt dat een aangifte ten uitvoer die wel door het douanekantoor van uitvoer maar niet door het douanekantoor van uitgang geldig is gemaakt, geen enkele waarde heeft.


Het vervoeren van de goederen naar het buitenland - Bijzondere procedures

Indiening van een aangifte ten uitvoer in een andere Lid-Staat dan die waar de uitvoerder is gevestigd

96. Indien om deugdelijk aangetoonde grondige redenen goederen ten uitvoer worden aangeboden bij een andere douanekantoor dan dat vermeld in nr. 87, gelegen in een andere Lid-Staat dan die waar de exporteur is gevestigd, mag dit kantoor deze aangifte aanvaarden. In dergelijk geval moet dit kantoor een grondige controle verrichten om rekening te houden met het uitzonderlijk karakter van de goederenbeweging. De grondige controle omvat vooral de toepassing van eventuele verbods-, beperkings- en controlemaatregelen.

Bovendien mogen goederen die niet aan een verbods- of beperkingsmaatregel zijn onderworpen en waarvan de waarde per zending en per aangever niet meer dan 121.020 BEF ( 3000 EUR vanaf 1 januari 2002 (z. artikel 794.1 van de toepassingsbepalingen van het communautair douanewetboek)) bedraagt, zelfs bij een douanekantoor van uitgang worden aangegeven dat gelegen is in een andere Lid-Staat dan die waar de exporteur is gevestigd.

Die regeling geldt evenwel niet in België wanneer de persoon die de aangifte ten uitvoer opstelt, een douane-expediteur is.

Uitvoer van goederen onder dekking van een carnet TIR of onder de regeling communautair douanevervoer

97. Bij uitvoer van goederen die tegelijkertijd onder de regeling douanevervoer (communautair (het vrij verkeer van goederen binnen de Gemeenschap werd gerealiseerd door de afschaffing van de douaneformaliteiten en -controles aan de binnengrenzen van de Gemeenschap. De documenten voor communautair douanevervoer T2 worden derhalve niet meer gebruikt voor het vervoer van communautaire goederen binnen de Gemeenschap. Op dit principe bestaan er evenwel een aantal uitzonderingen, meer bepaald ingeval van vervoer van goederen naar een plaats die niet tot het BTW-gebied, maar wel tot het douanegbied van de Gemeenschap behoort (b.v.b. de Canarische Eilanden - z. nrs 7 tot 15)), gemeenschappelijk (op 20 mei 1987 werd tussen de Europese Gemeenschap en de EVA-landen een overeenkomst gesloten m.b.t. een regeling inzake gemeenschappelijk douanevervoer. Deze overeenkomst voorziet dat de reglementering inzake het communautair douanevervoer wordt toegepast op het vervoer van goederen tussen de Gemeenschap en die landen, alsook tussen de EVA-landen zelf, daaronder begrepen in voorkomend geval, de goederen die worden overgeslagen, wederuitgevoerd of ingeslagen in een douane-entrepot. Vanaf 1 juli 1996 werd voornoemde overeenkomst uitgebreid tot de Viségrad-landen (z. nr 85)), carnet TIR) worden geplaatst, treft de douane de nodige maatregelen om hun identiteit te waarborgen. De eventueel aangebrachte verzegeling wordt vermeld in vak D, links onderaan van de aangifte ten uitvoer.

Het douanekantoor van vertrek inzake doorvoer handelt als douanekantoor van uitvoer en, wat de uitvoer betreft, als douanekantoor van uitgang.

Het vervoer van de goederen naar het buitenland geschiedt, naargelang het geval, onder geleide van het carnet TIR, van de exemplaren 4, 5 en 7 van het "Enig Document" gebruikt als aangifte van doorvoer of van de internationale vrachtbrief of van het overdrachtformulier TR.

Uitvoer van accijnsgoederen onder schorsing

98. Het "Enig Document" wordt evenmin gebruikt voor het vervoer van accijnsgoederen (minerale oliën, alcohol en alcoholische dranken alsook tabaksproducten) die zich onder schorsing van de accijnzen bevinden. Een dergelijk vervoer heeft plaats onder dekking van een administratief geleidedocument. Het exemplaar 3 van de aangifte ten uitvoer vergezelt de goederen dus niet tot op het douanekantoor van uitgang uit de Gemeenschap.

Het uitgangsvisum dat moet worden aangebracht op de keerzijde van de exemplaren 1 en 3 van de aangifte ten uitvoer, wordt aangebracht op het douanekantoor van uitvoer op vertoon van het administratief geleidedocument.

Het douanekantoor van uitvoer moet in de desbetreffende gevallen, in vak D onderaan de exemplaren 1, eventueel A, 2 en 3 van de aangifte ten uitvoer verwijzen naar het administratief geleidedocument door vermelding van het nummer en de datum.

Op de exemplaren 2, 3 en 4 van het administratief geleidedocument brengt het douanekantoor van uitvoer bovendien in het rood de vermelding "EXPORT" aan alsmede de ronde datumstempel. Het nummer en de datum van de aangifte ten uitvoer worden vermeld in vak C op de keerzijde van voornoemde exemplaren.

De exemplaren van het administratief geleidedocument worden vervolgens aan de aangever of de vervoerder teruggegeven om samen met de goederen te worden vertoond op het douanekantoor van uitgang.

Uitvoer over zee

99. Bij uitvoer per schip van goederen die in een zeehaven in het binnenland worden geladen, worden de exemplaren 1, A, 2 en 3 aldaar ingehouden. De werkelijke uitvoer wordt op de documenten aangetekend overeenkomstig de gewone regels van zodra de geviseerde generale verklaring Benelux 21 (de generale verklaring Benelux 21 dient voor de controle van de uitgaande schepen en voor de statistiek van de zeevaart (z. instructie binnenkomen en buitengaan van zeeschepen - 1994 D.I. 523 van de Administratie der douane en accijnzen. Deze instructie kan besteld worden bij de documentatiedienst van deze administratie op het adres vermeld in nr. 86)) op het kantoor van lading terugkeert (de verklaring van uitgang op de documenten betreffende de goederen die per schip uitgaan via Antwerpen of Gent, geschiedt door het aanbrengen van een afdruk van een rechthoekige stempel. In die stempel komen voor: de vermelding "Douane (Uitvoer)", de datum van uitgang, een volgnummer, en de vermelding "Antwerpen - Sect. Meteren" of "Kantoor Gent D").

Uitvoer per post en postcolli

100. Voor postzendingen of postcolli die worden verzonden naar een plaats buiten de Gemeenschap, moeten in principe dezelfde formaliteiten worden verricht als voor de uitvoer van goederen door of voor rekening van de leverancier. Aangezien het bij dergelijke zendingen meestal gaat om goederen van relatief geringe waarde, mogen de formaliteiten met betrekking tot de aangifte ten uitvoer vervangen worden door soepelere formaliteiten die verschillen naargelang het gaat om postzendingen of postcolli.

Onder "postzendingen" wordt verstaan het verzenden van lichamelijk roerende goederen die afgegeven worden op een postkantoor in het binnenland met het oog op hun verzending. Indien de waarde van de goederen die naar een plaats buiten de Gemeenschap worden verzonden, 14.500 BEF (de tegenwaarde van dit bedrag in euro werd nog niet vastgesteld op het tijdstip van publicatie van deze aanschrijving) niet overschrijdt, moet op de zending een etiket C1 (of het nieuwe model CN22) aangebracht worden. Indien de waarde hoger is dan 14.500 BEF (de tegenwaarde van dit bedrag in euro werd nog niet vastgesteld op het tijdstip van publicatie van deze aanschrijving) of indien gewenst, wordt het bovenste deel van het etiket C1 (of het nieuwe model CN22) op de zending aangebracht en wordt een douaneverklaring C2/CP3 (of het nieuwe model CN23) opgesteld die de zending vergezelt.

Voor de verzending per post van goederen in het vrije verkeer naar derde landen moet niet verplicht een aangifte ten uitvoer op een formulier "Enig Document" worden opgesteld, indien de waarde van die goederen 14.500 BEF (de tegenwaarde van dit bedrag in euro werd nog niet vastgesteld op het tijdstip van publicatie van deze aanschrijving) niet overschrijdt. In dergelijk geval kan de uitvoerder de uitvoer aantonen door aan het postkantoor van afgifte twee bijkomende exemplaren van de verklaring C2/CP3 (of het nieuwe model CN23) voor te leggen. Bovenaan één exemplaar dient de vermelding "Exemplaar bestemd voor de afzender" te worden aangebracht en moet, om elke latere inschrijving onmogelijk te maken, met inkt het onbeschreven gedeelte van de verscheidene kolommen worden doorgehaald. Na verificatie wordt op dat exemplaar een afdruk geplaatst van de datumstempel van het postkantoor waar de zending werd afgegeven. Dat exemplaar wordt aan de exporteur teruggegeven. Deze aldus geldiggemaakte verklaring vormt samen met de andere documenten die de echtheid van de uitvoer aantonen, het bewijs van het recht op de vrijstelling van de BTW.

Onder "postcolli" wordt verstaan, de colli waarvan het gewicht 32 kg niet overschrijdt en die met het oog op zijn verzending in het internationaal verkeer wordt afgegeven in een station van de N.M.B.S. De colli wordt verzonden onder geleide van een verzendingsborderel CP2. Er wordt een douaneverklaring C2/CP3 (of het nieuwe model CN23) opgesteld. Wanneer verschillende colli's tegelijk door eenzelfde uitvoerder naar eenzelfde geadresseerde worden uitgevoerd, moet voor elke colli een douaneverklaring C2/CP3 (of het nieuwe model CN23) worden opgesteld.

Er moet niet verplicht een aangifte ten uitvoer op een formulier "Enig document" worden opgesteld voor postcolli's met goederen in het vrije verkeer, waarvan de waarde per zending niet hoger is dan 50.000 BEF (de tegenwaarde van dit bedrag in euro werd nog niet vastgesteld op het tijdstip van publicatie van deze aanschrijving), en die door niet-belastingplichtigen naar derde landen worden uitgevoerd.

Uitvoer van niet-duurzame verpakkingsmiddelen

101. Bij uitvoer van gevulde niet-duurzame verpakkingsmiddelen (papieren of plastieken zakken, enz...) moet voor de in redelijke hoeveelheden daarbij gevoegde reserveverpakkingsmiddelen geen afzonderlijke aangifte worden gedaan. Ze moeten evenwel worden vermeld in de aangifte van de partij goederen, waartoe ze behoren, en dit met de aanvullende vermelding "waarbij ... reserve ..." (vermelding van het soort reserveverpakkingsmiddelen).

Speciale procedures betreffende douaneformaliteiten

Procedure van de mondelinge aangifte bij uitvoer

102. Een schriftelijke aangifte is niet vereist bij uitvoer langs de weg of per spoor van commerciële goederen in het vrije verkeer, voor zover gelijktijdig:
-de totale waarde per zending en per aangever niet meer bedraagt dan 32.000 BEF (de tegenwaarde van dit bedrag in euro werd nog niet vastgesteld op het tijdstip van publicatie van deze aanschrijving) of 1000 kg nettomassa;
-de zending geen deel uitmaakt van een reeks van soortgelijke regelmatige zendingen, en
-de goederen niet door een onafhankelijke vervoersonderneming worden vervoerd als onderdeel van een groter vrachtvervoer.
De mondelinge uitvoeraangifte wordt gedaan bij het douanekantoor van uitgang uit de Gemeenschap.

De mondelinge aangifte kan niet door douane-expediteurs worden toegepast.

De mondelinge aangifte kan evenmin worden toegepast op goederen:
a)waarvoor de toekenning van restituties of andere bedragen gevraagd wordt;
b)waarvoor de teruggave van rechten gevraagd wordt;
c)die aan verboden of beperkingen of andere bijzondere formaliteiten zijn onderworpen.
Wanneer de douane twijfelt aan de juistheid of volledigheid van de aangegeven elementen, kan zij een schriftelijke aangifte eisen.

Personen die een bewijs van de uitvoer wensen, onder meer om hun recht op vrijstelling van de BTW te bewijzen, kunnen altijd een aangifte laten geldigmaken, ongeacht de waarde van de goederen.

103. Onder voorbehoud van de daarin gestelde voorwaarden, is het bepaalde in nr. 102 van overeenkomstige toepassing voor goederen die als boordprovisie geleverd worden, alsmede voor de uitvoer langs de lucht of over zee met dien verstande dat wat de laatste twee gevallen betreft, voor elke zending waarvoor geen aangifte wordt ingediend, een afschrift van de luchtvrachtbrief of van het cognossement bij de douane moet worden overgelegd.

Procedure van de onvolledige aangifte bij uitvoer

104. In naar behoren gerechtvaardigde gevallen mag de douane een aangifte aanvaarden die niet alle voorgeschreven vermeldingen bevat of waarbij niet alle voor uitvoer benodigde bescheiden zijn gevoegd. Deze procedure is slechts van toepassing wanneer het douanekantoor van uitvoer en het douanekantoor van uitgang in België zijn gelegen.

De douane stelt de termijn vast waarbinnen de aangever de ontbrekende gegevens van de aangifte moet mededelen en de eventueel ontbrekende documenten moet verstrekken. Die termijn mag niet meer bedragen dan één maand na aanvaarding van de aangifte.

De datum waarop de onvolledige aangifte is aanvaard, is de datum voor het bepalen van de eventueel verschuldigde rechten en voor de toepassing van de andere bepalingen die op de uitvoer van toepassing zijn.

Rekening houdend met de aard van de ontbrekende gegevens op de onvolledige aangifte, mag de aangever van zodra hem de ontbrekende gegevens bekend zijn, hetzij de oorspronkelijke aangifte aanvullen, hetzij de oorspronkelijke aangifte vervangen door een nieuwe aangifte die alle correcte gegevens bevat.

De onvolledige aangifte moet steeds worden vervangen wanneer ze betrekking heeft op goederen waarvoor aanspraak wordt gemaakt op restituties.

De vereenvoudigde aangifte bij uitvoer

105. Op schriftelijk verzoek en onder bepaalde voorwaarden kan aan de aangever worden toegestaan om de aangifte ten uitvoer in vereenvoudigde vorm in te dienen, met name door overlegging van een kopie van de commerciële factuur.

Achteraf moet een volledige aangifte worden overgelegd.

De facturen die bij de aanbieding van de goederen aan de douane worden overgelegd, gelden als aangifte ten uitvoer voor de goederen die erop zijn vermeld en verbinden de aangever op dezelfde wijze als zou hij een gewone aangifte ten uitvoer hebben overgelegd. De aanvaarding van de factuur heeft dezelfde juridische waarde als de aanvaarding van de aangifte ten uitvoer.

Deze vereenvoudigde procedure is van toepassing wanneer het douanekantoor van uitvoer en het douanekantoor van uitgang uit de Gemeenschap in België zijn gelegen of wanneer het douanekantoor van uitvoer in België en het douanekantoor van uitgang in een andere Lid-Staat dan Griekenland zijn gelegen.

Indien het douanekantoor van uitvoer tevens het douanekantoor van uitgang is, dient één enkele kopiefactuur te worden voorgelegd op het douanekantoor van uitvoer.

Indien het douanekantoor van uitvoer en het douanekantoor van uitgang verschillende kantoren zijn, dient de kopiefactuur in tweevoud te worden opgesteld. Eén exemplaar is bestemd om op het douanekantoor van uitvoer te worden afgegeven, het andere exemplaar vergezelt het vervoer tot op het douanekantoor van uitgang, waar het wordt voorzien van het uitgangsvisum.

Het exemplaar van de factuur dat bestemd is om op het douanekantoor van uitgang te worden voorgelegd, dient bij vertrek op het douanekantoor van uitvoer te worden voorzien van de afdruk van de kantoorstempel en van de handtekening van een bevoegd douaneambtenaar.

De definitieve aangifte moet de werkdag volgend op de dag van de aanvaarding van de factuur bij de ontvanger van de douane worden ingediend. Indien de omstandigheden zulks rechtvaardigen, mag evenwel een langere termijn worden toegestaan.

Wanneer het douanekantoor van uitvoer niet het douanekantoor van uitgang is, brengt de douane op exemplaar 3 van de door de exporteur ingediende aangifte noch de vermelding "Uitvoer", noch de afdruk van de kantoorstempel tot vaststelling van de werkelijke uitvoer aan, gezien het uitgangsvisum is aangebracht op elke kopiefactuur die samen met de goederen op het douanekantoor van uitgang wordt aangeboden. Die kopiefacturen moeten ter ondersteuning door de exporteur bij voornoemd exemplaar 3 van de definitieve uitvoeraangiften worden bewaard.

De kopiefacturen die het visum van het douanekantoor van uitgang dragen (vermelding "Uitvoer", gewaarmerkt met de kantoorstempel) vormen een element van bewijs van de uitvoer om de vrijstelling van de BTW te verantwoorden.

Vooraf indienen van de uitvoeraangifte

106. Om de douaneverrichtingen te bespoedigen mogen de ontvangers van de douane het indienen van de uitvoeraangifte toestaan vóór de aangever in staat is de goederen te vertonen.

De vergunning moet schriftelijk worden aangevraagd.

De aangifte mag ten vroegste worden ingediend de werkdag die de uitvoer voorafgaat. Ze moet vergezeld zijn van alle vereiste documenten (vergunningen, facturen, enz.), met uitzondering van de documenten die slechts door de buitenlandse douane worden geviseerd op het tijdstip van de uitgang van de goederen uit de Gemeenschap of die het vervoer vergezellen.

De datum die in vak A moet worden aangebracht, is die waarop de goederen op het douanekantoor worden aangeboden. Die datum dient te worden aangebracht op het tijdstip van de geldigmaking en van de eventuele overhandiging van de ontbrekende documenten die in vorig lid werden opgesomd. De aangifte mag slechts worden geldiggemaakt na aanbieding van de goederen.

De voortijdige inreiking heeft alleen tot doel om de douane in staat te stellen na te gaan of de aangiften regelmatig zijn en eventueel om het bedrag van de rechten bij uitvoer te berekenen.

Indien de verrichting niet op de vastgestelde dag heeft plaatsgehad, wordt de aangifte als niet ingediend beschouwd. Ze wordt geannuleerd en aan de aangever teruggegeven.

Maandelijkse globalisatie van aangiften ten uitvoer (globalisatie bij vertrek)

107. De houder van een vergunning voor maandelijkse globalisatie van de aangiften ten uitvoer die doorgaans wordt uitgereikt door de Centrale administratie der douane en accijnzen, hoeft geen aangifte te maken voor elke zending. In de plaats daarvan geeft hij, samen met het document dat eventueel de goederen zal begeleiden (T-document, carnet TIR, enz...), een kopie van de factuur of een verzendingsstuk betreffende die goederen aan de douane. Krachtens de verbintenis die de vergunninghouder bij zijn aanvraag heeft moeten stellen, geldt dit bescheid als aangifte.

Die kopiefacturen of verzendingsstukken worden op dezelfde wijze behandeld als in het kader van de procedure inzake de vereenvoudigde aangifte bij uitvoer die in nr. 105 wordt uiteengezet.

Op het douanekantoor waarvan hij afhangt, bezorgt elke houder van een globalisatievergunning ten laatste de zesde werkdag van elke maand die volgt op die waarin de uitvoeren hebben plaatsgehad, één of meer globale aangiften. In voorkomend geval moeten afzonderlijke aangiften COM, EX of EU worden opgesteld. Afzonderlijke globale aangiften moeten eveneens door de uitvoerder worden opgesteld wanneer het douanekantoor van uitvoer niet tevens het douanekantoor van uitgang is.

Aan elke globale aangifte moet een chronologische opgave worden gehecht van alle zendingen tijdens de voorbije maand.

Globalisatie bij vervoer via leidingen

108. Het stelsel van globale maandelijkse uitvoeraangiften is van toepassing op de uitvoer via leidingen van water, elektrische energie en aardgas.

Dit stelsel kan eveneens worden toegestaan voor het vervoer van andere goederen via leidingen, mits toekenning van een vergunning door de Centrale administratie der douane en accijnzen.

De uitvoerder is ertoe gehouden om voor alle tijdens de voorafgaande maand verrichte uitvoeren uiterlijk de vijftiende van de maand volgend op die waarin de verzendingen hebben plaatsgevonden, op het dichtst bij de zetel van de onderneming gelegen douanekantoor een globale maandelijkse uitvoeraangifte voor te leggen, vergezeld van een kopie van de facturen.

Erkende uitvoerders (domiciliëring bij uitvoer)

109. De domiciliëringsprocedure bij uitvoer werd ingesteld om de goederen te kunnen verifiëren in de fabriek zelf of in de magazijnen van de groothandelaar of van de douane-expediteur alsmede om het vervoer te kunnen verrichten zonder dat de goederen moeten worden aangeboden op het douanekantoor. Aldus kan lossing, lading, uitpakking en wederverpakking onderweg worden voorkomen.

De vergunning voor de domiciliëring bij uitvoer kan door de douane enkel worden verleend aan in het land gevestigde ondernemingen die regelmatig goederen uitvoeren en die een administratie voeren aan de hand waarvan de douane-autoriteiten de goederenbewegingen kunnen controleren.

Dit principe geldt ook voor douane-expediteurs die de domiciliëringsprocedure bij uitvoer willen genieten, met dien verstande dat de goederenstroom steeds gevolgd moet kunnen worden via een intern boekhoudsysteem of via een daartoe speciaal uitgewerkt systeem van de onderneming.

In de vergunning wordt vermeld van welk douanekantoor de erkende onderneming afhangt en welke douane-autoriteit moet worden verwittigd nopens het vertrek van de zendingen.

Indien de onderneming zendingen verricht volgens een vast plan (vaste dagen en uren), wordt dat plan schriftelijk en ondertekend door haar aansprakelijk afgevaardigde overgemaakt aan het gewestelijk verificatiecentrum dat als de te verwittigen douane-autoriteit is aangeduid. Zoniet, moet het verificatiecentrum over elke voorgenomen zending worden ingelicht. Die inlichting moet tenminste één uur vóór het begin van het laden van het vervoermiddel toekomen bij het verificatiecentrum. Deze termijn wordt op 12u. gebracht voor goederen waarvoor aanspraak wordt gemaakt op de uitbetaling van restituties en voor goederen waarvoor bijzondere controlemaatregelen zijn vereist in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid.

Op het tijdstip dat de douaniers van het gewestelijk verificatiecentrum in staat zijn de verificatie te verrichten, moeten alle documenten (aangiften ten uitvoer, vergunningen, certificaten, facturen..) zijn ingevuld zoals dat het geval is voor een aangifte die normaal op het douanekantoor moet worden ingediend.

De erkende uitvoerder schrijft in vak 14 van de aangiften ten uitvoer de vermelding: "Vereenvoudigde Uitvoer nr.... (erkenningsnummer). Bij gebruik van Sadbel of Mini-Sadbel dient in vak 44 de code "VUE.... (erkenningsnummer) te worden ingebracht.

De erkende uitvoerder houdt een register bij waarin hij elke zending aantekent.

Indien de douaniers zich ter plaatse begeven, passen zij voor de verificatie de gebruikelijke regels toe.

Al de exemplaren van de aangiften ten uitvoer, de vergunningen, de eventuele certificaten en alle bij de aangiften behorende stukken - ongeacht of de douaniers bij de verificatie zijn opgetreden of niet - moeten door de erkende uitvoerder uiterlijk de donderdag van de week volgend op de datum van inschrijving in het register bij de ontvanger van het douanekantoor waarvan hij afhangt, worden afgegeven. Deze documenten worden op de gewone wijze behandeld.

De domiciliëringsprocedure bij uitvoer kan worden gecombineerd met andere procedures van vereenvoudiging zoals de vereenvoudiging van de te vervullen formaliteiten op de kantoren van vertrek en aankomst voor goederen die vervoerd worden onder de regeling inzake communautair en gemeenschappelijk douanevervoer (z. nr. 97), de uitvoer op basis van een kopie van de commerciële factuur (z. nr. 105) en/of de procedure van maandelijkse globalisatie van aangiften ten uitvoer (z. nr. 107).



Hoofdstuk III:Uitvoer door reizigers

Afdeling 1:Het internationaal reizigersverkeer - Draagwijdte van de regeling

110. Zoals aangegeven in hoofdstuk II, stelt artikel 39, § 1, 2° van het BTW-Wetboek van de BTW vrij de levering van goederen in het vrije verkeer die door de koper worden uitgevoerd. Evenwel is deze vrijstelling niet van toepassing op de aankopen door een reiziger van goederen, waaraan elke handels- of beroepskarakter vreemd is, en die deze reiziger meeneemt in zijn persoonlijke bagage naar een plaats buiten de Gemeenschap (z. nr. 68).

Immers, voor deze leveringen geldt een bijzondere regeling, die primeert op de vrijstelling bedoeld in artikel 39, § 1, 2° van het BTW-Wetboek, en die de vrijstelling van BTW toekent volgens een vereenvoudigde procedure, met name op het gebied van de uitvoertermijn en -formaliteiten.

Die regeling waarin wordt voorzien in artikel 15, punt 2, alinea 2 tot 4, van de Zesde-Richtlijn, werd in Belgisch recht omgezet in artikel 39, § 1, 4° van het BTW-Wetboek. Dit hoofdstuk behandelt op een gedetailleerde wijze de handelingen beoogd door dit artikel van het Wetboek.

111. De bijzondere regeling inzake de uitvoer van goederen door een reiziger in zijn persoonlijke bagage, wordt gewoonlijk "de BTW-regeling inzake het internationaal reizigersverkeer" genoemd. Sinds 1 januari 1993 heeft deze regeling overigens belangrijke wijzigingen ondergaan.

Inderdaad, de invoering op deze datum van de Europese eenheidsmarkt en de afschaffing van de douane- en fiscale grenzen tussen de Lid-Staten van de Gemeenschap gingen gepaard met de opheffing van de intracommunautaire vrijstellingen waarop reizigers voorheen aanspraak konden maken bij uitvoer van goederen naar een andere Lid-Staat van de Gemeenschap of bij invoer van goederen afkomstig uit een andere Lid-Staat van deze Gemeenschap. Het is dus enkel in de verhouding met de derde landen en de derdelandsgebieden waar het gemeenschappelijk BTW-systeem niet van toepassing is, dat de vrijstelling voor reizigers is blijven bestaan, zowel bij de invoer, voor de goederen die zich in de persoonlijke bagage van reizigers bevinden, als bij de uitvoer, voor de leveringen van goederen meegenomen door reizigers in hun persoonlijke bagage.

Bijgevolg moeten particulieren die in de Gemeenschap gevestigd zijn en die ter gelegenheid van een reis aankopen doen in een andere Lid-Staat dan diegene waar ze verblijven, vanaf 1 januari 1993 de BTW voldoen daar waar zij de goederen (met uitzondering van nieuwe vervoermiddelen in de zin van artikel 28bis, punt 2, van de Zesde BTW-Richtlijn (z. artikel 8, § 2, 2° van het Belgisch BTW-Wetboek)) aankopen. Deze goederen zijn bij de terugkeer van de Europese ingezetene in de Lid-Staat waar hij gewoonlijk verblijft, niet meer aan de BTW onderworpen. Voor deze leveringen geldt dus hetzelfde belastingstelsel als voor de verkopen aan inwoners van de Lid-Staat waar de aankoop wordt verricht. Hieruit volgt dus dat een in de Gemeenschap gevestigde particulier geen recht meer heeft op de vrijstellingsregeling. Deze uitsluiting is van toepassing zelfs wanneer deze personen de goederen in hun persoonlijke bagage meenemen naar een plaats buiten de Gemeenschap om reden dat de kans op wederinvoer van deze goederen bij de terugkeer van deze reizigers in de Gemeenschap zeer groot is.

Enkel de particulieren die niet in de Gemeenschap gevestigd zijn, genieten dus nog de vrijstellingsregeling voor de levering van goederen die zij in hun persoonlijke bagage meenemen naar een plaats buiten de Gemeenschap.

112. Evenwel, op deze beperkingen met betrekking tot de vrijstelling bij uitvoer in het kader van het internationaal reizigersverkeer werden twee afwijkingen aanvaard.
-De eerste, die geldig was tot 30 juni 1999 (z. artikel 28duodecies van de Zesde BTW-Richtlijn en, in het Belgisch recht, artikel 39ter van het BTW-Wetboek en het koninklijk besluit nr. 49 van 29 december 1992 met betrekking tot de vrijstellingen ten aanzien van de leveringen van goederen door de taksvrije verkooppunten, op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde. Ze werden opgeheven door de koninklijke besluiten van 8 oktober 1999 (Belgisch Staatsblad van 22 oktober 1999, nr. 209, blz 39923 en 39924)), voorzag in een vrijstelling van belasting voor leveringen door taksvrije verkooppunten, gelegen in havens en luchthavens, van goederen die werden meegenomen in de persoonlijke bagage van een reiziger (ongeacht zijn gewone verblijfplaats) die zich via een intracommunautaire vlucht of zeereis naar een andere Lid-Staat begeven, alsook voor leveringen van goederen door taksvrije verkooppunten in één van de twee toegangsterminals van de tunnel onder het Kanaal en dit voor reizigers die in het bezit waren van een geldig vervoerbewijs voor het afgelegde traject tussen deze twee terminals (betreft enkel Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland).
-De tweede, die nog steeds van toepassing is, verleent vrijstelling voor de leveringen door taksvrije verkooppunten gelegen in een Belgische internationale luchthaven, van goederen die reizigers in hun persoonlijke bagage meenemen naar een plaats buiten de Gemeenschap en dit ongeacht hun gewone verblijfplaats. Deze afwijking, die in feite een administratieve toegeving is in afwachting van geharmoniseerde communautaire beschikkingen ter zake, wordt afzonderlijk behandeld in onderhavig hoofdstuk onder de nrs. 176 en volgende.


113. De vrijstelling toegekend aan reizigers, is niet ondergeschikt aan de voorwaarde dat de goederen de Gemeenschap verlaten langs een Belgische grens. De goederen kunnen de Gemeenschap eveneens verlaten via een andere Lid-Staat.

Voorbeelden:
-Een Japanse toerist koopt in Brussel een wandtapijt van Gobelins. De uitvoer van dit goed kan plaatsvinden rechtstreeks vanuit België indien deze toerist naar zijn land terugkeert met een rechtstreekse vlucht vanuit Zaventem, ofwel vanuit een andere Lid-Staat indien deze toerist Europa verlaat met vertrek vanop de luchthaven van Roissy in Frankrijk nadat hij Parijs heeft bezocht.
-Een Belgisch functionaris die naar Washington gaat om er deel te nemen aan een congres koopt een parfum in een taksvrij verkooppunt op de luchthaven van Brussel-Nationaal. Deze goederen kunnen de Gemeenschap rechtstreeks vanuit België verlaten indien de reiziger een rechtstreekse vlucht neemt met bestemming de Verenigde Staten, of via Nederland indien zijn vliegtuig gaat via de luchthaven van Schiphol.
Enkel de "Belgische" uitvoeren worden in dit hoofdstuk becommentarieerd, namelijk deze die voortvloeien uit een levering van goederen die in België plaatsvindt, ongeacht de Lid-Staat langs waar de goederen de Gemeenschap verlaten.

Afdeling 2:Wettelijke bepalingen

114. Artikel 39, § 1, van het BTW-Wetboek Artikel 39, § 1, 4° van het BTW-Wetboek is de omzetting in het Belgisch recht van artikel 15, punt 2, tweede tot vierde lid van de Zesde BTW-Richtlijn (z. bijlage 1). stelt:

"§ 1 ZIJN VAN DE BELASTING VRIJGESTELD:
...
...
...
DE LEVERINGEN VAN GOEDEREN AAN EEN NIET IN DE GEMEENSCHAP GEVESTIGDE REIZIGER, DIE DEZE GOEDEREN IN BELGIË IN BEZIT NEEMT EN ZE IN ZIJN PERSOONLIJKE BAGAGE UITVOERT NAAR EEN PLAATS BUITEN DE GEMEENSCHAP".


115. Bovendien bepaalt artikel 39, § 3 van het BTW-Wetboek:

"§ 3 DE KONING BEPAALT DE VOORWAARDEN DIE VOOR HET VERKRIJGEN VAN DE IN DE § § 1 EN 2 BEDOELDE VRIJSTELLINGEN MOETEN WORDEN NAGELEEFD ..."

Zo is de vrijstelling van artikel 39, § 1, 4°, van het BTW-Wetboek ondergeschikt aan de naleving van de voorwaarden, aan het vervullen van de formaliteiten en aan de overlegging van bewijsstukken die voorzien zijn in de artikelen 8 en 9 van het koninklijk besluit nr. 18 van 29 december 1992 (z. bijlage 2).



Afdeling 3:Voorwaarden voor de vrijstelling

116. Uit de wettelijke bepalingen vermeld in de nrs. 114 en 115 alsmede uit het algemene economie van het BTW-Wetboek volgt dat er noodzakelijk 6 voorwaarden moeten vervuld zijn om een levering om reden van uitvoer te kunnen vrijstellen op grond van artikel 39, § 1, 4° van het BTW-Wetboek.

WELKE ZIJN DE ZES VOORWAARDEN DIE MOETEN VERVULD ZIJN OM EEN LEVERING VAN GOEDEREN TE KUNNEN VRIJSTELLEN OP GROND VAN ARTIKEL 39, § 1, 4° VAN HET BTW-WETBOEK?
1. de handeling moet betrekking hebben op goederen die zich in de Gemeenschap in het vrije verkeer bevinden;
2. het moet gaan om een levering van goederen aan een reiziger die niet in de Gemeenschap gevestigd is en die de goederen in het land in bezit neemt. De levering zou bovendien in België belastbaar zijn indien de goederen niet zouden uitgevoerd worden;
3. aan de aankoop moet elk handels- of beroepskarakter vreemd zijn;
4. de globale waarde van de goederen, belasting inbegrepen, moet per factuur hoger zijn dan 5000 BEF (125 EUR vanaf 1 januari 2002 (z. koninklijk besluit van 20 juli 2000, Belgisch Staatsblad van 30 augustus 2000));
5. de goederen moeten door de koper in zijn persoonlijke bagage worden uitgevoerd naar een plaats buiten de Gemeenschap en dit uiterlijk op het einde van de derde maand volgend op de maand waarin de levering plaatsvond;
6. de verkoper moet de echtheid van de uitvoer van de goederen aantonen.


Voorwaarde nr. 1. De handeling moet betrekking hebben op goederen die zich in de Gemeenschap in het vrije verkeer bevinden.

117. Artikel 39, § 1, 4° van het BTW-Wetboek stelt in principe enkel vrij van de BTW de handelingen met betrekking tot goederen die zich in de Gemeenschap in het vrije verkeer bevinden.

Voor de commentaar betreffende het begrip "goederen in het vrije verkeer in de Gemeenschap", wordt verwezen naar de nrs. 30 tot 35 die "mutatis mutandis" van toepassing zijn op leveringen van goederen aan reizigers die deze goederen in hun persoonlijke bagage uitvoeren.

Deze voorwaarde voor de vrijstelling bedoeld in artikel 39, § 1, 4° van het BTW-Wetboek komt weliswaar niet formeel voor in de bedoelde wettelijke bepaling, maar vloeit voort uit de algemene economie van het BTW-Wetboek. Inderdaad, de goederen die in de Gemeenschap niet in het vrije verkeer zijn, bevinden zich vanaf het binnenkomen in het douane- of fiscaal gebied van de Gemeenschap onder douanetoezicht. Deze leveringen vallen onder de toepassing van een bijzondere vrijstelling, met name deze voorzien in artikel 40, § 2, 1° van het BTW-Wetboek, die van toepassing is zelfs als deze leveringen deel uitmaken van een uitvoer van goederen en die dus voorrang heeft op de algemene vrijstellingsregel van artikel 39, § 1, 4° van het BTW-Wetboek.

118. In de praktijk moet deze voorwaarde in het kader van de vrijstelling wegens uitvoer inzake het internationaal reizigersverkeer gerelativeerd worden omdat de regeling enkel leveringen van goederen beoogt waaraan in hoofde van de koper elk handels- of beroepskarakter vreemd is (z. nr. 110 en voorwaarde nr. 3). Het gaat dus uitsluitend om aankopen van goederen door particulieren in Belgische handelszaken die enkel goederen in het vrije verkeer aanbieden.



Voorwaarde nr. 2. Het moet gaan om een levering van goederen aan een reiziger die niet in de Gemeenschap gevestigd is en die de goederen in het land in bezit neemt. Bovendien moet de levering in België belastbaar zijn indien de goederen niet zouden uitgevoerd worden

Levering van goederen aan een reiziger die de goederen in het land in het bezit neemt en die in België belastbaar zou zijn indien de goederen niet zouden uitgevoerd worden

119. De bijzondere bepaling van artikel 39, § 1, 4° van het BTW-Wetboek stelt enkel de leveringen van goederen vrij van de belasting. Er bestaat geen enkele specifieke reglementering voor dienstverrichtingen, noch inzonderheid voor herstellings- en onderhoudswerken en ander maakloonwerk met betrekking tot goederen die worden uitgevoerd in de persoonlijke bagage van reizigers. De vrijstelling voor deze handelingen, om reden dat de goederen die er het voorwerp van hebben uitgemaakt, werden uitgevoerd, blijft dus beheerst door de gewone bepalingen voorzien in artikel 39, § 1, 3° van het BTW-Wetboek. Die bepalingen werden uiteengezet in hoofdstuk II.

120. In principe stelt artikel 39, § 1, 4° van het BTW-Wetboek enkel van de belasting vrij de leveringen van goederen die de belasting in België opeisbaar zouden maken indien de goederen die er het voorwerp van uitmaken, niet zouden uitgevoerd worden.

Bovendien moet het gaan om leveringen van goederen verricht onder bezwarende titel door een als zodanig handelende belastingplichtige zoals bedoeld in artikel 2 van het BTW-Wetboek. Een commentaar betreffende dit begrip komt reeds voor in de nrs. 45 tot 50 die mutatis mutandis van toepassing zijn met betrekking tot goederen uitgevoerd door reizigers in hun persoonlijke bagage, en waarnaar wordt verwezen.

121. Het moet ook gaan om leveringen van goederen die, overeenkomstig artikel 15 van het BTW-Wetboek, geacht worden in België plaats te vinden. Alle bepalingen inzake de plaats van een levering voorzien in dat artikel kunnen in voorkomend geval dan ook worden toegepast, voor zover de koper de goederen in het land in bezit neemt.

Voorbeelden: De volgende leveringen komen in aanmerking om te worden vrijgesteld door artikel 39, § 1, 4° van het BTW-Wetboek.
-Een buitenlandse toerist koopt een juweel bij een juwelier in Antwerpen en neemt dat goed mee. Als plaats van deze levering wordt aangemerkt de plaats waar het goed, overeenkomstig artikel 15, § 2, eerste lid, van het BTW-Wetboek, ter beschikking van de koper wordt gesteld, dit is Antwerpen.
-Iemand die tijdelijk in België verblijft, bestelt via Internet bij een postorderbedrijf te Doornik kledij die hij bij de terugkeer naar zijn land zal meenemen. De goederen worden met een vrachtwagen bij de koper thuis afgeleverd. Overeenkomstig artikel 15, § 2, tweede lid, 1°, van het BTW-Wetboek wordt als plaats van deze levering aangemerkt de plaats waar het vervoer van de goederen ter bestemming van de koper aanvangt, nl Doornik.


Levering van goederen aan een niet in de Gemeenschap gevestigde reiziger

122. Sinds de totstandkoming op 1 januari 1993 van de eenheidsmarkt, moeten particulieren die in de Gemeenschap gevestigd zijn en die ter gelegenheid van een reis aankopen doen in een andere Lid-Staat dan die waar ze zijn gevestigd, de BTW voldoen daar waar zij de goederen kopen (met uitzondering van nieuwe vervoermiddelen in de zin van artikel 28bis, punt 2, van de Zesde BTW-Richtlijn (z. artikel 8, § 2, 2° van het Belgisch BTW-Wetboek)) . Deze goederen zijn bij de terugkeer van de ingezetene van de Lid-Staat waar hij gewoonlijk verblijft, niet meer aan de BTW onderworpen. Voor deze leveringen geldt dus hetzelfde fiscale stelsel als voor de verkopen aan inwoners van de Lid-Staat waar de aankoop wordt verricht.

In de strijd tegen de fiscale fraude heeft de communautaire wetgever het bovendien nodig geacht om ook geen vrijstelling meer toe te kennen aan in de Gemeenschap gevestigde de reizigers, zelfs indien zij de aangekochte goederen in hun persoonlijke bagage meenemen naar een plaats buiten de Gemeenschap en dit omwille van de mogelijke wederinvoer van het merendeel van deze goederen door die reizigers bij hun terugkeer.

De leveringen van goederen aan reizigers die in de Gemeenschap zijn gevestigd en die de aangekochte goederen in hun persoonlijke bagage meenemen, kunnen dus niet worden vrijgesteld door artikel 39, § 1, 4° van het BTW-Wetboek.

Om dezelfde reden kunnen de leveringen van goederen die niet onder de voorwaarden en beperkingen van artikel 39, § 1, 4° van het BTW-Wetboek vallen, evenmin worden vrijgesteld door de gewone bepalingen inzake uitvoer, die in hoofdstuk II werden uiteengezet. Zij kunnen dus geen enkele vrijstelling genieten (z. nr. 68), behalve indien het gaat om leveringen van goederen verricht door taksvrije verkooppunten gelegen in een Belgische internationale luchthaven waarvoor er een administratieve toegeving bestaat (z. nrs. 176 en volgende).

123. De vrijstelling van de belasting voorzien bij uitvoer in het kader van het internationaal reizigersverkeer wordt dus nog enkel toegepast op leveringen van goederen aan een reiziger die niet in de Gemeenschap is gevestigd.

124. Volgens de bewoordingen van artikel 9, § 2, van het koninklijk besluit nr. 18, wordt beschouwd als een niet in de Gemeenschap gevestigde reiziger, de reiziger wiens woonplaats of gebruikelijke verblijfplaats zich niet in de Gemeenschap bevindt.

Volgens deze zelfde bepaling wordt onder woonplaats of gebruikelijke verblijfplaats verstaan, de plaats die als zodanig op zijn reispas, op zijn identiteitskaart of, bij ontstentenis daarvan, op een als identiteitsbewijs erkend stuk is vermeld. Deze erkenning is wel degelijk het voorrecht van de autoriteiten van de Lid-Staat waarbinnen de levering plaatsvindt, zijnde in onderhavig geval België.

125. Er wordt opgemerkt dat, conform de algemene instructies uitgaande van het Ministerie van Binnenlandse Zaken, verschillende categorieën van personen met de Belgische nationaliteit, waaronder het coöperatiepersoneel, die in het buitenland verblijven, in het bevolkingsregister van hun laatste woonplaats in België moeten ingeschreven blijven, omdat zij geacht worden hun gewone verblijfplaats in België te hebben behouden. Deze personen behouden dus hun Belgische identiteitskaart.

Niettemin kunnen deze personen bewijzen dat zij werkelijk in het buitenland verblijven door overlegging van een attest van verblijf, uitgereikt door de bevoegde buitenlandse autoriteiten of, indien zij deel uitmaken van het coöperatiepersoneel, door overlegging van een attest uitgereikt door het Bestuur van de Ontwikkelingssamenwerking.

126. Daarnaast aanvaardt de Administratie bij wijze van toegeving dat met een niet in de Gemeenschap gevestigde reiziger wordt gelijkgesteld, een communautaire ingezetene die tot voldoening van de Administratie kan aantonen dat hij zich op korte termijn buiten de Gemeenschap zal vestigen.

Deze toegeving beoogt dus de situatie waarbij een particulier zijn normale verblijfplaats overbrengt van een Lid-Staat van de Gemeenschap naar een derde land. Omwille van zijn toekomstige verhuis buiten de Gemeenschap, wordt deze persoon reeds beschouwd als een niet in de Gemeenschap gevestigde koper en kan hij zich beroepen op de vrijstelling om reden van uitvoer vanaf het moment dat het vertrek naar het buitenland als vaststaand kan worden beschouwd. In dit opzicht valt op te merken dat deze toegeving geen afbreuk doet aan de verplichting de goederen naar een plaats buiten de Gemeenschap uit te voeren binnen de voorziene termijn (z. voorwaarde nr. 5 en nr. 138 en volgende) en het bewijs van deze uitvoer te leveren.

Op het tijdstip van de aankoop moet op de factuur of op het als zodanig geldend stuk het adres in het buitenland vermeld worden en niet het adres in België. Hieruit volgt dat op geen enkele vrijstelling met terugwerkende kracht beroep kan worden gedaan voor goederen die voorafgaandelijk reeds waren aangekocht en die naar het buitenland meegenomen worden.

127. Worden tenslotte eveneens beschouwd als reizigers en kunnen dus de vrijstelling genieten indien zij niet in de Gemeenschap gevestigd zijn, de bemanningsleden van zeeschepen in internationaal verkeer, de bestuurders van internationale treinen, de internationale vervoerders en de bemanningsleden van luchtvaartuigen.



Voorwaarde nr. 3. De aankoop mag geen handels- of beroepskarakter hebben

128. De bijzondere regeling voorzien in artikel 39, § 1, 4° van het BTW-Wetboek is slechts van toepassing op de levering van goederen die voor de reiziger geen enkel handels- of beroepskarakter hebben (z. artikel 8, 1°, van het koninklijk besluit nr. 18).

Moeten worden aangemerkt als aankopen waaraan in hoofde van de koper elk handels- of beroepskarakter vreemd is, de aankopen die voor de koper een incidenteel karakter hebben en die uitsluitend betrekking hebben op goederen bestemd voor zijn persoonlijk gebruik dan wel voor gebruik door leden van zijn gezin of bestemd om ten geschenke te worden aangeboden, mits blijkens de aard en de hoeveelheid van de goederen, aan die aankoop geen commerciële of professionele overwegingen ten grondslag liggen (z. artikel 9, § 1, van het Koninklijk besluit nr. 18).

Voorbeelden: de aankoop van een gouden uurwerk, een draagbare computer, voedingsmiddelen, zes flessen wijn in een kist, een lederen mantel, een muziekinstrument...

129. De bijzondere regeling die tot doel heeft de leveringen van goederen aan reizigers vrij te stellen en verplicht van toepassing is van zodra het gaat om aankopen waaraan elk handels- of beroepskarakter vreemd is, heeft voorrang op elke andere vrijstelling met uitzondering van deze ingesteld door artikel 44bis van het BTW-Wetboek met betrekking tot beleggingsgoud.

Hieruit volgt dat de douane geen aangifte ten uitvoer, opgemaakt op het "Enig Document", mag geldig maken voor goederen die in het land werden aangekocht door personen die buiten de Gemeenschap gevestigd zijn en die deze goederen die hun hoofde geen handels- of beroepskarakter hebben, in hun persoonlijke bagage uitvoeren.

130. De aankoop van goederen met een handels- of beroepskarakter door een reiziger die deze goederen in zijn persoonlijke bagage meeneemt naar een plaats buiten de Gemeenschap, valt daarentegen onder de toepassing van de bepalingen van artikel 39, § 1, 2° van het BTW-Wetboek die werden uiteengezet in hoofdstuk II (z. nr. 68). Een aangifte ten uitvoer opgemaakt op het "Enig Document" moet in dit geval in principe worden opgesteld.

Voorbeelden: de aankoop van vijf draagbare computers voor de behoeften van een onderneming, van een viool door een beroepsmuzikant, van honderd flessen wijn door een restauranthouder, van professionele filmtoestellen 35 mm, van wetenschappelijk materiaal, van draagbare instrumenten voor de kunstnijverheid of vrije kunsten nodig voor de uitoefening van een beroep, ...

Indien een reiziger een dergelijke aangifte ten uitvoer die is opgesteld op naam van een in België gevestigde verkoper aan de douane voorlegt en de douane twijfels heeft omtrent het handels- of beroepskarakter van de goederen in hoofde van de koper, dan wordt deze aangifte toch geldig gemaakt ongeacht de waarde van de goederen (z. nrs. 131 tot 134). Tevens wordt ten behoeve van de BTW-Administratie een informatiebulletin opgesteld teneinde deze in staat te stellen bij de verkoper de regelmatigheid van de handeling te controleren alsook de gegrondheid van de gebruikte uitvoerprocedure.



Voorwaarde nr. 4. De globale waarde van de goederen, belasting inbegrepen, moet per factuur hoger zijn dan 5000 BEF

131. Artikel 8, 2° van het koninklijk besluit nr. 18 beperkt de vrijstelling tot de levering van goederen waarvan de globale waarde per factuur, belasting inbegrepen, hoger is dan 5000 BEF (125 EUR vanaf 1 januari 2002 (z. koninklijk besluit van 20 juli 2000, Belgisch Staatsblad van 30 augustus 2000)).

De eenheidsprijs van de goederen heeft ter zake dus geen belang. Enkel het totale bedrag van de factuur wordt in aanmerking genomen.

Elke factuur moet afzonderlijk in aanmerking genomen worden. Indien dezelfde dag of op verscheidene dagen meerdere facturen uitgereikt worden aan dezelfde reiziger, dan mag voor de berekening van de drempel, het bedrag van deze facturen niet worden samengeteld.

De globale waarde is dus de prijs die een gewone consument zou moeten betalen bij de aankoop van de op een factuur vermelde goederen indien deze niet worden uitgevoerd, dit wil zeggen BTW en eventueel accijnsrechten inbegrepen.

132. Reizigers hebben geen recht op vrijstelling van accijnsrechten om reden van uitvoer. De eventuele accijnsrechten moeten altijd worden begrepen in de waarde van de goederen die eraan zijn onderworpen, ongeacht het gaat om communautaire accijnsrechten of autonome Belgische accijnsrechten waaraan koffie en niet-alcoholische dranken zijn onderworpen.

De vrijstelling van BTW kan desondanks toch worden toegepast op alle accijnsproducten, behalve:
-op in België aangekochte accijnsproducten (benzine, alcohol, ...) die bestemd zijn voor de bevoorrading van pleziervaartuigen en sportvliegtuigen of van andere vervoermiddelen voor privé-gebruik en die zich als zodanig aan boord van die vervoermiddelen bevinden op het tijdstip van de uitvoer ervan door de reiziger (z. nr. 137).
-op in België aangekochte tabaksfabrikaten en tabakssurrogaten die geen vrijstelling van BTW kunnen genieten omdat zij onder de toepassing van artikel 58, § 1, van het BTW-Wetboek vallen die de inning van de BTW linkt aan de betaling van de accijnzen (z. nr. 23).
De waarde van de van de genoemde vrijstelling uitgesloten goederen die samen met andere goederen op een factuur zijn vermeld, mag dus niet meegeteld worden voor de berekening van de drempel van 5001 BEF (125,01 EUR vanaf 1 januari 2001) die bereikt moet worden om de vrijstelling te genieten.

133. Zo wordt in geval van aankoop van beleggingsgoud in de zin van artikel 1, 8° van het BTW-Wetboek, ook de waarde van dit goud dat op de factuur zou zijn vermeld, niet meegerekend om te bepalen of het bedrag van de aankopen die voorkomen op deze factuur voldoende is om de vrijstelling te genieten. Artikel 44bis van het BTW-Wetboek stelt immers een bijzondere vrijstelling in voor leveringen van goud.

Voorbeeld: een toerist koopt bij een juwelier te Brussel een goudstuk "Krugerrand" en een fantasiehangertje. De door de verkoper opgestelde factuur vermeldt een prijs van 15.355 BEF, hetzij 11.725 BEF voor het goudstuk en 3000 BEF + 630 BEF BTW voor het hangertje. Deze toerist zal de vrijstelling niet kunnen genieten van de BTW die in rekening werd gebracht voor het hangertje.

134. Indien de globale waarde per factuur, BTW en eventuele accijnsrechten inbegrepen, van de in België verrichte aankopen van goederen en die, rekening houdend met het gestelde in de nrs. 132 en 133, in aanmerking moet worden genomen voor de berekening, 5000 BEF (125 EUR vanaf 1 januari 2002 (z. koninklijk besluit van 20 juli 2000, Belgisch Staatsblad van 30 augustus 2000)) niet overschrijdt, dan blijft de Belgische BTW definitief verschuldigd. De toevlucht tot de vrijstellingsregeling voorzien in artikel 39, § 1, 2° van het BTW-Wetboek is in dat geval niet mogelijk.



Voorwaarde nr. 5. De goederen moeten in de persoonlijke bagage van de koper buiten de Gemeenschap worden uitgevoerd uiterlijk op het einde van de derde maand volgend op de maand waarin de levering plaatsvond

De goederen moeten door de koper naar een plaats buiten de Gemeenschap worden uitgevoerd in zijn persoonlijke bagage

135. De vrijstelling van artikel 39, § 1, 4° van het BTW-Wetboek is enkel van toepassing op leveringen van goederen aan een reiziger die ze zelf in zijn persoonlijke bagage meeneemt naar een plaats buiten de Gemeenschap.

De uitvoer van goederen door een reiziger die handelt voor rekening van de koper valt onder de bepalingen van artikel 39, § 1, 2° van het BTW-Wetboek die in hoofdstuk II worden uiteengezet.

136. De reiziger dient de goederen in zijn persoonlijke bagage mee te nemen. Onder persoonlijke bagage dient te worden verstaan het geheel van de bagage die de reiziger in staat is voor te leggen aan de diensten van de douane bij het verlaten van de Gemeenschap. Hij moet dus de goederen zelf meedragen of meenemen in een valies, een reistas, in de koffer of op de bagagedrager van een autovoertuig, in een pleziervaartuig of een jacht, in een sportvliegtuig of elk ander vervoermiddel.

137. Wat de goederen betreft bestemd voor de uitrusting of de bevoorrading van pleziervaartuigen en sportvliegtuigen of van gelijk welk ander vervoermiddel voor privé-gebruik, vindt, zoals hiervoor uiteengezet, de vrijstelling voorzien in artikel 39, § 1, 2° van het BTW-Wetboek en artikel 5, § 3, van het koninklijk besluit nr. 18 geen toepassing wanneer die goederen zich als zodanig aan boord bevinden van die vervoermiddelen bij de uitvoer ervan door de niet in België gevestigde koper (z. nrs. 63 tot 67).

Deze goederen kunnen evenmin worden beschouwd als zijnde uitgevoerd in de persoonlijke bagage van een reiziger. Hieruit volgt dat de vrijstelling die ingesteld wordt door artikel 39, § 1, 4° van het BTW-Wetboek, en die wordt geregeld door de artikelen 8 en 9 van het koninklijk besluit nr. 18, evenmin toepasbaar is.

Voorbeeld: Geen enkele BTW-vrijstelling kan worden toegekend voor de aankoop door een Zwitsers toerist van brandstof getankt in de normale brandstofreservoir van zijn voertuig of in bijkomende reservoirs.

De vrijstelling bedoeld in artikel 39, § 1, 4°, van het BTW-Wetboek kan evenwel worden toegepast voor goederen die weliswaar als uitrustingsgoederen of als bevoorrading van de hier bedoelde vervoermiddelen kunnen dienen, maar die zich bij hun uitvoer niet als zodanig aan boord van deze vervoermiddelen bevinden.

Voorbeeld: De aankoop door een Noorse toerist van een autoradio die hij meeneemt in zijn persoonlijke bagage bij zijn terugkeer per vliegtuig naar zijn land.



De goederen moeten buiten de Gemeenschap worden uitgevoerd uiterlijk op het einde van de derde maand volgend op de maand waarin de levering plaatsvond

138. De goederen moeten worden uitgevoerd uiterlijk op het einde van de derde maand volgend op de maand waarin de levering plaatsvond. Eens deze termijn verlopen, mag de douane geen factuur of geen als zodanig geldend stuk meer viseren.

139. Het tijdstip waarop de levering van goederen plaatsvindt, wordt bepaald overeenkomstig de regels voorzien in artikel 16 van het BTW-Wetboek, met name het tijdstip waarop het goed ter beschikking van de verkrijger of de overnemer wordt gesteld, behalve wanneer het goed in verband met de afgifte door of voor rekening van de leverancier wordt verzonden of vervoerd, in welk geval de levering plaatsvindt op het tijdstip van de aankomst van de verzending of van het vervoer naar de afnemer of de overnemer, tenzij het goed door of voor rekening van de leverancier wordt geïnstalleerd of gemonteerd, in welk geval de levering plaatsvindt op het tijdstip waarop de installatie of de montage wordt beëindigd.

Vermits de in dit hoofdstuk besproken vrijstelling hoofdzakelijk aankopen betreft door particulieren in gewone handelszaken van goederen die ze onmiddellijk meenemen, valt het tijdstip van de levering meestal samen met de datum van de aankoop die voorkomt op de factuur of op het als zodanig geldend stuk. Dit is de reden waarom de douane zich in de praktijk altijd baseert op de datum van de factuur om de termijn te bepalen tijdens dewelke de uitvoer van de goederen kan plaats hebben met vrijstelling van de belasting.

Indien zich moeilijkheden zouden voordoen in bijzondere situaties, bijvoorbeeld in het geval van levering met vervoer van de goederen (z. nr. 121), moet de koper zich richten tot de Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, Centrale Diensten, Sector BTW, Dienst I/10, Kruidtuinlaan 50, bus 61 te 1010 Brussel, wanneer hij denkt recht te hebben op de vrijstelling door toepassing van deze regel.

140. Tenslotte, en voor zover er geen enkele twijfel bestaat dat de ten uitvoer aangeboden goederen dezelfde zijn als deze die werden aangekocht en waarvoor de vrijstelling wordt gevraagd, mogen de reizigers deze goederen reeds gebruiken tussen het tijdstip van de aankoop en dit van de uitvoer (bijvoorbeeld kledij of reeds gedragen schoenen).



Voorwaarde nr. 6. De verkoper moet de echtheid van de uitvoer van de goederen aantonen

141. In zijn hoedanigheid van schuldenaar van de belasting op grond van artikel 51, § 1, 1° van het BTW-Wetboek moet de verkoper, voor de levering van goederen die hij verricht, de echtheid van de uitvoer van de goederen aantonen teneinde de vrijstelling die hij met betrekking tot deze levering toepast, te bewijzen.

Uit de bepalingen zelf van artikel 15, punt 2, 3de lid, 2de streepje van de Zesde BTW-Richtlijn blijkt dat het bewijs van de uitvoer van de goederen die in de persoonlijke bagage worden meegenomen, moet geleverd worden door middel van de factuur, of een als zodanig geldend stuk, bekleed met het visum van het douanekantoor van uitgang uit de Gemeenschap.

Deze communautaire bepaling, omgezet in Belgisch recht in artikel 8, 4° van het koninklijk besluit nr. 18, legt de Lid-Staten niet alleen de verplichting op om de aldus geviseerde factuur als bewijsmiddel te erkennen voor de echtheid van de uitvoer van de goederen, maar ontneemt de Lid-Staten tevens de mogelijkheid om, in het kader van de vrijstelling toegekend aan reizigers, een ander document als bewijs te erkennen, namelijk het enig document voor uitvoer. Bovendien moet elke Lid-Staat ervoor zorgen dat dit systeem van bewijsvoering in de praktijk functioneert. Tevens moet aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen een specimen worden bezorgd van de stempels die gebruikt worden om het visum te verlenen, zodat de Commissie de fiscale autoriteiten van de andere Lid-Staten daaromtrent kan informeren.

In België kunnen twee procedures gebruikt worden. De gewone procedure gebaseerd op het visum van een exemplaar van de factuur en een bijzondere procedure gebruik makend van een reizigerscheque die geldt als factuur.



Gewone procedure

142. Artikel 8, 4° van het koninklijk besluit nr. 18 bepaalt dat de verkoper de echtheid van de uitvoer moet aantonen aan de hand van een exemplaar van de factuur of van een als zodanig geldend stuk bekleed met het visum van het douanekantoor van uitgang uit de Gemeenschap.

De verkoper moet dus om van de vrijstelling gebruik te kunnen maken, in principe, aan de koper een factuur uitreiken waarop alle vermeldingen voorkomen, waarin artikel 5, § 1 van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting voorziet.

143. Wanneer er op grond van artikel 1, § 2 van het koninklijk besluit nr. 1 eventueel ontheffing is van de verplichting een factuur uit te reiken, kan de factuur wanneer de verkoper gebruik maakt van die opheffing, worden vervangen door een als zodanig geldend stuk. Opdat dit document zou kunnen gebruikt worden in het kader van de vrijstelling om reden van uitvoer door reizigers, moet het dezelfde vermeldingen bevatten als deze die voorkomen op de factuur, met uitzondering van het volgnummer waaronder de factuur werd ingeschreven in het uitgaand facturenboek.

144. Overeenkomstig artikel 14, § 2, 3° en § 4, van het koninklijk besluit nr. 1 moeten de ontvangsten met betrekking tot leveringen waarvoor de verkoper gebruik maakt van de ontheffing van de factureringsplicht, worden ingeschreven in een dagboek, behalve indien de verkoper een belastingplichtige is onderworpen aan de forfaitaire regeling voorzien door artikel 56, § 1, van het BTW-Wetboek.

Wanneer er ontheffing is van de verplichting een factuur uit te reiken en de verkoper daarvan gebruik maakt zonder een als zodanig geldend stuk op te stellen, staat de Administratie bij wijze van toegeving toe dat wanneer de koper achteraf aan zijn verkoper met het oog op de vrijstelling van de BTW om reden van uitvoer een factuur vraagt, een als zodanig geldend stuk wordt afgeleverd, zelfs buiten de wettelijk voorziene termijn inzake facturatie bepaald in artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 1. Overigens moet in dat geval de inschrijving van de verkoop van de goederen in het dagontvangstenboek niet worden aangepast en moet dat als zodanig geldend stuk evenmin worden ingeschreven in het uitgaand facturenboek.

145. In het geval van een openbare verkoop door een notaris of een gerechtsdeurwaarder van roerende goederen die eigendom zijn van een gefailleerde belastingplichtige, mag op grond van artikel 6, § 2, van het koninklijk besluit nr. 1, de factuur vervangen worden door een door de instrumenterende notaris of gerechtsdeurwaarder op basis van het proces-verbaal van toewijzing opgesteld stuk dat aan de koper wordt uitgereikt, op voorwaarde dat het proces-verbaal en het stuk, per toegewezen lot, dezelfde vermeldingen bevat als een factuur met uitzondering van het volgnummer in het boek voor uitgaande facturen.

Het spreekt vanzelf dat deze afwijking ook geldt ten aanzien van de vrijstelling om reden van uitvoer in het kader van het internationaal reizigersverkeer. Het document afgeleverd door een openbaar ambtenaar kan dan voor uitvoer geviseerd worden.

146. Op straffe van verval van de vrijstelling moet de reiziger, binnen de termijn bedoeld in nr. 138, de goederen samen met de factuur of het als zodanig geldend stuk aanbieden op het douanekantoor van uitgang uit de Gemeenschap. Het is inderdaad de douane van het kantoor langs waar de goederen het BTW-gebied van de Gemeenschap verlaten, die de uitvoer van de betrokken goederen vaststelt en die dit feit kan attesteren door het aanbrengen van een visum op het exemplaar van de factuur of het als zodanig geldend stuk dat haar wordt voorgelegd.

147. De formaliteit van het visum door het douanekantoor van uitgang uit de Gemeenschap kan soms moeilijkheden opleveren, vooral in geval van luchtvervoer wanneer de vlucht die de reiziger neemt naar een derde land, één of meer tussenstops maakt in communautaire luchthavens.

In dat verband voorziet de douanereglementering (z. de artikelen 190 tot 197 van de toepassingsbepalingen van het Communautair Douanewetboek) in bijzondere bepalingen voor de handbagage en de ruimbagage in het reizigersverkeer.

Volgens deze douaneglementering (*) kan het vertrek van reizigers naar een derde land slechts vanuit een douaneluchtvaartterrein (een lijst met de douaneluchtvaartterreinen van de verschillende Lidstaten van de Gemeenschap komt voor in bijlage 5) . Het laden van de bagage en het instappen van de passagiers heeft in dit geval plaats onder controle van de douane. (*) Voor de toepassing van deze reglementering wordt verstaan onder:
-communautaire luchthaven: elke op het douanegebied van de Gemeenschap gelegen luchthaven;
-communautaire luchthaven met een internationaal karakter (ook douaneluchtvaartterrein genoemd): elke communautaire luchthaven waar, na toestemming van de bevoegde autoriteiten, het luchtvaartverkeer met derde landen afgewikkeld mag worden;
-intracommunautaire vlucht: de verplaatsing van een vliegtuig tussen twee communautaire luchthavens, zonder tussenstop tussen deze beide luchthavens, voor zover deze verplaatsing niet begonnen is, noch eindigt op een niet-communautaire luchthaven;
-ruimbagage: bagage die na registratie in de luchthaven van vertrek, niet meer bereikbaar is voor de betrokken persoon tijdens de vlucht, noch, in voorkomend geval bij een eventuele tussenstop of overstap op een andere douaneluchtvaartterrein;
-handbagage: bagage die de reiziger aan boord van het vliegtuig meeneemt.
De visitatie van de handbagage en de ruimbagage van passagiers aan boord van een vliegtuig dat een tussenlanding maakt in een communautaire luchthaven alvorens zijn vlucht verder te zetten naar een niet-communautaire luchthaven, vindt plaats in de luchthaven van vertrek, voor zover deze een communautaire luchthaven met een internationaal karakter is. In dit geval kan een controle van de handbagage worden verricht op de communautaire luchthaven waar de tussenlanding wordt gemaakt, teneinde vast te stellen dat de goederen die deze handbagage bevat, voldoen aan de voorwaarden die verbonden zijn aan het vrije verkeer binnen de Gemeenschap.

Wat de bagage betreft die op een communautaire luchthaven aan boord wordt gebracht van een vliegtuig dat een intracommunautaire vlucht uitvoert, waarbij deze bagage op een andere communautaire luchthaven zal worden overgeladen in een vliegtuig dat een niet-communautaire luchthaven als bestemming heeft:
-wordt de visitatie van de ruimbagage verricht op de luchthaven van vertrek van de intracommunautaire vlucht, voor zover deze een douaneluchtvaartterrein is;
-wordt iedere controle van de handbagage op het laatste douaneluchtvaartterrein verricht.
De visitatie van de bagage van toeristen- of zakenvliegtuigen wordt verricht op het laatste douaneluchtvaartterrein wanneer het luchtvaartuig na een tussenstop op een communautaire luchthaven een vlucht moet uitvoeren naar een niet-communautaire luchthaven.

De visitatie van de bagage die op een communautaire luchthaven aan boord wordt gebracht van een toeristen- of een zakenvliegtuig dat een intracommunautaire vlucht uitvoert, waarbij deze bagage op een andere communautaire luchthaven wordt overgeladen in een lijn- of chartertoestel met als bestemming een niet-communautaire luchthaven, wordt verricht in de luchthaven van vertrek van het lijn- of chartertoestel.

148. Voor de aankopen in België van goederen die worden uitgevoerd via een douanekantoor van uitgang gelegen in het land, verzekert de douane zich ervan dat de voorwaarden van de vrijstelling gerespecteerd worden (overeenstemming tussen de voorgelegde goederen en deze die op de factuur zijn vermeld, de globale waarde per factuur, woonplaats of gewoonlijke verblijfplaats van de reiziger, land van bestemming, uitvoertermijn, ...). In voorkomend geval verifieert de douane eveneens of de voorwaarden op het gebied van uitvoervergunningen of andere beperkings- of controlemaatregelen zijn nageleefd.

De formaliteiten kunnen verricht worden tijdens de dagen en uren van openstelling van de kantoren voor het goederenverkeer en voor het internationaal reizigersverkeer (de dagen en uren waarop de douanediensten op de Belgische douaneluchtvaartterreinen geopend zijn, zijn weergegeven in de Instructie dagen en uren van openstelling van de kantoren (D.I.502.551) van de Administratie der douane).

Indien bij de uitvoer van de goederen een vergunning moet worden overgelegd, wordt die vergunning aangezuiverd door de overlegging van een exemplaar van de factuur of van het als zodanig geldend stuk. In dat geval dienen de formaliteiten echter te worden vervuld tijdens de dagen en uren van openstelling van de kantoren voor het goederenverkeer. Hetzelfde geldt indien de betrokken goederen aan andere beperkings- of controlemaatregelen zijn onderworpen.

149. Na het visum te hebben aangebracht, wordt het exemplaar van de factuur of het als zodanig geldend stuk aan de reiziger teruggegeven.

Indien de douane, na nazicht, het visum weigert aan te brengen, wordt dit samen met het motief van deze weigering vermeld op de factuur of op het als zodanig geldend stuk, alsook de bestemming welke aan de goederen werd gegeven. Vervolgens worden de overgelegde stukken aan de reiziger teruggegeven.

150. De reiziger zendt het geldig geviseerd document terug naar de verkoper. De vrijstelling is slechts definitief verworven wanneer de verkoper in het bezit is van dat stuk.

In dit opzicht wordt opgemerkt dat de levering van goederen onmiddellijk vanaf het tijdstip van de verkoop met vrijstelling van BTW kan plaats hebben. Het komt de verkoper van de goederen die ten aanzien van de levering schuldenaar is van de belasting, toe om hierover te beslissen overwegende dat:
-hij er zich moet van verzekeren dat de reiziger het door de douane geviseerde exemplaar van de factuur terugzendt zodat hij zijn recht op vrijstelling kan rechtvaardigen;
-hij, ongeacht de BTW al dan niet in rekening werd gebracht aan zijn klant, ertoe gehouden is de belasting aan de Schatkist te storten via zijn periodieke BTW-aangifte met betrekking tot de handelingen van de maand of het trimester tijdens dewelke de levering heeft plaatsgevonden indien hij bij het verstrijken van de indieningstermijn van deze periodieke aangifte niet in het bezit is van de door de douane geldig geviseerde factuur.
Dit is de reden waarom de verkopers in de praktijk de reizigers over het algemeen de BTW laten betalen ter gelegenheid van hun aankoop en zij deze belasting aan de kopers terugbetalen van zodra zij in het bezit zijn van de verantwoordingsstukken. Deze terugbetaling die deel uitmaakt van de contractuele verplichtingen tussen de verkoper en de koper kan dus nooit bekomen worden bij de Administratie, zelfs indien de verkoper in gebreke blijft zijn klant terug te betalen.

151. Nadat hij zijn klant heeft terugbetaald, vraagt de verkoper de BTW die hij in voorkomend geval aan de Staat heeft betaald, terug op grond van artikel 77, § 1, 1° van het BTW-Wetboek door de inschrijving van het betreffende bedrag in rooster 64 van zijn periodieke aangifte, rooster 49 wordt in dit geval niet ingevuld.



Bijzondere procedure van de "reizigerscheque"

152. Teneinde de BTW vlugger aan de reizigers terug te betalen dan dat het geval is bij de gewone procedure behandeld in de nrs 142 en volgende, heeft de Administratie een privé-onderneming, de NV GLOBAL REFUND BELGIUM, Jean Sobieskilaan nr. 13/1 te 1020 Brussel (BTW BE432.612.575), vergunning verleend om onder de bij haar systeem aangesloten verkopers een bijzonder document in omloop te brengen, de zogenaamde "Tax-Free Shopping Cheque" of "de reizigerscheque" die zodanig is opgesteld dat hij als factuur geldt, dat hij de formaliteit inzake visering bij de uitvoer van de goederen mogelijk maakt alsook de terugbetaling van de BTW aan de reiziger onmiddellijk na het verrichten van deze formaliteit en vóór laatstgenoemde het grondgebied van de Gemeenschap verlaat.

Een specimen van deze reizigerscheque wordt in bijlage 6 van deze aanschrijving opgenomen. De originele cheques zijn in blauwe kleur gedrukt.

153. Met uitzondering van het feit dat deze cheque als een als verkoopfactuur geldend stuk zoals beoogd in artikel 8, 4° van het koninklijk besluit nr. 18, wordt aanvaard, wijzigt de door de Administratie toegekende vergunning geenszins de na leven voorwaarden, uiteengezet in de nrs. 116 en volgende, om de vrijstelling bedoeld in artikel 39, § 1, 4° van het BTW-Wetboek te kunnen genieten.

154. De vergunning om dit bijzonder systeem van terugbetaling toe te passen, werd tot op heden door de Belgische Administratie enkel verleend aan de NV GLOBAL REFUND BELGIUM, die deel uitmaakt van een Europese groep van vennootschappen die dit systeem eveneens toepassen voor aankopen door reizigers in andere Lid-Staten van de Gemeenschap dan België.

Deze vergunning kent geenszins een monopolie of gelijk welk exclusief recht toe aan deze vennootschap om een dergelijke activiteit in België uit te oefenen.



Tussenkomst van het privaatrechtelijk organisme in de vrijstellingsprocedure

155. Het door de NV GLOBAL REFUND BELGIUM aangeboden bijzonder terugbetalingssysteem wordt als volgt in de vrijstellingsprocedure opgenomen:
1)bij de levering vult de Belgische verkoper die is aangesloten bij het bijzonder terugbetalingssysteem van de BTW, samen met de koper-reiziger die dat wenst, een reizigerscheque in. Op dat document, dat door de NV GLOBAL REFUND BELGIUM op voorhand is genummerd, komen de volgende vermeldingen voor:
a)de naam, het adres en het BTW-nummer van de verkoper, diens handtekening en de datum van de levering;
b)de door de koper gedateerde en ondertekende opgave van zijn naam, zijn adres, het land waar hij gewoonlijk verblijft, het nummer van zijn identiteitskaart of paspoort, alsook van het land van de definitieve bestemming van de goederen;
c)per tarief van de belasting, de gebruikelijke benaming van de verkochte goederen, hun aantal en de prijs, belasting inbegrepen;
d)de totale prijs, belasting inbegrepen, van de verkochte goederen die op het document zijn vermeld;
e)het aan de reiziger terug te betalen bedrag dat gelijk is aan het bedrag van de BTW waarvan de vrijstelling bij wijze van teruggaaf wordt bekomen, onder afhouding van de vergoeding voor de diensten geleverd door de NV GLOBAL REFUND BELGIUM om die terugbetaling voor te schieten.
2)op het tijdstip van de uitvoer moet de reiziger de goederen samen met de reizigerscheque aanbieden op het douanekantoor van uitgang uit de Gemeenschap om er te worden geviseerd (afzonderlijk kader voorzien op de keerzijde van de cheque);
3)na de douaneformaliteiten bij uitvoer overhandigt de reiziger de geldig geviseerde reizigerscheque aan de NV GLOBAL REFUND BELGIUM of aan een door haar erkende betaalagent die de reiziger het bedoelde bedrag uitkeert (z. 1, e, hierboven);
4)vervolgens zendt de NV GLOBAL REFUND BELGIUM de geldig geviseerde reizigerscheque naar de verkoper als verantwoordingsstuk van de uitvoer van de goederen en van de betaling aan de reiziger van het hierboven bedoelde bedrag (daartoe voorziene vak op de keerzijde van het document). De verkoper betaalt in ruil daarvoor het bedrag van de BTW aan de NV GLOBAL REFUND BELGIUM. Bovendien zendt de NV GLOBAL REFUND BELGIUM periodiek aan de verkoper een verzamelstaat van de uitbetaalde cheques waarop onder meer de nummers van de cheques en het bedrag van de BTW per levering worden vermeld;
5)na ontvangst, vraagt de verkoper volgens de ter zake geldende regels de teruggaaf van de BTW die hij via zijn periodieke BTW-aangiften aan de Staat heeft gestort.


Toepassingsvoorwaarden van het bijzonder systeem

1:Aard van de tussenkomst van de NV GLOBAL REFUND BELGIUM

156. Ter zake wordt opgemerkt dat de relaties tussen de NV GLOBAL REFUND BELGIUM en de verkopers enerzijds en de reizigers anderzijds van zuiver contractuele aard zijn.

Bovendien is de tussenkomst van de NV GLOBAL REFUND BELGIUM in de teruggaaf van de BTW niets anders dan het voorschieten van het door de verkoper terug te betalen bedrag.

Hieruit volgt dat de tussenkomst van deze vennootschap in de teruggaaf van de belasting niets afdoet van en niets wijzigt aan de persoonlijke verantwoordelijkheid van de verkopers tegenover de Staat, noch aan hun verplichting tot verantwoording van de gegrondheid van de vrijstelling waarop ze zich beroepen. Bovendien gebeurt het voorschieten van de terugbetaling door die vennootschap volledig op haar eigen verantwoordelijkheid en verschaft het feit alleen van die betaling haar geen enkel recht tegenover de Administratie.

157. Bovendien moet de NV GLOBAL REFUND BELGIUM een voldoende gedetailleerde boekhouding voeren om met name de echtheid te kunnen nagaan van de verrichtingen met de verkopers enerzijds en met de reizigers en de betaalagenten anderzijds. Die boekhouding dient in België te worden gehouden en moet kunnen ingezien worden door de controle-ambtenaren van de Administratie.



2:Tijdstip en plaats van de terugbetaling aan de reizigers

158. De terugbetaling aan de reizigers kan enkel plaatsvinden na het vervullen van de douaneformaliteiten bij uitvoer, welke enkel kunnen worden verricht op een douanekantoor van uitgang uit de Gemeenschap.

159. Wanneer de reizigers de Gemeenschap per vliegtuig verlaten, kan de overlegging van de goederen ter verificatie en van de reizigerscheque ter visering voor uitvoer enkel plaatsvinden op de douanekantoren van een douaneluchtvaartterreinen (*) tijdens de openingsuren van deze kantoren voor het reizigersverkeer (d e openingsdagen en uren van de douanediensten op de Belgische douaneluchtvaartterreinen zijn opgenomen in de Instructie op de openingsdagen en uren van de kantoren (D.I. 502.551) van de Administratie van de douane en accijnzen). (*) een douaneluchtvaartterrein is een openbare luchthaven bevoegd, na toestemming van de bevoegde autoriteiten, voor het luchthavenverkeer met derde landen. Een lijst met de douaneluchtvaartterreinen in de verschillende Lid-Staten komt voor in bijlage 5.
In België werden de volgende openbare luchthavens aangemerkt als douaneluchtvaartterreinen:
-Nationale luchthaven (Zaventem)
-Antwerpen (Deurne)
-Bierset (Grâce-Hollogne)
-Charleroi (Gosselies)
-Oostende
Bovendien wordt de militaire luchthaven van Melsbroek eveneens erkend als douaneluchtvaartterrein.

Hieruit volgt dat de terugbetaling ten vroegste kan plaatsvinden in de transithal van deze luchthavens waar de reizigers worden toegelaten die reeds door de douane zijn gevisiteerd en in de mate dat er in deze hal een betalingsagent actief is die is aangesloten bij de NV GLOBAL REFUND BELGIUM.

160. Indien de vlucht die een reiziger met bestemming een derde land neemt, één of meerdere tussenstops in communautaire luchthavens met zich meebrengt, kan de visumformaliteit op het douanekantoor van uitgang uit de Gemeenschap soms problemen stellen.

In dit opzicht wordt verwezen naar de nrs. 147 en volgende waarin de toepasselijke regels zijn uiteengezet om te bepalen op welke luchthaven de controle van de bagage en de visumformaliteit moet plaatsvinden.



3:Gebruik van de reizigerscheque als verantwoordingsstuk voor de vrijstelling

161. Hoewel de voornaamste vermeldingen van een factuur erop voorkomen, is de door de NV GLOBAL REFUND BELGIUM aangeboden reizigerscheque essentieel een betalingsdocument tegen de afgifte waarvan de koper bij de betaalagenten van de NV GLOBAL REFUND BELGIUM de betaling kan bekomen van een bedrag dat gelijk is aan het bedrag van de BTW waarvoor hij in het kader van de vrijstelling om reden van uitvoer, recht heeft op teruggaaf, onder afhouding van een vergoeding vastgesteld en geïnd door de NV GLOBAL REFUND BELGIUM als tegenprestatie voor de door haar geleverde diensten bij het voorschieten van de teruggaaf.

Dit document kan bijgevolg niet als factuur worden aangemerkt. Het kan evenmin de factuur vervangen wanneer de uitreiking daarvan verplicht is gesteld door de ter zake geldende regels.

162. Dit voorbehoud uitgezonderd, aanvaardt de Administratie niettemin dat het bedoelde document, op voorwaarde dat het ten minste de vermeldingen bevat voorzien in nr. 155, 1), a), tot d) hiervoor, de factuur vervangt en als verantwoordingsstuk dient voor de levering van goederen, voor zover het in de boekhouding van de verkoper wordt opgenomen (z. nr. 164 hierna). Onder die voorwaarden vervalt eveneens de bijzondere verplichting tot uitreiking van een factuur voorzien in de gewone procedure van vrijstelling inzake het internationaal reizigersverkeer (z. nr. 142).

163. Dit document kan op dezelfde wijze als de factuur in de gewone vrijstellingsprocedure als verantwoordingsstuk worden aangeboden aan de Belgische douanediensten of deze van een andere Lid-Staat van de Gemeenschap om voor uitvoer te worden geviseerd. Het laat de verkoper daarenboven toe de uitoefening van zijn recht op teruggaaf te verantwoorden.



4:Boekhouding van de verkopers

164. De boekhouding van de verkoper moet niet alleen de gegrondheid van het recht op vrijstelling aantonen, maar moet het tevens mogelijk maken op een eenvoudige wijze de verschuldigdheid van de belasting, de betaling ervan aan de Schatkist en de uitoefening van het recht op teruggaaf te controleren.

Wanneer eveneens een factuur wordt uitgereikt, moet deze verwijzen naar het door de NV GLOBAL REFUND BELGIUM voorgedrukt volgnummer op de gebruikte reizigerscheque en worden ingeschreven in het boek voor uitgaande facturen volgens de ter zake geldende regels. Bij de terugkeer van de behoorlijk geviseerde reizigerscheque moet deze aan het dubbel van de factuur worden gehecht.

Wat de ontvangsten betreft, voortkomend van leveringen van goederen waarvoor er wel een reizigerscheque doch geen factuur werd opgemaakt, deze dienen het voorwerp uit te maken van een afzonderlijke inschrijving in het dagboek van ontvangsten bedoeld in artikel 14, § 2, 3° van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992, met de uitdrukkelijke vermelding van het volgnummer van de gebruikte reizigerscheque, ongeacht de prijs of de aard van de goederen en onverminderd andere voorschriften ter zake.

165. De verplichting inzake bewaring en voorlegging van documenten, voorzien door de artikelen 60 en 61, § 1, van het BTW-Wetboek, is in hoofde van de verkopers van toepassing op de gevalideerde cheques en op de door de NV GLOBAL REFUND BELGIUM opgestelde periodieke staten.



Analyse op het stuk van de BTW van de diensten verricht door de NV GLOBAL REFUND BELGIUM en haar betaalagenten

166. De diensten verricht door de NV GLOBAL REFUND BELGIUM en haar betaalagenten in het kader van de terugbetaling van BTW aan niet in de Gemeenschap gevestigde reizigers, worden als volgt geanalyseerd.

1:Handelingen verricht door de NV GLOBAL REFUND BELGIUM

167. De NV GLOBAL REFUND BELGIUM betaalt via door haar erkende zelfstandige betaalagenten de BTW terug geheven van de door de bovenbedoelde reizigers in België aangekochte goederen, op zicht van een door de douane bij uitvoer geviseerde reizigerscheque. De BTW wordt terugbetaald onder afhouding van een vergoeding die de werkingskosten van het door de NV GLOBAL REFUND BELGIUM voorgestelde terugbetalingssysteem en haar winst dekt.

De bovengenoemde prestaties van de NV GLOBAL REFUND BELGIUM moeten worden aangemerkt als betalingsverrichtingen. In principe wordt de plaats van een dienst die bestaat uit betalingsverrichtingen, geacht zich op de plaats te bevinden waar de dienstverrichter de zetel van zijn economische activiteit of een vaste inrichting heeft gevestigd van waaruit hij de dienst verricht, in casu in België. Deze verrichtingen zijn evenwel bedoeld in artikel 44, § 3, 8° van het BTW-Wetboek en dus, in principe, van de BTW vrijgesteld. Niettemin kan geopteerd worden voor het belasten ervan.

168. Nochtans worden dergelijke handelingen, zonder dat er moet geopteerd worden voor het belasten ervan, beoogd door artikel 45, § 1, 4° (eerste voorwaarde) van het BTW-Wetboek, aangezien de medecontractant van de NV GLOBAL REFUND BELGIUM, namelijk de reiziger ten bate van wie de dienst wordt verricht en die daarvoor ook een vergoeding betaalt die overeenstemt met het verschil tussen de hem aangerekende en de hem effectief terugbetaalde BTW, buiten de Gemeenschap is gevestigd en het ter zake gaat om betalingsverrichtingen bedoeld in artikel 44, § 3, 8° van het genoemde Wetboek. Artikel 45, § 1, 4° van het BTW-Wetboek verwijst inderdaad uitdrukkelijk naar artikel 44, § 3, 4° tot 10° van dit Wetboek. In dit opzicht wordt opgemerkt dat het niet vereist is dat die handelingen rechtstreeks samenhangen met goederen die bestemd zijn om te worden uitgevoerd; artikel 45, § 1, 4° van het BTW-Wetboek stelt immers twee voorwaarden die los van elkaar staan.

Hoewel haar output-verrichtingen van de BTW zijn vrijgesteld, heeft de NV GLOBAL REFUND BELGIUM derhalve toch recht op aftrek van de voorbelasting betaald voor haar inkomende verrichtingen.

169. De terugvordering door de NV GLOBAL REFUND BELGIUM van het volledige bedrag van de BTW van de winkelier-verkoper die de BTW aan de reiziger heeft aangerekend (de NV GLOBAL REFUND BELGIUM heeft die BTW aan de reiziger slechts terugbetaald onder afhouding van een vergoeding die ten laste van de reiziger valt), wordt niet als de prijs van een belastbare handeling aangemerkt. De verkoper betaalt immers hetzelfde bedrag aan de NV GLOBAL REFUND BELGIUM als datgene dat hij op grond van artikel 77, § 1, 1° van het BTW-Wetboek van de Schatkist recupereert.

170. De vergoeding die de NV GLOBAL REFUND BELGIUM jaarlijks aanrekent aan de bij haar organisatie aangesloten Belgische winkeliers voor de promotie van het beoogde systeem, is uiteraard belastbaar.

2:Handelingen gesteld door betaalagenten

171. De betaalagenten ontvangen voor hun tussenkomst, die bestaat in het controleren van de reizigerscheques en het terugbetalen aan de reizigers van de betaalde BTW, een vergoeding van de NV GLOBAL REFUND BELGIUM.

Deze betaalagenten kunnen niet als commissionairs worden aangemerkt, maar moeten in tegendeel worden beschouwd als lasthebbers vermits uit de werking van het bijzondere terugbetalingssysteem blijkt dat ze optreden in naam en voor rekening van de NV GLOBAL REFUND BELGIUM.

In dit opzicht worden de verrichtingen van deze personen overeenkomstig artikel 21, § 3, 8°, a) van het BTW-Wetboek, geacht plaats te vinden in België, ongeacht de Lid-Staat van waaruit ze handelen, vermits zij tussenkomen bij een dienstverrichting die in België plaatsvindt (z. nr. 167). De verrichtingen van deze tussenpersonen worden bedoeld in artikel 44, § 3, 8°, maar ook in artikel 45, § 1, 5° van het BTW-Wetboek vermits zij als lasthebber optreden bij de in 4° van hetzelfde artikel bedoelde handelingen. Het feit dat de medecontractant van deze personen de NV GLOBAL REFUND BELGIUM is, doet dan ook niets ter zake.

Deze personen hebben dus net als de NV GLOBAL REFUND BELGIUM recht op aftrek van de BTW die ze betalen, zonder dat ze moeten opteren voor het belasten van hun handelingen.

Viseren a posteriori van de documenten

172. Het kan voorkomen dat facturen, de als zodanig geldende stukken of de reizigerscheques niet kunnen worden geviseerd door het douanekantoor van uitgang uit de Gemeenschap (bijvoorbeeld omwille van de afwezigheid van de douane).

Indien na de uitvoer van de goederen, aan de douanediensten vragen tot visering van facturen, van als zodanig geldende stukken of van reizigerscheques zouden gericht worden, mogen deze in geen geval de bedoelde documenten a posteriori viseren, vermits het op dat ogenblik niet meer mogelijk is de fysieke uitvoer van de goederen buiten de Gemeenschap vast te stellen.

173. Aangezien de wetgeving bepaalt dat de verkoper de echtheid van de uitvoer slechts kan aantonen door voorlegging van een exemplaar van de factuur of van een als zodanig geldend stuk bekleed met het visum van het douanekantoor van uitgang uit de Gemeenschap (z. nr. 141), vervalt, in principe, het recht van de reiziger op vrijstelling van de belasting.

Inderdaad, de verkoper kan zijn levering van goederen aan een reiziger niet vrijstellen wanneer de factuur, het als zodanig geldend stuk of de reizigerscheque niet behoorlijk geviseerd werden door de douane van de Lid-Staat van uitgang van de goederen uit de Gemeenschap, zelfs indien de reiziger zich beroept op een ander bewijs van de uitvoer van de goederen (zoals een attest van de ambassade, een invoerdocument, een foto van de goederen in het buitenland, ...).

174. Nochtans kan op grond van artikel 19 van het koninklijk besluit nr. 18 aan de persoon die uitgesloten wordt van de vrijstelling wegens het niet naleven van de voorgeschreven formaliteiten gehele of gedeeltelijke ontheffing van het opgelopen verval worden verleend.

Wanneer bijgevolg de visumformaliteiten niet konden worden verricht op het tijdstip van de uitvoer, zal de Administratie de aanvragen onderzoeken die door de reizigers of door de verkopers namens de reiziger worden ingediend. Deze aanvragen tot herstel van het recht op vrijstelling dienen te worden gericht tot de Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, Centrale Diensten, Sector BTW, Dienst I/10, Kruidtuinlaan 50, bus 61 te 1010 Brussel.

De volgende inlichtingen en documenten moeten verplicht bij de aanvraag worden gevoegd opdat deze kan worden onderzocht:
-de aankoopfactuur;
-het bewijs dat de koper buiten de Gemeenschap is gevestigd (kopie van het paspoort, ...);
-een kopie van de vervoersdocumenten die eventueel werden gebruikt door de reiziger om de Gemeenschap te verlaten;
-een uiteenzetting van de reden waarom het uitvoervisum niet kon worden bekomen;
-een bewijs van invoer van de goederen in het land van bestemming afgeleverd door de bevoegde douaneautoriteiten van dat land. Wanneer goederen worden ingevoerd in een land waar geen verplichting bestaat om de goederen bij de bevoegde instanties van dat land aan te geven, aanvaardt de Administratie een attest van de Belgische Ambassade waarin de aanwezigheid van de goederen in dat land wordt bevestigd. In dit verband moet tevens het ontbreken van de aangifteplicht worden geattesteerd door de autoriteiten van het land van invoer.
175. Het spreekt vanzelf dat het gebruik van deze procedure uitzonderlijk moet blijven en dat de Administratie de gevallen niet zal onderzoeken waarbij het ontbreken van het visum te wijten is aan nalatigheid van de reiziger om dat visum te bekomen. De reiziger moet inderdaad zelf de nodige schikkingen treffen teneinde deze formaliteit na te leven. Hij mag zich niet vrijwillig onttrekken aan de op communautair niveau voorziene procedure om de echtheid aan te tonen van de uitvoer van goederen in het kader van het reizigersverkeer.



Afdeling 4:Leveringen van goederen door taksvrije verkooppunten gelegen in een Belgische internationale luchthaven

176. Door de exploitant van een luchthaven worden bepaalde ruimten binnen het luchthavengebouw verhuurd voor particuliere uitbating.

Aldus kan op een douaneluchtvaartterrein (z. nr. 147). binnen het transitgedeelte van het luchthavengebouw winkelruimte worden verhuurd voor het uitbaten van een taksvrij verkooppunt.

177. De in taksvrije verkooppunten voor verkoop aangeboden goederen kunnen van diverse herkomst en aard zijn. Zo kan het gaan om:
-goederen in het vrije verkeer in de Gemeenschap, al dan niet accijnsgoederen;
-goederen in het vrije verkeer (z. de nrs. 30 tot 35 en 117 wat de commentaar op dit begrip betreft) in die gebieden die deel uitmaken van het douanegebied van de Gemeenschap maar niet behoren tot het fiscale gebied inzake BTW en accijnzen (z. de nrs. 7 tot 15) (T2-goederen);
-goederen die zich niet in het vrije verkeer bevinden (z. de nrs. 30 tot 35 en 117 wat de commentaar op dit begrip betreft) (T1-goederen).


178. Naargelang hun herkomst en aard, mogen de goederen met vrijstelling van douanerechten bij invoer, van accijns en van de BTW enkel op de dag zelf van hun vertrek worden verkocht aan reizigers die zich per vliegtuig naar een bestemming begeven gelegen in een derde land.

Reizigers die in dit geval naar een plaats vliegen die wel tot het douanegebied van de Gemeenschap behoort maar niet tot het fiscaal gebied of tot het accijnsgebied (z. de nrs. 7 tot 15), moeten voor de BTW of de accijnzen, beschouwd worden een vlucht te maken naar een derde land, evenwel met dien verstande dat inzake douanerechten bij invoer de goederen in het vrije verkeer moeten zijn of moeten gebracht worden.

179. Wat de T1 en T2 goederen betreft, gaat het om goederen onder douanetoezicht waarvan de verkoop aan reizigers onder de bijzondere vrijstellingsbepaling van artikel 40, § 2, 1° van het BTW-Wetboek valt. De commentaar op dat artikel valt buiten onderhavige aanschrijving (z. nr. 117).

180. Wat de goederen betreft die in de Gemeenschap in het vrije verkeer zijn, kan hun verkoop in een taksvrije winkel binnen een Belgische internationale luchthaven, sinds 1 januari 1993 in principe niet meer van de BTW vrijgesteld worden, dan tenzij op grond van de bepalingen ter zake van leveringen van goederen aan een reiziger die deze meeneemt in zijn persoonlijke bagage (z. artikel 15, punt 2 van de Zesde BTW-Richtlijn en artikel 39, § 1, 4° van het BTW-Wetboek). Deze bepalingen beperken de vrijstelling tot reizigers die niet in de Gemeenschap gevestigd zijn (z. nrs 110 en volgende).

181. In afwachting van geharmoniseerde communautaire bepalingen ter zake en teneinde geen nadeel te berokkenen noch aan reizigers gevestigd in de Gemeenschap, noch aan taksvrije winkels in België in vergelijking met in andere Lid-Staten gangbare praktijken, en zolang deze praktijken niet formeel worden afgekeurd door de communautaire instanties, staat de Administratie bij wijze van toegeving toe dat de in de taksvrije winkels in een Belgische luchthaven verrichte leveringen van goederen aan een reiziger met bestemming een derde land worden beschouwd als een levering van goederen uitgevoerd voor rekening van de verkoper die is vrijgesteld onder de voorwaarden van artikel 15, punt 1 van de Zesde BTW-Richtlijn en van artikel 39, § 1, 1° van het BTW-Wetboek.

Bijgevolg staat de Administratie toe dat de vrijstelling eveneens wordt toegekend aan reizigers die in de Gemeenschap, dus ook in België, gevestigd zijn en die naar een derde land gaan.

182. De bestemming van de reiziger moet worden aangetekend in de boekhouding van de concessionaris van het taksvrije verkooppunt, hetzij onder de vorm van een codenummer dat wordt aangebracht op de verkoopfactuur of op het kasticket, hetzij onder om het even welke andere vorm die met de douanedienst belast met het toezicht op de winkel, moet overeengekomen worden.

De concessionaris van het taksvrij verkooppunt moet altijd de voorlegging van de instapkaart van de koper vragen, enerzijds om na te gaan of de reiziger voldoet aan de gestelde voorwaarden en anderzijds om de bestemming aan te tekenen overeenkomstig het bepaalde in voorgaand lid.

183. De vrijstelling wordt toegestaan in de mate dat de uitvoer van de geleverde en in de persoonlijke bagage van de reiziger meegenomen goederen niet in twijfel wordt getrokken, hetgeen het geval is indien de reiziger een rechtstreekse vlucht neemt ter bestemming van een derde land.

Indien de reiziger die aankopen doet in een taksvrij verkooppunt in een Belgische luchthaven, een tussenstop maakt op een andere communautaire luchthaven om er een ander vliegtuig te nemen ter bestemming van een derde land, is de aankoop met vrijstelling van belasting, in principe, niet toegelaten.

Om de Belgische operatoren evenwel niet te benadelen ten opzichte van hun Europese concurrenten in andere Lid-Staten die de douanereglementering terzake anders interpreteren, staat de Administratie, in afwachting van een duidelijk standpunt van de Europese Commissie (z. de artikelen 190 tot 197 van de Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 die bepaalde toepassingsbepalingen vastlegt van de Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het Communautair Douanewetboek) in deze materie, toe dat de vrijstelling mag toegepast worden indien de vijf volgende voorwaarden worden nageleefd:
1)de passagier moet in het bezit zijn van een ticket met bestemming een derde land en zijn instapkaart(en) moet(en) een eindbestemming in een derde land vermelden. De (twee) kaart(en) moet(en) worden getoond om de belastingvrije aankoop aan de kassa te rechtvaardigen. Daarom dient het kasticket zowel de eindbestemming als de Europese tussenstop te vermelden;
2)de ruimbagage moet vanaf de Belgische luchthaven worden geregistreerd voor de luchthaven in het derde land: de reiziger kan die bagage niet terugkrijgen bij de communautaire overstap. Dit garandeert, in principe, de fysieke uitgang uit de Gemeenschap van de reiziger en de bagage;
3)één enkele communautaire transfert is toegelaten (meer dan één overstap in de Gemeenschap verbiedt de taksvrije aankoop op de Belgische luchthaven);
4)de transfert mag maximaal 24 uren duren: deze termijn wordt berekend tussen het uur van aankoop op de Belgische luchthaven en het officiële uur van opstijgen van de vlucht naar het derde land;
5)de verpakkingen van de taksvrije goederen moet worden gezegeld en voorzien worden van een ticket waarop duidelijk is vermeld "enkel voor gebruik buiten de Gemeenschap". Het betreft voornamelijk de alcoholische dranken en de tabaksproducten, vermits de andere goederen verkocht worden aan dezelfde prijs ongeacht de bestemming (belasting ten laste genomen door de verkoper).
Bovendien moet de koper duidelijk geïnformeerd worden over al deze voorwaarden. De aankoop verbindt hem deze na te leven.


184. Wanneer tenslotte goederen die door een reiziger in een taksvrij verkooppunt werden gekocht alvorens zich per vliegtuig naar een derde land te begeven, door deze reiziger worden wederingevoerd:
-kunnen zij de vrijstelling voorzien voor terugkerende goederen niet genieten (z. artikel 40, § 1, 2°, a) van het BTW-Wetboek en artikel 40 van koninklijk besluit nr. 7 van 29 december 1992 met betrekking tot de invoer van goederen voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde) vermits die goederen van de belasting vrijgesteld werden om reden van hun uitvoer;
-kunnen zij de vrijstelling voorzien voor goederen die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers genieten (z. artikel 40, § 4 van het BTW-Wetboek en artikel 43 van het koninklijk besluit nr. 7 van 29 december 1992 met betrekking tot de invoer van goederen voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde) binnen de perken en de voorwaarden die terzake zijn voorzien.


Hoofdstuk IV:De onrechtstreekse uitvoer

Afdeling 1:Bijzondere vrijstellingen verbonden aan het internationaal handelsverkeer van goederen die onder douanetoezicht werden geplaatst - draagwijdte van de regeling

185. Communautaire goederen die voor de uitvoer zijn bestemd, moeten, in principe, geplaatst worden onder de douaneregeling inzake uitvoer met het oog op hun vertrek uit het douanegebied van de Gemeenschap en het voorwerp uitmaken van een aangifte ten uitvoer (z. nrs. 81 en volgende).

186. In enkele specifieke situaties kunnen deze goederen echter onder een andere regeling worden geplaatst of een andere douanebestemming krijgen dan de douaneregeling inzake uitvoer, zoals bijvoorbeeld de bestemming vrije entrepots of de economische douaneregelingen van douane-entrepots en van actieve veredeling.

Alhoewel deze bestemmingen en deze douaneregelingen voornamelijk voorzien zijn om niet-communautaire goederen te ontvangen zonder dat deze onderworpen worden aan invoerrechten, accijnsrechten, BTW en andere handelspolitieke maatregelen, staat de douanereglementering in verschillende omstandigheden toe dat communautaire goederen eveneens onder deze bestemmingen en regelingen geplaatst worden met het oog op hun latere uitvoer. Dit is met name het geval voor de communautaire goederen waarvoor restituties kunnen verleend worden in het kader van de gemeenschappelijke landbouwpolitiek of nog voor de communautaire goederen die moeten gevoegd worden bij niet-communautaire goederen met het oog op hun gezamenlijke uitvoer buiten de Gemeenschap.

187. Artikel 39, § 2 van het BTW-Wetboek stelt vrij van de belasting de levering en de intracommunautaire verwerving van goederen evenals de diensten die betrekking hebben om communautaire goederen die bestemd zijn om te worden opgeslagen op plaatsen waar bepaalde opschortende regelingen van douanerechten gelden, of die zich reeds onder één van deze regelingen bevinden.

Aangezien op het vlak van de BTW, de opslag van goederen op deze plaatsen hetzelfde resultaat heeft als de uitvoer en dat deze plaatsing in principe gevolgd moet worden door de effectieve uitvoer van deze goederen, worden deze verrichtingen als "onrechtstreekse uitvoeren" bestempeld.

Dit hoofdstuk behandelt op gedetailleerde wijze de handelingen beoogd door artikel 39, § 2 van het BTW-Wetboek.



Afdeling 2:Wettelijke bepalingen

188. Artikel 39, § 2 van het BTW-Wetboek (artikel 39, § 2, van het BTW-Wetboek is de omzetting in het Belgisch recht van de optionele bepaling vervat in artikel 16, punt 1, letters B, C en D en 1bis van de Zesde BTW-Richtlijn (z. bijlage 1) die de lidstaten die daarvoor opteren, toestaat in hun nationale wetgeving vrijstellingsbepalingen te voorzien ten gunste van handelingen met betrekking tot goederen die zich onder douanetoezicht bevinden) bepaalt dat:

"§ 2 VAN DE BELASTING ZIJN VRIJGESTELD:
DE LEVERINGEN ALSMEDE DE INTRACOMMUNAUTAIRE VERWERVINGEN VAN GOEDEREN DIE BESTEMD ZIJN OM TE WORDEN GEPLAATST ONDER EEN REGELING ALS BEDOELD IN ARTIKEL 23, § 4, 1°, 4°, 5°, 6° OF 7°, ALSMEDE DE LEVERINGEN VAN DEZE GOEDEREN, MET HANDHAVING VAN ÉÉN VAN DIE REGELINGEN;
DE DIENSTEN, ANDERE DAN DIE WELKE ZIJN VRIJGESTELD BIJ TOEPASSING VAN DE ARTIKELEN 41 EN 42, BESTAANDE UIT WERKZAAMHEDEN MET BETREKKING TOT GOEDEREN DIE HET VOORWERP UITMAKEN VAN LEVERINGEN ALS BEDOELD IN 1° OF DIE ZICH BEVINDEN ONDER ÉÉN VAN DE REGELINGEN BEDOELD IN 1° ."


189. Bovendien bepaalt artikel 39, § 3 van het BTW-Wetboek:

"§ 3 DE KONING BEPAALT DE VOORWAARDEN DIE VOOR HET VERKRIJGEN VAN DE IN DE §§ 1 EN 2 BEDOELDE VRIJSTELLINGEN MOETEN WORDEN NAGELEEFD ...".

Zo is de in artikel 39, § 2 van het BTW-Wetboek bepaalde vrijstelling onderworpen aan het naleven van de voorwaarden, het vervullen van de formaliteiten en het leveren van de bewijzen voorgeschreven door de artikelen 10 tot 14 van het koninklijk besluit nr. 18 van 29 december 1992 (z. bijlage 2).



Afdeling 3:Voorwaarden voor de vrijstelling

190. Uit de wettelijke bepalingen vermeld in de nrs. 188 en 189 blijkt dat de in artikel 39, § 2 van het BTW-Wetboek bepaalde vrijstelling in drie welbepaalde gevallen kan toegepast worden.

WELKE ZIJN DE DRIE GEVALLEN WAARIN DE VRIJSTELLING VAN ARTIKEL 39, § 2, VAN HET BTW-WETBOEK TOEPASSING KAN VINDEN?
- Wanneer de goederen het voorwerp uitmaken van een levering of een intracommunautaire verwerving en bestemd zijn om te worden geplaatst daar waar één van de door artikel 23, § 4, 1°, 4°, 5°, 6° of 7° van het BTW-Wetboek bepaalde regelingen van toepassing is.
- In geval van levering van goederen volgend op deze beoogd onder het eerste streepje, met handhaving van één van de genoemde regelingen.
- In geval van diensten die bestaan in werkzaamheden met betrekking op goederen die het voorwerp uitmaken van een levering beoogd onder het eerste streepje of die zich onder één van de genoemde regelingen bevinden.


A:Levering of intracommunautaire verwerving van goederen die bestemd zijn om te worden geplaatst daar waar één van de door artikel 23, § 4, 1°, 4°, 5°, 6° of 7° van het BTW-Wetboek beoogde regelingen van toepassing is

Principe

191. Artikel 39, § 2, 1° van het BTW-Wetboek stelt vrij van belasting de levering alsmede de intracommunautaire verwerving van goederen die bestemd zijn om te worden geplaatst daar waar een regeling als bedoeld in artikel 23, § 4, 1°, 4°, 5°, 6° of 7° van het BTW-Wetboek van toepassing is.

192. Het in deze vrijstellingsbepaling vermelde artikel 23, § 4 van het BTW-Wetboek is het artikel met betrekking tot de invoer van goederen dat de douanebestemmingen en -regelingen opsomt waaronder de goederen vanaf hun binnenkomen in de Gemeenschap worden geplaatst, zonder dat ze geacht worden te zijn ingevoerd, dan tenzij in de Lid-Staat waar ze aan deze regelingen worden onttrokken.

Door dit artikel heeft de wetgever zich een nieuwe opsomming bespaard van de douanebestemmingen en -regelingen waarvoor artikel 39, § 2 van het BTW-Wetboek in aanmerking komt. Er wordt aan herinnerd dat het gaat om bestemmingen en regelingen die essentieel voor niet-communautaire goederen zijn bestemd, zelfs indien de douanereglementering er in bepaalde omstandigheden de plaatsing toelaat van communautaire goederen (z. nrs. 186 en 205).

193. Niet alle van de in artikel 23, § 4 van het BTW-Wetboek vermelde douanebestemmingen en -regelingen worden door artikel 39, § 2, 1° van het BTW-Wetboek beoogd.

WELKE REGELINGEN WORDEN DOOR ARTIKEL 39, § 2, 1° VAN HET BTW-WETBOEK BEOOGD?
Het gaat om de volgende douanebestemmingen en -regelingen:
- de tijdelijke opslag (z. artikel 23, § 4, 1° van het BTW-Wetboek);
- de regeling van vrije zones of vrije entrepots (z. artikel 23, § 4, 4° van het BTW-Wetboek);
- de regeling van douane-entrepot (z. artikel 23, § 4, 5°, van het BTW-Wetboek);
- de regeling van actieve veredeling met toepassing van het schorsingssysteem (z. artikel 23, § 4, 6° van het BTW-Wetboek);
- de regeling inzake de in de territoriale zee toegelaten goederen voor boor- en werkeilanden (z. artikel 23, § 4, 7° van het BTW-Wetboek).


De tijdelijke opslag (voor meer details, z. de omzendbrief "Tijdelijke opslag" van 25 oktober 1993, nr. D.L. 1/18.900 (D.I. 548) van de Administratie van douane en accijnzen)

194. Elk niet-communautair goed dat het douanegebied van de Gemeenschap wordt binnengebracht, moet op een douanekantoor worden aangebracht. Vóór hun lossing moeten de goederen in principe het voorwerp uitmaken van een summiere aangifte die meestal bestaat uit een ladingslijst 126. Vanaf dat moment bevinden de goederen zich in tijdelijke opslag en moeten ze binnen de twintig dagen of, bij vervoer over zee, binnen de vijfenveertig dagen een specifiekere douanebestemming krijgen.

De tijdelijke opslag is dus een opslagregeling van korte duur. Een tijdelijke opslagplaats wordt ambtshalve in de publieke douane-entrepots van het type F ingericht (z. nr. 197). De douane-autoriteiten kunnen dergelijke opslagplaatsen eveneens buiten de douanezones erkennen.

Aan goederen die zich in tijdelijke opslag bevinden, mogen geen andere behandelingen worden verricht dan deze die hun bewaring in dezelfde staat verzekeren zonder de presentatie of de technische kenmerken te wijzigen.

De communautaire douanereglementering staat de opslag en het verblijf onder de regeling tijdelijke opslag toe van bepaalde communautaire goederen waarvoor een douanedocument moet gebruikt worden in afwachting dat ze een toegelaten douanebestemming krijgen. Deze mogelijkheid wordt in België alleszins niet gebruikt en kent bijgevolg geen praktische toepassing.



De vrije zone en het vrije entrepot (voor meer details, z. de Instructie over de Entrepots - 1996 (D.I. 540) van de Administratie van douane en accijnzen)

195. Vrije zones zijn afgescheiden delen van het douanegebied van de Gemeenschap waarbinnen, onder bepaalde voorwaarden, allerlei werkzaamheden kunnen worden verricht, zoals de opslag en de verwerking van goederen.

De vrije zones vereisen een kostelijke infrastructuur (afsluiting van de zone met toe- en uitgangen onder toezicht van de douane). Bij gebrek aan enig belang wordt de regeling van de vrije zones momenteel in België niet toegepast.

196. De vrije entrepots zijn eveneens afgescheiden delen van het douanegebied van de Gemeenschap, maar dan veel kleiner dan de vrije zones, of nog locaties in dit gebied, erkend door de douane-autoriteiten waarin opgeslagen kunnen worden:
-niet-communautaire goederen zonder dat deze onderworpen worden aan invoerrechten, accijnzen, BTW en handelspolitieke maatregelen;
-communautaire goederen waarvoor wegens hun verplaatsing in een vrij entrepot, maatregelen gelden die verband houden met de uitvoer van goederen (hier wordt het stelsel van de vooruitbetaling van landbouwrestituties bedoeld). De opslag kan gepaard gaan met een vrijstelling van accijns en/of BTW.
Buiten de periodes van aanwezigheid van de ambtenaren belast met het toezicht, moet het vrije entrepot gesloten worden door de vergunninghouder en door de douane.

De toe- en uitgangen van het vrije entrepot zijn onderworpen aan het toezicht van de douane-autoriteiten die de goederen kunnen controleren die er binnenkomen, er zich bevinden of het entrepot verlaten. Alleszins geeft het binnenkomen van goederen in het vrije entrepot geen aanleiding tot de indiening van een douane-aangifte. Deze vereenvoudiging van de formaliteiten vormt één van de voornaamste aantrekkingspunten van deze douanebestemming.

Vanaf hun inslag in het vrije entrepot moeten de goederen evenwel ingeschreven worden in een voorraadadministratie. De handelingen die deze goederen ondergaan worden eveneens in deze administratie vermeld.

De duur van de opslag van goederen in deze vrije entrepots is niet beperkt.

De in het vrije entrepot opgeslagen goederen kunnen gedurende hun opslag het voorwerp uitmaken van de gebruikelijke handelingen met het oog op het verzekeren van hun bewaring, de verbetering van hun presentatie of hun handelskwaliteit of het voorbereiden van hun distributie of hun verkoop.

In België biedt de regeling douane-entrepot voldoende mogelijkheden om aan het grootste deel van de economische behoeften inzake goederenopslag te voldoen (z. nr. 197). Vandaar dat er zich weinig vrije entrepots zijn. Alleen in de haven van Antwerpen bestaan er nu enkele.



Het douane-entrepot (voor meer details, z. de Instructie over de Entrepots - 1996 (D.I. 540) van de Administratie van de douane en accijnzen)

197. Een douane-entrepot is een door de douane-autoriteiten erkende en aan het douanetoezicht onderworpen plaats, waar kunnen worden opgeslagen:
-niet-communautaire goederen zonder dat deze aan invoerrechten, accijnzen, BTW en handelspolitieke maatregelen worden onderworpen;
-communautaire goederen afkomstig uit delen van het douanegebied van de Gemeenschap, die voor de BTW als derdelandsgebieden worden beschouwd, zonder dat deze aan accijns en/of aan BTW worden onderworpen (hier wordt de toepassing van artikel 23, § 4, 5° van het BTW-Wetboek en van artikel 2, § 2, van het koninklijk besluit nr. 7 van 29 december 1992 met betrekking tot de invoer van goederen voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde bedoeld);
-communautaire goederen waarvoor, wegens hun plaatsing in een douane-entrepot, maatregelen gelden die verband houden met de uitvoer van goederen (hier wordt het stelsel van de vooruitbetaling van de landbouwrestituties bedoeld). De opslag gaat gepaard met een vrijstelling van accijns en/of BTW;
-communautaire goederen die bij onder de regeling van douane-entrepot opgeslagen niet-communautaire goederen moeten worden gevoegd met het oog op hun gezamenlijke uitvoer buiten de Gemeenschap. Door deze opslag kunnen de uitvoerformaliteiten voor deze goederen vervuld worden bij inslag in het entrepot en worden ze dientengevolge inzake accijns en BTW als voorlopig uitgevoerd beschouwd. In dit geval controleert de douane de verdere bestemming van deze goederen.
Er moet een onderscheid gemaakt worden tussen enerzijds de particuliere douane-entrepots die uitsluitend bestemd zijn voor de opslag onder de regeling van douane-entrepot van goederen door de entreposeur, dit is de persoon die het entrepot beheert, en anderzijds de publieke douane-entrepots die door elke persoon gebruik kunnen worden voor de opslag van goederen onder deze regeling.

Onder de particuliere douane-entrepots onderscheidt men, naargelang de voorwaarden met betrekking tot de inslag en de uitslag van de goederen, de entrepots van het type C, D en E. De controle is gebaseerd op de voorraadadministratie van de entreposeur.

Onder de publieke douane-entrepots onderscheidt men de entrepots van het type A, de entrepots van het type B (vooral in de havens) en de entrepots van het type F (voornamelijk door de gemeenten ter beschikking gesteld). In de entrepots van het type A is de controle gebaseerd op de voorraadadministratie van de entreposeur. In de entrepots van het type B is de controle gebaseerd op de inkomende en de uitgaande documenten. De entrepots van het type F worden door de douane beheerd.

De duur van de opslag van de goederen onder de regeling van douane-entrepot is meestal niet beperkt.

De goederen kunnen bovendien het voorwerp uitmaken van gebruikelijke behandelingen met het oog op het verzekeren van hun bewaring, de verbetering van hun presentatie of hun handelskwaliteit of het voorbereiden van hun distributie of hun verkoop.



De actieve veredeling met schorsingssysteem (voor meer details, z. de Instructie Actieve Veredeling - 1988 (D.I. 551.001 - van de Administratie van douane en accijnzen)

198. De regeling van de actieve veredeling met toepassing van het schorsingssysteem is een economische douaneregeling die toelaat:
-niet-communautaire goederen, invoergoederen genaamd, tijdelijk in het douanegebied van de Gemeenschap in te voeren;
-ze te verwerken of hen één of meerdere veredelingswerkzaamheden te laten ondergaan waarbij eventueel communautaire goederen gebruikt worden;
-ze terug uit te voeren buiten het douanegebied van de Gemeenschap onder de vorm van veredelingsproducten;
De regeling is van toepassing op alle goederen in de mate dat ze:
-ofwel onderworpen zijn aan invoerrechten;
-ofwel vrij zijn van invoerrechten maar onderworpen aan handelspolitieke maatregelen bij invoer of bij uitvoer. De regeling wordt dan aangevraagd om de toepassing van deze maatregelen te vermijden.
Om de regeling van de actieve veredeling met toepassing van het schorsingssysteem te mogen toepassen, moet de aanvrager het reële voornemen hebben om de veredelingsproducten weder uit te voeren buiten het douanegebied van de Gemeenschap.

De regeling van de actieve veredeling omvat het maakloonwerk, ongeacht of de lastgever al dan niet eigenaar blijft van de ingevoerde goederen. Er wordt overigens opgemerkt dat de regeling geenszins vereist dat de bewerking een industriële wijziging teweegbrengt die de waarde van de goederen verhoogt. De regeling is evenzeer van toepassing op goederen die minder belangrijke behandelingen ondergaan (gebruikelijke behandelingen, herstelling, het afstellen, ...).

De regeling actieve veredeling is dus een economische douaneregeling waarvan het hoofddoel is de uitvoeren buiten het douanegebied van de Gemeenschap te bevorderen door de communautaire operatoren die uit derde landen afkomstige goederen gebruiken om voor de uitvoer bestemde goederen te produceren, op gelijke voet te behandelen als hun concurrenten in derde landen die dezelfde producten maken zonder douanerechten te betalen. De tijdelijke vrijstelling van invoerrechten op de in het uitgevoerde veredelingsproduct verwerkte goederen uit derde landen, laat de communautaire operatoren immers toe een kwaliteitsproduct te maken aan de laagste prijs en aldus hun concurrentievermogen op de buitenlandse markten te verbeteren.

199. Om een betere rotatie van de goederenvoorraad van een verwerkingsonderneming mogelijk te maken, voorziet de regeling van de actieve verdeling bovendien in twee originele technieken, met name "equivalentieverkeer" en "voorafgaande uitvoer".

De techniek van het "equivalentieverkeer" biedt de mogelijkheid om in het productieproces van de veredelingsproducten equivalente communautaire goederen te gebruiken in de plaats van invoergoederen.

De equivalente communautaire goederen moeten onder dezelfde onderverdeling van acht cijfers van het boek der gecombineerde nomenclatuur vallen, dezelfde handelskwaliteit en dezelfde technische kenmerken bezitten als de invoergoederen. Indien de omstandigheden het rechtvaardigen, kan de douane-autoriteit niettemin toestaan dat de equivalente goederen zich in een verder gevorderd fabricagestadium bevinden dan de invoergoederen op voorwaarde dat het belangrijkste gedeelte van de veredelingshandeling waaraan de equivalente goederen worden onderworpen ofwel wordt verricht in de onderneming van de titularis van de vergunning van de actieve veredeling ofwel in de onderneming waar genoemde veredelingshandeling voor zijn rekening verricht wordt.

De uit de equivalente communautaire goederen verkregen veredelingsproducten kunnen buiten het douanegebied van de Gemeenschap worden uitgevoerd, voordat de invoergoederen werden ingevoerd. Dit systeem wordt de "voorafgaande uitvoer" genoemd. Het kan bijvoorbeeld nodig zijn dit systeem toe te passen om dringende leveringen te verrichten wanneer geen enkel invoergoed beschikbaar is. Ter vervanging van de gebruikte equivalente communautaire goederen kunnen nadien niet-communautaire goederen worden ingevoerd met vrijstelling van de invoerrechten. Deze ingevoerde goederen nemen dan de plaats in van de verwerkte equivalente goederen. De voorafgaande uitvoer is dus enkel mogelijk wanneer equivalente goederen gebruikt worden.

Wanneer een beroep wordt gedaan op het equivalentieverkeer, doet zich een verandering voor van de douanestatus van de goederen. De invoergoederen bevinden zich in de douanestatus van equivalente goederen en deze laatste bevinden zich in de douanestatus van invoergoederen.

De verandering van de douanestatus van de goederen wijzigt nochtans de oorsprong van de uitgevoerde goederen niet. De douanestatus van de werkelijk gebruikte goederen (en niet deze van de invoergoederen) is dus doorslaggevend om de oorsprong van de verkregen veredelingsproducten te bepalen.



De boor- en werkeilanden (voor meer details, z. de omzendbrief Bijzondere Bestemmingen (D.I. 627) van de Administratie van douane en accijnzen)

200. Artikel 21 van het communautair douanewetboek (z. Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992) stelt dat bepaalde goederen omwille van hun aard of bijzondere bestemming een gunstige tariefbehandeling kunnen genieten wanneer ze in het vrije verkeer worden gebracht.

De voorwaarden om de gunstige tariefbehandeling te genieten zijn bepaald door de artikelen 291 tot 304 van de toepassingsbepalingen van het communautair douanewetboek (z. Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993).

Eén van door deze bepalingen voorziene bijzondere bestemmingen beoogt de goederen bestemd voor bepaalde soorten schepen evenals voor boor- of werkeilanden op zee.

Hier worden de goederen bedoeld die in voornoemde schepen en boor- en werkeilanden worden verwerkt of daarop blijvend worden bevestigd. Dit is onder meer het geval voor:
-kabels en touwwerk, zeildoeken, voegstukken, pakking, scheepsmotoren, scheepsverf;
-goederen die als losse uitrustingsstukken rechtstreeks voor de navigatie noodzakelijk zijn zoals radio-elektrisch en elektronisch materiaal en onderdelen daarvan;
-alle andere goederen die bestemd zijn om aan boord te worden gebruikt zoals meubelen, vaatwerk, koelkasten, waterreservoirs, radiotoestellen voor de ontspanning van de bemanning; ...
Momenteel zijn er geen boor- of werkeilanden meer in de Belgische territoriale wateren.



Grenzen en voorwaarden

201. Uit de wettelijke bepalingen waarvan sprake in de nrs. 188 en 189 en uit de algemene economie van het BTW-Wetboek vloeit voort dat de in artikel 39, § 2, 1° van het BTW-Wetboek bedoelde vrijstelling voor leveringen en intracommunautaire verwervingen van goederen die geplaatst worden onder één van de door artikel 23, § 4, 1°, 4°, 5°, 6° en 7° van het BTW-Wetboek bepaalde regelingen, verleend wordt binnen de volgende grenzen en voorwaarden.

WELKE ZIJN DE GRENZEN EN DE VOORWAARDEN WAARAAN DE VRIJSTELLING VAN ARTIKEL 39, § 2, 1° VAN HET BTW-WETBOEK IS ONDERWORPEN?
VOOR DE LEVERINGEN EN DE INTRACOMMUNAUTAIRE VERWERVINGEN VAN GOEDEREN DIE GEPLAATST WORDEN ONDER ÉÉN VAN DE DOOR ARTIKEL 23, § 4, 1°, 4°, 5°, 6° OF 7° BEOOGDE REGELINGEN MOET:
- de vrij te stellen verrichting betrekking hebben op goederen die zich in de Gemeenschap in het vrije verkeer bevinden;
- de vrij te stellen verrichting de belasting in België opeisbaar maken indien de goederen niet bestemd waren om geplaatst te worden daar waar één van de door artikel 23, § 4, 1°, 4°, 5°, 6° en 7° van het BTW-Wetboek voorziene regelingen van toepassing is;
- de plaats waar de voornoemde regelingen van toepassing zijn, zich in België bevinden;
- de plaatsing van de goederen onder één van voornoemde regelingen krachtens de douanewetgeving toegelaten zijn.


202. Artikel 39, § 2, 1° van het BTW-Wetboek stelt enkel vrij van de belasting de leveringen en intracommunautaire verwervingen van goederen die zich in de Gemeenschap in het vrije verkeer bevinden.

Voor de commentaar op het begrip "goederen die zich in de Gemeenschap in het vrije verkeer bevinden" wordt verwezen naar de nrs. 30 tot 35 die "mutatis mutandis" van toepassing zijn op de door artikel 39, § 2, 1° van het BTW-Wetboek beoogde verrichtingen.

Deze voorwaarde voor de toepassing van de door artikel 39, § 2, 1° van het BTW-Wetboek beoogde vrijstelling komt niet uitdrukkelijk voor in deze wettelijke bepaling, maar ze vloeit voort uit de algemene economie van het BTW-Wetboek. Immers, de goederen die zich in de Gemeenschap niet in het vrije verkeer bevinden, bevinden zich, vanaf hun binnenkomen in het fiscale- of douanegebied van de Gemeenschap, onder douanetoezicht. Hun levering of hun intracommunautaire verwerving valt onder de bijzondere vrijstellingsbepaling vervat in artikel 40, § 2, 1° van het BTW-Wetboek.

Voorbeelden:
-Een in België gevestigde groothandelaar A is voor gans Europa concessiehouder van speelgoed gefabriceerd in Zuid-Korea. Hij plaatst alle goederen die hij van de fabrikant verkrijgt in zijn privé douane-entrepot van type D dat hij bezit in zijn onderneming, vermits een deel van de goederen bestemd is om opnieuw te worden uitgevoerd naar Oost-Europa. A bestelt bij B, fabrikant van batterijen en gevestigd te Nijvel, de nodige batterijen om in het speelgoed te worden ingebracht vóór de verkoop ervan.
De levering A-B is in principe in België aan de belasting onderworpen.
Zij komt evenwel in aanmerking om te worden vrijgesteld door artikel 39, § 2, 1°, van het BTW-Wetboek omdat zij betrekking heeft op communautaire goederen in het vrije verkeer die bestemd zijn om onder de regeling douane-entrepot te worden geplaatst.
-Grondstoffen uit Chili worden in Spanje de Gemeenschap binnengebracht waar zij onder de regeling van tijdelijke opslag worden geplaatst. Eigenaar A verkoopt de goederen aan Belgisch een fabrikant B die ze onder de regeling van actieve veredeling met toepassing van het schorsingssysteem wenst te plaatsen vermits hij de bekomen veredelingsproducten voor de uitvoer zal bestemmen. In deze omstandigheden verzendt A de goederen naar B onder dekking van de regeling voor extern communautair douanevervoer.
Artikel 25bis, § 1 van het BTW-Wetboek somt de voorwaarden op waaraan het begrip intracommunautaire verwerving van een goed moet voldoen, zijnde essentieel:
-Het verkrijgen van de macht om als eigenaar te beschikken over een lichamelijk roerend goed;
-De verzending of het vervoer van het goed van één Lid-Staat naar een anderen, ter bestemming van de afnemer;
-De verzending of het vervoer van het goed door de verkoper, de afnemer of voor hun rekening.
Deze definitie houdt geen rekening met de douane-status van de goederen die er het voorwerp van uitmaken. Hieruit volgt dat niet-communautaire goederen het voorwerp kunnen uitmaken van intracommunautaire handelingen alvorens voor het vrije verkeer en het verbruik te worden aangegeven in een Lid-Staat van de Gemeenschap.

B verricht dus een intracommunautaire verwerving van de bij A aangekochte goederen in de zin van artikel 25bis, § 1, van het BTW-Wetboek. Deze handeling wordt geacht plaats te vinden in België op grond van artikel 25quinquies, § 2, van het BTW-Wetboek en is bijgevolg overeenkomstig artikel 25ter, § 1, eerste lid van dit Wetboek in principe onderworpen aan de belasting.

De intracommunautaire verwerving van de goederen door B is evenwel vrijgesteld van de BTW op grond van artikel 40, § 2, 1°, van het BTW-Wetboek, onder de daarbij voorziene voorwaarden, om reden dat het gaat om niet-communautaire goederen die vanaf het binnenkomen in de Gemeenschap onder een regeling bedoeld in artikel 23, § 4, van het BTW-Wetboek werden geplaatst, met behoud van één van deze regelingen. De toepassing van artikel 39, § 2, 1°, van het BTW-Wetboek is in dit geval niet nodig.

203. Artikel 39, § 2, 1°, van het BTW-Wetboek stelt slechts van de belasting vrij de leveringen en de intracommunautaire verwervingen van goederen die de belasting in België opeisbaar zou maken indien de goederen die er het voorwerp van uitmaken, niet bestemd waren om daar te worden geplaatst waar één van de regelingen bedoeld in artikel 23, § 4, 1°, 4°, 5°, 6° of 7° van het BTW-Wetboek van toepassing is.

Het moet dus gaan om een levering van goederen verricht onder bezwarende titel door een als zodanig handelende belastingplichtige zoals bedoeld in artikel 2 van het BTW-Wetboek, of om een intracommunautaire verwerving van goederen bedoeld in artikel 25ter, § 1, eerste lid, § 2 en § 4 van het BTW-Wetboek.

Het begrip "een als zodanig handelend belastingplichtige" werd becommentarieerd in de nrs. 45 tot 50 die mutatis mutandis van toepassing zijn op de handelingen bedoeld in artikel 39, § 2, 1°, van het BTW-Wetboek en waarnaar wordt verwezen.



204. Wat de levering van goederen betreft moeten de regels inzake plaatsbepaling van een levering bepaald in artikel 15 van het BTW-Wetboek, ter zake toegepast worden.

De goederen moeten dus niet noodzakelijk worden vervoerd of verzonden naar de plaats waar de douanebestemming of -regeling van toepassing is opdat de levering de vrijstelling zou genieten. Evenmin moet de plaats van de levering niet noodzakelijk voortvloeien uit het in artikel 15, § 2, tweede lid, 1°, van het BTW-Wetboek bepaalde criterium, zoals dit wel het geval is voor de toepassing van de vrijstelling inzake de rechtstreekse uitvoer voorzien in artikel 39, § 1, 1° tot 3° ; van het BTW-Wetboek (z. nrs. 37 en volgende).

Voorbeeld: Een in België gevestigde producent van rundvlees A verkoopt zijn producten aan groothandelaar B eveneens gevestigd in België. Omdat B de goederen bestemt voor de Albanese markt, bepaalt de verkoopsovereenkomst tussen A en B dat het vlees in de koelruimten die A in zijn magazijnen bezit, en die als privé douane-entrepot zijn erkend, moet worden opgeslagen totdat B zelf een koper heeft gevonden voor dit vlees.

De levering A-B vindt overeenkomstig artikel 15, § 2, eerste lid, van het BTW-Wetboek in België plaats daar waar de goederen ter beschikking werden gesteld van B. Deze levering is in principe onderworpen aan de belasting maar wordt vrijgesteld van de BTW door artikel 39, § 2, 1°, van het BTW-Wetboek om reden dat de goederen die er het voorwerp van uitmaken, onder de regeling douane-entrepot werden geplaatst. Het feit dat het gaat om een levering zonder vervoer van de goederen, doet hieraan geen afbreuk.

205. Artikel 39, § 2, 1°, van het BTW-Wetboek stelt slechts van de belasting vrij de leveringen alsmede de intracommunautaire verwervingen van goederen die bestemd zijn om in België onder een regeling als bedoeld in artikel 23, § 4, 1°, 4°, 5°, 6° of 7° van het BTW-Wetboek te worden geplaatst.

De vrijstelling van artikel 39, § 2, 1°, van het BTW-Wetboek is immers de omzetting in nationaal recht van de mogelijkheid die overeenkomstig artikel 16, punt 1 en 1bis van de Zesde BTW-Richtlijn aan de Lid-Staten wordt geboden om bijzondere maatregelen te treffen teneinde niet aan de belasting te onderwerpen de intracommunautaire verwervingen en leveringen van goederen die bestemd zijn om te worden geplaatst daar waar bepaalde douanebestemmingen en -regelingen van toepassing zijn, die de rechten opschorten.

Wanneer goederen die in België het voorwerp uitmaken van een belastbare levering, naar een andere Lid-Staat worden vervoerd ter bestemming van één van deze plaatsen, is deze levering in principe vrijgesteld krachtens artikel 39bis van het BTW-Wetboek zodanig dat de bij artikel 16 van de Zesde BTW-Richtlijn verleende mogelijkheid om vrijstelling te verlenen, in deze situatie zonder voorwerp blijft. In dit verband wordt volledigheidshalve opgemerkt dat het gebied waar een douanebestemming en -regeling van toepassing is, voor de toepassing van de BTW niet wordt beschouwd als derdelands gebied.

De handeling blijft dus volledig onderworpen aan de fiscale regels die gelden voor het handelsverkeer tussen Lid-Staten.

Voorbeeld: A en B zijn twee gewone belastingplichtigen gevestigd in België. A verkoopt onder de commerciële clausule "franco vrije zone haven Kopenhagen" communautaire goederen aan B die zich in België bevinden.

De levering A-B vindt in België plaats daar waar het vervoer aanvangt en is in principe onderworpen aan de belasting. Zij kan evenwel van de belasting worden vrijgesteld op grond van artikel 39bis van het BTW-Wetboek indien de koper B zijn Deens BTW-identificatienummer aan A mededeelt.

Merk op dat hoewel deze vrije zones voor de douanereglementering (z. nr. 195) een afgescheiden gedeelte van het douanegebied vormen, ze inzake BTW plaatsen zijn die binnen de Gemeenschap in de zin van artikel 1, § 2, van het BTW-Wetboek gelegen zijn, zodanig dat de goederen die er naartoe worden verzonden, binnen de Gemeenschap blijven voor de toepassing van artikel 39bis van het BTW-Wetboek.

206. Artikel 39, § 2, 1°, van het BTW-Wetboek stelt van de belasting vrij de leveringen en de intracommunautaire verwervingen van goederen die bestemd zijn om in België te worden geplaatst onder een regeling als bedoeld in artikel 23, § 4, 1°, 4°, 5°, 6° of 7° van het BTW-Wetboek voor zover deze plaatsing toegelaten is overeenkomstig de douanewetgeving.

Bovendien is de opslag en het verblijf van goederen onder een zodanig regime, onderworpen aan de voorwaarden bepaald door de douanereglementering.

De douanebepalingen op het vlak van de uitvoer laten in België de plaatsing toe van communautaire goederen (z. nrs. 194 tot 200):
-onder de regeling douane-entrepot, indien het gaat om landbouwproducten voor dewelke een restitutie kan worden toegekend in het kader van de gemeenschappelijke landbouwpolitiek en die worden geplaatst onder de regeling "prefinanciering-entrepot";
-onder de regeling douane-entrepot, indien het gaat om goederen bestemd om te worden toegevoegd aan andere niet-communautaire goederen die zich in een douane-entrepot bevinden met het oog op hun gezamenlijke uitvoer;
-onder de opschortende regeling actieve veredeling, indien het gaat om goederen bestemd om te worden verwerkt met andere niet-communautaire goederen die zich onder deze regeling bevinden;
-onder de opschortende regeling actieve veredeling, indien het gaat om goederen die worden uitgevoerd in het kader van het equivalentieverkeer.
Er wordt opgemerkt dat de tijdelijke opslag bij uitvoer, de bestemming vrije zone en de regeling inzake de in de territoriale zee toegelaten goederen voor boor- en werkeilanden momenteel in België in de praktijk niet worden toegepast.

Voorbeelden:
-Een in België gevestigde fabrikant van bouwkundige machines A bouwt voor rekening van een in Duitsland gevestigde opdrachtgever B, kranen en bulldozers onder de regeling actieve veredeling met toepassing van het schorsingssysteem door middel van onderdelen afkomstig uit derde landen die hem geleverd werden door B. B verschaft aan A eveneens communautaire hydraulische uitrustingsstukken om in deze machines aan te brengen. B koopt deze aan bij C in België. C is belast met het vervoer van de goederen naar A.
Overeenkomstig de plaatsbepaling bedoeld in artikel 15, § 2, tweede lid, 1°, van het BTW-Wetboek vindt de levering C - B plaats in België daar waar het vervoer van de goederen door C naar A aanvangt. Deze levering is in principe onderworpen aan de belasting maar wordt vrijgesteld door toepassing van artikel 39, § 2, 1°, van het BTW-Wetboek om reden dat C de goederen vervoert naar een plaats waar ze onder de regeling bedoeld in artikel 23, § 4, 6°, van het BTW-Wetboek worden geplaatst, te weten de regeling van actieve veredeling met toepassing van het schorsingssysteem, alsmede omdat deze plaatsing toegestaan is door de douanewetgeving.
-A en B zijn twee gewone, in Mechelen gevestigde belastingplichtigen. A verkoopt aan B communautaire goederen (bvb kleding) die zich in België bevinden onder de clausule "franco entrepot van B te Antwerpen". B, die in deze stad over een grote loods beschikt die als privé douane-entrepot is erkend, heeft namelijk de intentie om de goederen die hij bij A heeft aangekocht per boot uit te voeren naar Noorwegen van zodra hij in dat land een koper vindt met dewelke hij belangrijke handelsrelaties heeft.
Sinds het invoeren van de éénheidsmarkt op 1 januari 1993 is het in principe niet meer mogelijk om goederen die de douanestatus van communautaire goederen hebben, onder de regeling douane-entrepot te plaatsen, behalve in enkele uitzonderlijke gevallen waaronder deze genoemd in dit nr. 205 (landbouwproducten, goederen afkomstig van delen van het douanegebied die geen deel uitmaken van het BTW-gebied, goederen toegevoegd aan niet-communautaire goederen). Wanneer er evenwel een economische behoefte voor bestaat en voor zover het douanetoezicht er niet door in het gedrang komt, kunnen de douane-autoriteiten toestaan dat communautaire goederen samen met niet communautaire goederen worden opgeslagen op plaatsen erkend als douane-entrepot. Deze goederen bevinden zich dus fysiek in een douane-entrepot maar worden niet onder de regeling douane-entrepot geplaatst. Er wordt voor deze communautaire goederen geen enkele douaneformaliteit verricht.

In deze omstandigheden, kan de levering A - B, die in principe in België onderworpen is aan de belasting, de vrijstelling bedoeld in artikel 39, § 2, 1°, van het BTW-Wetboek niet genieten, aangezien de door B bij A aangekochte goederen niet onder de regeling douane-entrepot geplaatst werden. Deze plaatsing is trouwens door de douane-wetgeving niet toegestaan.



B:Opeenvolgende leveringen van goederen die zich op een plaats bevinden waar één van de regelingen bedoeld in artikel 23, § 4, 1°, 4°, 5°, 6° of 7° van het BTW-Wetboek wordt toegepast met handhaving van één van die regelingen

Principe

207. Artikel 39, § 2, 1°, van het BTW-Wetboek stelt van de belasting vrij de leveringen van goederen die zich onder één van de regelingen bedoeld in artikel 23, § 4, 1°, 4°, 5°, 6° of 7° van het BTW-Wetboek bevinden, met handhaving van één van die regelingen.



Beperkingen en voorwaarden

208. Uit de wettelijke bepalingen genoemd in de nrs. 188 en 189 vloeit voort dat de vrijstelling bedoeld in artikel 39, § 2, 1°, van het BTW-Wetboek voor de leveringen van goederen die zich onder één van de regelingen bedoeld in artikel 23, § 4, 1°, 4°, 5°, 6° of 7° van het BTW-Wetboek bevinden, met handhaving van één van die regelingen, wordt toegestaan binnen de volgende beperkingen en voorwaarden.

WELKE ZIJN DE GRENZEN EN DE VOORWAARDEN WAARAAN DE VRIJSTELLING VAN ARTIKEL 39, § 2, 1° VAN HET BTW-WETBOEK IS ONDERWORPEN?
VOOR DE LEVERINGEN VAN GOEDEREN DIE ZICH ONDER EEN VAN DE REGELINGEN BEDOELD IN ARTIKEL 23, § 4, 1°, 4°, 5°, 6° OF 7° VAN HET BTW-WETBOEK BEVINDEN, MOET(EN):
- de vrij te stellen levering betrekking hebben op goederen die het voorwerp uitgemaakt hebben van de plaatsing in België onder één der regelingen bedoeld in artikel 23, § 4, 1°, 4°, 5°, 6° of 7° van het BTW-Wetboek vrijgesteld door artikel 39, § 2, 1°, van het BTW-Wetboek;
- de vrij te stellen levering de belasting in België opeisbaar maken indien de goederen zich niet op een plaats zouden bevinden waar één van de regelingen bedoeld in artikel 23, § 4, 1°, 4°, 5°, 6° of 7° van het BTW-Wetboek toegepast wordt;
- de goederen onder één van de regelingen bedoeld in artikel 23, § 4, 1°, 4°, 5°, 6° of 7° van het BTW-Wetboek gehandhaafd blijven.


209. Artikel 39, § 2, 1°, van het BTW-Wetboek stelt enkel die leveringen van goederen vrij van de belasting die het voorwerp hebben uitgemaakt van een plaatsing in België onder één van de regelingen bedoeld in artikel 23, § 4, 1°, 4°, 5°, 6° of 7° van het BTW-Wetboek vrijgesteld door artikel 39, § 2, 1°, van het BTW-Wetboek.

De vrijstelling is dus slechts van toepassing op goederen die zich in de Gemeenschap in het vrije verkeer bevinden en die in België onder één van de bedoelde regelingen werden geplaatst ten gevolge van een levering of een intracommunautaire verwerving die geacht wordt in België plaats te vinden en die is vrijgesteld door artikel 39, § 2, 1°, van het BTW-Wetboek.

Deze vrijstelling kan daarentegen niet toegepast worden indien de goederen onder één van de bedoelde regelingen worden geplaatst tengevolge van een binnenlandse overbrenging van de goederen in België. Deze handeling, die erin bestaat dat een belastingplichtige goederen van zijn onderneming verzendt of vervoert of dat voor zijn rekening laat doen, van één plaats in België naar een andere plaats in België, los van elke handelstransactie, is immers geen belastbare handeling. De daaropvolgende leveringen van deze goederen vallen dus buiten het toepassingsgebied van de vrijstelling bedoeld in artikel 39, § 2, 1°, van het BTW-Wetboek.

210. Artikel 39, § 2, 1°, van het BTW-Wetboek stelt enkel die leveringen van goederen van de belasting vrij die de belasting in België opeisbaar zouden maken indien de goederen zich niet op een plaats zouden bevinden waar één der regelingen bedoeld in artikel 23, § 4, 1°, 4°, 5°, 6° of 7° van het BTW-Wetboek van toepassing is.

Het moet dus gaan om leveringen van goederen die onder bezwarende titel door een als zodanig handelende belastingplichtige zoals bedoeld in artikel 2 van het BTW-Wetboek worden verricht en die geacht worden in België plaats te vinden overeenkomstig artikel 15 van het BTW-Wetboek.

Al de criteria bedoeld in artikel 15 van het BTW-Wetboek inzake de plaatsbepaling van leveringen kunnen in casu van toepassing zijn. Het kan inderdaad gaan ofwel om leveringen van goederen zonder vervoer wanneer deze op de plaats blijven waar de regeling geldt waaronder ze zich bevinden, ofwel om leveringen van goederen met vervoer indien deze worden verzonden of vervoerd naar een andere plaats waar één der regelingen bedoeld in artikel 39, § 2, 1°, van het BTW-Wetboek van toepassing is (z. nrs. 211 en 212 hierna).

Voorbeeld: A levert communautaire goederen aan B die in Antwerpen onder de regeling douane-entrepot geplaatst worden. B verkoopt de goederen op zijn beurt aan C met handhaving van de regeling douane-entrepot waaronder zij zich bevinden. C verkoopt de goederen onder de commerciële clausule "geleverd franco bestemming douane-entrepot te Bergen" aan D, groothandelaar te Bergen.

Zowel de levering B-C, zonder vervoer van de goederen, als de levering C-D, met vervoer van de goederen, komen in aanmerking om te worden vrijgesteld op grond van artikel 39, § 2, 1°, van het BTW-Wetboek omdat zij betrekking hebben op goederen ten aanzien waarvan één van de door deze bepaling bedoelde regelingen gehandhaafd blijft.

211. Artikel 39, § 2, 1°, van het BTW-Wetboek stelt slechts van de belasting vrij de leveringen van goederen die gehandhaafd blijven onder één der regelingen bedoeld in artikel 23, § 4, 1°, 4°, 5°, 6° of 7° van het BTW-Wetboek.

Alle leveringen die volgen op de plaatsing van de goederen onder één der regelingen bedoeld in artikel 23, § 4, 1°, 4°, 5°, 6° of 7° van het BTW-Wetboek, kunnen van de belasting worden vrijgesteld voor zover de goederen onder die regeling gehandhaafd blijven.

Voorbeeld: A levert in België communautaire landbouwproducten aan B die onder de regeling douane-entrepot geplaatst worden. B verkoopt op zijn beurt de goederen aan C die opgeslagen blijven in het douane-entrepot waarin zij zich bevinden. C laat de goederen in dit entrepot verpakken op een wijze die hun verkoop in Zwitserland toelaat. Na deze handeling verkoopt C de goederen onder de commerciële clausule "geleverd franco bestemming" aan D, groothandelaar te Lausanne.

Alle leveringen, A-B, B-C en C-D zijn van de belasting vrijgesteld op grond van artikel 39, § 2, 1°, van het BTW-Wetboek omdat de desbetreffende goederen onder de regeling douane-entrepot bedoeld in artikel 23, § 4, 5° van het BTW-Wetboek werden geplaatst en deze regeling gehandhaafd bleef bij de opeenvolgende verkopen tot de aanzuivering ervan door de uitvoer.

212. Het is geenszins noodzakelijk dat dezelfde regeling behouden blijft als deze onder dewelke de goederen werden geplaatst of waaronder zij zich bevinden opdat de vrijstelling bedoeld in artikel 39, § 2, 1°, van het BTW-Wetboek toegepast zou kunnen worden.

In dat geval is, om dezelfde redenen als deze uiteengezet in de nrs. 205 en 206 hiervoor, wel vereist dat de plaats waar de nieuwe douaneregeling van toepassing is, in België gelegen is en dat de plaatsing onder deze nieuwe regeling toegelaten is door de douane-wetgeving.

Voorbeeld: Om toch een dringende bestelling van een Chinese klant te kunnen nakomen, aan dewelke hij geen onmiddellijk gevolg kan geven, wegens een gebrek aan grondstoffen afkomstig uit een derde land, richt de te Geraardsbergen gevestigde belastingplichtige B zich tot een andere fabrikant van gelijkaardige producten A, gevestigd te Nijvel, en koopt bij hem een partij grondstoffen die hij onder de opschortende regeling actieve veredeling in het kader van het equivalentieverkeer plaatst (z. nr. 199). B moet de goederen die hij gefabriceerd heeft, afleveren in een douane-entrepot te Antwerpen teneinde er een maritieme beschermingsverpakking te laten aanbrengen.

In principe is de uitvoer buiten het douane-gebied van de Gemeenschap de normale bestemming van veredelingsproducten bekomen in het kader van de opschortende regeling actieve veredeling. De douane-wetgeving laat evenwel de aanzuivering van deze regeling toe door deze goederen in een douane-entrepot te plaatsen.

Bijgevolg kunnen zowel de levering A-B als de levering B-C worden vrijgesteld door toepassing van artikel 39, § 2, 1°, van het BTW-Wetboek omdat de betrokken goederen enerzijds geplaatst werden onder de opschortende regeling actieve veredeling bedoeld in artikel 23, § 4, 6° van het BTW-Wetboek, en anderzijds zij ter gelegenheid van de daaropvolgende levering in België bleven met handhaving van één van de regelingen bedoeld in artikel 39, § 2, 1°, van het BTW-Wetboek, met name onder de regeling douane-entrepot bedoeld in artikel 23, § 4, 5°, van het BTW-Wetboek.



C:Diensten bestaande uit werkzaamheden met betrekking tot goederen die het voorwerp uitmaken van een levering met plaatsing onder een regeling als bedoeld in artikel 23, § 4, 1°, 4°, 5°, 6° of 7° van het BTW-Wetboek of die zich onder één van deze regelingen bevinden

Principe

213. Artikel 39, § 2, 2°, van het BTW-Wetboek stelt vrij van de belasting de diensten, andere dan die welke zijn vrijgesteld bij toepassing van de artikel 41 en 42 van het BTW-Wetboek, bestaande uit werkzaamheden met betrekking tot goederen die het voorwerp uitmaken van leveringen als bedoeld in artikel 39, § 2, 1°, van het BTW-Wetboek of die zich bevinden onder één van de regelingen bedoeld in dit artikel.



Beperkingen en voorwaarden

214. Uit de wettelijke bepalingen vermeld in de nrs. 188 en 189 volgt dat de vrijstelling voorzien in artikel 39, § 2, 2°, van het BTW-Wetboek wordt toegestaan binnen de volgende beperkingen en voorwaarden.

WELKE ZIJN DE BEPERKINGEN EN DE VOORWAARDEN WAARAAN ARTIKEL 39, § 2, 2°, VAN HET BTW-WETBOEK IS ONDERWORPEN?
- de vrij te stellen dienst moet betrekking hebben op goederen die het voorwerp uitmaken van leveringen als bedoeld in artikel 39, § 2, 1°, van het BTW-Wetboek of op goederen die het voorwerp hebben uitgemaakt van een dergelijke handeling en die zich nog steeds bevinden onder één van de door dit artikel beoogde regelingen;
- de dienst moet een andere zijn dan deze welke zijn vrijgesteld door de artikelen 41 en 42 van het BTW-Wetboek;
- de dienst moet bestaan uit werkzaamheden met betrekking tot roerende goederen die de BTW in België opeisbaar zouden maken indien de goederen niet zouden geplaatst geweest zijn of zich niet zouden bevinden op een plaats waar één van de regelingen bedoeld in artikel 23, § 4, 1°, 4°, 5°, 6° of 7° van het BTW-Wetboek wordt toegepast;
- de uitvoering van de dienst moet door de douane-wetgeving zijn toegestaan.


215. Artikel 39, § 2, 2°, van het BTW-Wetboek stelt enkel van de belasting vrij de diensten die betrekking hebben op goederen die het voorwerp uitmaken van leveringen bedoeld in artikel 39, § 2, 1°, van het BTW-Wetboek of die het voorwerp hebben uitgemaakt van een dergelijke handeling en die zich nog steeds onder één van de door dit artikel beoogde regelingen bevinden.

Voor de toepassing van artikel 39, § 2, 2°, van het BTW-Wetboek wordt onder leveringen bedoeld in artikel 39, § 2, 1°, van het BTW-Wetboek verstaan zowel de leveringen van goederen in België bedoeld als deze die plaats hadden in een andere Lid-Staat van de Gemeenschap en aanleiding geven tot een in België belastbare intracommunautaire verwerving.

216. Hieruit volgt dat de diensten bedoeld in artikel 39, § 2, 2°, van het BTW-Wetboek betrekking kunnen hebben op:
-goederen in het vrije verkeer die het voorwerp uitmaken van een intracommunautaire verwerving in België of die in België met vrijstelling van de belasting op grond van artikel 39, § 2, 1°, van het BTW-Wetboek werden aangekocht, maar die niet onmiddellijk werden geplaatst daar waar de regelingen bedoeld door deze bepaling van toepassing zijn omdat zij voorafgaandelijk de bedoelde diensten moeten ondergaan;
-diezelfde goederen die zich reeds op een plaats bevinden waar de bedoelde regelingen worden toegepast nadat zij het voorwerp hebben uitgemaakt van een in het eerste streepje bedoelde plaatsing.
Voorbeeld: Aan de restitutie onderworpen communautaire landbouwproducten worden in België door exploitant A verkocht aan groothandelaar B. De levering A-B heeft plaats met vrijstelling van de BTW door toepassing van artikel 39, § 2, 1°, van het BTW-Wetboek omdat B de goederen voor de uitvoer bestemt en deze onder de regeling prefinanciering - entrepot plaatst (z. nr. 206).

Alvorens de goederen in het douane-entrepot op te slaan, geeft B aan C opdracht tot het filteren en zeven van de landbouwproducten. Nadat de goederen in het douane-entrepot zijn opgeslagen, geeft B aan D de opdracht tot het verpakken van de landbouwproducten in zakken van 50 kg. C en D zijn in België geïdentificeerde belastingplichtigen.

Zowel de dienstverrichting van C die plaats heeft voorafgaandelijk aan de opslag van de goederen in het entrepot, als de dienstverrichting van D die plaats heeft in het entrepot, zijn vrijgesteld door toepassing van artikel 39, § 2, 2°, van het BTW-Wetboek.

217. Daarentegen kan de vrijstelling bepaald in artikel 39, § 2, 2°, van het BTW-Wetboek niet worden toegepast voor diensten die betrekking hebben op goederen die het voorwerp uitmaken van een binnenlandse overbrenging in België naar een plaats waar één van de bedoelde regelingen wordt toegepast aangezien deze overbrenging zelf geen handeling is die vrijgesteld wordt door artikel 39, § 2, 1°, van het BTW-Wetboek (z. nr. 209).

218. Artikel 39, § 2, 2°, van het BTW-Wetboek stelt enkel van de belasting vrij de diensten andere dan die welke zijn vrijgesteld bij toepassing van de artikelen 41 en 42 van het BTW-Wetboek.

Artikel 39, § 2, 2°, van het BTW-Wetboek stelt expliciet dat de vrijstelling niet toepasbaar is op de diensten die zijn vrijgesteld bij toepassing van de artikelen 41 en 42 van het BTW-Wetboek. Deze diensten zijn in feite door deze bijzondere bepalingen reeds vrijgesteld van de belasting van zodra zij werden uitgevoerd binnen de door deze artikels voorziene voorwaarden.

Voorbeeld: A verkoopt 100 ton graan aan B die moeten afgeleverd worden in een douane-entrepot te Antwerpen. A belast C met het vervoer van het graan naar het entrepot. A, B en C zijn in België gevestigde belastingplichtigen.

Het vervoer van het graan door C naar het entrepot is, in principe, onderworpen aan de belasting. Het is evenwel vrijgesteld krachtens artikel 41, § 1, 4°, van het BTW-Wetboek omdat het betrekking heeft op goederen die vallen onder de regeling douane-entrepot bedoeld in artikel 23, § 4, 5°, van het BTW-Wetboek.

219. Artikel 39, § 2, 2°, van het BTW-Wetboek stelt enkel van de belasting vrij de diensten bestaande uit werkzaamheden met betrekking tot roerende goederen die de belasting in België opeisbaar zouden maken indien de goederen niet werden geplaatst of zich niet bevinden op een plaats waar één van de regelingen bedoeld in artikel 23, § 4, 1°, 4°, 5°, 6° of 7° van het BTW-Wetboek wordt toegepast.

220. Onder diensten bestaande uit werkzaamheden met betrekking tot goederen in de zin van artikel 39, § 2, 2°, van het BTW-Wetboek moet worden verstaan een materieel werk of een expertise bedoeld in artikel 18, § 1, tweede lid, 1°, van het BTW-Wetboek dat geacht wordt plaats te vinden op de plaats bepaald overeenkomstig de criteria van artikel 21, § 3, 2°, van het BTW-Wetboek.

De vrijstelling wordt dus slechts toegepast op werkzaamheden verricht onder bezwarende titel door een als zodanig handelende belastingplichtige, voor zover deze worden geacht plaats te vinden in België overeenkomstig het bepaalde in artikel 21, § 3, 2°, van het BTW-Wetboek.

Voorbeeld: A, een Belgische groothandelaar in melkproducten koopt in Nederland boter in bulk. A belast B, een in Nederland geïdentificeerde belastingplichtige, om de boter te verpakken in vlootjes. Vervolgens vervoert A de boter met zijn eigen vrachtwagen naar een douane-entrepot in Antwerpen dat is uitgerust met een koelinstallatie. Hij vraagt op voorhand de uitbetaling van de landbouwrestituties waarop hij wegens de voorziene uitvoer van de boter aanspraak kan maken. A belast C, een in België voor de BTW geïdentificeerde belastingplichtige, met een etikettering en het koelen van de boter. A deelt aan B en aan C zijn Belgisch BTW-identificatienummer mee.

De dienst die B in Nederland verricht, bestaat uit een materieel werk met betrekking tot een roerend goed dat overeenkomstig artikel 21, § 3, 2°, b), van het BTW-Wetboek geacht wordt in België plaats te vinden omdat hij wordt verstrekt aan een in België voor de BTW geïdentificeerde ontvanger van de dienst en het goed Nederland verlaat na de uitvoering ervan.

De dienst verricht door C in België bestaat eveneens uit een materieel werk met betrekking tot een roerend goed en wordt geacht overeenkomstig artikel 21, § 3, 2°, a), van het BTW-Wetboek in België plaats te vinden omdat hij betrekking heeft op goederen die het voorwerp uitmaken van een plaatsing onder de regeling douane-entrepot welke zelf is vrijgesteld door artikel 39, § 2, 1°, van het BTW-Wetboek of die zich reeds onder die regeling bevinden tengevolge van die vrijgestelde plaatsing.

Deze diensten maken de belasting in België in principe opeisbaar, maar worden vrijgesteld door artikel 39, § 2, 2°, van het BTW-Wetboek omdat zij betrekking hebben op goederen die het voorwerp uitmaken van een plaatsing onder de regeling douane-entrepot die zelf vrijgesteld wordt door artikel 39, § 2, 1°, van het BTW-Wetboek of die zich reeds onder deze regeling bevinden tengevolge van deze vrijgestelde plaatsing.

221. Artikel 39, § 2, 2°, van het BTW-Wetboek stelt enkel de diensten vrij van de belasting waarvan de uitvoering is toegelaten door de douane-wetgeving.

222. Wat de diensten betreft met betrekking tot goederen die het voorwerp uitmaken van een handeling met plaatsing onder één van de regelingen als bedoeld in artikel 23, § 4, 1°, 4°, 5°, 6° of 7° van het BTW-Wetboek, kunnen alle materiële werken alsook de expertises verricht vóór de effectieve plaatsing van de goederen daar waar de bedoelde regelingen worden toegepast, vrijgesteld worden door artikel 39, § 2, 2°, van het BTW-Wetboek, aangezien de douane-wetgeving slechts van toepassing is vanaf het moment van plaatsing van de goederen onder de regeling en deze wetgeving de toegelaten handelingen dus niet kan beperken.

Op het ogenblik dat de diensten voltooid zijn in de zin van artikel 22 van het BTW-Wetboek, moeten de goederen evenwel verplicht worden geplaatst daar waar de desbetreffende regeling van toepassing is. Deze plaatsing vormt in feite de reden waarom de dienstverrichtingen en de handeling met betrekking tot de plaatsing werden vrijgesteld. Bij gebrek aan plaatsing kunnen deze handelingen de vrijstelling van BTW op grond van artikel 39, § 2, van het BTW-Wetboek niet genieten.

Omdat de plaatsing en het verblijf van de goederen onder de regelingen bedoeld in artikel 23, § 4, 1°, 4°, 5°, 6° of 7° van het BTW-Wetboek onderworpen zijn aan de voorwaarden bepaald door de douane-wetgeving (z. artikel 11 van het koninklijk besluit nr. 18 en nr. 206 hierboven), volgt hieruit dat de materiële werken die worden verricht vóór de effectieve plaatsing van de goederen op plaatsen waar de bedoelde regelingen worden toegepast, niet mogen leiden tot het bekomen van goederen die niet onder deze regelingen worden toegelaten of die niet kunnen worden opgeslagen op de voorziene plaatsen.

Voorbeeld: Om redenen van algemene veiligheid, volksgezondheid, milieu, ... mogen bepaalde goederen, zoals bijvoorbeeld gevaarlijke producten, niet worden opgeslagen in een publiek douane-entrepot van type A.

Indien de onderdelen van deze goederen, individueel beschouwd, mits nakoming uiteraard van alle andere voorwaarden het voorwerp kunnen uitmaken van een levering die is vrijgesteld door artikel 39, § 2, 1°, van het BTW-Wetboek omdat ze in een publiek entrepot geplaatst worden, dan kunnen die zelfde onderdelen die voorafgaandelijk aan hun plaatsing omgevormd werden tot goederen die niet mogen worden toegelaten onder de bedoelde douaneregeling, in deze hypothese de vrijstelling voorzien in artikel 39, § 2, van het BTW-Wetboek niet genieten noch voor de handeling met plaatsing, noch voor de omvorming.

223. Wat de diensten betreft met betrekking tot goederen die zich reeds onder één van de regelingen bedoeld in artikel 23, § 4, 1°, 4°, 5°, 6° of 7° van het BTW-Wetboek bevinden, beperkt artikel 13 van het koninklijk besluit nr. 18 de vrijstelling tot die handelingen waarvan de uitvoering onder de betreffende regeling is toegestaan krachtens de communautaire douanereglementering.

In dit opzicht werd reeds in de nrs. 196 tot 200 vermeld dat, volgens de communautaire douanereglementering:
-de opschortende regeling actieve veredeling alle behandeling toelaat, zowel het maakloonwerk als de bewerkingen die geen enkele industriële wijziging van de goederen impliceren, of nog kleine handelingen zoals de gebruikelijke behandelingen, herstellingen; afstellen, ...
-goederen opgeslagen in een vrij entrepot en in een douane-entrepot het voorwerp kunnen uitmaken van gebruikelijke behandelingen bestemd om hun bewaring te verzekeren, om hun presentatie of hun normale kwaliteit te verbeteren of om hun distributie of verkoop voor te bereiden. In elk geval kunnen communautaire goederen die vallen onder de gemeenschappelijke landbouwpolitiek slechts het voorwerp uitmaken van behandelingen die uitdrukkelijk voor deze goederen voorzien zijn in het kader van de regeling "prefinanciering - entrepot".


224. Ter informatie gaat hieronder de lijst van gebruikelijke behandelingen die toegelaten zijn in een vrij entrepot en in een douane-entrepot naargelang het gaat om goederen met prefinanciering of zonder.

Goederen met prefinanciering (z. artikelen 532 en 825 van de toepassingsbepalingen van het Communautair Douanewetboek opgenomen in Verordening (EG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993)
1.Voorraadopening.
2.Het aanbrengen op de goederen of op hun verpakking van merken, verzegelingen, etiketten of enig ander onderscheidend merkteken, op voorwaarde dat dit aanbrengen niet leidt tot het verkrijgen van een schijnbaar andere dan de werkelijke oorsprong.
3.Het wijzigen van merken en collinummers, op voorwaarde dat deze wijziging niet leidt tot het verkrijgen van een schijnbaar andere dan de werkelijke oorsprong.
4.Het verpakken, uitpakken, het veranderen van verpakking, herstelling van de verpakking..
5.Het luchten.
6.Het koelen.
7.Het diepvriezen.
Goederen zonder prefinanciering (z. artikelen 522 en 818 van de toepassingsbepalingen van het Communautair Douanewetboek opgenomen in Verordening (EG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993)
Eenvoudige verrichtingen om gedurende de opslag van de goederen de bewaring ervan in goede staat te verzekeren
1.Het luchten, uitspreiden, drogen, stof wegruimen, eenvoudige schoonmaakhandelingen, herstelling van de verpakking, eenvoudige herstellingen van gedurende het vervoer of de opslag opgelopen beschadigingen in zoverre dit eenvoudige handelingen betreft, het aanbrengen of weghalen van beschermende bekleding met het oog op het vervoer.
2.Voorraadopneming, monsterneming en weging van de goederen.
3.Het verwijderen van beschadigde of aangetaste delen.
4.Bewaring in goede staat door middel van bestraling of door toevoeging van middelen voor het verduurzamen.
5.Het behandelen tegen parasieten.
6.Elke behandeling door het verlagen van de temperatuur.
Verrichtingen om de presentatie of handelskwaliteit van de goederen te verbeteren
1.Het verwijderen van stelen en/of ontpitten van vruchten.
2.Het assembleren en monteren van de goederen doch slechts in zoverre dit het aanbrengen, aan een afgewerkt artikel, van toebehoren betreft die niet van wezenlijk belang zijn bij de vervaardiging van de goederen (bijvoorbeeld: het monteren van een radio of ruitenwissers op een motorrijtuig)
3.Het ontzilten, schoonmaken en crouponeren van huiden.
4.Het toevoegen aan goederen van één of meer andere soorten goederen, voor zover deze toevoeging betrekkelijk klein is en de aard van de oorspronkelijke goederen niet verandert (bijvoorbeeld: het toevoegen van additieven, butaan of benzine, het toevoegen van sinaasappelpulp, sinaasappelessence of sinaasappelaroma, enz).
5.Het verdunnen van vloeistoffen.
6.Het onderling vermengen van dezelfde soort goederen, van verschillende kwaliteit, teneinde te komen tot een constante kwaliteit of een door de afnemer gevraagde kwaliteit, zonder de aard van de goederen te wijzigen.
7.Het van elkaar scheiden van de goederen, doch uitsluitend indien dit eenvoudige verrichtingen betreft.
.Verrichtingen om de goederen voor distributie of wederverkoop voor te bereiden
1.Het sorteren, filteren, indelen en zeven.
2.Het afstellen en instellen.
3.Het verpakken, uitpakken, het veranderen van verpakking, het overgieten en het eenvoudig overbrengen.
4.Het aanbrengen en wijzigen van merken, verzegelingen, etiketten, vermeldingen van behaalde prijzen of enig ander onderscheidend merkteken, op voorwaarde dat deze handeling niet leidt tot het verkrijgen van een schijnbaar andere dan de werkelijke oorsprong.
5.Het uitproberen, bijstellen en gebruiksklaar maken van machines, toestellen en voertuigen voor zover het eenvoudige verrichtingen betreft.
6.Het uitproberen om na te gaan of aan de Europese technische normen wordt voldaan.
7.Het versnijden en kleiner maken van gedroogde vruchten of van groenten.
8.Het behandelen tegen roest.
9.Het herconstrueren van goederen na het vervoer.
10.Het verhogen van de temperatuur om vervoer van de goederen mogelijk te maken.
11.Het strijken van textiel.
12.Het elektrostatisch behandelen van textiel.


Afdeling 4:Formaliteiten

Douaneformaliteiten

225. De formaliteiten die de douanereglementering voorziet m.b.t. de plaatsing van goederen onder één van de regelingen bedoeld in artikel 39, § 2, van het BTW-Wetboek, alsook de formaliteiten m.b.t. de aanzuivering van de regeling, moeten regelmatig worden nagekomen. De inzake douane op te maken documenten vormen immers een belangrijk bewijsmiddel van het recht op de vrijstelling (z. nrs. 237 tot 241).

Globaal genomen moeten voor de plaatsing van de goederen onder één van de voornoemde regelingen dezelfde formaliteiten worden verricht als deze voorzien inzake uitvoer naar een plaats buiten de Gemeenschap. Voor de opmaak van de aangifte ten uitvoer kan dus verwezen worden naar de nrs. 81 en volgende alsook naar de Instructie Enig Document - 1999 (D.I. 530.11)j van de Administratie der douane en accijnzen.

Enkele specifieke richtlijnen eigen aan de becommentarieerde regelingen, maken alleszins het voorwerp uit van instructies die in de hierna volgende nummers worden vermeld en waarnaar wordt verwezen.

226. De plaatsing in een douane-entrepot van communautaire landbouwgoederen waaraan restituties zijn verbonden, wordt besproken in de instructie "Prefinanciering Entrepot" (D.I. 591.05) van de Administratie der douane en accijnzen.

227. De plaatsing in een douane-entrepot van communautaire goederen die bij niet-communautaire goederen moeten worden gevoegd met het oog op hun gemeenschappelijke uitvoer buiten de Gemeenschap, wordt besproken in de instructie Entrepots - 1996 (D.I. 540) van de Administratie der douane en accijnzen.

Voor die communautaire goederen kunnen de uitvoerformaliteiten reeds bij de inslag in het entrepot verricht worden. In dergelijk geval moeten de volgende aangiften gelijktijdig op het douanecontrolekantoor aangeboden worden:
a)een aangifte ten uitvoer EX1 of EU1 op naam van de leverancier (verkoper) van de goederen, ten aanzien waarvan rekening moet gehouden worden met de specifieke bestemming van het entrepot en waarop de volgende specifieke gegevens moeten voorkomen:
-in vak 31 moeten de goederen dermate omschreven worden dat een juiste identificatie mogelijk is;
-in vak D moet de ontvanger van de douane een verwijzing naar de aangifte m.b.t. de inslag in entrepot aanbrengen;
-wanneer een uitvoervergunning voor de goederen vereist is, moet deze pas op het tijdstip van de effectieve uitvoer worden voorgelegd.
b)een aangifte COM7 op naam van de entrepositaris (d.i. de persoon die de goederen onder de regeling plaatst) voor de inslag in het doune-entrepot, die de volgende gegevens moet bevatten:
-in vak 37 de code 7210;
-in vak 44 de vermelding "Opslag van communautaire goederen - Levering buiten de EG verplicht".
De douane controleert vervolgens de uiteindelijke bestemming van de goederen.

228. De plaatsing van communautaire goederen onder de regeling actieve veredeling met schorsing wordt besproken in de instructie Actieve Veredeling - 1988 (D.I. 551.001) van de Administratie der douane en accijnzen.

Voor de communautaire goederen die in de veredelingsproducten worden verwerkt, moet geen afzonderlijke aangifte ten uitvoer worden opgesteld, behalve voor accijnsgoederen waarvoor een accijnsrekening moet aangezuiverd worden. In dit laatste geval moet naast een aangifte ten uitvoer ook een document Benelux 40 worden opgesteld.

De levering van de bekomen veredelingsproducten heeft plaats onder dekking van de exemplaren 1, 2 en 3 van het "Enig document" dat als aangifte ten uitvoer wordt gebruikt, samen met het exemplaar R bestemd voor het BIRB (Belgisch Interventie- en Restitutie Bureau), wanneer de aangifte ten uitvoer wordt gebruikt om landbouwrestituties aan te vragen (voor communautaire landbouwgoederen die in het veredelingsproduct werden verwerkt).

De veredelingsproducten moeten worden omschreven in de precieze staat waarin ze zich bevinden bij de uitvoer zonder rekening te houden met het feit dat ze deels invoergoederen en deels communautaire goederen bevatten.

BTW formaliteiten

229. Artikel 11 van het koninklijk besluit nr. 18 maakt de bepalingen die inzake rechtstreekse uitvoer gelden voor de toepassing van artikel 39, § 1 van het BTW-Wetboek, toepasselijk op de leveringen en de intracommunautaire verwervingen van goederen die in België geplaatst worden onder één van de regelingen bedoeld in artikel 23, § 4, 1°, 4°, 5°, 6° of 7° van het BTW-Wetboek, alsmede op de diensten met betrekking tot goederen die het voorwerp zijn van genoemde handelingen.

De leverancier en de koper alsook de dienstverrichter en de ontvanger van de dienst die in België handelingen verrichten die in vorig lid zijn bedoeld, hebben bijgevolg dezelfde verplichtingen als deze die zijn opgelegd aan de verkoper en de koper die handelingen verrichten die op grond van artikel 39, § 1 van het BTW-Wetboek zijn vrijgesteld en die in hoofdstuk II werden uiteengezet.

230. Het koninklijk besluit nr. 18 voorziet niet in specifieke formaliteiten ten aanzien van de leveringen van goederen met handhaving van één van de regelingen bedoeld in artikel 39, § 2 van het BTW-Wetboek en van de diensten met betrekking tot goederen die zich reeds onder één van de bedoelde regelingen bevinden.

231. Evenwel moet, overeenkomstig artikel 5, § 1, 10° van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, de factuur, zoals dat in het algemeen het geval is wanneer een gefactureerde handeling niet aan de BTW is onderworpen, de wettelijke bepaling vermelden op grond waarvan de handeling van de belasting is vrijgesteld.

De leverancier van goederen of de dienstverrichter die een handeling stelt die op grond van artikel 39, § 2 van het BTW-Wetboek vrijgesteld is, moet dus op de uitgereikte factuur vermelden: "Vrijstelling van de BTW- Artikel 39, § 2 van het BTW-Wetboek".



Afdeling 5:Werking van de regeling

232. De vrijstelling voorzien in artikel 39, § 2 van het BTW-Wetboek is gebaseerd op drie principes die als volgt kunnen samengevat worden.

DE DRIE WERKINGSPRINCIPES VOOR DE TOEPASSING VAN DE VRIJSTELLING BEDOELD IN ARTIKEL 39, § 2 VAN HET BTW-WETBOEK
- Het verlenen van een voorlopige vrijstelling van BTW die definitief wordt op het tijdstip van de uitvoer van de goederen (artikel 11, 12 en 13 van het koninklijk besluit nr. 18).
- De toepassing van een mechanisme van "reverse charge" (artikel 51, § 2, 3° van het BTW-Wetboek).
- De BTW waarvan de voorlopige vrijstelling niet definitief wordt, doen betalen door de persoon die de onder één van de in artikel 39, § 2 van het BTW-Wetboek bedoelde regelingen geplaatste goederen, onttrekt (artikel 51, § 2, 4° van het BTW-Wetboek).


233. De artikelen 11, 12 en 13 van het koninklijk besluit nr. 18 schrijven voor dat de vrijstelling van artikel 39, § 2 van het BTW-Wetboek voorlopig wordt verleend. De vrijstelling wordt pas definitief op het tijdstip van de uitvoer van de goederen. De uitvoer vormt inderdaad de grondslag en de rechtvaardiging van de vrijstelling die dat artikel voorziet.

De uitslag van de goederen uit de regelingen bedoeld in artikel 39, § 2 van het BTW-Wetboek kan dus enkel plaats hebben met het oog op hun uitvoer.

234. In bepaalde gevallen staat de douane evenwel toe dat de goederen een andere bestemming dan de uitvoer krijgen. Overigens ter gelegenheid van een inventarisering kan vastgesteld worden dat er goederen die zich onder de regelingen zouden moeten bevinden, ontbreken.

In dergelijke gevallen moet de voorlopige vrijstelling herzien worden (z. nrs 242 tot 247).

Aangezien de leverancier of de dienstverrichter die overeenkomstig artikel 51, § 1, 1° van het BTW-Wetboek normaal als schuldenaar van de belasting wordt aangemerkt voor de levering van goederen of de dienst die ze verrichten, geenszins de bestemming kunnen controleren die bij de uitslag uit de douaneregeling aan de goederen zal gegeven worden, is de wetgever afgeweken van deze bepaling en heeft hij de medecontractant van de leverancier van de goederen of van de dienstverrichter schuldenaar van de belasting gemaakt wanneer het gaat om leveringen van goederen of om diensten die zijn vrijgesteld op grond van artikel 39, § 2 van het BTW-Wetboek (z. artikel 51, § 2, 3° van het BTW-Wetboek).

Het voornaamste doel dat met deze afwijking beoogd wordt, is de leverancier of de dienstverrichter te ontheffen van een aantal verplichtingen. Voor zover hij kan aantonen dat hij een handeling heeft verricht met betrekking tot goederen bedoeld in artikel 39, § 2 van het BTW-Wetboek, wordt de leverancier of de dienstverrichter ontheven van elke verantwoordelijkheid om erover te waken dat de goederen uitgevoerd worden, welk feit zich kan voordoen geruime tijd nadat de handeling die voorlopig is vrijgesteld, werd verricht.

235. Voor de goede werking van de vrijstelling voorzien in artikel 39, § 2 van het BTW-Wetboek is er daarentegen geen afwijking nodig op de gewone regels inzake de schuldenaar wanneer de door genoemd artikel vrijgestelde handeling bestaat uit een intracommunautaire verwerving van goederen of uit diensten aan goederen die materieel in een andere Lid-Staat dan België worden verricht.

Inderdaad, in dergelijke situaties zijn de gewone schuldenaars van de belasting op grond van artikel 51, § 1, 2° van het BTW-Wetboek (de koper) of van artikel 51, § 2, 1°, b) van het BTW-Wetboek (de ontvanger van de dienst) ook de personen die zelf achteraf in staat zijn zich te vergewissen van de aan de goederen gegeven bestemming, na die handelingen.

236. Voorbeelden:
-A heeft aan B communautaire goederen verkocht die in Antwerpen onder de regeling douane-entrepot werden geplaatst. B verkoopt diezelfde goederen door aan C met handhaving van de regeling douane-entrepot waarin ze zich bevinden. C verkoopt de goederen op zijn beurt door aan D onder de leveringsvoorwaarde "bestemming Boekarest". A, B en C zijn in België gevestigde belastingplichtigen, terwijl D een belastingplichtige is die in Roemenië is gevestigd.
De leveringen A-B, B-C en C-D zijn allen op grond van artikel 39, § 2, 1° van het BTW-Wetboek van de belasting vrijgesteld om reden dat ze onder de regeling douane-entrepot werden geplaatst bedoeld in artikel 23, § 4, 5° van het BTW-Wetboek, welke regeling werd gehandhaafd voor de daaropvolgende leveringen tot de aanzuivering van de regeling door de uitvoer.
Overeenkomstig artikel 51, § 2, 3° van het BTW-Wetboek is B schuldenaar van de belasting in de relatie A-B, C in de relatie B-C en D in de relatie C-D.
-A, een in Frankrijk gevestigde belastingplichtige, levert communautaire goederen aan B, een in België gevestigde belastingplichtige. B plaatst de goederen in België onder de regeling actieve veredeling met schorsing. Vooraleer de goederen van Frankrijk naar België vervoerd worden, moet C, een BTW-belastingplichtige die in Frankrijk is gevestigd, in opdracht van B nog een materieel werk aan die goederen uitvoeren.
B die de goederen onder genoemde douaneregeling plaatst, is uit hoofde van de intracommunautaire verwerving die hij verricht, ook schuldenaar van de belasting overeenkomstig de algemene regel die ter zake door artikel 51, § 1, 2° van het BTW-Wetboek is bepaald. Voor de goede werking van de vrijstellingsregeling bedoeld in artikel 39, § 2, 1° van het BTW-Wetboek is er dus geen afwijkende bepaling op voornoemd principe nodig, aangezien B over de goederen beschikt en aldus voor hun effectieve uitvoer kan zorgen zodat de hem toegekende voorlopige vrijstelling definitief kan worden.
Wat de dienst betreft, verricht door C, die wordt op grond van artikel 21, § 3, 2°, a) van het BTW-Wetboek geacht in Frankrijk plaats te vinden indien B hem een Frans BTW-identificatienummer opgeeft. In dat geval is C schuldenaar van de belasting in Frankrijk en is de vrijstelling van artikel 39, § 2, 1° van het BTW-Wetboek zonder voorwerp.
In de veronderstelling evenwel dat B aan C zijn Belgisch BTW-identificatienummer opgeeft, dan vindt op grond van artikel 21, § 3, 2°, b) van het BTW-Wetboek de handeling in België plaats, namelijk op het grondgebied van de Lid-Staat die aan de ontvanger van de dienst het BTW-identificatienummer heeft toegekend waaronder de dienst aan hem is verleend wanneer de dienst wordt verleend aan een ontvanger die voor de BTW is geïdentificeerd in een andere Lid-Staat dan die waarin de dienst materieel wordt verricht en indien de goederen zijn verzonden buiten de Lid-Staat waar de dienst materieel is verricht. In dat geval is B overeenkomstig artikel 51, § 2, 1°, b) van het BTW-Wetboek reeds aangeduid als schuldenaar van de belasting op de dienstverrichting en moet voor de toepassing van vrijstelling van artikel 39, § 2, 1° van het BTW-Wetboek op die handeling, geen afwijkende bepaling worden voorzien.


Afdeling 6:Bewijs van het recht op vrijstelling

237. De personen bedoeld in de artikelen 51, § 1, 2° (de koper), 51, § 2, 1°, b) (de ontvanger van de dienst) en 51, § 2, 3° (de medecontractant van de leverancier en van de dienstverrichter) van het BTW-Wetboek, zijn schuldenaar van de belasting met betrekking tot de handelingen die met vrijstelling worden verricht in het kader van artikel 39, § 2 van het BTW-Wetboek.

De schuldenaar moet zijn recht op de voorlopige vrijstelling van de BTW aantonen. Hij moet bovendien aantonen dat de toegepaste voorlopige vrijstelling definitief is geworden.

238. De leverancier of de dienstverrichter die in België een handeling verricht bedoeld in artikel 39, § 2 van het BTW-Wetboek, is dankzij het "reverse charge" mechanisme waarin artikel 51, § 2, 3° van het BTW-Wetboek voorziet, geen schuldenaar van de belasting op die handeling. Hij is dus ontheven van alle verantwoordelijkheid in verband met het naleven van de voorwaarde inzake de uitvoer van de goederen. Hij moet wel kunnen aantonen dat de handeling die hij verricht, bedoeld is in artikel 39, § 2 van het BTW-Wetboek.

239. De personen bedoeld in de nrs. 237 en 238 moeten dus op elk moment het recht op de toepassing van de ingeroepen vrijstelling kunnen aantonen door middel van een geheel van bewijskrachtige stukken en documenten die de echtheid van de handeling staven, inzonderheid: bestelbons, betalingsdocumenten, douanedocumenten die de plaatsing van de goederen onder de regeling of de definitieve uitvoer ervan aantonen... Ze moeten deze stukken en documenten kunnen voorleggen telkens wanneer de ambtenaren belast met de controle erom vragen.



Bijzonder geval - gezamenlijke onrechtstreekse uitvoer

240. Wanneer iemand goederen bestelt bij één of meerdere leveranciers met de vraag aan deze leveranciers de goederen tot bij één van hen te brengen die ermee belast is de goederen te groeperen en ze vervolgens te plaatsen daar waar één van de regelingen bedoeld in artikel 39, § 2 van het BTW-Wetboek van toepassing is, dan is de levering die elk van deze leveranciers verricht, van de BTW vrijgesteld op grond van artikel 39, § 2, 1° van het BTW-Wetboek.

Dit principe geldt evenzeer wanneer de goederen door of voor rekening van de opdrachtgever naar een dergelijke plaats worden vervoerd of verzonden.

Zo ook zijn de diensten van materiële aard die vóór de plaatsing van de goederen worden verricht door elk van de dienstverrichters die eventueel tussenkomen, eveneens van de BTW vrijgesteld door artikel 39, § 2, 2° van het BTW-Wetboek.

241. Om de moeilijkheden op te lossen die zich inzake het bewijs van de uitvoer in deze situaties kunne stellen, is het bepaalde in de nrs 78 en 79 inzake rechtstreekse gezamenlijke uitvoer "mutatis mutandis" van toepassing in geval van onrechtstreekse uitvoer.



Afdeling 7:Regularisatie bij ontstentenis van uitvoer

242. Wanneer goederen die het voorwerp zijn geweest van handelingen vrijgesteld doorartikel 39, § 2 van het BTW-Wetboek, niet worden uitgevoerd, moet de toegekende voorlopige vrijstelling worden geregulariseerd. Hetzelfde geldt voor goederen die bij inventarisering ontbreken. Bedoelde goederen moeten immers aangemerkt worden als onttrokken aan de regeling voor de Belgische markt (z. nr 234).

De BTW is in principe verschuldigd over de prijs van alle handelingen (levering, intracommunautaire verwerving, dienst) waarop de vrijstelling werd toegepast.

De administratie aanvaard evenwel dat in de praktijk enkel moet geregulariseerd worden in de gevallen en voor de handelingen vermeld in de nrs 243 en 244.

243. Wanneer goederen, los van elke handelstransactie, door hun eigenaar onttrokken worden aan één van de regelingen bedoeld in artikel 39, § 2 van het BTW-Wetboek en ze in België blijven of door of voor rekening van hun eigenaar buiten België maar binnen de Gemeenschap worden verzonden of vervoerd met het oog op een handeling zoals bedoeld in artikel 12bis, tweede lid, 5°, 6° of 7° van het BTW-Wetboek, moet geregulariseerd worden:
-de handeling waarbij de eigenaar de goederen onder de regeling plaatst, alsmede de hem verleende diensten verricht aan deze goederen, voor zover de goederen tijdens hun verblijf onder de regeling niet het voorwerp zijn geweest van een levering onder bezwarende titel:
-de levering van de goederen aan die eigenaar alsmede de diensten met betrekking tot de goederen verricht ten behoeve van die eigenaar, voor zover de goederen tijdens hun verblijf onder de regeling het voorwerp zijn geweest van één of meerdere leveringen onder bezwarende titel.
De onttrekking van de goederen aan één van de regelingen bedoeld in artikel 39, § 2 van het BTW-Wetboek heeft los van elke handelstransactie plaats, wanneer de goederen worden onttrokken aan de plaats waar de regeling van toepassing is, zonder dat zij het voorwerp hebben uitgemaakt van een levering onder bezwarende titel sinds hun laatste levering met handhaving van één van de regelingen bedoeld in artikel 39, § 2 van het BTW-Wetboek, of sinds hun plaatsing onder de regeling indien ze geenszins het voorwerp hebben uitgemaakt van enige levering onder bezwarende titel tijdens hun verblijf onder de regeling.

244. Wanneer ter gelegenheid van een inventarisering blijkt dat er goederen ontbreken, zijn dezelfde regels als uiteengezet in nr. 243 "mutatis mutandis" van toepassing. Verdwenen goederen moeten geacht worden door hun laatste eigenaar te zijn onttrokken aan de regeling en op de Belgische markt terecht te zijn gekomen.

245. De vrijstelling wordt derhalve niet definitief en moet dus geregulariseerd worden hetzij voor de handelingen verricht voor de laatste eigenaar van de goederen wanneer deze ontbreken onder de betreffende regeling, hetzij voor de handelingen verricht voor de persoon die de goederen als eigenaar en dus los van elke handelstransactie onttrekt aan de regeling en ze ofwel in België laat of ze gebruikt voor het verrichten van een overbrenging zoals bedoeld in artikel 12bis, tweede lid, 5°, 6° of 7° van het BTW-Wetboek.

In afwijking van artikel 12bis, eerste lid van het BTW-Wetboek bepaalt artikel 12bis, tweede lid, 5°, 6° en 7° van dat Wetboek dat de overbrenging door een belastingplichtige van goederen van zijn bedrijf naar een andere Lid-Staat niet wordt gelijkgesteld met een levering van goederen onder bezwarende titel wanneer het daarbij om één van de volgende handelingen gaat:
-de verrichting van een dienst voor de belastingplichtige in verband met werkzaamheden betreffende dat goed, die daadwerkelijk worden uitgevoerd in de Lid-Staat van aankomst van de verzending of het vervoer van het goed, voor zover de goederen na bewerking opnieuw worden verzonden naar deze belastingplichtige in België waarvandaan zij oorspronkelijk waren verzonden of vervoerd;
-het tijdelijk gebruik van dat goed op het grondgebied van de Lid-Staat van aankomst van de verzending of het vervoer van het goed, ten behoeve van een dienstverrichting door de in België gevestigde belastingplichtige;
-het tijdelijk gebruik van dat goed voor een periode van ten hoogste 24 maanden op het grondgebied van een andere Lid-Staat waar de invoer van hetzelfde goed uit een derde land met het oog op tijdelijk gebruik in aanmerking zou komen voor de regeling voor tijdelijke invoer met volledige vrijstelling van invoerrechten.
Na beëindiging van de handelingen bedoeld in artikel 12bis, tweede lid, 5°, 6° en 7° van het BTW-Wetboek, kunnen de goederen zich dus in België bevinden zonder dat hun overbrenging, waarvan ze het voorwerp hebben uitgemaakt, beschouwd wordt als een belastbare handeling. Deze situatie dient bijgevolg op dezelfde manier behandeld te worden als deze waarbij de goederen in België blijven wanneer ze aan de regeling onttrokken worden.

246. Er moet daarentegen geen enkele regularisatie worden verricht wanneer de goederen in andere situaties worden onttrokken aan één van de regelingen bedoeld in artikel 39, § 2 van het BTW-Wetboek, met name:
-de onttrekking van de goederen aan de regeling door de belastingplichtige die een levering van de goederen onder bezwarende titel heeft verricht, in de zin van artikel 10, § 1 van het BTW-Wetboek, (levering van goederen zonder handhaving van de regeling die niet is vrijgesteld door artikel 39, § 2, 1° van het BTW-Wetboek), ongeacht of deze levering plaats heeft ter bestemming van België of van een andere Lid-Staat van de Gemeenschap;
-de goederen worden los van elke handelstransactie door hun eigenaar aan de regeling onttrokken in het kader van een overbrenging van de goederen zoals bedoeld in artikel 12bis, eerste lid van het BTW-Wetboek.


247. Overeenkomstig artikel 51, § 2, 4° van het BTW-Wetboek is de persoon die de goederen aan één van de regelingen bedoeld in artikel 39, § 2 van het BTW-Wetboek onttrekt, ertoe gehouden de BTW te betalen die opeisbaar is geworden op de handelingen vernoemd in de nrs 243 en 244. Deze persoon is immers schuldenaar van de verschuldigde belasting.

Het gaat om de persoon op wiens naam de bestemming of de douaneregeling is aangezuiverd of, ingeval van tekorten bij inventarisering, de laatste eigenaar van de verdwenen goederen. De Administratie der douane en accijnzen komt niet tussen in de te verrichten regularisaties. Zij brengt de BTW-Administratie er wel van op de hoogte dat de goederen niet uitgevoerd werden.

Indien de bedoelde persoon ertoe gehouden is periodieke BTW-aangiften in te dienen, zoals bedoeld in artikel 53, eerste lid, 3° van het BTW-Wetboek, betaald hij het verschuldigde bedrag door de inschrijving ervan in rooster 61 van de aangifte met betrekking tot de periode waarin de goederen aan de regeling werden onttrokken.

Indien de bedoelde persoon er niet toe gehouden is periodieke BTW-aangiften in te dienen, zoals bedoeld in artikel 53, eerste lid, 3° van het BTW-Wetboek, moet hij overeenkomstig artikel 53ter van het BTW-Wetboek binnen de daartoe voorziene termijn een bijzondere aangifte indienen met betrekking tot de belastbare handelingen die werden verricht gedurende het kalenderkwartaal waarin de goederen aan de regeling werden onttrokken. Via die bijzondere aangifte moet hij de verschuldigde belasting voldoen binnen de termijn van indiening van deze aangifte.



Afdeling 8:Handelingen verricht door buitenlandse belastingplichtigen - Fiscale vertegenwoordiging

248. Overeenkomstig artikel 55 van het BTW-Wetboek dient een niet in België gevestigde belastingplichtige, alvorens er handelingen te verrichten andere dan die waarvoor de BTW krachtens artikel 51, § 2, 1° en 2° van dat Wetboek door de afnemer is verschuldigd, een in België gevestigde aansprakelijke vertegenwoordiger te laten erkennen.

249. Een buitenlandse belastingplichtige wordt beschouwd als een niet in België gevestigde belastingplichtige wanneer de volgende voorwaarden niet zijn vervuld:
-de belastingplichtige heeft in België een directiezetel, een filiaal, een werkplaats, een agentschap, een magazijn, een kantoor, een laboratorium, een in- of verkoopkantoor, een depot of enige andere vaste inrichting met uitzondering van bouwwerven;
-deze inrichting wordt beheerd door een persoon die bekwaam is om de belastingplichtige te verbinden tegenover de klanten en de leveranciers;
-de activiteit van die inrichting heeft het leveren van goederen of het verstrekken van diensten in de zin van het BTW-Wetboek tot voorwerp.


250. Bijgevolg moet de niet in België gevestigde belastingplichtige die hier te lande handelingen verricht die op grond van artikel 39, § 2 van het BTW-Wetboek zijn vrijgesteld, in principe een in België aansprakelijke vertegenwoordiger laten erkennen, door wiens tussenkomst de Administratie hem een individueel Belgisch BTW-identificatienummer toekent.

251. Op grond van artikel 55, vierde lid van het BTW-Wetboek heeft de Administratie evenwel beslist om aan de niet in België gevestigde belastingplichtige ontheffing toe te staan van de verplichting om in België een aansprakelijke vertegenwoordiger te laten erkennen op voorwaarde dat deze belastingplichtige uitsluitend handelingen verricht die zijn vrijgesteld op grond van voornoemd artikel 39, § 2.

252. Wanneer de niet in België gevestigde belastingplichtige die ervan ontheven is een aansprakelijke vertegenwoordiger te laten erkennen, in de gevallen bedoeld in de nrs 243 en 244 de belasting moet regulariseren die verschuldigd is hetzij op een handeling waarvoor hij voorlopige vrijstelling genoot, hetzij op ontbrekende goederen ter gelegenheid van een inventarisering, moet de betaling van de verschuldigde belasting gebeuren door overschrijving op het postrekeningnummer 679-2003427-86 van het "Centraal kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen" Kantersteen 47 te 1000 Brussel. De overschrijving moet de volgende melding bevatten:

"Art. 39, § 2 van het BTW-Wetboek - Regularisatie aanschr. E.T. 97.794 van 1 maart 2001, nrs 243 en 244".

253. Wanneer in de gevallen bedoeld in nr. 252 de belasting wordt betaald door een niet in België gevestigde belastingplichtige en wanneer deze belastingplichtige in het kader van de procedures voorzien in de achtste en de dertiende Richtlijn, een aanvraag indient tot teruggaaf van deze belasting, is hij ertoe gehouden bij die aanvraag het bewijs te voegen van de betaling van die belasting waarvan hij de teruggaaf vraagt. Dit bewijs kan bestaan uit het rekeninguittreksel dat die betaling vaststelt.



Hoofdstuk V:De opschorting van de betaling van de BTW

Afdeling 1:Doel en draagwijdte van de regeling

254. Een vrijstelling van BTW kan enkel worden toegepast op een handeling waarvan het belastbaar feit zich heeft voorgedaan.

Inzake levering van goederen en diensten vallen het belastbaar feit en de opeisbaarheid van de BTW in de regel samen. Deze feiten doen zich gelijktijdig voor, ofwel op het tijdstip waarop de levering van de goederen plaatsvindt, ofwel op het tijdstip waarop de dienst voltooid is (z. de artikelen 17 en 22 van het BTW-Wetboek). Inzake uitvoer van goederen die het voorwerp zijn van dergelijke handelingen, is de vrijstelling van artikel 39 van het BTW-Wetboek in principe van toepassing. De belasting moet dus niet betaald worden aangezien de vrijstelling het belastbaar feit neutraliseert.

255. Het gebeurt nochtans dat de belasting opeisbaar wordt voordat het belastbaar feit zich voordoet. Dat is inzonderheid het geval wanneer er een voorschot op de prijs van de handeling betaald wordt of wanneer de prijs vóór dat tijdstip geheel of gedeeltelijk wordt gefactureerd of contractueel vervalt.

Wanneer een dergelijke situatie zich voordoet bij een handeling die betrekking heeft op een uitvoer van goederen, kan de vrijstelling van artikel 39 van het BTW-Wetboek op dat tijdstip niet toegepast worden omdat het belastbaar feit met betrekking tot de handeling zich nog niet heeft voorgedaan. De opeisbare belasting moet derhalve in principe worden betaald. Op het tijdstip van de effectieve uitvoer kan die BTW dan teruggegeven worden aan de schuldenaar ervan.

256. Om dergelijke moeilijkheden te voorkomen heeft de wetgever in de regeling voorzien van de opschorting van de betaling van de BTW die opeisbaar wordt op uitvoerhandelingen telkens waarvan het belastbaar feit zich nog niet heeft voorgedaan en waarvoor bijgevolg op dat tijdstip nog geen beroep kan gedaan worden op het neutraliseringseffect van de vrijstelling van artikel 39 van het BTW-Wetboek.

De regeling van de opschorting van de betaling van de BTW inzake uitvoer ondersteunt dus tijdelijk de vrijstelling wanneer deze nog niet toepasbaar is in die zin dat de schuldenaar van de belasting het tijdstip van de opeisbaarheid van de belasting mag uitstellen totdat het belastbaar feit zich voordoet.



Afdeling 2:Wettelijke bepalingen

257. Artikel 39, § 3 van het BTW-Wetboek bepaalt dat:

"§ 3. DE KONING BEPAALT DE VOORWAARDEN DIE VOOR HET VERKRIJGEN VAN DE IN DE §§ 1 EN 2 BEDOELDE VRIJSTELLINGEN MOETEN WORDEN NAGELEEFD EN KAN DAARBIJ AFWIJKEN VAN DE ARTIKELEN 17 EN 22".

258. Artikel 15 van het koninklijk besluit nr. 18 van 29 december 1992 stelt, in uitvoering van deze wettelijke bepaling, een regeling in inzake opschorting van de betaling van de belasting die afwijkt van de artikelen 17 en 22 van het BTW-Wetboek (z. bijlage 2).



Afdeling 3:Gevallen en toepassingsvoorwaarden

259. Artikel 15 van het koninklijk besluit nr. 18 van 29 december 1992 bepaalt dat de regeling van de opschorting van de betaling van de belasting toegepast kan worden in de door of vanwege de Minister van Financiën bepaalde gevallen en onder de door hem gestelde voorwaarden.

Bij gebrek aan ministerieel besluit ter uitvoering van deze bepaling, legt de onderhavige aanschrijving de betreffende gevallen en voorwaarden vast. Deze aanschrijving vervult in dit verband dus een normerende rol die de loutere commentaar op de bestaande wetgeving overstijgt.



A:Toepassingsgevallen

260. Hoewel artikel 39, § 3 van het BTW-Wetboek en artikel 15 van het koninklijk besluit nr. 18 de leverancier of de dienstverrichter de mogelijkheid bieden om de betaling van de BTW op te schorten in alle gevallen waar er zich op grond van de artikelen 17 en 22 van het BTW-Wetboek een oorzaak van opeisbaarheid van de belasting voordoet vóór de uitvoer van de goederen, is het in werkelijkheid niet nodig om die regeling toe te passen op gelijk welke oorzaak van opeisbaarheid van de belasting, noch op gelijk welk geval van vrijstelling voorzien in artikel 39 van het BTW-Wetboek.

WELKE ZIJN DE GEVALLEN WAARIN DE REGELING INZAKE DE OPSCHORTING VAN DE BETALING VAN DE BTW KAN TOEGEPAST WORDEN?
De regeling inzake de opschorting van de betaling van de BTW kan enkel toegepast worden:
- wanneer er zich een subsidiaire oorzaak van opeisbaarheid van de belasting voordoet bedoeld in de artikelen 17, § 1, tweede en derde lid en 22, § 2, tweede en derde lid van het BTW-Wetboek;
- en wanneer die subsidiaire oorzaak betrekking heeft op een handeling die zal vrijgesteld worden op grond van artikel 39, § 1, 1° tot 3° van het BTW-Wetboek.


261. De regeling inzake de opschorting van de betaling van de BTW kan enkel toegepast worden wanneer er zich een subsidiaire oorzaak van opeisbaarheid van de belasting voordoet bedoeld in de artikelen 17, § 1, tweede en derde lid en 22, § 2, tweede en derde lid van het BTW-Wetboek.

Op grond van deze bepalingen is ten aanzien van de leveringen van goederen of van diensten de BTW opeisbaar tot beloop van het juiste bedrag wanneer, vóórdat het belastbaar feit met betrekking tot de handeling zich voordoet, met name de levering van het goed of de voltooiing van de dienst, de prijs ervan wordt gefactureerd of geheel of gedeeltelijk wordt ontvangen, of de prijs geheel of gedeeltelijk contractueel moet worden voldaan.

Doordat het belastbaar feit zich nog niet heeft voorgedaan op het tijdstip dat de belasting op de betreffende handeling opeisbaar is geworden, kan de vrijstelling bedoeld in artikel 39 van het BTW-Wetboek nog niet worden toegepast en moet de opeisbare belasting in principe betaald worden.

Die modaliteiten van opeisbaarheid van de BTW stellen een probleem wanneer de handeling waarop de facturatie, de incassering of het vervallen van de prijs of een deel ervan betrekking heeft, een handeling is die inzake uitvoer normaal gezien van de BTW is vrijgesteld overeenkomstig artikel 39 van het BTW-Wetboek. Wanneer de goederen effectief worden uitgevoerd, moet de BTW die vervroegd werd betaald, worden teruggegeven.

Om dit te voorkomen bepaalt artikel 15 van het koninklijk besluit nr. 18 dat in een degelijke situatie de leverancier van de goederen of de dienstverrichter een vergunning kan bekomen om de betaling van de BTW op te schorten.

262. Wanneer de belasting daarentegen slechts opeisbaar wordt op het tijdstip dat de levering van de goederen wordt verricht of dat de dienst voltooid is, dan vindt het belastbaar feit ook plaats op voornoemde momenten en kan de vrijstelling van artikel 39 van het BTW-Wetboek worden toegepast. In dergelijk geval is het onnodig om de betaling van de verschuldigde BTW op te schorten.

263. De regeling inzake de opschorting van de betaling van de BTW kan enkel toegepast worden ten aanzien van een handeling die wegens rechtstreekse uitvoer zal vrijgesteld worden op grond van artikel 39, § 1, 1° tot 3° van het BTW-Wetboek. Deze regeling werd uiteengezet in Hoofdstuk II hiervoor.

De regeling is dus niet van toepassing op handelingen die op grond van artikel 39, § 1, 4° en § 2 van het BTW-Wetboek zijn vrijgesteld of wanneer het gaat om een uitvoer van goederen die niet is bedoeld in artikel 39 van het BTW-Wetboek.

264. De handelingen vrijgesteld op grond van artikel 39, § 1, 4° en § 2 van het BTW-Wetboek zijn van de regeling uitgesloten.

Inderdaad, de vrijstelling wegens uitvoer in het kader van het internationaal reizigersverkeer bedoeld in artikel 39, § 1, 4° van het BTW-Wetboek (z. hoofdstuk III hiervoor) heeft uitsluitend betrekking op aankopen door particulieren bij Belgische handelaars. In de praktijk gaat het hierbij om leveringen van goederen die de koper contant betaalt en meeneemt. In dergelijke gevallen is er dus geen BTW opeisbaar voordat het belastbaar feit zich voordoet en is de regeling inzake de opschorting van de belasting feitelijk overbodig.

Wat de onrechtstreekse uitvoeren betreft die in hoofdstuk IV van deze aanschrijving becommentarieerd worden en die vrijgesteld zijn op grond van artikel 39, § 2 van het BTW-Wetboek, is de koper van de goederen of de afnemer van de dienst schuldenaar van de belasting bij toepassing van het mechanisme van de "reserve charge" voorzien in artikel 51, § 2, 3° van het BTW-Wetboek. Artikel 15 van het koninklijk besluit nr. 18 laat enkel toe dat de leverancier van de goederen of de dienstverrichter de betaling van de belasting opschort onder de gestelde voorwaarden. De regeling inzake de opschorting van de betaling van de belasting is in deze situatie dus niet toepasbaar.

265. De regeling inzake de opschorting van de opeisbaarheid van de BTW is evenmin van toepassing bij een uitvoer van goederen die niet is bedoeld in artikel 39 van het BTW-Wetboek.

Aldus vindt de levering van goederen die door of voor rekening van de leverancier in het buitenland worden geïnstalleerd, niet plaats bij de aanvang van het vervoer, maar wordt deze geacht plaats te vinden op het tijdstip en op de plaats waar de installatie of de montage wordt verricht (z. artikel 15, § 2, tweede lid, 2° van het BTW-Wetboek). Dat is onder meer het geval bij de uitvoer van goederen door een onderneming die buiten de Gemeenschap een volledige fabriek bouwt en/of uitrust en bij de uitvoer van een machine die in een derde land door of voor rekening van de leverancier wordt gemonteerd. Zulke handelingen zijn niet van de BTW vrijgesteld op grond van artikel 39 van het BTW-Wetboek want ze zijn in België niet belastbaar aangezien ze in het buitenland plaatsvinden.

Hetzelfde geldt wanneer goederen die hier te lande voor rekening van de eigenaar worden hersteld, bewerkt, verwerkt of aangepast, door of voor rekening van de dienstverrichter buiten de Gemeenschap worden geïnstalleerd of gemonteerd. Hoewel een deel van de dienst in België wordt verricht, vindt de voltooiing ervan in het buitenland plaats en is de volledige dienst bij toepassing van artikel 21, § 3, 2° van het BTW-Wetboek niet belastbaar in België.



B:Toepassingsvoorwaarden

266. De toepassing van de regeling inzake de opschorting van de betaling van de BTW is slechts regelmatig wanneer daartoe vergunning wordt verleend. Naargelang de duur van de opschorting al dan niet één jaar overschrijdt, kan dit een algemene of een bijzondere vergunning zijn.

Bovendien moet de belastingplichtige die de regeling heeft toegepast, zijn situatie regulariseren wanneer de goederen uiteindelijk niet worden uitgevoerd onder de voorwaarden van artikel 39, § 1, 1° tot 3° van het BTW-Wetboek.

Algemene vergunning

267. Onderhavige aanschrijving kent, onder de erin gestelde voorwaarden, een algemene vergunning toe aan de belastingplichtigen die de regeling inzake de opschorting van de betaling van de BTW wensen toe te passen.

De onder dekking van de algemene vergunning toegestane opschorting mag ten hoogste één jaar belopen. De goederen moeten met andere woorden onder de voorwaarden van artikel 39, § 1, 1° tot 3° van het BTW-Wetboek worden uitgevoerd binnen een termijn van twaalf maanden te rekenen vanaf het tijdstip waarop de subsidiaire oorzaak van opeisbaarheid van de BTW bedoeld in de artikelen 17 en 22 van het BTW-Wetboek zich voordoet.

268. Op het tijdstip dat de subsidiaire oorzaak van opeisbaarheid van de BTW bedoeld in de artikelen 17 en 22 van het BTW-Wetboek zich voordoet, wordt het de leverancier of de dienstverrichter toegestaan een beroep te doen op de opschorting van de opeisbaarheid van de BTW indien hij tegenover de administratie kan aantonen dat hij voor de handeling die hij verricht, de vrijstelling zal kunnen genieten bedoeld in artikel 39, § 1, 1° tot 3° van het BTW-Wetboek.

Dat bewijs kan blijken uit de schriftelijke overeenkomst die de leverancier of de dienstverrichter met zijn klant heeft gesloten of uit ieder ander document dat voorhanden is op het tijdstip dat het probleem van de opeisbaarheid van de BTW zich stelt (bvb een bestelbon, een geschreven order vanwege de klant om de goederen uit te voeren, ...).

269. Om duidelijk aan te geven dat de opeisbaarheid van de BTW in opschorting wordt gehouden, moet de factuur die wordt uitgereikt om de feiten als bedoeld in de artikelen 17, § , tweede en derde lid en 22, § 2, tweede en derde lid van het BTW-Wetboek vast te stellen:
1)de volgende vermeldingen bevatten: "opschorting van de opeisbaarheid van de BTW - Koninklijk besluit nr. 18, artikel 15";
2)verwijzen naar het verantwoordingsstuk waaruit het recht op opschorting blijkt.


Bijzondere vergunning

270. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 15, tweede lid van het koninklijk besluit nr. 18 wordt de opschorting van de opeisbaarheid van de BTW slechts toegestaan voor een periode van maximum één jaar. Gedurende die periode van één jaar kan de belastingplichtige zijn algemene vergunning gebruiken die overeenkomstig de nrs 267 tot 269 van onderhavige aanschrijving wordt toegekend.

Die termijn kan worden verlengd wanneer de leverancier of de dienstverrichter zich kan beroepen op uitzonderlijke omstandigheden zoals bijvoorbeeld een langlopend contract of een vertraging in de uitvoering van het contract.

Voor deze verlenging zal de belastingplichtige bij het controlekantoor waaronder hij ressorteert, een bijzondere vergunning moeten aanvragen. Dergelijke bijzondere vergunning wordt voor een periode van één jaar uitgereikt die bovenop de periode van één jaar komt waarin de algemene vergunning voorziet.

Ter gelegenheid van de facturatie moeten dezelfde formaliteiten vervuld worden als deze waarvan sprake in nr. 269.

271. De uitreiking van de bijzondere vergunning is hoe dan ook altijd ondergeschikt aan de verzaking door de leverancier of de dienstverrichter van de gelopen tijd van de verjaring met betrekking tot de vordering tot voldoening van de belasting op de handeling waarvoor de verlenging van de opschortingstermijn wordt gevraagd.

272. De geldigheidsduur van de bijzondere vergunning kan verlengd worden onder dezelfde voorwaarden als bedoeld in de nrs 270 en 271 hiervoor.

Regularisatie bij gebrek aan uitvoer

273. De opschorting van de opeisbaarheid van de BTW ten aanzien van een levering van goederen of een dienst met betrekking tot goederen is slechts definitief wanneer de betrokken goederen geleverd werden in de voorwaarden om de vrijstelling van de BTW bedoeld in artikel 39, § 1, 1° tot 3° van het BTW-Wetboek te kunne genieten.

274. Wanneer in strijd met de zekerheden die ter zake werden gegeven, blijkt dat de leverancier of de dienstverrichter de goederen niet zal uitvoeren onder de voorwaarden bedoeld in artikel 39, § 1, 1° tot 3° van het BTW-Wetboek, wordt, op het tijdstip waarop die wijziging zich voordoet en tegen het tarief dat op dat ogenblik van toepassing is, de BTW opeisbaar wegens de feiten bedoeld in de artikelen 17, § 1, tweede en derde lid en 22, § 2, tweede en derde lid van het BTW-Wetboek en waarvoor de opeisbaarheid van de BTW werd opgeschort.

Uiterlijk de vijfde werkdag van de maand die volgt op deze waarin de bedoelde wijziging zich heeft voorgedaan, factureert de leverancier of de dienstverrichter de verschuldigd geworden BTW. Die factuur dient te verwijzen naar de voorgaande factuur of facturen.

Het spreekt vanzelf dat de BTW niet opeisbaar wordt wanneer de wijziging in de bestemming van de goederen of van de diensten het gevolg is van de verbreking, de vernietiging of de ontbinding van het contract vóór de uitvoering ervan.

275. Vermits de eerder gefactureerde bedragen reeds werden opgenomen in rooster 47 van de periodieke BTW-aangifte, worden die bedragen niet opnieuw ingeschreven in de aangifte, maar wordt de verschuldigde BTW opgenomen in rooster 61 van de periodieke BTW-aangifte die moet worden ingediend voor het tijdvak in de loop waarvan de BTW verschuldigd is geworden.

276. Indien de koper of de afnemer van de dienst in België een vaste inrichting of een aansprakelijke vertegenwoordiger heeft, kan hij de BTW eventueel aftrekken in rooster 59 van zijn periodieke aangifte. Indien de koper of de afnemer van de dienst in België geen vaste inrichting of aansprakelijke vertegenwoordiger heeft, kan hij eventueel, op grond van de aftrekregeling, de teruggaaf bekomen van de betaalde BTW. De aanvraag daartoe moet door of namens hem worden ingediend bij het Centraal BTW-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen, Zaveltoren, J. Stevensstraat 7 te 1000 Brussel (tel.: 02/552.59.33).

Wijzigingen of intrekking van de vergunning

277. De Administratie behoudt zich het recht voor om de formaliteiten waaraan de uitreiking van de algemene of de bijzondere vergunning inzake opschorting van de betaling van de BTW zijn onderworpen, op elk moment geheel of gedeeltelijk te wijzigen of deze in te trekken wanneer de voorwaarden en de formaliteiten waaraan de betreffende vergunning is onderworpen, niet worden nageleefd.

Onverminderd, in voorkomend geval, de bij wet uitgevaardigde straffen, zal daarenboven de vergunning onmiddellijk worden ingetrokken wanneer misbruik of een poging daartoe wordt vastgesteld of wanneer de controle-opdracht van de ambtenaren van de administratie op gelijk welke wijze wordt gehinderd.

De intrekking van de bijzondere vergunning wordt bij ter post aangetekende brief medegedeeld aan de belastingplichtige. de afgifte van de aangetekende brief op de post geldt als kennisgeving vanaf de volgende dag.

De vergunning mag niet meer worden ingeroepen vanaf de dag volgend op de kennisgeving.



Hoofdstuk VI:Uitvoer door erkende organisaties

Afdeling 1:Doel en draagwijdte van de regeling

278. Organisaties die actief zijn in de humanitaire, liefdadige of opvoedkundige sector, zamelen goederen in, verdelen ze en verzenden of vervoeren ze doorgaans zelf naar plaatsen waar hun tussenkomst gewenst is. In de mate dat die goederen worden uitgevoerd, kan de vrijstelling bedoeld in artikel 39, § 1, 2° van het BTW-Wetboek niet worden toegepast ten aanzien van de aankoop van goederen in België door organisaties die er gevestigd zijn. (z. hoofdstuk II).

Bovendien verrichten die organisaties meestal handelingen die op grond van artikel 44 van het BTW-Wetboek van de belasting zijn vrijgesteld. Het zijn belastingplichtigen zonder recht op aftrek voor die activiteiten.

De door die organisaties in het kader van hun vrijgestelde activiteit aangekochte goederen zijn dus bezwaard met de belasting die niet in aftrek is kunnen gebracht worden, zelfs wanneer die goederen worden uitgevoerd.

Om dergelijke situaties te verhelpen die trouwens in tegenstrijd zijn met de nagestreefde doelstellingen, staat artikel 42, § 3, eerste lid, 8° van het BTW-Wetboek deze organisaties toe om het vrijstelling van de BTW in België goederen aan te kopen die ze in het kader van hun menslievend, opvoedkundig of liefdadig doel uitvoeren. De aan deze organisaties toegekende vrijstelling is dus een vrijstelling op "inkomende handelingen", met name op de aankoop van uit te voeren goederen. Daarom wordt ze vaak gekwalificeerd als een "vrijstelling in de fase die de uitvoer voorafgaat".



279. Om beter in overeenstemming te zijn met de Zesde BTW-Richtlijn, is de vrijstelling voorzien in artikel 42, § 3, eerste lid, 8° van het BTW-Wetboek sedert 1 januari 1993 niet meer van toepassing op diensten die in België worden verricht ten behoeve van de bedoelde organisaties en die betrekking hebben op goederen die ze uitvoeren.

Wat de invoer en de intracommunautaire verwerving van goederen door deze organisaties betreft, deze zijn sedert 1 januari 1993 bedoeld in artikel 40, § 1, 1°, a) van het BTW-Wetboek dat de vrijstelling bepaald in artikel 42, § 3, eerste lid, 8° van het BTW-Wetboek voor de levering van goederen, uitbreidt tot die handelingen.

280. Onderhavig hoofdstuk behandelt op gedetailleerde wijze de handelingen vrijgesteld op grond van artikel 42, § 3, eerste lid, 8° van het BTW-Wetboek en, bij uitbreiding, deze vrijgesteld op grond van artikel 40, § 1, 1°, a) van het BTW-Wetboek wanneer ze betrekking hebben op goederen die België worden binnengebracht door menslievende, liefdadige of opvoedkundige organisaties.



Afdeling 2:Wettelijke bepalingen

281. Artikel 42, § 3, eerste lid, 8° en lid twee van het BTW-Wetboek Artikel 42, § 3, eerste lid, 8° van het BTW-Wetboek is de omzetting in Belgisch recht van artikel 15, punt 12 van de Zesde BTW-Richtlijn (z. bijlage 1). bepaalt dat:

ART. "§ 3. VAN DE BELASTING ZIJN VRIJGESTELD:
...
DE LEVERING VAN GOEDEREN BESTEMD VOOR ERKENDE ORGANISATIES DIE DEZE GOEDEREN UITVOEREN UIT DE GEMEENSCHAP IN HET KADER VAN HUN MENSLIEVEND, LIEFDADIG OF OPVOEDKUNDIG WERK.
DOOR OF VANWEGE DE MINISTER VAN FINANCIËN WORDEN DE PERKEN EN DE VOORWAARDEN VOOR DE TOEPASSING VAN DEZE PARAGRAAF BEPAALD. ER KAN ONDER MEER WORDEN BEPAALD DAT DE IN DEZE PARAGRAAF BEDOELDE VRIJSTELLINGEN WORDEN VERLEEND BIJ WIJZE VAN TERUGGAAF."
Merk op dat de wet de Minister van Financiën of zijn afgevaardigde rechtstreeks de macht geeft om de perken en de voorwaarden van de vrijstelling vast te leggen. Bij gebrek aan een ministerieel uitvoeringsbesluit legt onderhavige aanschrijving de perken en de voorwaarden van de vrijstelling vast. De aanschrijving heeft in dit verband dus een normerende rol die de loutere commentaar op de bestaande wetgeving overstijgt.

282. Artikel 40, § 1, 1°, a) van het BTW-Wetboek (artikel 40, § 1, 1°, a) van het BTW-Wetboek is de omzetting in Belgisch recht van de artikelen 14, punt 1, a) en 28quater, letter B, punt a) van de Zesde BTW-Richtlijn (z. bijlage 1)) bepaalt dat:

"§ 1. VAN DE BELASTING ZIJN VRIJGESTELD:
DE INVOER EN DE INTRACOMMUNAUTAIRE VERWERVING:
A)VAN GOEDEREN WAARVAN DE LEVERING DOOR BELASTINGPLICHTIGEN IN HET BINNENLAND IN ELK GEVAL IS VRIJGESTELD;
...."
283. Artikel 40, § 3 van het BTW-Wetboek bepaalt bovendien dat:

"§ 3. DE KONING BEPAALT DE VOORWAARDEN DIE VOOR HET VERKRIJGEN VAN DE IN §§ 1 EN 2 BEDOELDE VRIJSTELLINGEN MOETEN WORDEN NAGELEEFD EN KAN DAARBIJ AFWIJKEN VAN ARTIKEL 21...."

De vrijstelling bepaald in artikel 40, § 1, 1°, a) van het BTW-Wetboek wordt geregeld door artikel 11 van het koninklijk besluit nr 7 van 29 december 1992 met betrekking tot de invoer van goederen voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde (z. bijlage 2).



Afdeling 3:Voorwaarden voor de vrijstelling

284. De vrijstelling van BTW ten behoeve van erkende organisaties die de goederen die ze in het kader van hun menslievend, liefdadig of opvoedkundig werk hebben aangekocht of ingevoerd, uitvoeren, kan worden bekomen ofwel door de aankoop of de invoer op grond van een vergunning rechtstreeks van de belasting vrij te stellen, ofwel bij wijze van teruggaaf van de betaalde belasting.

Voor die organisaties die regelmatig handelingen verrichten bedoeld in de artikelen 42, § 3, eerste lid, 8° en 40, § 1, 1°, a) van het BTW-Wetboek, is het aangewezen een vergunning aan te vragen die toelaat de uit te voeren goederen met vrijstelling van de BTW aan te kopen of in te voeren.

De tweede mogelijkheid, met name de vrijstelling bij wijze van teruggaaf van de BTW, is veeleer voorbehouden voor beperkte en/of onverwachte uitvoeren die onder de toepassing van dezelfde artikelen van het BTW-Wetboek kunnen vallen.

285. De vergunning wordt enkel verleend aan erkende organisaties die in België zijn gevestigd en die geen recht op aftrek hebben ten aanzien van de goederen die ze in het kader van hun voornoemde activiteiten uitvoeren.

Inderdaad, organisaties die in het buitenland zijn gevestigd, kunnen voor de aankoop van goederen die ze vanuit België uitvoeren, een beroep doen op de vrijstelling voorzien in artikel 39, § 1, 2° van het BTW-Wetboek (z. hoofdstuk II). De vrijstelling ten aanzien van de levering van goederen aan organisaties die in een andere Lid-Staat zijn gevestigd en die de in België aangekochte goederen vanuit die Lid-Staat zijn gevestigd en die de in België aangekochte goederen vanuit die Lid-Staat uitvoeren, geldt de in artikel 39bis van het BTW-Wetboek bepaalde vrijstelling in de mate dat de organisatie geopteerd heeft voor de taxatie van haar intracommunautaire verwervingen van goederen of daartoe reeds gehouden was (z. artikel 28bis, punt 1, a en 1bis van de Zesde BTW-Richtlijn).

Vrijstelling van de BTW die wordt bekomen via een vergunning

Aanvraag en uitreiking van de vergunning

286. De vergunning moet schriftelijk op volgend adres worden aangevraagd:

MINISTERIE VAN FINANCIËN
ADMINISTRATIE VAN DE ONDERNEMINGS- EN INKOMENSFISCALITEIT
Centrale diensten
Directie I/10
Rijksadministratief centrum
Financietoren, bus 61
Kruidtuinlaan 50
1010 BRUSSEL

287. De aanvraag om vergunning moet melding maken van de aard en, in voorkomend geval van de soort en het type van de aan te kopen of in te voeren goederen, alsmede de herkomst van de goederen en de bestemming die er aan zal gegeven worden.

Bovendien moet bij de eerste aanvraag om vergunning de statuten van de organisatie worden gevoegd. Indien de statuten in het Belgisch Staatsblad werden gepubliceerd, moet enkel een afschrift van deze bekendmaking worden bijgevoegd.

288. Indien de aanvraag volledig is en alle voorwaarden vervuld zijn reikt de Centrale administratie de vergunning uit. De algemene voorwaarden waaraan de vergunning is onderworpen, worden uiteengezet in de nrs 289 tot 311. De individuele vergunning kan daarvan afwijken of eventueel bijzondere voorwaarden bepalen.

Duur en intrekking van de vergunning

289. De vergunning is geldig voor een onbepaalde duur, behalve indien de titel van de vergunning anders bepaalt.

290. De uitgereikte vergunning mag worden ingetrokken bij een met redenen omklede beslissing indien ze werd verkregen ingevolge een onjuiste verklaring of indien de houder van de vergunning de opgelegde voorwaarden niet nakomt.

Als redenen tot intrekking wegens het niet naleven van de voorwaarden worden onder meer beschouwd: het niet houden van het register beoogd in nr 304, alsmede het bestaan van grove nalatigheden in het bijhouden ervan of nog de weigering dit register bij een controle voor te leggen, alsook, meer algemeen, het op gelijk welke wijze belemmeren van de controleopdracht van de ambtenaren van de Administratie.

In alle gevallen wordt de beslissing tot intrekking genomen door de Centrale administratie. Deze deelt de beslissing tot intrekking bij ter post aangetekende brief mede aan de houder van de vergunning. De vergunning mag niet meer worden toegepast te rekenen van de dag na de afgifte van de ter post aangetekende brief.

Aankopen van goederen in België - Aansprakelijkheid van de leverancier

291. Indien het gaat om goederen die uit het binnenland afkomstig zijn, moet de houder van de vergunning, om de vrijstelling te genieten, aan de leverancier een bestelbon uitreiken die de volgende vermeldingen bevat:

"Uitvoer - Vrijstelling van de BTW - Artikel 42, § 3, eerste lid, 8° van het Wetboek - Vergunning van ......, nr. .....".

292. De leverancier moet:

-elke ontvangen bestelbon nummeren volgens een ononderbroken reeks nummers en hem bewaren ter staving van de vrijstelling;
-op de factuur die hij uitreikt, de volgende vermeldingen aanbrengen:
"Uitvoer - Vrijstelling van de BTW - Artikel 42, § 3, eerste lid, 8° van het Wetboek - Vergunning van ....., nr. .. - Bestelbon van .., ingeschreven onder nr....".


293. De leverancier is van alle aansprakelijkheid ontslagen indien de in de nrs 291 en 292 voorgeschreven formaliteiten zijn nageleefd. Hij blijft nochtans aansprakelijk voor het niet betalen van de BTW indien naar zijn weten de vrijstelling ten onrechte werd ingeroepen.

Intracommunautaire verwerving van de goederen

294. De gecombineerde toepassing van de artikelen 40, § 1, 1°, a) en 42, § 3, eerste lid, 8° van het BTW-Wetboek maken het mogelijk dat de intracommunautaire verwerving van goederen die erkende organisaties aankopen en uitvoeren in het kader van hun menslievende, liefdadige of opvoedkundige activiteiten, wordt vrijgesteld.

295. Opdat de intracommunautaire verwerving van goederen die naar België vervoerd worden in afwachting van hun uitvoer buiten de Gemeenschap vrijstelling van de BTW zou kunnen genieten, moet de organisatie, voor zover ze daar niet reeds toe gehouden is, overeenkomstig artikel 25ter, § 1, tweede lid, 2° van het BTW-Wetboek voorafgaandelijk opteren (voor de voorwaarden voor de uitoefening van de optie wordt verwezen naar artikel 4, § 2 van het koninklijk besluit nr 10) voor de taxatie in België van hun intracommunautaire verwervingen van goederen.

Bij gebrek aan optie, is de belasting uit hoofde van de levering van de goederen verschuldigd in de Lid-Staat, andere dan België, waar de goederen zich bevinden bij de aanvang van het vervoer.

296. Overeenkomstig artikel 50, § 1, tweede lid, 1° of 2° van het BTW-Wetboek moeten deze organisaties een BTW-identificatienummer hebben bekomen en zijn ze ertoe gehouden de bijzondere BTW-aangifte bedoeld in artikel 53ter van het BTW-Wetboek in te dienen bij het BTW-controlekantoor waarvan ze afhangen.

297. De organisatie neemt de wegens de intracommunautaire verwerving verschuldigde BTW op in rooster 80 van die aangifte. De vrijstelling wordt bekomen door het bedrag van de belasting waarop de vrijstelling bedoeld in artikel 40, § 1, 1°, a) van het BTW-Wetboek kan toegepast worden, op te nemen in rooster 82.

Invoer van goederen

298. De gecombineerde toepassing van de artikelen 40, § 1, 1°, a) en 42, § 3, eerste lid, 8° van het BTW-Wetboek maken het eveneens mogelijk de invoer door erkende organisaties van goederen die ze in het kader van hun menslievende, liefdadige of opvoedkundige activiteiten uitvoeren, vrij te stellen.

299. De invoer van de goederen met vrijstelling van de BTW vindt plaats onder dekking van een aangifte ten verbruik bedoeld in artikel 9 van het koninklijk besluit nr. 7 van 29 december 1992. Het betreft het formulier "Enig document" gebruikt als invoeraangifte en dat naargelang het geval bekleed is met het teken IM4, EU4 of COM4, aangebracht in de eerste onderverdeling van het formulier (h et teken IM4 wordt gebruikt voor de invoer van goederen herkomstig van een plaats buiten het doaunegebied van de Gemeenschap (z. nrs 9 en 10), behalve van een EVA-land of een Visegrad-land (IJsland, Noorwegen, Zwitserland, Hongarije, Polen, Slovakije en Tsjechië). Het teken EU4 wordt gebruikt voor de invoer van goederen herkomstig van een EVA-land of een Visegrad-land. Het teken COM4 wordt gebruikt voor een invoer van goederen herkomstig van de gedeelten van het douanegebied van de Gemeenschap waar de bepalingen van de Zesde BTW-Richtlijn niet van toepassing zijn (Canarische Eilanden, Franse overzeese departementen, Berg Athos, Aland eilanden, Anglo-normandische eilanden - z. nrs 7 tot 15)).

300. Ter gelegenheid van de invoer moet het origineel of een fotokopie van de in de nrs 286 tot 288 bedoelde vergunning op het douanekantoor worden overgelegd.

Het invoerdocument wordt opgesteld op naam van de houder van de vergunning. In vak 44 van dit document brengt de aangever de volgende vermeldingen aan:

"Vrijstelling van de BTW - Artikel 40, § 1, 1°, a) van het Wetboek - Vergunning van .., nr..."

301. Ondanks het feit dat de vrijstelling van de BTW voorlopig is in afwachting van de definitieve uitvoer van de goederen (z. nr 302), moet aan de administratie der douane en accijnzen geen borg worden gesteld om de goederen met vrijstelling van de BTW te mogen invoeren.

Aard van de vrijstelling - Uitvoertermijn

302. De vrijstelling van de BTW wordt voorlopig verleend. Ze wordt slechts definitief indien de goederen worden uitgevoerd.

303. De goederen moeten worden uitgevoerd binnen een termijn van één jaar te rekenen vanaf het tijdstip waarop de levering, de intracommunautaire verwerving of de invoer overeenkomstig de artikelen 16, 24 en 25sexies van het BTW-Wetboek plaatsvinden.

In uitzonderlijke omstandigheden kan door de Centrale administratie een andere termijn worden vastgelegd.

Controle over de vrijstelling

304. Teneinde de controle over de vrijstelling mogelijk te maken, moet de houder van de vergunning een vergelijkingsregister bijhouden. Dit register moet duidelijk de overeenkomst weergeven tussen enerzijds de met vrijstelling van de BTW verkregen goederen en anderzijds de uitgevoerde goederen. Het moet ten minste de volgende vermeldingen bevatten:
a)aan de linkerzijde die voorbehouden is voor de handelingen waarvoor de houder van de vergunning zich op de vrijstelling beroept:
-de aard van de handeling (aankoop, intracommunautaire verwerving of invoer);
-de datum van die handeling;
-de aard en de hoeveelheid van de in België aangekochte, ingevoerde of intracommunautaire verworven goederen;
-de prijs;
-een verwijzing naar het document dat de aankoop, de invoer of de intracommunautaire verwerving vaststelt.
b)aan de rechterzijde die voorbehouden is voor de uitvoeren:
-de datum waarop de goederen werden uitgevoerd;
-de hoeveelheid van de uitgevoerde goederen;
-de aard van die goederen.
De inschrijving aan de rechterzijde moet voorkomen recht tegenover de overeenstemmende inschrijving aan de linkerzijde van het register. Wanneer de goederen vóór hun uitvoer een bewerking hebben ondergaan moet de houder van de vergunning aan de rechterzijde van het register een bijkomende kolom voorzien waarin de aard van de bewerking wordt omschreven.

305. In bijzondere omstandigheden kan in de vergunning worden bepaald dat de houder ervan ontslagen is een vergelijkingsregister te houden. Er kan onder meer worden bedongen dat de vrijstelling op forfaitaire wijze wordt verleend door rekening te houden met de bestemming die wordt gegeven aan de in een bepaalde periode aangekochte of ingevoerde goederen.

Regularisatie bij ontstentenis van uitvoer

306. Indien de goederen niet binnen de in nr. 303 vastgestelde termijn zijn uitgevoerd, moet de houder van de vergunning de BTW betalen waarvan de vrijstelling werd bekomen ter gelegenheid van de aankoop, de invoer of de intracommunautaire verwerving van de goederen in België.

Daarenboven is de proportionele geldboete bedoeld in artikel 70, § 1 van het BTW-Wetboek verschuldigd. Deze boete wordt op grond van artikel 84 van het BTW-Wetboek en overeenkomstig rubriek XIV, 2, C 1° van Tabel G van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 verminderd tot 10 pct van de te regulariseren BTW. Indien de houder van de vergunning heeft gehandeld overeenkomstig het bepaalde in deze afdeling, d.w.z. wanneer hij binnen de daartoe voorgeschreven termijn zijn toestand spontaan regulariseert of overeenkomstig de bijzondere bepalingen van de vergunning wanneer deze daarvan afwijken, wordt de geldboete op grond van artikel 3 van voornoemd koninklijk besluit nr 41 evenwel volledig kwijtgescholden.

De nalatigheidsinteresten bedoeld in artikel 91, § 1 van het BTW-Wetboek zijn daarentegen steeds verschuldigd door de houder van de vergunning. Ze worden per maand berekend tegen het tarief van 0,8 pct over het totaalbedrag van de verschuldigde belasting, afgerond op het duizendtal naar beneden (vanaf 1 januari 2002 afgerond naar de lagere tien euro (z. koninklijk besluit van 20 juli 2000, Belgisch Staatsblad van 30 augustus 2000)), vanaf de dag dat de belasting moest worden betaald indien de te regulariseren handeling niet met vrijstelling van de belasting was verricht. Ieder begonnen tijdvak van een maand wordt voor een gehele maand gerekend.

307. De betaling van de belasting, de eventuele geldboete en de nalatigheidsinteresten moet geschieden binnen de vijftien dagen na het verstrijken van de voor uitvoer gestelde termijn door het aanbrengen en onbruikbaar maken van fiscale plakzegels en wel op de volgende wijze:

a)het bovenste deel van de plakzegels wordt aangebracht op een document dat de hierna vermelde gegevens bevat:
-de naam en het adres van de organisatie;
-het detail van de betaalde sommen;
-de vermelding: "Betaling gedaan ingevolge nr. 307 van de aanschrijving nr. E.T. 97.794 van 1 maart 2001 - Vergunning van ... nr....".
b)het onderste deel van de plakzegels wordt aangebracht in het vergelijkingsregister dat ingevolge het bepaalde in nr. 304 moet worden gehouden.


308. De fiscale plakzegels die moeten gebruikt worden, zijn van het type dat van kracht is voor de voldoening van de zegelrechten zoals dat type is vastgesteld ter uitvoering van artikel 3 van het besluit van de Regent van 26 juni 1947 houdende het Wetboek van de zegelrechten, bekrachtigd bij de wet van 14 juli 1951.

De beide delen van de plakzegel worden met duidelijke lettertekens onbruikbaar gemaakt door de persoon die de bedoelde stukken moet opmaken, hetzij door middel van een met onuitwisbare inkt geschreven vermelding die de datum van de onbruikbaarmaking en de handtekening van die persoon omvat, hetzij door middel van een naamstempel die, met vette inkt, benevens de datum, ook de familienaam, de benaming of de firma van degene die de plakzegel onbruikbaar maakt, afdrukt. Die vermelding of de afdruk van die naamstempel, moet worden aangebracht in de richting van de langste afmeting van de plakzegel. Alleen de datum moet geheel op de plakzegel staan. De handtekening moet volledig zijn, maar mag gedeeltelijk buiten de rand van de plakzegel komen.

Wanneer meerdere zegels gekleefd worden, moet elke zegel onbruikbaar worden gemaakt op de wijze omschreven in vorig lid.

309. Het regularisatiedocument waarvan sprake in nr. 307, a) moet binnen de termijn voorzien voor de betaling van de belasting, worden toegezonden naar de centrale diensten van de Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit, waarvan het adres in nr. 286 vermeld is.

310. De bekomen vrijstelling blijft evenmin van toepassing wanneer, vóór het verstrijken van de uitvoertermijn, de goederen die met vrijstelling van de BTW werden aangekocht of ingevoerd, hier te lande een andere bestemming krijgen dan de uitvoer. In dat geval moet de onder de nrs 306 tot 309 bedoelde regularisatie plaatsvinden binnen een termijn van vijftien dagen die volgt op de datum waarop de andere bestemming wordt gegeven.

Bewaring van de documenten

311. Alle documenten die betrekking hebben op de aankoop, de invoer en de uitvoer van de in de vergunning bedoelde goederen, moeten samen met het hiervoor bedoelde register worden bewaard gedurende tien jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het jaar dat volgt op de datum van de documenten of op de afsluiting wat het register betreft.

Dezelfde bescheiden moeten op ieder verzoek van de ambtenaren belast met de controle op de heffing van de belasting over de toegevoegde waarde onmiddellijk worden voorgelegd.



Vrijstelling van de BTW verleend bij wijze van teruggaaf

Recht op teruggaaf

312. Er kan enkel teruggaaf van de BTW worden verleend indien de aanvrager zich in de voorwaarden bevindt om de vrijstelling te bekomen op grond van een vergunning zoals bedoeld in de nrs 286 tot 311 hiervoor. Hij moet de goederen bovendien hebben uitgevoerd in het kader van de hiervoor omschreven activiteiten.

De aanvraag moet worden ingediend vóór het einde van het derde kalenderjaar dat volgt op datgene waarin de oorzaak van teruggaaf zich heeft voorgedaan. De uitvoer vormt in dit verband hier de oorzaak van teruggaaf van de belasting.

313. Om de teruggaaf te bekomen moet de aanvrager kunnen bewijzen dat hij de belasting heeft betaald. Hij moet dus in het bezit zijn ofwel van een regelmatige factuur die werd uitgereikt overeenkomstig artikel 1 van het koninklijk besluit nr 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, ofwel van een door de douane geldiggemaakte aangifte ten verbruik IM4, EU4 of COM4 Z. voetnoot bij nr 299 die op zijn naam is opgemaakt, ofwel door het bewijs te leveren dat de BTW op zijn intracommunautaire verwerving is betaald.

Aanvraag om teruggaaf

314. De aanvraag om teruggaaf moet bij middel van een gewone brief op volgend adres worden ingediend:

MINISTERIE VAN FINANCIËN
ADMINISTRATIE VAN DE ONDERNEMINGS- EN INKOMENSFISCALITEIT
Centrale diensten
Directie I/10
Rijksadministratief centrum
Financietoren, bus 61
Kruidtuinlaan 50
1010 BRUSSEL

315. Die aanvraag om teruggaaf moet ten minste de volgende inlichtingen omvatten:

-de naam en het adres van de rechthebbende op de teruggaaf;
-het nummer en de juiste benaming van de rekening waarop het voor teruggaaf vatbare bedrag van de BTW moet worden gestort.
Bij de aanvraag moeten bovendien de volgende documenten worden gevoegd:
-de statuten van de organisatie of, indien deze in het Belgisch Staatsblad werden gepubliceerd, een kopie van deze publicatie;
-de aankoopfactuur, de aangifte ten verbruik van de invoer of een kopie van de bijzondere aangifte waarin het bedrag van de BTW werd opgenomen waarvan de teruggaaf wordt gevraagd;
-de aangifte ten uitvoer en de andere bewijsstukken waaruit de uitvoer blijkt.


Behandeling van de aanvraag om teruggaaf

316. Bij ontvangst van de aanvraag om teruggaaf onderzoekt de Centrale administratie of alle voorwaarden zijn vervuld om vrijstelling te bekomen en om aldus teruggaaf van de BTW toe te staan.

Indien alle formaliteiten zijn vervuld en de betrokkene aan de gestelde voorwaarden voldoet, stuurt de Centrale administratie de aanvraag over aan het hoofd van het BTW-controlekantoor van het gebied waar de betrokkene ressorteert, met het verzoek tot teruggaaf over te gaan.

Indien niet is voldaan aan de gestelde voorwaarden tot teruggaaf, brengt de Centrale administratie dit ter kennis van de aanvrager bij een ter post aangetekende brief.



Afdeling 4:Bijzonder geval - Het schenken van goederen aan een erkende organisatie

317. Soms doen erkende organisaties een beroep op Belgische leveranciers om gratis goederen geleverd te krijgen die ze vervolgens in het kader van hun menslievend, liefdadig of opvoedkundig werk uitvoeren.

318. Bij dergelijke gelegenheid verrichten de BTW-plichtige leveranciers een onttrekking die bij toepassing van artikel 12, § 1, eerste lid, 2° van het BTW-Wetboek met een levering onder bezwarende titel wordt gelijkgesteld wanneer de gratis ter beschikking gestelde goederen in hun hoofde een geheel of gedeeltelijk recht op aftrek hebben doen ontstaan. Een dergelijke onttrekking maakt de belasting dus in principe opeisbaar.

Deze belastingplichtigen zijn dus gehouden tot de betaling van de BTW die wordt berekend over de aankooppijs van de gratis geschonken goederen of van gelijkaardige goederen of, bij ontstentenis van aankoopprijs, van de kostprijs van die goederen op het tijdstip van de gift (z. artikel 33, 1° van het BTW-Wetboek).

Overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit nr 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde moeten deze belastingplichtingen een stuk opmaken dat de onttrekking vaststelt (z. artikel 3 van het koninklijk besluit nr 1). Op dat stuk moeten een aantal vermeldingen staan zoals het volgnummer waaronder het is ingeschreven in het boek voor uitgaande facturen, de datum van de handeling, de gebruikelijke benaming en de hoeveelheid van de geleverde goederen, de aanduiding per tarief van de maatstaf van heffing en van het bedrag van de verschuldigde belasting (z. artikel 5, § 2 van het koninklijk besluit nr 1).

319. Op grond van artikel 42, § 3, eerste lid, 8° van het BTW-Wetboek moeten deze leveranciers de bedoelde onttrekkingen van goederen die ze gratis ter beschikking stellen van erkende organisaties die deze goederen in het kader van hun menslievend, liefdadig of opvoedkundig werk uitvoeren, evenwel niet aan de belasting onderwerpen.

320. De vrijstelling van de op deze onttrekkingen verschuldigde BTW kan worden bekomen hetzij rechtstreeks op grond van een vergunning, hetzij bij wijze van teruggaaf.

321. Wanneer de vrijstelling wordt bekomen op grond van een vergunning, is de toepassing ervan, onder voorbehoud van wat hierna volgt, onderworpen aan dezelfde voorwaarden als deze bepaald in de nrs 286 tot 311 hiervoor.

De erkende organisatie moet aan de leveranciers die ingaan op hun vraag tot gratis levering van goederen, een bestelbon uitreiken zoals voorzien in nr. 291 hiervoor, waarop moet worden vermeld:

"Uitvoer - Vrijstelling van de BTW - Artikel 42, § 3, eerste lid, 8° van het Wetboek - Vergunning van ....., nr. .....".

De bestelbon moet preciseren dat:
-het gaat om een levering om niet;
-de leverancier gemachtigd is om de onttrekking die hij verricht, niet aan de BTW te onderwerpen;
-de leverancier op het stuk dat de onttrekking vaststelt en dat hij overeenkomstig de artikelen 3 en 5, § 2 van het koninklijk besluit nr 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde moet opstellen, de volgende meldingen moet aanbrengen in de plaats van het bedrag van de verschuldigde belasting:
"Uitvoer - Vrijstelling van de BTW - Artikel 42, § 3, eerste lid, 8° van het Wetboek - Vergunning van ....., nr. .. - Bestelbon van .., ingeschreven onder nr....".
-de leverancier aan de erkende organisatie een kopie moet afgeven van het stuk dat de onttrekking vaststelt.


322. Wanneer de vrijstelling bij wijze van teruggaaf wordt bekomen, moet de leverancier die de BTW op de verrichte onttrekking heeft voldaan, zich richten tot de centrale diensten van de Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit waarvan het adres in nr 314 is vermeld, teneinde in voorkomend geval de toelating te bekomen tot teruggaaf van de voldane belasting.



Hoofdstuk VII:Bijzondere situaties

323. Dit hoofdstuk becommentarieert de toepasselijke regels met betrekking tot de volgende bijzondere situaties:
-de onttrekking van goederen bestemd om te worden uitgevoerd;
-de intracommunautaire overbrenging van goederen bestemd om te worden uitgevoerd;
-de intracommunautaire verwerving van goederen gevolgd door hun uitvoer.


Afdeling 1:De uitvoer van onttrokken goederen

324. De onttrekking door een belastingplichtige aan zijn onderneming van goederen om deze gratis weg te geven, wordt op grond van artikel 12, § 1, eerste lid, 2° van het BTW-Wetboek gelijkgesteld met een belastbare levering wanneer voor die goederen of voor de bestanddelen ervan recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de belasting is ontstaan.

Overeenkomstig artikel 33, 1° van het BTW-Wetboek wordt de wegens die onttrekking verschuldigde BTW berekend over een maatstaf van heffing gelijk aan de aankoopprijs van de goederen of van soortgelijke goederen, of, bij ontstentenis van aankoopprijs, over de kostprijs bepaald op het tijdstip waarop die onttrekking wordt verricht.

325. Deze gelijkstelling met een belastbare levering heeft tot gevolg dat:
-de door de belastingplichtige uitgeoefende aftrek niet moet worden herzien ondanks het feit dat de goederen niet worden gebruikt voor handelingen bedoeld in artikel 45, § 1, 1° tot 5° van het BTW-Wetboek;
-de onttrekking van goederen die worden uitgevoerd, van de belasting kan worden vrijgesteld op grond van dezelfde bepalingen die de levering van goederen wegens uitvoer vrijstellen.


326. Wanneer aldus de onttrokken goederen worden uitgevoerd door de belastingplichtige die de onttrekking verricht of door de persoon aan wie ze zijn geschonken voor zover deze niet in België is gevestigd, is de BTW niet opeisbaar ten aanzien van de onttrekking in de mate dat de goederen worden uitgevoerd in de voorwaarden en overeenkomstig de formaliteiten voorzien voor de toepassing van artikel 39, § 1, 1° of 2° van het BTW-Wetboek (z. hoofdstuk II).

Voorbeeld: een naamloze vennootschap onttrekt een autovoertuig dat op haar naam is ingeschreven en dat ze als bedrijfsmiddel gebruikt, teneinde het te schenken aan de bestuurder-vice-president wiens mandaat verstrijkt en die naar de Verenigde-Staten terugkeert om er een andere functie op te nemen.

327. De vrijstelling bedoeld in artikel 39, § 1, 4° van het BTW-Wetboek is evenzeer van toepassing ten aanzien van de onttrekking van goederen die een handelaar gratis overhandigt aan een reiziger die deze goederen in zijn persoonlijke bagage meeneemt naar een plaats buiten de Gemeenschap (z. hoofdstuk III).

Voorbeeld: een Brussels juwelier schenkt een juweel aan Jordaanse toeristen die in de hoofdstad op doorreis zijn om hen op die manier te bedanken voor hun trouw aan de winkel.

328. Wat de onttrekking van goederen betreft door belastingplichtigen die ze wegschenken aan in België gevestigde menslievende, liefdadige of opvoedkundige organisaties, deze kan op grond van artikel 42, § 3, eerste lid, 8° van het BTW-Wetboek worden vrijgesteld in de mate dat deze erkende organisaties de goederen uitvoeren (z. hoofdstuk VI, inzonderheid de nrs 317 tot 322).

Voorbeelden:
-een belastingplichtige onttrekt gedemodeerde goederen aan zijn voorraad om ze gratis aan een Belgische humanitaire organisatie te schenken in het kader van een hulpactie naar aanleiding van een aardbeving in Mexico;
-een farmaceutisch bedrijf levert gratis medicamenten die het einde van hun geldigheidsduur bereiken teneinde in een land van de derde wereld verbruikt te worden. Deze goederen worden geleverd aan een in België gevestigde menslievende organisatie die in dergelijke landen over dispensaria beschikt om de plaatselijke bevolking ter hulp te komen.
329. Overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit nr 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, moeten de belastingplichtigen die gratis goederen van hun onderneming wegschenken, geen factuur uitreiken. Ze moeten wel een stuk opstellen dat de onttrekking vaststelt (z. artikel 3 van het koninklijk besluit nr 1). Op dat stuk moeten een aantal vermeldingen voorkomen zoals het nummer waaronder het is ingeschreven in het uitgaand facturenboek, de datum van de handeling, de gebruikelijke benaming van de geleverde goederen alsmede hun hoeveelheid, de aanduiding per tarief van de maatstaf van heffing en van het bedrag van de verschuldigde belasting (z. artikel 5 van het koninklijk besluit nr 1).

De leverancier die de onttrekking van de belasting wenst vrij te stellen om reden van uitvoer, moet op het stuk dat de onttrekking vaststelt, in de plaats van het bedrag van de verschuldigde belasting, naargelang het geval, de volgende vermeldingen aanbrengen:
"Uitvoer - Vrijstelling van de BTW - Artikel 39 van het Wetboek";
"Uitvoer - Vrijstelling van de BTW - Artikel 42, § 3, eerste lid, 8° van het Wetboek - Vergunning van ...., nr..... - Bestelbon van ..., ingeschreven onder het nr....".
330. Het bewijs van de uitvoer van de goederen en van het recht op de vrijstelling moeten worden geleverd door de belastingplichtige die de onttrekking verricht en wel op dezelfde wijze als zou het gaan om een levering van goederen onder bezwarende titel onder voorbehoud evenwel dat het stuk dat de onttrekking vaststelt en waarvan sprake in nr 329, de factuur of het als zodanig geldend stuk vervangt.

331. Het kosteloos uitdelen van monsters, met een publicitair doel en om de goederen die het bedrijf fabriceert of verkoopt, te leren kennen en te leren waarderen, laat toe dat de belasting die ter zake van de fabricage of de inkoop van die monsters (artikel 45, § 3, 2° van het BTW-Wetboek staat evenwel geen enkele aftrek van de belasting toe ten aanzien van alcoholische dranken die als handelsmonster worden aangeboden) werd geheven, aftrekbaar is indien de kosten ervan inzake directe belastingen als algemene onkosten worden aanvaard. Er is dan geen sprake van herziening van de aftrek, noch van onttrekking, aangezien artikel 12, § 1, 2°, van het BTW-Wetboek uitdrukkelijk de handelsmonsters van de toepassing van die bepaling uitsluit.

Het verzenden of het vervoeren van dergelijke handelsmonsters naar een plaats buiten de Gemeenschap geeft derhalve geen aanleiding tot de toepassing van de vrijstellingen van toepassing inzake uitvoer. Het spreekt evenwel vanzelf dat de belastingplichtige die ze uitdeelt, moet kunnen bewijzen dat deze afgifte van de goederen niet gebeurde in omstandigheden die de belasting opeisbaar maken.

332. Geschenken van geringe waarde die in beroepsrelaties worden gegeven en waarvan de kostprijs door de bedrijven als algemene onkosten wordt geboekt (eindejaarsgeschenken, giften in natura, enz.), verschillen van de in nr. 331 hierboven beoogde monsters doordat ze niet van dezelfde aard zijn als de goederen die het bedrijf doorgaans verkoopt. Ze worden dan ook niet uitgedeeld met de bedoeling ze te leren kennen of waarderen.

Deze geschenken worden, voor de toepassing van de BTW, geacht van geringe waarde te zijn zo hun inkoopprijs, of bij gebreke daarvan, hun normale waarde, voor het gehele geschenk, lager is dan 500 BEF (de tegenwaarde van dit bedrag in euro werd nog niet vastgesteld op het tijdstip van publicatie van deze aanschrijving), exclusief BTW. Is die voorwaarde vervuld, dan mag de aftrek van de belasting welke van die voorwerpen, of van de elementen waaruit ze zijn samengesteld, werd geheven, worden toegepast zonder dat er bij de uitdeling ervan van herziening van de aftrek of van onttrekking sprake is (z. artikel 12, § 1, eerste lid, 2° van het BTW-Wetboek).

De verzending of het vervoer van dergelijke geschenken naar een plaats buiten de Gemeenschap geeft derhalve geen aanleiding tot de toepassing van de vrijstellingen voorzien inzake uitvoer.

333. Wat in nr. 332 hierboven is bepaald, is eveneens van toepassing ten aanzien van voorwerpen die een belastingplichtige schenkt aan slachtoffers van rampen zelfs wanneer het gaat om goederen die normaal voor de doorverkoop bestemd waren.



Afdeling 2:Overbrenging en uitvoer

334. De zesde BTW-Richtlijn bevat een aantal bepalingen die er moeten voor zorgen dat de intracommunautaire goederenbewegingen fiscaal kunnen gevolgd worden zodat de Lid-Staat waarin ze zich bevinden steeds gekend is. Het gaat om de regeling inzak "de overbrenging van goederen en de gelijkstelling ervan met een intracommunautaire verwerving onder bezwarende titel".

In bepaalde gevallen is dat mechanisme van fiscale opvolging overbodig of te zwaar voor de ondernemingen. Daarom is het niet toepasselijk gemaakt op onder meer de verzending van goederen ter bestemming van een andere Lid-Staat:
-in het kader van bepaalde leveringen van goederen;
-voor een tijdelijk verblijf in het kader van dienstverrichtingen;
-voor een tijdelijk gebruik in die Lid-Staat.
In deze gevallen spreekt men van een "niet-overbrenging van goederen en van een niet-gelijkstelling ervan met een intracommunautaire verwerving onder bezwarende titel".

335. In het intern Belgische recht werden deze bepalingen opgenomen in de artikelen 12bis en 25quater, § 1, van het BTW-Wetboek.

Artikel 12bis van het BTW-Wetboek bepaalt dat:

"DE OVERBRENGING DOOR EEN BELASTINGPLICHTIGE VAN EEN GOED VAN ZIJN BEDRIJF NAAR EEN ANDERE LID-STAAT WORDT MET EEN LEVERING VAN GOEDEREN ONDER BEZWARENDE TITEL GELIJKGESTELD.

ALS OVERGEBRACHT NAAR EEN ANDERE LID-STAAT WORDT BESCHOUWD ELK LICHAMELIJK GOED DAT DOOR OF VOOR REKENING VAN DE BELASTINGPLICHTIGE BUITEN BELGIË MAAR BINNEN DE GEMEENSCHAP WORDT VERZONDEN OF VERVOERD VOOR BEDRIJFSDOELEINDEN, VOOR ZOVER HET DAARBIJ NIET OM ÉÉN VAN DE VOLGENDE HANDELINGEN GAAT:
...;
...;
DE LEVERING VAN DAT GOED DOOR DE BELASTINGPLICHTIGE IN HET BINNENLAND ONDER DE VOORWAARDEN VAN DE ARTIKELEN 39, § 1, 39BIS EN 42, § § 1, 2 EN 3;
..."
Artikel 25quater, § 1, van het BTW-Wetboek bepaalt dat:

"MET EEN INTRACOMMUNAUTAIRE VERWERVING VAN EEN GOED ONDER BEZWARENDE TITEL WORDT GELIJKGESTELD HET DOOR EEN BELASTINGPLICHTIGE VOOR DE DOELEINDEN VAN ZIJN ECONOMISCHE ACTIVITEIT BESTEMMEN VAN EEN GOED DAT DOOR OF VOOR REKENING VAN DE BELASTINGPLICHTIGE WORDT VERZONDEN OF VERVOERD UIT EEN ANDERE LID-STAAT WAAR HET IS VERVAARDIGD, GEWONNEN, BEWERKT, AANGEKOCHT, VERWORVEN IN DE ZIN VAN ARTIKEL 25TER, OF DOOR DE BELASTINGPLICHTIGE IN HET KADER VAN ZIJN ECONOMISCHE ACTIVITEIT IN DIE ANDERE LID-STAAT IS INGEVOERD.

DEZE GELIJKSTELLING IS SLECHTS VAN TOEPASSING IN DE GEVALLEN WAAR OVEREENKOMSTIG ARTIKEL 12BIS DE OVERBRENGING VAN HET GOED NAAR EEN ANDERE LID-STAAT MET EEN LEVERING VAN GOEDEREN ZOU WORDEN GELIJKGESTELD."

336. In geval van uitvoer van goederen vanuit België via een andere Lid-Staat hoeft de regeling van de overbrengingen niet toegepast te worden ten aanzien van de levering die de uitvoerder verricht van goederen die vanaf hun verzending vanuit België voldoen aan de voorwaarden om de vrijstelling van artikel 39, § 1 van het BTW-Wetboek te genieten. Daartoe is inzonderheid vereist dat de bestemming van de goederen op dat ogenblik reeds gekend is en dat de aangifte ten uitvoer geldig werd ingediend op het douanekantoor van uitvoer dat bevoegd is voor de plaats waar de uitvoerder is gevestigd of waar de goederen worden verpakt of geladen met het oog op hun vervoer voor uitvoer (z. nrs 81 tot 95).

Zoniet is de regeling van de overbrengingen integraal van toepassing met alle gevolgen die daaraan verbonden zijn inzake de identificatie voor BTW-doeleinden, het indienen van periodieke BTW-aangiften en het opstellen van de opgave van intracommunautaire handelingen.

337. Bovendien is het de vraag of goederen moeten worden geacht te worden overgebracht in de zin van artikel 12bis van het BTW-Wetboek wanneer ze:
1)van een Lid-Staat naar een derde land worden verplaatst zonder dat hun eigendom wordt overgedragen (overbrengingen van goederen tussen bijhuizen, het aanleggen van voorraden...) waarbij die goederen de Gemeenschap verlaten langs een andere Lid-Staat dan waaruit ze zijn verzonden;
2)onder dezelfde voorwaarden als onder 1) hiervoor, worden verplaatst maar dan in het kader van leveringen verricht door belastingplichtigen die onder de vrijstellingsregeling voor kleine ondernemingen vallen, door forfaitaire landbouwondernemingen of door belastingplichtigen die uitsluitend handelingen verrichten waarvoor ze geen enkel recht op aftrek hebben (advocaten, geneesheren, ziekenhuizen...).
Inderdaad, daar waar de leveringen verricht door belastingplichtigen bedoeld in nr 336 ingeval van uitvoer effectief kunnen worden vrijgesteld op grond van artikel 39, § 1 van het BTW-Wetboek (en bijgevolg ontsnappen aan de regeling van de overbrengingen van goederen en de gelijkstelling ervan met een intracommunautaire verwerving onder bezwarende titel), kunnen de handelingen waarvan sprake in nr. 337 nooit op grond van voornoemde bepaling worden vrijgesteld aangezien ze niet aan de BTW zijn onderworpen. Op grond van de tekst van artikel 12bis en 25quater, § 1 van het BTW-Wetboek kan hen het voordeel van de regeling van de niet-overbrenging van goederen en de niet-gelijkstelling ervan met een intracommunautaire verwerving onder bezwarende titel bijgevolg niet worden toegekend.

338. Om te vermijden dat een regeling zou moeten toegepast worden die nodeloos ingewikkeld is voor belastingplichtigen die zich in een situatie bevinden als bedoeld in nr 337, heeft de Administratie beslist om de bedoelde handelingen van de regeling van de overbrengingen uit te sluiten in de mate dat de volgende voorwaarden vervuld zijn:
1)de bestemming van de goederen moet bekend zijn op het tijdstip van de aanvang van de verzending of het vervoer vanuit de Lid-Staat van vertrek;
2)de goederen moeten onder de douaneregeling inzake uitvoer geplaatst worden, wat inhoudt dat:
-de aangifte ten uitvoer geldig moet worden ingediend op het douanekantoor van uitvoer bevoegd voor de controle van de plaats waar de uitvoerder is gevestigd of waar de goederen worden verpakt of ingeladen met het oog op hun uitvoer;
-het effectief buiten gaan van de goederen uit de Gemeenschap moet vastgesteld worden door het douanekantoor van uitgang, dat de aangifte ten uitvoer viseert.
339. Deze beslissing heeft niet alleen betrekking op de goederenbeweging vanuit België, maar tevens op de goederenbeweging vanuit een andere Lid-Staat en waarbij België de Lid-Staat van uitgang uit de Gemeenschap is.

Deze goederenbewegingen moeten evenmin worden ingeschreven in het register bedoeld in artikel 23 van het koninklijk besluit nr 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, met name "het register der niet-overbrengingen".

340. We herinneren er wel aan dat elke Lid-Staat de regeling der overbrengingen of niet-overbrengingen en de gelijkstelling ervan met een intracommunautaire verwerving onder bezwarende titel soeverein toepast. De andere Lid-Staten zijn dus geenszins gebonden door het Belgisch standpunt met betrekking tot deze handelingen.



Afdeling 3:De intracommunautaire verwerving van goederen gevolgd door de uitvoer ervan

341. Belgische douane-expediteurs kunnen onder een globaal BTW-identificatienummer met het beginkenmerk BE 796.6 de niet in België gevestigde belastingplichtige die over geen individueel Belgisch BTW-identificatienummer beschikt, vertegenwoordigen voor het verrichten in België van intracommunautaire verwervingen van goederen wanneer de daaropvolgende handeling wegens uitvoer van de goederen naar een derde land is vrijgesteld van de BTW krachtens artikel 39, § 1, 1° en 2°, van het BTW-Wetboek.

342. Het betreft de volgende handelingen:
a)de in België aan de belasting onderworpen intracommunautaire verwerving van goederen als bedoeld in artikel 25ter, § 1, van het BTW-Wetboek verricht door een niet in België gevestigde belastingplichtige met het oog op een volgende levering van deze goederen door deze belastingplichtige onder de voorwaarden van artikel 39, § 1, 1° en 2°, van het BTW-Wetboek (er wordt opgemerkt dat wanneer de uitvoerprocedure reeds is aangevat in de Lid-Staat van vertrek van de verzending van de goederen omdat de eerste verkoper de goederen zelf uitvoert, er niemand in België een aansprakelijke vertegenwoordiger nodig heeft);
Voorbeeld: een Duits belastingplichtige A vervoert vanuit München tot in Antwerpen goederen die hij verkocht heeft aan B, een Franse belastingplichtige die niet in België is gevestigd. B bestemd die goederen voor zijn Canadese klant C, wiens identiteit hij niet kenbaar wil maken aan A. B voert de goederen uit naar C in Canada. B verricht in Antwerpen de uitvoerformaliteiten op zijn naam.
b)het verzenden van goederen, door of voor rekening van de niet in België gevestigde belastingplichtige die handelt in zijn hoedanigheid van eigenaar, vanuit een andere Lid-Staat naar België, alwaar de goederen voor beperkte tijd zullen worden opgeslagen om vanuit België te worden verkocht aan klanten waarbij de levering van die goederen zal plaatsvinden met vrijstelling van Belgische BTW wegens uitvoer naar een derde land (BTW-Wetboek, artikel 39).
Het bestemmen voor een economische activiteit van goederen die de buitenlandse belastingplichtige naar België verzendt, wordt gelijkgesteld met een intracommunautaire verwerving onder bezwarende titel in de zin van artikel 25quater van het BTW-Wetboek.

De volgende voorwaarden dienen samen te zijn vervuld:
-de goederen worden door of voor rekening van de voormelde belastingplichtige-eigenaar van de goederen vanuit een andere Lid-Staat naar België verzonden, zonder dat dit gepaard gaat met een eigendomsoverdracht (wanneer de goederen bijgevolg reeds zijn verkocht op het tijdstip waarop ze de Lid-Staat van vertrek verlaten en hun uiteindelijke bestemming dus gekend is, moeten de douaneformaliteiten, overeenkomstig de douanewetgeving ter zake, reeds zijn verricht in de Lid-Staat van vertrek van de goederen. De buitenlandse verkoper heeft bijgevolg geen aansprakelijke vertegenwoordiger nodig);
-de goederen worden vervolgens voor beperkte tijd in België opgeslagen en blijven eigendom van de voormelde belastingplichtige terwijl ze in België opgeslagen zijn;
-de betrokken goederen worden nadien, voor hun totaliteit, met vrijstelling van BTW uitgevoerd naar een derde land. Dit houdt in dat de goederen door of voor rekening van de voormelde belastingplichtige of de niet in België gevestigde koper worden verzonden of vervoerd naar een plaats buiten de Gemeenschap. In het geval de goederen worden verkocht aan een in België gevestigde koper kan de betrokken regeling slechts worden gevolgd indien de verzending of het vervoer naar een plaats buiten de Gemeenschap geschiedt door of voor rekening van de voormelde niet in België gevestigde belastingplichtige.
Voorbeeld: een niet in België gevestigd Duits belastingplichtige vervoert een deel van zijn productie dat hij voor uitvoer naar Zuid-Amerikaanse markten bestemt, maar waarvoor hij nog geen afnemer heeft gevonden, naar Antwerpen. Uiteindelijk verkoopt hij zijn in Antwerpen gestockeerde voorraad aan een Braziliaanse koper, naar wie hij de goederen verzendt. A verricht in eigen naam de uitvoerformaliteiten in Antwerpen.

343. De hiervoor bedoelde intracommunautaire verwervingen van goederen zijn dan ook principieel aan de BTW in België onderworpen bij toepassing van artikel 25ter van het BTW-Wetboek. Ondanks het feit dat de niet in België gevestigde belastingplichtige wordt vertegenwoordigd door een aansprakelijk vertegenwoordiger, houder van een globaal BTW-identificatienummer, aanvaardt de Administratie dat deze verwervingen vrijgesteld kunnen worden op basis van artikel 40bis van het BTW-Wetboek voor zover de buitenlandse belastingplichtige recht zou hebben op volledige teruggaaf van de op deze verwervingen verschuldigde BTW bij toepassing van artikel 76, § 2, van het BTW-Wetboek, wat in principe het geval is.

344. Bovendien worden de kosten van opslag in België vrijgesteld van de BTW bij toepassing van artikel 41, § 1, 5°, b, van het BTW-Wetboek.

345. Beide vrijstellingen van BTW zijn slechts van toepassing wanneer aan de in nr. 342, a) en b) bedoelde voorwaarden wordt voldaan en ze worden definitief op het ogenblik dat de goederen worden uitgevoerd.

Verplichtingen van de aansprakelijke vertegenwoordiger

346. De verplichtingen van de douane-expediteur die onder zijn globaal BTW-identificatienummer niet in België gevestigde belastingplichtigen vertegenwoordigt voor het verrichten van handelingen als bedoeld in nr. 341 kunnen als volgt worden samengevat:
-het bijhouden, per niet in België gevestigde belastingplichtige die hij vertegenwoordigt, van een boek voor inkomende facturen en een boek voor uitgaande facturen. In het boek voor inkomende facturen dienen inzonderheid te worden vermeld: de aankoopfacturen met betrekking tot de intracommunautaire verwervingen van de goederen of de transfertdocumenten die moeten worden opgemaakt naar aanleiding van de overbrengingen van de goederen naar België alsmede de facturen met betrekking tot de opslagkosten in België en de eventuele andere hier te lande gemaakte kosten. In het boek voor uitgaande facturen worden de door de niet in België gevestigde belastingplichtige aan zijn klant uitgereikte facturen geboekt met verwijzing naar het geldig gemaakte exemplaar van het Enig document. Door middel van beide boeken moet op een duidelijke en eenvoudige wijze kunnen worden aangetoond dat alle goederen zijn uitgevoerd;
-ter vervollediging van de door de niet in België gevestigde belastingplichtige opgemaakte verkoopfactuur, het opmaken in tweevoud van het aanvullend stuk bedoeld in artikel 4, § 2, van het koninklijk besluit nr. 31, en de uitreiking van het origineel ervan aan de klant van de buitenlandse belastingplichtige. De Administratie staat in principe geen afwijking toe op deze verplichting;
-het vermelden in vak 2 van het Enig Document dat gebezigd wordt als aangifte ten uitvoer en dat in België wordt opgemaakt, van het globaal BTW-identificatienummer van de douane-expediteur;
-het bewaren van alle stukken met betrekking tot de in België verrichte handelingen en het ter inzage voorleggen ervan op ieder verzoek van de controleambtenaren (z. artikelen 60 en 61 van het BTW-Wetboek);
-het indienen van een periodieke BTW-aangifte.


Erkenningsprocedure

347. De Belgische douane-expediteurs die een globaal BTW-identificatienummer met beginkenmerk BE 796.6 wensen te bekomen, moeten daartoe een aanvraag indienen bij het Centraal BTW-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen, Jozef Stevensstraat 7 te 1000 Brussel (tel: 02/552.59.33, fax: 02/552.55.41)

348. De bedoelde personen kunnen trouwens reeds titularis zijn van een globaal BTW-identificatienummer met beginkenmerk BE 796.5 (het globaal BTW-identificatienummer met beginkenmerk BE796.5 kan worden gebruikt om een niet in België gevestigde belastingplichtige te vertegenwoordigen die hier te lande goederen invoert met vrijstelling van de BTW op grond van artikel 40, § 1, 1°, d) van het BTW-Wetboek omdat die belastingplichtige die goederen tegelijkertijd levert met toepassing van de vrijstelling op grond van artikel 39bis van het BTW-Wetboek (z. artikel 39 van het koninklijk besluit nr. 7 van 29 december 1992 met betrekking tot de invoer van goederen voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde)) of nog voor hun lastgever in België een individueel BTW-identificatienummer hebben bekomen, wanneer laatstgenoemde zich niet kon beroepen op de vereenvoudigde regeling van een globaal identificatienummer.

349. Indien de aansprakelijke vertegenwoordiger niet voldoende solvabel is, wordt een zekerheid gevraagd tot waarborg van de invordering van al wat ten laste van de vertegenwoordigde belastingplichtigen opeisbaar zou kunnen worden uit hoofde van belasting, geldboeten, interesten en kosten. Ze wordt periodiek herzien rekening houdend met de verbintenissen van de aansprakelijke vertegenwoordiger. Bij de regeling van het globaal BTW-identificatienummer kan de financiële verbintenis van de aansprakelijke vertegenwoordiger niet worden beperkt tot een bepaald bedrag. De zekerheid wordt voor alle vertegenwoordigde belastingplichtigen samen vastgesteld op maximum 10 percent van het bedrag van de opeisbare BTW.

350. Het bedrag van de zekerheid wordt bepaald aan de hand van de in de periodieke BTW-aangiften aan te geven bedragen op jaarbasis (z. nr 352).



Periodieke BTW-aangiften

351. De periodieke BTW-aangifte die een aansprakelijk vertegenwoordiger titularis van een globaal BTW-identificatienummer met beginkenmerk BE 796.6 moet indienen, wordt, wat de intracommunautaire verwervingen van goederen betreft die gevolgd worden door een uitvoer naar een derde land, als volgt ingevuld:
Rooster 81: (*) intracommunautaire verwervingen van goederen en ermee gelijkgestelde handelingen (z. nr. 346, eerste streepje)
Rooster 82: ontvangen diensten met betrekking tot de goederen vermeld in rooster 81 (z. nr. 346, eerste streepje)
Rooster 86: zelfde bedrag als vermeld in rooster 81 hiervoor
Rooster 47: de uitvoeren van goederen naar derde landen (z. nr. 346, eerste streepje)


Bedrag van de zekerheid

352. De zekerheid die de Administratie ter gelegenheid van de toekenning van een globaal BTW-identificatienummermet beginkenmerk 796.6 kan vragen, wordt beperkt tot maximum 10 percent van de BTW met betrekking tot de bedragen die op jaarbasis moeten worden opgenomen in rooster 81 van de periodieke BTW-aangiften die onder dit globaal BTW-identificatienummer worden ingediend en waarvoor de vrijstelling bedoeld in nr. 351 onder het teken (*) kan worden ingeroepen.



Aftrek van de BTW

353. Het recht op aftrek van de Belgische BTW waarvan de niet in België gevestigde belastingplichtige geniet, kan in geen geval worden uitgeoefend in de periodieke BTW-aangiften die de aansprakelijke vertegenwoordiger titularis van een globaal BTW-identificatienummer moet indienen.



Namens de Minister:
Voor de Directeur-generaal,
R. Sucaet
Directeur-generaal


Bijlage 1 : Uittreksels uit de Zesde B.T.W.-Richtlijn van de Raad van 17 mei 1977 (77/388/EEG)

Artikel 14. Vrijstellingen bij invoer
1.Onverminderd andere communautaire bepalingen verlenen de Lid-Staten vrijstelling voor de volgende handelingen, onder de voorwaarden die zij vaststellen om een juiste en eenvoudige toepassing van de betreffende vrijstellingen te verzekeren en alle fraude, ontwijking en misbruik te voorkomen:
a)de definitieve invoer van goederen waarvan de levering door belastingplichtigen in het binnenland in elk geval is vrijgesteld;


Artikel 15. Vrijstelling bij uitvoer uit de Gemeenschap en voor met uitvoer uit de Gemeenschap gelijkgestelde handelingen, alsmede voor internationaal vervoer
Onverminderd andere communautaire bepalingen verlenen de Lid-Staten vrijstelling voor de volgende handelingen, onder de voorwaarden die zij vaststellen om een juiste en eenvoudige toepassing van de betreffende vrijstellingen te verzekeren en alle fraude, ontwijking en misbruik te voorkomen:
1.de levering van goederen die door of voor rekening van de verkoper worden verzonden of vervoerd naar een plaats buiten de Gemeenschap;
2.de levering van goederen die door of voor rekening van een niet in het binnenland gevestigde koper worden verzonden of vervoerd naar een plaats buiten de Gemeenschap, met uitzondering van door de koper zelf vervoerde goederen bestemd voor de uitrusting of de bevoorrading van pleziervaartuigen en sportvliegtuigen of van andere vervoermiddelen voor privé-gebruik;
Ingeval de levering betrekking heeft op goederen die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers, geldt deze vrijstelling op voorwaarde dat:
-de reiziger niet in de Gemeenschap gevestigd is;
-de goederen uit de Gemeenschap worden vervoerd vóór het einde van de derde maand die volgt op die waarin de levering geschiedde;
-de totale waarde van de levering inclusief de belasting over de toegevoegde waarde de tegenwaarde in nationale munt van 175 ecu overschrijdt, zoals bepaald overeenkomstig artikel 7, lid 2, van Richtlijn 69/169/EEG (PB nr. L 133 van 4.6.1969, blz. 6. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 94/4/EG (PB nr. L 60 van 3.3.1994, blz. 14)) van de Raad; de Lid-Staten mogen evenwel ook een levering waarvan de totale waarde lager dan dit bedrag is, van belasting vrijstellen.
Voor de toepassing van de tweede alinea:
-wordt als een "niet in de Gemeenschap gevestigde reiziger" beschouwd een reiziger wiens woonplaats of gebruikelijke verblijfplaats niet in de Gemeenschap is gelegen. In de zin van deze bepaling wordt onder "woonplaats of gebruikelijke verblijfplaats" verstaan de plaats die als zodanig is vermeld op het paspoort, op de identiteitskaart of op enig ander document dat door de Lid-Staat op het grondgebied waarvan de levering wordt verricht, als identiteitsbewijs wordt erkend;
-wordt het bewijs van de uitvoer geleverd door middel van de factuur, of van een in de plaats daarvan komend bewijsstuk, voorzien van het visum van het douanekantoor van uitgang uit de Gemeenschap.
Elke Lid-Staat verstrekt aan de Commissie een specimen van de stempels die hij voor het afgeven van bedoeld visum gebruikt. De Commissie stelt de belastingautoriteiten van de andere Lid-Staten van deze informatie in kennis.
3.De diensten bestaande uit werkzaamheden met betrekking tot roerende zaken die zijn verworven of ingevoerd teneinde deze werkzaamheden te ondergaan in de Gemeenschap, en die naar een plaats buiten de Gemeenschap worden verzonden of vervoerd door de dienstverrichter of door de niet in het binnenland gevestigde ontvanger dan wel voor hun rekening;
4....
12.de levering van goederen aan erkende organisaties die deze goederen uitvoeren uit de Gemeenschap in het kader van hun menslievend, liefdadige of opvoedkundige werk buiten de Gemeenschap. Deze vrijstelling kan worden toegekend in de vorm van belastingteruggave;
13....


Artikel 16. Bijzondere vrijstellingen in verband met het internationale goederenverkeer
1.Onverminderd de andere communautaire belastingbepalingen kunnen de Lid-Staten, onder voorbehoud van de in artikel 29 bedoelde raadpleging, bijzondere maatregelen nemen teneinde vrijstelling te verlenen voor de volgende handelingen of sommige daarvan, mits zij geen betrekking hebben op eindgebruik en/of eindverbruik en het bedrag van de belasting over de toegevoegde waarde dat verschuldigd is bij het onttrekken van de goederen aan de onder A tot en met E bedoelde regelingen of situaties overeenkomt met het belastingbedrag dat verschuldigd zou zijn geweest indien elk van deze handelingen in het binnenland was belast:
A.de invoer van goederen die komen te vallen onder een ander stelsel van entrepots dan douane-entrepots;
B.leveringen van goederen:
a)die bij de douane worden aangebracht en eventueel tijdelijk worden opgeslagen;
b)die in een vrije zone of een vrij entrepot worden geplaatst;
c)die komen te vallen onder een stelsel van douane-entrepots of onder een stelsel van actieve veredeling;
d)die in de territoriale zee worden toegelaten:
-en bestemd zijn voor de bouw, de reparatie, het onderhoud, de verbouwing of de uitrusting van boor- of werkeilanden, dan wel om die boor- of werkeilanden met het vasteland te verbinden;
-voor de bevoorrading van boor- of werkeilanden;
e)die in het binnenland onder een ander stelsel van entrepots dan douane-entrepots komen te vallen.
In de zin van dit artikel worden als andere entrepots dan douane-entrepots beschouwd:
-voor accijnsprodukten, de als belastingentrepots in de zin van artikel 4, onder b), van Richtlijn 92/12/EEG aangemerkte plaatsen,
-voor andere goederen dan accijnsprodukten, de als zodanig door de Lid-Staten aangemerkte plaatsen. De Lid-Staten mogen evenwel niet in een ander stelsel van entrepot dan douane-entrepots voorzien wanneer deze goederen bestemd zijn om in het kleinhandelsstadium te worden geleverd.
De Lid-Staten kunnen een dergelijke regeling evenwel invoeren voor goederen die bestemd zijn voor:
-belastingplichtigen, met het oog op leveringen die worden verricht onder de in artikel 28duodecies vermelde voorwaarden;
-verkooppunten in de zin van artikel 28duodecies, met het oog op leveringen aan reizigers die zich via een vlucht of zeereis naar een derde land begeven en die overeenkomstig artikel 15 vrijgesteld zijn;
-belastingplichtigen, met het oog op leveringen aan reizigers aan boord van een vliegtuig of schip tijdens een vlucht of zeereis waarvan de plaats van aankomst buiten de Gemeenschap is gelegen;
-belastingplichtigen, met het oog op leveringen die worden verricht met vrijstelling van belasting overeenkomstig artikel 15, punt 10.
De onder a), b), c) en d) bedoelde plaatsen zijn de plaatsen die als zodanig zijn omschreven in de geldende communautaire douanevoorschriften;
C.diensten betreffende de in punt B bedoelde leveringen van goederen;
D.leveringen van goederen en dienstverrichtingen:
a)in de in deel B, onder a), b), c), en d), genoemde plaatsen met handhaving van een van de in die punten genoemde situaties;
b)in de in deel B, onder e), genoemde plaatsen met handhaving, in het binnenland, van de in dat punt genoemde situatie.
Wanneer voor handelingen die worden verricht in een douane-entrepot, gebruik wordt gemaakt van de onder a) bepaalde mogelijkheid, nemen de Lid-Staten de nodige maatregelen om te verzekeren dat zij andere stelsels van entrepots dan douane-entrepots hebben gedefinieerd die de toepassing van het bepaalde onder b) mogelijk maken op dezelfde handelingen met betrekking tot in de lijst van bijlage J opgenomen goederen die worden verricht in die andere entrepots dan douane-entrepots;
E.leveringen:
-van goederen als bedoeld in artikel 7, lid 1, onder a), die nog onderworpen zijn aan een regeling voor tijdelijke invoer met volledige vrijstelling van invoerrechten of aan een regeling voor extern douanevervoer;
-van goederen zoals bedoeld in artikel 7, lid 1, onder b), die nog onderworpen zijn aan de in artikel 33bis bedoelde regeling voor intern communautair douanevervoer,
alsmede de diensten betreffende deze leveringen.
In afwijking van artikel 21, lid 1, onder a), eerste alinea, is de tot voldoening van de overeenkomstig de eerste alinea verschuldigde belasting gehouden persoon die welke de goederen aan de in dit lid genoemde regelingen of situaties onttrekt.
Wanneer het onttrekken van de goederen aan de in dit lid bedoelde regelingen of situaties aanleiding geeft tot invoer in de zin van artikel 7, lid 3, neemt de Lid-Staat van invoer de nodige maatregelen om dubbele belasting in het binnenland te voorkomen.
1 bis.Wanneer zij van de in lid 1 bedoelde mogelijkheid gebruik maken, nemen de Lid-Staten de nodige maatregelen om te waarborgen dat de intracommunautaire verwervingen van goederen die bestemd zijn om onder één van de in lid 1, deel B, bedoelde regelingen of situaties te worden geplaatst, onder dezelfde bepalingen vallen als de leveringen van goederen die in het binnenland onder dezelfde voorwaarden worden verricht.


Artikel 28quater. Vrijstellingen
A....
B. Vrijstelling van intracommunautaire verwervingen van goederen
Onverminderd andere communautaire bepalingen verlenen de Lid-Staten onder de voorwaarden die zij vaststellen om een juiste en eenvoudige toepassing van de hierna genoemde vrijstellingen te verzekeren en alle fraude, ontwijking en misbruik te voorkomen, vrijstelling voor:
a)de intracommunautaire verwervingen van goederen waarvan de levering door belastingplichtigen in ieder geval zou zijn vrijgesteld in het binnenland;
...


Bijlage 2 : Uittreksels uit het BTW-Wetboek en de Koninklijke Uitvoeringsbesluiten

Art. 39 van het BTW-Wetboek [gewijzigd bij de art. 42 van de wet van 28.12.1992, 11 van het K.B. van 29.12.1992 en 10 van het K.B. van 22.12.1995]

§ 1Van de belasting zijn vrijgesteld:
de leveringen van goederen die door of voor rekening van de verkoper worden verzonden of vervoerd naar een plaats buiten de Gemeenschap;
de leveringen van goederen die door of voor rekening van een niet in België gevestigde koper worden verzonden of vervoerd naar een plaats buiten de Gemeenschap, met uitzondering van de door de koper zelf vervoerde goederen bestemd voor de uitrusting of de bevoorrading van pleziervaartuigen en sportvliegtuigen of van andere vervoermiddelen voor privé-gebruik, en van de door een reiziger in zijn persoonlijke bagage meegenomen goederen;
de diensten, andere dan die welke zijn vrijgesteld bij toepassing van de artikelen 41 en 42, bestaande uit werkzaamheden met betrekking tot roerende goederen die zijn verworven of ingevoerd teneinde deze werkzaamheden te ondergaan en die naar een plaats buiten de Gemeenschap worden verzonden of vervoerd door de dienstverrichter of de niet in België gevestigde ontvanger van de dienst dan wel voor hun rekening;
de leveringen van goederen aan een niet in de Gemeenschap gevestigde reiziger, die deze goederen in België in bezit neemt en ze in zijn persoonlijke bagage uitvoert naar een plaats buiten de Gemeenschap.
§ 2Van de belasting zijn vrijgesteld:
de leveringen alsmede de intracommunautaire verwervingen van goederen die bestemd zijn om te worden geplaatst onder een regeling als bedoeld in artikel 23, § 4, 1°, 4°, 5°, 6° of 7°, alsmede de leveringen van deze goederen, met handhaving van één van die regelingen;
de diensten, andere dan die welke zijn vrijgesteld bij toepassing van de artikelen 41 en 42, bestaande uit werkzaamheden met betrekking tot goederen die het voorwerp uitmaken van leveringen als bedoeld in 1 of die zich bevinden onder één van de regelingen bedoeld in 1.
§ 3De Koning bepaalt de voorwaarden die voor het verkrijgen van de in de § § 1 en 2 bedoelde vrijstellingen moeten worden nageleefd en kan daarbij afwijken van de artikelen 17 en 22. Hij kan de vrijstelling bedoeld in § 1, 4°, beperken. Hij bepaalt eveneens de verplichtingen en de aansprakelijkheid tegenover de Staat van de tussenpersonen die bij het vervoer optreden voor rekening van de verkoper, de dienstverrichter of de niet in België gevestigde koper of ontvanger van de dienst.


Art. 40 van het BTW-Wetboek [gewijzigd bij de art. 45 van de wet van 28.12.1992, 12 van het K.B. van 22.12.1995 en 2 van het K.B. van 10.11.1996]

§ 1Van de belasting zijn vrijgesteld:
de invoer en de intracommunautaire verwerving:
a]van goederen waarvan de levering door belastingplichtigen in het binnenland in elk geval is vrijgesteld;
...


Art. 42 van het BTW-Wetboek [gewijzigd bij art. 48 van de wet van 28.12.1992]

§ 1...
§ 2...
§ 3Van de belasting zijn vrijgesteld:
...
de levering van goederen bestemd voor erkende organisaties die deze goederen uitvoeren uit de Gemeenschap in het kader van hun menslievend, liefdadig of opvoedkundig werk.
Door of vanwege de Minister van Financiën worden de perken en de voorwaarden voor de toepassing van deze paragraaf bepaald. Er kan onder meer worden bepaald dat de in deze paragraaf bedoelde vrijstellingen worden verleend bij wijze van teruggaaf.
§ 4...


Koninklijk besluit nr. 6 van 27 december 1977 met betrekking tot de vrijstellingen ten aanzien van internationaal vervoer, zee- en binnenschepen en luchtvaartuigen, op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde (Uitvoering van artikel 42, §§ 1 en 2, van het Wetboek)

Art. 1. ...



...



Art. 4. Voor de toepassing van artikel 42, § 1, 4°, en § 2, 4°, van het Wetboek, worden als goederen bestemd voor de bevoorrading aangemerkt, de boordprovisie, de vaste, vloeibare en gasvormige brandstoffen, de smeermiddelen en de boordbenodigdheden.

Worden beschouwd:
als boordprovisie, de goederen die uitsluitend bestemd zijn voor verbruik aan boord door de leden van de bemanning en door de passagiers;
als vaste, vloeibare en gasvormige brandstoffen en smeermiddelen, de goederen bestemd voor de voeding en de voortdrijvingsorganen en voor de werking van de andere machines en toestellen aan boord;
als boordbenodigdheden, de verbruikbare goederen voor huishoudelijk gebruik aan boord, alsmede de verbruikbare goederen gebruikt voor het bewaren, het behandelen of het bereiden aan boord van de vervoerde goederen.


Art. 5. ...



...



Koninklijk besluit nr. 7 van 29 december 1992 met betrekking tot de invoer van goederen voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde (Uitvoering van de artikelen 23, 34, 40 en 52 van het Wetboek)

...



Hoofdstuk IV:Vrijstelling bij invoer

Afdeling 1:Vrijstelling ingesteld bij artikel 40, § 1, 1°, a, van het Wetboek

Art. 11. Vrijstelling van de belasting wordt verleend voor de invoer van goederen waarvan de levering door belastingplichtigen in het binnenland in elk geval is vrijgesteld.

Behoudens in de door of vanwege de Minister van Financiën omschreven gevallen wordt de vrijstelling verleend bij wijze van teruggaaf volgens de modaliteiten bepaald in het koninklijk besluit nr. 4 van 29 december 1969 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde.

Door of vanwege de Minister van Financiën worden de toepassingsmodaliteiten van dit artikel bepaald.

...



Koninklijk besluit nr. 18 van 29 december 1992 met betrekking tot de vrijstellingen ten aanzien van de uitvoer van goederen en diensten naar een plaats buiten de Gemeenschap, op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde (Uitvoering van de artikelen 39 en 40 van het Wetboek)

Hoofdstuk I:Vrijstelling ingesteld bij artikel 39, § 1, van het Wetboek

Art. 1. De in artikel 39, § 1, van het Wetboek bedoelde vrijstelling wordt verleend voor zover de voorwaarden zijn vervuld, de formaliteiten worden nagekomen en de bewijzen worden geleverd die in dit hoofdstuk zijn bepaald.



Afdeling 1:Uitvoer van goederen door of voor rekening van de verkoper. Vrijstelling ingesteld bij artikel 39, § 1, 1°, van het Wetboek

Art. 2. Een kopie van de verkoopfactuur of, bij ontstentenis van een verkoopfactuur, een verzendingsstuk dat alle gegevens van een verkoopfactuur bevat, moet worden afgegeven op het douanekantoor waar, overeenkomstig de douanereglementering inzake uitvoer, een aangifte ten uitvoer moet worden ingediend.

Art. 3. De verkoper van de goederen moet te allen tijde in het bezit zijn van alle stukken waaruit de echtheid van de uitvoer blijkt; hij moet ze op ieder verzoek van de met de controle belaste ambtenaren overleggen. Die stukken zijn, onder meer, de bestelbons, de vervoerdocumenten, de betalingsstukken alsmede de aangifte ten uitvoer bedoeld in artikel 2.

Art. 4. [gewijzigd bij de art. 14 van het K.B. van 22.11.1994 en 20 van het K.B. van 25.2.1996]. Voor de in artikel 8bis, § 2, 1°, van het Wetboek bedoelde landvoertuigen, die het voorwerp uitmaken van een levering onder de voorwaarden van artikel 39 van het Wetboek, en waarvoor bij de dienst belast met de inschrijving van motorvoertuigen een aanvraag om inschrijving wordt ingediend, kunnen enkel een tijdelijke nummerplaat en het bijbehorende inschrijvingsbewijs, dat voorzien is van een bijzondere vermelding inzake het fiscaal statuut van het voertuig, worden aangevraagd. De uitvoer van deze voertuigen moet plaatsvinden uiterlijk op het einde van de derde maand volgend op deze van de inschrijving.

Indien de in artikel 8bis, § 2, 1°, van het Wetboek bedoelde landvoertuigen waarvan de aanvraag om inschrijving, overeenkomstig de reglementering betreffende de inschrijving van motorvoertuigen, voorzien moet worden van het vignet dat het communautair karakter van het voertuig vastlegt, het voorwerp uitmaken van een levering door een BTW-belastingplichtige onder de voorwaarden van artikel 39 van het Wetboek en er voor die landvoertuigen geen aanvraag om inschrijving wordt ingediend bij de dienst belast met de inschrijving van motorvoertuigen, dient dat vignet dat afgegeven werd door of op regelmatige wijze opgesteld werd op naam van een Belgisch douanekantoor, onbruikbaar te worden gemaakt door genoemde BTW-belastingplichtige op de wijze als bepaald door of vanwege de Minister van Financiën.



Afdeling 2:Goederen afgehaald door de niet in België gevestigde koper of voor zijn rekening. Vrijstelling ingesteld bij artikel 39, § 1, 2°, van het Wetboek

Art. 5.
§ 1De vrijstelling ingesteld bij artikel 39, § 1, 2°, van het Wetboek is van toepassing onder voorbehoud van de bepalingen van § 3 en van afdeling 4.
§ 2De niet in België gevestigde koper die zelf in België goederen in bezit neemt, moet bij de inbezitneming aan zijn in België gevestigde verkoper een ontvangstbewijs afleveren. Het aan de verkoper af te leveren ontvangstbewijs moet, benevens de datum van afgifte en de omschrijving van de goederen, het land van bestemming vermelden.
Hetzelfde document moet worden afgeleverd aan de verkoper wanneer de goederen in België in bezit worden genomen door een derde persoon die handelt voor rekening van de niet in België gevestigde koper. Het bedoelde document moet in dat geval worden afgeleverd door deze persoon die erin verklaart te handelen voor rekening van zijn opdrachtgever.
§ 3De vrijstelling is niet van toepassing voor de levering van goederen die door de koper zelf worden vervoerd, die bestemd zijn voor de uitrusting of de bevoorrading van pleziervaartuigen, sportvliegtuigen of andere vervoermiddelen voor privé-gebruik, en die zich als zodanig aan boord van die vervoermiddelen bevinden bij de uitvoer ervan. De toepassing van deze bepaling wordt door of vanwege de Minister van Financiën geregeld.


Art. 6. De bepalingen van de artikelen 2 en 4 zijn van toepassing op deze afdeling. Het bewijs van uitvoer moet door de verkoper worden geleverd overeenkomstig artikel 3 onafhankelijk van het stuk voorgeschreven door artikel 5, § 2.

De verkoper wordt pas van zijn verantwoordelijkheid ontslagen indien hij kan bewijzen dat de goederen onder de gestelde voorwaarden werden uitgevoerd.



Afdeling 3:Diensten. Vrijstelling ingesteld bij artikel 39, § 1, 3°, van het Wetboek

Art. 7. Het bepaalde in de afdelingen 1 en 2 is van toepassing voor de diensten, andere dan die welke zijn vrijgesteld bij toepassing van de artikelen 41 en 42 van het Wetboek, bestaande uit werkzaamheden met betrekking tot roerende goederen die zijn verworven of ingevoerd teneinde deze werkzaamheden te ondergaan en die worden uitgevoerd door de dienstverrichter of de niet in België gevestigde afnemer van de dienst dan wel voor hun rekening. Dezelfde in de voormelde afdelingen aan de verkoper en de koper van goederen opgelegde verplichtingen moeten worden nagekomen door de dienstverrichter en de afnemer van de dienst.

Wanneer op de kopiefactuur die overeenkomstig artikel 2 op het douanekantoor moet worden afgegeven, de hoeveelheid en de gewone benaming van de uitgevoerde goederen niet zijn vermeld, moet die kopiefactuur met deze gegevens worden aangevuld, of moet eveneens een verzendingsstuk, waarop die gegevens voorkomen, worden afgegeven.



Afdeling 4:Goederen uit te voeren in de persoonlijke bagage van de reizigers. Vrijstelling ingesteld bij artikel 39, § 1, 4°, van het Wetboek

Art. 8. [gewijzigd bij art. 21 van het K.B. van 25.2.1996]. De levering van goederen aan een niet in de Gemeenschap gevestigde reiziger, die deze goederen in België in bezit neemt en ze in zijn persoonlijke bagage uitvoert buiten de Gemeenschap, is van de belasting vrijgesteld met inachtneming van de hierna gestelde beperkingen en voorwaarden:
aan de aankoop moet elk handels- of beroepskarakter vreemd zijn;
de globale waarde van de goederen, belasting inbegrepen, moet per factuur hoger zijn dan 5000 BEF - 123,95 EUR;
de goederen moeten worden uitgevoerd uiterlijk op het einde van de derde maand volgend op de maand waarin de levering plaatsvond;
de verkoper moet de echtheid van de uitvoer aantonen aan de hand van een exemplaar van de factuur bekleed met het visum van het douanekantoor van uitgang uit de Gemeenschap. Door of vanwege de Minister van Financiën kan worden bepaald dat de verkoopfactuur onder de door hem vastgelegde voorwaarden mag worden vervangen door een als zodanig geldend stuk.


Art. 9. [gewijzigd bij art. 22 van het K.B. van 25.2.1996].

§ 1Als aankoop waaraan elk handels- of beroepskarakter vreemd is, wordt aangemerkt de aankoop die een incidenteel karakter heeft en uitsluitend betrekking heeft op goederen bestemd voor persoonlijk gebruik van de reiziger dan wel voor gebruik door leden van zijn gezin of bestemd om ten geschenke te worden aangeboden, mits blijkens de aard en de hoeveelheid van de goederen aan die aankoop geen commerciële of professionele overwegingen ten grondslag liggen.
§ 2Wordt beschouwd als een niet in de Gemeenschap gevestigde reiziger, de reiziger wiens woonplaats of gebruikelijke verblijfplaats zich niet in de Gemeenschap bevindt.
Onder woonplaats of gebruikelijke verblijfplaats van de reiziger wordt verstaan de plaats die als zodanig op zijn reispas, op zijn identiteitskaart of, bij ontstentenis daarvan, op een als identiteitsbewijs erkend stuk is vermeld.


Hoofdstuk II:Vrijstelling ingesteld bij artikel 39, § 2, van het Wetboek

Art. 10. De in artikel 39, § 2, van het Wetboek bedoelde vrijstelling wordt verleend voor zover de voorwaarden zijn vervuld, de formaliteiten worden nagekomen en de bewijzen worden geleverd die in dit hoofdstuk zijn bepaald.

Art. 11. De bepalingen van het eerste hoofdstuk worden toepasselijk gemaakt op de leveringen en de intracommunautaire verwervingen van goederen die in België geplaatst worden onder één van de regelingen bedoeld in artikel 23, § 4, 1°, 4°, 5°, 6° of 7°, van het Wetboek, alsmede op de diensten, andere dan die welke zijn vrijgesteld bij toepassing van de artikelen 41 en 42 van het Wetboek, en bestaande uit werkzaamheden met betrekking tot goederen die het voorwerp uitmaken van de genoemde leveringen.

De opslag en het verblijf van deze goederen onder de voornoemde regelingen zijn onderworpen aan de voorwaarden gesteld door de douanereglementering.

De vrijstelling wordt voorlopig verleend. Ze wordt slechts definitief op het tijdstip waarop de goederen worden uitgevoerd.

Art. 12. [gewijzigd bij art. 15 van het K.B. van 22.11.1994]. De levering van goederen bedoeld in artikel 11 met handhaving van één van de regelingen bedoeld in dat artikel, is vrijgesteld van de belasting.

De vrijstelling wordt voorlopig verleend. Ze wordt slechts definitief op het tijdstip waarop de goederen worden uitgevoerd.

Art. 13. [gewijzigd bij art. 15 van het K.B. van 22.11.1994]. De diensten, andere dan die welke zijn vrijgesteld bij toepassing van de artikelen 41 en 42 van het Wetboek, en bestaande uit werkzaamheden met betrekking tot in artikel 11 bedoelde goederen die zich onder één van de in dat artikel bedoelde regelingen bevinden, zijn vrijgesteld van de belasting wanneer het krachtens de douanereglementering toegestaan is deze diensten te verrichten.

De vrijstelling wordt voorlopig verleend. Ze wordt slechts definitief op het tijdstip waarop die goederen worden uitgevoerd.

Art. 14. [opgeheven bij art. 23 van het K.B. van 25.2.1996].



Hoofdstuk III:Algemene bepaling betreffende de hoofdstukken I en II

Art. 15. Indien zich op grond van de artikelen 17 en 22 van het Wetboek een oorzaak van opeisbaarheid van de belasting voordoet vóór de uitvoer van de goederen, kan de verkoper of de dienstverrichter, in de door of vanwege de Minister van Financiën bepaalde gevallen en onder de door hem gestelde voorwaarden, de betaling van de belasting opschorten.

Deze opschorting kan worden toegestaan voor een termijn van ten hoogste één jaar; in uitzonderlijke omstandigheden kan die termijn evenwel worden verlengd.



Hoofdstuk IV:Vrijstelling ingesteld bij artikel 40, § 1, 3°, van het Wetboek

Art. 16. [opgeheven bij art. 23 van het K.B. van 25.2.1996].

Art. 17. [opgeheven bij art. 23 van het K.B. van 25.2.1996].



Hoofdstuk V:Algemene bepalingen

Art. 18. [gewijzigd bij art. 17 van het K.B. van 22.11.1994 en opgeheven bij art. 23 van het K.B. van 25.2.1996].

Art. 19. Indien ten gevolge van de niet-naleving van de in de vorige hoofdstukken voorgeschreven formaliteiten het voordeel van de vrijstelling verloren wordt, kan door of vanwege de Minister van Financiën gehele of gedeeltelijke ontheffing van het opgelopen verval worden verleend.

Art. 20. Dit besluit vervangt het koninklijk besluit nr. 18 van 27 december 1977 met betrekking tot de vrijstellingen ten aanzien van de uitvoer van goederen en diensten, op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde.

Art. 21. Dit besluit treedt in werking op 1 januari 1993.



Bijlage 3 : Commentaar betreffende de gebieden met een bijzonder statuut

1. De berg Athos
Geografie: de berg Athos is het meest oostelijke van de drie schiereilanden van Khalkidhiki (Noord-Oosten van Griekenland), een langgerekte bergkam (45 km lengte, 3 tot 6 km breed) die door een lage en rechte landengte (2 km) met het vasteland is verbonden.
Bevolking: er wonen uitsluitend monniken.
Politiek: confederale republiek onder de canonieke rechtspraak van het patriarchaat van Constantinopel en onder het politiek protectoraat van Griekenland.


2. De archipel van de Canarische Eilanden
Geografie: de archipel van de Canarische Eilanden ligt tegenover de oostkust van Afrika, ter hoogte van het Saharagebied Kaap Juby. Het telt 13 eilanden die twee provincies vormen ten westen: Gran Canaria, Fuerteventura en Lanzarote, met de eilandjes Graciosa, Alegranza, Isla de los Lobos, Roque del Este, Roque des Oeste en Montana Clara; ten oosten Tenerife, La Palma, Gomera en Hierro. De oppervlakte bedraagt 7300 km2.
Aantal inwoners: 1.601.812.
Politiek: zelfstandige gemeenschap.
Voornaamste bronnen van inkomsten: toerisme, landbouw, (bananen, rietsuiker, wijngaarden).
Belangrijkste steden: Santa Cruz (Tenerife), Las Palmas (Gran Canaria).


3. De Anglo-Normandische Eilanden (Kanaaleilanden)
Geografie: de Anglo-Normandische Eilanden liggen op 30 km van de Normandische kust en op 90 km van Groot-Brittannië. De vier belangrijkste eilanden zijn Jersey, Guernsey, Alderney en Sark.
Aantal inwoners: 120.000.
Politiek: de Engelse kroon oefent er de soevereiniteit uit als afstammeling van de Normandische hertogen.
Voornaamste bronnen van inkomsten: toerisme, groente-, bloemen- en fruitteelt, veeteelt.
Belangrijkste steden: St. Hélier (Jersey), St. Peter Port (Guernsey).


4. San Marino
Geografie: omringd door Italiaans grondgebied, ten zuiden van Rimini en ten westen van Firenze. San Marino heeft een oppervlakte van 61 km2.
Aantal inwoners: 21.000.
Politiek: zelfstandige republiek waarvan de betrekkingen met Italië zijn geregeld door verschillende overeenkomsten.
Voornaamste bronnen van inkomsten: toerisme en een beetje landbouw (wijngaarden).
Belangrijkste stad: de hoofdstad is San Marino.


5. De Overzeese Departementen (DOM)
Gevormd door Guyana, Guadeloupe, Martinique en Réunion.
5.1..Frans Guyana
Geografie: gebied gelegen op de noordwestkust van Zuid-Amerika tussen Brazilië en Suriname. Guyana heeft een oppervlakte van 91.000 km2.
Aantal inwoners: 114.678.
Politiek: Frans departement.
Voornaamste bronnen van inkomsten: teelt van rietsuiker, bananen, rijst, maniok, maïs en tabak. Een ruimtevaartcentrum is gevestigd te Kourou.
Belangrijkste stad: Cayenne is de hoofdplaats van het departement.
5.2..Guadeloupe
Geografie: ligt ten noorden van Venezuela en wordt in het oosten bespoeld door de Atlantische Oceaan en in het westen door de Caraïbische Zee. Bestaat uit 2 eilanden (Grande-Terre en Basse-Terre). Basse-Terre is een eiland van vulkanische oorsprong (vulkaan Soufrière) en Grande-Terre wordt gevormd door een hoogvlakte van nauwelijks 100 m hoogte. De oppervlakte van Guadeloupe bedraagt 1709 km2.
Aantal inwoners: 387.000.
Politiek: Frans departement.
Voornaamste bronnen van inkomsten: teelt van rietsuiker (50 % van het eiland), bananen, bereiding van rum en toerisme.
Belangrijkste steden: Basse Terre, die de hoofdplaats is van het departement, en Pointe-a-Pitre.
5.3..Martinique
Geografie: ligt ten zuiden van Guadeloupe. Martinique bestaat uit een vulkanisch massief. Haar oppervlakte bedraagt 1100 km2.
Aantal inwoners: 360.000.
Politiek: Frans departement.
Voornaamste bronnen van inkomsten: teelt van rietsuiker, bananen en toerisme.
Belangrijkste stad: Fort-de-France is de hoofdplaats van het departement.
Opmerking: De uitvoer van Guadeloupe en Martinique gebeurt hoofdzakelijk naar Frankrijk en de Verenigde Staten.
5.4..Réunion
Geografie: eiland in de Indische Oceaan ten oosten van Afrika en Madagascar, met een gematigd tropisch klimaat en gevormd door een vulkanisch massief. Zijn oppervlakte bedraagt 2512 km2.
Aantal inwoners: 600.000.
Politiek: Frans departement.
Voornaamste bronnen van inkomsten: vanilleplanten, planten voor de parfumerie, rietsuiker, suiker en rum.
Belangrijkste stad: Saint-Denis, die de hoofdplaats is van het departement, Saint-Benoît, Saint-Paul en Saint-Pierre.
6.De Åland-Eilanden
Geografie: de tussen Finland en Zweden gelegen eilanden bestaan uit een veelvoud van kleine eilandjes, waarvan het grootste, Åland, een lengte heeft van 40 km. Hun oppervlakte bedraagt 1500 km2.
Aantal inwoners: 23.000.
Politiek: alhoewel bij Finland aangehecht, genieten zij van een zekere autonomie en moeten zij gedemilitariseerd blijven.
Voornaamste bronnen van inkomsten: visvangst, fruitbomen en toerisme.
Belangrijkste stad: Mariehamn (Marianhamina).


Bijlage 4 : Uitvoeraangifte Aanwijzingen bij het invullen van de verschillende vakken van de uivoeraangifte Formaliteiten bij de uitvoer (of eventueel bij verzending), bij de wederuitvoer, bij passieve veredeling en/of het douanevervoer

1. Aangifte

.Eerste deelvak
In het eerste deelvak wordt "EX" of "EU" (of eventueel "COM") vermeld, behalve indien het formulier uitsluitend voor het douanevervoer wordt gebruikt of wanneer het formulier gebruikt wordt om het communautaire karakter van de goederen aan te tonen die niet met gebruikmaking van de regeling douanevervoer worden vervoerd.
De tekens worden als volgt gebruikt:
EX:
-Uitvoeraangifte buiten het douanegebied van de Gemeenschap (behalve in het verkeer met de EVA-landen).
-Aangifte tot verzending van niet-communautaire goederen in het kader van een handelsverkeer tussen twee Lid-Staten.
EU:
-Uitvoeraangifte naar een EVA-land.
COM:
-Aangifte van communautaire goederen waarvoor bijzondere bepalingen gelden tijdens de overgangsperiode na de toetreding van nieuwe Lid-Staten.
-Aangifte van communautaire goederen in het kader van het handelsverkeer tussen gedeelten van het douanegebied van de Gemeenschap waar de bepalingen van Richtlijn 77/388/EEG van toepassing zijn en gedeelten van dit douanegebied waar deze bepalingen niet van toepassing zijn.


.Tweede deelvak
In het tweede deelvak wordt het soort aangifte vermeld overeenkomstig onderstaande communautaire code. Het vak wordt niet ingevuld indien het formulier uitsluitend voor douanevervoer wordt gebruikt of, wanneer deze regeling niet wordt toegepast, om het communautaire karakter van goederen aan te tonen.
Hiervoor zijn de volgende codes vastgesteld:
1:Definitieve uitvoer.
Deze code wordt niet gebruikt bij wederuitvoer na tijdelijke invoer (zie code 3).
2:Tijdelijke uitvoer.
3:Wederuitvoer.
Deze code wordt niet gebruikt bij tijdelijke uitvoer (zie code 2). Hij wordt slechts gebruikt bij wederuitvoer na tijdelijke invoer of na invoer om in entrepot te worden opgeslagen.
9:Bevoorrading.
Opmerking: de codes in het tweede deelvak hangen nauw samen met de codes in vak 37. De hier aangegeven code en het eerste cijfer van de code in vak 37 dienen steeds overeen te stemmen.


.Derde deelvak
In het derde deelvak wordt "T1", "T2" of "T2F" vermeld bij toepassing van de regeling communautair douanevervoer of "T2L" of "T2LF", wanneer deze regeling niet wordt toegepast en het communautaire karakter van de goederen moet worden aangetoond.
De tekens worden als volgt gebruikt:
T1:Goederen die met toepassing van de regeling extern communautair douanevervoer worden vervoerd;
T2:Goederen die met toepassing van de regeling intern communautair douanevervoer worden vervoerd overeenkomstig artikel 165 van het CBW, behalve in het artikel 311, onder c) van het CTW bedoelde geval;
T2F:Goederen die met toepassing van de regeling intern communautair douanevervoer worden vervoerd, in het in artikel 311, onder c) van het CTW genoemde geval;
T:Gemengde zendingen in ten minste twee van de volgende situaties:
-goederen die onder de regeling extern communautair douanevervoer worden vervoerd;
-goederen die onder de regeling intern communautair douanevervoer worden vervoerd, overeenkomstig artikel 165 van het CBW, behalve in het in artikel 311, onder c) van het CTW bedoelde geval;
-goederen die onder de regeling intern communautair douanevervoer worden vervoerd in het in artikel 311, onder c), van het CTW bedoelde geval;
T2L:Document ten bewijze van de communautaire status van de goederen;
T2LF:Document ten bewijze van de communautaire status van goederen die bestemd zijn voor of van herkomst zijn uit een deel van het douanegebied van de Gemeenschap waarop de bepalingen van Richtlijn 77/388/EEG van de Raad niet van toepassing zijn.
2. Afzender/exporteur

Art. 2. Vermelding van de naam en voornaam of van de firmanaam en van het volledige adres van de betrokkene, ook indien de aangifte wordt gedaan door een douane-expediteur.

Nr.: vermelding van het BTW-nummer van de afzender/exporteur. Indien het een niet-belastingplichtige betreft, vermelden "geen".

Wat het douanevervoer betreft, is het invullen van dit vak niet verplicht. Dit vak moet echter wel worden ingevuld wanneer het formulier wordt gebruikt om het communautaire karakter van de goederen aan te tonen.

Dit vak behoeft niet te worden ingevuld bij de wederuitvoer van onder de regeling douane-entrepots geplaatste goederen.

3. Formulieren

Art. 3. Vermelding van het volgnummer van de set in het totale aantal gebruikte sets (formulieren en aanvullende formulieren samen). Bij voorbeeld wanneer één EX-formulier en twee aanvullende EX/c-formulieren worden ingediend, wordt op het EX-formulier 1/3, op het eerste EX/c-formulier 2/3 en op het tweede EX/c-formulier 3/3 vermeld.

Wanneer de aangifte slechts op één artikel betrekking heeft, dat wil zeggen wanneer één enkel vak "omschrijving van de goederen . ." moet worden ingevuld, wordt in dit vak 3 niets vermeld. In vak 5 wordt dan slechts het cijfer 1 vermeld.

Wanneer voor de aangifte twee sets van vier exemplaren in plaats van één set van acht exemplaren worden gebruikt, worden deze geacht slechts één set te vormen wat het aantal formulieren betreft.

4. Ladingslijsten

Art. 4. Vermelding in cijfers van het aantal eventueel bijgevoegde ladingslijsten of van het aantal door de douane toegelaten lijsten van commerciële aard waarin de goederen worden omschreven.

Dit vak behoeft niet te worden ingevuld bij de wederuitvoer van onder de regeling douane-entrepots geplaatste goederen.

5. Artikelen

Art. 5. Vermelding van het totale aantal artikelen dat door de belanghebbende met alle gebruikte formulieren en aanvullende formulieren (of ladingslijsten of lijsten van commerciële aard) wordt aangegeven. Het aantal artikelen stemt overeen met het aantal vakken "omschrijving van de goederen..." dat moet worden ingevuld.

Zie eveneens de aanwijzingen bij vak 3.

6. Totaal aantal colli

Art. 6. Vermelding van het totale aantal colli waaruit de zending bestaat.

Dit vak behoeft niet te worden ingevuld bij de wederuitvoer van onder de regeling douane-entrepots geplaatste goederen.

7. Referentienummer

Art. 7. Nummer dat de belanghebbende voor handelsdoeleinden aan de betrokken zending heeft gegeven. Naar keuze in te vullen door de gebruikers.

8. Geadresseerde

Art. 8. Vermelding van de naam en voornaam of van de firmanaam en van het volledige adres van de persoon of personen bij wie de goederen worden afgeleverd.

Het invullen van dit vak is niet verplicht ten aanzien van de formaliteiten bij uitvoer doch verplicht ten behoeve van het douanevervoer, behalve indien de geadresseerde is gevestigd buiten de Gemeenschap of buiten een EVA-land.

Het is in dit stadium niet verplicht het identificatienummer te vermelden.

9. Financieel verantwoordelijke

Art. 9. Dit vak behoeft in de bleu niet te worden ingevuld.

10. Land van eerste bestemming

Art. 10. Dit vak behoeft in de bleu niet te worden ingevuld.

11. Handels-/productieland

Art. 11. Dit vak behoeft in de bleu niet te worden ingevuld.

13. Gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB)

Art. 13. Dit vak behoeft in de bleu niet te worden ingevuld.

14. Aangever of vertegenwoordiger van de exporteur (of eventueel van de afzender)

Art. 14. Vermelding van de naam en voornaam of van de firmanaam en van het volledige adres van de betrokkene. Indien de aangever tevens de exporteur (eventueel de afzender) is, wordt "exporteur" (of eventueel "afzender") vermeld.

Indien de aangever of vertegenwoordiger van de afzender/exporteur een douane-expediteur is, moeten de naam van de douane-expediteur, de plaats van de zetel of van het bijkantoor, het stamnummer en - in voorkomend geval - het volgnummer van de inschrijving van het document in het repertorium worden vermeld.

Dit vak dient niet te worden ingevuld, wanneer het formulier slechts wordt gebruikt voor douanevervoer.

15. Land van verzending/uitvoer

Art. 15. Vermelding van de bleu.

Bij douanevervoer dient in de volgende gevallen eveneens de bleu te worden vermeld:
-wanneer tevens een aangifte tot verzending/uitvoer wordt ingediend;
-wanneer de goederen in de bleu in entrepot zijn opgeslagen geweest of in de bleu het voorwerp waren van een handelstransactie; alsdan moet het land vanwaar de goederen aanvankelijk naar de bleu zim verstuurd, aangetekend worden in het vrije vak onder vak 28 op exemplaar 1 van het document.
In de andere gevallen van douanevervoer moet het land worden vermeld waar de goederen aanvankelijk werden aangegeven voor uitvoer.

Vermelding in vak 15a van de code 017 voor België of 018 voor het Groothertogdom Luxemburg of van de code van de Lid-Staat van uitvoer overeenkomstig de in vak 17a bedoelde code.

De werkelijke Lid-Staat van uitvoer is de Lid-Staat anders dan die van uitvoer, vanwaar de goederen vooraf zijn verzonden met het oog op hun uitvoer, voor zover de exporteur niet in de Lid-Staat van uitvoer is gevestigd. Wanneer de goederen niet vooraf vanuit een andere Lid-Staat zijn verzonden met het oog op hun uitvoer of wanneer de exporteur in de Lid-Staat van uitvoer is gevestigd, is de werkelijke Lid-Staat van uitvoer identiek aan de Lid-Staat van uitvoer.

Vak 15b behoeft in de bleu niet te worden ingevuld.

Dit vak behoeft niet te worden ingevuld bij de wederuitvoer van onder de regeling douane-entrepots geplaatste goederen.

16. Land van oorsprong

Art. 16. Vermelding van de naam van het land van oorsprong bij uitvoer van goederen naar niet-Lid-Staten van de EG en in elk geval waarin de aangifte wordt gedaan met aanspraak op restitutie. Indien de aangifte op artikelen van verschillende oorsprong betrekking heeft, wordt "diverse" ingevuld.

Dit vak dient niet voor douanevervoer te worden gebruikt.

Dit vak behoeft niet te worden ingevuld bij de wederuitvoer van onder de regeling douane-entrepots geplaatste goederen.

17. Land van bestemming

Art. 17. Vermelding van de naam van het land, dat op het ogenblik van de uitvoer bekend is als het land waarheen de goederen uiteindelijk dienen te worden uitgevoerd.

Vermelding in vak 17a van de cijfercode van dit land overeenkomstig de lijst der landen en gebieden, die is opgenomen in lijst 4 van de inleiding bij het Douane Gebruikstarief van de bleu.

Bij levering als bunkermateriaal of als boordprovisie zowel in de bleu als buiten de bleu (levering in een vreemde haven), dienen de vakken 17 en 17a als volgt te worden ingevuld:
-vermelding in vak 17 van "bunkermateriaal" of "boordprovisie";
-vermelding in vak 17a van één van de codes die voorkomen in de inleiding bij het in vorig lid bedoelde Douane Gebruikstarief.
Vak 17b dient in dit stadium van de goederenbeweging niet te worden ingevuld.

Dit vak behoeft niet te worden ingevuld bij de wederuitvoer van onder de regeling douane-entrepots geplaatste goederen.

18. Identiteit en nationaliteit van het vervoermiddel bij vertrek

Art. 18. Vermelding van de identiteit, bij voorbeeld het (de) registratienummer(s) of de naam van het (de) vervoermiddel(en), (vrachtwagen, vaartuig, wagon, vliegtuig) waarop of waarin de goederen rechtstreeks zijn geladen bij het vervullen van de formaliteiten inzake uitvoer of douanevervoer, alsmede de nationaliteit van dit vervoermiddel (of van het vervoermiddel waarmee het geheel wordt voortbewogen, indien er meerdere vervoermiddelen zijn) overeenkomstig de in vak 17a bedoelde code. Bij voorbeeld, wanneer een trekker en een aanhangwagen verschillende registratienummers hebben, worden zowel het registratienummer van de trekker als van de aanhangwagen vermeld, alsmede de nationaliteit van de trekker.

Bij postzendingen of bij vervoer door middel van vaste transportinrichtingen wordt geen registratienummer of nationaliteit vermeld.

Bij vervoer per spoor wordt geen nationaliteit vermeld.

Dit vak behoeft niet te worden ingevuld bij de wederuitvoer van onder de regeling douane-entrepots geplaatste goederen.

19. Container (Ctr)

Art. 19. Vermelding, overeenkomstig onderstaande communautaire code, van de vermoedelijke situatie bij het overschrijden van de buitengrens van de Gemeenschap, zoals bekend bij het vervullen van de formaliteiten inzake uitvoer of douanevervoer
0:Niet in containers vervoerde goederen;
1:In containers vervoerde goederen.
20. Leveringsvoorwaarden

Art. 20. Dit vak behoeft in de bleu niet te worden ingevuld.

21. Identiteit en nationaliteit van het grensoverschrijdende actieve vervoermiddel

Art. 21. Dit vak moet verplicht worden ingevuld wat de nationaliteit betreft, behalve bij de wederuitvoer van goederen die zich in een douane-entrepot bevinden. Bij postzendingen of bij vervoer per spoor of door middel van vaste transportinrichtingen wordt geen registratienummer of nationaliteit vermeld.

Vermelding van de aard (vrachtwagen, vaartuig, wagon, vliegtuig), gevolgd door de identiteit (bij voorbeeld door middel van het registratienummer) en de nationaliteit van het actieve vervoermiddel waarmee de buitengrens van de Gemeenschap wordt overschreden, zoals bekend bij het vervullen van de uitvoer- of douanevervoerformaliteiten, overeenkomstig de in vak 17a bedoelde code.

Bij gecombineerd vervoer of wanneer het vervoer met meer dan één vervoermiddel geschiedt, is het voertuig dat het geheel voortbeweegt het actieve vervoermiddel. Bij voorbeeld, in geval van een vrachtwagen op een schip is het schip het actieve vervoermiddel; bij trekker en aanhangwagen is het de trekker.

Dit vak behoeft niet te worden ingevuld bij de wederuitvoer van onder de regeling douane-entrepots geplaatste goederen.

22. Valuta en totaal gefactureerd bedrag

Art. 22. Achtereenvolgens vermelding van de munteenheid waarin het handelscontract is opgesteld en van het gefactureerd bedrag voor alle aangegeven goederen.

Indien een factuur is opgesteld in euro of in Belgische of Luxemburgse frank en in vreemde deviezen, moet het in vak 22 te vermelden bedrag worden uitgedrukt in de munteenheid waarvan de code is vermeld in vak 44.

De vermelding van de gebruikte munteenheid geschiedt in de drielettercode van munteenheden van de ISO (ISO 4217).

Dit vak dient niet voor douanevervoer te worden gebruikt.

Dit vak behoeft niet te worden ingevuld bij de wederuitvoer van onder de regeling douane-entrepots geplaatste goederen.

23. Wisselkoers

Art. 23. Indien de munteenheid van de factuur een andere van de aan de euro deelnemende munteenheden is dan de Belgische of Luxemburgse frank, de door de Europese Raad vastgestelde omrekeningskoers van deze munteenheid in euro vermelden. In het geval van andere munten, de door de Administratie der douane en accijnzen gepubliceerde omrekeningskoers vermelden in frank (Belgische of Luxemburgse) voor een opgestelde aangifte in frank (Belgische of Luxemburgse) en in euro voor een in euro opgestelde aangifte.

Dit vak dient niet voor douanevervoer te worden gebruikt.

Dit vak behoeft niet te worden ingevuld bij de wederuitvoer van onder de regeling donane-entrepots geplaatste goederen.

24. Aard van de transactie

Art. 24. Vermelding van bepaalde clausules van het handelscontract volgens de daartoe vastgestelde communautaire code en indeling.

De lijst van de codes is opgenomen in bijvoegsel 1 bij deze bijlage.

Dit vak dient niet voor douanevervoer te worden gebruikt.

Dit vak behoeft niet te worden ingevuld bij de wederuitvoer van onder de regeling donane-entrepots geplaatste goederen.

25. Vervoerwijze aan de grens

Art. 25. Vermelding, in de daartoe vastgestelde communautaire code, van de vervoerwijze die overeenstemt met het actieve vervoermiddel waarop of waarin de goederen het douanegebied van de Gemeenschap vermoedelijk zullen verlaten.

De lijst van de codes is opgenomen in bijvoegsel 2 bij deze bijlage.

Dit vak behoeft niet te worden ingevuld bij de wederuitvoer van onder de regeling douane-entrepots geplaatste goederen.

26. Binnenlandse vervoerwijze

Art. 26. Vermelding, in de daartoe vastgestelde communautaire code, van de vervoerwijze bij vertrek.

De lijst van de codes is opgenomen in bijvoegsel 2 bij deze bijlage.

Dit vak dient niet te worden ingevuld, indien de uitvoerformaliteiten op het kantoor van uitgang van de Gemeenschap worden vervuld

Dit vak dient niet voor douanevervoer te worden gebruikt.

Dit vak behoeft niet te worden ingevuld bij de wederuitvoer van onder de regeling douane-entrepots geplaatste goederen.

27. Plaats van lading

Art. 27. Vermelding in het eerste deelvak van de plaats, zoals bekend bij het vervullen van de formaliteiten, waar de goederen worden geladen op of in het actieve vervoermiddel waarmee zij de grens van de Gemeenschap zullen overschrijden, indien deze plaats in de bleu is gelegen.

Wanneer de op eenzelfde aangifte vermelde goederen worden geladen op meerdere plaatsen, is de plaats van lading deze waar het belangrijkste deel in gewicht van de zending wordt geladen.

Als code dient in het tweede deelvak het postnummer te worden gebruikt.

Dit vak behoeft niet te worden ingevuld bij de wederuitvoer van onder de regeling douane-entrepots geplaatste goederen.

28. Financiële en bankgegevens

Art. 28. Dit vak behoeft in de bleu niet te worden ingevuld.

29. Kantoor van uitgang

Art. 29. Dit vak behoeft in de bleu niet te worden ingevuld

30. Plaats van de goederen

Art. 30. Dit vak behoeft in de bleu niet te worden ingevuld.

31. Colli en omschrijving van de goederen; merken en nummers - container(s) nr.(s) - aantal en soort

Art. 31. Vermelding van merken, nummers, aantal en soort van de colli of bij onverpakte goederen, het aantal voorwerpen of "los gestort" vermelden, al naar gelang van het geval; vermelding van de gebruikelijke handelsbenaming van de goederen die voldoende gedetailleerd moet zijn om de goederen te kunnen identificeren; wanneer vak 33 "goederencode" moet worden ingevuld, moet deze handelsbenaming voldoende gedetailleerd zijn om de goederen te kunnen indelen. In dit vak worden eveneens de gegevens vermeld die eventueel op grond van bijzondere voorschriften zijn vereist (accijns, enz.).

Voor goederen, waarvoor aanspraak wordt gemaakt op restituties, moet tevens worden vermeld: de omschrijving van de goederen volgens de nomenclatuur van de landbouwproducten voor restituties bij uitvoer en bij gebrek daaraan volgens de gecombineerde nomenclatuur evenals alle andere vereiste gegevens, voor zover ze niet elders op de aangifte voorkomen.

Zo ook moet voor goederen, die worden aangegeven in het kader van de economische douaneregelingen, soort, handelskwaliteit en type van die goederen worden vermeld.

Indien containers worden gebruikt, worden in dit vak tevens de merktekens daarvan vermeld.

Wanneer eenzelfde collo goederen bevat met verschillende goederencodes, moet in de desbetreffende vakken 31 - ten einde elke verwarring te vermijden - volgende vermelding worden aangebracht: "deel van collo nr. ......" (verwijzing naar het nummer van de betreffende collo).

Wanneer in vak 16 "land van oorsprong" de belanghebbende "diverse" heeft vermeld, moet hier de naam van het land van oorsprong van de goederen worden opgegeven.

32. Artikelnummer

Art. 32. Vermelding van het volgnummer van het betrokken artikel ten opzichte van het totale aantal artikelen, dat is aangegeven in de formulieren en aanvullende formulieren die in vak 5 zijn omschreven.

Wanneer de aangifte slechts op één enkel artikel betrekking heeft, behoeft dit vak niet te worden ingevuld.

33. Goederencode

Art. 33. Vermelding van het codenummer van het betrokken artikel overeenkomstig hetgeen hierna volgt.

Bij douanevervoer wordt het eerste deelvak slechts ingevuld wanneer dit volgens de communautaire wetgeving verplicht is, terwijl de andere deelvakken niet behoeven te worden ingevuld.

.Eerste deelvak (8 cijfers)
In te vullen overeenkomstig de gecombineerde nomenclatuur.


.Tweede deelvak (2 tekens)
In te vullen overeenkomstig Taric (2 tekens betreffende de toepassing van specifieke communautaire maatregelen voor de vervulling van de formaliteiten ter bestemming).


.Derde deelvak (4 tekens)
In te vullen overeenkomstig Taric (eerste aanvullende code)


.Vierde deelvak (4 tekens)
In te vullen overeenkomstig Taric (tweede aanvullende code)


.Vijfde deelvak (4 tekens)
Vermelding van de nationale aanvullende code.
Indien de aangifte wordt opgemaakt in het kader van Sadbel, wordt de Taric-code (10 cijfers) gebruikt, behalve wanneer de aanvullende Taric-code moet worden vermeld in geval van aanspraak op restituties.
Het uitgeprinte document wordt beperkt tot de gecombineerde nomenclatuur (8 cijfers) behalve wanneer de aanvullende Taric-code moet worden vermeld in geval van aanspraak op restituties.
Dit vak behoeft niet te worden ingevuld bij de wederuitvoer van onder de regeling douane-entrepots geplaatste goederen.
34. Code land van oorsprong

Art. 34. Vermelding in vak 34a van het in vak 16 vermelde land in de voor vak 17a vastgestelde code. Wanneer in vak 16 "diverse" is ingevuld, vermelding in code van het land van oorsprong van het betrokken artikel.

Vak 34a dient niet voor douanevervoer te worden gebruikt.

Vak 34b behoeft in de bleu niet te worden ingevuld.

Dit vak behoeft niet te worden ingevuld bij de wederuitvoer van onder de regeling douane-entrepots geplaatste goederen.

35. Brutomassa

Art. 35. Vermelding in kilogram van de brutomassa van de goederen die in het overeenstemmende vak 31 zijn omschreven. De brutomassa is de massa van de goederen vermeerderd met de massa van al hun verpakkingen, met uitzondering van het transportmaterieel en met name van de containers.

Wanneer eenzelfde collo goederen bevat met verschillende goederencodes, moet de brutomassa niet verdeeld worden over de verschillende rubrieken, maar dient het alleen te worden vermeld tegenover het vak 31 waarin de colisage voorkomt.

Heeft de aangifte, bij douanevervoer en bij gebruik van het formulier om het communautaire karakter van de goederen aan te tonen, betrekking op verscheidene soorten goederen, dan is het voldoende dat de totale brutomassa in het eerste vak 35 wordt vermeld; de overige vakken 35 worden niet ingevuld. Indien de te vermelden brutomassa hoger is dan 1 kg en een fractie van een eenheid (kilogram) bevat, dient de afronding te gebeuren als volgt:
-van 0,001 tot 0,499 afronding naar de lagere eenheid (kg);
-van 0,5 tot 0,999 afronding naar de hogere eenheid (kg).
37. Regeling

Art. 37. Vermelding van de regeling waarvoor de goederen bij uitvoer worden aangegeven in de daartoe vastgestelde communautaire en nationale code.

De lijst van de codes is opgenomen in bijvoegsel 3 bij deze bijlage.

Dit vak dient niet voor douanevervoer te worden gebruikt.

38. Nettomassa

Art. 38. Vermelding in kilogram van de nettomassa van de goederen die in het overeenkomstige vak 31 zijn omschreven. De nettomassa is de eigen massa van de van al hun verpakkingen ontdane goederen.

Bij douanevervoer dient de nettomassa slechts te worden vermeld wanneer dit volgens de communautaire wetgeving verplicht is.

39. Contingent

Art. 39. Dit vak hoeft in de bleu niet te worden ingevuld.

40. Summiere aangifte/voorafgaand document

Art. 40. Vermelding van soort, nummer, datum en kantoor van geldigmaking van de documenten die betrekking hebben op de in de bleu toegepaste administratieve regeling, die aan de uitvoer of het douanevervoer voorafgaat.

Wanneer de regeling douane-entrepots wordt aangezuiverd door de wederuitvoer van goederen die in een entrepot van het type B waren opgeslagen, verwijzing naar de aangifte tot plaatsing onder de regeling douane-entrepots.

Indien er geen voorafgaande regeling is, dient de vermelding "nihil" te worden aangebracht.

Bij plaatsgebrek dient in dit vak te worden verwezen naar vak 44 en komt de desbetreffende vermelding onderaan in vak 44. Ten einde verwarring te vermijden met de andere gegevens in vak 44 dient die vermelding te worden voorafgegaan door de woorden "Voorafgaand document".

41. Aanvullende eenheden

Art. 41. Voor zover nodig in te vullen volgens de aanwijzingen van de goederennomenclatuur.

Voor elk artikel vermelding van de hoeveelheid in de eenheid die in de goederennomenclatuur is aangegeven.

Dit vak behoeft niet te worden ingevuld bij de wederuitvoer van onder de regeling douane-entrepots geplaatste goederen.

44. Bijzondere vermeldingen; voorgelegde stukken; certificaten en vergunningen

Art. 44. Vermelding van enerzijds de gegevens die eventueel op grond van bijzondere voorschriften zijn vereist of, in voorkomend geval, van de verwijzing naar een bijzondere vergunning, en anderzijds van de referentienummers van de bij de aangifte gevoegde documenten, in voorkomend geval met inbegrip van de controle-exemplaren T5.

Zie eveneens de aanwijzingen bij vak 40 (laatste lid).

Wanneer de aangifte tot wederuitvoer ter aanzuivering van de regeling douane-entrepots bij een ander douanekantoor dan het controlekantoor wordt ingediend, vermelding van de naam en het volledige adres van het controlekantoor.

Het deelvak "Code B.V." (bijzondere vermeldingen) behoeft niet te worden ingevuld.

In het deelvak in de rechterbenedenhoek de gebruikte munteenheid - Belgische of Luxemburgse frank of euro - vermelden bij het eerste artikel van de aangifte van de goederen. Deze vermelding wordt geacht te gelden voor alle artikelen waarop de aangifte betrekking heeft.

Deze vermelding geschiedt in de drielettercode van munteenheden van de ISO (ISO 4217).

46. Statistische waarde

Art. 46. Vermelding van de waarde van de goederen met inbegrip van de vervoer- en verzekeringskosten tot aan de bleu-grens.

Bij wederuitvoer na actieve veredeling of behandeling onder douanetoezicht dient de statistische waarde de totale waarde van de goederen te omvatten, met inbegrip van de kosten voor veredeling of behandeling.

De statistische waarde moet worden uitgedrukt in de munteenheid, waarvan de code is vermeld in vak 44.

Dit vak dient niet voor douanevervoer te worden gebruikt.

Dit vak behoeft niet te worden ingevuld bij de wederuitvoer van onder de regeling douane-entrepots geplaatste goederen.

47. Berekening van de belastingen

Art. 47. Dit vak hoeft in de bleu niet te worden ingevuld.

48. Uitstel van betaling

Art. 48. Dit vak behoeft in de bleu niet te worden ingevuld.

49. Identificatie van het entrepot

Art. 49. Vermelding van het identificatienummer van het entrepot, dat bij de afgifte van de vergunning is toegekend, of voor een publiek entrepot van het type F, vermelding van de letter F gevolgd door de naam van de gemeente waar het entrepot is gelegen.

50. Aangever douanevervoer en gemachtigde vertegenwoordiger; plaats, datum en handtekening

Art. 50. Vermelding van de naam en voornaam of van de firmanaam en van het volledige adres van de aangever alsmede, in voorkomend geval, van het stamnummer en eventueel het inschrijvingsnummer dat hem door de douane is toegekend. In voorkomend geval, vermelding van de naam en voornaam of van de firmanaam van de gemachtigde vertegenwoordiger die voor de aangever ondertekent.

Indien de aangever een douane-expediteur is, moet de naam van de douane-expediteur, de plaats van de zetel of van het bijkantoor, het stamnummer en - in voorkomend geval - het volgnummer van de inschrijving van het document in het repertorium worden vermeld.

Op het door het kantoor van vertrek te bewaren exemplaar moet de originele handtekening van de betrokkene voorkomen. Wanneer deze een rechtspersoon is, dient de handtekening te worden gevolgd door de naam, voornaam en functie van degene die heeft ondertekend.

In geval van uitvoer kan de aangever of zijn vertegenwoordiger de naam en het adres vermelden van een tussenpersoon die gevestigd is in het ambtsgebied van het kantoor van uitgang, aan wie het door het kantoor van uitgang afgetekende exemplaar 3 kan worden teruggegeven.

51. Voorziene kantoren (en landen) van doorgang

Art. 51. Vermelding van het voorziene kantoor van binnenkomst in elk EVA-land over het grondgebied waarvan de goederen zullen worden vervoerd evenals het kantoor van binnenkomst waar de goederen het douanegebied van de Gemeenschap opnieuw binnenkomen na over het grondgebied van een EVA-land te zijn vervoerd of, indien het vervoer over een ander grondgebied dan dat van de Gemeenschap en van een EVA-land zal plaatsvinden, het kantoor van uitgang waar de zending de Gemeenschap verlaat en het kantoor van binnenkomst waar deze de Gemeenschap weer binnenkomt. De kantoren van doorgang zijn vermeld in de "lijst van de douanekantoren die bevoegd zijn voor communautair/gemeenschappelijk douanevervoer".

Vervolgens vermelding van het betrokken land overeenkomstig onderstaande communautaire code.

Die codes zijn:

A of AT:Oostenrijk
AD:Andorra
CH:Zwitserland
CZ:Tsjechië
D of DE:Duitsland
DK:Denemarken
EL of GR:Griekenland
ES:Spanje
FI:Finland
FR:Frankrijk
GB:Verenigd Koninkrijk
HU:Hongarije
IRL of IE:Ierland
IS:IJsland
IT:Italië
LU:Luxemburg
NL:Nederland
NO:Noorwegen
PL:Polen
PT:Portugal
SE:Zweden
SK:Slowakije
SM:San Marino


52. Zekerheid

Art. 52. Vermelding, overeenkomstig onderstaande communautaire code, van de soort zekerheid die voor het betrokken douanevervoer wordt gesteld en vervolgens, voor zover nodig, van het nummer van het certificaat van borgtocht of van de overeenkomstige zekerheid en van het kantoor van zekerheidstelling.

Indien de doorlopende zekerheid of de zekerbeid per aangifte niet voor alle EVA-landen geldig is of indien de aangever inzake douanevervoer bepaalde EVA-landen van de doorlopende zekerheid wenst uit te sluiten, wordt in het gedeelte "niet geldig voor..." het betrokken land of de betrokken landen vermeld overeenkomstig de voor vak 51 vastgestelde communautaire code.

Voor de vermelding van het soort zekerheid gelden de volgende codes:


SituatieCodeAndere gegevens
Vrijstelling van zekerheid voor het communautair douanevervoer (artikel 95 van het CBW)0Nummer van het certificaat van ontheffing van zekerheid
Doorlopende zekerheid1- Nummer van het certificaat van borgtocht
- Kantoor van zekerheidstelling
Zekerheid per aangifte2
Zekerheid in geld3
Zekerheidstelling voor een vast bedrag4
Zekerheidstelling als bedoeld in artikel 467 van het CTW5
Ontheffing van zekerheidstelling (artikel 94 van het CBW)6
Ontheffing van zekerheidstelling voor bepaalde overheidsinstellingen8

53. Kantoor (en land) van bestemming

Art. 53. Vermelding van het kantoor waar de goederen moeten worden aangebracht om het douanevervoer te beëindigen. De kantoren van bestemming zijn vermeld in de "lijst van douanekantoren die bevoegd zijn voor het communautair/gemeenschappelijk douanevervoer"

Vervolgens vermelding van de betrokken Lid-Staat of het betrokken land in de voor vak 51 vastgestelde communautaire code.

54. Plaats en datum, handtekening en naam van de aangever of zijn vertegenwoordiger

Art. 54. Op het exemplaar, dat voor het kantoor van uitvoer (eventueel van verzending) is bestemd, moet de originele handtekening van de betrokkene voorkomen, gevolgd door zijn naam en voornaam. Wanneer de betrokkene een rechtspersoon is, dient de handtekening te worden gevolgd door de naam, voornaam en functie van degene die heeft ondertekend.

Dit vak dient niet te worden ingevuld, wanneer het formulier slechts wordt gebruikt voor douanevervoer.



Bijlage 5 : Lijst van de communautaire luchthavens met een internationaal karakter (Douaneluchtvaartterreinen)

België
Antwerpen (Deurne)Liège (Bierset)
BrusselOostende
Charleroi (Gosselies)
Denemarken
Billund LufthavnRoskilde Lufthavn
Bornholms LufthavnÅrhus Lufthavn
Esbjerg LuchthavnAalborg Lufthavn
Kobenhavns Luchthavn, Kastrup
Duitsland
Flughafen AugsburgFlughafen Hannover
Flughafen BayreuthFlughafen Hof
Flughafen Berlin-SchönefeldFlughafen Kiel
Flughafen Berlin- TegelFlughafen Köln/Bonn
Zentralflughafen Berlin-TempelhofFlughafen Leipzig/Halle
Flughafen BremenFlughafen Mannheim
Flughafen DortmundFlughafen Mönchengladbach
Flughafen DresdenFlughafen München
Flughafen DüsseldorfFlughafen Münster/Osnabrück
Landeplatz Egelsbach (Hessen)Flughafen Nürnberg
Flughafen ErfurtFlughafen Paderborn/Lippstadt
Flughafen Frankfurt MainFlughafen Saarbrücken
Flugplatz FriedrichshafenFlugplatz Stuttgart
Flughafen Hamburg
Finland
Helsinki-Vantaan lentoasemaKajaanin lentoasema
Ivalon lentoasemaKemi-Tornion lentoasema
Joensuun lentoasemaKruunupyyn lentoasema
Jyväskylän lentoasemaKuopion lentoasema
Lappeenrannan lentoasemaSavonlinnan lentoasema
Mariehamn flygplatsTampere-Pirkkalan lentoasema
Oulun lentoasemaTurun lentoasema
Porin lentoasemaVaasan lentoasema
Rovaniemen lentoasemaVarkauden lentoasema
Frankrijk
AbbevilleCastres
AgenCayenne Rochambeau/Chambéry
Ajaccio Campo dell'oroCharleville
AlbiChâteauroux
AmiensCherbourg
AngersClermont Ferrand Aulnat
AngoulêmeColmar
AnnecyCourchevel
AnnemasseDeauville
AuxerreDieppe
AvignonDijon
Bâle MulhouseDinard
Bastia PorettaDôle
Beauvais TilléEpinal
BergeracFigari
BesançonFort de France Le Lamentin
BéziersFréjus
Biarritz Bayonne AngletGap
Bordeaux MérignacGranville
BourgesGrenoble Saint Geoirs
Brest GuivapasIssy-les-Moulineaux
Caen CarpiquetLa Mole
CahorsLa Rochelle
CalaisLannion
Calvi Sainte CatherineLaval
Cannes MandelieuLe Bourget
CarcassonneLe Castelet
Le HavrePointe à Pitre Le Raizet
Le MansPoitiers
Le TouquetPontarlier
Lille LesquinPontoise
LimogesQuimper
LognesReims Champagne
Lorient Lann BihouéRennes Saint Jacques
Lyon-BronRoanne
Lyon SatolasRodez
Marseille ProvenceRoissy Charles De Gaulle
MeauxRouen
MegèveSaint Brieuc
Metz Nancy LorraineSaint Denis Gillot
MontbéliardSaint Etienne
Montpellier FréjarguesSaint Nazaire
MorlaixSaint Yan
Nancy EsseyStrasbourg Entzheim
Nantes AtlantiqueTarbes Ossun Lourdes
NeversToulouze Blagnac
Nice Côte d'AzurTours
Nimes GaronsToussus le Noble
Orléans BricyTroyes
Orléans-Saint-Denis-de-l'hôtelValence
OrlyValenciennes
Pau PyrénéesVannes
PérigueuxVesoul
Perpignan RivesaltesVichy
Griekenland
AthinonM. Alexandros (Kavala)
Makedonia (Thessaloniki)Ioannina
N.Kazantzakis (Heraklio)Mikonos
I.Kapodistrias (Kerkyra)Preveza
Diagoras (Rodos)Skiathos
AraxosSantorini
Mytilini + LimnosMilos
Dimokritos (Alexandropoulis)Paros
ZakinthosKarpathos
KalamataChios
KefaloniaNaxos
KosN.Aghialos
SamosSitia
Chania
Ierland
Dublin airportShannon airport
Cork airport
Italie
AostaBolzano
AlbengaBrindisi Casale
Alghero FertiliaCagliari Elmas
Ancona FalconaraCatania Fontanarossa
Bari PaleseFirenze Peretola
Bergamo Orio al SerioForli Ridolfi
BiellaGenova C. Colombo
Bologna Borgo PanigaleGrossetto
Larnezia TermeReggio Calabria
Marina di CampoRimini Miramare
Milano LinateRoma Ciampino
Milano MalpensaRoma Fiumicino
Napoli CapodichinoRoma Urbe
Olbia Costa SmeraldaRonchi dei Legionari
PadovaTorino Caselle
Palermo Punta raisiTrapani Birgi
PantelleriaTreviso S. Giuseppe
ParmaVenezia Lido
Perugia S. EgidioVenezia Tessera
PescaraVerona Villafranca
Pisa
Luxemburg
Luxemburg
Nederland
BudelRotterdam
EeldeSchiphol
EindhovenSeppe
Gilze-RijenSoesterberg
HilversumTeuge
LelystadTexel
MaastrichtTwente
Midden-Zeeland
Oostenrijk
Flughafen WienFlughafen Klagenfurt
Flughafen LinzFlughafen Innsbruck
Flughafen SalzburgFlughafen Graz
Portugal
Aeroporto de LisboaAeroporto de Porto Santo
Aeroporto Francisco Sá Carnerio(Madeira)
(Porto)Aeroporto de Ponta Delgada
Aeroporto de Faro(Açores)
Aeroporto de Santa CatarinaAeroporto de Santa Maria (Açores)
(Madeira)Aeroporto das Lajes (Açores)
Spanje
AlicantePalma de Mallorca
AlmeriaPuerto de Rosario-Fuerteventura
Arrecife (Lanzarote)Reus
Avilés (Asturias)Sabadell
BarcelonaSan Sebastian
BilbaoSanta Cruz de la Palma
Gerona-Costa BravaSantander
GranadaSantiago
IbizaSevilla
JerezTenerif-Norte
La CorunaTenerif-Sur
Las Palmas de Gran CanariaValencia
Madrid-BarajasVillanubla-Valladolid
Mahón-MenorcaVigo
MálagaVitoria
MelillaZaragoza
Murcia-San Javier
Verenigd Koninkrijk
Aberdeen (Dyce)Isle of Man (Ronaldsway)
Belfast (Aldergrove)Leeds Bradford
Biggin HillLiverpool
BirminghamLuton
BlackpoolLydd
BournemouthManchester
BristolManston
CambridgeNewcastel
Cardiff-WalesNorwich
City Airport-LondonPlymouth (Roborough)
CoventryPrestwick
East Midlands AirportShoreham
EdinburghSouthampton
ExeterSouthend
Gatwick Airport-LondonStansted Airport-London
GlasgowSumburgh
Heathrow Airport-LondonTeesside
Humberside
Zweden
Arlanda (Stockholm)Luleå-Kallax
Landvetter (Göteborg)Norrköping
Sturup (Malmö, including:NykÖping (Stockholm-Skavsta)
Passenger Terminal in MalmöRonneby
Fulun-BorlängeBromma
GÖteborg-SäveSundsvall-Härnösand
HalmstadUmeå
JököpingVisby
KalmarVästerås
KarlstadVäxjö
KirunaÖrebro
KristianstadÖstersund
Linköping