Circulaire nr. AFZ/2007-0438-1 (AFZ 11/2007) dd. 11.07.2007
CIRC 11.07.07/1
Circulaire nr. AFZ/2007-0438-1 (AFZ 11/2007) dd. 11.07.2007
DIVERS INKOMEN
Vergoeding aan een onderzoeker
INVESTERINGSAFTREK
Investering in beveiliging
KUNSTENAAR
Forfaitaire onkostenvergoeding aan een kunstenaar
MEERWAARDE
Meerwaarde op een binnenschip
Vrijgestelde meerwaarde
OVEREENKOMST
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte
VERDRAG
Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap
WET
Wet houdende diverse bepalingen
WETBOEK VAN DE INKOMSTENBELASTINGEN 1992
Belasting van niet-inwoners natuurlijke personen
Belastingen van niet-inwoners vennootschappen
Personenbelasting
Vennootschapsbelasting
Wijzigingswet
Eerste commentaar op de :
In bijlage volgt een eerste commentaar inzake personenbelasting betreffende :
1. de wet houdende diverse bepalingen (IV) van 25 april 2007 (BS 8.5.2007, Ed. 3), meer bepaald over de bepalingen inzake :
3. de wet van 25 april 2007 (BS 10.5.2007) tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 inzake de vergoedingen toegekend aan kunstenaars;
4. de wet van 25 april 2007 (BS 10.5.2007) houdende wijziging van de bepalingen inzake de investeringsaftrek;
NAMENS DE MINISTER :
De adjunct-administrateur-generaal
Paul NECKEBROECK
BIJLAGEN
Bijlage 1 - Wet houdende diverse bepalingen (IV) van 25 april 2007
Bijlage 2 - Wet van 25 april 2007 tot wijziging van sommige bepalingen van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992 teneinde ze in overeenstemming te brengen met bepaalde principes van het verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte
Bijlage 3 - Wet van 25 april 2007 tot wijziging van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 inzake de vergoedingen toegekend aan kunstenaars
Bijlage 4 - Wet van 25 april 2007 houdende wijziging van de bepalingen inzake de investeringsaftrek
BIJLAGE 1 - WET HOUDENDE DIVERSE BEPALINGEN (IV) VAN 25 april 2007
I. VRIJSTELLING VAN DE MEERWAARDEN GEREALISEERD OP BINNENSCHEPEN DIE BESTEMD ZIJN VOOR DE COMMERCIELE VAART
A. Wettekst en reglementaire bepaling
Wet houdende diverse bepalingen (IV) van 25.4.2007
Art. 108. In het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wordt een artikel 44ter ingevoegd, luidende :
"Art. 44ter. § 1. De meerwaarden die in de in het tweede lid bedoelde omstandigheden op voor de commerciële vaart bestemde binnenschepen zijn verwezenlijkt, worden volledig vrijgesteld wanneer een bedrag dat gelijk is aan de verkregen schadevergoeding of de verkoopwaarde wordt herbelegd op de wijze en binnen de termijn als hierna gesteld.
De meerwaarden moeten zijn verwezenlijkt :
1° naar aanleiding van een schadegeval, een opeising in eigendom of een andere gelijkaardige gebeurtenis, of
2° bij een niet in het 1° vermelde vervreemding van binnenschepen die bestemd zijn voor de commerciële vaart, voorzover deze sedert meer dan vijf jaar vóór de vervreemding ervan de aard van vaste activa hadden.
Onder binnenschepen die bestemd zijn voor de commerciële vaart moet worden verstaan :
1° vaartuigen die worden aangewend voor goederen- of personenvervoer, zowel voor eigen rekening als voor rekening van derden;
2 vaartuigen die worden aangewend voor het duwen van binnenvaartuigen, zowel voor eigen rekening als voor rekening van derden.
§ 2. De herbelegging moet gebeuren in binnenschepen die :
1° beantwoorden aan de ecologische normen die door de Koning zijn bepaald, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad;
2° bestemd zijn voor de commerciële vaart;
3° in België voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid worden gebruikt;
4° gelijktijdig beantwoorden aan minstens twee van de volgende voorwaarden :
a) van een recenter bouwjaar zijn - minstens 5 jaar - dan het vaartuig waarop de meerwaarde betrekking heeft;
b) minstens 25 % meer laadvermogen of, in het geval van een duwboot, 25 % meer motorvermogen hebben dan het vaartuig waarop de meerwaarde betrekking heeft;
c) maximum twintig jaar in gebruik zijn.
§ 3. De herbelegging moet uiterlijk bij de stopzetting van de beroepswerkzaamheid gebeuren en binnen een termijn :
1° die verstrijkt vijf jaar na het einde van het belastbare tijdperk waarin de schadeloosstelling is ontvangen, voor in § 1, tweede lid, 1°, bedoelde meerwaarden;
2° van vijf jaar te rekenen van de eerste dag van het belastbaar tijdperk waarin de meerwaarde is verwezenlijkt of van de eerste dag van het voorlaatste belastbaar tijdperk dat het belastbaar tijdperk voorafgaat tijdens hetwelk de meerwaarde is verwezenlijkt, voor in § 1, tweede lid, 2°, bedoelde meerwaarden.
§ 4. Om de in § 1, eerste lid, vermelde vrijstelling te kunnen genieten, moet de belastingplichtige bij zijn aangifte in de inkomstenbelastingen vanaf het aanslagjaar dat is verbonden aan het belastbare tijdperk tijdens hetwelk de meerwaarde is verwezenlijkt en tot het aanslagjaar dat is verbonden aan het belastbare tijdperk waarin de herbeleggingtermijn is verstreken, een opgave voegen waarvan het model door de minister van Financiën of zijn afgevaardigde wordt vastgesteld.
§ 5. Indien niet wordt herbelegd op de wijze en binnen de termijnen die bij §§ 2 en 3, zijn bepaald, wordt de verwezenlijkte meerwaarde aangemerkt als een inkomen van het belastbare tijdperk waarin de herbeleggingstermijn verstreken is. In dat geval is artikel 47 niet van toepassing».
Art. 109. In artikel 46 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 28 juli 1992, 21 december 1994, 30 januari 1996, 16 april 1997, 22 december 1998 en 14 januari 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 2, tweede lid, worden de woorden "in de artikelen 44, 44bis, 45, 47, 48 en 361 tot 363" vervangen door de woorden "in de artikelen 44, 44bis, 44ter, 45, 47, 48 en 361 tot 363";
2° in § 2, derde lid, worden de woorden "vermeld in de artikelen 44bis en 47" vervangen door de woorden "vermeld in de artikelen 44bis, 44ter en 47".
Art. 110. In artikel 47 § 1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 december 1996 en bij de wetten van 22 december 1998 en 14 januari 2003, worden de woorden "ingevolge de artikelen 44, § 1, 2°, en § 2 en 44bis" vervangen door de woorden "ingevolge de artikelen 44, § 1, 2° en § 2, 44bis en 44ter".
Art. 111 . In artikel 190 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 22 december 1998 en 14 januari 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1 ° in het eerste lid worden de woorden "in de artikelen 44, §§ 1 en 3, 44bis, 45, 46, § 1, eerste lid, 2°, en 47" vervangen door de woorden "in de artikelen 44, §§ 1 en 3, 44bis, 44ter, 45, 46, § 1, eerste lid, 2°, en 47";
2° in het tweede lid worden de woorden "in de artikelen 44, §§ 1 en 3, 44bis en 47" vervangen door de woorden "in de artikelen 44, §§ 1 en 3, 44bis, 44ter en 47".
Art. 112. In artikel 231 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 28 juli 1992, 21 december 1994, 30 januari 1996, 16 april 1997, 22 december 1998 en 14 januari 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 2, vijfde lid, worden de woorden "vermeld in de artikelen 44bis en 47" vervangen door de woorden "vermeld in de artikelen 44bis, 44ter en 47";
2° in § 3, vierde lid, worden de woorden "in de artikelen 44, 44bis, 45, 47, 48 en 361 tot 363" vervangen door de woorden "in de artikelen 44, 44bis, 44ter, 45, 47, 48 en 361 tot 363";
3° in § 3, vijfde lid, worden de woorden "vermeld in de artikelen 44bis en 47" respectievelijk vervangen door de woorden "vermeld in de artikelen 44bis, 44ter en 47".
Art. 113. In artikel 416, eerste lid van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 2 augustus 2002 en 14 januari 2003, worden de woorden "met de krachtens artikelen 44bis, § 5 of 47, § 6, belastbaar geworden meerwaarden" vervangen door de woorden "met de krachtens artikel 44bis, § 5, 44ter, § 5 of 47, § 6, belastbaar geworden meerwaarden".
Art. 114. De artikelen 108 tot 113 treden in werking op de door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, te bepalen datum.
Koninklijk besluit van 11 mei 2007 (BS 24.5.2007) tot uitvoering van artikel 44ter, § 2, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en artikel 114 van de wet van 25 april 2007 houdende diverse bepalingen (IV)
…
Art.1. In hoofdstuk I van het KB/WIB 92 wordt, na artikel 20, een nieuwe afdeling VIIIter ingevoegd, die artikel 21 bevat, opgeheven bij koninklijk besluit van 12 augustus 1994 en hersteld in de volgende lezing :
"Afdeling VIIIter. - Vrijstelling van de meerwaarden gerealiseerd op bepaalde binnenvaartuigen (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 44ter, § 2, 1°)
Art. 21. § 1. Opdat de meerwaarden verwezenlijkt op binnenschepen bestemd voor de commerciële vaart als bedoeld in artikel 44ter van het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992, de vrijstelling verkrijgen waarin dat artikel voorziet, moeten de binnenschepen bestemd voor de commerciële vaart die zijn verkregen via herbelegging, beantwoorden aan één van de volgende ecologische normen :
1° het binnenschip is uitgerust met een typegoedgekeurde voortstuwingsmotor conform het Reglement betreffende het Onderzoek van Rijnschepen of het koninklijk besluit van 5 december 2004 houdende normen inzake verontreinigende gasvormige en deeltjesemissies van inwendige verbrandingsmotoren voor mobiele niet voor de weg bestemde machines;
2° het binnenschip is uitgerust met een reglementaire technische inrichting ter voorkoming van het uitstromen van brandstof aan boord bij het vullen van de brandstoftanks;
3° het binnenschip is uitgerust met een actieve boegbesturing, bedienbaar vanuit het stuurhuis;
4° het binnenschip is uitgerust met een reglementaire radar en een éénmansradarstuurstand;
5° het binnenschip is uitgerust met een schroefasafdichting die het instromen van water of smeermiddelen in het schip onmogelijk maakt en het uitstromen van waterverontreinigende smeermiddelen vermijdt;
6° het binnenschip is zodanig gebouwd of aangepast dat de bodem en de wanden van de ruimen bestaan uit gladde stalen oppervlakten, waarbij de spanten zich niet in het ruim bevinden.
§ 2. Zodra één van de alternatieve voorwaarden genoemd in § 1 een verplichte norm wordt, moet het binnenschip aan minstens één van de andere alternatieve voorwaarden voldoen om als geldige wederbelegging in aanmerking te kunnen komen.
§ 3. De in § 1 vastgestelde ecologische normen moeten worden verantwoord door een vermelding ervan in de verplichte technische certificaten of door een verklaring van een klasseringmaatschappij.".
Art. 2. De artikelen 108 tot 113 van de wet van 25 april 2007 houdende diverse bepalingen (IV) en artikel 1 van dit besluit zijn van toepassing op de meerwaarden die zijn verwezenlijkt vanaf 1 januari 2007 en voor zover de datum van de verwezenlijking ten vroegste behoort tot het belastbare tijdperk dat aan aanslagjaar 2008 verbonden is.
B. Commentaar
1. Algemeen
De Belgische binnenvaartsector bestaat voornamelijk uit kleine ondernemingen. Het merendeel van de in België gevestigde binnenvaartondernemers zijn zelfstandigen die één vaartuig in uitbating hebben. Deze ondernemingen moeten kunnen doorgroeien in de sector door te investeren in nieuwe, grotere of modernere schepen.
Rekening houdend met de hoogte van de investeringen in een nieuw of zelfs tweedehands vaartuig is er een grote behoefte aan toegang tot risicokapitaal. Door een vrijstelling te verlenen van de belasting op gerealiseerde meerwaarden in geval van herinvestering in het bedrijf wordt door de overheid een bijdrage geleverd in het streven naar een verbetering van de samenstelling van de Belgische vloot.
2. Artikel 44ter, WIB 92
Het nieuw artikel 44ter, WIB 92, voert een vrijstelling in voor meerwaarden die worden gerealiseerd bij de vervreemding van binnenschepen bestemd voor de commerciële binnenvaart op voorwaarde van herbelegging.
Voorwaarde
De schepen die worden vervreemd, moeten op het tijdstip van hun vervreemding sedert meer dan 5 jaar de aard van vaste activa hebben (deze voorwaarde geldt niet als het gaat om een gedwongen meerwaarde).
Binnenschepen bestemd voor commerciële vaart
Onder binnenschepen bestemd voor commerciële vaart wordt verstaan :
De herbelegging moet uiterlijk bij de stopzetting van de beroepswerkzaamheid gebeuren en binnen een termijn :
1° van 5 jaar na het verstrijken van het belastbare tijdperk waarin de schadeloosstelling is ontvangen, als het gaat om een gedwongen meerwaarde;
2° van 5 jaar vanaf de eerste dag van het belastbaar tijdperk waarin de meerwaarde werd verwezenlijkt of vanaf de eerste dag van het voorlaatste belastbaar tijdperk dat de verwezenlijking van de meerwaarde voorafgaat als het gaat om een vrijwillig verwezenlijkte meerwaarde.
Te herbeleggen activa
Het actief waarin wordt herbelegd, moet aan bepaalde voorwaarden voldoen :
A. Wettekst
Wet houdende diverse bepalingen (IV) van 25.4.2007
Art. 132. Artikel 90 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 20 december 1996, 20 juli 2000 en 13 juli 2001 en bij de wetten van 10 augustus 2001, 15 december 2004 en 27 december 2005, wordt aangevuld als volgt :
"12° persoonlijke vergoedingen uit de exploitatie van een uitvinding die door een universiteit, een hogeschool, het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek, het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen, het "Fonds de la Recherche Scientifique - FNRS" of een overeenkomstig artikel 2753, § 1, tweede lid, erkende wetenschappelijke instelling op grond van een door die universiteit, hogeschool of wetenschappelijke instelling uitgevaardigd valorisatiereglement, worden betaald of toegekend aan onderzoekers. Onder "onderzoeker" wordt verstaan iedere onderzoeker die wordt bedoeld in artikel 2753, § 1, eerste en tweede lid, en die - alleen of binnen een ploeg - onderzoek verricht in een universiteit, hogeschool of erkende wetenschappelijke instelling, alsmede de docenten. Onder "uitvindingen" wordt verstaan octrooieerbare uitvindingen, kweekproducten, tekeningen en modellen, topografieën van halfgeleiderproducten, computerprogramma's en databanken, die voor commerciële doeleinden kunnen worden aangewend.".
Art. 133. In titel II, hoofdstuk II, afdeling V, onderafdeling II, van hetzelfde Wetboek wordt een artikel 102bis ingevoegd, luidend :
"Art. 102bis. De in artikel 90, 12°, bedoelde inkomsten worden naar het netto bedrag ervan in aanmerking genomen, dit is het bruto bedrag verminderd met 10 % forfaitaire kosten.".
Art. 134. In artikel 104, 3°, b, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 12 juni 1998, 22 december 1998 en 27 december 2006, worden de woorden" aan het "Fonds de la Recherche Scientifique - FNRS", "ingevoegd tussen de woorden" aan het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek - Vlaanderen, "en het woord "zomede".
Art. 135. In artikel 171, 1°, a, van hetzelfde Wetboek worden de woorden "en 12°" ingevoegd tussen de woorden "artikel 90, 1° "en het woord, "vermelde".
Art. 136 . In artikel 228, § 2, 9°, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 december 1996 en bij de wetten van 15 december 2004 en 25 april 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de woorden "artikel 90, 1° tot 11°" worden vervangen door de woorden "artikel 90, 1° tot 12°";
2° het 9° wordt aangevuld met een k, die luidt als volgt :
"k) persoonlijke vergoedingen uit de exploitatie van een uitvinding die door een Belgische universiteit of hogeschool, het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek, het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen het "Fonds de la Recherche Scientifique - FNRS" of een overeenkomstig artikel 2753, § 1, tweede lid, erkende onderzoeksinstelling op grond van een door die universiteit, hogeschool of onderzoeksinstelling uitgevaardigd valorisatiereglement, worden betaald of toegekend aan onderzoekers. Onder "onderzoeker" wordt verstaan iedere onderzoeker die wordt bedoeld in artikel 2753, § 1, eerste en tweede lid, en die - alleen of binnen een ploeg - onderzoek verricht in een universiteit, hogeschool of erkende onderzoeksinstelling, alsmede de docenten. Onder "uitvindingen" wordt verstaan potentieel octrooieerbare uitvindingen, kweekproducten, tekeningen en modellen, topografieën van halfgeleiderproducten, computerprogramma's en databanken, die voor commerciële doeleinden kunnen worden aangewend.".
Art. 137. In artikel 232, eerste lid, 2°, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 28 juli 1992, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in de inleidende zin worden de woorden "en van de in artikel 228, § 2, 9°, h vermelde meerwaarden" vervangen door de woorden", van de in artikel 228, § 2, 9°, h, vermelde meerwaarden en van de in 228, § 2, 9°, vermelde diverse inkomsten";
2° in b worden de woorden "en 9°, h" vervangen door de woorden "en 9°, h en k".
Art. 138. In artikel 2753, § 1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd en gewijzigd bij de wet van 3 juli 2005 en gewijzigd bij de programmawet (I) van 27 december 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in de Franse tekst worden de woorden "écoles supérieures" vervangen door de woorden "hautes écoles";
2° de woorden", het "Fonds de la Recherche Scientifique - FNRS" "worden ingevoegd tussen de woorden "het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek" en het woord "alsmede".
Art. 139. De artikelen 132, 133 en 135 tot 137 en 138, 2°, zijn van toepassing op de vergoedingen en bezoldigingen die vanaf 1 januari 2007 worden betaald of toegekend.
Artikel 134 is van toepassing op de giften die vanaf 1 januari 2007 worden gedaan.
B. Commentaar
1. Algemeen
In het WIB 92 worden een aantal aanpassingen aangebracht ingevolge de beslissing van de regering om een aanvullende fiscale stimulans voor wetenschappelijk personeel in te voeren door de belasting aan een afzonderlijk tarief van bepaalde inkomsten die worden toegekend aan onderzoekers.
2. Aanvulling van artikel 90, WIB 92
De laatste jaren werd, in het kader van de aanmoediging van het wetenschappelijk onderzoek, reeds vrijstellingen van doorstorting van verschuldigde bedrijfsvoorheffing toegekend van :
Die leemte wordt nu opgevuld door de vergoedingen die worden betaald of toegekend in uitvoering van een financiële regeling door een van de navolgende instellingen, aan een onderzoeker als tegenprestatie voor zijn deelname in een commercieel uitgebate uitvinding, als diverse inkomsten afzonderlijk te belasten tegen een tarief van 33 % (uitgezonderd wanneer gezamenlijke belasting voordeliger is):
Dit nieuw artikel laat de aftrek van 10 % als forfaitaire kosten toe voor de in artikel 90, 12°, WIB 92, bedoelde diverse inkomsten (zie nr. 2, hiervoor).
4. Aanpassing van artikel 104, 3°, WIB 92
De stichting van openbaar nut "Fonds de la Recherche Scientifique - FNRS", waarvan de statuten werden gepubliceerd in de bijlagen van het Belgisch Staatsblad van 8 december 2006, is de rechtsopvolger ten algemene titel van de Franstalige Raad van Bestuur van het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek.
Door de aanpassing wordt het "Fonds de la Recherche Scientifique - FNRS", net als het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek en het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek - Vlaanderen, opgenomen in het WIB 92 als instelling die fiscaal aftrekbare giften in geld kan ontvangen.
Om een gelijke fiscale behandeling met het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek - Vlaanderen te verzekeren, zijn deze bepalingen van toepassing op de giften die vanaf 1 januari 2007 aan het "Fonds de la Recherche Scientifique - FNRS" worden gedaan.
5. Aanpassing aan artikel 171, 1°, a, WIB 92
De in artikel 90, 12°, WIB 92 (nieuw) bedoelde diverse inkomsten worden toegevoegd aan de diverse inkomsten die afzonderlijk aan het tarief van 33 % worden belast.
6. Aanpassingen aan artikel 228, WIB 92
De in artikel 90, 12°, WIB 92 (nieuw) bedoelde diverse inkomsten worden toegevoegd aan de diverse inkomsten die in aanmerking komen voor de belasting van niet-inwoners.
7. Aanpassing aan artikel 275^3, WIB 92
De verwijzing naar "écoles supérieures" die zich in artikel 275 3, § 1, eerste lid, WIB 92, bevindt, wordt in de franse tekst vervangen door de vermelding "hautes écoles" die de wettelijke benaming is die wordt gebruikt door de Franse Gemeenschap.
Het "Fonds de la Recherche Scientifique - FNRS", wordt net als het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek en het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek - Vlaanderen, opgenomen in artikel 275 3, § 1, eerste lid, WIB 92, als instelling die in aanmerking komt voor de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing.
C. Inwerkingtreding
De hiervoor besproken wijzigingen zijn, naargelang het geval, van toepassing op de vergoedingen en bezoldigingen die vanaf 1 januari 2007 worden betaald of toegekend, of op de giften die vanaf 1 januari 2007 worden gedaan.
BIJLAGE 2 - WET VAN 25 APRIL 2007 TOT WIJZIGING VAN SOMMIGE BEPALINGEN VAN HET WETBOEK VAN INKOMSTENBELASTINGEN 1992 TENEINDE ZE IN OVEREENSTEMMING TE BRENGEN MET BEPAALDE PRINCIPES VAN HET VERDRAG TOT OPRICHTING VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAP EN DE OVEREENKOMST BETREFFENDE DE EUROPESE ECONOMISCHE RUIMTE
A. WETTEKST
…
Art. 2. Artikel 12, § 3, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, ingevoegd bij de wet van 27 december 2004 en gewijzigd bij de wet van 27 december 2005, wordt aangevuld met het volgende lid :
"Wanneer de belastingplichtige een woning betrekt die gelegen is in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte en er de eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder of vruchtgebruiker van is, is de vrijstelling waarin deze paragraaf voorziet van toepassing op de huurwaarde van deze woning of, in de gevallen bedoeld in het derde en vijfde lid, op het totale bedrag van de huurprijs en de huurvoordelen.".
Art. 3. In artikel 115, § 1, 2°, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 27 december 2004 en gewijzigd bij de wet van 27 december 2005, worden de woorden "in België" vervangen door de woorden "in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte".
Art. 4. In artikel 243 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 28 juli 1992, 30 maart 1994, 6 juli 1994 en 21 december 1994, bij het koninklijk besluit van 13 juli 2001 en bij de wetten van 10 augustus 2001, 22 december 2003, 9 juli 2004, 27 december 2004, 3 juli 2005, 23 december 2005 en 27 december 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1. het laatste lid wordt vervangen als volgt :
"De artikelen 126 tot 129, 145^1, 1°, 2° en 5°, 145^2 tot 145^4, 145^6, wat de toepassing van artikel 145^1, 2°, betreft, 145^8 tot 145^16, 145^21 tot 145^31, 154bis, 157 tot 169 en 171 tot 178 zijn eveneens van toepassing.";
2. het artikel wordt aangevuld met het volgende lid :
"Wat de individuele levensverzekering betreft die dient voor het wedersamenstellen of het waarborgen van een hypothecaire lening, is artikel 145^1, 2°, slechts van toepassing wanneer de hypothecaire lening is aangegaan voor :
"In afwijking van het eerste lid zijn de artikelen 145 1, 2°, wat de individuele levensverzekeringen betreft die dienen voor het wedersamenstellen of het waarborgen van een hypothecaire lening voor een andere dan de in artikel 104, 9°, bedoelde woning, en 145^1, 3°, slechts van toepassing wanneer de hypothecaire lening is aangegaan voor :
1. § 1 wordt aangevuld als volgt :
"Voor de toepassing van het in het vorige lid bedoeld artikel 16 worden de huurwaarde, de huurprijs en de huurvoordelen van een in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte gelegen woning, gelijkgesteld met het kadastraal inkomen.".
2. § 2 wordt aangevuld als volgt :
"Voor de toepassing van de in de vorige leden bedoelde bepalingen wordt de notie "in België" telkens vervangen door de notie "in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte".
In afwijking van het tweede lid moet in artikel 243, zoals het bestond alvorens te zijn gewijzigd door artikel 405 van de programmawet van 27 december 2004, de verwijzing naar artikel 145^1, 1° tot 4°, worden beperkt tot een verwijzing naar de artikelen 145^1, 1°, 2° en 5° met dien verstande dat artikel 145^1, 2°, wat de individuele levensverzekeringen betreft die dienen voor het wedersamenstellen of het waarborgen van een hypothecaire lening voor een woning, slechts van toepassing is wanneer de hypothecaire lening is aangegaan voor :
B. COMMENTAAR
1. Algemeen
Met de ingebrekestelling nr. 2005/5061 van 4 april 2006 vestigt de Europese Commissie de aandacht op de onverenigbaarheid van enkele bepalingen in de Belgische belastingwetgeving betreffende de belastingvoordelen voor interesten van hypothecaire leningen, voor de aflossing of wedersamenstelling van die leningen en voor de daarmee verband houdende premies van individuele levensverzekeringscontracten, met het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (verder EG-Verdrag) en de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (verder EER-Overeenkomst).
Inzonderheid concludeert de Commissie van de Europese Gemeenschappen dat België zijn verplichtingen krachtens het EG-Verdrag en de EER-Overeenkomst niet is nagekomen voor zover het aan personen die in een andere lidstaat of een EER-staat wonen en aldaar een huis met een hypotheek bezitten, en hun inkomen geheel of vrijwel uitsluitend verwerven uit een in België verrichte werkzaamheid, geen belastingvoordelen toekent in verband met de hiervoor bedoelde uitgaven, zoals die voor een ingezetene van België wel gelden.
België komt evenmin zijn verplichtingen na voor zover een ingezetene van België, doordat hij geen aanspraak kan maken op de belastingvermindering die geldt voor tweede woningen die in België zijn gelegen, ervan wordt weerhouden een tweede woning in een andere lidstaat of EER-staat te verwerven.
België heeft geen argumenten om die standpunten van de Commissie van de Europese Gemeenschappen te weerleggen zodat dat het niet anders kan dan het interne recht in overeenstemming te brengen met de Europese regelgeving.
2. Aanvulling van artikel 12, § 3, WIB 92, en aanpassing van artikel 115, § 1, 2°, WIB 92
Indien het voordeel van artikel 104, 9°, WIB 92, ingevolge een aanpassing van artikel 115, § 1, 2°, WIB 92, ook toepassing kan vinden op in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte gelegen woningen, dan impliceert dat eveneens een gelijke behandeling op het niveau van artikel 12, § 3, WIB 92. Wat de in het buitenland gelegen woningen betreft, kan geen kadastraal inkomen worden vrijgesteld aangezien dit een puur Belgisch begrip is zodat de gelijkschakeling enkel kan worden bereikt door de in artikel 7, WIB 92, bedoelde huurwaarde of de huurprijs en de huurvoordelen vrij te stellen wanneer het althans gaat om een in een EER-staat gelegen woning waarvan de belastingplichtige eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder of vruchtgebruiker is en die hij zelf betrekt. Een situatie waarin een belastingplichtige zich op die vrijstelling van de huurwaarde of de huurprijs en de huurvoordelen zou kunnen beroepen, is die van een rijksinwoner die een in het buitenland gelegen woning in eigendom heeft maar die niet zelf kan betrekken om beroepsredenen of redenen van sociale aard.
Met de invoeging van het nieuwe zesde lid wil de wetgever een vrijstelling van het onroerend inkomen voor de in een andere EER-staat gelegen eigen woning invoeren, net zoals dat het geval is voor de in België gelegen eigen woning.
3. Wijzigingen in de artikelen 243 en 244, WIB 92
Aangezien de ingebrekestelling nr. 2005/5061 van 4 april 2006, enkel het geval viseert van de personen die in een andere lidstaat of een EER-staat wonen en aldaar een huis met een hypotheek bezitten, en hun inkomen geheel of vrijwel uitsluitend verwerven uit een in België verrichte werkzaamheid, worden voor de berekening van de belasting van niet-inwoners/natuurlijke personen, een aantal bepalingen verplaatst van artikel 243, WIB 92, naar artikel 244, WIB 92.
Artikel 243, WIB 92, vormt de basis voor de berekening van de belasting van niet-inwoners/natuurlijke personen en is van toepassing op alle categorieën van niet-inwoners, terwijl artikel 244, WIB 92, de regels bevat voor niet-inwoners/natuurlijke personen die voor de berekening van de belasting worden gelijkgesteld met inwoners.
Wat de artikelen 243 en 244, WIB 92 betreft, zijn er twee grote wijzigingen :
1° volgens de Europese Commissie moet het belastingvoordeel dat is verbonden aan de betalingen voor de aflossing of wedersamenstelling van een hypothecaire lening (artikel 145 1, 3°, WIB 92), enkel worden toegestaan aan niet-inwoners die hun inkomen geheel of vrijwel uitsluitend verwerven uit een in België verrichte werkzaamheid. Door de aanpassing van de verwijzing in artikel 243, laatste lid, WIB 92, wordt het voordeel niet meer verleend aan alle niet-inwoners, maar enkel nog aan de in artikel 244, WIB 92, bedoelde niet-inwoners;
2° in het kader van het lange termijnsparen worden de toegekende voordelen voor de individuele levensverzekeringen die dienen voor de wedersamenstelling of het waarborgen van een hypothecaire lening die is aangegaan voor het bouwen of het verwerven van een andere dan de enige, eigen woning, beperkt tot de gevallen waarin het gaat om een hypothecaire lening die is aangegaan voor :
Inzonderheid wordt dus bedoeld de woning die de belastingplichtige betrekt (voorwaarde te vervullen op 31 december van het jaar waarin het leningcontract is gesloten) en waarvan hij eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder of vruchtgebruiker is. Net zoals dat voor de toepassing van artikel 12, § 3, WIB 92, het geval is mag de belastingplichtige een woning kiezen wanneer hij meer dan één woning betrekt. Wanneer de eigen woning om beroepsredenen of redenen van sociale aard niet persoonlijk door de belastingplichtige wordt betrokken dan vormt dit geen beletsel voor de toekenning van het belastingvoordeel.
Het belastingvoordeel wordt niet toegekend voor de uitgaven die betrekking hebben op het deel van de woning dat wordt gebruikt voor de uitoefening van de beroepswerkzaamheid van de belastingplichtige of van een van zijn gezinsleden of dat wordt betrokken door personen die geen deel uitmaken van zijn gezin.
Wanneer gehuwde belastingplichtigen meer dan één woning betrekken, wordt het belastingvoordeel slechts toegestaan voor de door de echtgenoten gekozen woning die zij beiden betrekken. Het belastingvoordeel mag eveneens worden toegestaan wanneer de echtgenoten of één van hen om beroepsredenen of redenen van sociale aard de aldus gekozen woning niet persoonlijk betrekken.
De andere wijzigingen in artikel 243, WIB 92, hebben betrekking op het toekennen van een aantal nieuwe belastingverminderingen, met inbegrip van de belastingvermindering voor pensioensparen die voorheen niet toegelaten was voor niet-inwoners.
4. Wijzigingen artikel 526, WIB 92
De ingebrekestelling nr. 2005/5061 viseert eveneens de regels die van toepassing zijn op de vóór 1.1.2005 gesloten hypothecaire leningen. Vandaar dat er zich eveneens een aanpassing van artikel 526, § 1 en 2, WIB 92, opdringt.
Wat artikel 526, § 1, WIB 92, betreft, wordt verduidelijkt dat de huurwaarde, de huurprijs en de huurvoordelen, voor de toepassing van artikel 16, WIB 92, worden gelijkgesteld met het kadastraal inkomen, dit om mogelijk te maken dat de woningaftrek eveneens van toepassing zou zijn op in het buitenland gelegen woningen.
Verder moet eveneens rekening worden gehouden met het feit dat de genoemde ingebrekestelling bepaalt dat die voordelen moeten worden toegestaan aan personen die hun inkomen geheel of vrijwel uitsluitend verwerven uit een in België verrichte werkzaamheid zodat het voor de toepassing van artikel 526, WIB 92, eveneens nodig is om de verwijzing naar artikel 145 1, 3°, WIB 92, uit het artikel 243, WIB 92, te verwijderen aangezien dit artikel voor alle categorieën van niet-inwoners geldt. Het past dus ook hier om het voordeel van artikel 145 1, 3°, WIB 92, enkel toe te staan aan niet-inwoners die voor de berekening van de belasting worden gelijkgesteld met inwoners. Dat effect wordt met de voorgestelde wijziging bereikt (artikel 243, WIB 92, verwijst niet langer naar artikel 145 1, 3°, WIB 92, zodat het automatisch onder de toepassing van artikel 244, WIB 92, valt).
Voor het overige worden dezelfde voorwaarden ingevoerd als voor de toepassing van het artikel 243, WIB 92.
C. INWERKINGTREDING
Deze wet is van toepassing vanaf aanslagjaar 2008.
BIJLAGE 3 - WET VAN 25 APRIL 2007 TOT WIJZIGING VAN HET WETBOEK VAN INKOMSTENBELASTINGEN 1992 INZAKE DE VERGOEDINGEN TOEGEKEND AAN KUNSTENAARS
A. WETTEKST
…
Art. 2. In artikel 38 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, laatst gewijzigd bij de programmawet (I) van 27 december 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° § 1, eerste lid, wordt als volgt aangevuld :
"23° de forfaitaire onkostenvergoedingen toegekend wegens het leveren van artistieke prestaties en / of het produceren van artistieke werken voor rekening van een opdrachtgever, voor een maximumbedrag van 2.000 EUR per kalenderjaar en voorzover de in § 4 gestelde voorwaarden worden nageleefd.";
2° het wordt aangevuld met een § 4 die luidt als volgt :
"§ 4. Voor de toepassing van § 1, eerste lid, 23°, moet worden verstaan onder :
1° de belastingplichtige moet in het bezit zijn van een behoorlijk ingevulde kunstenaarskaart;
2° de forfaitaire onkostenvergoeding mag per opdrachtgever niet hoger zijn dan 100 EUR per dag. Indien de opdrachtgever een hoger bedrag uitbetaalt, komt de volledige vergoeding niet in aanmerking voor de vrijstelling;
3° de belastingplichtige mag op het ogenblik van het leveren van een artistieke prestatie en/of het produceren van een artistiek werk niet gebonden zijn door een arbeidsovereenkomst, een aannemingsovereenkomst of een statutaire aanstelling met dezelfde opdrachtgever, tenzij hij en de opdrachtgever bewijzen dat de prestaties van de verschillende activiteiten van verschillende aard zijn.".
Art. 3 . Artikel 97 van hetzelfde Wetboek wordt als volgt vervangen :
"Art. 97. § 1. De in artikel 90, 1°, vermelde inkomsten worden naar het netto bedrag ervan in aanmerking genomen, dit is het bruto bedrag verminderd met de kosten waarvan de belastingplichtige het bewijs levert dat zij tijdens het belastbare tijdperk zijn gedaan of gedragen om die inkomsten te verkrijgen of te behouden.
§ 2. Voorzover de in artikel 38, § 4, gestelde voorwaarden die van overeenkomstige toepassing zijn, worden nageleefd, wordt geen rekening gehouden met de forfaitaire onkostenvergoedingen toegekend wegens het leveren van artistieke prestaties en/of het produceren van artistieke werken voor rekening van een opdrachtgever voor een maximumbedrag van 2.000 EUR per kalenderjaar.".
Art. 4. Artikel 178, § 4, van hetzelfde Wetboek, opgeheven bij de wet van 27 december 2004, wordt hersteld in de volgende lezing :
"§ 4. In afwijking van § 2, eerste lid, zijn de in artikel 38, § 1, eerste lid, 23° en § 4, en artikel 97, § 2, vermelde bedragen gekoppeld aan het gezondheidsindexcijfer van de maand september 2003 (112,47). Op 1 januari van elk jaar worden de bedragen aangepast overeenkomstig de volgende formule : het basisbedrag wordt vermenigvuldigd met het gezondheidsindexcijfer van de maand september van het jaar voorafgaand aan het jaar tijdens welk het nieuwe bedrag van toepassing zal zijn en gedeeld door het gezondheidsindexcijfer van de maand september 2003.
Uiterlijk in de loop van de maand december van elk jaar worden de bedragen toepasselijk tijdens het volgende kalenderjaar in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd. De Federale Overheidsdienst Financiën vermeldt die inlichting eveneens op zijn webstek.".
Art. 5. Deze wet is van toepassing op de forfaitaire onkostenvergoedingen die zijn toegekend vanaf 1 januari 2007.
B. COMMENTAAR
1. Algemeen
Sedert 1 juli 2003 is het sociaal statuut van de kunstenaars in werking getreden. Dit statuut heeft tot gevolg dat bij toepassing van de techniek van de gelijkstelling, de kunstenaars aan de sociale zekerheid van de werknemers onderworpen zijn. Krachtens het nieuw sociaal statuut wordt elke vergoeding die aan de kunstenaar wordt toegekend als tegenprestatie voor de artistieke prestatie beschouwd als bijdrageplichtig loon, ongeacht de benaming, vorm, frequentie of hoegrootheid van deze vergoeding. Terugbetalingen van kosten vallen evenwel niet onder het loonbegrip.
Binnen dit sociaal statuut is een regeling uitgewerkt waardoor de kleine vergoedingen die bij kleinschalige artistieke activiteiten (bijvoorbeeld free podium in café, optreden van amateur-theatergezelschap, occasionele tentoonstelling van tekenacademie, enz.) aan kunstenaars worden toegekend, onder strikte voorwaarden als forfaitaire onkostenvergoedingen worden aangemerkt. Indien de uitbetaalde vergoeding niet beantwoordt aan de gestelde voorwaarden, valt de vergoeding onder de toepassing van de wet. Op sociaal vlak kan dan wel aan de hand van bewijsstukken nog worden aangetoond dat het wel degelijk om een terugbetaling van kosten gaat, zodat de vergoeding toch niet wordt onderworpen aan de sociale zekerheidsbijdragen. Deze regeling moet de rechtszekerheid waarborgen binnen dit circuit van kleinschalige artistieke activiteiten.
Aangezien die specifieke sociale maatregel niet kan werken zonder een fiscale begeleidende bepaling die op fiscaal vlak de rechtszekerheid moet waarborgen, is een specifieke regeling uitgewerkt die eruit bestaat dat de bedragen die in aanmerking komen voor de sociale regeling in de meeste gevallen worden vrijgesteld van belasting. De toepassingsvoorwaarden zijn natuurlijk aangepast in functie van de fiscale regels.
Aangezien in het fiscaal recht een onderscheid wordt gemaakt tussen beroepsinkomsten en diverse inkomsten en aangezien de artistieke activiteiten een beroepskarakter of een occasioneel karakter kunnen hebben, wordt de vrijstelling zowel inzake beroepsinkomsten als inzake diverse inkomsten geregeld.
2. Vrijgesteld beroepsinkomen
Artikel 38, WIB 92, wordt gewijzigd teneinde de forfaitaire onkostenvergoeding die binnen de uitoefening van een beroepsmatige activiteit als kunstenaar is verkregen en die aan bepaalde voorwaarden voldoet, vrij te stellen.
Het gaat hier inzonderheid om de forfaitaire onkostenvergoeding toegekend wegens het leveren van artistieke prestaties en / of het produceren van artistieke werken voor rekening van een opdrachtgever.
Die vrijstelling wordt maar toegestaan tot beloop van een maximumbedrag dat is vastgesteld op 2.000 EUR (niet-geïndexeerd bedrag, geïndexeed bedrag aanslagjaar 2008 : 2111,32 EUR) per kalenderjaar. Van zodra het bedrag wordt overschreden, is het deel boven het maximumbedrag per kalenderjaar een belastbaar inkomen.
3. Definities
Er wordt gedefinieerd wat moet worden verstaan onder "het leveren van artistieke prestaties en/of het produceren artistieke werken" en "opdrachtgever". Daartoe zijn de volgende omschrijvingen gebruikt die zijn opgenomen in het sociaal statuut :
Om de bedoelde vrijstelling te bekomen moeten de volgende voorwaarden worden nageleefd :
1° de belastingplichtige moet in het bezit zijn van een behoorlijk ingevulde kunstenaarskaart;
2° de forfaitaire onkostenvergoeding mag per opdrachtgever niet hoger zijn dan 100 EUR (niet-geïndexeerd bedrag, geïndexeerd bedrag aanslagjaar 2008 : 105,57 EUR) per dag. Indien de opdrachtgever een hoger bedrag uitbetaalt, komt de volledige vergoeding niet in aanmerking voor de vrijstelling;
3° de belastingplichtige mag op het ogenblik van het leveren van een artistieke prestatie en/of het produceren van een artistiek werk niet gebonden zijn door een arbeidsovereenkomst, een aannemingsovereenkomst of een statutaire aanstelling met dezelfde opdrachtgever, tenzij hij en de opdrachtgever bewijzen dat de prestaties van de verschillende activiteiten van verschillende aard zijn.
Behoorlijk ingevulde kunstenaarskaart
De invoering van de kunstenaarskaart is vastgelegd door het koninklijk besluit van 3 juli 2005 tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en houdende uitvoering van artikel 12ter van het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, en tot wijziging van artikel 4, § 2, tweede lid van het koninklijk besluit van 26 juni 2003 tot vaststelling van de toekenningsvoorwaarden en -modaliteiten met betrekking tot de zelfstandigheidsverklaring aangevraagd door bepaalde kunstenaars. Een ministerieel besluit zal het model van de kaart vastleggen.
Forfaitaire onkostenvergoeding
Deze voorwaarde strekt ertoe de maatregel te beperken tot een welbepaalde groep kunstenaars, te weten de kleinschalige kunstenaar; het is namelijk niet de bedoeling om elke belastingplichtige een maximale vrijstelling van 2.000 EUR (niet-geïndexeerd bedrag) te geven.
Niet gebonden zijn door een arbeidsovereenkomst, een aannemingsovereenkomst of een statutaire aanstelling
De derde voorwaarde moet voorkomen dat kunstenaars die reeds een band hebben met de opdrachtgever, trachten de vrijstelling te bekomen van een deel van hun inkomsten. Zo zal een acteur verbonden aan een bepaalde instelling voor het leveren van artistieke activiteiten niet in aanmerking komen voor de vrijstelling indien hij bijvoorbeeld in opdracht van dezelfde instelling optreedt op een benefietavond. Een bediende zal daarentegen zonder problemen voor zijn werkgever een artistieke activiteit kunnen leveren die in aanmerking komt voor de vrijstelling.
5. Diverse inkomsten
Artikel 97, WIB 92, wordt gewijzigd. De huidige tekst van dat artikel vormt de nieuwe § 1.
In § 2 wordt voor de diverse inkomsten een vrijstellingsregel ingevoerd die analoog is aan de vrijstellingsregel in artikel 38, WIB 92, voor de beroepsinkomsten. De maximale vrijstelling bedraagt opnieuw 2.000 EUR (niet-geïndexeerd bedrag) en de voorwaarden die moeten worden vervuld zijn dezelfde als die vermeld in artikel 38, § 4, WIB 92.
6. Indexering
Artikel 178, WIB 92, wordt gewijzigd om de indexering van de bedragen die zijn vermeld in artikel 38, § 1, eerste lid, 23° en § 4 en artikel 97, § 2, WIB 92, op dezelfde manier te laten gebeuren als op sociaal vlak. Het is inderdaad niet verantwoord verschillende indexeringsmechanismen toe te passen op dezelfde bedragen naargelang het gaat om de sociale of de fiscale toepassing.
C. INWERKINGTREDING
De nieuwe regeling heeft uitwerking op de forfaitaire onkostenvergoedingen die zijn toegekend vanaf 1 januari 2007.
BIJLAGE 4 - WET VAN 25 APRIL 2007 HOUDENDE WIJZIGING VAN DE BEPALINGEN INZAKE DE INVESTERINGSAFTREK
A. Wettekst
…
Art. 2. In artikel 69, § 1, eerste lid, 3°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, ingevoegd bij de wet van 27 december 2004, worden de woorden "en waarvan de installatie werd goedgekeurd door de ambtenaar belast met de adviezen inzake techno-preventie in de politiezone waar die activa worden gebruikt" geschrapt.
Art. 3. In artikel 77 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 20 december 1995 en 4 mei 1999, worden de woorden "ingevolge artikel 69, § 1, eerste lid, 2° "vervangen door de woorden" ingevolge artikel 69, § 1, eerste lid, 2° en 3°.".
Art. 4. Artikel 2 heeft uitwerking op de vaste activa die zijn verkregen of tot stand gebracht tijdens een belastbaar tijdperk dat is verbonden aan aanslagjaar 2008 of een later aanslagjaar.
Artikel 3 is van toepassing op de vaste activa die zijn verkregen of tot stand gebracht tijdens een belastbaar tijdperk dat is verbonden aan aanslagjaar 2006 of aan een later aanslagjaar.
…
B. Commentaar
1. Algemeen
Deze wet strekt ertoe de administratieve procedure inzake de in artikel 69, § 1, eerste lid, 3°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92) vermelde investeringsaftrek voor beveiliging te vereenvoudigen en in artikel 77, WIB 92, een legistieke verwijzing te verbeteren.
2. Aanpassing aan artikel 69, §1, eerste lid, 3°, WIB 92
Weinig zelfstandigen, KMO's en beoefenaars van vrije beroepen maken gebruik van het e-loket voor het verkrijgen van een verhoogde fiscale investeringsaftrek in beveiliging.
Dat er beperkt gebruik wordt gemaakt van deze maatregel is enerzijds te wijten aan de vrij zware, administratieve last omdat het aanvragen van het advies gebeurt in verschillende stappen en vrij tijdrovend is. Daarom wordt deze procedure vereenvoudigd door geen goedkeuring van de ambtenaar belast met de adviezen inzake techno-preventie in de politiezone waar die activa worden gebruikt, meer te eisen om de investeringsaftrek mogelijk te maken.
Die wijziging van artikel 69, § 1, eerste lid, 3°, WIB 92, treedt in werking vanaf aanslagjaar 2008.
3. Wijziging artikel 77, WIB 92
In artikel 77, WIB 92, wordt de verwijzing naar artikel 69, § 1, eerste lid, WIB 92, verbeterd. Op die manier kunnen de toepassingsmodaliteiten die betrekking hebben op de investeringsaftrek voor investeringen die dienen voor de beveiliging van de beroepslokalen, door de Koning worden vastgelegd.
Deze aanpassing heeft uitwerking vanaf hetzelfde aanslagjaar als de aanpassing aan het genoemde artikel 69, WIB 92, door de programmawet van 27 december 2004, te weten vanaf aanslagjaar 2006.
Circulaire nr. AFZ/2007-0438-1 (AFZ 11/2007) dd. 11.07.2007
DIVERS INKOMEN
Vergoeding aan een onderzoeker
INVESTERINGSAFTREK
Investering in beveiliging
KUNSTENAAR
Forfaitaire onkostenvergoeding aan een kunstenaar
MEERWAARDE
Meerwaarde op een binnenschip
Vrijgestelde meerwaarde
OVEREENKOMST
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte
VERDRAG
Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap
WET
Wet houdende diverse bepalingen
WETBOEK VAN DE INKOMSTENBELASTINGEN 1992
Belasting van niet-inwoners natuurlijke personen
Belastingen van niet-inwoners vennootschappen
Personenbelasting
Vennootschapsbelasting
Wijzigingswet
Eerste commentaar op de :
- W 25.4.2007 houdende diverse bepalingen (IV).
- W 25.4.2007 tot wijziging van sommige bepalingen van het WIB 92 teneinde ze in overeenstemming te brengen met bepaalde principes van het EG-Verdrag van de EER -Overeenkomst.
- W 25.4.2007 tot wijziging van het WIB 92 inzake de vergoedingen toegekend aan kunstenaars.
W 25.4.2007 houdende wijziging van de bepalingen inzake de investeringsaftrek.
In bijlage volgt een eerste commentaar inzake personenbelasting betreffende :
1. de wet houdende diverse bepalingen (IV) van 25 april 2007 (BS 8.5.2007, Ed. 3), meer bepaald over de bepalingen inzake :
- vrijstelling van de meerwaarden gerealiseerd op binnenschepen die bestemd zijn voor de commerciële vaart;
- aanslagstelsel voor bepaalde vergoedingen die betaald of toegekend worden aan onderzoekers;
3. de wet van 25 april 2007 (BS 10.5.2007) tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 inzake de vergoedingen toegekend aan kunstenaars;
4. de wet van 25 april 2007 (BS 10.5.2007) houdende wijziging van de bepalingen inzake de investeringsaftrek;
NAMENS DE MINISTER :
De adjunct-administrateur-generaal
Paul NECKEBROECK
BIJLAGEN
Bijlage 1 - Wet houdende diverse bepalingen (IV) van 25 april 2007
Bijlage 2 - Wet van 25 april 2007 tot wijziging van sommige bepalingen van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992 teneinde ze in overeenstemming te brengen met bepaalde principes van het verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte
Bijlage 3 - Wet van 25 april 2007 tot wijziging van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 inzake de vergoedingen toegekend aan kunstenaars
Bijlage 4 - Wet van 25 april 2007 houdende wijziging van de bepalingen inzake de investeringsaftrek
BIJLAGE 1 - WET HOUDENDE DIVERSE BEPALINGEN (IV) VAN 25 april 2007
| INHOUDSTAFEL | |
| I. | VRIJSTELLING VAN DE MEERWAARDEN GEREALISEERD OP BINNENSCHEPEN DIE BESTEMD ZIJN VOOR DE COMMERCIELE VAART |
| A. | Wettekst en reglementaire bepaling |
| B. | Commentaar |
| 1. | Algemeen |
| 2. | Artikel 44ter, WIB 92 |
| II. | AANSLAGSTELSEL VOOR BEPAALDE VERGOEDINGEN DIE BETAALD OF TOEGEKEND WORDEN AAN ONDERZOEKERS |
| A. | Wettekst |
| B. | Commentaar |
| 1. | Algemeen |
| 2. | Aanvulling van artikel 90, WIB 92 |
| 3. | Invoeging van artikel 102bis, WIB 92 |
| 4. | Aanpassing van artikel 104, 3°, WIB 92 |
| 5. | Aanpassing aan artikel 171, 1°, a, WIB 92 |
| 6. | Aanpassingen aan artikel 228, WIB 92 |
| 7. | Aanpassing aan artikel 275^3, WIB 92 |
| C. | Inwerkingtreding |
I. VRIJSTELLING VAN DE MEERWAARDEN GEREALISEERD OP BINNENSCHEPEN DIE BESTEMD ZIJN VOOR DE COMMERCIELE VAART
A. Wettekst en reglementaire bepaling
Wet houdende diverse bepalingen (IV) van 25.4.2007
Art. 108. In het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wordt een artikel 44ter ingevoegd, luidende :
"Art. 44ter. § 1. De meerwaarden die in de in het tweede lid bedoelde omstandigheden op voor de commerciële vaart bestemde binnenschepen zijn verwezenlijkt, worden volledig vrijgesteld wanneer een bedrag dat gelijk is aan de verkregen schadevergoeding of de verkoopwaarde wordt herbelegd op de wijze en binnen de termijn als hierna gesteld.
De meerwaarden moeten zijn verwezenlijkt :
1° naar aanleiding van een schadegeval, een opeising in eigendom of een andere gelijkaardige gebeurtenis, of
2° bij een niet in het 1° vermelde vervreemding van binnenschepen die bestemd zijn voor de commerciële vaart, voorzover deze sedert meer dan vijf jaar vóór de vervreemding ervan de aard van vaste activa hadden.
Onder binnenschepen die bestemd zijn voor de commerciële vaart moet worden verstaan :
1° vaartuigen die worden aangewend voor goederen- of personenvervoer, zowel voor eigen rekening als voor rekening van derden;
2 vaartuigen die worden aangewend voor het duwen van binnenvaartuigen, zowel voor eigen rekening als voor rekening van derden.
§ 2. De herbelegging moet gebeuren in binnenschepen die :
1° beantwoorden aan de ecologische normen die door de Koning zijn bepaald, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad;
2° bestemd zijn voor de commerciële vaart;
3° in België voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid worden gebruikt;
4° gelijktijdig beantwoorden aan minstens twee van de volgende voorwaarden :
a) van een recenter bouwjaar zijn - minstens 5 jaar - dan het vaartuig waarop de meerwaarde betrekking heeft;
b) minstens 25 % meer laadvermogen of, in het geval van een duwboot, 25 % meer motorvermogen hebben dan het vaartuig waarop de meerwaarde betrekking heeft;
c) maximum twintig jaar in gebruik zijn.
§ 3. De herbelegging moet uiterlijk bij de stopzetting van de beroepswerkzaamheid gebeuren en binnen een termijn :
1° die verstrijkt vijf jaar na het einde van het belastbare tijdperk waarin de schadeloosstelling is ontvangen, voor in § 1, tweede lid, 1°, bedoelde meerwaarden;
2° van vijf jaar te rekenen van de eerste dag van het belastbaar tijdperk waarin de meerwaarde is verwezenlijkt of van de eerste dag van het voorlaatste belastbaar tijdperk dat het belastbaar tijdperk voorafgaat tijdens hetwelk de meerwaarde is verwezenlijkt, voor in § 1, tweede lid, 2°, bedoelde meerwaarden.
§ 4. Om de in § 1, eerste lid, vermelde vrijstelling te kunnen genieten, moet de belastingplichtige bij zijn aangifte in de inkomstenbelastingen vanaf het aanslagjaar dat is verbonden aan het belastbare tijdperk tijdens hetwelk de meerwaarde is verwezenlijkt en tot het aanslagjaar dat is verbonden aan het belastbare tijdperk waarin de herbeleggingtermijn is verstreken, een opgave voegen waarvan het model door de minister van Financiën of zijn afgevaardigde wordt vastgesteld.
§ 5. Indien niet wordt herbelegd op de wijze en binnen de termijnen die bij §§ 2 en 3, zijn bepaald, wordt de verwezenlijkte meerwaarde aangemerkt als een inkomen van het belastbare tijdperk waarin de herbeleggingstermijn verstreken is. In dat geval is artikel 47 niet van toepassing».
Art. 109. In artikel 46 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 28 juli 1992, 21 december 1994, 30 januari 1996, 16 april 1997, 22 december 1998 en 14 januari 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 2, tweede lid, worden de woorden "in de artikelen 44, 44bis, 45, 47, 48 en 361 tot 363" vervangen door de woorden "in de artikelen 44, 44bis, 44ter, 45, 47, 48 en 361 tot 363";
2° in § 2, derde lid, worden de woorden "vermeld in de artikelen 44bis en 47" vervangen door de woorden "vermeld in de artikelen 44bis, 44ter en 47".
Art. 110. In artikel 47 § 1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 december 1996 en bij de wetten van 22 december 1998 en 14 januari 2003, worden de woorden "ingevolge de artikelen 44, § 1, 2°, en § 2 en 44bis" vervangen door de woorden "ingevolge de artikelen 44, § 1, 2° en § 2, 44bis en 44ter".
Art. 111 . In artikel 190 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 22 december 1998 en 14 januari 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1 ° in het eerste lid worden de woorden "in de artikelen 44, §§ 1 en 3, 44bis, 45, 46, § 1, eerste lid, 2°, en 47" vervangen door de woorden "in de artikelen 44, §§ 1 en 3, 44bis, 44ter, 45, 46, § 1, eerste lid, 2°, en 47";
2° in het tweede lid worden de woorden "in de artikelen 44, §§ 1 en 3, 44bis en 47" vervangen door de woorden "in de artikelen 44, §§ 1 en 3, 44bis, 44ter en 47".
Art. 112. In artikel 231 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 28 juli 1992, 21 december 1994, 30 januari 1996, 16 april 1997, 22 december 1998 en 14 januari 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 2, vijfde lid, worden de woorden "vermeld in de artikelen 44bis en 47" vervangen door de woorden "vermeld in de artikelen 44bis, 44ter en 47";
2° in § 3, vierde lid, worden de woorden "in de artikelen 44, 44bis, 45, 47, 48 en 361 tot 363" vervangen door de woorden "in de artikelen 44, 44bis, 44ter, 45, 47, 48 en 361 tot 363";
3° in § 3, vijfde lid, worden de woorden "vermeld in de artikelen 44bis en 47" respectievelijk vervangen door de woorden "vermeld in de artikelen 44bis, 44ter en 47".
Art. 113. In artikel 416, eerste lid van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 2 augustus 2002 en 14 januari 2003, worden de woorden "met de krachtens artikelen 44bis, § 5 of 47, § 6, belastbaar geworden meerwaarden" vervangen door de woorden "met de krachtens artikel 44bis, § 5, 44ter, § 5 of 47, § 6, belastbaar geworden meerwaarden".
Art. 114. De artikelen 108 tot 113 treden in werking op de door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, te bepalen datum.
Koninklijk besluit van 11 mei 2007 (BS 24.5.2007) tot uitvoering van artikel 44ter, § 2, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en artikel 114 van de wet van 25 april 2007 houdende diverse bepalingen (IV)
…
Art.1. In hoofdstuk I van het KB/WIB 92 wordt, na artikel 20, een nieuwe afdeling VIIIter ingevoegd, die artikel 21 bevat, opgeheven bij koninklijk besluit van 12 augustus 1994 en hersteld in de volgende lezing :
"Afdeling VIIIter. - Vrijstelling van de meerwaarden gerealiseerd op bepaalde binnenvaartuigen (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 44ter, § 2, 1°)
Art. 21. § 1. Opdat de meerwaarden verwezenlijkt op binnenschepen bestemd voor de commerciële vaart als bedoeld in artikel 44ter van het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992, de vrijstelling verkrijgen waarin dat artikel voorziet, moeten de binnenschepen bestemd voor de commerciële vaart die zijn verkregen via herbelegging, beantwoorden aan één van de volgende ecologische normen :
1° het binnenschip is uitgerust met een typegoedgekeurde voortstuwingsmotor conform het Reglement betreffende het Onderzoek van Rijnschepen of het koninklijk besluit van 5 december 2004 houdende normen inzake verontreinigende gasvormige en deeltjesemissies van inwendige verbrandingsmotoren voor mobiele niet voor de weg bestemde machines;
2° het binnenschip is uitgerust met een reglementaire technische inrichting ter voorkoming van het uitstromen van brandstof aan boord bij het vullen van de brandstoftanks;
3° het binnenschip is uitgerust met een actieve boegbesturing, bedienbaar vanuit het stuurhuis;
4° het binnenschip is uitgerust met een reglementaire radar en een éénmansradarstuurstand;
5° het binnenschip is uitgerust met een schroefasafdichting die het instromen van water of smeermiddelen in het schip onmogelijk maakt en het uitstromen van waterverontreinigende smeermiddelen vermijdt;
6° het binnenschip is zodanig gebouwd of aangepast dat de bodem en de wanden van de ruimen bestaan uit gladde stalen oppervlakten, waarbij de spanten zich niet in het ruim bevinden.
§ 2. Zodra één van de alternatieve voorwaarden genoemd in § 1 een verplichte norm wordt, moet het binnenschip aan minstens één van de andere alternatieve voorwaarden voldoen om als geldige wederbelegging in aanmerking te kunnen komen.
§ 3. De in § 1 vastgestelde ecologische normen moeten worden verantwoord door een vermelding ervan in de verplichte technische certificaten of door een verklaring van een klasseringmaatschappij.".
Art. 2. De artikelen 108 tot 113 van de wet van 25 april 2007 houdende diverse bepalingen (IV) en artikel 1 van dit besluit zijn van toepassing op de meerwaarden die zijn verwezenlijkt vanaf 1 januari 2007 en voor zover de datum van de verwezenlijking ten vroegste behoort tot het belastbare tijdperk dat aan aanslagjaar 2008 verbonden is.
B. Commentaar
1. Algemeen
De Belgische binnenvaartsector bestaat voornamelijk uit kleine ondernemingen. Het merendeel van de in België gevestigde binnenvaartondernemers zijn zelfstandigen die één vaartuig in uitbating hebben. Deze ondernemingen moeten kunnen doorgroeien in de sector door te investeren in nieuwe, grotere of modernere schepen.
Rekening houdend met de hoogte van de investeringen in een nieuw of zelfs tweedehands vaartuig is er een grote behoefte aan toegang tot risicokapitaal. Door een vrijstelling te verlenen van de belasting op gerealiseerde meerwaarden in geval van herinvestering in het bedrijf wordt door de overheid een bijdrage geleverd in het streven naar een verbetering van de samenstelling van de Belgische vloot.
2. Artikel 44ter, WIB 92
Het nieuw artikel 44ter, WIB 92, voert een vrijstelling in voor meerwaarden die worden gerealiseerd bij de vervreemding van binnenschepen bestemd voor de commerciële binnenvaart op voorwaarde van herbelegging.
Voorwaarde
De schepen die worden vervreemd, moeten op het tijdstip van hun vervreemding sedert meer dan 5 jaar de aard van vaste activa hebben (deze voorwaarde geldt niet als het gaat om een gedwongen meerwaarde).
Binnenschepen bestemd voor commerciële vaart
Onder binnenschepen bestemd voor commerciële vaart wordt verstaan :
- vaartuigen die goederen of personen vervoeren, zowel voor eigen rekening als voor rekening van derden;
- vaartuigen die binnenvaartuigen duwen, zowel voor eigen rekening als voor rekening van derden.
De herbelegging moet uiterlijk bij de stopzetting van de beroepswerkzaamheid gebeuren en binnen een termijn :
1° van 5 jaar na het verstrijken van het belastbare tijdperk waarin de schadeloosstelling is ontvangen, als het gaat om een gedwongen meerwaarde;
2° van 5 jaar vanaf de eerste dag van het belastbaar tijdperk waarin de meerwaarde werd verwezenlijkt of vanaf de eerste dag van het voorlaatste belastbaar tijdperk dat de verwezenlijking van de meerwaarde voorafgaat als het gaat om een vrijwillig verwezenlijkte meerwaarde.
Te herbeleggen activa
Het actief waarin wordt herbelegd, moet aan bepaalde voorwaarden voldoen :
- de herbelegging moet gebeuren in nieuwe of bestaande vaartuigen die bestemd zijn voor de commerciële vaart;
- ze moeten in België voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid worden gebruikt;
- ze moeten beantwoorden aan ecologische normen die door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, worden bepaald;
- het schip waarin wordt herbelegd moet gelijktijdig aan minstens twee van de drie volgende voorwaarden voldoen :
II. AANSLAGSTELSEL VOOR BEPAALDE VERGOEDINGEN DIE BETAALD OF TOEGEKEND WORDEN AAN ONDERZOEKERS
- van een recenter bouwjaar zijn (minstens 5 jaar recenter zijn) dan het vaartuig waarop de meerwaarde betrekking heeft;
- en/of een groter vermogen hebben (verhoging van minstens 25 % van het laadvermogen of 25 % van het motorvermogen voor de duwboten) dan het vaartuig waarop de meerwaarde betrekking heeft;
- en/of maximum 20 jaar in gebruik zijn.
A. Wettekst
Wet houdende diverse bepalingen (IV) van 25.4.2007
Art. 132. Artikel 90 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 20 december 1996, 20 juli 2000 en 13 juli 2001 en bij de wetten van 10 augustus 2001, 15 december 2004 en 27 december 2005, wordt aangevuld als volgt :
"12° persoonlijke vergoedingen uit de exploitatie van een uitvinding die door een universiteit, een hogeschool, het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek, het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen, het "Fonds de la Recherche Scientifique - FNRS" of een overeenkomstig artikel 2753, § 1, tweede lid, erkende wetenschappelijke instelling op grond van een door die universiteit, hogeschool of wetenschappelijke instelling uitgevaardigd valorisatiereglement, worden betaald of toegekend aan onderzoekers. Onder "onderzoeker" wordt verstaan iedere onderzoeker die wordt bedoeld in artikel 2753, § 1, eerste en tweede lid, en die - alleen of binnen een ploeg - onderzoek verricht in een universiteit, hogeschool of erkende wetenschappelijke instelling, alsmede de docenten. Onder "uitvindingen" wordt verstaan octrooieerbare uitvindingen, kweekproducten, tekeningen en modellen, topografieën van halfgeleiderproducten, computerprogramma's en databanken, die voor commerciële doeleinden kunnen worden aangewend.".
Art. 133. In titel II, hoofdstuk II, afdeling V, onderafdeling II, van hetzelfde Wetboek wordt een artikel 102bis ingevoegd, luidend :
"Art. 102bis. De in artikel 90, 12°, bedoelde inkomsten worden naar het netto bedrag ervan in aanmerking genomen, dit is het bruto bedrag verminderd met 10 % forfaitaire kosten.".
Art. 134. In artikel 104, 3°, b, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 12 juni 1998, 22 december 1998 en 27 december 2006, worden de woorden" aan het "Fonds de la Recherche Scientifique - FNRS", "ingevoegd tussen de woorden" aan het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek - Vlaanderen, "en het woord "zomede".
Art. 135. In artikel 171, 1°, a, van hetzelfde Wetboek worden de woorden "en 12°" ingevoegd tussen de woorden "artikel 90, 1° "en het woord, "vermelde".
Art. 136 . In artikel 228, § 2, 9°, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 december 1996 en bij de wetten van 15 december 2004 en 25 april 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de woorden "artikel 90, 1° tot 11°" worden vervangen door de woorden "artikel 90, 1° tot 12°";
2° het 9° wordt aangevuld met een k, die luidt als volgt :
"k) persoonlijke vergoedingen uit de exploitatie van een uitvinding die door een Belgische universiteit of hogeschool, het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek, het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen het "Fonds de la Recherche Scientifique - FNRS" of een overeenkomstig artikel 2753, § 1, tweede lid, erkende onderzoeksinstelling op grond van een door die universiteit, hogeschool of onderzoeksinstelling uitgevaardigd valorisatiereglement, worden betaald of toegekend aan onderzoekers. Onder "onderzoeker" wordt verstaan iedere onderzoeker die wordt bedoeld in artikel 2753, § 1, eerste en tweede lid, en die - alleen of binnen een ploeg - onderzoek verricht in een universiteit, hogeschool of erkende onderzoeksinstelling, alsmede de docenten. Onder "uitvindingen" wordt verstaan potentieel octrooieerbare uitvindingen, kweekproducten, tekeningen en modellen, topografieën van halfgeleiderproducten, computerprogramma's en databanken, die voor commerciële doeleinden kunnen worden aangewend.".
Art. 137. In artikel 232, eerste lid, 2°, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 28 juli 1992, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in de inleidende zin worden de woorden "en van de in artikel 228, § 2, 9°, h vermelde meerwaarden" vervangen door de woorden", van de in artikel 228, § 2, 9°, h, vermelde meerwaarden en van de in 228, § 2, 9°, vermelde diverse inkomsten";
2° in b worden de woorden "en 9°, h" vervangen door de woorden "en 9°, h en k".
Art. 138. In artikel 2753, § 1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd en gewijzigd bij de wet van 3 juli 2005 en gewijzigd bij de programmawet (I) van 27 december 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in de Franse tekst worden de woorden "écoles supérieures" vervangen door de woorden "hautes écoles";
2° de woorden", het "Fonds de la Recherche Scientifique - FNRS" "worden ingevoegd tussen de woorden "het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek" en het woord "alsmede".
Art. 139. De artikelen 132, 133 en 135 tot 137 en 138, 2°, zijn van toepassing op de vergoedingen en bezoldigingen die vanaf 1 januari 2007 worden betaald of toegekend.
Artikel 134 is van toepassing op de giften die vanaf 1 januari 2007 worden gedaan.
B. Commentaar
1. Algemeen
In het WIB 92 worden een aantal aanpassingen aangebracht ingevolge de beslissing van de regering om een aanvullende fiscale stimulans voor wetenschappelijk personeel in te voeren door de belasting aan een afzonderlijk tarief van bepaalde inkomsten die worden toegekend aan onderzoekers.
2. Aanvulling van artikel 90, WIB 92
De laatste jaren werd, in het kader van de aanmoediging van het wetenschappelijk onderzoek, reeds vrijstellingen van doorstorting van verschuldigde bedrijfsvoorheffing toegekend van :
- 65 % voor de universiteiten, de hogescholen, het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek en het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek Vlaanderen;
- 50 % voor de erkende wetenschappelijke instellingen, de samenwerkingsverbanden tussen de overheids- en de privé-sector en de "young innovative companies" ;
- 25 % voor de ondernemingen die onderzoekers met een diploma van doctor of burgerlijk ingenieur tewerkstellen.
Die leemte wordt nu opgevuld door de vergoedingen die worden betaald of toegekend in uitvoering van een financiële regeling door een van de navolgende instellingen, aan een onderzoeker als tegenprestatie voor zijn deelname in een commercieel uitgebate uitvinding, als diverse inkomsten afzonderlijk te belasten tegen een tarief van 33 % (uitgezonderd wanneer gezamenlijke belasting voordeliger is):
- een universiteit;
- een hogeschool;
- het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek;
- het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen;
- het "Fonds de la Recherche Scientifique - FNRS";
- een wetenschappelijke instelling die daartoe wordt erkend overeenkomstig artikel 275^3, § 1, tweede lid, WIB 92.
- de assistent-onderzoekers bezoldigd door de universiteiten en hogescholen;
- de postdoctorale onderzoekers bezoldigd door het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek, het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen en het "Fonds de la Recherche Scientifique - FNRS";
- de assistent-onderzoekers en de postdoctorale onderzoekers bezoldigd door de hierboven erkende wetenschappelijke instellingen.
Dit nieuw artikel laat de aftrek van 10 % als forfaitaire kosten toe voor de in artikel 90, 12°, WIB 92, bedoelde diverse inkomsten (zie nr. 2, hiervoor).
4. Aanpassing van artikel 104, 3°, WIB 92
De stichting van openbaar nut "Fonds de la Recherche Scientifique - FNRS", waarvan de statuten werden gepubliceerd in de bijlagen van het Belgisch Staatsblad van 8 december 2006, is de rechtsopvolger ten algemene titel van de Franstalige Raad van Bestuur van het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek.
Door de aanpassing wordt het "Fonds de la Recherche Scientifique - FNRS", net als het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek en het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek - Vlaanderen, opgenomen in het WIB 92 als instelling die fiscaal aftrekbare giften in geld kan ontvangen.
Om een gelijke fiscale behandeling met het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek - Vlaanderen te verzekeren, zijn deze bepalingen van toepassing op de giften die vanaf 1 januari 2007 aan het "Fonds de la Recherche Scientifique - FNRS" worden gedaan.
5. Aanpassing aan artikel 171, 1°, a, WIB 92
De in artikel 90, 12°, WIB 92 (nieuw) bedoelde diverse inkomsten worden toegevoegd aan de diverse inkomsten die afzonderlijk aan het tarief van 33 % worden belast.
6. Aanpassingen aan artikel 228, WIB 92
De in artikel 90, 12°, WIB 92 (nieuw) bedoelde diverse inkomsten worden toegevoegd aan de diverse inkomsten die in aanmerking komen voor de belasting van niet-inwoners.
7. Aanpassing aan artikel 275^3, WIB 92
De verwijzing naar "écoles supérieures" die zich in artikel 275 3, § 1, eerste lid, WIB 92, bevindt, wordt in de franse tekst vervangen door de vermelding "hautes écoles" die de wettelijke benaming is die wordt gebruikt door de Franse Gemeenschap.
Het "Fonds de la Recherche Scientifique - FNRS", wordt net als het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek en het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek - Vlaanderen, opgenomen in artikel 275 3, § 1, eerste lid, WIB 92, als instelling die in aanmerking komt voor de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing.
C. Inwerkingtreding
De hiervoor besproken wijzigingen zijn, naargelang het geval, van toepassing op de vergoedingen en bezoldigingen die vanaf 1 januari 2007 worden betaald of toegekend, of op de giften die vanaf 1 januari 2007 worden gedaan.
BIJLAGE 2 - WET VAN 25 APRIL 2007 TOT WIJZIGING VAN SOMMIGE BEPALINGEN VAN HET WETBOEK VAN INKOMSTENBELASTINGEN 1992 TENEINDE ZE IN OVEREENSTEMMING TE BRENGEN MET BEPAALDE PRINCIPES VAN HET VERDRAG TOT OPRICHTING VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAP EN DE OVEREENKOMST BETREFFENDE DE EUROPESE ECONOMISCHE RUIMTE
| INHOUDSTAFEL | |
| A. | WETTEKST |
| B. | COMMENTAAR |
| 1. | Algemeen |
| 2. | Aanvulling van artikel 12, § 3, WIB 92, en aanpassing van artikel 115, § 1, 2°, WIB 92 |
| 3. | Wijzigingen in de artikelen 243 en 244, WIB 92 |
| 4. | Wijzigingen artikel 526, WIB 92 |
| C. | INWERKINGTREDING |
A. WETTEKST
…
Art. 2. Artikel 12, § 3, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, ingevoegd bij de wet van 27 december 2004 en gewijzigd bij de wet van 27 december 2005, wordt aangevuld met het volgende lid :
"Wanneer de belastingplichtige een woning betrekt die gelegen is in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte en er de eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder of vruchtgebruiker van is, is de vrijstelling waarin deze paragraaf voorziet van toepassing op de huurwaarde van deze woning of, in de gevallen bedoeld in het derde en vijfde lid, op het totale bedrag van de huurprijs en de huurvoordelen.".
Art. 3. In artikel 115, § 1, 2°, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 27 december 2004 en gewijzigd bij de wet van 27 december 2005, worden de woorden "in België" vervangen door de woorden "in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte".
Art. 4. In artikel 243 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 28 juli 1992, 30 maart 1994, 6 juli 1994 en 21 december 1994, bij het koninklijk besluit van 13 juli 2001 en bij de wetten van 10 augustus 2001, 22 december 2003, 9 juli 2004, 27 december 2004, 3 juli 2005, 23 december 2005 en 27 december 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1. het laatste lid wordt vervangen als volgt :
"De artikelen 126 tot 129, 145^1, 1°, 2° en 5°, 145^2 tot 145^4, 145^6, wat de toepassing van artikel 145^1, 2°, betreft, 145^8 tot 145^16, 145^21 tot 145^31, 154bis, 157 tot 169 en 171 tot 178 zijn eveneens van toepassing.";
2. het artikel wordt aangevuld met het volgende lid :
"Wat de individuele levensverzekering betreft die dient voor het wedersamenstellen of het waarborgen van een hypothecaire lening, is artikel 145^1, 2°, slechts van toepassing wanneer de hypothecaire lening is aangegaan voor :
- een in België gelegen woning;
- een in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte gelegen woning die de belastingplichtige op 31 december van het jaar waarin het leningcontract is gesloten, zelf betrekt en waarvan hij eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder of vruchtgebruiker is. Om te beoordelen of de belastingplichtige de woning zelf betrekt, gelden dezelfde regels als in artikel 12, § 3.".
"In afwijking van het eerste lid zijn de artikelen 145 1, 2°, wat de individuele levensverzekeringen betreft die dienen voor het wedersamenstellen of het waarborgen van een hypothecaire lening voor een andere dan de in artikel 104, 9°, bedoelde woning, en 145^1, 3°, slechts van toepassing wanneer de hypothecaire lening is aangegaan voor :
- een in België gelegen woning;
- een in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte gelegen woning die de belastingplichtige op 31 december van het jaar waarin het leningcontract is gesloten, zelf betrekt en waarvan hij eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder of vruchtgebruiker is. Om te beoordelen of de belastingplichtige de woning zelf betrekt, gelden dezelfde regels als in artikel 12, § 3.".
1. § 1 wordt aangevuld als volgt :
"Voor de toepassing van het in het vorige lid bedoeld artikel 16 worden de huurwaarde, de huurprijs en de huurvoordelen van een in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte gelegen woning, gelijkgesteld met het kadastraal inkomen.".
2. § 2 wordt aangevuld als volgt :
"Voor de toepassing van de in de vorige leden bedoelde bepalingen wordt de notie "in België" telkens vervangen door de notie "in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte".
In afwijking van het tweede lid moet in artikel 243, zoals het bestond alvorens te zijn gewijzigd door artikel 405 van de programmawet van 27 december 2004, de verwijzing naar artikel 145^1, 1° tot 4°, worden beperkt tot een verwijzing naar de artikelen 145^1, 1°, 2° en 5° met dien verstande dat artikel 145^1, 2°, wat de individuele levensverzekeringen betreft die dienen voor het wedersamenstellen of het waarborgen van een hypothecaire lening voor een woning, slechts van toepassing is wanneer de hypothecaire lening is aangegaan voor :
- een in België gelegen woning;
- een in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte gelegen woning die de belastingplichtige op 31 december van het jaar waarin het leningcontract is gesloten, zelf betrekt en waarvan hij eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder of vruchtgebruiker is. Om te beoordelen of de belastingplichtige de woning zelf betrekt, gelden dezelfde regels als in artikel 12, § 3.".
B. COMMENTAAR
1. Algemeen
Met de ingebrekestelling nr. 2005/5061 van 4 april 2006 vestigt de Europese Commissie de aandacht op de onverenigbaarheid van enkele bepalingen in de Belgische belastingwetgeving betreffende de belastingvoordelen voor interesten van hypothecaire leningen, voor de aflossing of wedersamenstelling van die leningen en voor de daarmee verband houdende premies van individuele levensverzekeringscontracten, met het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (verder EG-Verdrag) en de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (verder EER-Overeenkomst).
Inzonderheid concludeert de Commissie van de Europese Gemeenschappen dat België zijn verplichtingen krachtens het EG-Verdrag en de EER-Overeenkomst niet is nagekomen voor zover het aan personen die in een andere lidstaat of een EER-staat wonen en aldaar een huis met een hypotheek bezitten, en hun inkomen geheel of vrijwel uitsluitend verwerven uit een in België verrichte werkzaamheid, geen belastingvoordelen toekent in verband met de hiervoor bedoelde uitgaven, zoals die voor een ingezetene van België wel gelden.
België komt evenmin zijn verplichtingen na voor zover een ingezetene van België, doordat hij geen aanspraak kan maken op de belastingvermindering die geldt voor tweede woningen die in België zijn gelegen, ervan wordt weerhouden een tweede woning in een andere lidstaat of EER-staat te verwerven.
België heeft geen argumenten om die standpunten van de Commissie van de Europese Gemeenschappen te weerleggen zodat dat het niet anders kan dan het interne recht in overeenstemming te brengen met de Europese regelgeving.
2. Aanvulling van artikel 12, § 3, WIB 92, en aanpassing van artikel 115, § 1, 2°, WIB 92
Indien het voordeel van artikel 104, 9°, WIB 92, ingevolge een aanpassing van artikel 115, § 1, 2°, WIB 92, ook toepassing kan vinden op in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte gelegen woningen, dan impliceert dat eveneens een gelijke behandeling op het niveau van artikel 12, § 3, WIB 92. Wat de in het buitenland gelegen woningen betreft, kan geen kadastraal inkomen worden vrijgesteld aangezien dit een puur Belgisch begrip is zodat de gelijkschakeling enkel kan worden bereikt door de in artikel 7, WIB 92, bedoelde huurwaarde of de huurprijs en de huurvoordelen vrij te stellen wanneer het althans gaat om een in een EER-staat gelegen woning waarvan de belastingplichtige eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder of vruchtgebruiker is en die hij zelf betrekt. Een situatie waarin een belastingplichtige zich op die vrijstelling van de huurwaarde of de huurprijs en de huurvoordelen zou kunnen beroepen, is die van een rijksinwoner die een in het buitenland gelegen woning in eigendom heeft maar die niet zelf kan betrekken om beroepsredenen of redenen van sociale aard.
Met de invoeging van het nieuwe zesde lid wil de wetgever een vrijstelling van het onroerend inkomen voor de in een andere EER-staat gelegen eigen woning invoeren, net zoals dat het geval is voor de in België gelegen eigen woning.
3. Wijzigingen in de artikelen 243 en 244, WIB 92
Aangezien de ingebrekestelling nr. 2005/5061 van 4 april 2006, enkel het geval viseert van de personen die in een andere lidstaat of een EER-staat wonen en aldaar een huis met een hypotheek bezitten, en hun inkomen geheel of vrijwel uitsluitend verwerven uit een in België verrichte werkzaamheid, worden voor de berekening van de belasting van niet-inwoners/natuurlijke personen, een aantal bepalingen verplaatst van artikel 243, WIB 92, naar artikel 244, WIB 92.
Artikel 243, WIB 92, vormt de basis voor de berekening van de belasting van niet-inwoners/natuurlijke personen en is van toepassing op alle categorieën van niet-inwoners, terwijl artikel 244, WIB 92, de regels bevat voor niet-inwoners/natuurlijke personen die voor de berekening van de belasting worden gelijkgesteld met inwoners.
Wat de artikelen 243 en 244, WIB 92 betreft, zijn er twee grote wijzigingen :
1° volgens de Europese Commissie moet het belastingvoordeel dat is verbonden aan de betalingen voor de aflossing of wedersamenstelling van een hypothecaire lening (artikel 145 1, 3°, WIB 92), enkel worden toegestaan aan niet-inwoners die hun inkomen geheel of vrijwel uitsluitend verwerven uit een in België verrichte werkzaamheid. Door de aanpassing van de verwijzing in artikel 243, laatste lid, WIB 92, wordt het voordeel niet meer verleend aan alle niet-inwoners, maar enkel nog aan de in artikel 244, WIB 92, bedoelde niet-inwoners;
2° in het kader van het lange termijnsparen worden de toegekende voordelen voor de individuele levensverzekeringen die dienen voor de wedersamenstelling of het waarborgen van een hypothecaire lening die is aangegaan voor het bouwen of het verwerven van een andere dan de enige, eigen woning, beperkt tot de gevallen waarin het gaat om een hypothecaire lening die is aangegaan voor :
- een in België gelegen woning;
- een in een andere EER-staat gelegen woning die de belastingplichtige op 31 december van het jaar waarin het leningcontract is gesloten, zelf betrekt en waarvan hij eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder of vruchtgebruiker is. Om te beoordelen of de belastingplichtige de woning zelf betrekt, gelden dezelfde regels als in artikel 12, § 3, WIB 92.
Inzonderheid wordt dus bedoeld de woning die de belastingplichtige betrekt (voorwaarde te vervullen op 31 december van het jaar waarin het leningcontract is gesloten) en waarvan hij eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder of vruchtgebruiker is. Net zoals dat voor de toepassing van artikel 12, § 3, WIB 92, het geval is mag de belastingplichtige een woning kiezen wanneer hij meer dan één woning betrekt. Wanneer de eigen woning om beroepsredenen of redenen van sociale aard niet persoonlijk door de belastingplichtige wordt betrokken dan vormt dit geen beletsel voor de toekenning van het belastingvoordeel.
Het belastingvoordeel wordt niet toegekend voor de uitgaven die betrekking hebben op het deel van de woning dat wordt gebruikt voor de uitoefening van de beroepswerkzaamheid van de belastingplichtige of van een van zijn gezinsleden of dat wordt betrokken door personen die geen deel uitmaken van zijn gezin.
Wanneer gehuwde belastingplichtigen meer dan één woning betrekken, wordt het belastingvoordeel slechts toegestaan voor de door de echtgenoten gekozen woning die zij beiden betrekken. Het belastingvoordeel mag eveneens worden toegestaan wanneer de echtgenoten of één van hen om beroepsredenen of redenen van sociale aard de aldus gekozen woning niet persoonlijk betrekken.
De andere wijzigingen in artikel 243, WIB 92, hebben betrekking op het toekennen van een aantal nieuwe belastingverminderingen, met inbegrip van de belastingvermindering voor pensioensparen die voorheen niet toegelaten was voor niet-inwoners.
4. Wijzigingen artikel 526, WIB 92
De ingebrekestelling nr. 2005/5061 viseert eveneens de regels die van toepassing zijn op de vóór 1.1.2005 gesloten hypothecaire leningen. Vandaar dat er zich eveneens een aanpassing van artikel 526, § 1 en 2, WIB 92, opdringt.
Wat artikel 526, § 1, WIB 92, betreft, wordt verduidelijkt dat de huurwaarde, de huurprijs en de huurvoordelen, voor de toepassing van artikel 16, WIB 92, worden gelijkgesteld met het kadastraal inkomen, dit om mogelijk te maken dat de woningaftrek eveneens van toepassing zou zijn op in het buitenland gelegen woningen.
Verder moet eveneens rekening worden gehouden met het feit dat de genoemde ingebrekestelling bepaalt dat die voordelen moeten worden toegestaan aan personen die hun inkomen geheel of vrijwel uitsluitend verwerven uit een in België verrichte werkzaamheid zodat het voor de toepassing van artikel 526, WIB 92, eveneens nodig is om de verwijzing naar artikel 145 1, 3°, WIB 92, uit het artikel 243, WIB 92, te verwijderen aangezien dit artikel voor alle categorieën van niet-inwoners geldt. Het past dus ook hier om het voordeel van artikel 145 1, 3°, WIB 92, enkel toe te staan aan niet-inwoners die voor de berekening van de belasting worden gelijkgesteld met inwoners. Dat effect wordt met de voorgestelde wijziging bereikt (artikel 243, WIB 92, verwijst niet langer naar artikel 145 1, 3°, WIB 92, zodat het automatisch onder de toepassing van artikel 244, WIB 92, valt).
Voor het overige worden dezelfde voorwaarden ingevoerd als voor de toepassing van het artikel 243, WIB 92.
C. INWERKINGTREDING
Deze wet is van toepassing vanaf aanslagjaar 2008.
BIJLAGE 3 - WET VAN 25 APRIL 2007 TOT WIJZIGING VAN HET WETBOEK VAN INKOMSTENBELASTINGEN 1992 INZAKE DE VERGOEDINGEN TOEGEKEND AAN KUNSTENAARS
| INHOUDSTAFEL | |
| A. | Wettekst |
| B. | Commentaar |
| 1. | Algemeen |
| 2. | Vrijgesteld beroepsinkomen |
| 3. | Definities |
| 4. | Te vervullen voorwaarden |
| 5. | Diverse inkomsten |
| 6. | Indexering |
| C. | INWERKINGTREDING |
A. WETTEKST
…
Art. 2. In artikel 38 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, laatst gewijzigd bij de programmawet (I) van 27 december 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° § 1, eerste lid, wordt als volgt aangevuld :
"23° de forfaitaire onkostenvergoedingen toegekend wegens het leveren van artistieke prestaties en / of het produceren van artistieke werken voor rekening van een opdrachtgever, voor een maximumbedrag van 2.000 EUR per kalenderjaar en voorzover de in § 4 gestelde voorwaarden worden nageleefd.";
2° het wordt aangevuld met een § 4 die luidt als volgt :
"§ 4. Voor de toepassing van § 1, eerste lid, 23°, moet worden verstaan onder :
- "het leveren van artistieke prestaties en/of het produceren artistieke werken" : de creatie en/of uitvoering of interpretatie van artistieke werken in de audiovisuele en de beeldende kunsten, in de muziek, de literatuur, het spektakel, het theater en de choreografie;
- "opdrachtgever" : diegene die opdracht geeft aan een belastingplichtige tot het leveren van een artistieke prestatie of het produceren van een artistiek werk in de zin van het voorgaande streepje. Wordt ook als opdrachtgever beschouwd, de persoon bij wie de belastingplichtige ter beschikking wordt gesteld.
1° de belastingplichtige moet in het bezit zijn van een behoorlijk ingevulde kunstenaarskaart;
2° de forfaitaire onkostenvergoeding mag per opdrachtgever niet hoger zijn dan 100 EUR per dag. Indien de opdrachtgever een hoger bedrag uitbetaalt, komt de volledige vergoeding niet in aanmerking voor de vrijstelling;
3° de belastingplichtige mag op het ogenblik van het leveren van een artistieke prestatie en/of het produceren van een artistiek werk niet gebonden zijn door een arbeidsovereenkomst, een aannemingsovereenkomst of een statutaire aanstelling met dezelfde opdrachtgever, tenzij hij en de opdrachtgever bewijzen dat de prestaties van de verschillende activiteiten van verschillende aard zijn.".
Art. 3 . Artikel 97 van hetzelfde Wetboek wordt als volgt vervangen :
"Art. 97. § 1. De in artikel 90, 1°, vermelde inkomsten worden naar het netto bedrag ervan in aanmerking genomen, dit is het bruto bedrag verminderd met de kosten waarvan de belastingplichtige het bewijs levert dat zij tijdens het belastbare tijdperk zijn gedaan of gedragen om die inkomsten te verkrijgen of te behouden.
§ 2. Voorzover de in artikel 38, § 4, gestelde voorwaarden die van overeenkomstige toepassing zijn, worden nageleefd, wordt geen rekening gehouden met de forfaitaire onkostenvergoedingen toegekend wegens het leveren van artistieke prestaties en/of het produceren van artistieke werken voor rekening van een opdrachtgever voor een maximumbedrag van 2.000 EUR per kalenderjaar.".
Art. 4. Artikel 178, § 4, van hetzelfde Wetboek, opgeheven bij de wet van 27 december 2004, wordt hersteld in de volgende lezing :
"§ 4. In afwijking van § 2, eerste lid, zijn de in artikel 38, § 1, eerste lid, 23° en § 4, en artikel 97, § 2, vermelde bedragen gekoppeld aan het gezondheidsindexcijfer van de maand september 2003 (112,47). Op 1 januari van elk jaar worden de bedragen aangepast overeenkomstig de volgende formule : het basisbedrag wordt vermenigvuldigd met het gezondheidsindexcijfer van de maand september van het jaar voorafgaand aan het jaar tijdens welk het nieuwe bedrag van toepassing zal zijn en gedeeld door het gezondheidsindexcijfer van de maand september 2003.
Uiterlijk in de loop van de maand december van elk jaar worden de bedragen toepasselijk tijdens het volgende kalenderjaar in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd. De Federale Overheidsdienst Financiën vermeldt die inlichting eveneens op zijn webstek.".
Art. 5. Deze wet is van toepassing op de forfaitaire onkostenvergoedingen die zijn toegekend vanaf 1 januari 2007.
B. COMMENTAAR
1. Algemeen
Sedert 1 juli 2003 is het sociaal statuut van de kunstenaars in werking getreden. Dit statuut heeft tot gevolg dat bij toepassing van de techniek van de gelijkstelling, de kunstenaars aan de sociale zekerheid van de werknemers onderworpen zijn. Krachtens het nieuw sociaal statuut wordt elke vergoeding die aan de kunstenaar wordt toegekend als tegenprestatie voor de artistieke prestatie beschouwd als bijdrageplichtig loon, ongeacht de benaming, vorm, frequentie of hoegrootheid van deze vergoeding. Terugbetalingen van kosten vallen evenwel niet onder het loonbegrip.
Binnen dit sociaal statuut is een regeling uitgewerkt waardoor de kleine vergoedingen die bij kleinschalige artistieke activiteiten (bijvoorbeeld free podium in café, optreden van amateur-theatergezelschap, occasionele tentoonstelling van tekenacademie, enz.) aan kunstenaars worden toegekend, onder strikte voorwaarden als forfaitaire onkostenvergoedingen worden aangemerkt. Indien de uitbetaalde vergoeding niet beantwoordt aan de gestelde voorwaarden, valt de vergoeding onder de toepassing van de wet. Op sociaal vlak kan dan wel aan de hand van bewijsstukken nog worden aangetoond dat het wel degelijk om een terugbetaling van kosten gaat, zodat de vergoeding toch niet wordt onderworpen aan de sociale zekerheidsbijdragen. Deze regeling moet de rechtszekerheid waarborgen binnen dit circuit van kleinschalige artistieke activiteiten.
Aangezien die specifieke sociale maatregel niet kan werken zonder een fiscale begeleidende bepaling die op fiscaal vlak de rechtszekerheid moet waarborgen, is een specifieke regeling uitgewerkt die eruit bestaat dat de bedragen die in aanmerking komen voor de sociale regeling in de meeste gevallen worden vrijgesteld van belasting. De toepassingsvoorwaarden zijn natuurlijk aangepast in functie van de fiscale regels.
Aangezien in het fiscaal recht een onderscheid wordt gemaakt tussen beroepsinkomsten en diverse inkomsten en aangezien de artistieke activiteiten een beroepskarakter of een occasioneel karakter kunnen hebben, wordt de vrijstelling zowel inzake beroepsinkomsten als inzake diverse inkomsten geregeld.
2. Vrijgesteld beroepsinkomen
Artikel 38, WIB 92, wordt gewijzigd teneinde de forfaitaire onkostenvergoeding die binnen de uitoefening van een beroepsmatige activiteit als kunstenaar is verkregen en die aan bepaalde voorwaarden voldoet, vrij te stellen.
Het gaat hier inzonderheid om de forfaitaire onkostenvergoeding toegekend wegens het leveren van artistieke prestaties en / of het produceren van artistieke werken voor rekening van een opdrachtgever.
Die vrijstelling wordt maar toegestaan tot beloop van een maximumbedrag dat is vastgesteld op 2.000 EUR (niet-geïndexeerd bedrag, geïndexeed bedrag aanslagjaar 2008 : 2111,32 EUR) per kalenderjaar. Van zodra het bedrag wordt overschreden, is het deel boven het maximumbedrag per kalenderjaar een belastbaar inkomen.
3. Definities
Er wordt gedefinieerd wat moet worden verstaan onder "het leveren van artistieke prestaties en/of het produceren artistieke werken" en "opdrachtgever". Daartoe zijn de volgende omschrijvingen gebruikt die zijn opgenomen in het sociaal statuut :
- leveren van artistieke prestaties en/of het produceren van artistieke werken : de creatie en/of uitvoering of interpretatie van artistieke werken in de audiovisuele en de beeldende kunsten, in de muziek, de literatuur, het spektakel, het theater en de choreografie;
- opdrachtgever : diegene die opdracht geeft aan een belastingplichtige tot het leveren van een artistieke prestatie of het produceren van een artistiek werk in de zin van het voorgaande streepje. Wordt ook als opdrachtgever beschouwd, de persoon bij wie de belastingplichtige ter beschikking wordt gesteld.
Om de bedoelde vrijstelling te bekomen moeten de volgende voorwaarden worden nageleefd :
1° de belastingplichtige moet in het bezit zijn van een behoorlijk ingevulde kunstenaarskaart;
2° de forfaitaire onkostenvergoeding mag per opdrachtgever niet hoger zijn dan 100 EUR (niet-geïndexeerd bedrag, geïndexeerd bedrag aanslagjaar 2008 : 105,57 EUR) per dag. Indien de opdrachtgever een hoger bedrag uitbetaalt, komt de volledige vergoeding niet in aanmerking voor de vrijstelling;
3° de belastingplichtige mag op het ogenblik van het leveren van een artistieke prestatie en/of het produceren van een artistiek werk niet gebonden zijn door een arbeidsovereenkomst, een aannemingsovereenkomst of een statutaire aanstelling met dezelfde opdrachtgever, tenzij hij en de opdrachtgever bewijzen dat de prestaties van de verschillende activiteiten van verschillende aard zijn.
Behoorlijk ingevulde kunstenaarskaart
De invoering van de kunstenaarskaart is vastgelegd door het koninklijk besluit van 3 juli 2005 tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en houdende uitvoering van artikel 12ter van het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, en tot wijziging van artikel 4, § 2, tweede lid van het koninklijk besluit van 26 juni 2003 tot vaststelling van de toekenningsvoorwaarden en -modaliteiten met betrekking tot de zelfstandigheidsverklaring aangevraagd door bepaalde kunstenaars. Een ministerieel besluit zal het model van de kaart vastleggen.
Forfaitaire onkostenvergoeding
Deze voorwaarde strekt ertoe de maatregel te beperken tot een welbepaalde groep kunstenaars, te weten de kleinschalige kunstenaar; het is namelijk niet de bedoeling om elke belastingplichtige een maximale vrijstelling van 2.000 EUR (niet-geïndexeerd bedrag) te geven.
Niet gebonden zijn door een arbeidsovereenkomst, een aannemingsovereenkomst of een statutaire aanstelling
De derde voorwaarde moet voorkomen dat kunstenaars die reeds een band hebben met de opdrachtgever, trachten de vrijstelling te bekomen van een deel van hun inkomsten. Zo zal een acteur verbonden aan een bepaalde instelling voor het leveren van artistieke activiteiten niet in aanmerking komen voor de vrijstelling indien hij bijvoorbeeld in opdracht van dezelfde instelling optreedt op een benefietavond. Een bediende zal daarentegen zonder problemen voor zijn werkgever een artistieke activiteit kunnen leveren die in aanmerking komt voor de vrijstelling.
5. Diverse inkomsten
Artikel 97, WIB 92, wordt gewijzigd. De huidige tekst van dat artikel vormt de nieuwe § 1.
In § 2 wordt voor de diverse inkomsten een vrijstellingsregel ingevoerd die analoog is aan de vrijstellingsregel in artikel 38, WIB 92, voor de beroepsinkomsten. De maximale vrijstelling bedraagt opnieuw 2.000 EUR (niet-geïndexeerd bedrag) en de voorwaarden die moeten worden vervuld zijn dezelfde als die vermeld in artikel 38, § 4, WIB 92.
6. Indexering
Artikel 178, WIB 92, wordt gewijzigd om de indexering van de bedragen die zijn vermeld in artikel 38, § 1, eerste lid, 23° en § 4 en artikel 97, § 2, WIB 92, op dezelfde manier te laten gebeuren als op sociaal vlak. Het is inderdaad niet verantwoord verschillende indexeringsmechanismen toe te passen op dezelfde bedragen naargelang het gaat om de sociale of de fiscale toepassing.
C. INWERKINGTREDING
De nieuwe regeling heeft uitwerking op de forfaitaire onkostenvergoedingen die zijn toegekend vanaf 1 januari 2007.
BIJLAGE 4 - WET VAN 25 APRIL 2007 HOUDENDE WIJZIGING VAN DE BEPALINGEN INZAKE DE INVESTERINGSAFTREK
| INHOUDSTAFEL | |
| A. | WETTEKST |
| B. | COMMENTAAR |
| 1. | Algemeen |
| 2. | Aanpassing aan artikel 69, § 1, eerste lid, 3°, WIB 92 |
| 3. | Wijziging artikel 77, WIB 92 |
A. Wettekst
…
Art. 2. In artikel 69, § 1, eerste lid, 3°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, ingevoegd bij de wet van 27 december 2004, worden de woorden "en waarvan de installatie werd goedgekeurd door de ambtenaar belast met de adviezen inzake techno-preventie in de politiezone waar die activa worden gebruikt" geschrapt.
Art. 3. In artikel 77 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 20 december 1995 en 4 mei 1999, worden de woorden "ingevolge artikel 69, § 1, eerste lid, 2° "vervangen door de woorden" ingevolge artikel 69, § 1, eerste lid, 2° en 3°.".
Art. 4. Artikel 2 heeft uitwerking op de vaste activa die zijn verkregen of tot stand gebracht tijdens een belastbaar tijdperk dat is verbonden aan aanslagjaar 2008 of een later aanslagjaar.
Artikel 3 is van toepassing op de vaste activa die zijn verkregen of tot stand gebracht tijdens een belastbaar tijdperk dat is verbonden aan aanslagjaar 2006 of aan een later aanslagjaar.
…
B. Commentaar
1. Algemeen
Deze wet strekt ertoe de administratieve procedure inzake de in artikel 69, § 1, eerste lid, 3°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92) vermelde investeringsaftrek voor beveiliging te vereenvoudigen en in artikel 77, WIB 92, een legistieke verwijzing te verbeteren.
2. Aanpassing aan artikel 69, §1, eerste lid, 3°, WIB 92
Weinig zelfstandigen, KMO's en beoefenaars van vrije beroepen maken gebruik van het e-loket voor het verkrijgen van een verhoogde fiscale investeringsaftrek in beveiliging.
Dat er beperkt gebruik wordt gemaakt van deze maatregel is enerzijds te wijten aan de vrij zware, administratieve last omdat het aanvragen van het advies gebeurt in verschillende stappen en vrij tijdrovend is. Daarom wordt deze procedure vereenvoudigd door geen goedkeuring van de ambtenaar belast met de adviezen inzake techno-preventie in de politiezone waar die activa worden gebruikt, meer te eisen om de investeringsaftrek mogelijk te maken.
Die wijziging van artikel 69, § 1, eerste lid, 3°, WIB 92, treedt in werking vanaf aanslagjaar 2008.
3. Wijziging artikel 77, WIB 92
In artikel 77, WIB 92, wordt de verwijzing naar artikel 69, § 1, eerste lid, WIB 92, verbeterd. Op die manier kunnen de toepassingsmodaliteiten die betrekking hebben op de investeringsaftrek voor investeringen die dienen voor de beveiliging van de beroepslokalen, door de Koning worden vastgelegd.
Deze aanpassing heeft uitwerking vanaf hetzelfde aanslagjaar als de aanpassing aan het genoemde artikel 69, WIB 92, door de programmawet van 27 december 2004, te weten vanaf aanslagjaar 2006.
Bron: FisconetPlus
