Circulaire nr. 5/2004 (AFZ 9/2004 - Dos. E.E./L. 137) d.d. 07.04.2004

VLAAMSE REGISTRATIE- EN SUCCESSIERECHTEN

NIEUW TARIEF VOOR SCHENKINGEN VAN ROERENDE GOEDEREN

WIJZIGING REGEL PROGRESSIEVOORBEHOUD SCHENKINGEN
Tarief tussen samenwonenden = tarief tussen echtgenoten

SCHENKINGEN EN LEGATEN AAN BIJZONDERE RECHTSPERSONEN
Nieuwe tarieven en wijziging toepassingsgebied

WIJZIGINGEN AAN DE STELSELS VAN SCHENKING EN VERERVING VAN ONDERNEMINGEN


In het Belgisch Staatsblad van 31 december 2003, tweede editie, werd het decreet van het Vlaams Parlement van 19 december 2003 "houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2004" bekendgemaakt.

Bij dat decreet worden de volgende wijzigingen doorgevoerd:

a) aan het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten:

1. de schenkingen van roerende goederen worden aan een nieuw tarief onderworpen (artikel 43 van het decreet - artikel 131 VL. W. Reg.); 2. schenkingen tussen samenwonenden worden aan hetzelfde tarief onderworpen als de schenkingen tussen echtgenoten (artikel 44 van het decreet - artikel 132^1 VL. W. Reg.);

3. de voorwaarde voor gelijkstelling van adoptieve afstamming met gewone afstamming wordt aangepast aan de gelijke behandeling van gehuwden en samenwonenden in het kader van het schenkingsrecht (artikel 45 van het decreet - artikel VL. 132^2, 3° W. Reg.);

4. naar analogie met wat reeds bestond voor de onroerende goederen worden ook voor de roerende goederen bijzondere regels in het Wetboek ingeschreven voor de bepaling van de belastinggrondslag in geval van schenking van het vruchtgebruik of de blote eigendom (artikel 46 van het decreet - art. 133 VL. W. Reg.);

5. om ontwijking van de progressieve rechten op schenkingen van onroerende goederen via de techniek van schenkingen met last tegen te gaan, wordt een nieuwe anti-misbruikbepaling ingevoerd (artikel 47 van het decreet - artikel 134, laatste lid VL. W. Reg.);

6. de vermindering van het schenkingsrecht ten voordele van de begiftigde met minstens drie kinderen vindt alleen nog toepassing in de mate dat de schenking betrekking heeft op onroerende goederen (artikel 48 van het decreet - artikel 135 VL. W. Reg.);

7. het laatste restant in het wetboek van de vroegere verschillende behandeling van wettige afstammelingen en natuurlijke afstammelingen wordt verwijderd (artikel 49 van het decreet - artikel 136, laatste lid VL. W. Reg.);

8. de regel van het progressievoorbehoud geldt voortaan alleen nog voor de schenkingen van onroerende goederen (artikelen 50 en 51 van het decreet - artikelen 137 en 138^1 VL. W. Reg.);

9. de administratieve boete in geval van onjuiste opgave van de graad van verwantschap tussen schenker en begiftigde wordt toepasselijk gemaakt wanneer schenker en begiftigde ten onrechte beweren dat zij samenwonenden zijn (artikel 52 van het decreet - artikel 139 VL. W. Reg.);

10. sommige voordeeltarieven voor bepaalde rechtspersonen worden verlaagd, het toepassingsgebied van die tarieven wordt uitgebreid naar gelijkaardige rechtspersonen in de lidstaten van de Europese Economische Ruimte en de schenkingen aan private stichtingen worden voortaan belast aan hetzelfde voordeeltarief als dat geldend voor de schenkingen aan verengingen zonder winstoogmerk (artikel 53 van het decreet - artikel 140 VL. W. Reg.);

11. aan het "Vlaamse" stelsel van schenkingen van ondernemingen worden een aantal wijzigingen aangebracht die samengevat neerkomen op een verzachting van de toepassingsvoorwaarden en van de sancties (artikelen 54 tot 60 van het decreet - artikelen 140bis tot 140quinquies VL. W. Reg.).

b) aan het Wetboek der successierechten:

1. legaten aan stichtingen (stichtingen van openbaar nut en private stichtingen) worden voortaan belast aan hetzelfde voordeeltarief als dat geldend voor legaten aan verenigingen zonder winstoogmerk (artikel 61 van het decreet - artikel 59 VL. W. Succ.); 2. het toepassingsgebied van de voordeeltarieven voor bepaalde rechtspersonen wordt uitgebreid naar gelijkaardige rechtspersonen in de lidstaten van de Europese Economische Ruimte (artikel 62 van het decreet - artikel 60 VL. W. Succ.);

3. het stelsel van de overdrachten van ondernemingen door overlijden ondergaat een aantal wijzigingen die neerkomen op een verzachting van bepaalde toepassingsvoorwaarden (artikelen 63 en 64 van het decreet - artikel 60bis VL. W. Succ.);

4. de regel inzake gecumuleerde progressie in geval van schenkingen binnen de drie jaar voor het overlijden wordt ook geneutraliseerd voor wat de roerende schenkingen en de schenkingen van ondernemingen betreft (artikel 65 van het decreet - artikel 66bis VL. W. Succ.).

Het decreet bevat tenslotte ook nog een bepaling die de kosteloze registratie voorschrijft van akten houdende vestiging van een recht van bewoning op woningen gelegen in Doel (artikel 97 van het decreet). Vermits het hier gaat om een tijdelijke bepaling met beperkt territoriaal toepassingsgebied werd deze bepaling niet in het W. Reg. ingeschreven.

Bij deze circulaire wordt bij die wijzigingen een eerste commentaar gegeven.

Krachtens artikel 103 van het decreet treden bovenstaande maatregelen in werking op 1 januari 2004, met uitzondering evenwel van de maatregel ter garantie van de woonzekerheid in Doel (artikel 97 van het decreet) die in werking treedt op de dag van de publicatie van het decreet in het Belgisch Staatsblad.

In bijlage bij deze circulaire wordt een uittreksel van de tekst van het decreet meegedeeld (bijlage 1). In een tweede bijlage gaat de gecoördineerde tekst van de gewijzigde bepalingen van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten en van het Wetboek der successierechten. In een derde bijlage gaan de wijzigingen die ingevolge onderhavig decreet moeten worden aangebracht aan de circulaire AFZ Nr. 21/2003 - AKRED Nr. 19/2003 van 3 november 2003.



INHOUDSOPGAVE VAN DE COMMENTAAR
AFDELING 1. REGISTRATIERECHTEN
ONDERAFDELING 1. WIJZIGINGEN IN DE ALGEMENE BEPALINGEN BETREFFENDE DE SCHENKINGSRECHTEN
1. Inleiding
2. Nieuw tarief inzake de schenkingen van roerende goederen
3. Vermindering van de rechten in geval de begiftigde minstens drie kinderen van minder dan 21 jaar in leven heeft
4. Regel van het progressievoorbehoud
5. Bijzondere regels inzake de belastinggrondslag indien de schenking het vruchtgebruik of de blote eigendom van roerende goederen betreft
5.1. in geval van schenking van een levenslang vruchtgebruik op roerende goederen
5.2. in geval van schenking van een voor bepaalde tijd gevestigd vruchtgebruik
5.3. in geval van schenking van de blote eigendom van roerende goederen waarvan het vruchtgebruik door de schenker is voorbehouden
5.4. in geval van schenking van de blote eigendom van roerende goederen waarvan het vruchtgebruik niet door de schenker is voorbehouden
6.Anti-misbruikmaatregel
7. Gelijke behandeling van gehuwden en samenwonenden op het vlak van de schenkingsrechten
7.1. Principe
7.2. Categorieën van samenwonenden - te leveren bewijs
7.3. Gevolgen van de gelijkstelling en weerslag op andere artikelen
8. Bijzondere tarieven voor schenkingen aan bepaalde publiekrechtelijke en privaatrechtelijke rechtspersonen
8.1. Gunsttarieven voor sommige schenkingen aan bepaalde rechtspersonen
8.2. Vergelijking oud artikel 140, eerste lid, W.Reg. - nieuw artikel 140, eerste lid W. Reg. wat de begunstigde instellingen betreft
8.2.1. Instellingen vermeld in 1° van het eerste lid
8.2.2. Instellingen vermeld in 2° van het eerste lid
8.2.3. Instellingen vermeld in 4° van het eerste lid
8.3. Inbreng(st)en om niet
8.3.1. Bevoegdheidsconflict
8.3.2. Beslechting door het Arbitragehof

8.3.3. Praktische gevolgen van het arrest
8.4. Wijzigingen aan het toepassingsgebied van artikel 140, eerste lid, Vl. W. Reg
8.4.1. "Oud" toepassingsgebied
8.4.2. Beperking van het toepassingsgebied
8.4.3. Uitbreiding van het toepassingsgebied
8.4.3.1. Europese Economische Ruimte
8.4.3.2. Gelijkaardige rechtspersonen
ONDERAFDELING 2. WIJZIGINGEN IN DE BIJZONDERE BEPALINGEN BETREFFENDE DE SCHENKINGEN VAN ONDERNEMINGEN
9. Inleiding
10. Schenking van "de eigendom of het vruchtgebruik" ook geëxpliciteerd in §1, 2° en §1, 3° van het artikel 140bis
11. Schenking van aandelen - vereiste omvang van het geschonken aandelenpakket
12. Certificaten van aandelen of van vorderingen - schrapping van de één-op-één regel en van het vervreemdingsverbod
13. Verzachting van de sancties
AFDELING 2. SUCCESSIERECHTEN
14. Wijziging aan de regel inzake de gecumuleerde progressie
15. Legaten aan bijzondere rechtspersonen
16. Wijzigingen aan het stelsel van overdrachten van ondernemingen
16.1. Berekening van de "50% participatievoorwaarde": precisering van de activa of de aandelen waarmee tevens rekening wordt gehouden voor die berekening
16.2. Gelijkstelling met aandelen
AFDELING 3. WOONRECHT DOEL
AFDELING 4. INWERKINGTREDING
COMMENTAAR
AFDELING 1. REGISTRATIERECHTEN
ONDERAFDELING 1. WIJZIGINGEN IN DE ALGEMENE BEPALINGEN BETREFFENDE DE SCHENKINGSRECHTEN
1. Inleiding.
Ingevolge de wijzigingen die bij het decreet van 19 december 2003 aan de algemene bepalingen (1) inzake het schenkingsrecht zijn aangebracht, worden de schenkingen van roerende goederen enerzijds en van onroerende goederen anderzijds, voortaan fiscaal verschillend behandeld.

[(1) Titel I, Hoofdstuk IV, Afdeling XII, Onderafdeling I van het W.Reg - artikel 131-140 W.Reg.]

De verschillen situeren zich op de volgende vlakken:

  • het tarief (zie randnummer 2);
  • de vermindering van de rechten in geval de begiftigde minstens drie kinderen van minder dan 21 jaar heeft (zie randnummer 3);
  • de regel van het progressievoorbehoud (zie randnummer 4).
Vanuit de verwachting van een toename van roerende schenkingen, worden om praktische redenen nu ook in de algemene bepalingen inzake het schenkingsrecht ¾ naar analogie met wat reeds bestond voor de onroerende goederen ¾ bijzondere regels opgenomen voor de bepaling van de belastinggrondslag indien de schenking het vruchtgebruik of de blote eigendom van roerende goederen betreft (zie randnummer 5).

De verschillende fiscale behandeling van schenkingen van roerende en van onroerende goederen heeft bovendien aanleiding gegeven tot het inschrijven in het Wetboek van een nieuwe anti-misbruikmaatregel (zie randnummer 6).

Bovendien wordt bij het decreet de gelijke behandeling van gehuwden en van samenwonenden ten aanzien van de schenkingsrechten gerealiseerd (zie randnummer 7).

De Vlaamse decreetgever heeft ten slotte van de gelegenheid ook gebruik gemaakt om artikel 140 W. Reg. inzake schenkingen aan bepaalde rechtspersonen te actualiseren en het tarief voor sommige van die rechtspersonen verder te verminderen; tegelijkertijd werd het ruimtelijk toepassingsgebied voor sommige rechtspersonen ingeperkt, voor andere uitgebreid (zie randnummer 8).

2 Nieuw tarief inzake de schenkingen van roerende goederen.
Artikel 131 VL. W. Reg., dat handelt over de heffingsgrondslag voor en het tarief van het schenkingsrecht, bevat voortaan twee paragrafen:

  • §1 regelt de principiële belastinggrondslag en het tarief toepasselijk op de onroerende componenten van de schenking;
  • §2 regelt de principiële belastinggrondslag en het tarief toepasselijk op de roerende componenten van de schenking.
Inzake de belastinggrondslag volgt uit de invoering van een onderscheiden tarief voor schenkingen van roerende en van onroerende goederen dat in voorkomend geval de voorheen enige belastinggrondslag per rechtverkrijgende, moet opgesplitst worden in twee afzonderlijke grondslagen per rechtverkrijgende (2). [(2) Zie ook artikel 137 (hierna onder randnummer 4).]

Voorbeeld: een schenkingsakte bevat een schenking door X aan Y en Z, kinderen van X, van een onroerend goed met een verkoopwaarde van € 200.000 en van een kunstwerk met een verkoopwaarde van € 100.000. Aandeel van Y en Z in de geschonken goederen: elk 1/2.
In het oude stelsel werd het enige tarief toegepast op het bruto- aandeel van elk der begiftigden dus:
  • ten laste van Y:
    € 150.000 (bruto-aandeel in het onroerende goed en in het roerend goed) te belasten aan het enig tarief rechte lijn ;
  • ten laste van Z:
    idem als voor Y.
In het nieuwe stelsel moet men per begiftigde de ― voorheen enige ― belastinggrondslag opspitsen in een onroerende en een roerende grondslag, dus:
  • ten laste van Y:
    • € 100.000 (bruto-aandeel in het onroerend goed) te belasten aan het tarief rechte lijn voor onroerende goederen (artikel 131, §1, Tabel I);
    • € 50.000 (bruto-aandeel in het roerend goed) te belasten aan het tarief rechte lijn voor roerende goederen (artikel 131, §2, 1°);
  • ten laste van Z:
    idem als voor Y.
Schenkingen van onroerende goederen blijven onderworpen aan het "oude" tarief. De tabellen I tot IV in § 1 van het nieuwe artikel 131 VL. W. Reg. nemen inderdaad de tabellen I en II van het oude artikel 131 W. Reg. over, met dat verschil dat de oude tabel II - die de drie tarieven "in zijlijn (3) en tussen anderen" bevatte - nu is opgesplitst in drie afzonderlijke tabellen met bijhorend onveranderd tarief.

Op het bruto-aandeel van elk der begiftigden in de geschonken roerende goederen is voortaan geen progressief maar een vast tarief van toepassing. Het bedraagt (artikel 131, §2):

  • 3% voor schenkingen in rechte lijn en tussen echtgenoten (4);
  • 7% voor schenkingen aan andere personen.
[(3) Tarieven "tussen broeders en zusters" en "tussen ooms en tantes en neven of nichten".
(4) Ingevolge het nieuwe artikel 1321 W. Reg. geniet de begiftigde samenwonende ook dit tarief - zie verder randnummer 6.]

3. Vermindering van de rechten in geval de begiftigde minstens drie kinderen van minder dan 21 jaar in leven heeft.
Omdat roerende goederen al genieten van een voordelig tarief, wordt voortaan de rechtenvermindering wegens kinderlast van artikel 135 VL. W. Reg., nog enkel toegepast op de rechten die bij toepassing van artikel 131, § 1, VL. W. Reg. verschuldigd zijn. De uitdrukkelijke verwijzing in de nieuwe redactie van artikel 135 VL. W. Reg. naar "het bedrag van het bij artikel 131, § 1, vastgestelde recht", brengt mee dat onderhavige rechtenvermindering ook niet meer van toepassing is op de rechten verschuldigd op de schenking van een bouwgrond belast met het preferentieel tarief van artikel 140 nonies VL. W. Reg.

Voorbeeld

Hernemen we het voorbeeld onder punt 2 (zie blz. 7) met dien verstande dat Z op het ogenblik van de schenking 4 kinderen van minder dan 21 jaar heeft.
Onder het nieuwe stelsel zal de heffing als volgt worden gedaan:
  • ten laste van Y:
  • € 100.000 (bruto-aandeel in het onroerend goed) te belasten aan het tarief rechte lijn voor onroerende goederen (artikel 131, §1, Tabel I):

    € 12.500 x 3 t.h. = € 375
    € 12.500 x 4 t.h. = € 500
    € 25.000 x 5 t.h. = € 1.250
    € 50.000 x 7 t.h. = € 3.500
    € 100.000 € 5.625
  • € 50.000 (bruto-aandeel in het roerend goed) te belasten aan het tarief rechte lijn voor roerende goederen (artikel 131, §2, 1°):

    € 50.000 x 3 t.h. = € 1.500
  • totaal: € 5.625 + € 1.500 = € 7.125
  • ten laste van Z:
  • idem als voor Y maar met rechtenvermindering artikel 135 W. Reg
  • rechtenvermindering: € 5.625 (rechten verschuldigd door Z uit hoofde van de door hem verkregen onroerende goederen) x 8 t.h. = € 450 maar maximum van € 62 x 4 = € 248
  • totaal: (€ 5.625 - € 248) + € 1.500 = € 6.877
4. Regel van het progressievoorbehoud
Artikel 137 VL. W. Reg. brengt mee dat de regel van het progressievoorbehoud voortaan enkel nog van toepassing is bij kort opeenvolgende schenkingen van onroerende goederen of daarmee gelijkgestelde goederen (5) die onderworpen zijn hetzij aan het tarief van artikel 131 § 1 VL. W. Reg., hetzij aan het tarief van artikel 140nonies VL. W. Reg (6).

[(5) Bedoeld wordt het deel van de last dat bij toepassing van artikel 134 VL. W. Reg. belast werd volgens de in artikel 131, § 1, geldende tarieven (zie verder punt 6, anti-misbruikmaatregel).
(6) Onroerende goederen vervat in een universaliteit of bedrijfstak die werd geschonken met toepassing van het tarief bepaald in artikel 140bis Vl. W. Reg., blijven dus buiten beschouwing bij de toepassing van de regel van het progressievoorbehoud.]

Voorbeeld.

Binnen de drie jaar na de schenking in het voorbeeld onder punt 2 van deze circulaire (zie blz. 7) doet X aan Y een nieuwe schenking van de volgende goederen:
  • een onroerend goed met een verkoopwaarde van € 50.000
  • een schilderij met een verkoopwaarde van eveneens € 50.000.
Deze nieuwe schenking geeft aanleiding tot de volgende heffing:
  • op het onroerend goed:
    • belastinggrondslag: € 50.000 (bruto-aandeel van Y in het nieuw verkregen onroerend goed) + € 100.000 (toepassing artikel 137 - bruto-aandeel van Y in het bij de vorige schenking verkregen onroerend goed) = € 150.000
De belastinggrondslag mag niet verhoogd worden met:
  • het bruto-aandeel van Y in het bij de vorige schenking ontvangen roerend goed;
  • het bruto-aandeel van Y in het bij de nieuwe schenking ontvangen roerend goed
omdat artikel 137 niet meer van toepassing is op schenkingen van roerende goederen.
  • heffing:
    € 100.000 - reeds belast
    € 50.000 x 10 t. h. = € 5.000
  • op het schilderij
  • belastinggrondslag: € 50.000 ― niet te verhogen omdat artikel 137 W. Reg. niet meer van toepassing is op de schenkingen van roerende goederen.
  • heffing:
    € 50.000 x 3 t.h. (vast tarief rechte lijn) = € 1.500
  • totaal: € 5.000 + € 1.500 = € 6.500
5. Bijzondere regels inzake de belastinggrondslag indien de schenking het vruchtgebruik of de blote eigendom van roerende goederen betreft (artikel 133, vierde tot zevende lid, VL. W. Reg.).
Vanuit de verwachting dat er door de maatregelen opgenomen in het decreet meer schenkingen van roerende goederen zullen voorkomen, heeft de decreetgever het nuttig geoordeeld bijzondere regels vast te stellen inzake de belastinggrondslag indien de schenking het vruchtgebruik of de blote eigendom van roerende goederen betreft. Doel van deze bijzondere regels is het vermijden van moeilijkheden en betwistingen bij de raming van de verkoopwaarde van het vruchtgebruik en van blote eigendom van roerende goederen.

Deze "forfaitaire" belastinggrondslagen voor de schenkingen van het vruchtgebruik of de blote eigendom van roerende goederen zijn nagenoeg - dus niet volledig - gelijk aan deze voor de schenkingen van het vruchtgebruik of de blote eigendom van onroerende goederen. Aldus geldt als belastinggrondslag:

5.1. in geval van schenking van een levenslang vruchtgebruik (7) op roerende goederen:
[(7) In de tekst van artikel 133, vierde lid, VL. W. Reg., werd de schenker vergeten in de opsomming van personen op wiens leven het vruchtgebruik kan gevestigd zijn. De administratie neemt aan dat het vermelde vierde lid ook toepasselijk is in het geval van een schenking van het op het leven van van de schenker gevestigd vruchtgebruik.]

de jaarlijkse opbrengst van de betrokken goederen vermenigvuldigd met het getal dat in artikel 47, eerste lid, vermeld wordt tegenover de leeftijdsklasse waartoe, op datum van de schenking, diegene behoort op wiens leven het vruchtgebruik is gevestigd
De jaarlijkse opbrengst van de goederen wordt op zijn beurt forfaitair vastgesteld op 4 % van de verkoopwaarde van de volle eigendom van de betrokken goederen (8).
[(8) Bij onroerende goederen wordt de eerste factor in het product gevormd door de werkelijke - niet forfaitair vastgestelde - jaarlijkse opbrengst (of bij gebreke daarvan de huurwaarde).]

M.a.w. de forfaitaire waarde van het levenslang vrg. van roerende goederen = 4% x (verkoopwaarde V.E. geschonken r.g.) x leeftijdscoëfficiënt.

Opmerking 1: zelfs al zouden de roerende goederen bijvoorbeeld verhuurd zijn en zouden ze aldus een precies bepaalbare jaarlijkse opbrengst genereren, dan nog moet hier de jaarlijkse opbrengst bepaald worden aan de hand van de forfaitaire regel. De forfaitaire bepaling van de jaarlijkse opbrengst geldt dus in alle gevallen.
Opmerking 2: in geval van schenking van het levenslang vruchtgebruik van onroerende goederen geldt een maximum belastinggrondslag van 4/5 van de volle eigendom van de onroerende goederen. Dat maximum komt niet voor bij de schenking van het levenslang vruchtgebruik van roerende goederen. Ingevolge de forfaitair vastgestelde jaarlijkse opbrengst, kan de forfaitair vastgestelde belastinggrondslag voor roerende goederen bij levenslang vruchtgebruik immers nooit uitstijgen boven 72% van de verkoopwaarde van de volle eigendom van de roerende goederen.
5.2. in geval van schenking van een voor bepaalde tijd gevestigd vruchtgebruik:
het bedrag verkregen door kapitalisatie van de jaarlijkse opbrengst aan 4% over de duur van het vruchtgebruik bepaald in de schenkingsakte
Ook hier wordt de jaarlijkse opbrengst in alle gevallen forfaitair vastgesteld op 4% van de verkoopwaarde van de volle eigendom van de betrokken goederen.

Er is echter in één maximum voorzien. Het aldus verkregen bedrag van de belastinggrondslag mag niet uitgaan boven de waarde berekend als onder 5.1 indien het vruchtgebruik gevestigd is ten bate van een natuurlijke persoon, hetzij boven twintigmaal de (forfaitaire jaarlijkse) opbrengst indien het vruchtgebruik gevestigd is ten bate van een rechtspersoon (9).

Opmerking: in geval van schenking van een voor bepaalde tijd gevestigd vruchtgebruik van onroerende goederen, geldt nog een tweede maximum (nml. het maximum van 4/5 van de verkoopwaarde van de volle eigendom van de onroerende goederen). Bij schenking van een voor bepaalde tijd gevestigd vruchtgebruik van roerende goederen, werd dat tweede maximum niet hernomen, omdat de voorziene maximumregel gecombineerd met de forfaitaire bepaling van de jaarlijkse opbrengst van de goederen op 4% van de verkoopwaarde van de volle eigendom van de goederen, het reeds onmogelijk maakt dat de belastinggrondslag 4/5 van de verkoopwaarde van de volle eigendom van de betrokken goederen zou overschrijden.
[(9) De beperking ten aanzien van rechtspersonen is strikt genomen niet nodig, gelet op het bepaalde in artikel 619 van het Burgerlijk Wetboek (maximum duur van een ten bate van een rechtspersoon gevestigd vruchtgebruik is 30 jaar), in combinatie met enerzijds de forfaitaire bepaling van de jaarlijkse opbrengst op 4% van de verkoopwaarde van de volle eigendom en anderzijds de vaststelling dat bij kapitalisatie aan 4% van de jaarlijkse opbrengst de multiplicator bij een voor dertig jaar gevestigd vruchtgebruik 17,29031 (dus minder dan 20) bedraagt.]

5.3. in geval van schenking van de blote eigendom van roerende goederen waarvan het vruchtgebruik door de schenker is voorbehouden:
de verkoopwaarde van de volle eigendom van de betrokken goederen
5.4. in geval van schenking van de blote eigendom van roerende goederen waarvan het vruchtgebruik niet door de schenker is voorbehouden:
de verkoopwaarde van de volle eigendom van de goederen, verminderd met de waarde van het vruchtgebruik, berekend volgens 5.1 of 5.2 naargelang het geval
De Vlaamse decreetgever heeft zich niet beperkt tot het invoegen in artikel 133 W. Reg. van de nieuwe regels inzake de forfaitaire grondslagen in geval van schenkingen van het vruchtgebruik of de blote eigendom van roerende goederen, maar heeft het volledige artikel 133 W. Reg. herschreven. Daarmee had hij niet de bedoeling de bestaande regels in artikel 133 W. Reg. inhoudelijk te wijzigen, maar enkel die regels in hedendaags Nederlands te stellen. De nieuwe redactie van die voorheen reeds bestaande regels brengt dus geen enkele wijziging mee in de draagwijdte ervan en dus evenmin in de toepassing ervan door de fiscale administratie.

6. Anti-misbruikmaatregel
Voorbeeld ter illustratie van de problematiek.

X schenkt aan Y (zoon van X) een onroerend goed (verkoopwaarde € 200.000) op last voor Y aan Z (dochter van X) een som van € 100.000 te geven.
Bij ongewijzigd artikel 134 W. Reg. zou de heffing als volgt geschieden:
  • op de verkrijging door Y:
    • heffingsgrondslag = € 100.000
      • de door Y aan Z te betalen som van € 100.000 wordt van het bruto-aandeel van Y in de schenking afgetrokken en in hoofde van Z als schenking belast.
    • heffing: € 100.000 x X t.h. = € 5.625
  • op de verkrijging door Z:
    • heffingsgrondslag = € 100.000
    • heffing
      • vermits Z een geldsom verkrijgt is het tarief voor de verkrijging van roerende goederen in de rechte lijn van toepassing dus:
        € 100.000 x 3% = € 3.000
Mocht X het onroerend goed aan Y en Z in onverdeeldheid hebben geschonken dan zou voor die schenking verschuldigd zijn geweest: € 5.625 x 2 = € 11.250. De techniek van de schenking met last zou hier dus, ingevolge de verschillende tarieven voor schenkingen van onroerende en van roerende goederen, een belastingvoordeel opleveren van € 2.625.
Om deze mogelijkheid om op een eenvoudige wijze de normale belasting deels te ontwijken tegen te gaan, werd een nieuwe zin aan artikel 134 toegevoegd. Die zin luidt: " In de mate de schenking betrekking heeft op onroerende goederen, wordt de last in hoofde van de derde als schenking belast volgens de in artikel 131 § 1 geldende tarieven".

In het gegeven voorbeeld betekent dit dat Z, hoewel ze via de last een geldsom verkrijgt, over die geldsom geheel belast zal worden aan het tarief rechte lijn voor onroerende goederen. Vermits de rechtstreekse schenking aan Y voor de geheelheid onroerende goederen betreft, moet de last hier niet omgedeeld worden over de roerende en onroerende goederen. De last wordt volledig aan het tarief voor onroerende goederen belast. Z zal dus ook € 5.625 aan rechten verschuldigd zijn.

Indien de rechtstreekse schenking zowel onroerende als roerende goederen omvat, moet de last over beide types van goederen omgedeeld worden. Het tarief voor onroerende goederen is immers maar op de last toepasselijk "in de mate" dat de (rechtstreekse) schenking betrekking heeft op onroerende goederen.

Voorbeeld:

Hernemen we het bovenstaande voorbeeld met dien verstande dat X naast het onroerend goed (€ 200.000) ook nog een schilderij (€ 100.000) schenkt aan Y, op last voor Y aan Z een som van € 150.000 te betalen.
  • omdeling van de last over de onroerende goederen en de roerende goederen:
    € 100.000 ten laste van de onroerende goederen (2/3)
    € 50.000 ten laste van de roerende goederen (1/3)
  • belasting verkrijging door Y
    • onroerende verkrijging:
      • heffingsgrondslag:€ 200.000 - € 100.000 (deel van de af te trekken last in verhouding tot het aandeel van de onroerende goederen in de schenking) = € 100.000
      • heffing: (tarief rechte lijn voor onroerende goederen)
        € 100.000 x X t.h. = € 5.625
  • roerende verkrijging
    • heffingsgrondslag: € 100.000 - € 50.000 ( deel van de af te trekken last in verhouding tot het aandeel van de roerende goederen in de schenking) = € 50.000
    • heffing: (tarief rechte lijn voor roerende goederen)
      € 50.000 x 3% = € 1.500
  • totaal: € 5.625 + € 1.500 = € 7.125
  • belasting onrechtstreekse verkrijging (€ 150.000) door Z
  • deel te belasten volgens het tarief voor onroerende verkrijgingen in de rechte lijn:
    € 100.000 (deel van de verkregen geldsom in verhouding tot het aandeel van de onroerende goederen in de totaliteit van de rechtstreekse schenking)
    heffing: € 100.000 x X t. h. = € 5.625
  • deel te belasten volgens het tarief voor roerende verkrijgingen in de rechte lijn:
    € 50.000 (deel van de verkregen geldsom in verhouding tot het aandeel van de roerende goederen in de totaliteit van de rechtstreekse schenking)
    heffing: € 50.000 x 3% = € 1.500
  • totaal: € 5.625 + € 1.500 = € 7.125
Quid indien Z naast de onrechtstreekse bevoordeling via de aan Y opgelegde last, in de schenking ook rechtstreeks begiftigd wordt ?

Voorbeeld: X vader van Y en Z doet de volgende schenking:
  • een onroerend goed (€ 200.000) voor 3/4 aan Y en voor 1/4 aan Z;
  • een schilderij (€ 100.000) voor 1/1 aan Y;
  • op last voor Y een geldsom van € 100.000 aan Z te geven.
  • verdeling van de last over de door Y verkregen goederen:
    o.g.: 150.000/250.000 = 3/5 → € 60.000
    r.g.: 100.000/250.000 = 2/5 → € 40.000
  • Heffing lastens Y:
    • tarief rechte lijn onroerende goederen
      heffingsgrondslag: € 150.000 - € 60.000 = € 90.000
      toepassing tarief:
      € 50.000 x X t.h. = € 2.125
      € 40.000 x 7 t.h. = € 2.800
      € 4.925
    • tarief rechte lijn roerende goederen
      heffingsgrondslag: € 100.000 - € 40.000 = € 60.000
      toepassing tarief:
      € 60.000 x 3% = € 1.800
    • totaal: € 4.925 + € 1.800 = € 6.725
  • Heffing lastens Z:
    • tarief rechte lijn onroerende goederen
      • heffingsgrondslag 1: € 60.000 (deel van de last dat verband houdt met het onroerend aandeel van Y in de schenking)
      • heffingsgrondslag 2: € 50.000 (rechtstreeks schenking aan Z)
      • toepassing tarief samengevoegde grondslagen:
        € 100.000 x X t.h. = € 5.625
        € 10.000 x 10 t.h. = € 1.000
        € 6.625
    • tarief rechte lijn roerende goederen
      • heffingsgrondslag: € 40.000 (deel van de last dat verband houdt met het roerend aandeel van Y in de schenking)
      • toepassing tarief:
        € 40.000 x 3% = € 1.200
    • totaal: € 6.625 + € 1.200 = € 7.825
7. Gelijke behandeling van gehuwden en samenwonenden op het vlak van de schenkingsrechten.
7.1. Principe
Het principe van de gelijke behandeling van gehuwden en samenwonenden op het vlak van de schenkingsrechten is neergeschreven in het nieuwe artikel 132 1 van het VL. W. Reg.

Er wordt benadrukt dat de gelijke behandeling enkel geldt in het kader van de schenkingsrechten. De inleidende zinsnede van artikel 132 1 VL. W. Reg. is desbetreffend duidelijk: "voor de toepassing van deze afdeling".

7.2. Categorieën van samenwonenden - te leveren bewijs
Zoals in het kader van de successierechten omvat de notie "samenwonenden" in het kader van de schenkingsrechten twee onderscheiden categorieën:

  • de wettelijke samenwonenden: hiervan is sprake wanneer de schenker en de begiftigde op de dag van de schenking wettelijk samenwonen overeenkomstig de bepalingen van boek III, titel Vbis, van het Burgerlijk Wetboek;
  • de feitelijk samenwonenden: hiervan is sprake wanneer de schenker en de begiftigde op de dag van de schenking ten minste één jaar ononderbroken samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren. Indien aan de voorwaarden voor het feitelijk samenwonen op de dag van de schenking ingevolge overmacht niet meer was voldaan, maar de betrokkenen op de dag dat het overmacht uitmakende feit zich heeft voorgedaan reeds minstens één jaar ononderbroken samenwoonden en een gemeenschappelijke huishouding voerden, worden de betrokkenen toch nog als feitelijk samenwonenden op de dag van de schenking beschouwd, op voorwaarde dat de overmachtsituatie het hernemen van het samenwonen en van het voeren van een gemeenschappelijke huishouding tot op de dag van de schenking heeft belet.
In principe is het aan de wettelijk of feitelijk samenwonenden om te bewijzen dat ze op de dag van de schenking deze hoedanigheid bezaten.

In geval van een schenking tussen wettelijk samenwonenden zal de administratie genoegen nemen met de verklaring van de partijen in de notariële akte dat ze wettelijk samenwonenden zijn. Ontbreekt die verklaring in de akte, dan moet op het ogenblik van de aanbieding ter registratie van de schenkingsakte een attest van de burgerlijke stand zijn gevoegd, waarin wordt bevestigd dat de betrokkenen op de dag van de schenking nog wettelijk samenwoonden. Ontbreekt dat attest, dan wordt het schenkingsrecht geheven volgens de bloedverwantschap tussen de betrokkenen. Teruggave van de teveel geheven rechten is dan enkel nog mogelijk overeenkomstig artikel 209, eerste lid, 1°, b) W. Reg.
In geval van een schenking tussen feitelijk samenwonenden kunnen de partijen zich het eenvoudigst van hun bewijslast kwijten door aan de notaris een uittreksel uit het bevolkingsregister te bezorgen waaruit blijkt dat ze op hetzelfde adres zijn ingeschreven. Dergelijk uittreksel vormt immers een weerlegbaar vermoeden van samenwonen en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding. Wordt dat uittreksel overgelegd op het ogenblik van de aanbieding ter registratie van de schenkingsakte, dan worden de rechten initieel geheven aan het tarief "in rechte lijn en tussen echtgenoten". In dat geval is het aan de administratie om achteraf het tegenbewijs te leveren en desgevallend de bijkomende rechten in te vorderen. Het door de feitelijk samenwonenden te leveren bewijs kan echter ook door andere middelen van recht worden geleverd, de eed evenwel uitgezonderd. Dat zal inzonderheid het geval zijn met betrekking tot de onderbreking van de feitelijke samenwoning door overmacht tot op de dag van de schenking. Uiteraard dient hier ook het vereiste bewijs geleverd te worden op het ogenblik van het aanbieden van de schenkingsakte ter registratie, opdat het schenkingsrecht onmiddellijk aan het tarief rechte lijn en tussen echtgenoten zou kunnen worden geheven. Gebeurt de bewijslevering op een later tijdstip dan kunnen de teveel geheven rechten enkel nog bij toepassing van artikel 209, eerste lid, 1°, b) W. Reg. worden teruggegeven.
7.3. Gevolgen van de gelijkstelling en weerslag op andere artikelen.
7.3.1.Het belangrijkste gevolg van de gelijkstelling situeert zich uiteraard op het vlak van het toepasselijk tarief. Schenkingen tussen wettelijk of feitelijk samenwonenden zijn onderworpen aan hetzelfde tarief als schenkingen tussen echtgenoten ( artikel 131 VL. W. Reg.). Bij onjuiste opgave van het bestaan van een samenwoningsrelatie als bedoeld in 7.2. moet, naast de ontdoken rechten ook nog een boete ten bedrage van de ontdoken rechten worden betaald. Die boete is ondeelbaar verschuldigd door de schenker en de begiftigde ( artikel 139 Vl. W. Reg.).

7.3.2. Een tweede gevolg is dat de begiftigde samenwonende met ¾ op het tijdstip waarop het recht aan de Staat verworven is ¾ minstens drie kinderen in leven van minder dan 21 jaar, dezelfde rechtenvermindering geniet als de begiftigde echtgenoot met dergelijke kinderen ( artikel 135 VL. W. Reg.).

Merk op dat de rechtenvermindering vastgesteld bij artikel 135 VL. W. Reg. voortaan enkel nog van toepassing is op de rechten verschuldigd uit hoofde van schenking van onroerende goederen, andere dan bouwgronden die met toepassing van artikel 140nonies W. Reg. worden verkregen (zie randnummer 3 van deze circulaire).
7.3.3. De gelijkstelling heeft ook genoopt tot een aanpassing van artikel 132^2, tweede lid, 3° van het VL. W. Reg. Het woord "echtgenoot" werd daarin vervangen door het woord "levenspartner", waarmee dan zowel de echtgenoot als de persoon waarmee de adoptant tijdens de vereiste periode van hulp en verzorging een gemeenschappelijke huishouding vormde, wordt bedoeld (cf. gewijzigd artikel 52 2 W., tweede, 3° VL. W. Suc. ¾ Circulaire nr. 10/2003 randnummer 3.4.)

Merk op dat de Vlaamse decreetgever van de gelegenheid gebruik heeft gemaakt om artikel 132 2, tweede lid, 3°, VL. W. Reg. verder in overeenstemming te brengen met artikel 52 2, tweede lid, 3°, VL. W. Succ. Aldus wordt ook in het kader van de schenkingsrechten:

  • de vereiste minimumperiode van hulp- en zorgverstrekking aan het adoptief kind teruggebracht van zes achtereenvolgende jaren naar drie achtereenvolgende jaren (vgl. Circulaire nr. 10/2003, randnummer 3.2.) ;
  • niet meer vereist dat die hulp- en zorgverstrekking exclusief door de adoptant of door de adoptant en zijn levenspartner te samen is verstrekt, maar volstaat het dat zij dat hoofdzakelijk hebben gedaan (vgl. Circulaire nr. 10/2003 randnummer 3.3.).
7.3.4. Tenslotte heeft de gelijkstelling ook gevolgen voor de toepassing van artikel 140nonies VL. W. Reg. Schenkingen van bouwgronden tussen wettelijke of feitelijke samenwonenden kunnen ook van het bijzonder tarief genieten.

8. Bijzondere tarieven voor schenkingen aan bepaalde publiekrechtelijke en privaatrechtelijke rechtspersonen.
8.1. Gunsttarieven voor sommige schenkingen aan bepaalde rechtspersonen.
In principe zijn de schenkingen aan rechtspersonen onderworpen aan de gewone tarieven d.w.z.:

  • wat de geschonken onroerende goederen betreft: het tarief "tussen alle andere personen" neergelegd in Tabel IV van §1 van het nieuwe artikel 131 VL. W. Reg.;
  • wat de geschonken roerende goederen betreft: het tarief van 7% voor schenkingen aan andere personen dan in rechte lijn en tussen echtgenoten, zoals bepaald in 2° van § 2 van het nieuwe artikel 131 VL. W. Reg.
Artikel 140, eerste lid VL. W. Reg. verlaagt de gewone rechten voor sommige schenkingen aan bepaalde rechtspersonen. De gewone rechten worden gebracht op:

  • 5,5 pct. voor roerende en onroerende schenkingen aan de in het eerste lid, 1°, van dat artikel vermelde rechtspersonen (voorheen waren die instellingen onderworpen aan het verlaagd tarief van 6,60 pct.);
  • 7 pct. voor onroerende schenkingen aan de onder het eerste lid, 2°, van dat artikel vermelde rechtspersonen (de schenkingen - van zowel roerende als onroerende goederen - aan deze rechtspersonen waren, met uitzondering van die aan een stichting van openbaar nut en van die aan een private stichting, onderworpen aan het tarief van 8,80 pct.);
Opmerking: Vermits deze rechtspersonen op grond van artikel 131, § 2, 2°, VL. W. Reg. voor aan hen gedane schenkingen van roerende goederen al onderworpen zijn aan het "gewone" tarief van 7%, houdt artikel 140 W. Reg. met betrekking tot de aan hen geschonken roerende goederen geen tariefverlaging in. Artikel 140, eerste lid, 2°, is dus niet van toepassing op roerende schenkingen aan de erin vermelde rechtspersonen. Zij genieten het tarief van 7pct. voor de aan hen gedane schenkingen van roerende goederen enkel en alleen op grond van artikel 131, § 2, 2° VL. W. Reg.
  • 100 euro voor roerende en onroerende schenkingen aan de rechtspersonen bedoeld in § 1, 2°, van dat artikel, indien de schenker zelf één dezer rechtspersonen is;
  • 1,10 pct. voor roerende en onroerende schenkingen aan pensioenfondsen in het geval omschreven in § 1, 4° van dat artikel.
Krachtens het tweede lid van het nieuwe artikel 140 Vl. W. Reg. is het bepaalde in het 2° en 3° van het eerste lid van dat artikel voortaan niet enkel meer van toepassing op "Belgische rechtspersonen", maar ook op gelijkaardige rechtspersonen van de Europese Economische Ruimte (zie verder punt 8.4.).

8.2. Vergelijking oud artikel 140, eerste lid W. Reg. - nieuw artikel 140, eerste lid VL. W. Reg. wat de begunstigde instellingen betreft.
8.2.1. Instellingen vermeld in 1° van het eerste lid

a) territoriaal gedecentraliseerde overheden
Alle Belgische provincies, gemeenten, provinciale en gemeentelijke openbare instellingen genoten onder het oude artikel een verlaging tot 6,60 t.h. In het nieuwe artikel geldt de verlaging van het schenkingsrecht tot 5,5 pct. enkel voor de in het Vlaams Gewest gelegen provincies, gemeenten, provinciale en gemeentelijke openbare instellingen (vgl. artikel 59,1° VL. W. Succ.(10)).

[(10) Merk op dat voor legaten aan provincies, gemeenten, provinciale en gemeentelijke openbare instellingen gelegen in het Vlaams Gewest het verlaagd tarief 6,60 percent blijft bedragen (voor legaten aan de in artikel 59,2° W. Succ. vermelde rechtspersonen blijft het tarief op 8,80 percent); de bedoeling van de Vlaamse decreetgever hiermee is het aanmoedigen van overdrachten gedurende het leven .]

b) instellingen van openbaar nut
In het oude artikel 140, eerste lid, 1° W. Reg. werd onder "instellingen van openbaar nut" verstaan, de instellingen opgericht overeenkomstig de bepalingen van titel II van de oude V.Z.W.-wet (11). Zij genoten, zoals de provincies en de gemeenten, van het verlaagd recht van 6,60 t.h.

Onder de nieuwe V.Z.W.-wet (12) worden de vroegere "instellingen van openbaar nut" aangeduid met de nieuwe benaming "stichtingen van openbaar nut". In het nieuwe artikel 140 VL. W. Reg. zijn ze niet meer terug te vinden onder het 1° van het eerste lid maar wel onder het 2° van dat lid. Ze worden wat de vermindering op het vlak van de schenkingsrechten betreft (13) dus voortaan op dezelfde wijze behandeld als de V.Z.W's en de soortgelijke privaatrechtelijke instellingen vermeld in het 2° van het eerste lid, en vallen als dusdanig niet (meer) onder het nieuwe verminderde tarief van 5,5 pct. maar onder dat van 7 pct.

[(11) Zie de artikelen 27 tot 43 van de wet van 27 juni 1921 waarbij aan de verenigingen zonder winstgevend doel en aan de instellingen van openbaar nut rechtspersoonlijkheid wordt verleend.
(12) Zie artikel 40 van de wet van 2 mei 2002 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen in bijlage 1 van de circulaire 17/2003.
(13) Ook wat de legaten betreft worden de stichtingen van openbaar nut voortaan onderworpen aan hetzelfde verminderd recht als dat wat geldt voor V.Z.W.'s en soortgelijke privaatrechtelijke rechtspersonen; het verlaagd successierecht bedraagt voortaan voor de stichtingen van openbaar nut niet meer 6,60 t.h. maar 8,80 t.h. (zie verder).]

c) instellingen actief in de huisvestingsector
Krachtens het oude artikel 140, eerste lid, 1° W. Reg. genoten de volgende publieke of private instellingen het verminderd recht van 6,60 t.h.:

1. de Nationale Maatschappij voor de huisvesting, de Nationale Landmaatschappij en de door hen erkende maatschappijen;
2. de samenwerkende vennootschap "Woningfonds van de bond der grote gezinnen van België", de C.V. "Vlaams Woningfonds van de Grote Gezinnen", de C.V. "Woningfonds van de Kroostrijke Gezinnen van Wallonië" en de C.V. "Woningfonds van de gezinnen van het Brusselse Gewest";
3. de naamloze of samenwerkende maatschappijen die uitsluitend tot doel hebben leningen te doen met het oog op het bouwen, het aankopen of het inrichten van volkswoningen, kleine landeigendommen of daarmee gelijkgestelde woningen, alsmede de uitrusting ervan met geschikt meubilair.
In het nieuwe artikel 140, eerste lid, 1° VL. W. Reg. wordt de vermindering tot 5,5% enkel nog toegekend voor schenkingen aan:

1. de door de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij erkende maatschappijen;
Opmerking. De Vlaamse Landmaatschappij doet, in tegenstelling tot de vroegere Nationale Landmaatschappij, bij de uitvoering van haar opdrachten geen beroep op door haar erkende maatschappijen. Vandaar dat er enkel nog sprake is van door de Vlaamse Huisvestingmaatschappij erkende maatschappijen. De Vlaamse Huisvestingsmaatschappij en de Vlaamse Landmaatschappij zelf, genieten kosteloze registratie voor de aan hen gedane en in het Vlaams Gewest te lokaliseren schenkingen. Het betreft immers openbare instellingen in de zin van artikel 161, 1°, eerste lid, W. Reg. (cf. hun vermelding in de lijst van openbare instellingen in Repertorium RJ, Bijlage II, Lijst I) (14).
2. de coöperatieve vennootschap "Vlaams Woningfonds van de grote gezinnen". De andere nog bestaande woningfondsen vermeld in het oude artikel 140, eerste lid, 1° W. Reg. vallen dus voor de aan hen gedane en in het Vlaams Gewest te lokaliseren schenkingen onder het gewone Vlaamse schenkingstarief "tussen anderen".
[(14) Hetzelfde geldt, om dezelfde reden, voor de in het Vlaamse Gewest te lokaliseren schenkingen aan "La société Wallonne du logement" (Waalse maatschappij voor Huisvesting) of aan de "Brusselse Gewestelijke huisvestingsmaatschappij". Hetzelfde geldt ook voor de in het Waalse Gewest te lokaliseren schenkingen aan de vermelde (Vlaamse, Waalse en Brusselse) instellingen. Voor de in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest te lokaliseren schenkingen is de situatie anders: van de vermelde instellingen zal enkel de "Brusselse Gewestelijke Huisvestingsmaatschappij" kosteloze registratie genieten voor de aan haar gedane schenkingen (cf. "Brussels" W. Reg, art. 161, 1°, 8ste lid, zoals ingevoegd bij artikel 10 van de ordonnantie van 20 december 2002 - Circulaire 4/2003, blz.37); de andere instellingen vallen onder het Brussels schenkingstarief "tussen alle andere personen".]

d) de Nationale Maatschappij der waterleidingen
Vermits deze nationale maatschappij niet meer bestaat, komt haar vermelding niet meer voor in het nieuwe artikel 140 VL. W. Reg.

e) de intercommunales
In de tekst van het oude artikel 140, eerste lid, 1°, werd met "verenigingen gesticht volgens het geen voorzien is bij de wetten van 18 augustus 1907 en 1 maart 1922" de intercommunales bedoeld. Het statuut van de intercommunales wordt nu beheerst door recentere wetten en decreten. De verwijzing in het oude artikel 140, eerste lid, 1°, naar de oorspronkelijke wetgeving werd echter nooit aangepast. De Vlaamse decreetgever doet dit nu wel en beperkt daarmee meteen ook het toepassingsgebied van de verminderingsbepaling die vroeger gold voor alle Belgische intercommunales.

Vermits in het Vlaamse Gewest de materie nu beheerst wordt door het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking (B.S. 31/10/2001) wordt er in het nieuwe artikel 140, eerste lid, 1° VL. W. Reg. uitdrukkelijk naar dat decreet verwezen. In dat decreet worden drie vormen van intergemeentelijke samenwerkingsverbanden met rechtspersoonlijkheid (15) geregeld: de projectvereniging, de dienstverlenende vereniging en de opdrachthoudende vereniging. Het decreet bepaalt alleen ten aanzien van dienstverlenende en opdrachthoudende verenigen dat zij giften kunnen ontvangen. Vandaar dan ook dat in de tekst van het nieuwe artikel 140, eerste lid, 1° VL. W. Reg. de schenkingsrechtenvermindering tot 5,5 pct. enkel geldt voor schenkingen aan bedoelde dienstverlenende en opdrachthoudende verenigingen.

Intercommunale samenwerkingsverbanden waarvan het ambtsgebied niet volledig binnen de grenzen van het Vlaams Gewest vallen, kunnen de rechtenvermindering niet genieten. Artikel 2, §1 van het decreet van 6 juli 2001 bepaalt immers dat de bepalingen van het decreet gelden voor alle samenwerkingsverbanden waarvan het gehele ambtsgebied binnen de grenzen van het Vlaams Gewest valt. Vermits het nieuwe artikel 140, eerste lid, 1° d) VL. W. Reg. spreekt van "dienstverlenende en opdrachthoudende verenigingen zoals bedoeld in het decreet van 6 juli 2001", zijn dus voortaan van de rechtenvermindering uitgesloten wat de in het Vlaamse Gewest te lokaliseren schenkingen betreft:

  • de schenkingen aan volledig Brusselse en Waalse "intercommunales" en aan de gemengd Brussels-Waalse "intercommunales";
  • de "intercommunales" waarin weliswaar gemeenten gelegen in het Vlaamse Gewest betrokken zijn, maar ook gemeenten van een ander Gewest.
Het toepassingsgebied van de vroegere vrijstelling voor alle Belgische intercommunales is dus duidelijk ingeperkt.

[(15) Intergemeentelijke samenwerkingsverbanden zonder rechtspersoonlijkheid - interlokale verenigingen genaamd (Hoofdstuk II van het decreet van 6 juli 2001) - kunnen uiteraard geen begiftigde in een schenkingsakte zijn, juist omdat ze geen rechtspersoonlijkheid bezitten.]

f) de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen
De Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen komt niet meer voor in het nieuwe artikel 140 VL. W. Reg. Dit brengt mee dat in het Vlaamse Gewest te lokaliseren schenkingen aan de N.M.B.S. voortaan onderworpen zijn aan het Vlaamse gewone tarief . De N.M.B.S. is door de Administratie weliswaar erkend als openbare instelling in de zin van artikel 161 W. Reg., maar datzelfde artikel bepaalt dat de principieel kosteloze registratie niet geldt voor akten houdende schenking onder de levenden aan de N.M.B.S. Vermits de Vlaamse decreetgever de N.M.B.S. heeft weggelaten in het nieuwe artikel 140 VL. W. Reg., zijn de in het Vlaamse Gewest te lokaliseren schenkingen aan de N.M.B.S. dus voortaan onderworpen aan het gewone tarief.

8.2.2. Instellingen vermeld in 2° van het eerste lid

a) verenigingen zonder winstoogmerk en beroepsverenigingen
Geen wijziging.

b) aangenomen mutualiteitsverenigingen

De Vlaamse decreetgever heeft de oude benaming "aangenomen mutualiteitsverenigingen" vervangen door "ziekenfondsen en landsbonden van ziekenfondsen". Het betreft hier enkel een updating van de terminologie. Naar inhoud verandert er dus niets aan het 2° van het eerste lid, ten aanzien van deze rechtspersonen.

Wel moet opgemerkt worden dat de "ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen" (erkend overeenkomstig de wet van 6 augustus 1990) door de Administratie zijn opgenomen in de lijst van openbare instellingen (Lijst I van Bijlage II van het Repertorium RJ). Als dusdanig kunnen zij in zake de aan hen gedane schenkingen onder de levenden genieten van de kosteloze registratie overeenkomstig het bepaalde in artikel 161, 1° W. Reg. Dit is in strijd met het bepaalde in het nieuwe (en ook het oude) artikel 140, eerste lid, 2° W. Reg., op basis waarvan een ― weliswaar verminderd ― schenkingsrecht zou moeten worden geheven. De Administratie zal dan ook, gelet op de tegenstrijdigheid in de vermelde bepalingen, het voor de "ziekenfondsen en landsbonden van ziekenfondsen" gunstigste stelsel toepassen, namelijk de kosteloze registratie.

c) internationale verenigingen met wetenschappelijk doel
De "internationale verenigingen met wetenschappelijk doel" werden bij de wet van 2 mei 2002 (16) omgedoopt tot "internationale verenigingen zonder winstoogmerk" (zie circulaire nr. 17/2003). De Vlaamse decreetgever heeft in het nieuwe artikel 140, eerste lid, 2° VL. W. Reg. de oorspronkelijke benaming van deze verenigingen aangepast aan de huidige wetsterminologie.

[(16) Wet van 2 mei 2002 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen]

d) stichtingen van openbaar nut
Zie punt 8.2.1. b). De stichtingen van openbaar nut betalen dus in het Vlaamse Gewest wat de schenkingen en inbrengen om niet (van onroerende goederen) betreft hetzelfde verminderd recht als de V.Z.W.'s (nieuw artikel 140, eerste lid, 2° VL. W. Reg. - 7 pct.), daar waar ze voorheen hetzelfde recht als de gedecentraliseerde overheden (provincies, gemeenten…) betaalden (oud artikel 140, eerste lid, 1° W. Reg. - 6,60 t.h.).

e) private stichtingen
De private stichting is een nieuwe rechtspersoonsvorm die werd ingevoerd bij de wet van 2 mei 2002 (17). Bij genoemde wet werd de private stichting niet opgenomen in de lijst van de onder artikel 140, eerste lid, 2° W. Reg. ressorterende rechtspersonen, zodat het bestemmen bij akte onder de levenden van een deel van iemands vermogen voor de oprichting of de werking van een private stichting het gewoon schenkingsrecht tegen het tarief "tussen alle andere personen" opvorderbaar maakte (18). Deze regel geldt nog steeds voor schenkingen aan private stichtingen door personen die hun fiscale woonplaats hebben in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en het Waals Gewest.

Bij onderhavig decreet heeft de Vlaamse decreetgever de private stichtingen nu wel opgenomen in de lijst van onder artikel 140, eerste lid, 2° VL. W. Reg. vermelde rechtspersonen. Dit betekent dat de oprichting van een stichting bij akte onder de levenden onderworpen is aan een eenvormig (d.w.z. zowel voor de aan de stichting overgedragen roerende als voor de aan de stichting overgedragen onroerende goederen) (19) schenkingstarief van 7% wanneer alle door de oprichters- natuurlijke personen (20) aan de stichting gedane schenkingen in het Vlaamse Gewest te lokaliseren zijn. Dit geldt natuurlijk ook voor de na de oprichting aan de stichting gedane schenkingen.

[(17) Zie voetnoot 16 en circulaire 17/2003
(18) Zie Circulaire nr. 17/2003, punt 3.1.2., opmerking 1, blz. 8
(19) Voor de aan de private stichting overgedragen roerende goederen op grond van het nieuwe artikel 131, § 2, 2° VL. W. Reg. en voor de overgedragen onroerende goederen op grond van het nieuwe artikel 140, eerste lid, 2° VL. W. Reg.
(20) Indien bij de oprichting of later een schenking / inbreng om niet gedaan wordt door een rechtspersoon dient in voorkomend geval het vast recht van 100 EUR bepaald in artikel 140, eerste lid, 3° VL. W. Reg. toegepast te worden (zie punt 8.3.2. hierna).]

Zijn niet alle door de oprichters gedane schenkingen in het Vlaams Gewest te lokaliseren, dan zullen de niet in het Vlaams Gewest te lokaliseren schenkingen uiteraard onderworpen zijn aan het tarief dat geldt in het Gewest waaraan de betreffende schenkingsrechten zijn toegewezen.
Voorbeeld: X (66 jaar) en Y (63 jaar), gescheiden ouders van Z (dochter met een zware handicap) richten een private stichting bij akte onder de levenden op, met de bedoeling om Z na hun overlijden een inkomen te waarborgen uit de exploitatie door de stichting van een te Brussel gelegen opbrengsthuis ( flatgebouw met een verkoopwaarde van € 1.200.000). Het opbrengsthuis, dat hun onverdeelde eigendom is, wordt door X en Y (elk eigenaar voor de helft) aan de stichting overgedragen met voorbehoud, elk wat zijn deel betreft, van het levenslange vruchtgebruik. De bruto jaarlijkse opbrengst van het huis bedraagt € 108.000. X en Y dragen voor toekomstige onderhoudswerken aan het opbrengsthuis en voor de kosten van de exploitatie ervan, bovendien elk nog een geldsom van € 125.000 over aan de stichting, eveneens met voorbehoud, elk wat de door hem overgedragen geldsom betreft, van het vruchtgebruik hun leven lang. X heeft ten tijde van de oprichting zijn fiscale woonplaats al meer dan vijf jaar in het Vlaams Gewest, Y al meer dan vijf jaar in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. De akte van oprichting van de private stichting waarin de overdrachten van het opbrengsthuis en van de geldsommen vervat zijn, wordt verleden voor een notaris met standplaats te Gent en op het bevoegde Gentse registratiekantoor ter registratie aangeboden. 1) rechten verschuldigd voor de overdrachten door X. aan de stichting

Vermits X op het ogenblik van de schenking aan de stichting al meer dan vijf jaar zijn fiscale woonplaats in het Vlaams Gewest heeft, zijn de "Vlaamse" schenkingsrechten van toepassing.

a) Bepaling belastinggrondslag:

a.1. voor de schenking van zijn helft in het opbrengsthuis met voorbehoud van het levenslang vruchtgebruik

€ 600.000 (nieuw art. 133, derde lid VL. W. Reg. en art. 48 W. Reg: verkoopwaarde volle eigendom van zijn helft)

a.2. voor de schenking van de geldsom met voorbehoud van het levenslang vruchtgebruik
€ 125.000 (nieuw artikel 133, zesde lid VL. W. Reg.: verkoopwaarde van de volle eigendom van de roerende goederen)

b) Heffing:

(€ 600.000 + € 125.000) x 7% = € 50.750

2) rechten verschuldigd voor de overdrachten door Y aan de stichting

Vermits Y op het ogenblik van de schenking al meer dan vijf jaar haar fiscale woonplaats in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest heeft, zijn de "Brusselse" schenkingsrechten van toepassing.

a) Bepaling van de belastinggrondslag

a.1. schenking van haar helft in het opbrengsthuis met voorbehoud van het levenslang vruchtgebruik:

€ 600.000 (art. 133, derde lid BR. W. Reg. en art. 48 W. Reg.)

a.2. schenking van de geldsom met voorbehoud van het levenslang vruchtgebruik:

Vermits er voor de schenkingsrechten die aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zijn toegewezen geen bijzondere regels inzake de belastinggrondslag bij schenking van roerende goederen bestaan, moet de verkoopwaarde van de geschonken blote eigendom van de geldsom gewaardeerd worden op zijn economische waarde. Onderstellen we dat in de akte die waarde is bepaald op € 55.000 en dat die waardering door de ontvanger wordt aanvaard.

a.3. globale belastinggrondslag: € 600.000 + € 55.000 = € 655.000

b) heffing (tarief tussen alle andere personen)

€ 175.000 x X% = € 98.750
€ 480.000 x 80% = € 384.000
€ 482.750

3) Totaal van de rechten verschuldigd op de oprichting van de private stichting:

€ 533.500 waarvan:

  • € 50.750 toekomt aan het Vlaams Gewest;
  • € 482.750 toekomt aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
8.2.3. Instellingen vermeld in 4° van het eerste lid.

Dit artikelonderdeel werd niet gewijzigd.

8.3. Inbreng(st)en (21) om niet

[(21) In het "oude" artikel 140 W. Reg. wordt gesproken van "inbrengsten om niet", in het nieuwe artikel 140 zoals het voortaan geldt in het Vlaams Gewest wordt gesproken van "inbrengen om niet". Met beide begrippen wordt hetzelfde bedoeld.]

8.3.1. Bevoegdheidsconflict

Bij de bijzondere wet van 13 juli 2001 (in werking getreden op 1 januari 2002) tot herfinanciering van de gemeenschappen en uitbreiding van de fiscale bevoegdheden van de gewesten, werd "het registratierecht op de schenkingen onder de levenden van roerende of onroerende goederen" opgenomen in de lijst van de Gewestelijke belastingen, zoals bepaald in artikel 3 van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten. De (gewone) federale wetgever interpreteerde het woord "schenkingen" in strikte zin. Volgens die interpretatie zou de bijzondere wetgever aan de Gewesten enkel de registratierechten op schenkingen in burgerrechtelijke zin, d.w.z. overdrachten om niet met animus donandi, hebben toegewezen. De belasting van overdrachten om niet zonder animus donandi ¾ zoals de inbrengen om niet ¾ zou dus een federale materie gebleven zijn. Op grond van deze interpretatie achtte de (gewone) federale wetgever zich bevoegd om bij artikel 43 van de wet van 2 mei 2002 (in werking getreden op 1 juli 2003) betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen, artikel 140, eerste lid, 3° W. Reg. te wijzigen en om in datzelfde lid een 3°bis in te voegen (zie circulaire AKRED nr. 17/2003 van 11 augustus 2003, punt 3.1.2. blz. 8 - 9).

Het Waalse Gewest was het niet eens met de interpretatie van de gewone federale wetgever; het was van oordeel dat de uitbreiding van de fiscale bevoegdheden van de Gewesten op het vlak van de schenkingsrechten zowel sloeg op de schenkingen in burgerrechtelijke zin als op de inbrengen om niet. Het stelde dan ook beroep tot vernietiging in van voornoemd artikel 43 van de wet van 2 mei 2002. Het Vlaamse Gewest sloot zich in haar memories in deze zaak aan bij de zienswijze van het Waalse Gewest.

Zonder de uitspraak van het Arbitragehof af te wachten heeft de Vlaamse decreetgever op zijn beurt artikel 140, eerste lid W. Reg. met betrekking tot de inbrengen om niet bij het in deze circulaire besproken decreet gewijzigd.

8.3.2. Beslechting door het Arbitragehof

Bij het arrest nr. 45/2004 van 17 maart 2004 heeft het Arbitragehof het bevoegdheidsgeschil beslecht. Het Arbitragehof stelt vast dat de bijzondere wetgever de volledige materie die vervat is in de afdeling van het W. Reg. over de schenkingen ¾ dus ook de inbrengen om niet ¾ heeft willen overdragen aan de Gewesten (overwegingen B.5.1. en B.5.2.). Bovendien zegt het hof dat uit het verslag aan de koning voorafgaand aan het koninklijk besluit van 30 november 1939 houdende het Wetboek der registratie-, hypotheek - en griffierechten blijkt dat de wetgever op het ogenblik van de aanneming van dat Wetboek, de schenkingen en de inbrengen om niet op fiscaal vlak wilde gelijkstellen ( overweging B.5.3.). Door artikel 140 W. Reg. te wijzigen bij artikel 43 van de wet van 2 mei 2002 heeft de (gewone) federale wetgever de bevoegdheidsregeling neergelegd in de bijzondere wet van 16 januari 1989, zoals gewijzigd door de bijzondere wet van 13 juli 2001, dus geschonden (overweging B.6.). Logischerwijze vernietigt het Arbitragehof dus artikel 43 van de wet van 2 mei 2002 (eerste alinea van het beschikkend gedeelte) maar, om de belastingplichtigen niet in hun legitieme verwachtingen teleur te stellen (overweging B.7.), beslist het Hof tegelijkertijd de gevolgen van de vernietigde bepaling te handhaven tot de inwerkingtreding van bepalingen waarbij de gewestwetgevers een ander registratierecht hebben of zullen hebben vastgesteld voor de inbrengen om niet aan private stichtingen en stichtingen van openbaar nut of aan rechtspersonen als bedoeld in artikel 140, eerste lid, 2°, van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, indien de inbrenger zelf een stichting van openbaar nut of een dezer rechtspersonen is.

8.3.3. Praktische gevolgen van het arrest van het Arbitragehof.

a) algemeen fiscaal statuut van de inbrengen om niet

Op grond van de overweging B.5.3. van het Arbitragehof moet besloten worden dat "inbrengen om niet" volledig onder de toepassing vallen van Titel I, Hoofdstuk IV, Afdeling XII, , van het W.Reg. Dit betekent dat ze belast worden volgens het in artikel 131 W. Reg. bepaalde tarief, tenzij het W. Reg. een vrijstelling of vermindering bepaalt.

b) inbrengen om niet te lokaliseren in het Vlaams Gewest

Uit het arrest van het Arbitragehof volgt onbetwistbaar dat de Vlaamse decreetgever wel degelijk bevoegd was om de tarifering van de schenkingsrechten op de inbrengen om niet bij het in deze circulaire besproken decreet te wijzigen. Dit brengt mee dat met ingang van 1 januari 2004 (inwerkingtreding van onderhavig decreet) de in het Vlaams Gewest te lokaliseren inbrengen om niet met zekerheid onderworpen zijn aan:

  • 7 pct. voor inbrengen om niet, aan verenigingen zonder winstoogmerk, ziekenfondsen en landsbonden van ziekenfondsen, beroepsverenigingen en internationale verenigingen zonder winstoogmerk, aan de private stichtingen en stichtingen van openbaar nut, wanneer de inbrengen om niet gedaan worden door andere personen dan de genoemde stichtingen of rechtspersonen ;
  • 100 euro voor inbrengen om niet, gedaan aan stichtingen of rechtspersonen bedoeld in 2°, zo de inbrenger om niet zelf een dezer stichtingen of rechtspersonen is;
  • 1,1 pct. voor inbrengen om niet door de gemeenten aan de pensioenfondsen die zij onder de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk hebben opgericht in uitvoering van een door de voogdijoverheid goedgekeurd saneringsplan.
Er mag niet teruggekomen worden op de heffingen die met toepassing van het 3°bis van artikel 140 W. Reg., zoals gewijzigd bij het vernietigde artikel 43 van de wet van 2 mei 2002 (nieuwe VZW-wet), werden gedaan op authentieke akten die dagtekenen van de periode 1 juli 2003 (inwerkingtreding fiscale bepalingen in de nieuwe VZW-wet) tot en met 31 december 2003 (datum na dewelke de Vlaamse regeling in werking is getreden). Het Arbitragehof heeft immers in het beschikkend gedeelte van het arrest.de gevolgen van de vernietigde bepaling gehandhaafd "tot de inwerkingtreding van bepalingen waarbij de gewestwetgevers een ander registratierecht hebben of zullen hebben vastgesteld".

In de circulaire Akred nr. 17/2003 van 11 augustus 2003 moet de opmerking op bladzijde 9 worden geschrapt. Gelet op hetgeen het Arbitragehof gesteld heeft onder punt B.5.3. van haar overwegingen kan niet meer worden voorgehouden dat de inbreng om niet een niet getarifeerde rechtshandeling zou zijn.

Op de heffingen van het algemeen vast recht die ingevolge het standpunt in de voormelde circulaire tijdens de periode van 1 juli 2003 tot en met 31 december 2003 zouden zijn gedaan, zal niet worden teruggekomen.

c) inbrengen om niet te lokaliseren in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest of in het Waals Gewest.

Gezien deze Gewesten nog geen eigen regelgeving hebben op het vlak van inbrengen om niet aan private stichtingen en stichtingen van openbaar nut of aan rechtspersonen als bedoeld in artikel 140, eerste lid, 2°, van het W. Reg., indien de inbrenger zelf een stichting van openbaar nut of een dezer rechtspersonen is, moet de vernietigde federale regelgeving toch verder worden toegepast totdat deze Gewesten een eigen regelgeving terzake zullen hebben. Dit betekent dat in tussentijd deze inbrengen onderworpen blijven aan het algemeen vast recht.

Inbrengen om niet aan verenigingen zonder winstoogmerk, aangenomen mutualiteitsverenigingen, beroepsverenigingen en internationale verenigingen met wetenschappelijk doel zijn onderworpen aan het tarief van 8,8 t.h. (art. 140, eerste lid, 2° W. Reg.).

Inbrengen om niet door de gemeenten aan de pensioenfondsen die zij onder de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk hebben opgericht in uitvoering van een door de voogdijoverheid goedgekeurd saneringsplan, zijn onderworpen aan het tarief van 1,1 t.h. (art. 140, eerste lid, 4° W. Reg.).

Alle andere inbrengen om niet dan deze hierboven bedoeld, zijn onderworpen aan het tarief "tussen alle andere personen" zoals dat, naargelang van het geval, van toepassing is in het Brussels Hoofdstedelijk of het Waals Gewest. Dit geldt inzonderheid voor een inbreng om niet door een private stichting, vermits die situatie niet bijzonder werd geregeld in de voormelde wet van 2 mei 2002.

Op de heffingen van het algemeen vast recht op inbrengen om niet door private stichtingen die tijdens de periode tussen 1 juli 2003 en de kennisgeving van deze mededeling aan het notariaat op 1 april 2004 zouden zijn gedaan overeenkomstig hetgeen gezegd werd in de opmerking op bladzijde 9 van de circulaire Akred nr. 17/2003, zal niet worden teruggekomen (cf. laatste twee alinea's sub littera b).

8.4. Wijzigingen aan het toepassingsgebied van artikel 140, eerste lid, Vl. W. Reg.
8.4.1. "Oud"(22) toepassingsgebied.

Artikel 140, tweede lid, oud, bepaalde dat de verlagingen in het eerste lid van dat artikel enkel toepasselijk waren op Belgische rechtspersonen.

[(22) Dit geldt nog steeds voor de in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest te lokaliseren schenkingen. Het Waalse Gewestparlement heeft bij decreet van 18 december 2003 (B.S. 6 februari 2004) het toepassingsgebied ook al aangepast ingevolge het Europees bezwaar tegen het voorbehouden van de rechtenverminderingen voor Belgische rechtspersonen (de desbetreffende circulaire zal binnenkort verspreid worden).]

8.4.2. Beperking van het toepassingsgebied.

De beperkingen van het toepassingsgebied die voortvloeien uit de nieuwe redactie van artikel 140, eerste lid, 1°, VL. W. Reg. werden reeds besproken in punt 8.2.1. van deze circulaire. Ter herinnering en bij wijze van voorbeeld:

  • het verlaagd recht van 5,5 pct. kan enkel genoten worden door provincies, gemeenten, ... gelegen in het Vlaams Gewest;
  • het verlaagd recht van 5,5 pct. kan in geval van schenking aan dienstverlenende en opdrachthoudende verenigingen (nieuwe Vlaamse aanduiding voor de vroegere "intercommunales; in de oude tekst van artikel 140, eerste lid, 1°, aangeduid met "verenigingen gesticht volgens hetgeen voorzien is bij de wetten van 18 augustus 1907 en 1 maart 1922) enkel genoten worden indien het ambtsgebied van die verenigingen de grenzen van het Vlaams Gewest niet te buiten gaat.
Merk op dat het tweede lid van artikel 140 VL. W. Reg. geen toepassing vindt op de in artikel 140, eerste lid, 1° en 4° bedoelde schenkingen. Het gaat hier immers om belastingvoordelen toegekend aan territoriaal gedecentraliseerde overheden of openbare instellingen van dergelijke overheden, die in het algemeen belang optreden. De beperking van het toepassingsgebied van die belastingvoordelen tot de zich op het grondgebied van het Vlaams Gewest bevindende entiteiten, is, gelet op hun opdracht van algemeen belang binnen hun territoriale bevoegdheidsomschrijving, verenigbaar met het Europees recht.

8.4.3. Uitbreiding van het toepassingsgebied.

Voor de in artikel 140, eerste lid, 2° VL. W. Reg. vermelde instellingen is de toepassing van het 2° en 3° van dat artikel niet langer meer voorbehouden aan Belgische rechtspersonen. De hierna besproken uitbreiding van het toepassingsgebied werd doorgevoerd op aanmaning van de Europese Commissie die de beperking van de betrokken voordelen tot Belgische rechtspersonen strijdig vindt met de principes van vrij verkeer van personen en van vrij vestigingsrecht.

Naast de in het Vlaams Gewest te lokaliseren schenkingen aan en inbrengen om niet in Belgische rechtspersonen als vermeld in 2° van artikel 140, eerste lid VL. W. Reg., kunnen voortaan ook van de vermindering van de rechten tot 7% (artikel 140, eerste lid, 2° VL. W. Reg.) of tot het vast recht van 100 euro (artikel 140, eerste lid, 3° VL. W. Reg.) genieten: de in het Vlaams Gewest te lokaliseren schenkingen aan en inbrengen om niet in gelijkaardige rechtspersonen van andere lidstaten van de Europese Economische Ruimte. De begrippen "Europese Economische Ruimte" en "gelijkaardige rechtspersonen" worden hierna nader ontleed.

8.4.3.1. Europese Economische Ruimte

Vermits dit begrip voor het eerst in het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten wordt geïntroduceerd, behoeft het allicht enige toelichting.

De "Europese Economische Ruimte" (EER) is een akkoord tussen de landen van de Europese Unie (EU) (23) en de landen van de Europese Vrijhandels Associatie (EVA)(24) met uitzondering van Zwitserland. Het akkoord bevordert vrij verkeer van personen, goederen, diensten en kapitaal tussen de deelnemende landen. Ook wordt er samengewerkt op economisch gebied.

Op heden (25) omvat de EER dus achttien lidstaten met name: België, Denemarken, Duitsland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Ierland, IJsland, Italië, Liechtenstein, Luxemburg, Nederland, Noorwegen, Oostenrijk, Portugal, Spanje, Verenigd Koninkrijk en Zweden.

Algemene opmerking betreffende de verwijzingen in het VL. W. Reg. naar "Europese Unie". In de loop van de ontwikkeling van het Europees communautair verdragsrecht is er nooit een systematische updating door de federale wetgever, noch door de gewestelijke wetgevers van de desbetreffende terminologie geschied. In zijn advies bij onderhavig ontwerp van decreet heeft de Raad van State met betrekking tot de voorgestelde aanpassing van het tweede lid van artikel 140 W. Reg. (waar sprake was van gelijkaardige rechtspersonen van de "Europese Unie") het volgende opgemerkt: "In het licht van de overeenkomst betreffende Europese Economische Ruimte, waarin dezelfde vrijheden worden erkend tussen de verdragspartijen (zie respectievelijk de artikelen 28 en 31), lijkt in het ontwerp te moeten worden gerefereerd aan de "Europese Economische Ruimte" in plaats van aan de "Europese Unie". Op basis van dit advies neemt de uitvoeringsadministratie aan dat voortaan de woorden "Europese Unie", waar ze nog voorkomen in het Vlaams Wetboek, inzonderheid in de afdeling over de schenkingsrechten, moeten gelezen worden als "Europese Economische Ruimte". De Vlaamse decreetgever heeft in de afdeling over de schenkingsrechten de woorden "Europese Unie" ongewild laten staan in artikel 140bis, §1, 2°, eerste lid, en in artikel 140ter, tweede lid, b) en derde lid c). Die woorden moeten dus gelezen worden als "Europese Economische Ruimte".

[(23) Huidige lidstaten: België, Duitsland, Frankrijk, Italië, Luxemburg, Nederland, Denemarken, Ierland, Verenigd Koninkrijk, Griekenland, Portugal, Spanje, Finland, Oostenrijk en Zweden. Werden uitgenodigd om in 2004 toe te treden: Cyprus, Estland, Hongarije, Letland, Litouwen, Malta, Polen, Slovakije, Slovenië en Tsjechië.
(24) De Europese Vrijhandels Associatie is een samenwerkingsverband tussen Liechtenstein, Noorwegen, IJsland en Zwitserland.
(25) Zie ook voetnoot 23 inzake de landen die uitgenodigd zijn om in 2004 tot de EU toe te treden.]

8.4.3.2. Gelijkaardige rechtspersonen

De vraag of een begiftigde niet-Belgische rechtspersoon "gelijkaardig" is met een van de in artikel 140, eerste lid, 2° VL. W. Reg. genoemde Belgische rechtspersonen (een vereniging zonder winstoogmerk, een ziekenfonds of een landsbond van ziekenfondsen, een beroepsvereniging, een internationale vereniging zonder winstoogmerk, een private stichting of een stichting van openbaar nut) hoeft voor de bepaling van het toepasselijk tarief enkel te worden gesteld wanneer de begiftigde niet-Belgische rechtspersoon:

1) een rechtspersoon is die is opgericht volgens en onderworpen is aan de wetgeving van een andere EER-lidstaat;

2) een rechtspersoon is met zijn statutaire zetel, zijn hoofdbestuur of zijn hoofdvestiging binnen de EER.

Is één van die voorwaarden niet vervuld dan wordt de schenking aan de niet-Belgische rechtspersoon onderworpen aan het schenkingstarief "tussen anderen".

Zijn die twee voorwaarden wel vervuld, dan moet nog nagegaan worden of de begiftigde niet-Belgische rechtspersoon "gelijkaardig" is met een van de in artikel 140, eerste lid, 2°, VL. W. Reg. genoemde Belgische rechtspersonen. Enkel schenkingen aan "vergelijkbare" niet-Belgische rechtspersonen komen in aanmerking voor de verminderde tarieven van artikel 140, eerste lid, 2° of 3° VL. W. Reg.

De Vlaamse decreetgever heeft het niet opportuun geacht om een definitie van wat onder vergelijkbare rechtspersonen moet worden verstaan in het VL. W. Reg. in te schrijven.

In de memorie van toelichting bij het ontwerp van decreet (26) worden wel de voorwaarden geëxpliciteerd waaraan de rechtspersoon uit een ander lid van de EER moet voldoen om te kunnen worden beschouwd als gelijkaardig aan een voor het verminderd tarief in aanmerking komende Belgische rechtspersoon:

A. het algemeen belang dienen en (27) een menslievend, dierenlievend, godsdienstig, cultureel, wetenschappelijk, artistiek of pedagogisch doel hebben;

B. (uiteraard) rechtspersoonlijkheid bezitten

C. geen winstoogmerk nastreven;

D. geen stoffelijk voordeel verschaffen aan de oprichters, stichters, leden, bestuurders, of enig ander persoon, behalve indien dit kadert in de verwezenlijking van het belangeloos doel.

Gelet op de veelheid van rechtspersoonsvormen in de EER-landen (zeker nu de EU - en dus ook de EER - voor een uitbreiding staat met nog eens tien landen) is het voor de uitvoeringsadministratie niet mogelijk om nu al een lijst op te stellen van in principe "vergelijkbare" rechtspersonen in de EER. Vanuit de regel dat wie zich op een vrijstelling of vermindering beroept moet bewijzen dat hij aan de voorwaarden daartoe voldoet, zal de vermindering bij de registratie van de schenkingsakte alleen kunnen worden toegekend indien in de akte door de partijen wordt verklaard dat de schenking geschiedt aan een met een Belgische rechtspersoon in de zin van artikel 140, tweede lid, VL. W. Reg. vergelijkbare EER-rechtspersoon en wanneer de aangeboden akte vergezeld gaat van een afschrift van de statuten van de rechtspersoon en van een verwijzing naar de nationaalrechtelijke regels die haar statuut beheersen. De administratie zal dan achteraf toetsen of aan de voorwaarde van vergelijkbaarheid is voldaan en zoniet de aanvullende rechten invorderen. Ontbreekt één van die elementen dan zal de begiftigde rechtspersoon die meent recht te hebben op de vermindering, teruggave moeten vragen (en dus moeten bewijzen dat hij recht heeft op de vermindering) bij toepassing van artikel 209, eerste lid, 1° W. Reg.

[(26) Vlaams Parlement, Stuk 1948 (2003-2004)- Nr. 1, blz. 23.
(27) Deze criteria zijn gedistilleerd uit een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel d.d. 6 december 2002 (T.F.R., 2003, nr. 243, blz. 570). Er mag worden aangenomen dat de steller van de memorie van toelichting verkeerdelijk het woord "en" heeft gebruikt; dat moet zijn "of".]

*

* *

ONDERAFDELING 2. WIJZIGINGEN IN DE BIJZONDERE BEPALINGEN BETREFFENDE DE SCHENKINGEN VAN ONDERNEMINGEN
9. Inleiding
Bij het decreet van 27 juni 2003 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2003 heeft de Vlaamse decreetgever een eigen stelsel van regelen uitgevaardigd met betrekking tot de schenkingen van ondernemingen. Dit Vlaams stelsel werd gecommentarieerd in de circulaire nr. 19/2003 van 3 november 2003.

Bij onderhavig decreet worden enkele wijzigingen aan dat stelsel aangebracht die samengevat neerkomen op een verzachting van de toepassingsvoorwaarden en van de sancties.

Het hoeft geen betoog dat sommige van de hoger besproken wijzigingen aan de algemene regels inzake schenkingsrechten hun weerslag hebben op hetgeen in de circulaire nr. 19/2003 werd gesteld. Dit is inzonderheid het geval voor de nieuwe progressiviteitsregel (art. 137 VL. W. Reg.). Vermits die voortaan enkel nog geldt voor schenkingen van onroerende goederen kan een voorafgaande (binnen de drie jaar) of een gelijktijdige schenking daarmee van een onderneming, de progressiviteit van het schenkingsrecht op de geschonken onroerende goederen niet meer beïnvloeden. Bijlage 3 bij deze circulaire bevat de wijzigingen die aan de commentaar verstrekt in circulaire 19/2003 moeten worden aangebracht, ingevolge de wijzigingen die het Vlaams stelsel heeft ondergaan bij onderhavig decreet.

10. Schenking van "de eigendom of het vruchtgebruik" ook geëxpliciteerd in §1, 2° en §1, 3° van artikel 140bis VL. W. Reg.
In circulaire 19/2003 werd opgemerkt dat enkel ten aanzien van de onder 1° van §1 van artikel 140 bis VL. W. Reg. vermelde schenkingen (universaliteit of bedrijfstak) expliciet werd gesproken van "de eigendom of het vruchtgebruik van ..". De administratie heeft daarbij het standpunt ingenomen dat het de bedoeling was van de Vlaamse decreetgever de schenking van blote eigendom of van vruchtgebruik, naast die van volle eigendom, ook tegen het gunsttarief van 2% mogelijk te maken voor de onder 2° en 3° van §1 van artikel 140 bis VL. W. Reg. bedoelde schenkingen (schenkingen van aandelen en schenkingen van vorderingen op de vennootschap waarvan aandelen worden geschonken). Dit standpunt van de administratie wordt nu bij art. 54 van het decreet bevestigd.

11. Schenking van aandelen - vereiste omvang van het geschonken aandelenpakket.
Het tweede lid van artikel 140 bis, §1, 2° VL. W. Reg. bepaalde dat het geschonken aandelenpakket minstens 10% van de stemrechten in de algemene vergadering diende te vertegenwoordigen, opdat de schenking het verminderd recht van 2% zou kunnen genieten. De wijziging van dat lid bij artikel 55 van het decreet brengt mee dat de schenking van een pakket aandelen ook het verminderd recht kan genieten wanneer dat pakket minstens 10% van alle aandelen (al dan niet stemgerechtigd) van de vennootschap vertegenwoordigt. Voor alle duidelijkheid: het betreft hier geen cumulatieve voorwaarden: het volstaat dat het aandelenpakket hetzij minstens 10% van de stemrechten in de A.V. vertegenwoordigt hetzij minstens 10% van alle aandelen van de vennootschap vertegenwoordigt.

Voorbeeld: hernemen we het voorbeeld dat werd gegeven op blz. 7 van circulaire 19/2003. Op grond van de oorspronkelijke regel werd in de onderstelling dat het totaal aantal stemgerechtigde kapitaalaandelen in de N.V. A 1001 zou bedragen, de toepassing van het verminderd recht uitgesloten omdat dan aan het geschonken aandelenpakket onvoldoende stemrechten in de algemene vergadering waren verbonden. Onder de nieuwe regel inzake de omvang van het geschonken aandelenpakket, zal het verminderd recht in die onderstelling nu ook van toepassing zijn omdat het geschonken pakket aandelen (130) minstens 10% van het totaal aantal van de door de N.V. A uitgegeven aandelen (1101) bereikt.
Logischerwijze heeft de Vlaamse decreetgever, in het verlengde van de aanpassing van de regel inzake de omvang van het geschonken aandelenpakket, ook § 2 van artikel 140 bis VL. W. Reg. aangepast (artikel 58 van het decreet). De notaris moet in of onderaan de akte (of een bedrijfsrevisor of een accountant moet in een attest) bevestigen dat het geschonken aandelenpakket voldoet aan minstens (28) één van de gestelde voorwaarden inzake de omvang ervan.

[(28) Het kan natuurlijk voorkomen dat het geschonken aandelenpakket aan beide voorwaarden voldoet. Voor de toepassing van het verminderd recht volstaat het, zoals reeds gezegd, dat aan één van de voorwaarden inzake omvang is voldaan. Is aan beide van de alternatieve voorwaarden voldaan, dan belet uiteraard niets dat de notaris bevestigt dat aan beide is voldaan.]

12. Certificaten van aandelen of van vorderingen - schrapping van de één-op-één regel en van het vervreemdingsverbod.
De wijzigingen die bij de artikelen 56 en 57 van het decreet worden aangebracht hebben voor gevolg dat inzake schenkingen van certificaten van aandelen of van vorderingen het niet langer vereist is opdat het verminderd recht zou kunnen worden toegepast dat:

  • aan elk aandeel één certificaat beantwoordt;

    M.a.w. voor de schenking van certificaten van aandelen (29) wordt de "één-op-één"-regel als toepassingsvoorwaarde voor het verminderd recht geschrapt.
  • de rechtspersoon de aandelen respectievelijk de vorderingen niet kan vervreemden zonder toestemming van de certificaathouder.
Merk op dat de Vlaamse decreetgever in de onder dit randnummer besproken wijzigende teksten inzake het stelsel van de schenkingen van ondernemingen de woorden "Europese Unie" heeft vervangen door de woorden "Europese Economische Ruimte", maar die vervanging niet tevens heeft doorgevoerd in de overige bepalingen van het stelsel. Hiervoor wordt verwezen naar de algemene opmerking die ter zake is gemaakt in punt 8.4.3.1. van deze circulaire.

[(29) De "één-op-één"-regel gold uiteraard niet in het kader van de schenking van certificaten van vorderingen op een vennootschap.]

13. Verzachting van de sancties
Zowel in artikel 140 quater (zie artikel 59 van het decreet) als in artikel 140 quinquies (zie artikel 60 van het decreet) is de administratieve geldboete die was voorzien in geval de begiftigde de in die artikelen opgelegde verplichting niet nakomt, geschrapt. In de memorie van toelichting wordt gesteld dat die sancties soms als te zwaar worden bestempeld. Nog volgens de memorie van toelichting zou de administratie indien de betrokkene in gebreke blijft, hem alsnog via een dwangbevel tot het vereiste bewijs of tot betaling kunnen aanmanen.

*

* *

AFDELING 2. SUCCESSIERECHTEN
14. Wijziging aan de regel inzake gecumuleerde progressie
De regel van gecumuleerde progressie van de successierechten in geval van schenkingen binnen de drie jaar voor het overlijden (artikel 66 bis, eerste lid, VL. W. Succ.), kende tot nog toe één uitzondering: namelijk in geval van een schenking in rechte lijn en tussen echtgenoten van een bouwgrond waarop het in artikel 140 nonies VL. W. Reg. bepaalde recht werd geheven (artikel 66 bis,vorige versie van het tweede lid, VL. W. Succ.).

Bij onderhavig decreet wordt die regel in nog twee gevallen geneutraliseerd, namelijk:

1) in geval van een schenking van roerende goederen waarop het in artikel 131, § 2, VL. W. Reg. bepaalde evenredig recht werd geheven;

2) in geval van een schenking van een onderneming waarop het in artikel 140 bis VL. W. Reg. bepaalde evenredig recht werd geheven.

De drie gevallen van neutralisering van het eerste lid van artikel 66 bis VL. W. Succ. zijn samengebracht in het nieuwe tweede lid van dat artikel (artikel 65 van het decreet).

Voorbeeld:

  • 1 mei 2004: schenking bij notariële akte door X (natuurlijke persoon met fiscale woonplaats sedert meer dan vijf jaar ononderbroken in Vlaams Gewest) aan Y (vennootschap met sociaal oogmerk - afgekort VSO) van:
    • geldsom van € 50.000;
    • onroerend goed met een verkoopwaarde van € 100.000
  • 1 mei 2005: X overlijdt (nog steeds zijn fiscale woonplaats in Vlaams Gewest); bij legaat heeft X een geldsom van € 25.000 vermaakt aan de VSO Y.

    De VSO Y is een rechtspersoon die niet van een bijzonder vast tarief geniet [30]. Hij wordt belast aan het progressief successietarief "tussen anderen". Enkel de heffingsgrondslag voor de schenking van het onroerend goed ― en, bij toepassing van het tweede lid van artikel 66bis VL. W. Succ. dus niet die voor de schenking van de geldsom ― moet bij deze van het legaat van de geldsom worden gevoegd om uiteindelijk over het samengevoegd bedrag van de verkrijgingen door alle personen behorende tot dezelfde tariefcategorie het progressief tarief "tussen anderen" toe te passen.
[(30) Mocht in plaats van een VSO bijvoorbeeld een private stichting begiftigde en legataris geweest zijn van X, dan zou artikel 66bis VL. W. Succ. niet toepasselijk zijn, omdat een legaat aan een private stichting nu wordt belast aan een vast tarief van 8,80 pct.(zie punt 15 van deze circulaire).]

15. Legaten aan bijzondere rechtspersonen
1) Naar analogie met artikel 140 VL. W. Reg. inzake schenkingen aan bijzondere publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspersonen worden ook de artikelen 59 en 60 van het VL. W. Succ. inzake legaten aan bijzondere rechtspersonen aangepast. Voor de commentaar kan mutatis mutandis verwezen worden naar wat hoger daarover werd gezegd (zie randnummer 7 van deze circulaire).

Zo genieten bijvoorbeeld enkel de in het Vlaams Gewest gelegen gedecentraliseerde openbare overheden (provincies...) en hun instellingen van het verminderd tarief, niet deze gelegen in het Waals en Brussels Hoofdstedelijk Gewest, noch de buitenlandse gedecentraliseerde overheden en hun instellingen zelfs al zouden deze laatste gelegen zijn op het grondgebied van een EER-lidstaat en gelijkaardig zijn met de Vlaamse (31).
Zo muteert bijvoorbeeld de stichting van openbaar nut (voorheen: instelling van openbaar nut) van artikel 59, 1° W. Succ. naar artikel 59, 2° VL. W. Succ. en worden legaten aan private stichtingen voortaan ook in artikel 59,2° VL. W. Succ. vermeld (voorheen werd de private stichting niet vermeld in artikel 59 W. Succ., zodat legaten aan private stichtingen belast werden aan het tarief "tussen anderen").
Let wel, de bijzondere heffingspercentages van respectievelijk 6,6 pct. (art. 59, 1° VL. W. Succ.) en 8,8 pct. (art. 59,2° VL.W. Succ.) blijven in het kader van de Vlaamse successierechten onveranderd.

2) Ook hier heeft de Vlaamse decreetgever, in antwoord op de bezwaren van de Europese Commissie tegen het voorbehouden van de bijzondere tarieven van artikel 59 W. Succ. voor Belgische rechtspersonen, het toepassingsgebied van artikel 59, moeten uitbreiden tot "gelijkaardige" rechtspersonen die opgericht zijn volgens en onderworpen zijn aan de wetgeving van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte, en die bovendien hun statutaire zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de Europese Economische Ruimte hebben (artikel 62 van het decreet - nieuw artikel 60 VL. W. Succ.) De commentaar die bij de analoge uitbreiding van het toepassingsgebied van artikel 140, eerste lid, 2° en 3° VL. W. Reg werd gegeven (zie punt 8.4.3. inzake de wijziging van artikel 140, tweede lid, VL. W. Reg.) geldt dus hier mutatis mutandis ook.

[(31) De uitbreiding van het toepassingsgebied tot gelijkaardige EER-rechtspersonen geldt enkel voor de in artikel 59,2° W. Succ. vermelde rechtspersonen. Zie verder punt 2) van dit randnummer.]

16. Wijzigingen aan het stelsel van overdrachten van ondernemingen.
16.1. Berekening van de "50 procent participatievoorwaarde": precisering van de activa of de aandelen waarmee tevens rekening wordt gehouden voor die berekening.
De Vlaamse decreetgever heeft de regel voor de berekening van de 50 procent participatievoorwaarde (zie artikel 60 bis, § 1 eerste lid, b VL. W. Succ.) aangepast door een nieuwe redactie (32) van het tweede lid van §1 van artikel 60 bis VL. W. Succ. (artikel 63 van het decreet).

Vermits de controle van het voldaan zijn van de 50 procent participatievoorwaarde wordt uitgevoerd door de Vlaamse Administratie, wordt op deze wijziging in het kader van deze circulaire niet ingegaan.

[(32) De redengeving van deze wijziging is te vinden op bladzijde 25 van de memorie van toelichting bij het ontwerp decreet ¾ Vlaams Parlement, Stuk 1948 (2003-2004) - Nr. 1]

16.2. Gelijkstelling met aandelen
Naar analogie met de nieuwe Vlaamse regels inzake schenkingen van ondernemingen (zie randnummer 11 van deze circulaire) worden bij artikel 64 van het decreet, een aantal aanpassingen doorgevoerd aan § 4 van artikel 60 bis VL. W. Succ.:

  • voor de gelijkstelling met aandelen is niet meer vereist dat de gecertificeerde aandelen beantwoorden aan de "één-op-één"-regel en vervalt ook de voorwaarde van de niet vervreemdbaarheid van de aandelen zonder toestemming van de certificaathouder;
  • certificaten van vorderingen worden ook in het kader van overdrachten van ondernemingen door overlijden, onder bepaalde voorwaarden, gelijkgesteld met vorderingen.
Opmerking: in de nieuwe redactie van onderhavige § 4 refereert de Vlaamse decreetgever opnieuw aan de Europese Economische Ruimte in verband met de ligging van de zetel van de certificerende rechtspersoon en niet aan de Europese Unie, terwijl dat laatste begrip niet werd gewijzigd in §3 van artikel 60 bis VL. W. Succ. Op grond van hetgeen gesteld werd onder nummer 8.4.3.1. van deze circulaire, moet echter het begrip "Europese Unie" in genoemde § 3 ook gelezen worden als "Europese Economische Ruimte".

AFDELING 3. WOONRECHT DOEL
Artikel 97 van het decreet voorziet bij een zogenaamde "autonome bepaling" (d.w.z. zonder dat daarvoor het Wetboek van registratie-, hypotheek- en griffierechten wordt gewijzigd) in de kosteloze registratie van de akten houdende vestiging van een recht van bewoning op woningen die gelegen zijn in de woonkern Doel van Beveren en die eigendom zijn van de Maatschappij voor het haven-, grond- en industrialisatiebeleid van het Linkerscheldeoevergebied.

De kosteloze registratie geldt dus enkel:

1) indien het gaat om vestiging van een recht van bewoning (beperkt zakelijk recht)(33);

2) op een woning gelegen in de woonkern Doel van de gemeente Beveren;

3) en indien de woning eigendom is van de Maatschappij voor het haven-, grond- en industrialisatiebeleid van het Linkerscheldeoevergebied.

De voorwaarden onder 1) en 3) behoeven geen nadere toelichting.

Wat de afbakening van de woonkern Doel betreft, verwijst de memorie van toelichting bij het ontwerp decreet naar een beslissing van de Vlaamse regering van 27 april 2001 betreffende een tijdelijk bewoningsrecht ter garantie van de woonzekerheid en van de woonkwaliteit in Doel. Uit deze beslissing blijkt dat met de "woonkern Doel" bedoeld wordt het deel van Doel dat op het Gewestplan St-Niklaas/Lokeren als Z3-gebied (zeehavengebied type 3) is aangeduid.

[(33) Niet in geval van het sluiten van een huurcontract m.b.t. tot een in de Woonkern doel gelegen woning (dat wordt geregistreerd tegen het algemeen vast recht: art. 159, 13° W. Reg.)] AFDELING 4. INWERKINGTREDING
Artikel 103 van het decreet bepaalt dat de hiervoor besproken bepalingen van het decreet in werking treden op 1 januari 2004, met uitzondering evenwel van de maatregel ter garantie van de woonzekerheid in Doel (artikel 97 van het decreet) die in werking treedt op de dag van de publicatie van het decreet in het Belgisch Staatsblad.

a) inzake registratierechten
Opdat een schenking van roerende goederen onder de toepassing van het nieuwe decreet valt, is vereist dat de schenking wordt gelokaliseerd in het Vlaams Gewest én dat het belastbaar feit zich na 31 december 2003 situeert.

1. Lokalisatie in het Vlaams Gewest

Voor wat de toepasselijke principes inzake de lokalisatie van een schenking betreft wordt verwezen naar de circulaire AKRED nr. 7/2002 (z. onder II op blz. 9 van bedoelde circulaire).

Welke datum dient voor de toepassing van het lokalisatiecriterium in aanmerking genomen te worden?

Indien het een schenking bij authentieke akte betreft of een handgift die nadien door de partijen bevestigd wordt in een notariële akte, is de datum van de schenking de datum van de authentieke akte. De notaris moet de bij artikel 170 bis W. Reg. voorziene verklaring in de akte opnemen.

Betreft het een schenking bij onderhandse akte of een handgift die nadien door de partijen bevestigd wordt in een onderhandse akte, dient de fiscale woonplaats van de schenker bepaald te worden rekening houdend met het moment waarop de registratierechten op de schenking opeisbaar worden, m.a.w. de datum van de aanbieding ter registratie van de onderhandse akte. De schenker moet in een aanvullende verklaring, overeenkomstig artikel 168 W. Reg., het adres, de datum en de duur van de vestiging van de verschillende fiscale woonplaatsen vermelden die hij gehad heeft in de periode van vijf jaar voorafgaand aan de datum van de registratie van de onderhandse akte.

2. Situering van het belastbaar feit na 31 december 2003.

Welke datum dient in aanmerking genomen te worden om uit te maken of het nieuwe decreet toepasselijk is ?

Opdat een schenking, die in het Vlaams Gewest gelokaliseerd wordt, onderworpen is aan het nieuwe tarief is vereist dat het belastbaar feit zich situeert na 31 december 2003.

In geval van een schenking van roerende goederen bij notariële akte verleden voor een Belgische notaris dient de datum van de notariële akte in aanmerking genomen te worden.

In geval van een schenking van roerende goederen bij onderhandse akte of bij een in het buitenland verleden notariële akte, is het belastbaar feit de aanbieding ter registratie.

Wanneer een handgift nadien door de partijen bevestigd wordt in een notariële akte verleden voor een Belgische notaris, in een onderhandse akte of in een akte verleden voor een buitenlandse notaris dient respectievelijk de datum van de Belgische notariële akte of de datum van aanbieding ter registratie in aanmerking genomen te worden.

Voorbeeld:
Op 31 december 1998 werd door A aan B een handgift van een geldsom van € 50.000 gedaan. A heeft op dat ogenblik meer dan vijf jaar zijn fiscale woonplaats in het Vlaams Gewest. Op 5 januari 2004 bieden A en B een door hen ondertekend geschrift ter registratie aan waarin ze verklaren dat B van A bij handgift de geldsom heeft gekregen op 31 december 1998. A heeft op 5 januari 2004 zijn fiscale woonplaats meer dan drie jaar in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
De administratie plaatst zich voor de toepassing van het lokalisatiecriterium op de datum van de aanbieding ter registratie van de onderhandse akte. De registratie geschiedt volgens de tarieven die op 5 januari 2004 in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest toepasselijk zijn.
b) inzake successierechten
De wijzigingen aan het Wetboek der successierechten zijn van toepassing op de vanaf 1 januari 2004 opengevallen nalatenschappen.

c) inzake de maatregel ter garantie van de woonzekerheid in Doel
De kosteloze registratie van de akten houdende vestiging van een recht van bewoning op in Doel gelegen woningen onder de voorwaarden bepaald in artikel 86 van het decreet, geldt voor de vanaf 31 december 2003 gesloten desbetreffende overeenkomsten.

NAMENS DE MINISTER :

De adjunct-administrateur-generaal,

Paul NECKEBROECK.



BIJLAGE 1


Uittreksel uit het Belgisch Staatsblad van 31 december 2003.
MINISTERIE VAN DE VLAAMSE GEMEENSCHAP

19 december 2003. ― Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2004.
Het Vlaams Parlement heeft aangenomen en Wij, regering, bekrachtigen hetgeen volgt: decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2004.



HOOFDSTUK XXI
Schenkingsrechten
Artikel 43
Artikel 131 van het Wetboek van registratie-, hypotheek- en griffierechten, wordt vervangen door wat volgt :

"Artikel 131

§ 1. Voor de schenkingen onder de levenden van onroerende goederen wordt over het bruto-aandeel van elk der begiftigden een evenredig recht geheven volgens het tarief in onderstaande tabellen aangeduid.

Hierin wordt vermeld :

onder a : het percentage dat toepasselijk is op het overeenstemmende gedeelte;

onder b : het totale bedrag van de belasting over de voorgaande gedeelten.

TABEL I

Tarief in rechte lijn en tussen echtgenoten

Gedeelte van de schenking

Vantot inbegrepenab
EUR-EURt.h.EUR
0,01-12.5003-
12.500-25.0004375
25.000-50.0005875
50.000-100.00072.125
100.000-150.000105.625
150.000-200.0001410.625
200.000-250.0001817.625
250.000-500.0002426.625
Boven de 500.0003086.625
TABEL II
Tarief tussen broers en zusters

Gedeelte van de schenking

Vantot inbegrepenab
EUR-EURt.h.EUR
0,01-12.50020-
12.500-25.000252.500
25.000-75.000355.625
75.000-175.0005023.125
Boven de 175.0006573.125
TABEL III

Tarief tussen ooms of tantes en neven of nichten

Gedeelte van de schenking

Vantot inbegrepenab
EUR-EURt.h.EUR
0,01-12.50025-
12.500-25.000303.125
25.000-75.000406.875
75.000-175.0005526.875
Boven de 175.0007081.875
TABEL IV

Tarief tussen alle andere personen

Gedeelte van de schenking

Vantot inbegrepenab
EUR-EURt.h.EUR
0,01-12.50030-
12.500-25.000353.750
25.000-75.000508.125
75.000-175.0006533.125
Boven de 175.0008098.125
§ 2. Voor de schenkingen onder de levenden van roerende goederen wordt over het bruto-aandeel van elk der begiftigden een recht geheven van :

1° 3% voor schenkingen in de rechte lijn en tussen echtgenoten ;

2° 7% voor schenkingen aan andere personen.".



Artikel 44
Artikel 132 1 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door wat volgt :

"Artikel 132 1
Onder echtgenoten worden voor de toepassing van deze afdeling eveneens geacht begrepen te zijn :

1° de persoon die op de dag van de schenking, overeenkomstig de bepalingen van boek III, titel Vbis, van het Burgerlijk Wetboek met de schenker wettelijk samenwoont ;

of

2° de persoon of de personen die op de dag van de schenking ten minste één jaar ononderbroken met de schenker samenwonen en er een gemeenschappelijke huishouding mee voeren. Deze voorwaarden worden geacht ook vervuld te zijn indien het samenwonen en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding met de schenker aansluitend op de bedoelde periode van één jaar tot op de dag van de schenking, ingevolge overmacht onmogelijk is geworden. Een uittreksel uit het bevolkingsregister houdt een weerlegbaar vermoeden in van ononderbroken samenwoning en van het voeren van een gemeenschappelijke huishouding.".



Artikel 45
In artikel 132 2 van hetzelfde Wetboek wordt in het tweede lid 3 ° vervangen door wat volgt :

" 3° wanneer het adoptief kind, vóór de leeftijd van eenentwintig jaar, gedurende drie achtereenvolgende jaren hoofdzakelijk van de adoptant, of van deze en zijn levenspartner samen, de hulp en verzorging heeft gekregen die kinderen normaal van hun ouders krijgen.".



Artikel 46
Artikel 133 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door wat volgt :

"Artikel 133

Het recht wordt berekend over de verkoopwaarde van de geschonken goederen, zonder aftrek van lasten.

Evenwel, voor schenkingen van ter beurze genoteerde effecten geldt als belastinggrondslag de waarde volgens de laatste prijscourant op last van de regering bekendgemaakt vóór de datum waarop het recht opeisbaar is geworden.

Voor de schenkingen van het vruchtgebruik of de blote eigendom van een onroerend goed wordt de belastinggrondslag vastgesteld zoals in de artikelen 47 tot 50 is bepaald.

Voor de schenkingen van het op het leven van de begiftigde of een derde gevestigde vruchtgebruik van roerende goederen geldt als belastinggrondslag het bedrag verkregen door de vermenigvuldiging van de jaarlijkse opbrengst van de goederen, forfaitair vastgesteld op 4 ten honderd van de volle eigendom van de goederen, met het getal dat in artikel 47, eerste lid, wordt aangegeven tegenover de leeftijdsklasse waartoe diegene op wiens leven het vruchtgebruik gevestigd is, behoort op de datum van de schenking.

Voor de schenkingen van het voor een bepaalde tijd gevestigde vruchtgebruik van roerende goederen geldt als belastinggrondslag het bedrag verkregen door kapitalisatie van de jaarlijkse opbrengst tegen 4 ten honderd over de duur van het vruchtgebruik bepaald in de schenkingsakte. De jaarlijkse opbrengst van de roerende goederen wordt forfaitair vastgesteld op 4 ten honderd van de volle eigendom van die goederen. Het aldus verkregen bedrag van de belastinggrondslag mag evenwel niet uitgaan boven de waarde berekend volgens het vierde lid indien het vruchtgebruik gevestigd is ten bate van een natuurlijk persoon, hetzij boven twintigmaal de opbrengst indien het vruchtgebruik gevestigd is ten bate van een rechtspersoon.

Voor de schenkingen van de blote eigendom van roerende goederen waarvan het vruchtgebruik door de schenker is voorbehouden, is de belastinggrondslag de verkoopwaarde van de volle eigendom van de goederen.

Voor de schenkingen van de blote eigendom van roerende goederen waarvan het vruchtgebruik door de schenker niet is voorbehouden, is de belastinggrondslag de verkoopwaarde van de volle eigendom van de goederen, verminderd met de waarde van het vruchtgebruik, berekend volgens het vierde of vijfde lid van dit artikel.

Voor schenkingen van een lijfrente of een levenslang pensioen wordt het recht berekend over het jaarlijks bedrag van de uitkering, vermenigvuldigd met de leeftijdscoëfficiënt die volgens de tabel in artikel 47 op de begiftigde moet worden toegepast.

Voor schenkingen van een altijd durende rente wordt het recht berekend over het jaarlijks bedrag van de rente vermenigvuldigd met twintig.".



Artikel 47
Aan artikel 134 van hetzelfde Wetboek wordt de volgende zin toegevoegd :

"In de mate dat de schenking betrekking heeft op onroerende goederen, wordt de last in hoofde van de derde als schenking belast volgens de in artikel 131, § 1, geldende tarieven.".



Artikel 48
In de eerste zin van artikel 135 van hetzelfde Wetboek worden tussen de woorden "Het bedrag van het" en "recht" de woorden "bij artikel 131, § 1, vastgestelde" toegevoegd.



Artikel 49
In het laatste lid van artikel 136 van hetzelfde Wetboek wordt het woord "wettige" geschrapt.



Artikel 50
In artikel 137 van hetzelfde Wetboek worden tussen de woorden "schenking" en "toepasselijk tarief" en tussen de woorden "heffing op de schenkingen" en "welke reeds" de woorden "van onroerende goederen" toegevoegd.



Artikel 51
In artikel 138 1 van hetzelfde Wetboek worden tussen de woorden "de akten van schenking" en "vermelding" en tussen de woorden "één of meer schenkingen" en "zijn voorgekomen" de woorden "van onroerende goederen" toegevoegd.



Artikel 52
Artikel 139 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door wat volgt :

"Artikel 139

Benevens het ontdoken recht zijn de schenker en begiftigde een ondeelbare boete, gelijk aan dat recht verschuldigd bij een onjuiste opgave van :

- hun graad van verwantschap

- het tussen hen bestaan van een samenwoningsrelatie zoals bedoeld in artikel 132 1.".



Artikel 53
Artikel 140 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door wat volgt :

"Artikel 140

De bij artikel 131 vastgestelde rechten worden gebracht op :

1° 5,5 pct. voor schenkingen aan

a. provincies, gemeenten, provinciale en gemeentelijke openbare instellingen gelegen in het Vlaamse Gewest ;

b. de door de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij erkende maatschappijen ;

c. de coöperatieve vennootschap "Vlaams Woningfonds van de grote gezinnen";

d. dienstverlenende en opdrachthoudende verenigingen zoals bedoeld in het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking ;

2° 7 pct. voor de schenkingen, inclusief inbrengen om niet, aan verenigingen zonder winstoogmerk, ziekenfondsen en landsbonden van ziekenfondsen, beroepsverenigingen en internationale verenigingen zonder winstoogmerk, aan de private stichtingen en stichtingen van openbaar nut ;

3° 100 euro voor de schenkingen, inclusief inbrengen om niet, gedaan aan stichtingen of rechtspersonen bedoeld in 2°, zo de schenker zelf een dezer stichtingen of rechtspersonen is ;

4° 1,10 pct. voor de schenkingen, inclusief inbrengen om niet, gedaan door de gemeenten aan de pensioenfondsen die zij onder de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk hebben opgericht in uitvoering van een door de voogdijoverheid goedgekeurd saneringsplan.

De verlagingen vermeld sub 2° en 3° zijn enkel toepasselijk op de Belgische rechtspersonen en op gelijkaardige rechtspersonen die opgericht zijn volgens en onderworpen zijn aan de wetgeving van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte, en die bovendien hun statutaire zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de Europese Economische Ruimte hebben.".



Artikel 54
In artikel 140bis, § 1, 2°, van hetzelfde Wetboek worden tussen de woorden "de schenking" en "van aandelen" de woorden "van de eigendom of het vruchtgebruik" toegevoegd.

In artikel 140bis, § 1, 3°, van hetzelfde Wetboek worden tussen de woorden "de schenking" en"van vorderingen" de woorden "van de eigendom of het vruchtgebruik" toegevoegd.



Artikel 55
Het tweede lid van artikel 140bis, § 1, 2°, van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door wat volgt :

"De aandelen dienen minstens 10 % van de stemrechten in de algemene vergadering of van de totaliteit van de aandelen van de vennootschap te vertegenwoordigen.".



Artikel 56
Artikel 140bis, § 1, 2°, derde lid, b), van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door wat volgt :

"b) de certificaten van aandelen, uitgereikt door rechtspersonen met zetel in een van de lidstaten van de Europese Economische Ruimte, ter vertegenwoordiging van aandelen van de betreffende vennootschap, op voorwaarde dat de rechtspersoon de verplichting heeft om de dividenden en andere vermogensvoordelen onmiddellijk en ten laatste binnen de maand door te storten aan de certificaathouder.".



Artikel 57
In artikel 140bis, § 1, 3°, tweede lid, van hetzelfde Wetboek wordt de tweede zin vervangen door wat volgt :

"Onder vorderingen worden tevens begrepen de certificaten van vorderingen uitgereikt door rechtspersonen met zetel in een van de lidstaten van de Europese Economische Ruimte, ter vertegenwoordiging van vorderingen op een dergelijke vennootschap, op voorwaarde dat de rechtspersoon de verplichting heeft om de interesten en andere vermogensvoordelen onmiddellijk en ten laatste binnen de maand door te storten aan de certificaathouder.".



Artikel 58
De derde en de vierde zin van artikel 140bis, § 2, van hetzelfde Wetboek worden vervangen als volgt :

"In geval van een schenking als bedoeld in § 1, 2°, van dit artikel moet bovendien de notaris, in of onder aan de akte, naargelang het geval, bevestigen dat de geschonken aandelen hetzij minstens 10 % van de stemrechten in de algemene vergadering van de vennootschap vertegenwoordigen, hetzij minstens 10 % van de totaliteit van de aandelen van de vennootschap vertegenwoordigen. Die bevestiging door de notaris kan vervangen worden door een attest van een bedrijfsrevisor of accountant, dat aan de akte wordt gehecht.".



Artikel 59
In artikel 140quater van hetzelfde Wetboek wordt het derde lid vervangen door wat volgt :

"Van het niet langer vervuld zijn van een voorwaarde voor het behoud van het verlaagde recht moet de begiftigde kennis geven aan de ontvanger van het kantoor waar de schenkingsakte werd geregistreerd binnen vier maanden te rekenen van het tijdstip waarop de voorwaarde niet meer wordt vervuld.".



Artikel 60
In artikel 140quinquies van hetzelfde Wetboek wordt het tweede lid vervangen door wat volgt :

"In geval het vervuld zijn van de voorwaarden voor het behoud van het verlaagde recht onvoldoende is aangetoond, worden de in het eerste lid van artikel 140quater bedoelde aanvullende rechten opeisbaar alsmede de wettelijke interesten te rekenen van de datum van de registratie van de schenking.".



HOOFDSTUK XXII
Successierechten
Artikel 61
Artikel 59 van het Wetboek van Successierechten wordt vervangen door wat volgt :

"Artikel 59

De rechten van successie en van overgang bij overlijden worden verlaagd :

1° tot 6,6 procent voor de legaten aan

a. provincies, gemeenten, provinciale en gemeentelijke openbare instellingen in het Vlaamse Gewest ;

b. de door de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij erkende maatschappijen ;

c. de coöperatieve vennootschap "Vlaams Woningfonds van de grote gezinnen";

d. dienstverlenende en opdrachthoudende verenigingen zoals bedoeld in het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking ;

2° tot 8,80 pct. voor de legaten gedaan aan de verenigingen zonder winstoogmerk, ziekenfondsen en landsbonden van ziekenfondsen, beroepsverenigingen, internationale verenigingen zonder winstoogmerk, private stichtingen en stichtingen van openbaar nut.".



Artikel 62
Artikel 60 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door wat volgt :

"Artikel 60

De verlagingen bepaald in artikel 59, 2°, zijn enkel toepasselijk op de Belgische rechtspersonen en op gelijkaardige rechtspersonen die opgericht zijn volgens en onderworpen zijn aan de wetgeving van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte, en die bovendien hun statutaire zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de Europese Economische Ruimte hebben.".



Artikel 63
Artikel 60bis, § 1, tweede lid, van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door wat volgt :

"Voor de berekening van de 50 procent wordt tevens rekening gehouden met de activa of de aandelen :

- die in het bezit zijn of waren van ascendenten of descendenten en hun echtgenoten, of van zijverwanten van de overledene tot en met de tweede graad en hun echtgenoten ;

- die in het bezit zijn van kinderen van vooroverleden broers en zusters van de overledene.".



Artikel 64
Artikel 60bis, § 4, van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door wat volgt :

"§ 4. Onder aandelen wordt tevens begrepen :

- maatschappelijke rechten in vennootschappen ;

- de certificaten van aandelen, uitgereikt door rechtspersonen met zetel in een van de lidstaten van de Europese Economische Ruimte, ter vertegenwoordiging van aandelen van familiale vennootschappen die aan de gestelde voorwaarden voldoen en waarvan de rechtspersoon de verplichting heeft om de dividenden en andere vermogensvoordelen onmiddellijk en ten laatste binnen de maand door te storten aan de certificaathouder.

Onder vorderingen wordt tevens begrepen : de certificaten van vorderingen, uitgereikt door rechtspersonen met zetel in een van de lidstaten van de Europese Economische Ruimte, ter vertegenwoordiging van vorderingen op familiale vennootschappen die aan de gestelde voorwaarden voldoen en waarvan de rechtspersoon de verplichting heeft om de intresten en andere vermogensvoordelen onmiddellijk en ten laatste binnen de maand door te storten aan de certificaathouder.".



Artikel 65
Artikel 66bis, tweede lid, van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door wat volgt: :

"Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor :

- schenkingen van percelen grond die volgens de stedenbouwkundige voorschriften bestemd zijn voor woningbouw en waarop het in artikel 140 nonies, sub a), van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten bepaalde evenredig recht werd geheven;

- schenkingen van roerende goederen waarop het in artikel 131, §2, van hetzelfde Wetboek bepaalde evenredig recht werd geheven;

- schenkingen van ondernemingen waarop het in artikel 140 bis van hetzelfde Wetboek bepaalde evenredig recht werd geheven.".



HOOFDSTUK XXXIV
Woonrecht Doel
Artikel 97
In afwijking van de bepalingen van Titel I, Hoofdstuk IV, afdeling 1, van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, worden kosteloos geregistreerd de akten houdende vestiging van een recht van bewoning op woningen die, in het kader van het tijdelijk bewoningsrecht ter garantie van de woonzekerheid en van de woonkwaliteit in Doel, eigendom zijn van de Maatschappij voor het haven-, grond- en industrialisatiebeleid van het Linkerscheldeoevergebied.



HOOFDSTUK XXXVIII
Slotbepalingen
Artikel 103
Dit decreet treedt in werking op 1 januari 2004 met uitzondering van :

artikel 15 treedt in werking met ingang van 19 januari 2002 ;

artikel 94, 1°, treedt in werking met ingang van 1 januari 2003 ;

artikel 97 treedt in werking op de dag van publicatie in het Belgisch Staatsblad ;

4° de Vlaamse regering is gemachtigd om de datum van inwerkingtreding van artikel 25 te bepalen.

artikel 82, waarvan 1° en 2° uitwerking hebben met ingang van 1 februari 2003, 4° uitwerking heeft met ingang van 1 september 2003 en 3° in werking treedt op 1 september 2004.

Kondigen dit decreet af, bevelen dat het in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.

Brussel, 19 december 2003.

De minister-president van de Vlaamse regering,
B. SOMERS
De Vlaamse minister van Werkgelegenheid en Toerisme,
R. LANDUYT
De Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming,
M. VANDERPOORTEN
De Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Ruimtelijke Ordening
, Wetenschappen en Technologische Innovatie,
D. VAN MECHELEN
De Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd
en Ambtenarenzaken,
P. VAN GREMBERGEN
De Vlaamse minister van Mobiliteit, Openbare Werken en Energie,
G. BOSSUYT
De Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en
Ontwikkelingssamenwerking,
L. SANNEN
De Vlaamse minister van Welzijn, Gezondheid en Gelijke Kansen,
A. BYTTEBIER
De Vlaamse minister van Economie, Buitenlands Beleid en E-government,
P. CEYSENS
De Vlaamse minister van Wonen, Media en Sport,
M. KEULEN



BIJLAGE 2


Gecoördineerde teksten van de gewijzigde artikelen
REGISTRATIERECHTEN
Art. 131
§1. Voor de schenkingen onder de levenden van onroerende goederen wordt over het bruto-aandeel van elk der begiftigden een evenredig recht geheven volgens het tarief in onderstaande tabellen aangeduid.

Hierin wordt vermeld:

onder a: het percentage dat toepasselijk is op het overeenstemmende gedeelte;

onder b: het totale bedrag van de belasting over de voorgaande gedeelten.

TABEL I

Tarief in rechte lijn en tussen echtgenoten

Gedeelte van de schenking

Vantot inbegrepenab
EUR-EURt.h.EUR
0,01-12.5003-
12.500-25.0004375
25.000-50.0005875
50.000-100.00072.125
100.000-150.000105.625
150.000-200.0001410.625
200.000-250.0001817.625
250.000-500.0002426.625
Boven de 500.0003086.625


TABEL II

Tarief tussen broers en zusters

Gedeelte van de schenking

Vantot inbegrepenab
EUR-EURt.h.EUR
0,01-12.50020-
12.500-25.000252.500
25.000-75.000355.625
75.000-175.0005023.125
Boven de 175.0006573.125


TABEL III

Tarief tussen ooms of tantes en neven en nichten

Gedeelte van de schenking

Vantot inbegrepenab
EUR-EURt.h.EUR
0,01-12.50025-
12.500-25.000303.125
25.000-75.000406.875
75.000-175.0005526.875
Boven de 175.0007081.875


TABEL IV

Tarief tussen alle andere personen

Gedeelte van de schenking

Vantot inbegrepenab
EUR-EURt.h.EUR
0,01-12.50030-
12.500-25.000353.750
25.000-75.000508.125
75.000-175.0006533.125
Boven de 175.0008098.125
§2. Voor de schenkingen onder de levenden van roerende goederen wordt over het bruto-aandeel van elk der begiftigden een recht geheven van:

1° 3% voor schenkingen in de rechte lijn en tussen echtgenoten;

2° 7% voor schenkingen aan andere personen.



Artikel 1321
Onder echtgenoten worden voor de toepassing van deze afdeling eveneens geacht begrepen te zijn

1° de persoon die op de dag van de schenking, overeenkomstig de bepalingen van boek III, titel Vbis, van het Burgerlijk Wetboek met de schenker wettelijk samenwoont ;

of

2° de persoon of de personen die op de dag van de schenking ten minste één jaar ononderbroken met de schenker samenwonen en er een gemeenschappelijke huishouding mee voeren. Deze voorwaarden worden geacht ook vervuld te zijn indien het samenwonen en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding met de schenker aansluitend op de bedoelde periode van één jaar tot op de dag van de schenking, ingevolge overmacht onmogelijk is geworden . Een uittreksel uit het bevolkingsregister houdt een weerlegbaar vermoeden in van ononderbroken samenwoning en van het voeren van een gemeenschappelijke huishouding.



Art. 1322
Voor de toepassing van deze afdeling wordt er geen rekening gehouden met de verwantschapsband voortspruitende uit de gewone adoptie.

Evenwel wordt, mits bewijs te verstrekken door de belanghebbende, met deze adoptieve afstamming rekening gehouden :

1° wanneer het adoptief kind een kind is van de echtgenoot van de adoptant;

2° wanneer, op het ogenblik van de adoptie, het adoptief kind onder de voogdij was van de openbare onderstand of van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, of wees van een voor België gestorven vader of moeder;

3° wanneer het adoptief kind, vóór de leeftijd van eenentwintig jaar, gedurende drie achtereenvolgende jaren hoofdzakelijk van de adoptant, of van deze en zijn levenspartner samen, de hulp en verzorging heeft gekregen die kinderen normaal van hun ouders krijgen;

4° wanneer de adoptie gedaan werd door een persoon van wie al de afstammelingen voor België gestorven zijn.



Art. 133
Het recht wordt berekend over de verkoopwaarde van de geschonken goederen, zonder aftrek van lasten.

Evenwel, voor schenkingen van ter beurze genoteerde effecten geldt als belastinggrondslag de waarde volgens de laatste prijscourant op last van de regering bekendgemaakt vóór de datum waarop het recht opeisbaar is geworden.

Voor de schenkingen van het vruchtgebruik of de blote eigendom van een onroerend goed wordt de belastinggrondslag vastgesteld zoals in de artikelen 47 tot 50 is bepaald.

Voor de schenkingen van het op het leven van de begiftigde of een derde gevestigde vruchtgebruik van roerende goederen geldt als belastinggrondslag het bedrag verkregen door de vermenigvuldiging van de jaarlijkse opbrengst de goederen, forfaitair vastgesteld op 4 ten honderd van de volle eigendom van de goederen, met het getal dat in artikel 47, eerste lid, wordt aangegeven tegenover de leeftijdsklasse waartoe diegene op wiens leven het vruchtgebruik gevestigd is behoort op de datum van de schenking.

Voor de schenkingen van het voor een bepaalde tijd gevestigde vruchtgebruik van roerende goederen geldt als belastinggrondslag het bedrag verkregen door kapitalisatie van de jaarlijkse opbrengst tegen 4 ten honderd over de duur van het vruchtgebruik bepaald in de schenkingsakte. De jaarlijkse opbrengst van de roerende goederen wordt forfaitair vastgesteld op 4 ten honderd van de volle eigendom van die goederen. Het aldus verkregen bedrag van de belastinggrondslag mag evenwel niet uitgaan boven de waarde berekend volgens het vierde lid indien het vruchtgebruik gevestigd is ten bate van een natuurlijk persoon, hetzij boven twintigmaal de opbrengst indien het vruchtgebruik gevestigd is ten bate van een rechtspersoon.

Voor de schenkingen van de blote eigendom van roerende goederen waarvan het vruchtgebruik door de schenker is voorbehouden, is de belastinggrondslag de verkoopwaarde van de volle eigendom van de goederen.

Voor de schenkingen van de blote eigendom van roerende goederen waarvan het vruchtgebruik door de schenker niet is voorbehouden, is de belastinggrondslag de verkoopwaarde van de volle eigendom van de goederen, verminderd met de waarde van het vruchtgebruik, berekend volgens het vierde of vijfde lid van dit artikel.

Voor schenkingen van een lijfrente of een levenslang pensioen wordt het recht berekend over het jaarlijks bedrag van de uitkering, vermenigvuldigd met de leeftijdscoëfficiënt die volgens de tabel in artikel 47 op de begiftigde moet worden toegepast.

Voor schenkingen van een altijd durende rente wordt het recht berekend over het jaarlijks bedrag van de rente vermenigvuldigd met twintig.".



Art. 134
Voor de toepassing van artikelen 131 tot 133, wordt de last, bestaande uit een som, een rente of een pensioen onder kosteloze titel bedongen ten bate van een derde die aanneemt, in hoofde van deze derde als schenking belast en van het aandeel van de hoofdbegiftigde afgetrokken.

In de mate de schenking betrekking heeft op onroerende goederen, wordt de last in hoofde van de derde als schenking belast volgens de in artikel 131, §1, geldende tarieven.



Art. 135
Het bedrag van het bij artikel 131, §1, vastgestelde recht vereffend ten laste van de begiftigde, die op het tijdstip waarop het recht aan de Staat verworven is minstens drie kinderen in leven heeft die de leeftijd van eenentwintig jaar niet hadden bereikt, wordt verminderd met 2 pct. voor elk van deze kinderen, zonder dat de vermindering 62 EUR per kind mag overschrijden.

Deze vermindering wordt ten gunste van de begiftigde echtgenoot gebracht op 4 pct. per kind dat de leeftijd van eenentwintig jaar niet had bereikt, zonder dat de vermindering 124 EUR per kind mag overschrijden.

Voor de toepassing van dit artikel wordt het ontvangen kind voor zover het levensvatbaar geboren wordt, gelijkgesteld met het geboren kind.



Art. 136
Het voordeel van de in vorig artikel voorziene verminderingen wordt afhankelijk gesteld van de vermelding in de akte van schenking van naam, voornamen, woonplaats, plaats en datum van geboorte van de kinderen van de begiftigde beoogd bij artikel 135.

Deze vermelding mag gedaan worden onderaan op de akte in een verklaring vóór de registratie ondertekend en echt bevestigd door de begiftigde of, in zijn naam, door de werkende notaris.

Ingeval een kind, ontvangen vóór de eisbaarheid van de belasting, geboren wordt na de registratie, wordt hetgeen te veel werd geheven terugbetaald op aanvraag van de betrokkene, te doen binnen twee jaar vanaf de geboorte van het kind.

De begiftigde die in verband met het aantal van zijn afstammelingen een onjuiste verklaring heeft afgelegd, verbeurt een boete gelijk aan het ontdoken recht.



Art. 137
Ter bepaling van het op een schenking van onroerende goederen toepasselijk tarief, wordt de desbetreffende belastbare grondslag gevoegd bij de som die heeft gediend tot grondslag van heffing op de schenkingen van onroerende goederen welke reeds tussen dezelfde partijen zijn voorgekomen en vastgesteld werden door akten die dagtekenen van minder dan drie jaar vóór de datum der nieuwe schenking en vóór laatstbedoelde datum geregistreerd werden of verplicht registreerbaar geworden zijn.



Art. 1381
Ongeacht of zij verplicht registreerbaar zijn dan wel vrijwillig tot de formaliteit worden aangeboden, moeten de akten van schenking van onroerende goederen vermelding houden of er reeds tussen dezelfde partijen één of meer schenkingen van onroerende goederen zijn voorgekomen welke vastgesteld werden door akten die dagtekenen van minder dan drie jaar vóór de datum der nieuwe schenking en vóór dezelfde datum geregistreerd werden of verplicht registreerbaar geworden zijn.

Zo ja, moeten zij de datum dier akten vermelden, zomede de grondslag waarop de belasting werd of dient geheven.

De in dit artikel voorziene opgaven en vermeldingen mogen gedaan worden onderaan de akte in een verklaring vóór de registratie ondertekend en echt bevestigd door de begiftigde of, in zijn naam, door de werkende notaris.

Indien bewuste opgaven en vermeldingen ontbreken of indien zij onjuist of onvolledig zijn, verbeuren de partijen ondeelbaar een geldboete ten bedrage van het ontdoken recht, zonder dat ze lager dan 25 EUR mag zijn.



Art. 139
Benevens het ontdoken recht zijn de schenker en begiftigde een ondeelbare boete, gelijk aan dat recht verschuldigd bij een onjuiste opgave van :

- hun graad van verwantschap

- het tussen hen bestaan van een samenwoningsrelatie zoals bedoeld in artikel 132 1.



Art. 140
De bij artikel 131 vastgestelde rechten worden gebracht op :

1° 5,5 pct. voor schenkingen aan:

a ) provincies, gemeenten, provinciale en gemeentelijke openbare instellingen gelegen in het Vlaamse gewest;

b )de door de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij erkende maatschappijen ;

c ) de coöperatieve vennootschap "Vlaams Woningfonds van de grote gezinnen;

d ) dienstverlenende en opdrachthoudende verenigingen zoals bedoeld in het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking.

2° 7 pct. voor de schenkingen, inclusief inbrengen om niet, aan verenigingen zonder winstoogmerk, ziekenfondsen en landsbonden van ziekenfondsen, beroepsverenigingen en internationale verenigingen zonder winstoogmerk, aan de private stichtingen en stichtingen van openbaar nut.

3° 100 euro voor de schenkingen, inclusief inbrengen om niet, gedaan aan stichtingen of rechtspersonen bedoeld in 2°, zo de schenker zelf een dezer stichtingen of rechtspersonen is.

4° 1,10 pct. voor de schenkingen, inclusief inbrengen om niet, gedaan door de gemeenten aan de pensioenfondsen die zij onder de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk hebben opgericht in uitvoering van een door de voogdijoverheid goedgekeurd saneringsplan.

De verlagingen vermeld sub 2° en 3° zijn enkel toepasselijk op de Belgische rechtspersonen en op gelijkaardige rechtspersonen die opgericht zijn volgens en onderworpen zijn aan de wetgeving van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte, en die bovendien hun statutaire zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de Europese Economische Ruimte hebben.



Art. 140bis
§ 1. De bij artikel 131 vastgestelde rechten worden verminderd tot 2 % voor :

1° de schenking van de eigendom of het vruchtgebruik van een universaliteit van goederen of van een bedrijfstak, of van een onverdeeld deel van minstens de helft van die rechten, waarmee een nijverheids-, handels-, ambachts- of landbouwactiviteit, een vrij beroep of een ambt of post wordt uitgeoefend.

Deze vermindering is niet van toepassing op de overdrachten van onroerende goederen die gedeeltelijk of geheel tot bewoning worden aangewend of zijn bestemd;

2° de schenking van de eigendom of het vruchtgebruik van aandelen van een vennootschap waarvan de zetel van haar werkelijke leiding is gevestigd in een lidstaat van de Europese Unie en die de uitoefening van een nijverheids-, handels-, ambachts- of landbouwactiviteit, een vrij beroep, of een ambt of post tot doel heeft.

De aandelen dienen minstens 10 % van de stemrechten in de algemene vergadering of van de totaliteit van de aandelen van de vennootschap te vertegenwoordigen.

Onder aandelen worden tevens begrepen :

a) maatschappelijke rechten in dergelijke vennootschappen;

b) de certificaten van aandelen uitgereikt door een rechtspersoon met zetel in een van de lid-Staten van de Europese Economische Ruimte, ter vertegenwoordiging van aandelen van de betreffende vennootschap, op voorwaarde dat de rechtspersoon de verplichting heeft om de dividenden en andere vermogensvoordelen onmiddellijk en ten laatste binnen de maand door te storten aan de certificaathouder.

3° de schenking van de eigendom of het vruchtgebruik van vorderingen op de vennootschap, waarvan aandelen geschonken worden bij schenking die voldoet aan de in 2° vermelde voorwaarden.

Onder vorderingen worden tevens begrepen de certificaten van vorderingen uitgereikt door rechtspersonen met zetel in een van de lid-Staten van de Europese Economische Ruimte, ter vertegenwoordiging van vorderingen op een dergelijke vennootschap op voorwaarde dat de rechtspersoon de verplichting heeft om de interesten en andere vermogensvoordelen onmiddellijk en ten laatste binnen de maand door te storten aan de certificaathouder.

§ 2. In de akte of in een verklaring onder aan de akte, dienen de partijen te bevestigen dat de voorwaarden van dit artikel vervuld zijn. In geval de schenking ook andere goederen omvat dan die waarvan sprake in § 1 van dit artikel, dienen de partijen daarbij nader aan te geven welke van de geschonken goederen deel uitmaken van de universaliteit, van de bedrijfstak, of van het aandelenpakket. In geval van een schenking als bedoeld in § 1, 2°, van dit artikel moet bovendien de notaris in of onder aan de akte, naargelang van het geval, bevestigen dat de geschonken aandelen hetzij minstens 10 % van de stemrechten in de algemene vergadering van de vennootschap vertegenwoordigen, hetzij minstens 10% van de totaliteit van de aandelen van de vennootschap vertegenwoordigen. Die bevestiging door de notaris kan vervangen worden door een attest van een bedrijfsrevisor of accountant, dat aan de akte wordt gehecht.



Art. 140quater
Het in de artikelen 131 tot 140 bepaalde recht, onder aftrek van het reeds betaalde recht, wordt opeisbaar van zodra een in artikel 140ter gestelde voorwaarde niet langer is vervuld. Bovendien is dan over de aanvullende rechten de wettelijke intrest, te rekenen van de datum van de registratie van de schenking en naar de voet in burgerlijke zaken, van rechtswege verschuldigd.

Het bepaalde in het eerste lid geldt niet wanneer het niet langer nakomen van de voorwaarde te wijten is aan overmacht.

Van het niet langer vervuld zijn van een voorwaarde voor het behoud van het verlaagde recht moet de begiftigde kennis geven aan de ontvanger van het kantoor waar de schenkingsakte werd geregistreerd binnen vier maanden te rekenen van het tijdstip waarop de voorwaarde niet meer wordt vervuld.

Die kennisgeving moet geschieden bij een in dubbel gestelde en ondertekende verklaring, waarvan één exemplaar op het registratiekantoor blijft. Daarin wordt vermeld : het registratierelaas aangebracht op de schenkingsakte, het feit dat aanleiding heeft gegeven tot het opeisbaar worden van de aanvullende rechten met opgave van de datum ervan, in voorkomend geval de opgave van de overmacht uitmakende omstandigheid die het verder vervullen van de voorwaarde verhindert, en al de voor de vereffening van de aanvullende rechten vereiste gegevens.



Artikel 140quinquies
Een begiftigde die het verlaagde recht heeft genoten en die in de loop van de vijf jaar na de datum van de schenking geen kennisgeving heeft gedaan, als bedoeld in het derde lid van artikel 140quater, is gehouden binnen vier maanden na afloop van de vermelde termijn aan de ontvanger van het kantoor waar het verlaagde recht werd geheven, aan te tonen dat de voorwaarden voor het behoud van het tarief gedurende de vereiste termijn vervuld zijn gebleven.

In geval het vervuld zijn van de voorwaarden voor het behoud van het verlaagde recht onvoldoende is aangetoond, worden de in het eerste lid van artikel 140quater bedoelde aanvullende rechten opeisbaar alsmede de wettelijke intresten te rekenen van de datum van de registratie van de schenking.



SUCCESSIERECHTEN
Art. 59
De rechten van successie en van overgang bij overlijden worden verlaagd :

1° tot 6,6 procent voor de legaten aan

a ) provincies, gemeenten, provinciale en gemeentelijke openbare instellingen in het Vlaams Gewest;

b )de door de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij erkende maatschappijen ;

c ) de coöperatieve vennootschap "Vlaams Woningfonds van de grote gezinnen;

d ) dienstverlenende en opdrachthoudende verenigingen zoals bedoeld in het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking.

2° tot 8,80 pct. voor de legaten gedaan aan de verenigingen zonder winstoogmerk, ziekenfondsen en landsbonden van ziekenfondsen, beroepsverenigingen, internationale verenigingen zonder winstoogmerk, private stichtingen en stichtingen van openbaar nut.



Art. 60
De verlagingen bepaald in artikel 59,2 ° zijn enkel toepasselijk op de Belgische rechtspersonen en op gelijkaardige rechtspersonen die opgericht zijn volgens en onderworpen zijn aan de wetgeving van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte, en die bovendien hun statutaire zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de Europese Economische Ruimte hebben.



Art. 60bis
§ 1. In afwijking van artikelen 48 en 482 wordt van het successierecht vrijgesteld, de nettowaarde van :

a) de activa die door de erflater of zijn echtgenoot beroepsmatig zijn geïnvesteerd in een familiale onderneming; en

b) de aandelen in een familiale vennootschap of vorderingen op een dergelijke vennootschap, op voorwaarde dat de onderneming of de aandelen van de vennootschap in de drie jaar voorafgaand aan het overlijden ononderbroken voor ten minste 50 procent toebehoorden aan de overledene en/of zijn echtgenoot, en dat deze spontaan in de aangifte van nalatenschap worden vermeld.

Voor de berekening van de 50 procent wordt tevens rekening gehouden met de activa of de aandelen :

- die in het bezit zijn of waren van ascendenten of descendenten en hun echtgenoten, of van zijverwanten van de overledene tot en met de tweede graad en hun echtgenoten;

- die in het bezit zijn van kinderen van vooroverleden broers en zusters van de overledene.

Fusie, splitsing, inbreng van aandelen, of andere verrichtingen in de drie jaar vóór het overlijden, waarbij de betrokkene rechtstreeks of onrechtstreeks aandeelhouder werd of blijft, belet de vrijstelling niet, op voorwaarde dat de betrokkene vóór en na de verrichting aan de voorwaarden voldoet.

Voor aandelen in vennootschappen met een sociaal oogmerk (VSO) geldt de 50% eigendomsvoorwaarde niet.

§ 2. Onder familiale onderneming wordt verstaan : een nijverheids-, handels-, ambachts- of landbouwbedrijf of een vrij beroep, dat door de erflater en/of zijn echtgenoot, al dan niet samen met anderen, persoonlijk wordt geëxploiteerd of uitgeoefend.

§ 3. Onder familiale vennootschap wordt verstaan : de vennootschap met zetel van werkelijke leiding in een van de lidstaten van de Europese Unie, die :

- ofwel zelf beantwoordt aan de voorwaarden van §§ 1, 5 en 8;

- ofwel, die aandelen en desgevallend vorderingen houdt van dochtervennoot-schappen die aan deze voorwaarden beantwoorden.

In dit laatste geval wordt de participatievoorwaarde op geconsolideerde basis berekend; de tewerkstellingsvoorwaarde, bedoeld in § 5, wordt echter per vennootschap berekend.

§ 4. Onder aandelen wordt tevens begrepen :

- maatschappelijke rechten in vennootschappen;

- de certificaten van aandelen, uitgereikt door rechtspersonen met zetel in een van de lidstaten van de Europese Economische Ruimte, ter vertegenwoordiging van aandelen van familiale vennootschappen die aan de gestelde voorwaarden voldoen en waarvan de rechtspersoon de verplichting heeft om de dividenden en andere vermogensvoordelen onmiddellijk en ten laatste binnen de maand door te storten aan de certificaathouder.

Onder vorderingen wordt tevens begrepen : de certificaten van vorderingen, uitgereikt door rechtspersonen met zetel in een van de lidstaten van de Europese Economische Ruimte, ter vertegenwoordiging van vorderingen op familiale vennootschappen die aan de gestelde voorwaarden voldoen en waarvan de rechtspersoon de verplichting heeft om de intresten en andere vermogensvoordelen onmiddellijk en ten laatste binnen de maand door te storten aan de certificaathouder.

§ 5. De vrijstelling wordt slechts toegestaan op voorwaarde dat de onderneming of de vennootschap in de drie jaar voorafgaand aan het overlijden, minstens vijf in het Vlaamse Gewest tewerkgestelde werknemers telt, uitgedrukt in voltijdse eenheden.

In afwijking van het eerste lid, wordt, indien de onderneming of de vennootschap in de drie jaren voorafgaand aan het overlijden 1, 2, 3 of 4 in het Vlaamse Gewest tewerkgestelde werknemers telt, uitgedrukt in voltijdse eenheden de vrijstelling toegepast op respectievelijk 20 %, 40 %, 60 % of 80 % van de nettowaarde bepaald in § 9. Deze vrijstelling wordt slechts toegekend en behouden voorzover gedurende 5 jaar na het overlijden de aandelen of de vorderingen toebehoren aan de erfgenamen die de vrijstelling genoten. Wanneer een erfgenaam in de periode van vijf jaar komt te overlijden, blijft de vrijstelling slechts behouden voorzover diens aandeel in rechte lijn of tussen echtgenoten wordt vererfd.

Het aantal tewerkgestelde werknemers wordt beoordeeld op basis van de aangiften vereist voor de sociale wetgeving. Komen niet in aanmerking de werknemers bedoeld in artikel 5 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.

De vrijstelling wordt slechts behouden indien het aantal in het Vlaamse Gewest tewerkgestelde personeelsleden, uitgedrukt in voltijdse eenheden, de eerste vijf jaar na het overlijden jaar na jaar behouden blijft. Indien en in de mate dat de tewerkstelling uitgedrukt in voltijdse eenheden in een van de vijfjaren na het overlijden lager zou zijn, is de belasting tegen het normale tarief evenredig verschuldigd.

In afwijking van het vorig lid blijft de vrijstelling voorlopig volledig behouden, tijdens genoemde periode van vijf jaar, indien het voortschrijdende gemiddelde aantal in het Vlaamse Gewest tewerkgestelde personeelsleden, uitgedrukt in voltijdse eenheden, berekend op het einde van elk van de eerste vijf jaar na het overlijden, tenminste gelijk is aan 50 procent van het aantal personeelsleden, uitgedrukt in voltijdse eenheden, op het ogenblik van het overlijden. Indien en in de mate dat de tewerkstelling uitgedrukt in voltijdse eenheden na verloop van de termijn van vijf jaar lager is dan het aantal personeelsleden uitgedrukt in voltijdse eenheden, op het ogenblik van het overlijden, is de belasting tegen het normale tarief verschuldigd.

§ 6. De activa die bijkomend belegd werden in de onderneming in de laatste drie jaar voor het overlijden, komen voor de vrijstelling niet in aanmerking, tenzij de bijkomende belegging van deze activa beantwoordt aan rechtmatige financiële of economische behoeften.

Kapitaalverhogingen of bijkomende leningen, die in de laatste drie jaar voor het overlijden werden volgestort of toegestaan, komen voor de vrijstelling niet in aanmerking, tenzij deze beantwoorden aan rechtmatige financiële of economische behoeften.

§ 7. Indien het belegd vermogen of het kapitaal en de vorderingen bedoeld in § 1 dalen door uitkeringen of terugbetalingen in de vijf jaar na het overlijden wordt het normaal tarief evenredig verschuldigd.

§ 8. De onderneming of de vennootschap komt slechts voor de vrijstelling in aanmerking voor zover de onderneming of de vennootschap een jaarrekening opmaakt overeenkomstig het koninklijk besluit van 8 oktober 1976 met betrekking tot de jaarrekening van ondernemingen, welke tevens aangewend werd ter verantwoording van de aangifte in de inkomstenbelasting, gedurende een periode van drie jaar voor en vijf jaar na het overlijden.

Ondernemingen of vennootschappen waarvan de maatschappelijke zetel gelegen is buiten het Vlaamse Gewest moeten een jaarrekening opmaken overeenkomstig de geldende wetgeving van de plaats waar de maatschappelijke zetel gevestigd is.

§ 9. Onder nettowaarde wordt verstaan de waarde van de activa of aandelen verminderd met de schulden, behalve die welke specifiek werden aangegaan om andere goederen te verwerven of te behouden.

Ingeval een vennootschap overeenkomstig § 3 als een familiale vennootschap wordt beschouwd op grond van het feit dat zij aandelen en desgevallend vorderingen houdt van een of meer dochtervennootschappen die aan de voorwaarden van §§ 1, 5 en 8 beantwoorden, wordt de nettowaarde van de aandelen van en de vorderingen op de vennootschap beperkt tot de som van de waarden van de aandelen van en desgevallend vorderingen op de dochtervennootschappen die aan de voornoemde voorwaarden beantwoorden.

In de mate dat de waarden van de aandelen van en desgevallend vorderingen op deze dochtervennootschappen slechts gedeeltelijk in aanmerking kunnen worden genomen volgens § 5, tweede lid, van dit artikel, wordt de nettowaarde overeenkomstig beperkt.

§ 10. Op straffe van verval is artikel 60bis slechts toepasselijk voorzover de volgende voorwaarden zijn vervuld :

1° in de aangifte wordt uitdrukkelijk om de toepassing van artikel 60bis verzocht;

2° het door het Vlaamse Gewest uitgereikte attest waaruit blijkt dat aan de door dit artikel gestelde voorwaarden, op het vlak van tewerkstelling en kapitaal, is voldaan, is bij de aangifte gevoegd.

Indien dit attest niet wordt ingediend voordat de rechten opeisbaar zijn, moeten deze, tegen het normale tarief berekend, binnen de wettelijke termijn betaald worden, behoudens teruggave, overeenkomstig het bepaalde in artikel 135, 8°;

3° in de aangifte wordt in een afzonderlijke rubriek vermeld voor welke activa of aandelen de toepassing van artikel 60bis wordt gevraagd.

§ 11. De erfgenamen die wensen het voordeel te genieten van artikel 60bis richten bij aangetekend schrijven een verzoek tot het bekomen van het in § 10 bedoelde attest aan de Vlaamse regering. Dit verzoek is vergezeld van alle bewijskrachtige gegevens waaruit blijkt dat voldaan is aan die gestelde voorwaarden. De Vlaamse regering bepaalt de nadere voorwaarden en modaliteiten waaronder een attest, bedoeld in § 10, aangevraagd en verstrekt wordt.

Indien bijkomende rechten verschuldigd worden, tengevolge van het niet langer vervullen van de voorwaarden vermeld in dit artikel, dienen de erfgenamen, legatarissen of begiftigden dit te melden bij wijze van aanvullende aangifte, binnen de vijf maanden nadat de verschuldigdheid definitief is komen vast te staan.

Zij die de vrijstelling als bedoeld in dit artikel genoten hebben moeten, na verloop van een termijn van vijf jaar na het overlijden, aantonen dat de voorwaarden gesteld voor het behoud van het voordeel, vervuld zijn.

De Vlaamse regering bepaalt de nadere voorwaarden en modaliteiten met betrekking tot deze meldingsplicht.

Bij niet-naleving van de meldingsplicht zoals bedoeld hiervoor worden de rechten geacht verschuldigd te zijn berekend tegen het gewoon tarief, zonder toepassing van dit artikel.

§ 12. Het Vlaamse Gewest levert aan de bevoegde ontvanger, in de periode van vijf jaar na het overlijden, een nieuw attest af, elke keer dat de voorwaarden waaronder de vrijstelling werd bekomen wijzigingen ondergaan waardoor de vrijstelling geheel of gedeeltelijk vervalt.



Art. 66bis
Zo er schenkingen onder levenden bedoeld in artikel 42, nummer VIIIbis, bestaan, wordt de basis waarop het registratierecht werd of dient geheven uit hoofde van die schenkingen, gevoegd bij het erfelijk emolument der belanghebbenden om het op dit emolument toepasselijk progressief recht van successie of van overgang bij overlijden te bepalen.

Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor :

- schenkingen van percelen grond die volgens de stedenbouwkundige voorschriften bestemd zijn voor woningbouw en waarop het in artikel 140 nonies, sub a), van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten bepaalde evenredig recht werd geheven;

- schenkingen van roerende goederen waarop het in artikel 131 §2 van hetzelfde Wetboek bepaalde evenredig recht werd geheven;

- schenkingen van ondernemingen waarop het in artikel 140 bis van hetzelfde Wetboek bepaalde evenredig recht werd geheven.



BIJLAGE 3


Wijzigingen aan de COMMENTAAR IN
circulaire nr. 19/2003 (AFZ 21/2003) dd. 03.11.2003
die gelden vanaf 1 januari 2004
1) Onder randnummer 1, de eerste alinea onder opmerking 2 vervangen door de volgende tekst:
"In geval van schenking van een onderneming die kwalificeert voor het verminderd tarief, samen met andere goederen die niet in aanmerking komen voor het verminderd tarief (hierna in deze circulaire "gemengde" schenking genoemd), zal het gewone tarief van artikel 131 W.Reg. van toepassing zijn op laatst vemelde goederen."
2) Onder randnummer 1, volgend deel van de tekst onder opmerking 2 schrappen.
"Voor de progressie van het tarief dat van toepassing is op de goederen die niet van het verminderde tarief genieten, wordt er overeenkomstig artikel 137 W. Reg. rekening gehouden met de heffingsgrondslag waarover het verminderde recht werd geheven.
Voorbeeld:
Akte houdende schenking door A aan zijn kind B van een onderneming (voorwaarden voor voordeeltarief van 2% zijn vervuld) en van andere goederen (onderworpen aan het gewone tarief).
Belastbare grondslagen:
- voor de onderneming: € 100.000
- andere goederen: € 75.000
De op deze akte verschuldigde rechten worden als volgt berekend:
- op de onderneming: € 100.000 x 2% = € 2.000
- op de andere goederen € 50.000 x 10% = € 5.000
€ 25.000 x 14% = € 3.500
Totaal: € 10.500
Bij achtereenvolgende schenkingen binnen drie jaar tussen dezelfde partijen vindt artikel 137 W. Reg. in principe ook toepassing.

Volgende modaliteiten kunnen onder meer onderscheiden worden: - een schenking van een "onderneming" gaat vooraf aan een schenking onderworpen aan het gewone tarief: voor de progressiviteit van het tarief van de belasting op de laatste schenking moet rekening worden gehouden met de belastbare waarde van de "onderneming";

- een schenking onderworpen aan het gewone tarief wordt gevolgd door een schenking van een "onderneming": vermits de laatste schenking enkel onderworpen is aan een vast tarief, vindt artikel 137 W. Reg. geen toepassing.

- een "gemengde" schenking ("onderneming" + goederen onderworpen aan het gewone tarief) gaat vooraf aan een schenking onderworpen aan het gewone tarief: voor de progressiviteit van het tarief van de belasting op de laatste schenking moet rekening worden gehouden met de ganse belastbare waarde ("onderneming" + andere goederen) van de voorgaande schenking;

- een schenking onderworpen aan het gewone tarief wordt gevolgd door een "gemengde" schenking ("onderneming" + goederen onderworpen aan het gewone tarief): voor de progressiviteit van het tarief van de belasting op de goederen van de tweede schenking die onderworpen zijn aan het gewone tarief, moet zowel rekening worden gehouden met de belastbare grondslag van de eerste schenking als met de belastbare grondslag van de "onderneming" begrepen in de laatste schenking

- enz …
De verklaring van artikel 138 1 W. Reg. moet in ieder geval in de akte van schenking van een onderneming worden opgenomen, ook al is in eerste instantie op deze akte enkel het voordeeltarief van 2% verschuldigd. Artikel 138 1 W. Reg. bevat immers geen enkele uitzondering op de in het eerste lid ervan vervatte regel. De overeenkomstig het tweede lid van dat artikel eventueel te vermelden gegevens zijn voor de administratie van nut bij de herziening van de heffing in geval de begiftigde het voordeel van het verminderde recht naderhand geheel of gedeeltelijk zou verliezen (zie verder onder randnr. 5).".

3) Onder randnummer 2, eerste alinea, de volgende tekstpassage schrappen:
"Opmerking. Enkel ten aanzien van de onder 1° van § 1 van artikel 140bis vermelde schenkingen (universaliteit of bedrijfstak) wordt expliciet gesproken van schenking van "de eigendom of het vruchtgebruik" van… De Administratie neemt, op grond van de voorbereidende werken, aan dat de Vlaamse decreetgever de bedoeling had de schenking van blote eigendom of van vruchtgebruik, naast die van volle eigendom, tegen het verminderde recht mogelijk te maken voor alle in artikel 140bis, § 1 vermelde goederen (dus ook voor aandelen en voor vorderingen op de vennootschap waarvan aandelen worden geschonken)."
4) Onder randnummer 2, 2° eerste alinea:
de tekst "c) de aandelen moeten minstens 10% van de stemrechten in de algemene vergadering van de vennootschap vertegenwoordigen (art. 140 bis, § 1, 2°, tweede lid) 12.

Opmerking: deze voorwaarde impliceert niet dat ….".
vervangen door de volgende tekst "c) de aandelen moeten ofwel minstens 10% van de stemrechten in de algemene vergadering van de vennootschap vertegenwoordigen ofwel minstens 10% van de totaliteit van de aandelen van de vennootschap vertegenwoordigen (art. 140 bis, § 1, 2°, tweede lid) 12.

Opmerking: Het volstaat dat één van de twee gestelde voorwaarden is vervuld; het betreft hier dus geen cumulatieve maar alternatieve voorwaarden. De eerste van de alternatieve voorwaarden impliceert niet dat … (rest zoals in bestaande tekst).".
5) Onder randnummer 2, 2°, tweede alinea, a)
Voorbeeld vervangen door het volgende voorbeeld

X, die de volle eigendom heeft van de betrokken aandelen, schenkt aan Y de blote eigendom van de volgende aandelen uitgegeven door N.V. A

- 100 stemgerechtigde kapitaalaandelen;
- 10 stemgerechtigde winstbewijzen;
- 20 niet stemgerechtigde winstbewijzen.

Het totaal aantal stemgerechtigde kapitaalaandelen in N.V. A bedraagt 1.000; het totaal aantal stemgerechtigde winstbewijzen bedraagt 100 en het totaal aantal niet-stemgerechtigde winstbewijzen bedraagt eveneens 100. De N.V. A heeft geen andere aandelen uitgegeven.
Vermits de schenking betrekking heeft op een aandelenpakket dat minstens 10% van het totaal aantal stemrechten in de algemene vergadering van de N.V. A. vertegenwoordigt (110/11000 = 10%), kan de totaliteit van de 130 geschonken aandelen genieten van het verminderd recht. Merk op dat Y in dit geval evengoed het voldaan zijn van de tweede alternatieve voorwaarde kan inroepen om te genieten van het tarief van 2% voor de totaliteit van de geschonken aandelen: (130/1200 > 10%).

Gesteld dat het totaal aantal stemgerechtigde kapitaalaandelen in de N.V. A 1.001 zou bedragen en het totaal aantal niet stemgerechtigde winstbewijzen 200 zou bedragen, dan wordt de totaliteit van de geschonken aandelen aan het gewone schenkingstarief belast.. In die situatie is immers niet voldaan aan één van de alternatieve voorwaarden voor toepassing van het tarief van 2%.:

- (110/1.101) 10% (eerste alternatieve voorwaarde)
- (130/1.301) 10% (tweede alternatieve voorwaarde)

6) Onder randnummer 2, 2°, tweede alinea, b)
De opgesomde voorwaarden vervangen door de volgende opsomming:

"- de certificaten uitgereikt zijn door een rechtspersoon met zetel in een van de lidstaten van de Europese Economische Ruimte;

- de emitterende rechtspersoon de dividenden en andere vermogensvoordelen verbonden aan de aandelen onmiddellijk en ten laatste binnen de maand moet doorstorten aan de certificaathouder.".

7) Onder randnummer 2, 3°derde alinea
De opgesomde voorwaarden vervangen door de volgende opsomming:

"- de gecertificeerde vorderingen moeten uiteraard vorderingen zijn op een vennootschap als bedoeld in 2°;

- de certificaten van de vorderingen moeten zijn uitgereikt door een rechtspersoon met zetel in een van de lidstaten van de Europese Economische Ruimte;

- de emitterende rechtspersoon moet verplicht zijn de intresten en andere vermogensvoordelen onmiddellijk en ten laatste binnen de maand door te storten aan de certificaathouder.".

8) Onder randnummer 4, B
De tekst na het derde streepje vervangen door de volgende tekst:

"de bevestiging door de notaris (of door een bedrijfsrevisor of accountant in een aan de akte gehecht attest) dat ofwel de geschonken aandelen minstens 10% van de stemrechten in de algemene vergadering vertegenwoordigen, ofwel minstens 10% van de totaliteit van de aandelen van de vennootschap vertegenwoordigen.

Opmerking: indien aan beide alternatieve voorwaarden is voldaan, belet natuurlijk niets dat de vermelding in of onderaan de akte of het bijgevoegd attest dat bevestigt. Zoals gezegd volstaat het dat aan één van de voorwaarden is voldaan.".
9) Onder randnummer 5, punt 5.1., A, b)
De tekst van de inspringende alinea vervangen als volgt:

Het gedeeltelijk verlies van het verminderd recht brengt mee dat de oorspronkelijk geheven rechten op de schenkingsakte moeten worden herberekend. Op de onroerende goederen die met toepassing van het verminderd recht werden geschonken en die binnen de periode van vijf jaar gedeeltelijk of geheel tot bewoning worden aangewend of bestemd, wordt immers het gewoon schenkingsrecht van toepassing (artikel 131, § 1 W. Reg.), terwijl de rest van de universaliteit of bedrijfstak blijft genieten van het verminder recht.

Indien de akte van schenking, naast de in de schenking van de universaliteit of van de bedrijfstak vervatte onroerende goederen die nadien tot bewoning werden aangewend of bestemd, ook nog andere onroerende goederen bevatte die niet kwalificeerden voor het verminderd recht, moeten uiteraard de belastinggrondslagen van al die onroerende goederen worden samengevoegd voor de toepassing van het progressief tarief van artikel 131, § 1 bij de herberekening van de verschuldigde rechten. In voorkomend geval moet ook rekening gehouden worden met het bepaalde in artikel 137 W. Reg.

De verschuldigde aanvullende rechten worden bekomen door de reeds betaalde rechten in mindering te brengen van de herberekende rechten.

10. Onder randnummer 5, punt 5.1., C, b)
De tekst van het voorbeeld en bijgaande opmerking vervangen als volgt:

"Schenking door A (fiscale woonplaats Oudenaarde) aan B (zoon van A, met fiscale woonplaats te Mons) van 20% van de stemgerechtigde aandelen van vennootschap X met zetel van werkelijke leiding te Brussel, samen met een vordering op vennootschap X.
Verkoopwaarde - aandelen: € 200.000
- vordering: € 100.000

Oorspronkelijke heffing aan het verminderde tarief:
€ 300.000 x 2% = € 6.000

Binnen de vijf jaar na de datum van de schenking betaalt vennootschap X de helft van de vordering terug aan B.

* Herziening van de heffing:
- het verminderd recht blijft volledig behouden voor de schenking van de aandelen (grondslag voor het verminderde recht blijft hier € 200.000), maar slechts gedeeltelijk voor de schenking van de vordering (grondslag voor het verminderde recht wordt hier € 50.000)
dus: € 250.000 x 2% = € 5.000
- het gewoon recht wordt verschuldigd over de resterende € 50.000 van de heffingsgrondslag voor de vordering. dus: € 50.000 x 3% (artikel 131, § 2, 1°) = € 1.500

dit geeft als totaal: € 6.500


* Toerekening reeds betaalde rechten - € 6.000

* Door B te betalen aanvullende rechten € 500

Opmerking: B is daarnaast ook gehouden tot het betalen van de wettelijke interest over deze aanvullende rechten (artikel 140quater, eerste lid).".
11. Onder randnummer 5, punt 5.2.
* In de eerste alinea de zin "Het geheel of gedeeltelijke verlies van het verminderd recht geeft op zich geen aanleiding tot een administratieve boete." schrappen.

** In de vierde alinea de zin "In geval van niet of niet-tijdige naleving van die verplichting verbeurt de begiftigde een boete gelijk aan de aanvullende rechten." schrappen.

*** in de tussen haakjes geplaatste tekst van het inspringende tekstgedeelte na de vierde streep onder de vijfde alinea, het woord "onroerende" invoegen tussen de woorden "eventuele" en "schenkingen"

**** In de zevende alinea de laatste zin vervangen als volgt: "De heffingstitel voor het aanvullend recht en de interesten blijft de schenkingsakte."

***** In het tweede inspringende tekstblok onder de achtste alinea de laatste zin schrappen.

12. Onder randnummer 6
De vijfde (laatste) alinea schrappen.