Circulaire nr. 2/2006 (AFZ 06/2006 - Dos. E.E./L. 149) d.d. 08.02.2006

Schenking van roerende en van onroerende goederen in het Waals Gewest

In het Belgisch Staatsblad van 23 december 2005, werd het decreet van 15 december 2005 "houdende verschillende wijzigingen in het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten en in het Wetboek der successierechten", bekendgemaakt (een erratum werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 30 januari 2006, betreffende de artikelen 6 [oud 5bis] tot 30 [oud 29]).

De structuur van dat decreet ziet er als volgt uit:

Hoofdstuk I : Aanpassing van de tarieven van de schenkingsrechten ;

Hoofdstuk II : Aanpassing van de tarieven van de successierechten ;

Hoofdstuk III : Vereenvoudiging van de overdracht van ondernemingen voor wat betreft de successierechten en de schenkingsrechten.

Deze circulaire voorziet enkel Hoofdstuk I van vermeld decreet van commentaar en handelt dus enkel over de wijzigingen aan het Waals schenkingsrecht.

De hoofdstukken II en III zullen het onderwerp uitmaken van andere circulaires.

De bijlage bevat de gecoördineerde teksten (betreffende de schenkingen).

INHOUDSTAFEL

Artikel

Inleiding: lokalisatiecriteria

1 - 4

Eerste afdeling: nieuwe structuur van het schenkingsrecht in het Waalse Gewest

5 - 9

Afdeling 2: Aanpassing van het tarief "tussen alle andere personen"

10 - 12

Afdeling 3: Schenking van roerende goederen

I) Ratio legis

13 - 14

II) Principe en algemeenheden

15 - 21

III) Illustratie van het tarief

22

IV)Voorwaarden voor toepassing van het tarief

A) De schenking moet zuiver en eenvoudig zijn

23 - 25

B) Normalerwijze moet het gaan om een schenking van de volle eigendom

1) principe

26 - 28

2) verzachting

29

C) De schenking moet worden geregistreerd

30 - 32

V) Schenking van roerende goederen in de praktijk

32bis - 33

A) De schenking bij notariële of onderhandse akte

34

B) De handgift

35 - 37

C) De onrechtstreekse schenking

38 - 43

VI) Bijzonderheid: schenking van financiële instrumenten

44 - 44bis

A) Definities en algemeenheden

1) Financieel instrument

45

2) Aanverwant financieel instrument

45 - 45bis

B) Gevallen waarin het verminderd tarief van toepassing is

46

1ste geval

47

2de geval

48

3de geval

49

C) Toepassing op BEVAK ¾ VASTGOEDBEVAK ¾ BEVEK

49bis

VII) Heffingsgrondslag: bijzondere regels wanneer de schenking betrekking heeft op het vruchtgebruik of de blote eigendom van roerende goederen (artikel 133, leden 4 tot 7 van W. W. Reg.)

50 - 51

A) Schenking van een levenslang vruchtgebruik op roerende goederen

52 - 54

B) Schenking van een voor een bepaalde tijd gevestigd vruchtgebruik

55 - 57

C) Schenking van de blote eigendom van roerende goederen waarvan het vruchtgebruik door de schenker is voorbehouden

57

D) Schenking van de blote eigendom van roerende goederen waarvan het vruchtgebruik niet door de schenker is voorbehouden

57

VIII) Introductie van een antimisbruik maatregel

58 - 59

IX) Vermindering van de rechten ten laste van een begiftigde met minstens drie kinderen van minder dan 21 jaar

60

X) Regel van het progressievoorbehoud (art. 137 W. W. Reg.)

61 - 63

XI) Invloed van de schenking van roerende goederen op de successierechten (art. 66bis W. W. Suc.)

64 - 66

Afdeling 4: Schenking van de gezinswoning

I) Principe en ratio legis

67 - 70

II) Instelling van abattementen

71 - 75

III) Toepassingsvoorwaarden

76

A) wat de begiftigde betreft

77 - 83

B) Wat het onroerend goed betreft

84 - 86

C) Wat de schenker betreft

87

D)Wat de omvang van de schenking betreft

88 - 90

IV) Behoud van het preferentieel tarief

91 - 93

V) Progressievoorbehoud (art. 137 W. W. Reg.)

94 - 96

VI) Invloed van de schenking van de gezinswoning op het successierecht (art. 66bis W. W. Suc.)

97

VII) Introductie van een antimisbruik maatregel

98

Afdeling 5: Vermindering van de schenkingsrechten ten voordele van bepaalde rechtspersonen en openbare instellingen

I) Algemeenheden betreffende de stichtingen

99 - 103

II) Ratio legis van het decreet

104 - 107

III) De verschillende rechtenverminderingen

108

A) Tarief van 5,50 %

108 - 115

B) Tarief van 0 %

115

C) Tarief van 7 %

115 - 119

D) 100 EUR

120

E) Tarief van 1,10 %

121

Afdeling 6: Parallellisme met het recht van successie

I) Art. 52^2W. W. Suc. en 132^2W. W. Reg

122

II) Art. 52^3W. W. Suc. en 132^3W. W. Reg

123

A) Art. 132^3, 1°, W.W.Reg

124 - 128

B) Art. 132^3, 2°, W.W.Reg

129 - 131

Afdeling 7: Technische correcties

I) Artikel 135 W.W.Reg

131

II) Artikel 136 W.W.Reg

131

III) Artikelen 137 en 138 1W.W.Reg

131

IV) Artikel 139 W.W.Reg

131

Afdeling 8: Inwerkingtreding

132 - 133

Inleiding: Lokalistiecriteria

1. Wanneer een schenkingsakte ter registratie wordt aangeboden, moet voor alles worden nagegaan welke wetgeving er op van toepassing is. Daartoe moet men de lokalisatieregels toepassen. Het spreekt voor zich dat de Waalse regelgeving enkel van toepassing kan zijn op in het Waals Gewest te lokaliseren schenkingen.

2. De voornaamste lokalisatiecriteria, bepaald in artikel 5, § 2, 8° van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten, zijn wat de schenkingen betreft de volgende:

  • Wanneer een rijksinwoner onder de levenden roerende of onroerende goederen schenkt: de toepasselijke regelgeving wordt bepaald door de plaats waar de schenker zijn fiscale woonplaats heeft op het tijdstip van de schenking;

Nuancering: wanneer de schenker zijn fiscale woonplaats in de periode van vijf jaar vóór de schenking in verschillende gewesten in België had: de toepasselijke wetgeving wordt bepaald door de plaats waar zijn fiscale woonplaats het langst gevestigd is geweest gedurende die periode.

  • Wanneer een niet-rijksinwoner onder de levenden een schenking doet van een onroerende goed: de toepasselijke regelgeving is die van de plaats waar het onroerende goed gelegen is.

3. Voor een overzicht van de lokalisatiecriteria (onder tabelvorm) wordt verwezen naar de circulaire 12/2005 van 20 oktober 2005.

4. Een bijzonder probleem dat eventueel kan rijzen is dat van de datum waarop men zich moet stellen om het lokalisatiecriterium te beoordelen/bepalen.

  • Wanneer het gaat om hetzij een voor een Belgische notaris verleden schenkingsakte, hetzij om een handgift of een onrechtstreekse schenking die nadien door de partijen bevestigd wordt in een voor een Belgische notaris verleden akte: de datum van de schenking is de datum van de authentieke akte;

  • Wanneer het gaat om een schenking verleden voor een buitenlandse notaris, om een onderhandse schenkingsakte, of nog om een handgift of een onrechtstreekse schenking die nadien door de partijen wordt bevestigd in een akte verleden door een buitenlandse notaris: men bepaalt de fiscale woonplaats van de schenker rekening houdend met het tijdstip waarop het registratierecht op de schenking opeisbaar wordt. Met andere woorden, men moet zich dan stellen op de datum waarop de onderhandse akte ter registratie wordt aangeboden.

Voorbeeld

Op 11 januari 2002 doet A aan B een handgift van 10.000 EUR. Op dat ogenblik heeft A sedert meer dan vijf jaar zijn fiscale woonplaats in het Waals Gewest. Op 20 januari 2006 bieden A en B een door hen ondertekend geschrift ter registratie aan waarin wordt verklaard dat B van A in 2002 een handgift van 10.000 EUR heeft ontvangen. Op het ogenblik van de registratie heeft A zijn fiscale woonplaats sedert meer dan drie jaar in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Om de schenking te lokaliseren plaats de Administratie zich op de datum van de registratie van de onderhandse akte, dus op 20 januari 2006. Op dat tijdstip heeft A zijn fiscale woonplaats (in de vijf jaar ervoor) het langst in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

Bijgevolg zal de regelgeving van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van toepassing zijn. De registratie zal dus geschieden tegen het tarief van dat Gewest op 20 januari 2006.

Eerste afdeling: nieuwe structuur van het schenkingsrecht in het Waals Gewest

5. Het Waalse schenkingsrecht omvat voortaan 4 onderscheiden stelsels:

  • het gewone stelsel dat zowel op onroerende als op roerende goederen van toepassing is (art. 131 W. W. Reg.);

  • een preferentieel tarief voor roerende goederen (art. 131bis W. W. Reg.);

  • een tweede preferentieel tarief van toepassing op de gezinswoning (art. 131ter W. W. Reg.);

  • een derde preferentieel tarief van toepassing op de schenkingen van ondernemingen (art. 140bis W.W. Reg.).

Vaststellingen:

6. Het parallellisme tussen de schenkings- en successierechten wordt door dit decreet versterkt. Bovendien worden een aantal bepalingen uit het successiewetboek overgenomen in de regelgeving betreffende de schenkingsrechten (zie verder) .

7. Wanneer er geen toepassing gemaakt kan worden van enig preferentieel tarief (wegens het niet voldaan zijn van een toepassingsvoorwaarde), dan vindt het gewone tarief van artikel 131 toepassing.

8. Zelfs wanneer een preferentieel tarief van toepassing is, dan nog zal men soms moeten terugkoppelen naar het gewone stelsel om de juiste draagwijdte van het preferentieel tarief te bepalen. Aldus zal men in geval van een schenking van roerende goederen aan een wettelijk samenwonende zich moeten refereren aan artikel 131, tweede lid W. W. Reg. om precies te weten wat de notie "wettelijk samenwonende" inhoudt.

9. In wat hierna volgt zal men wat betreft de heffingsregels kunnen vaststellen dat de stelsels van artikel 131 en van 131ter (beide een progressief tarief) vaak gelijklopend zijn. De stelsels van artikel 131bis en van 140bis (beide vast tarief) daarentegen vormen twee bijzondere stelsels.

Afdeling 2: Aanpassing van het tarief "tussen alle andere personen"

10. Bij het Waals programmadecreet van 18 december 2003 werd, wat de schenkingsrechten betreft, in de categorie "tussen alle andere personen" voor de schijf hoger dan 175.000 EUR de aanslagvoet gebracht op 90 %. De bedoeling was het parallellisme met de successierechten te herstellen.

11. Het Arbitragehof heeft bij arrest nr. 107/2005 van 22 juni 2005 evenwel artikel 1 van het Waals decreet van 22 oktober 2003 "tot wijziging van de artikelen 48 en 54 van het (Waals) Wetboek der successierechten" vernietigd, in zoverre in het tarief van de successierechten een hogere aanslagvoet dan 80 % werd bepaald.

12. Het is dan ook niet meer dan logisch dat bij artikel 1 van dit decreet de marginale aanslagvoet in de schenkingsrechten terug naar 80 % wordt gebracht. Het tarief "tussen alle andere personen" ziet er dus voortaan als volgt uit:

Schijf van de schenking

Tussen alle andere personen

van

tot inbegrepen

EUR

EUR

EUR

0,01

12.500

30 %

12.500

25.000

35 %

25.000

75.000

60 %

75.000

175.000

80 %

Boven 175.000

80 %

Afdeling 3: Schenking van roerende goederen

I) Ratio legis

13. De Waalse decreetgever wil potentiële schenkers aanmoedigen een deel van hun vermogen over te dragen aan personen waarmee ze zich verbonden voelen, zodat dezen er al tijdens het leven van de schenker kunnen van genieten. Inderdaad, vaak merkt men dat hetgeen de begiftigde krijgt op een of andere manier onmiddellijk wordt geïnvesteerd. Dat is gunstig voor de economie omdat er aldus kapitalen in worden geïnjecteerd. De begunstiging van de schenking van roerende goederen beoogt dus de financiële overdrachten tussen personen of generaties aan te moedigen en/of te versnellen. Kortom, de bedoeling is slapende kapitalen te "ontdooien" en te "reactiveren", binnen een kader dat successieplanning toelaat, zodat de gevolgen van de vermogensoverdracht effect kunnen sorteren vóór het overlijden.

14. De toepassingmodaliteiten van het nieuwe stelsel worden door die doelstelling geconditioneerd. Aldus wordt, bijvoorbeeld, een onmiddellijke en effectieve afstand van de goederen door de schenker aan de begiftigde vereist (zie verder).

II) Principe en algemeenheden

15. De schenkingen onder levenden van roerende goederen worden aantrekkelijker gemaakt door het bestaande progressieve tarief te vervangen door een vast tarief (ingevoegd in artikel 131bis W. W. Reg.).

16. Het tarief ziet er als volgt uit:

  • 3 % voor schenkingen in rechte lijn (ascendenten en descendenten, zonder beperking naargelang de graad), tussen echtgenoten en tussen wettelijk samenwonenden;

  • 5 % voor schenkingen tussen broers en zussen en tussen ooms of tantes en neven of nichten;

  • 7 % voor schenkingen tussen andere personen.

17. Dat tarief is algemeen van toepassing op roerende goederen, zonder dat er onderscheid hoeft gemaakt te worden tussen lichamelijke goederen (meubelen, schilderijen, ...) en onlichamelijke goederen (renten, titels, effecten op naam, ...), van zodra het gaat om tegenwoordige goederen (vermogenswaarden).

Ook moet worden onderstreept dat in nr. 458 van de door de administratie uitgegeven Cursus van registratie-, hypotheek- en griffierechten (hierna "de Handleiding registratierechten" genoemd) een aantal verrichtingen worden vermeld die onder het proportioneel tarief van de schenkingen vallen, zoals een kwijtschelding van schuld "animus donandi".

Hoewel aandelen van vennootschappen met rechtspersoonlijkheid (hieronder begrepen burgerlijke vennootschappen die de vorm van een handelsvennootschap hebben aangenomen zoals de bosbouwgroeperingen als bedoeld in de wet van 6 mei 1999, en de landbouwvennootschappen beheerst door de wet van 12 juli 1979) onbetwistbaar roerende goederen in de zin van artikel 131bis zijn (zie evenwel de bijzondere regel neergelegd in artikel 131bis, §2, voor de financiële instrumenten), is dat niet zo voor de rechten van de vennoten in vennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid (burgerlijke vennootschappen als bedoeld in artikel 1832 B.W.; maatschappen, tijdelijke handelsvennootschappen en stille handelsvennootschappen als vermeld in art. 2, § 1 en art. 46 tot 48 W. Ven.). In dergelijke vennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid heeft de vennootschap geen eigen vermogen en de aard van het recht van de vennoten wordt bepaald door de roerende of onroerende aard van de goederen waarover ze hun recht uitoefenen: in het kader van dergelijke - transparant genoemde - vennootschappen zal het door een vennoot geschonken goed nooit meer zijn dan een part in het goed waarover hij zijn rechten uitoefent en zal dus enkel kunnen genieten van het verminderd tarief van artikel 131bis, § 1, (de toepassing van § 2 van dat artikel is vanzelfsprekend uitgesloten, vermits die enkel van toepassing is op de erin bedoelde financiële instrumenten, en niet op rechtstreekse rechten op vennootschapsgoederen, tenzij natuurlijk het goed waarover dat recht wordt uitgeoefend zelf een dergelijk financieel instrument zou zijn) als het goed waarover dat recht wordt uitgeoefend effectief een roerend goed is (een part in een onroerend goed van een dergelijke vennootschap blijft onderworpen aan het tarief van artikel 131 W. W. Reg.).

18. Voor het overige wordt de toepassing van het verlaagd tarief enkel beperkt door de grenzen die bestaan voor de schenkingen in het algemeen (het moet gaan om een goed dat in de handel is, het moet bepaald of minstens bepaalbaar zijn, het goed moet aan de schenker toebehoren op datum van de schenking).

19. Wanneer de schenking van een roerend goed in het Waals Gewest te lokaliseren is, kan dat tarief van toepassing zijn. Daarbij speelt geen rol: de plaats waar de begiftigde(n) verblijft/verblijven of de plaats waar het roerend goed zich bevindt.

20. Overeenkomstig de principes van het schenkingsrecht wordt het evenredig recht geheven over het bruto aandeel van elke begiftigde.

21. Het tussentarief van 5 % vindt zijn bestaansreden in het gegeven dat in het Waals Gewest de notie "wettelijk samenwonenden" een bijzondere inhoud heeft. Inderdaad, zonder dat tussentarief zouden samenwonende broers of zusters onderworpen zijn geweest aan het tarief van 7 % (tarief dat van toepassing is op personen die niet verwant zijn).

III) Illustratie van het tarief

22. De invoering van een specifiek tarief voor de schenking van roerende goederen brengt mee dat ¾ in voorkomend geval ¾ de voorheen enige heffingsgrondslag (roerende en onroerende goederen samen) per begiftigde en per akte onderworpen aan de registratie, moet opgesplitst worden in twee afzonderlijke heffingsgrondslagen per begiftigde en per akte.

Voorbeeld

Een akte houdt schenking in door een vader (X) aan zijn zonen (Y en Z), ieder voor de helft van:

  • een onroerend goed (waarde 200.000 EUR)

  • een kunstwerk (waarde 100.000 EUR)

Bij toepassing van de oude regelgeving moest het tarief worden toegepast op het bruto aandeel van elk van de begiftigden (resultaat: elk belast op 150.000 EUR);

Voortaan moet per begiftigde de heffingsgrondslag opgesplitst worden in een onroerende heffingsgrondslag en in een roerende heffingsgrondslag.

Dit geeft: ten laste van Y:

  • 100.000 EUR (= zijn bruto aandeel in het onroerend goed), belast tegen het tarief in rechte lijn (art. 131 W. W. Reg. - Tabel I);

  • 50.000 EUR ( = zijn bruto aandeel in het roerend goed), belast tegen het tarief in rechte lijn (art. 131bis, § 1, 1°, W. W. Reg.).

ten laste van Z: idem als voor Y

IV) Voorwaarden voor toepassing van het tarief

De toepassing van het verminderd tarief is onderworpen aan de volgende voorwaarden:

A) De schenking moet zuiver en eenvoudig zijn

23. Bedoeld wordt dat de schenking niet mag gedaan zijn onder een opschortende tijdsbepaling of onder een opschortende voorwaarde, andere dan die waarvan sprake in artikel 17 W. Reg. (rechtshandeling gesteld door een rechtspersoon, onderworpen aan de machtiging, de goedkeuring of de bekrachtiging door de overheid).

Uitzondering : wanneer de opschortende voorwaarde vervuld is of de termijn verstreken is op het ogenblik van de aanbieding ter registratie. Met aanbieding ter registratie van een aan een opschortende voorwaarde onderworpen akte wordt hier wel te verstaan bedoeld het tijdstip waarop op de akte het algemeen vast recht van 25 EUR bij toepassing van artikel 16 wordt geheven; inderdaad, wanneer de voorwaarde vervuld is, moet de belanghebbende de akte niet meer ter registratie aanbieden maar enkel een verklaring als bedoeld in artikel 31 W. Reg. Met aanbieding ter registratie van een aan een opschortende termijn onderworpen akte wordt hier wel te verstaan bedoeld het tijdstip waarop op de akte het evenredig recht wordt geheven, heffing die niet wordt uitgesteld omwille van de termijn. Vandaar, zelfs indien een dergelijke voorwaarde of een dergelijke termijn in de akte opgenomen zijn, het volstaat, opdat de akte tegen het verminderd recht zou worden geregistreerd, dat die akte op het ogenblik van de registratie ondertussen zuiver en eenvoudig is geworden.

Kortom:

  • geen opschortende tijdsbepaling (uitgezonderd wanneer die reeds verstreken is op het ogenblik van de aanbieding ter registratie);

  • geen opschortende voorwaarde (uitgezonderd wanneer die vervallen of al vervuld is op het ogenblik van de aanbieding ter registratie of wanneer het gaat om de machtiging, goedkeuring of bekrachtiging door de overheid).

Voorbeeld

Alain schenkt zijn auto aan Claude, indien die alle examens slaagt van de zittijd juni 2006. Het betreft hier een schenking onder de opschortende voorwaarde van het slagen voor de examens. Indien deze schenking ter registratie wordt aangeboden in september 2006 en Claude is inderdaad geslaagd voor alle examens, dan is het verminderd tarief van toepassing.

24. Deze voorwaarde vloeit rechtstreeks voort uit de ratio legis van het decreet. Gedurende de periode die voorafgaat aan het verstrijken van de termijn of aan de vervulling van de voorwaarde blijft de schenker volledig eigenaar van de geschonken goederen. Dat is onverenigbaar met het doel dat de Waalse decreetgever zich heeft gesteld: de effectieve en onmiddellijke buitenbezitstelling van de schenker ten voordele van de begiftigde op het moment van de aanbieding ter registratie, in de hoop dat de begiftigde zijn emolument herinvesteert in de economie.

25. Een schenking van roerende goederen gedaan onder een opschortende tijdsbepaling of voorwaarde die niet beantwoordt aan de vermelde voorwaarden, is bijgevolg onderworpen aan het gewone tarief van artikel 131 W. W. Reg.

B) Normalerwijze moet het gaan om een schenking van de volle eigendom

1) Principe

26. Algemeen kan worden gesteld dat de schenking niet enkel de blote eigendom (met voorbehoud van het vruchtgebruik door de schenker of ten voordele van een derde) of niet enkel het vruchtgebruik van de geschonken goederen mag betreffen. Dit is strijdig met de doelstelling van het verminderd tarief

27. De verantwoording voor die voorwaarde is dus dezelfde als die voor de vorige voorwaarde: het ontbreken van effectieve en onmiddellijke buitenbezitstelling van de schenker op het ogenblik van de aanbieding ter registratie.

28. Een schenking van roerende goederen met voorbehoud van vruchtgebruik wordt dus belast aan het gewone tarief.

2) Verzachting

29. De schenking van de blote eigendom of van het vruchtgebruik van roerende goederen kan in één enkel geval genieten van het verminderd recht, namelijk wanneer de schenking slaat op de in artikel 131bis, § 2, W. W. Reg. bedoelde financiële instrumenten of aanverwante financiële instrumenten in de zin van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten (art. 131bis, § 3, 1° W. W. Reg. - zie punt VI).

De uitsluiting betreft enkel de schenkingen van naakte eigendom of van vruchtgebruik op roerende goederen. Die uitsluiting kan dus enkel slaan op het zakelijk recht van vruchtgebruik (of van blote eigendom) in de gewone betekenis, daaronder begrepen de schenkingen die uitdrukkelijk een vruchtgebruik voorbehouden voor de schenker of voor een derde.

Die uitsluiting omvat zeker niet de schenkingen met lasten, welke dus wel van het verminderd tarief van artikel 131bis, § 1, kunnen genieten. Dat geldt ook voor de schenkingen van roerende waarden die vergezeld gaan van een "pacte adjoint" (toegevoegde overeenkomst), voor schenkingen die gedaan worden onder de vorm van een akte waarin de storting aan de schenker van de genoten interesten wordt aangekondigd, of nog voor schenkingen van titels die op een effectenrekening van de begiftigde worden geplaatst (rekening waarvan de begiftigde bijgevolg volle eigenaar is en die hij als dusdanig beheert, zelfs als die rekening geblokkeerd is), maar waarvan de interesten door de bank automatisch worden geboekt op de bankrekening van de schenker (op voorwaarde wel te verstaan dat die last niet bij de overeenkomst van schenking als een vruchtgebruik werd aangemerkt, wat erop zou neerkomen dat niet louter een vorderingsrecht ontstaat maar een werkelijk zakelijk recht in hoofde van de beneficiaris wordt gecreëerd).

C) De schenking moet worden geregistreerd

30. Het spreekt voor zich dat voor de toepassing van het verminderd tarief de schenking moet worden geregistreerd.

De akte wordt uiteraard geregistreerd wanneer de schenkingsakte voor een Belgische notaris in authentieke vorm wordt verleden (verplichte registratie wegens de vorm van de akte; artikel 19, eerste lid, 1°, W. Reg.).

31. De relevantie van deze voorwaarde komt vooral tot uiting wanneer het gaat om een schenking verleden voor een buitenlandse notaris, een schenking bij onderhandse akte, een schenking door handgift of een schenking in onrechtstreekse vorm die later wordt bevestigd bij een onderhandse akte of een akte verleden voor een buitenlandse notaris.

Inderdaad, in deze gevallen maakt de schenking of de akte waarin ze wordt vastgesteld de registratie ervan niet verplicht, zodat van heffing van het schenkingsrecht enkel sprake kan zijn als de akte vrijwillig ter registratie wordt aangeboden.

32. Concreet - en in extremisch - kan men zich indenken dat iemand zijn volledig roerend vermogen (tegen het verlaagd tarief) kort voor zijn dood wegschenkt.

In het geval onder nr. 30 zal het schenkingsrecht opeisbaar zijn van zodra de authentieke akte in België is verleden.

In het geval van nr. 31 moet de schenking effectief geregistreerd zijn voor zijn overlijden.

V) Schenking van roerende goederen in de praktijk

32bis. Hierna worden enkele elementen die in de praktijk van belang zijn, ietwat diepgaander bekeken; voor een meer volledige behandeling van de materie wordt evenwel verwezen naar de klassieke handleidingen en handboeken.

Er zal ook worden aan herinnerd dat artikel 931 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat alle schenkingen onder de levenden ¾ op straffe van nietigheid ¾ voor een notaris moeten worden verleden. De administratie is echter geen rechter van de geldigheid van de akten en overeenkomsten (Handleiding registratierechten, nr. 133). Vandaar dat de administratie zal overgaan tot de heffing van het evenredig recht wanneer haar een akte die titel vormt van een verrichting die juridisch kwalificeert als een schenking ter registratie wordt voorgelegd, zonder dat zij daarbij rekening dient te houden met oorzaken die de absolute of relatieve nietigheid van de overeenkomst kunnen meebrengen.

32ter. Ook wordt eraan herinnerd dat de eisbaarheid van het evenredig recht ondergeschikt is aan het bestaan van een akte of een geschrift ¾ ongeacht of het gaat om een onderhandse akte of een authentieke akte ¾ dat tussen partijen bewijs oplevert van de rechtshandeling van schenking onder de levenden.

Opdat een geschrift titel zou vormen van een rechtshandeling is vereist (Handleiding registratierechten nr. 132):

  • dat het geschrift het bestaan bevestigt van een volledige overeenkomst of van een volledige rechtshandeling;

  • dat het geschrift alle nodige handtekeningen draagt.

Aldus zal in geval van een handgift de eenzijdige schriftelijke erkenning ervan door de schenker slechts kunnen beschouwd worden als de erkenning van het feit dat hij deze roerende goederen heeft geschonken aan een andere niet ondertekenende persoon, zodat dergelijke erkenning geen titel kan vormen van de schenking; dat geschrift zal dus geregistreerd worden tegen betaling van het algemeen vast recht van 25 € als men vaste datum aan de schenking wil geven (vaste datum die kan aangewend worden om een vermoeden op te leveren van het vertrekpunt van de hierna bedoelde termijn van drie jaar in het kader van de successierechten). Daarentegen zal de schriftelijke erkenning door de begiftigde lichamelijke roerende goederen te hebben ontvangen onder de vorm van een handgift van een andere ¾ zelfs niet ondertekenende ¾ persoon, aanleiding geven tot de registratie ervan tegen het tarief van de schenkingsrechten, wanneer van dat geschrift mag vermoed worden dat het is opgesteld om zich een titel te verschaffen of om bewijs te leveren van de handgift (Handleiding registratierechten, nr. 146, blz. 88 en nr. 458 nr. 375, Adm. besl. nr. EE/79.554 van 14 juni 1966, Rep. R.J. nr. R 12/08/01, Adm. besl. nr. EE/79.524 van 1 augustus 1966, Rep. R.J., nr. R. 12/08-02, Cass. 29 juni 1989, R.G.E.N., nr. 23.778; F.J.F., 1990, blz. 103).

33. In de praktijk kan de schenking van roerende goederen op drie manieren gedaan worden: onder de vorm van een notariële (conform aan het bepaalde in artikel 931 B.W.) of onderhandse akte, onder de vorm van een handgift, of nog, onder de vorm van een onrechtstreekse schenking.

Hier wordt bewust voorbijgegaan aan de vermomde schenking, die de vorm aanneemt van een rechtshandeling ten bezwarende titel die vaak zelf aan een evenredig recht is onderworpen (doorgaans het verkooprecht).

A) De schenking bij notariële of onderhandse akte

34. De notariële vorm is niet onontbeerlijk om te kunnen genieten van het verminderd tarief, maar wordt toch door de Waalse decreetgever ten zeerste aangeraden omdat hierin een waarborg wordt gezien voor de rechtszekerheid vermits voldaan is aan het voorschrift van artikel 931 B.W. Daarbij is het onverschillig of de akte voor een Belgische dan wel voor een buitenlandse notaris wordt verleden. Hierbij moet wel opgemerkt worden dat de voor een buitenlandse notaris verleden schenkingsakte maar kan worden neergelegd onder de minuten van een Belgische notaris, wanneer die akte voorafgaandelijk of tegelijkertijd met de akte van neerlegging wordt geregistreerd (art. 26, leden 1 en 2, W. Reg.); eerstbedoelde registratie kan uiteraard geschieden met toepassing van het evenredig recht van artikel 131bis, W. W. Reg.

Onder voorbehoud van de absolute nietigheid die eraan kleeft, kan een onderhandse akte eveneens titel vormen en geregistreerd worden tegen het voordeeltarief.

De ontvangers der registratie zijn met deze vorm van schenking zeer vertrouwd, zodat hij voor het overige geen bijzondere commentaar behoeft.

B) De handgift

35. De handgift is enkel mogelijk ten aanzien van goederen die van hand tot hand kunnen worden overgedragen. Hoewel hierbij het formalisme dat kenmerkend is voor de schenking wordt doorbroken, gaat het toch om een echte volwaardige schenking.

36. De administratieve praktijk is ten aanzien van de schenkingsrechten op handgiften stevig gevestigd:

"Wanneer een ter registratie aangeboden akte als enige bedoeling heeft te erkennen dat iemand van een andere ¾ zelfs niet medeondertekenende ¾ persoon, lichamelijke roerende goederen heeft verkregen bij wijze van handgift, dan is de administratie gerechtigd ervan uit te gaan dat die akte werd opgemaakt om titel te verschaffen van de handgift. De registratie van dergelijke akte geschiedt tegen betaling van het evenredig schenkingsrecht." (Handleiding registratierechten, nr. 146, zie ook nr. 32 hier boven).

De ontvanger zal dus het verminderd tarief toepassen op een dergelijke eenzijdige verklaring van de begiftigde.

37. Vanzelfsprekend laat de bestaande tekst toe het verminderd recht te vorderen op de handgiften die dagtekenen van na de inwerkingtreding van dit decreet en die vastgesteld worden in een geschrift dat titel vormt van de handgift. Wat meer is, de tekst laat ook toe het verminderd recht te heffen op de "regularisatie" van handgiften die dagtekenen van voor de inwerkingtreding van het decreet, en dit ongeacht de datum welke het ter registratie aangeboden geschrift draagt. Daartoe is enkel vereist dat de schriftelijke erkenning van de begiftigde aan de formaliteit wordt onderworpen na de inwerkingtreding van het decreet maar vóór het overlijden van de schenker (zie in dat verband het beknopt verslag van het Waals Parlement van 13 december 2005, blz. 17).

C) De onrechtstreekse schenking

38. Het betreft hier schenkingen die gedaan worden middels een akte waaruit niet blijkt dat de verrichting ten kosteloze dan wel ten bezwarende titel wordt gedaan. Men spreekt dan van abstracte of neutrale akten.

39. In het kader van schenkingen van roerende goederen zal de onrechtstreekse schenking meestal de vorm aannemen van een schenking via een bank (vb. schenking bij bankoverschrijving). Dergelijke schenkingen via een bank kunnen niet enkel slaan op sommen geld, maar ook op effecten die op een effectenrekening zijn gedeponeerd, ....

40. Een recente administratieve beslissing (R.J. R 12/15-01 - beslissing van 25 april 2005, nr. EE/100.528) bepaalt het volgende: "Bij de aanbieding ter registratie van een bewijsdocument(en) van een bankgift waaruit blijkt dat diegene die heeft overgeschreven, deze overschrijving heeft gedaan met het inzicht om te begiftigen en dat de begiftigde de schenking heeft aanvaard (bv. bij de aanbieding ter registratie van de aangetekende brieven die tussen de schenker en de begiftigde zijn gewisseld), zal het schenkingsrecht geheven worden."

Ter illustratie kunnen de volgende uitgewisselde documenten die tezamen ter registratie worden aangeboden het schenkingsrecht opeisbaar maken:

  1. documenten uitgaande van de schenker

  • hetzij een brief uitgaande van de schenker waarin deze zijn bedoeling te kennen geeft om een bankoverschrijving te doen ten voordele van de begiftigde (bedoeling van te schenken);
  • hetzij een brief uitgaande van de schenker waarbij hij aan zijn bankier vraagt een som geld of effecten over te schrijven op een rekening van de begiftigde (dit is een zogenaamde neutrale verrichting in die zin dat uit de opdracht tot overschrijving de intentie om te schenken niet blijkt).
  • hetzij een brief uitgaande van de schenker en gericht aan de begiftigde waarbij wordt gemeld dat de overschrijving werd gedaan (de begiftigde moet weet hebben van de overdracht);
  1. document uitgaande van de begiftigde: een brief geadresseerd aan de schenker met bedanking (uitdrukkelijke aanvaarding door de begiftigde).

41. Bovendien moet nog opgemerkt worden dat zowel de handgift als de onrechtstreekse schenking vergezeld kan gaan van voorwaarden of lasten (vb. conventionele terugkeer, beding van een rente, vrijstelling van inbreng, ...) die in een "pacte adjoint" zijn opgenomen. Een dergelijke "pacte adjoint" kan eveneens ter registratie worden aangeboden, maar maakt op zichzelf genomen geen titel uit van de schenking (tenzij het "pacte adjoint" gelet op zijn inhoud effectief zou kunnen worden aangemerkt als een onderhandse akte die titel vormt van de schenkingsovereenkomst; zie dan nr. 34 hierboven).

42. Als een schenking via een bankoverschrijving door een Waalse gewestinwoner werd gedaan in 2005 en hij daarop het verminderd tarief wenst te kwijten (om aldus gerust te zijn op het vlak van de successierechten), volstaat het dat hij de schenking laat registreren op een datum waarop het decreet reeds in werking is en dit middels een geschrift dat laat blijken dat alle onder nr. 40 opgesomde voorwaarden daartoe zijn vervuld.

43. De onrechtstreekse schenking en de handgift verschillen dus niet wat betreft de regularisatiemogelijkheid: in het kader van de nieuwe Waalse regelgeving is het mogelijk beide soorten verrichtingen, indien ze gedaan werden vóór de inwerkingtreding van dat decreet en zelfs indien ze vóór dat tijdstip vastgesteld werden bij een niet notarieel geschrift, te regulariseren.

VI) Bijzonderheid: schenking van financiële instrumenten

44. Vooreerst wordt de aandacht gevestigd op het feit dat alleen dit type van schenking het verminderd recht kan genieten wanneer de schenking de blote eigendom of het vruchtgebruik van de roerende goederen betreft (art. 131bis, § 3, 1° W. W. Reg.).

44bis. Bovendien is het voordeel van het verminderd recht onderworpen aan een aantal voorwaarden. Eerst moeten echter nog een aantal begrippen worden gedefinieerd.

A) Definities en algemeenheden

45. De wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten definieert twee onderscheiden begrippen:

1) "financieel instrument" : elke waarde of elk recht dat tot één van de volgende categorieën behoort :

a) aandelen en andere met aandelen gelijk te stellen waarden;

b) obligaties en andere schuldinstrumenten die op de kapitaalmarkt verhandelbaar zijn;

c) alle andere gewoonlijk verhandelde waarden waarmee de waarden bedoeld in a) of b) via inschrijving of omruiling kunnen worden verworven of die in contanten worden afgewikkeld, met uitsluiting van betaalmiddelen;

d) rechten van deelneming in instellingen voor collectieve belegging;

e) instrumenten die gewoonlijk op de geldmarkt worden verhandeld;

f) financiële futures, met inbegrip van gelijkwaardige instrumenten die worden afgewikkeld in contanten;

g) rentetermijncontracten ("forward rate agreements");

h) rente- en valutaswaps en swaps betreffende aan aandelen of aan aandelenindexen gekoppelde cash-flows ("equity swaps");

i) valuta- en renteopties en andere opties ter verwerving of vervreemding van enig financieel instrument bedoeld in a) tot h), met inbegrip van gelijkwaardige instrumenten die worden afgewikkeld in contanten;

j) voor de toepassing van de artikelen 25, 32, 39 en 40 en de andere bepalingen die de Koning op advies van de CBF kan vaststellen, de van grondstoffenafgeleide instrumenten;

k) andere waarden of rechten aangeduid door de Koning op advies van de CBF, in voorkomend geval voor de toepassing van de bepalingen die Hij aanwijst;

2) "aanverwant financieel instrument" : elk financieel instrument dat op één van de volgende manieren aan een bepaald financieel instrument gerelateerd is :

a) converteerbaar is in het betrokken financieel instrument of ertegen kan worden omgeruild;

b) aan de titularis ervan het recht geeft het betrokken financieel instrument te verwerven of erop in te schrijven;

c) door de emittent of een borg van het betrokken financieel instrument is uitgegeven of gewaarborgd, wanneer er een belangrijke correlatie tussen de koersen van beide instrumenten bestaat;

d) een certificaat is dat het betrokken financieel instrument vertegenwoordigt of er de tegenwaarde van vormt;

e) een rendement geeft dat krachtens de uitgiftevoorwaarden specifiek gekoppeld is aan het koersverloop van het betrokken financieel instrument;

Opmerking:

In de loop van de totstandkoming van dit decreet werd het begrip "aanverwant financieel instrument" opgeheven bij het koninklijk besluit van 24 augustus 2005 (B.S. van 09/09/2005). Hieruit mag niet worden afgeleid dat de aanverwante financiële instrumenten niet meer binnen het toepassingsgebied van het verminderd recht vallen. Deze zijn immers reeds opgenomen onder de algemene definitie van "financiële instrumenten" (voornamelijk onder punt J). Kortom, artikel 131bis, § 2, nieuw, W. W. Reg. is zowel van toepassing op de "eigenlijke" als op de "aanverwante" financiële instrumenten.

Hier moet nog worden aan herinnerd dat de bepaling van § 2 enkel van toepassing is op effecten van vennootschappen met rechtspersoonlijkheid (zie nr. 17 hiervoor). Dat is dus niet het geval voor de rechten van de vennoten in vennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid omdat in dergelijke vennootschappen de vennootschap geen eigen vermogen heeft en de aard van het recht van de vennoten wordt bepaald door de roerende of onroerende aard van de goederen waarover ze hun recht uitoefenen; in het kader van dergelijke - transparant genoemde - vennootschappen zal het door een vennoot geschonken goed nooit meer zijn dan een part in het goed waarover hij zijn rechten uitoefent (zie nr. 17 hiervoor) en zal het dus niet kunnen beschouwd worden als een financieel instrument tenzij natuurlijk het goed waarover dat recht wordt uitgeoefend zelf een dergelijk financieel instrument zou zijn.

45bis. Wanneer de schenking effecten betreft, moet in twee stappen tewerk gegaan worden.

1) Vooreerst moet de aard van het effect nagegaan worden. Gaat het wel degelijk om een financieel instrument of om een aanverwant financieel instrument (bedoeld in de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten - zie lijst hierboven).

Wat deze stap betreft kan bevestigd worden dat aandelen van collectieve beleggingsinstellingen (vb. BEVEK, BEVAK, VASTGOED BEVAK) onder toepassing van het decreet vallen.

2) Wanneer het effect er wel degelijk een is dat in bovenstaande lijst is opgenomen, moet nagegaan worden of het gaat om een effect als bedoeld in de drie onderscheiden categorieën vermeld in artikel 131bis, §2 (1°, 2°, 3°). Het verminderd tarief zal van toepassing zijn als de betrokken effecten minstens onder één van die categorieën van effecten vallen (zie hierna).

B) Gevallen waarin het verminderd tarief toepassing vindt

46. Het verminderd tarief kan in 3 gevallen van toepassing zijn op de schenking van financiële instrumenten.

1ste geval:

47. Wanneer de schenking financiële instrumenten of aanverwante financiële instrumenten (onderscheid: zie de definities hierboven) betreft van een vennootschap:

  • waarvan de effectieve directiezetel gevestigd is in een lidstaat van de Europese Unie en die zelf of zelf en haar dochtervennootschappen in hoofdberoep een industriële, handels-, ambachts-, landbouw- of bosbouwonderneming uitbaat of een vrij beroep, een ambt of een post uitoefent op geconsolideerde basis voor de vennootschap en de dochtervennootschappen voor het lopende boekjaar van de vennootschap en voor elk van beide laatste op het ogenblik van de akte afgesloten boekjaren van de vennootschap.

Hiermee worden in de eerste plaats bedoeld de kleine en middelgrote ondernemingen die hun zetel van werkelijke leiding in de Europese Unie hebben. De activiteit van de onderneming is hierbij doorslaggevend en moet dan ook door de ontvanger worden gecontroleerd. Het komt de begiftigde toe aan te tonen dat de vennootschap het vooropgezette doel nakomt.

De reden waarom het decreet een welomschreven activiteit vereist is de uitsluiting van het verminderd tarief van schenkingen van effecten van vastgoedvennootschappen of van patrimoniumvennootschappen. In het kader van dit 1ste geval zijn dus met name uitgesloten de " patrimoniumvennootschappen", dit wil zeggen vennootschappen waarvan het hoofddoel er uitsluitend in bestaat het houden en beheren van onroerend of roerend actief zonder daarmee een economische activiteit uit te oefenen.

Ander voorbeeld van uitsluiting in het 1ste geval: de effecten van een Zwitserse onderneming. De schenking van financiële instrumenten (of aanverwante f.i.'s) van een dergelijke onderneming zal evenwel toch genieten van het verminderd tarief wanneer de effecten genoteerd zijn op een gereglementeerde markt (zie 2de geval) of het voorwerp zijn geweest van een openbaar aanbod (zie 3de geval).

Volgens het commentaar dat bij het ontwerp van decreet bij deze bepaling werd gegeven (Doc. W. Parl., zittijd 2005-2006, nr. 279/1, blz. 6) wordt met de woorden "in hoofdberoep (...) op geconsolideerde basis voor de vennootschap en de dochtervennootschappen voor het lopende boekjaar van de vennootschap en voor elk van beide laatste op het ogenblik van de akte afgesloten boekjaren van de vennootschap" bedoeld de activiteit die vermeld wordt in de statuten van de vennootschap en die, gelet op de oorsprong van het zakencijfer van de vennootschap, hoofdzakelijk, werkelijk en gewoonlijk wordt uitgeoefend door de vennootschap in het lopende boekjaar en in elk van de twee voorafgaande boekjaren die afgesloten zijn op het ogenblik van de akte; die hoofdzakelijke activiteit moet bestaan in één van de vermelde activiteiten en niet in een andere activiteit zoals bijvoorbeeld eenvoudig vermogensbeheer. In dit verband dringen de volgende preciseringen zich op:

  • het zakencijfer van de vennootschap is niet noodzakelijkerwijze het doorslaggevend criterium voor het onderscheid; het is slechts één van de criteria dat al naar gelang het geval samen met andere criteria toelaat de hoofdzakelijke, werkelijke en gewoonlijke activiteit van de vennootschap te bepalen;

  • het belangrijkste maatschappelijk doel van de vennootschap kan door de bevoegde administratie gecontroleerd worden; dat kan bijvoorbeeld door vergelijking met de vermeldingen die in de kruispuntbank ondernemingen voorkomen of door aan de begiftigde de opsplitsing te vragen van het zakencijfer over de verschillende activiteiten van de vennootschap;

  • met de woorden " voor het lopende boekjaar van de vennootschap en voor elk van beide laatste op het ogenblik van de akte afgesloten boekjaren van de vennootschap" wordt bedoeld dat bovenstaande voorwaarde moet vervuld zijn voor het op het ogenblik van de schenking lopende boekjaar, evenals voor elk van de twee laatste boekjaren die reeds zijn afgesloten op het ogenblik van de schenking.

Bovendien wordt nog opgemerkt dat waar deze bepaling spreekt van de geconsolideerde rekeningen van een vennootschap en haar dochtervennootschappen (filialen), die termen moeten begrepen worden in de zin van de artikelen 108 tot 121 van het Wetboek van vennootschappen.

De begiftigde die de toepassing van het verminderd tarief vraagt heeft daarbij twee verplichtingen:

  • hij moet in de schenkingsakte (bedoeld wordt in het geschrift dat ter registratie wordt aangeboden en dat titel vormt van de schenking, ongeacht de vorm ervan) verklaren dat de voorwaarde waarover het hier gaat is vervuld;

  • ter plaatse op elke vordering van de personeelsleden van het bevoegde bestuur mededeling doen van bepaalde elementen zoals: het maatschappelijk doel van de vennootschap of haar dochtervennootschappen, de opsplitsing van de omzet van de vennootschap of haar dochtervennootschappen ... Voor meer details wordt verwezen naar de tekst van artikel 131bis, § 2.

In geval van onjuiste aangifte, is het normale (art. 131 W. W. Reg.) tarief opeisbaar, verminderd met het reeds betaalde recht.

2de geval:

48. Wanneer de schenking financiële instrumenten of aanverwante financiële instrumenten (onderscheid zie de definities hierboven) betreft :

  • die toegelaten zijn tot de verhandeling op een Belgische gereglementeerde markt in de zin van artikel 2, 5° en 6°, van de wet van 2 augustus 2002. Voor meer details wordt verwezen naar de tekst van artikel 131bis, § 2, 2° W. W. Reg.

Artikel 2, 3°, van de wet van 2 augustus 2002 definieert een "gereglementeerde markt" als iedere Belgische of buitenlandse gereglementeerde markt. Formeel komen dus enkel gereglementeerde markten in aanmerking, dit wil zeggen de secundaire markten voor financiële instrumenten die georganiseerd zijn door een marktonderneming en die als gereglementeerde markt erkend zijn door de bevoegde autoriteit van de Staat waar de maatschappelijke zetel van die onderneming is gevestigd.

De georganiseerde markten, te weten de secundaire markten voor financiële instrumenten die georganiseerd zijn door een marktonderneming, maar die niet erkend zijn als gereglementeerde markt door de bevoegde autoriteit van de Staat waarin de maatschappelijke zetel van die onderneming is gevestigd, kunnen nochtans onder het 3de geval (zie hierna) vallen, wanneer het gaat om een openbaar aanbod van effecten.

In dit geval worden dus de op een gereglementeerde markt genoteerde effecten bedoeld (onverschillig of die markt zich in dan wel buiten Europa lokaliseert). De op een niet gereglementeerde markt genoteerde effecten zijn in principe geviseerd door he 3de geval. Dit 2de geval laat dus de schenking (tegen het verminderd tarief) toe van financiële instrumenten die genoteerd zijn op een gereglementeerde markt of op een daarmee gelijk te stellen markt, onverschillig of die zich in dan wel buiten Europa lokaliseert.

3de geval:

49. Wanneer de schenking openbare effecten als bedoeld in artikel 21, III van het Wetboek der successierechten betreft.

Hier worden bedoeld alle openbare effecten die het voorwerp uitmaken of hebben uitgemaakt van een openbaar aanbod. Het betreft ondermeer de effecten genoteerd op niet gereglementeerde markten, aandeel in BEVEK, enz...

In de Handleiding successierechten (administratieve Cursus van successierechten) (nr. 130) worden openbare effecten gedefinieerd als aandelen en obligaties van vennootschappen, obligaties van de Staat, de Gemeenschappen, de Gewesten, de provincies, de gemeenten, alsook van openbare instellingen, europese en internationale instellingen, die genoteerd zijn of kunnen worden op een Belgische beurs van openbare effecten.

De kasbons en obligaties uitgaande van een openbare overheid of openbare instelling kunnen dus ook onder de levenden geschonken worden met toepassing van het verminderd tarief van artikel 131bis, § 1 W.W.Reg., gelet op het bepaalde in artikel 131bis, § 2, 3° W.W.Reg., zelfs indien ze niet zijn opgenomen in de prijscourant gepubliceerd bij toepassing van artikel 21, III van het Wetboek der successierechten (bedoeld zijn immers de "openbare effecten" en niet enkel deze die effectief zijn opgenomen in de prijscourant).

Gelet evenwel op de verscheidenheid aan financiële instrumenten, zowel Belgische als internationale, die het voorwerp kunnen uitmaken van schenkingen beheerst door het decreet van 15 december 2005, gelet op het doel dat wordt nagestreefd met artikel 131bis, § 2, W.W.Reg., en gelet op de behoefte aan rechtszekerheid ondanks de veelheid en diversiteit van die instrumenten, werd er beslist dat onder toepassing van het verminderd recht van artikel 131bis, § 1, kunnen vallen de financiële instrumenten en de aanverwante financiële instrumenten als bedoeld in de wet van 2 augustus 2002, die niet reeds onder de toepassing van de nrs. 1° en 2° van artikel 131bis, § 2 W.W.Reg. vallen, maar die op het ogenblik van de schenking het voorwerp uitmaken of hebben uitgemaakt van een openbaar aanbod in de zin van artikel 3, § 1, van de wet van 22 april 2003 betreffende de openbare aanbiedingen van effecten.

Onder "openbaar aanbod" wordt aldus verstaan :

1° elk openbaar aanbod tot verkoop, elke openbare verkoop of elk openbaar aanbod tot inschrijving, alsook elk openbaar voorstel aan beleggers om een al dan niet herroepbaar bod tot aankoop of inschrijving te doen;

2° elk openbaar overnameaanbod;

3° de toelating tot de verhandeling op een georganiseerde markt die voor het publiek toegankelijk is [De gereglementeerde markt wordt inderdaad reeds vermeld in artikel 131bis, § 2, 2°, W.W.Reg.] (meer bepaald elke secundaire markt van financiële instrumenten, toegankelijk voor het publiek);

4° elk openbaar voorstel om informatie of raad te verstrekken of de vraag hiernaar uit te lokken, in verband met al dan niet reeds gecreëerde effecten die het voorwerp uitmaken of zullen uitmaken van een al dan niet openbaar aanbod, tenzij deze informatie of raad slaat op effecten die regelmatig openbaar worden of werden aangeboden.

Wat meer is, gelet op de symmetrie met de toepassing van het verlaagd tarief op de financiële instrumenten van de gereglementeerde markten vermeld in artikel 131bis, § 2, 2°, W.W.Reg., wordt het verlaagd tarief hier ook toegepast ongeacht de Staat waar dat publiek aanbod is geschied: in België, in een Lid-Staat van de Europese Economische Ruimte of een Staat niet behorende tot de Europese Economische Ruimte.

Gelet op de in nr. 130 van de door de administratie uitgegeven "handleiding successierechten" gegeven definitie van openbare effecten, moeten als dusdanig worden beschouwd financiële instrumenten en aanverwante financiële instrumenten met een openbaar karakter, wegens hetzij hun notering op een Belgische of buitenlandse gereglementeerde markt (situatie als bedoeld in het 2de geval hiervoor), hetzij door hun openbare aanbieding in de hier vermelde zin.

Tenslotte wordt nog opgemerkt dat het privaat- of publiekrechtelijk karakter van de emittent van het effect geen rol speelt bij hetgeen voorafgaat.

SYNTHESE

Gelet op hetgeen voorafgaat kan de bepaling van artikel 131bis W.W.Reg. evengoed geformuleerd worden als een uitsluitingsbepaling van bepaalde effecten. Vanuit die optiek kunnen genieten van het verlaagd recht van artikel 131bis W.W.Reg. alle schenkingen van roerende goederen met uitsluiting evenwel van de financiële instrumenten die niet bedoeld zijn in artikel 131bis, § 2, W.W.Reg.

Zijn dus slechts van het verlaagd tarief uitgesloten:

  • de financiële instrumenten en de aanverwante financiële instrumenten bedoeld in de wet van 2 augustus 2002;

EN

  • die geen betrekking hebben op europese vennootschappen die met hun dochtervennootschappen een economische activiteit uitoefenen sedert drie boekjaren;

EN

  • die niet genoteerd zijn op een gereglementeerde markt in de Europese betekenis van het begrip, en ook niet op een buiten-europese gelijkaardige markt;

EN

  • die geen openbare effecten als hiervoor bedoeld zijn.

C) Toepassing op BEVAK - VASTGOEDBEVAK - BEVEK

49bis. A. Wanneer de financiële middelen ervan werden aangetrokken door middel van een openbaar aanbod van rechten van deelneming, verhandelbaar of niet (art. 17 van de wet van 20 juli 2004 betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles), zijn de BEVAK-aandelen (beleggingsvennootschap met een vast aantal rechten van deelneming) verplicht genoteerd (art. 75 van voornoemde wet van 20 juli 2004).

Aldus kunnen die rechten vanzelfsprekend ten kosteloze titel onder de levenden worden overgedragen, met toepassing van het verminderd tarief van artikel 131bis, § 1, W.W.Reg en dit gelet op artikel 131bis, § 2, 2° W.W.Reg.

Hier worden bedoeld de instellingen voor collectieve belegging met een vast aantal rechten van deelneming die geregeld zijn bij statuten (art. 6 van de voormelde wet van 20 juli 2004).

B. Wanneer de financiële middelen ervan werden aangetrokken via een openbaar aanbod van rechten van deelneming, verhandelbaar of niet (art. 17 van de voornoemde wet van 20 juli 2004), zijn de VASTGOEDBEVAK-aandelen (vastgoedbeleggingsvennootschap met een vast aantal rechten van deelneming) verplicht genoteerd (art. 75 van voornoemde wet van 20 juli 2004).

Aldus kunnen die rechten evenzeer ten kosteloze titel onder de levenden worden overgedragen, met toepassing van het verminderd tarief van artikel 131bis, § 1, W.W.Reg en dit gelet op artikel 131bis, § 2, 2° W.W.Reg.

Hier worden bedoeld de instellingen voor collectieve belegging in vastgoed met een vast aantal rechten van deelneming die geregeld zijn bij statuten (art. 6 van de voormelde wet van 20 juli 2004).

C. Wanneer de financiële middelen ervan werden aangetrokken via een openbaar aanbod van rechten van deelneming, verhandelbaar of niet (art. 10 van de voornoemde wet van 20 juli 2004), kunnen de BEVEK-aandelen (beleggingsvennootschap met een veranderlijk aantal rechten van deelneming) genoteerd worden, zonder dat ze dat evenwel verplicht moeten zijn (art. 73, § 3, van voornoemde wet van 20 juli 2004).

Zodat:

  • in geval die aandelen genoteerd zijn, ze ten kosteloze titel kunnen worden overgedragen onder de levenden met toepassing van het verminderd recht bepaald in artikel 131bis, § 1, W.W.Reg. en dit bij toepassing van het bepaalde in artikel 131bis, § 2, 2° W.W.Reg.;

  • in geval die aandelen niet genoteerd zijn, ze niettemin ten kosteloze titel kunnen worden overgedragen onder de levenden met toepassing van het verminderd recht bepaald in artikel 131bis, § 1, W.W.Reg., maar dan bij toepassing van het bepaalde in artikel 131bis, § 2, 3°, W.W.Reg.

Inderdaad, wanneer de financiële middelen van een collectieve beleggingsinstelling met veranderlijk aantal rechten van deelneming werden aangetrokken via een openbaar aanbod van rechten van deelneming, verhandelbaar of niet (art. 10 van de voornoemde wet van 20 juli 2004), is er ontegensprekelijk een openbaar karakter aan verbonden die hen onder de categorie van de "openbare effecten" als bedoeld in artikel131bis, § 2, 3°, doet vallen, zelfs al worden ze niet vermeld in de prijscourant gepubliceerd in uitvoering van artikel 21, III, van het Wetboek der successierechten;
Dit interpretatievraagstuk werd uitdrukkelijk verduidelijkt en in bovenstaande zin beslecht door de Minister van Begroting van het Waals Gewest tijdens de behandeling van het ontwerp van decreet in de Commissie voor de begroting, financiën, algemene zaken, administratieve vereenvoudiging, reglement en boekhouding van het Waals Parlement tijdens de zitting van 13 december 2005 (Doc. W. Parl., zittijd 2005-2006, beknopt verslag, nr. 62, blz. 17; zie ook de tussenkomst van parlementslid René THISSEN tijdens de plenaire zitting van het parlement van 15 december 2005, al heeft deze hierbij verkeerdelijk verwezen naar een amendement, Doc. W. Parl., zittijd 2005-2006, beknopt verslag nr. 11, blz. 43);
Tenslotte is deze interpretatie zowel van toepassing op de BEVEK naar Belgisch recht als op die naar een vreemd recht, en dit omwille van de zorg om enerzijds de symmetrie met de uitbreiding van het stelsel tot zowel de Belgische als tot de buitenlands (zelfs buiten de Europese Economische Ruimte) genoteerde effecten, en anderzijds om geen inbreuk te plegen op de vrijheid van kapitaal- en betalingsverkeer zoals gewaarborgd door de artikelen 56 tot 60 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap.

Hier worden bedoeld de instellingen voor collectieve belegging met een veranderlijk aantal rechten van deelneming die geregeld zijn bij statuten (art. 6 van de voormelde wet van 20 juli 2004).

D. Wat de rechten van deelneming in een gemeenschappelijk beleggingsfonds betreft, moet worden opgemerkt dat de voornoemde wet van 20 juli 2004 (art. 6) eveneens de regeling bij overeenkomst voorziet van collectieve beleggingsinstellingen met veranderlijk of vast aantal rechten van deelneming.

Dan wordt er gesproken van een gemeenschappelijk beleggingsfonds, dit wil zeggen een onverdeeld vermogen dat beheerd wordt door een beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging voor rekening van de deelnemers van wie de rechten zijn vertegenwoordigd door op naam of aan toonder gestelde rechten van deelneming of, onder de door de Koning vastgestelde voorwaarden, door gedematerialiseerde rechten van deelneming; die gemeenschappelijke beleggingsfondsen hebben dan hetzij een veranderlijk aantal rechten van deelneming (art. 11, § 1, van de wet van 20 juli 2004) hetzij een vast aantal rechten van deelneming (art. 18, § 1, van de wet van 20 juli 2004).

Er wordt op gewezen dat de beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging het gemeenschappelijk beleggingsfonds en zijn deelnemers jegens derden vertegenwoordigt en dat die beheervennootschap, in de gevallen en onder de voorwaarden bepaald in het beheerreglement, de deelnemers in rechte kan vertegenwoordigen zonder de identiteit van de deelnemers kenbaar te maken (art. 11, § 4, derde lid, van de wet van 20 juli 2004).

Bovendien definieert artikel 3, 4° van de wet van 20 juli 2004 het begrip "rechten van deelneming in een instelling voor collectieve belegging" als zijnde zowel de aandelen van een beleggingsvennootschap als de effecten ter vertegenwoordiging van de onverdeelde rechten in een gemeenschappelijk beleggingsfonds.

Naargelang van het geval zijn de besluiten die onder A tot C hiervoor werden getrokken voor de onder die litera vermelde soorten rechten van deelneming in een beleggingsvennootschap (geregeld bij statuten) dus ook van toepassing op de gelijkaardige rechten van deelneming in een gemeenschappelijk beleggingsfonds (geregeld bij overeenkomst).

E. Vastgoedcertificaten zijn financiële instrumenten die worden gecreëerd en beheerd door vastgoedbevaks (vastgoedbeleggingsvennootschappen met vast kapitaal).

Onder vastgoedcertifcaten wordt volgens artikel 106 van de wet van 4 december 1990 op de financiële transacties en op de financiële markten verstaan de rechten van vordering op de inkomsten, op de opbrengsten en op de realisatiewaarde van één of meer bij de uitgifte van de certificaten bepaalde onroerende goederen.

Zij laten de inschrijvers toe een investering te doen onder een roerende vorm hoewel het object van de investering een onroerende zaak is. De investeerder bekomt, naast periodieke coupons uit het exploitatiesaldo, ook nog een eindcoupon uit het liquidatiesaldo als er een meerwaarde is. Op het ogenblik van de liquidatie ontvangt hij ook nog terugbetaling van zijn kapitaal, indien dat nog niet voorafgaandelijk werd terugbetaald.

In het licht van hetgeen voorafgaat moet besloten worden dat het vastgoedcertificaat, gecreëerd via openbaar beroep op het spaarwezen, kan genieten van het verminderd tarief van het schenkingsrecht.

VII) Heffingsgrondslag: bijzondere regels wanneer de schenking betrekking heeft op het vruchtgebruik of de blote eigendom van roerende goederen (artikel 133, leden 4 tot 7 van W. W. Reg.)

50. Overeenkomstig het ongewijzigde voorschrift van artikel 133, eerste lid, W.W.Reg. wordt bij schenking van zowel roerende als van onroerende goederen het schenkingsrecht geheven over de verkoopwaarde van de geschonken goederen, zonder aftrek van de lasten.

Op de schenking van roerende goederen wordt die regel als volgt toegepast (Besl. van 28 juli 2004, nr. EE/100.379, Rep. R.J. R 133/06-01):

  • het roerend goed moet worden beschouwd in zijn staat op het ogenblik van de schenking; wijzigingen eraan tussen het ogenblik van de schenking en dat van de registratie hebben geen invloed;

  • de verkoopwaarde ervan moet worden bepaald op de datum waarop het schenkingsrecht opeisbaar wordt; d.w.z. op de datum van de aanbieding ter registratie van het geschrift waarop het schenkingsrecht wordt geheven.

50bis. Vermits het verminderd tarief van toepassing kan zijn op de schenking van vruchtgebruik van financiële instrumenten, drong zich een aanpassing op van artikel 133 W.W.Reg. Met die aanpassing wordt ook betracht moeilijkheden en betwistingen te vermijden bij de bepaling van de verkoopwaarde van het vruchtgebruik en van de blote eigendom van roerende goederen.

51. Deze "forfaitaire " heffingsgrondslagen worden als volgt bepaald:

A) Schenking van een levenslang vruchtgebruik op roerende goederen:

52. De jaarlijkse opbrengst van de betrokken goederen vermenigvuldigd met het getal dat in artikel 47, eerste lid, W. Reg. vermeld wordt tegenover de leeftijdsklasse waartoe, op datum van de schenking, diegene behoort op wiens leven het vruchtgebruik is gevestigd

De jaarlijkse opbrengst van de goederen wordt op zijn beurt forfaitair vastgesteld op 4 % van de verkoopwaarde van de volle eigendom van de betrokken goederen. Bij onroerende goederen daarentegen blijft de eerste factor in het product de werkelijke - niet forfaitair vastgestelde - jaarlijkse opbrengst (of bij gebreke daarvan de huurwaarde zie art. 47 tot 50 W. Reg.).

Formule

De forfaitaire waarde van het levenslang vruchtgebruik van de roerende goederen = 4% x (verkoopwaarde van de volle eigendom van de geschonken roerende goederen) x leeftijdscoëfficiënt.

53. De forfaitaire vaststelling van de jaarlijkse opbrengst geldt in alle gevallen, dus zelfs al zouden de roerende goederen bijvoorbeeld verhuurd zijn en zouden ze aldus een precies bepaalbare jaarlijkse opbrengst genereren.

54. In geval van schenking van het levenslang vruchtgebruik van onroerende goederen geldt een maximum belastinggrondslag van 4/5 van de volle eigendom van de onroerende goederen. Dat maximum komt niet voor bij de schenking van het levenslang vruchtgebruik van roerende goederen. Ingevolge de forfaitair vastgestelde jaarlijkse opbrengst, kan de forfaitair vastgestelde belastinggrondslag voor roerende goederen bij levenslang vruchtgebruik immers nooit uitstijgen boven 72% van de verkoopwaarde van de volle eigendom van de roerende goederen (18 is immers de hoogste leeftijdscoëfficiënt).

B) Schenking van een voor bepaalde tijd gevestigd vruchtgebruik

55. De forfaitaire heffingsgrondslag is het bedrag verkregen door kapitalisatie van de jaarlijkse opbrengst aan 4% over de duur van het vruchtgebruik bepaald in de schenkingsakte.

56. Ook hier wordt de jaarlijkse opbrengst in alle gevallen forfaitair vastgesteld op 4% van de verkoopwaarde van de volle eigendom van de betrokken goederen.

57. Er is echter in één maximum voorzien. Het aldus verkregen bedrag van de belastinggrondslag mag niet uitgaan boven de waarde berekend als onder A) indien het vruchtgebruik gevestigd is ten bate van een natuurlijke persoon en het mag niet uitgaan boven twintigmaal de jaarlijkse opbrengst indien het vruchtgebruik gevestigd is ten bate van een rechtspersoon.

Opmerking

In geval van schenking van een voor bepaalde tijd gevestigd vruchtgebruik van onroerende goederen, geldt nog een tweede maximum: nml. het maximum van 4/5 van de verkoopwaarde van de volle eigendom van de onroerende goederen.

Bij schenking van een voor bepaalde tijd gevestigd vruchtgebruik van roerende goederen, werd dat tweede maximum niet hernomen, omdat de voorziene maximumregel gecombineerd met de forfaitaire bepaling van de jaarlijkse opbrengst van de goederen op 4% van de verkoopwaarde van de volle eigendom van de goederen, het reeds onmogelijk maakt dat de belastinggrondslag 4/5 van de verkoopwaarde van de volle eigendom van de betrokken goederen zou overschrijden (met de hoogste leeftijdscoëfficiënt van 18 bedraagt het maximum 72% ; is het vruchtgebruik gevestigd ten bate van een rechtspersoon dan is het maximum 80% nml. twintigmaal de jaarlijkse opbrengst forfaitair bepaald op 4%).

Er wordt aan herinnerd dat indien het vruchtgebruik op het hoofd van twee of meer personen is of werd gevestigd, met aanwas of met terugval, er rekening moet gehouden worden met de in de tabel van artikel 47 bepaalde leeftijdscoëfficiënt van de jongste vruchtgebruiker bij het bepalen van de heffingsgrondslag.

C) Schenking van de blote eigendom van roerende goederen waarvan het vruchtgebruik door de schenker is voorbehouden

De heffingsgrondslag is de verkoopwaarde van de volle eigendom van de betrokken goederen.

D) Schenking van de blote eigendom van roerende goederen waarvan het vruchtgebruik niet door de schenker is voorbehouden

De heffingsgrondslag is de verkoopwaarde van de volle eigendom van de goederen, verminderd met de waarde van het vruchtgebruik, berekend volgens A) of B) hiervoor, naargelang het geval.

VIII) Introductie van een antimisbruik maatregel

58. Bij nader toezien blijkt dat het bijzonder tarief voor de schenking van roerende goederen de mogelijkheid had kunnen meebrengen om een deel van de normale belasting te vermijden via de techniek van de schenking met last (art. 134 W. W. Reg.). Via deze techniek zou men handig hebben kunnen inspelen op het verschil in tarief voor schenkingen onderworpen aan het gewone tarief van artikel 131 W.W.Reg. en voor schenkingen van roerende goederen onderworpen aan het verminderd tarief van artikel 131bis W.W.Reg.; inderdaad artikel 134, eerste lid W.W.Reg. bepaalt dat de last bestaande uit een som, een rente of een pensioen onder kosteloze titel bedongen ten bate van een derde die aanneemt, in hoofde van deze derde als schenking belast moet worden en van het aandeel van de hoofdbegiftigde moet worden afgetrokken. Dat eerste lid wordt nu echter gecorrigeerd door de toevoeging van twee nieuwe leden die bepalen dat:

  • voorzover de schenking onderworpen is aan het tarief van artikel 131, de last ten bate van de derde eveneens als schenking wordt belast volgens het tarief vastgesteld in artikel 131;

  • voorzover de schenking onderworpen is aan het tarief van artikel 131ter, de last ten bate van de derde eveneens als schenking wordt belast volgens het tarief vastgesteld in artikel 131ter.

Voorbeeld

Een vader (X) schenkt aan zijn zoon (Y) een onroerend goed (verkoopwaarde = 200.000 EUR), op last voor Y aan zijn zus (Z) een som van 100.000 EUR te geven.

Zonder de wijziging van artikel 134 bij dit decreet zou de heffing als volgt moeten geschieden:

  • wat het emolument van Y betreft: de heffingsgrondslag bedraagt 100.000 EUR. Inderdaad, het bedrag van 100.000 EUR door Y aan Z te betalen wordt in mindering gebracht van het emolument van Y en wordt als schenking belast in hoofde van Z.

HEFFING : 100.000 EUR X x p.c. = 5.625 EUR (tarief rechte lijn voor onroerende goederen)

  • wat het emolument van Z betreft: de heffingsgrondslag bedraagt 100.000 EUR. Vermits Z een som geld ontvangt, moet het tarief in rechte lijn voor schenkingen van roerende goederen worden toegepast:

HEFFING : 100.000 EUR x 3 % = 3.000 EUR (tarief rechte lijn voor roerende goederen)

TOTALE HEFFING OVER DE AKTE : 5.625 + 3.000 = 8.625 EUR.

Veronderstel dat X het onroerend goed aan Y en Z (elk 1/2) had geschonken; het emolument van Y zal dan 100.000 EUR bedragen (zoals hiervoor) en het emolument van Z eveneens 100.000 EUR (zoals hierboven).

TOTALE HEFFING OVER DE AKTE : 5.625 EUR x 2 = 11.250 EUR

Vaststelling : de techniek van de schenking met last zou hier dus, door het verschil in tarieven (roerend en onroerend), een belastingverschil van 2.625 EUR opleveren.

Vandaar komt het idee om artikel 134 aan te vullen met de volgende leden:

" Voorzover de schenking onderworpen is aan het tarief van artikel 131, wordt de last ten bate van de derde eveneens als schenking belast volgens het tarief vastgesteld in artikel 131.

Voorzover de schenking onderworpen is aan het tarief van artikel 131ter, wordt de last ten bate van de derde als schenking belast volgens het tarief vastgesteld in artikel 131ter.".

Deze aanpassing brengt mee dat in het hierboven gegeven voorbeeld Z, hoewel haar verkrijging bestaat in een via de last verkregen geldsom, niettemin volledig zal belast worden tegen het tarief in rechte lijn voor schenkingen van onroerende goederen (tarief van artikel 131 W.W.Reg.). In dit geval moet, vermits de directe schenking aan Y voor de geheelheid slaat op een onroerend goed, de last niet omgeslagen worden over de roerende en de onroerende goederen. Z zal 5.625 EUR verschuldigd zijn.

59. Het kan dat de rechtstreekse schenking zowel roerende goederen onderworpen aan het tarief van artikel 131bis W.W.Reg. als andere goederen onderworpen aan het tarief van artikel 131 W.W.Reg. omvat. In dat geval moet de last evenredig verdeeld worden over de twee types van goederen. Het tarief van artikel 131 W.W.Reg. is inderdaad maar van toepassing op de last " voorzover (d.w.z. in de mate) de (directe) schenking onderworpen is aan het tarief van artikel 131 W.W.Reg." zoals ook het tarief van artikel 131ter W.W.Reg. maar op de last van toepassing is "voorzover de (directe) schenking onderworpen is aan het tarief van artikel 131ter W.W.Reg.

Voorbeeld

Veronderstel dat in het voorgaande voorbeeld dat X naast het onroerend goed (€ 200.000) ook nog een schilderij (100.000 EUR) schenkt aan Y, op last voor Y aan Z een som van 150.000 EUR te betalen.

Omdeling van de last over de roerende goederen en de onroerende goederen:

De totale last bedraagt 150.000 EUR, dus:

  • 100.000 ten laste van de onroerende goederen (2/3)

  • 50.000 ten laste van de roerende goederen (1/3)

Belasting verkrijging door Y:

  • op zijn onroerende verkrijging:

  • heffingsgrondslag: 200.000 EUR - 100.000 EUR (deel van de af te trekken last in verhouding tot het aandeel van de onroerende goederen in de schenking) = 100.000 EUR
  • HEFFING: 100.000 EUR x X t.h. = 5.625 EUR (tarief rechte lijn voor onroerende goederen)
  • op zijn roerende verkrijging:

  • heffingsgrondslag: 100.000 EUR - 50.000 EUR ( deel van de af te trekken last in verhouding tot het aandeel van de roerende goederen in de schenking) = 50.000 EUR
  • HEFFING: 50.000 EUR x 3% = € 1.500 (tarief rechte lijn voor roerende goederen)

TOTAAL VAN DE HEFFINGEN OP DE VERKRIJGING DOOR Y: 5.625 EUR + 1.500 EUR = 7.125 EUR

Belasting onrechtstreekse verkrijging (150.000 EUR) door Z:

  • deel te belasten volgens het tarief voor onroerende verkrijgingen in de rechte lijn:
    100.000 EUR (deel van de verkregen geldsom in verhouding tot het aandeel van de onroerende goederen in de totaliteit van de rechtstreekse schenking)

  • HEFFING: 100.000 EUR x X t. h. = 5.625 EUR

  • deel te belasten volgens het tarief voor roerende verkrijgingen in de rechte lijn:
    50.000 EUR (deel van de verkregen geldsom in verhouding tot het aandeel van de roerende goederen in de totaliteit van de rechtstreekse schenking)

  • HEFFING: 50.000 EUR x 3% = 1.500 EUR

  • TOTAAL VAN DE HEFFINGEN OP DE VERKRIJGING DOOR Z: 5.625 EUR + 1.500 EUR = 7.125 EUR

TOTAAL VAN DE HEFFINGEN OP DE AKTE: 7.125 EUR + 7.125 EUR = 14.250 EUR

IX) Vermindering van de rechten ten laste van een begiftigde met minsten drie kinderen van minder dan 21 jaar.

60. Omdat roerende goederen al genieten van een voordelig ¾ niet meer progressief maar vast ¾ tarief, werd artikel 135 W.W.Reg. derwijze gewijzigd dat de rechtenvermindering wegens kinderlast voortaan nog enkel toegepast zal worden op de rechten die bij toepassing van artikel 131 (gewoon tarief) en artikel 131ter (schenking van de gezinswoning) verschuldigd zijn.

X) Regel van het progressievoorbehoud (art. 137 W. W. Reg.)

61. Het mechanisme van het progressievoorbehoud wordt voortaan beperkt tot de schenkingen waarop de progressieve tarieven van de artikelen 131 (gewoon tarief) en 131ter (tarief schenking gezinswoning) W.W.Reg. van toepassing zijn. Bijgevolg blijft de aanslagvoet 3, 5 of 7% in geval tussen dezelfde partijen in opeenvolgende jaren roerende goederen worden geschonken.

Wat meer is, wanneer een schenking van onroerende goederen volgt op een schenking van roerende goederen tussen dezelfde partijen, blijft de heffingsgrondslag van laatstbedoelde schenking zonder invloed op de heffingsgrondslag van de erop volgende schenking van de onroerende goederen.

62. Dit bevestigt de in de eerste afdeling van deze commentaar gemaakte vaststelling dat er aanleiding toe bestaat om voortaan het gewone stelsel en het stelsel voor de gezinswoning als met elkaar samenhangende stelsel te beschouwen, en het stelsel voor de roerende goederen daarentegen als een op zichzelf staand stelsel waar de gebeurlijke snelle opeenvolging van dat soort schenkingen geen invloed heeft op de heffing en waarbij dat soort schenkingen evenmin invloed heeft op schenkingen die aan het normaal stelsel of aan het stelsel voor de gezinswoning onderworpen zijn.

63. Wanneer gezegd werd dat het mechanisme van het progressievoorbehoud voortaan enkel nog geldt voor de schenkingen van goederen waarop de artikelen 131 en 131ter toepassing vinden, is dit niet helemaal juist; daaraan moet worden toegevoegd dat het mechanisme ook nog geldt voor de schenkingen van de "ermee gelijk te stellen goederen". Hiermee wordt bedoeld het deel van de last dat bij toepassing van artikel 134 W. W. Reg. belast werd met toepassing van het gewone tarief (hoewel het gaat om een roerend goed). Met andere woorden, wanneer de anti misbruikmaatregel van toepassing is in het kader van snel opeenvolgende schenkingen, zal de regel van het progressievoorbehoud eveneens gelden.

XI) Invloed van de schenking van roerende goederen op de successierechten (art. 66bis W. W. Reg.)

64. Artikel 66bis van het Waals Wetboek der successierechten wordt bij dit decreet aangevuld met een lid dat bepaalt dat het eerste lid van dat artikel niet geldt voor de schenkingen van roerende goederen die het voorwerp hebben uitgemaakt van het evenredig recht vastgesteld in artikel 131bis van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten".

65. Met andere woorden, de registratie van de schenking van roerende goederen brengt niet enkel mee dat die goederen ontsnappen aan het successierecht in geval deze werden geschonken binnen drie jaar voor het overlijden (art. 7, W. Suc., zoals voorheen) maar die registratie neutraliseert tevens voor de roerende goederen onderworpen aan het verminderd recht van artikel 131bis W.W.Reg. ieder effect van die schenking onder de levenden op de binnen de drie jaar van die schenking opengevallen nalatenschap van de schenker, zelfs wat betreft de progressiviteit van het tarief van de successierechten.

Door de betaling van het schenkingsrecht, zelfs in geval van overlijden van de schenker binnen drie jaar vanaf de schenking, moet de successie op geen enkele manier meer "geregulariseerd" worden. Sommigen beweren zelfs dat de betaling van het schenkingsrecht een soort van verzekeringspremie uitmaakt die het risico van het overlijden van de schenker binnen de drie jaar van de schenking dekt.

66. In feite is het alsof het schenkingsrecht zich "substitueert" aan het successierecht. In zekere zin kan gezegd worden dat de betaling van het schenkingsrecht bevrijdend werkt ten aanzien van het successierecht: ze laat definitief toe de successierechten te vermijden over de betrokken goederen. De aldus geschonken goederen blijven definitief buiten beschouwing bij de fiscale afhandeling van de successie.

Afdeling 4: Schenking van de gezinswoning

I) Principe en ratio legis

67. Algemeen gesproken heeft de Waalse decreetgever met dit stelsel de bedoeling de overdracht van de gezinswoning nog tijdens het leven van de eigenaar te begunstigen. Dat zou moeten bijdragen tot het versterken van de familiale cohesie, omdat de gezinswoning aldus binnen de familie wordt behouden. Bovendien zou daarmee het verval van de woningen dat vaker optreedt naarmate de eigenaars ouder worden, kunnen tegengegaan worden.

Om die doeleinden te realiseren heeft de Waalse decreetgever, onder bepaalde - zeer soepele - voorwaarden een stelsel van een voordelig progressief tarief voor schenking van de gezinswoning ingesteld. Dat tarief ziet er als volgt uit:

preferentiële tarief voor schenkingen van woningen

Schijf van de schenking

Van

tot en met

EUR

EU

pct.

0,01

25.000,00

1

25.000,01

50.000,00

2

50.000,01

175.000,00

5

175.000,01

250.000,00

12

250.000,01

500.000,00

24

meer dan 500.000

30

68. Dat tarief kan worden aangemerkt als zijnde een bruto tarief, in die zin dat er nog geen rekening gehouden is met de abattementen (zie punt II hierna) die in het kader van dat nieuwe tarief worden toegekend.

69. Bij nadere analyse blijkt dat het tarief werkelijk preferentieel te noemen is tot een bedrag van 250.000 EUR. Boven dat bedrag gelden dezelfde aanslagvoeten als in de corresponderende schijven van het gewone tarief. Merk voor het overige nog op dat in het preferentiële tarief sommige schijven zijn versmolten ten opzichte van het normale tarief.

70. Zoals voor het gewone tarief geldt hier ook dat het recht wordt geheven over het bruto aandeel van de begiftigde, zonder aftrek van de lasten (andere dan die bedoeld in artikel 134 W.W.Reg.).

II) Instelling van abattementen

71. De Waalse decreetgever innoveert hiermee op het vlak van de schenkingsrechten, geïnspireerd door het stelsel van abattementen dat reeds bestaat in het kader van de Waalse successierechten (art. 54 W.W. Suc. ). Hiermee komt nog eens de bedoeling tot uiting om zoveel mogelijk de symmetrie tussen de schenkingsrechten en de successierechten te bewerkstelligen: de bedragen zijn dezelfde.

72. Met betrekking tot de schenking van de gezinswoning worden voortaan twee abattementen onderscheiden:

1) een abattement (naar analogie met de terminologie van de successierechten aan te duiden met de termen "gewoon abattement ") dat niet wordt beïnvloed door de omvang van het emolument en dat automatisch wordt toegepast op de schijf van 0,01 EUR tot 12.500,00 EUR;

2) een tweede abattement (aan te duiden met de term "bijabattement"), dat afhangt van de omvang van het emolument in de zin dat het enkel wordt toegekend als het bruto emolument van de begiftigde 125.000 EUR niet te boven gaat.

73. Van zodra het stelsel van artikel 131ter van toepassing is, wordt het abattement met betrekking tot de eerste schijf automatisch, d.w.z. zonder dat er aan enige voorwaarde moet voldaan zijn, toegepast (winst: 125 EUR). Vervolgens moet nagegaan worden of het bruto emolument van de begiftigde 125.000 EUR niet overschrijdt. Als dat het geval is wordt een tweede abattement, gelijk aan het eerste, toegekend (winst: eveneens 125 EUR).

74. Bij de beoordeling of het tweede abattement kan genoten worden, moet gekeken worden naar het bruto emolument van de begiftigde, dit wil zeggen zonder aftrek van de lasten (andere dan die bedoeld in artikel 134 W.W.Reg.).

75. Tevens kan nog opgemerkt worden dat het tweede abattement bij de initiële heffing op de schenkingsakte kan toegekend worden, maar verloren kan gaan wanneer later een tekortschatting wordt vastgesteld.

III) Toepassingsvoorwaarden

76. Om recht te hebben op dat tarief moeten bepaalde voorwaarden vervuld zijn. Die voorwaarden houden verband met de begiftigde, met het onroerend goed, met de schenker en met de omvang van de schenking.

A) Wat de begiftigde betreft

77. De schenking moet geschieden:

  • hetzij in rechte lijn (zowel tussen ascendenten en descendenten)

  • hetzij tussen echtgenoten

  • hetzij tussen wettelijk samenwonenden

78. In dit geval moet er rekening gehouden worden met de specifieke definitie die de Waalse decreetgever heeft gegeven aan het begrip " wettelijk samenwonende" (art. 131, tweede lid W.W.Reg.). Daaruit volgt immers dat een schenking van de gezinswoning tussen een broer en een zus, evenals een dergelijke schenking tussen een oom en een neef, niet kan genieten van het preferentieel tarief, zelfs al zijn ze wettelijk samenwonenden in de zin van het Burgerlijk Wetboek.

79. Bovendien worden uit de definitie van "Waals wettelijk samenwonende" twee elementen afgeleid. Vooreerst dat er een termijn van een jaar moet bestaan tussen de verklaring van wettelijke samenwoning en het ogenblik van de schenking van de gezinswoning. Vervolgens is er de verplichting voor de schenker en de begiftigde om dezelfde hoofdverblijfplaats te hebben (d.w.z. op het adres van de gezinswoning).

80. Niets belet dat de schenking van de gezinswoning gedaan wordt ten voordele van meerdere begiftigden, op voorwaarde dat de schenker in één keer alles schenkt wat hij in volle eigendom bezit in de gezinswoning, dit wil zeggen in het onroerend goed waarin hij zijn hoofdverblijfplaats heeft (zie hieronder nr. 89). Die mogelijkheid is zeker reëel omdat er in hoofde van de begiftigden (uitzondering: wettelijk samenwonenden) geen enkele voorwaarde wordt gesteld met betrekking tot hun hoofdverblijfplaats.

81. De toepassing van het preferentieel tarief moet door de begiftigde worden gevraagd, op straffe van uitsluiting uit het voordeelstelsel. Dat brengt bovendien mee dat als er meerdere begiftigden zijn (waarvan wordt aangenomen dat ze allen in aanmerking komen voor het gunstregime), het gewone tarief zal worden toegepast op diegenen onder hen die de toepassing van het preferentieel tarief niet hebben gevraagd.

82. De samenstelling van het vermogen van de schenker op het ogenblik van de schenking is van geen belang: hij mag nog eigenaar zijn van andere woningen in België of in het buitenland. Dat laat zich begrijpen in het licht van de hierboven vermelde ratio legis. Inderdaad, het is niet de bedoeling nieuwe eigenaars aan te trekken maar wel om de gezinswoning in de familie te behouden.

83. Het gebruik dat de begiftigde van het familiaal onroerend goed wenst te maken, doet er al evenmin toe: hij is er geenszins toe gehouden erin zijn hoofdverblijfplaats te vestigen.Niets belet hem die gezinswoning op zijn beurt onder kosteloze of bezwarende titel over te dragen.

B) Wat het onroerend goed betreft

84. Het onroerend goed moet in de eerste plaats gelegen zijn in het Waals Gewest. Het moet bovendien geheel of gedeeltelijk tot bewoning bestemd zijn.

85. Het onroerend goed moet niet exclusief tot bewoning bestemd zijn; het volstaat dat het daartoe gedeeltelijk is bestemd. Hieruit wordt afgeleid dat een onroerend goed met gemengde bestemming (gedeeltelijk privé en gedeeltelijk beroepsmatig gebruikt) voor het geheel kan genieten van het stelsel. Voorbeeld: een onroerend goed met op het gelijkvloers een handel en op de verdieping een privé appartement.

86. Artikel 131 ter W.W.Reg. sluit een bouwgrond expressis verbis niet uit van het gunsttarief. In de praktijk is een bouwgrond wel degelijk uitgesloten vermits vereist wordt dat de schenker zijn hoofdverblijfplaats al minstens vijf jaar in het geschonken goed heeft (zie punt C) hierna) en het om een onroerend goed moet gaan dat geheel of gedeeltelijk bestemd is tot bewoning.

C) Wat de schenker betreft

87. Voor de toepassing van het gunsttarief is vereist dat de schenker zijn hoofdverblijfplaats - in de gezinswoning - heeft sedert ten minste vijf jaar op het ogenblik van de schenking. Het bewijs dat de schenker werkelijk zijn hoofdverblijfplaats heeft in het geschonken onroerend goed volgt, behoudens tegenbewijs, uit de voorlegging van een uittreksel uit het bevolkings- of vreemdelingenregister.

D) Wat de omvang van de schenking betreft

88. Om het preferentieel tarief te genieten wordt vereist dat de schenking exclusief het aandeel in volle eigendom van de schenker in het onroerend goed omvat. Hiermee worden bijgevolg schenkingen uitgesloten die enkel het vruchtgebruik of de blote eigendom betreffen, en meer algemeen schenkingen die ten voordele van de schenker een of ander zakelijk recht voorbehouden.

89. In essentie komt het hierop neer: de schenker moet in één keer alles schenken wat hij in volle eigendom bezit in het onroerend goed waar zijn hoofdverblijfplaats in gevestigd is. Welk aandeel in volle eigendom de schenker daarin bezit is daarentegen van geen belang: de geheelheid, 1/2, 1/3.

Een extreem voorbeeld vormt een goede illustratie van het vorenstaande. De schenking door de volle eigenaar van 9/10 volle eigendom van zijn woning, geeft geen recht op het preferentieel tarief. Omgekeerd, wanneer de schenker maar voor 1/5 volle eigenaar is van zijn woning, kan hij die 1/5 volle eigendom schenken met toepassing van het preferentieel tarief.

In deze context wordt eraan herinnerd dat het perfect mogelijk is schenking te doen van de gezinswoning aan meerdere begiftigden met toepassing van het preferentieel tarief, op voorwaarde dat de schenker in één keer alles wat hij in volle eigendom in dat onroerend goed bezit schenkt (zie nr. 80 hiervoor).

90. Logischerwijze zal de toepassing van het verlaagd tarief zich beperken tot het overgedragen aandeel in volle eigendom, wanneer de schenking naast het aandeel van de eigenaar in volle eigendom ook nog zijn parten in andere (beperktere) zakelijke rechten omvat. Op die overige parten zal het gewone schenkingsrecht verschuldigd zijn. Voor een toepassing zie: adm. besl. van 13 mei 2003, R.J. R. 131bis - Br. 01 - 01).

IV) Behoud van het preferentieel tarief

91. In principe kan het preferentieel tarief niet worden toegepast wanneer de schenker zijn hoofdverblijfplaats niet onafgebroken heeft behouden in het geschonken onroerend goed in de loop van de vijf jaar die voorafgaan aan de schenking. De Waalse decreetgever laat echter twee afwijkingen van dat principe toe: wanneer de verandering van hoofdverblijfplaats (in de vijf jaar die voorafgaan aan de schenking) voortvloeit uit een geval van overmacht of wanneer zij het gevolg is van een dwingende reden van medisch, familiale, beroeps- of maatschappelijke aard.

In het gemeen recht is er slechts sprake van overmacht wanneer een door diegene die er zich op beroept niet voorzienbare en niet vermijdbare gebeurtenis de uitvoering van een verbintenis onmogelijk maakt, en die gebeurtenis zich voordoet na de totstandkoming van die verbintenis en onafhankelijk van de wil van diegene die er zich op beroept. (Cass., 17 januari 1990, Pas. I, 1990, blz. 584 - gevestigde rechtspraak). Er kan dus slechts sprake zijn van overmacht wanneer een gebeurtenis de uitvoering van de verbintenis onmogelijk maakt:

  • op definitieve wijze;

de gebeurtenis moet dus de uitvoering van de verbintenis redelijkerwijze compleet onmogelijk maken; bedoeld wordt niet alleen fysische onmogelijkheid maar ook juridische onmogelijkheid (zie het criterium onvermijdbaarheid hierna; Cass. 13 mei 1996, Pas., 1996, I, blz. 455; Brussel 25 januari 2000, niet gepubliceerd);
  • na de totstandkoming van de verbintenis;

Wanneer het feit dagtekent van voor het contract of zich voordoet tijdens de totstandkoming van de verbintenis kan er geen sprake zijn van niet naleving door overmacht (Kh. Hasselt, 26 januari 1999, A.J.T., 1998-99, blz. 1051);
  • onafhankelijk van de wil van degene die er zich op beroept;

Een gebeurtenis die werd uitgelokt of bevorderd door een fout, een onvoorzichtigheid of een onzorgvuldigheid van de belanghebbende kan geen aanleiding geven tot een situatie van overmacht; de belanghebbende moet dus alle nuttige maatregelen hebben genomen om zijn verbintenis uit te voeren; zo is er ook geen overmacht wanneer de schuldenaar van de verbintenis niet vooruitziend is geweest of geen voorzorgen heeft genomen (zie in een fiscaal geval, Cass., 25 juni 1956, Pas., 1956, I, blz. 1176; Antwerpen, 20 januari 1992, Bull.bel., 1995, blz. 60, Bergen, 16 februari 1990, R.G.E.N. 1992, blz. 136);
er kan dus slechts sprake zijn van overmacht indien in het verloop van de feiten aan de schuldenaar werkelijk niets kan verweten worden (Brussel, 25 januari 2000, niet gepubliceerd);
  • gebeurtenis die door degene die er zich op beroept niet kon worden voorzien (onvoorzienbaarheid);

wat dit punt betreft moet nochtans worden opgemerkt dat indien de gebeurtenis wel te voorzien was maar het voor de schuldenaar onmogelijk was om het zich voordoen van de gebeurtenis te voorkomen, die gebeurtenis toch als overmacht kan worden bestempeld;
de gebeurtenis moet dus van dergelijke aard zijn dat de schuldenaar in de onmogelijkheid verkeert, zelfs al kon hij de gebeurtenis voorzien, om de schade te vermijden; een voorzienbare maar onvermijdbare gebeurtenis kan aldus een geval van overmacht uitmaken;
  • gebeurtenis die door degene die er zich op beroept niet kon worden vermeden (onvermijdelijkheid)

De onvermijdelijkheid moet met redelijkheid beoordeeld worden in die zin dat omstandigheden die de uitvoering van de verbintenis enkel meer doen kosten geen overmacht kunnen uitmaken, maar omgekeerd ook dat voor het weerhouden van overmacht van de belanghebbende niet kan worden geëist dat hij buitenmatige kosten die hem op de rand van het onvermogen konden brengen, moet hebben gemaakt.

92. Bij gebreke van een definitie in het decreet, komt het in de praktijk aan de administratie toe te bepalen wat dat begrip concreet inhoudt In het voorbeeld gegeven door de Waalse decreetgever (art. 131, § 2, derde lid), moet worden vastgesteld dat de reden van het verlaten van de gezinswoning kan bestaan in de zorgbehoevendheid van de schenker of van zijn naaste familie (echtgenoot, wettelijk samenwonende, kinderen, kinderen van de echtgenoot of van de wettelijk samenwonende) ontstaan na de aankoop van de woning. Het gaat hier slechts om één voorbeeld, andere zijn mogelijk (vergelijk: het gebruik in de officiële Franse versie van het woord "notamment"). Wat er ook van zij, de oorzaak van het verlaten van de gezinswoning kan extern zijn aan de persoon van de schenker.

93. Het algemene karakter van de gebruikte terminologie lijkt erop te wijzen dat de gestrengheid waarmee het begrip "overmacht" normaal wordt ingevuld moet getemperd worden in het licht van het begrip "dwingende reden" (waarvan de toepassing evenwel beperkt is tot dwingende redenen van familiale, medische, professionele of sociale aard).

V) Progressievoorbehoud (art. 137 W. W.Reg.)

94. De tariefprogressie blijft bestaan in het kader van de schenking van de gezinswoning (zoals voor de schenkingen vallende onder het gewoon tarief van artikel 131 W.W.Reg.). Die progressie geldt ongeacht de volgorde van de schenkingen: eerst een schenking met toepassing van artikel 131 W.W.Reg., gevolgd door een schenking met toepassing van artikel 131ter W.W.Reg., of omgekeerd.

95. Met andere woorden, voortaan moet rekening gehouden worden met het samen bestaan van deze twee progressieve tarieven (art. 131 en 131ter W.W.Reg.). Van zodra één ervan toepassing vindt, moet nagegaan worden of er tussen dezelfde partijen, binnen de drie eraan voorafgaande jaren, geen andere schenkingen werden gedaan met toepassing van de artikelen 131 of 131ter W.W.Reg.

96. De tariefprogressie kan in een uiterst geval zelfs spelen bij twee opeenvolgende schenkingen van de gezinswoning. Dat is mogelijk indien de schenking van de eerste gezinswoning (waarbij aan de voorwaarde van minstens vijf jaar vestiging van de hoofdverblijfplaats erin op het ogenblik van die schenking effectief is voldaan) binnen de drie jaar gevolgd wordt door de schenking van de tweede gezinswoning tussen dezelfde partijen, en de schenker zich bij de laatste schenking kan beroepen op overmacht of op een dwingende reden zodat hij toch geacht wordt aan de vereiste termijn van minstens vijf jaar vestiging van zijn hoofdverblijfplaats in die woning te voldoen (effectief kan hij maar minder dan drie jaar zijn hoofdverblijfplaats in de laatste woning hebben gehad).

VI) Invloed van de schenking van de gezinswoning op het successierecht (art. 66bis W.W. Suc.)

97. Artikel 66bis W.W.Suc. bepaalt geen afwijking voor de schenking van de gezinswoning. De algemene regel is dus van toepassing: indien de schenker van de gezinswoning overlijdt binnen de drie jaar na die schenking, wordt met de heffingsgrondslag voor de schenking rekening gehouden bij het bepalen van de heffingsgrondslag voor de successierechten.

VII) Introductie van een antimisbruik maatregel

98. Daartoe werd in artikel 134 W.W.Reg. een nieuw lid ingevoegd. De maatregel is - mutatis mutandis - dezelfde als die voor de schenking van roerende goederen. De eraan ten grondslag liggende vrees is ook dezelfde: belastingvermijding door middel van de techniek van de schenking met last (art. 134 W.W.Reg.).

Concreet brengt dit bijvoorbeeld mee dat wanneer een derde (niet rechtstreeks begiftigde) via een last een som geld verkrijgt (van de rechtstreekse begiftigde) naar aanleiding van de schenking van de gezinswoning (onder toepassing van artikel 131ter W.W.Reg.), die som volledig zal belast worden aan het tarief van artikel 131ter W.W.Reg.

Voor een uitgewerkt voorbeeld wordt verwezen naar punt VIII van afdeling 3.

Afdeling 5: Vermindering van de schenkingsrechten ten voordele van bepaalde rechtspersonen en openbare instellingen

I) Algemeenheden over de stichtingen

99. "Een stichting wordt opgericht door een rechtshandeling van één of meer natuurlijke personen of rechtspersonen waarbij een vermogen wordt aangewend ter verwezenlijking van een bepaald belangeloos doel. De stichting mag geen stoffelijk voordeel verschaffen aan de stichters, de bestuurders, of enig ander persoon, behalve, in dit laatste geval, indien dit kadert in de verwezenlijking van het belangeloos doel" (art. 27 van de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen).

De stichting moet, op straffe van nietigheid, worden opgericht bij authentieke akte (art. 27, derde lid, W. 27 juni 1921, gewijzigd bij de wet van 2 mei 2002). Ze kan aldus ook worden opgericht in het (authentiek) testament van een persoon en die persoon kan in datzelfde testament ook een legaat vermaken aan de stichting; de stichting zal alsdan bestaan vanaf het overlijden van zijn stichter. De statuten van een stichting moeten worden neergelegd op de griffie van de rechtbank van koophandel (art. 31, W. 27 juni 1921, gewijzigd bij de wetten van 2 mei 2002 en 16 januari 2003).

Bij zijn ontbinding moet het vermogen van de stichting tot een ideëel doel worden bestemd. De statuten kunnen evenwel erin voorzien dat, wanneer het belangeloos doel van de stichting is verwezenlijkt, de stichter of zijn rechthebbenden een bedrag gelijk aan de waarde van de goederen of de goederen zelf terugnemen die de stichter aan de verwezenlijking van dat doel heeft besteed (art. 28, 6°, W. 27 juni 1921, gewijzigd bij de wet van 2 mei 2002).

100. Voorbeelden van belangeloze doelen vermeld in de voorbereidende werken van de wet van 2 mei 2002: instaan voor de zorgbehoeften van een gehandicapte, instaan voor het onderhoud van het kasteel van een familie, familiale verankering van een onderneming via de techniek van de certificering, creatie van een studiebeurs voor de leden van een familie ...

101. Een stichting kan worden erkend als zijnde van openbaar nut indien zij gericht is op de verwezenlijking van een werk van filantropische, levensbeschouwelijke, religieuze, wetenschappelijke, artistieke, pedagogische of culturele aard. Stichtingen die zijn erkend als zijnde van openbaar nut dragen de naam "stichting van openbaar nut". De andere stichtingen dragen de naam " private stichting ".

102. De stichting van openbaar nut behoeft administratief te worden erkend. Dat geschiedt door de Minister van Justitie bij koninklijk besluit waarbij de rechtspersoonlijkheid wordt verleend en de statuten worden goedgekeurd. De private stichting behoeft geen enkele administratieve erkenning of goedkeuring.

103. Er is fiscaal sprake van een schenking aan een stichting, niet enkel op het ogenblik van de schenking of de inbreng om niet van vermogensbestanddelen bij de oprichting (anders dan bij testament) ervan, maar ook bij latere schenkingen of inbrengen om niet.

II) Ratio legis van het decreet

104. Het decreet beoogt verschillende doelstellingen te realiseren. Vooreerst wordt beoogd de rechtenvermindering voor te behouden voor bepaalde, in het Waalse Gewest gelokaliseerde, openbare instellingen (naar het voorbeeld van wat ook in de andere Gewesten is geschied).

105. Een tweede bedoeling is het instellen van een aanslagvoet van 0% voor schenkingen aan het Waalse Gewest of aan politieke collectiviteiten die met het Waalse grondgebied verbonden zijn of bindingen hebben met de franse taal.

106. Tenslotte heeft men een bijzonder tarief willen instellen voor schenkingen (met inbegrip van inbrengen om niet) aan bepaalde private stichtingen.

107. Met de instelling van een bijzondere regelgeving voor private stichtingen heeft het Waals Gewest gereageerd op het arrest nr. 45/2004 van 17 maart 2004 van het Arbitragehof. Bij dat arrest werd, op grond van schending van de bevoegdheidsverdelende regels, artikel 43 van de wet van 2 mei 2002 (waarbij een artikel 140, 3°bis in het W. Reg. werd ingeschreven) vernietigd. Niettemin besliste het Arbitragehof de uitwerking van het vernietigde artikel te behouden, totdat de Gewesten een eigen regeling in de plaats van dat artikel hebben ingesteld. Het Waalse Gewest heeft dat gedaan bij dit decreet. Bijgevolg moet vanaf de inwerkingtreding van dit decreet voornoemd artikel 140, 3°bis, beschouwd worden als te zijn opgeheven.

III) De verschillende rechtenverminderingen

108. Artikel 140, eerste lid, W.W.Reg. krijgt door dit decreet een grondig gewijzigde inhoud, zodat voortaan de volgende verminderde tarieven gelden:

A) Tarief van 5,50 %

Het is van toepassing op de schenkingen aan:

  • de provincies, de gemeenten, de provinciale en gemeentelijke openbare instellingen, de intercommunales, de autonome gemeentebedrijven, gelegen in het Waalse Gewest;

  • de maatschappijen erkend door de "Société wallonne du Logement" (Waalse Huisvestingsmaatschappij);

  • het "Fonds du Logement des Familles nombreuses de Wallonie" (Woningsfonds van de Kroostrijke Gezinnen van Wallonië);

  • de instellingen met een sociaal doel bedoeld in artikel 191 van de Waalse Huisvestingscode die door de Waalse Regering als agentschappen voor sociale huisvesting, sociale buurtregieën of verenigingen voor de bevordering van de huisvesting zijn erkend.

Opmerkingen bij dit tarief

109. Vergeleken met de oude tekst (met tarief 6,60 %) moet worden benadrukt dat de overheidslichamen en de provinciale en gemeentelijke instellingen voortaan in het Waalse Gewest moeten gelokaliseerd zijn om voor de rechtenvermindering in aanmerking te komen.

110. In de nieuwe tekst is ook rekening gehouden met de verder schrijdende regionalisering van het koninkrijk (wet van 8 augustus 1980). Aldus is in dit verminderd tarief de "Nationale Huisvestingsmaatschappij" ("Société national du logement") vervangen door de "Waalse Huisvestingsmaatschappij" ("Société wallonne du logement").

111. Het verminderd tarief geldt enkel voor de maatschappijen erkend door de Société wallonne du Logement. Inderdaad, de Waalse Huisvestingsmaatschappij zelf geniet kosteloze registratie van aan haar gedane en in het Waals Gewest te lokaliseren schenkingen. Het betreft hier immers een openbare instelling in de zin van artikel 161, 1°, eerste lid, W.Reg. (zij is opgenomen in de lijst van openbare instellingen gepubliceerd in het Repertorium RJ, meer bepaald in Bijlage II, Lijst I, blz. 24/2).

112. Wanneer aan een ander woningfonds dan het Waalse (dus aan dat van het Vlaamse of aan dat van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest) een in het Waalse Gewest te lokaliseren schenking wordt gedaan, zal die schenking belast worden aan het gewone tarief "tussen alle andere personen" of aan het tarief van 7% indien het gaat om de schenking van voor dat tarief in aanmerking komende roerende goederen.

113. In de tekst van het oude artikel 140, eerste lid, 1°, werd met "verenigingen gesticht volgens het geen voorzien is bij de wetten van 18 augustus 1907 en 1 maart 1922" de intercommunales bedoeld. Het statuut van de intercommunales wordt nu beheerst door recentere regelgeving: een decreet van het Waals Gewest van 5 december 1996 (voor intercommunales waarvan het werkingsgebied de grenzen van het Waalse Gewest niet te buiten gaat). Enkel de intercommunales die door dat decreet worden beheerst genieten van deze vermindering. In het Waalse Gewest gelokaliseerde schenkingen ten voordele van andere intercommunales van het land vallen daarentegen onder het gewoon tarief of aan het tarief van 7% indien het gaat om de schenking van voor dat tarief in aanmerking komende roerende goederen.

114. De Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen komt niet meer voor in het nieuwe eerste lid van artikel 140 W.W.Reg. Dit brengt mee dat in het Waalse Gewest te lokaliseren schenkingen aan de N.M.B.S. voortaan onderworpen zijn aan het Waalse gewone tarief, of indien het gaat om roerende goederen, eventueel aan het recht van 7% (artikel 161 W.Reg is niet van toepassing op de schenkingen aan de N.M.B.S.).

115. Wat de instellingen met een sociaal doel bedoeld in artikel 191 van de Waalse Huisvestingscode aangaat, wordt de commentaar beperkt tot het geven van een korte omschrijving van de drie bedoelde gevallen. "L'agence immobilière sociale " (het agenstschap voor social huisversting) doet dienst als tussenpersoon tussen de verhuurders/eigenaars en de naar een huurwoning op zoek zijnde gezinnen die in precaire financiële toestand verkeren of die slechts over een bescheiden inkomen kunnen beschikken. "La regie des quartiers" (de buurtregie) staat in voor de verbetering van de levensomstandigheden van de inwoners van één of meer buurten afgebakend door de Waalse regering (art. 195 van de Waalse huisvestingscode). "Les associations de promotion du logement" (verenigingen ter bevordering van de huisvesting) beogen het promoten van een degelijke huisvesting (art. 198 van de Waalse huisvestingscode).

B) Tarief van 0 %

Het is van toepassing op schenkingen aan:

  • het Waalse Gewest, de Franse Gemeenschap en de Duitstalige Gemeenschap;

  • de publiekrechtelijke rechtspersonen opgericht bij een decreet van het Waalse Gewest, de Franse Gemeenschap of de Duitstalige Gemeenschap;

Opgemerkt wordt dat wanneer de schenking enkel onderhevig is aan dit tarief van 0% en de ter registratie aangeboden akte dus geen aan een ander evenredig tarief onderworpen rechtshandeling bevat, het bedrag van het algemeen vast recht ten titel van schenkingsrecht moet worden geheven bij toepassing van artikel 167 van het W.Reg.

C) Tarief van 7%

Het is van toepassing op de schenkingen, met inbegrip van de inbrengen om niet gedaan aan:

  • de verenigingen zonder winstoogmerk

  • de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen

  • de beroepsverenigingen en de internationale verenigingen zonder winstoogmerk

  • de privé-stichtingen

  • de stichtingen van openbaar nut

Opmerkingen bij dit tarief

116. In de officiële Franse tekst werd, wat de "mutualités" betreft, een eenvoudige aanpassing aan de huidige wetsterminologie doorgevoerd. In de Nederlandse officieuse vertaling heeft men die aanpassing aan de huidige wetsterminologie - die uitgebreider is dan in het Frans - vergeten; die aanpassing geschiedt wel in het commentaargedeelte van deze circulaire.

117. De aanduiding " internationale verenigingen met wetenschappelijk doel " ("associations internationales à but scientifique") werd in de wet van 2 mei 2002 (wet betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen) vervangen door "internationale verenigingen zonder winstoogmerk " (" associations internationales sans but lucratif"). Dezelfde terminologische aanpassing geschiedt bij dit decreet.

Opmerking

De internationale vereniging zonder winstgevend doel is een vereniging toegankelijk voor Belgen en vreemdelingen, die haar zetel in België heeft en die een niet-winstgevend doel van internationaal nut nastreeft, voorzover haar doel of haar activiteiten niet strijdig zijn met de wet of met de openbare orde.

118. De schenking aan een stichting van openbaar nut geniet onder de volgende voorwaarden van het tarief van 7 % (gecombineerde toepassing van het eerste en tweede lid van artikel 140 W.W.Reg.):

  • de stichting van openbaar nut moet een zetel van werkzaamheden hebben die beantwoordt aan het bepaalde in artikel 140, tweede lid, a, W.W.Reg.

  • de stichting van openbaar nut dient, overeenkomstig het bepaalde in artikel 140, tweede lid, b, W.W.Reg., in die zetel hoofdzakelijk en belangeloos doelstellingen na te streven van ecologische, menslievende, filosofische, religieuze, wetenschappelijke, artistieke, pedagogische, culturele, sportieve, politieke, syndicale, professionele, humanitaire, vaderlandslievende of burgerlijke aard, dan wel inzake onderwijs, zorgverlening aan mensen of dieren, maatschappelijke bijstand of personenbegeleiding, op het ogenblik van de schenking;

  • de stichting van openbaar nut dient overeenkomstig het bepaalde in artikel 140, tweede lid, c, W.W.Reg., zijn statutaire zetel, zijn centraal bestuur of zijn voornaamste vestiging op het grondgebied van de Europese Unie te hebben.

119. De schenking aan een private stichting geniet van het tarief van 7 % onder de volgende voorwaarden:

  • de private stichting moet een zetel van werkzaamheden hebben die beantwoordt aan het bepaalde in artikel 140, tweede lid, a, W.W.Reg.;

  • de private stichting dient overeenkomstig het bepaalde in artikel 140, tweede lid, c, W.W.Reg., zijn statutaire zetel, zijn centraal bestuur of zijn voornaamste vestiging op het grondgebied van de Europese Unie te hebben;

  • de private stichting moet op het ogenblik van de schenking in die zetel van werkzaamheden in hoofdzaak en belangeloos doeleinden van sociale aard nastreven.

In de memorie van toelichting wordt vermeld dat een stichting die wordt opgericht om te voorzien in het onderhoud van een gehandicapte persoon altijd als een stichting met een doeleinde van sociale aard zal kunnen aangemerkt worden.

Het komt niet toe aan de ontvanger van de registratie om zich uit te spreken over de al of niet sociale aard van het doel van de stichting. Die beoordeling komt toe aan het Ministerie van Financiën van het Waalse Gewest, dat bij een positieve beoordeling een attest van erkenning zal afleveren. Dat attest zal samen met de schenkingsakte voorgelegd worden op het bevoegde registratiekantoor. De afgifte van dat attest laat de onmiddellijke heffing aan het tarief van 7 % toe.

Wanneer de aanbieding ter registratie van de schenkingsakte niet vergezeld gaat van het attest, kan de ontvanger het tarief van 7 % niet toepassen. De heffing moet gebeuren aan het gewone tarief van artikel 131 W.W.Reg. (tarief "tussen alle andere personen" ), tenzij het natuurlijk zou gaan om een schenking van roerende goederen die onder het tarief (eveneens 7 %) van artikel 131bis W.W.Reg. vallen.

D) 100 EUR

120. Als naast de begiftigde ook de schenker een stichting of rechtspersoon als bedoeld in artikel 140, eerste lid, 2°, W.W.Reg. is, geldt niet het tarief van 7% maar een tarief van 100 EUR.

Het gaat hier om een bijzonder tarief dat van toepassing is als de schenking of de inbreng om niet geschiedt tussen twee van de in artikel 140, eerste lid, 2° W.W.Reg. bedoelde rechtspersonen (vb.: inbreng om niet door een stichting in een andere stichting, door een ziekenfonds aan een ziekenfonds, door een V.Z.W. aan een andere V.Z.W., ...).

Deze vermindering is ook ondergeschikt aan de voorwaarden waarvan sprake in de artikelen 140, tweede lid, a, b, en c, W.W.Reg.

E) Tarief van 1,10 %

121. Dit tarief is van toepassing op de schenkingen, met inbegrip van de opbrengsten om niet, gedaan door de gemeenten aan de pensioenfondsen die zij onder de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk hebben opgericht in uitvoering van een door de toezichthoudende overheid goedgekeurd financieel saneringsplan.

Deze bepaling werd door het decreet niet gewijzigd.

Afdeling 6: Parallellisme met de successierechten

I) Art. 522 W.W.SUC en art. 1322 W.W.Reg.

122. Naar het voorbeeld van de successierechten versoepelt dit decreet op het vlak van de schenkingsrechten de voorwaarde inzake de oorsprong van de zorgen en hulp verstrekt aan een (gewoon) geadopteerd kind. Voorheen was vereist dat deze uitsluitend werden verstrekt door de adoptant of door de adoptant en zijn echtgenoot of de persoon met wie hij wettelijk samenwoonde samen. Voortaan volstaat het dat bedoelde zorgen en hulp uitsluitend of hoofdzakelijk door de adoptant worden verstrekt, opdat het tarief "rechte lijn" van toepassing zou zijn.

II) Art. 523 W.W.SUC en art. 132 3 W.W.Reg.

123. Naar het voorbeeld van de successierechten worden bij dit decreet op het vlak van de schenkingsrechten twee situaties gelijkgesteld met schenkingen in de rechte lijn. Degene die op de gelijkstelling aanspraak maakt, moet uiteraard aantonen dat hij daarop recht heeft.

A) Artikel 1323, 1° W.W.Reg.

124. De bedoeling is hier een gelijke behandeling in te stellen tussen enerzijds de kinderen van de schenker en anderzijds de kinderen van zijn echtgeno(o)t(e) of van de persoon met wie hij wettelijk samenwoont. Kortom, met de kinderen van de schenker worden gelijkgesteld de kinderen van zijn echtenoot/wettelijk samenwonende uit een ander bed.

Voorbeeld

Pierre en Marie zijn echtgenoten. Alain is een kind uit een eerder huwelijk van Marie. Pierre schenkt een som geld aan Alain. Het tarief "in rechte lijn" zal van toepassing zijn op het emolument van Alain. Het volstaat dat Alain aantoont dat hij afstamt van Marie.

Het tarief "in rechte lijn" zal eveneens van toepassing zijn indien Pierre en Marie wettelijk samenwonenden zijn en Alain een kind is uit een voorafgaand huwelijk van Marie of van een voorafgaande wettelijke samenwoning van Marie.

125. Gelet op de algemene bewoordingen waarin de wettekst is gesteld, moet besloten worden dat de gelijkstelling in de twee richtingen werkt:

wanneer de schenking gedaan wordt aan een kind van de echtgeno(o)t(e) van de schenker of van de persoon waarmee de schenker wettelijk samenwoont (zie het voorbeeld hiervoor);

wanneer de schenking gedaan wordt door het kind in het voordeel van de echtgeno(o)t(e) of de wettelijk samenwonende van één van zijn biologische ouders. In het voorbeeld hiervoor betreft het de schenking door Alain aan Pierre.

126. Deze gelijkstelling is strikt beperkt tot het kind en de echtgeno(o)te/wettelijk samenwonende (ze geldt dus duidelijk niet tussen de afstammelingen van het kind en de bedoelde echtgeno(o)t(e)/wettelijk samenwonende).

Er wordt opgemerkt dat in een gelijkaardig geval van strikte beperking van de gelijkstelling in het kader van de Vlaamse successierechten, het Arbitragehof bij arrest nr. 181/2005 van 7 december 2005 geoordeeld heeft dat de decreetgever in het kader van zijn appreciatiebevoegdheid vermag de vrijstelling aldus te beperken, omdat het toestaan van het voordelig tarief aan de "schoonkinderen" een uitzondering vormt op de voorheen geldende regel volgens dewelke slechts bepaalde categorieën van wettige erfgenamen van dat tarief konden genieten.

127. Vereist wordt dat op het ogenblik van de schenking de ouder van het kind met de schenker verbonden is door het huwelijk of door wettelijke samenwoning. Aldus zal in het voorbeeld hiervoor Alain op zijn emolument niet genieten van het tarief "in rechte lijn" indien Pierre en Marie, op het ogenblik dat Pierre de schenking doet, niet meer gehuwd zijn of geen wettelijk samenwonenden meer zijn.

128. De tekst van het artikel bepaalt uitdrukkelijk dat de gelijkstelling eveneens geldt indien de schenking plaats vindt na het overlijden van de echtegeno(o)t(e)/wettelijk samenwonende van de biologische ouder. M.a.w. het overlijden van de echtegeno(o)t(e)/wettelijk samenwonende van de biologische ouder staat aan de gelijkstelling met een schenking in de rechte lijn niet in de weg.

Voorbeeld

Pierre en Marie zijn gehuwd. Alain is een kind uit een vorig huwelijk van Marie. Marie overlijdt vroegtijdig. Niettegenstaande dat overlijden schenkt Pierre aan Alain een som geld. Het tarief "in rechte lijn" zal van toepassing zijn. Inderdaad, op het ogenblik van het overlijden van Marie waren Pierre en Marie gehuwd. Hetzelfde geldt indien Pierre en Marie niet gehuwd maar wettelijk samenwonenden waren.

B) Artikel 1323, 2° W.W.Reg.

129. Deze gelijkstelling geldt schenkingen tussen personen waartussen nauwe banden bestaan: een persoon en een kind dat door die persoon als opvangouder (in de zin van artikel 1, 5°, van het decreet van 4 maart 1991 inzake hulpverlening aan de jeugd) of als voogd, toeziende voogd of pleegvoogd (in de zin van Titel X van Boek I van het Burgerlijk Wetboek) werd opgevoed. De band die tussen die personen bestaat kan bijna gelijkgesteld worden met een band ouder-kind (een bijna familiale band), zodat de Waalse decreetgever geoordeeld heeft dat bij schenkingen tussen die personen een assimilatie met de "rechte lijn" als logisch voorkomt.

130. Ook hier speelt de gelijkstelling in de twee richtingen namelijk:

  • wanneer de schenking gedaan wordt door een van de bedoelde personen aan het kind (wat gemakkelijk gezien kan worden als een voortzetting van de band tussen een ouder/voorheen onderhouden kind);

  • maar ook wanneer de schenking gedaan wordt door het kind aan een van de bedoelde personen die ingestaan heeft voor het verschaffen van hulp en verzorging (wat gemakkelijk gezien kan worden als een blijk van erkenning door dat kind ten aanzien van diegene die zich belast heeft met zijn opvoeding).

131. Om in dit kader op het tarief "in rechte lijn" aanspraak te kunnen maken moet aan één voorwaarde voldaan zijn: het kind moet vóór de leeftijd van eenentwintig jaar te hebben bereikt en gedurende zes ononderbroken jaren, uitsluitend of hoofdzakelijk van een van de bedoelde personen of eventueel van die persoon en zijn echtgenoot/wettelijk samenwonende tezamen, de bijstand en zorg gekregen hebben die kinderen normaal van hun ouders krijgen.

Afdeling 7: Technische correcties

I) Artikel 135 W.W.Reg.

De wijziging was nodig omdat de in dat artikel voorziene rechtenvermindering voortaan enkel nog zal gelden voor de schenkingen waarop het progressief tarief van de artikelen 131 en 131ter W.W.Reg. van toepassing zijn.

II) Artikel 136 W.W.Reg.

Van de gelegenheid werd gebruik gemaakt om in dat artikel het juridisch niet meer relevante adjectief "wettige" te schrappen, omdat geen onderscheid meer mag worden gemaakt tussen wettige en natuurlijke kinderen.

III) Artikelen 137 en 1381 W.W.Reg.

Bedoeling van de Waalse decreetgever was de regel van het progressievoorbehoud nog enkel toe te passen op schenkingen die onder toepassing vallen van de artikelen 131 en 131ter W.W.Reg. De artikelen 137 en 138^1 W.W.Reg. dienden dus te worden aangepast.

IV) Artikel 139 W.W.Reg.

Vanuit het gegeven dat de graad van (bloed)verwantschap niet meer het enige element is dat het toepasselijk tarief beïnvloedt, drong een aanpassing van dit artikel zich op. Voortaan zijn immers ook de aanverwantschap, de band ontstaan door wettelijke samenwoning en het statuut van opvangouder eventueel relevant.

Afdeling 8: Inwerkingtreding

132. Artikel 30 van het decreet bepaalt dat de artikels betreffende de schenkingen in werking treden op de dag van de bekendmaking van het decreet in het Belgisch Staatsblad, dit wil zeggen op 23 december 2005.

133. Bijgevolg, opdat een schenking van roerende goederen onderworpen zou kunnen zijn aan het nieuwe tarief is vereist dat het belastbaar feit (d.w.z. het feit dat het registratierecht doet ontstaan) zich voordoet vanaf 23 december 2005. Het belastbaar feit kan zich, afhankelijk van de manier waarop de schenking wordt gedaan, op verschillende momenten situeren. Dit geeft aanleiding tot het volgend onderscheid:

  • Indien het gaat om een schenking verleden voor een Belgische notaris: de datum van de notariële akte;

  • Indien het gaat om een schenking verleden voor een buitenlandse notaris: de datum van de aanbieding ter registratie;

  • Indien het gaat om een schenking bij onderhandse akte: de datum van de aanbieding ter registratie;

  • Indien het gaat om een handgifte die nadien door de partijen wordt bevestigd in een voor een Belgische notaris verleden akte: de datum van de Belgische notariële akte;

  • Indien het gaat om een handgifte die nadien door de partijen wordt bevestigd in een onderhandse akte of in een akte verleden voor een buitenlandse notaris: de datum van de aanbieding ter registratie.

BIJLAGE

Afdeling XII : Schenkingen
Onderafdeling I : Algemene bepalingen

Artikel 131

Voor de schenkingen onder de levenden van roerende of onroerende goederen wordt over het bruto-aandeel van elk der begiftigden een evenredig recht geheven volgens het tarief in onderstaande tabellen aangeduid.

Hierin wordt vermeld:

  • onder a: het percentage dat toepasselijk is op het overeenstemmende gedeelte;

  • onder b: het totale bedrag van de belasting over de voorgaande gedeelten.

Tabel I

Gedeelte van de schenking

Rechte lijn tussen echtgenoten en tussen wettelijk samenwonenden

van

tot inbegrepen

a

b

EUR

EUR

t.h.

EUR

0,01

12.500

3

-

12.500

25.000

4

375

25.000

50.000

5

875

50.000

100.000

7

2.125

100.000

150.000

10

5.625

150.000

200.000

14

10.625

200.000

250.000

18

17.625

250.000

500.000

24

26.625

boven de 500.000

30

86.625

Tabel II

Gedeelte van de schenking

Tussen broeders en zusters

Tussen ooms of tantes en neven en nichten

Tussen alle andere personen

van tot inbegrepen

a

b

a

b

a

b

EUR

EUR

t.h.

EUR

t.h.

EUR

pct.

EUR

0,01

12.500

20

-

25

-

30

-

12.500

25.000

25

2.500

30

3.125

35

3.750,00

25.000

75.000

35

5.625

40

6.875

60

8.125,00

75.000

175.000

50

23.125

55

26.875

80

38.125,00

boven de 175.000

65

73.125

70

81.875

80

118.125,00

Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder wettelijk samenwonende de persoon verstaan die op het ogenblik van de schenking samen met de schenker gedomicilieerd was en met laatstgenoemde een verklaring van wettelijk samenwonen had overeenkomstig de bepalingen van Boek III, titel Vbis, van het Burgerlijk Wetboek, twee personen uitgezonderd die broers en/of zussen, oom en neef of nicht, en tante en neef of nicht zijn, voorzover de verklaring van wettelijk samenwonen meer dan één jaar vóór de schenking ontvangen is.

Artikel 131bis

§ 1. In afwijking van artikel 131 wordt voor de schenkingen onder levenden van roerende goederen op het bruto-aandeel van elk der begiftigden een evenredig recht geheven van :

1° 3 % voor de schenkingen in de rechte lijn, tussen echtgenoten en wettelijk samenwonenden;

2° 5 % voor de schenkingen tussen broers en zusters, tussen ooms of tantes en neven of nichten;

3° 7 % voor de schenkingen aan andere personen.

§ 2. Indien de schenking betrekking heeft op financiële instrumenten of aanverwante financiële instrumenten, in de zin van artikel 2, 1° en 2°, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, geldt het verlaagd tarief van § 1 enkel in geval van :

1° financiële instrumenten of aanverwante financiële instrumenten in de zin van voornoemde wet van 2 augustus 2002, van een vennootschap waarvan de effectieve directiezetel gevestigd is in een lidstaat van de Europese Unie en die zelf of zelf en haar dochtervennootschappen in hoofdberoep een industriële, handels-, ambachts-, landbouw- of bosbouwonderneming uitbaat of een vrij beroep, een ambt of een post uitoefent op geconsolideerde basis voor de vennootschap en de dochtervennootschappen voor het lopende boekjaar van de vennootschap en voor elk van beide laatste op het ogenblik van de akte afgesloten boekjaren van de vennootschap;

in dit geval moet de begiftigde in de akte zelf verklaren dat de voorwaarden van vorig lid verenigd zijn;

de begiftigden die erom verzoeken dat die bepaling wordt toegepast, zijn ertoe verplicht om ter plaatse op elke vordering van de personeelsleden van het bevoegde bestuur het maatschappelijk doel van de vennootschap of haar dochtervennootschappen mede te delen, al naargelang het geval, evenals de opsplitsing van de omzet van de vennootschap of haar dochtervennootschappen, al naar gelang het geval, tussen industriële, handels-, ambachts-, landbouw- of bosbouwbedrijvigheid, vrij beroep, ambt of post en haar andere activiteiten, voor het lopende boekjaar en voor elk van beide laatste op het ogenblik van de akte afgesloten boekjaren;

indien de aangifte onjuist is, is het tarief tegen het normale percentage van artikel 131 verminderd met het reeds betaalde recht, eisbaar;

2° financiële instrumenten of aanverwante financiële instrumenten die toegelaten zijn tot de verhandeling op een Belgische of buitenlandse gereglementeerde markt in de zin van artikel 2, 5° en 6°, van dezelfde wet van 2 augustus 2002, of op een geldmarkt die georganiseerd is door een marktonderneming erkend door de staat waar die markt gevestigd is, ofwel als een markt die gereglementeerd is door een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte dan België overeenkomstig artikel 1, 13., van Richtlijn 93/22/E.E.G. van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 10 mei 1993 betreffende het verrichten van diensten op het gebied van beleggingen in effecten, ofwel als een met een dergelijke markt vergelijkbare markt, gereglementeerd door een staat die niet lidstaat is van de Europese Economische Ruimte;

3° openbare effecten bedoeld bij artikel 21, III, van het Wetboek der successierechten.

§ 3. Het tarief van § 1 geldt niet :

1° voor de schenkingen onder levenden van een blote eigendom of een vruchtgebruik op andere roerende goederen dan die bedoeld bij § 2, 1°, 2° of 3°;

2° voor de schenkingen onder levenden van roerende goederen waarop een andere opschortende voorwaarde dan die bedoeld in artikel 17 berust, of een opschortende termijn, tenzij die voorwaarde verwezenlijkt is of dat de termijn vervallen is op het ogenblik waarop ze ter registratie aangeboden worden.

Artikel 131ter

§ 1. In afwijking van artikel 131 wordt er voor de schenkingen in de rechte lijn tussen echtgenoten en wettelijk samenwonenden van het aandeel in volle eigendom van de schenker in het in het Waalse Gewest gelegen onroerend goed dat geheel of gedeeltelijk voor bewoning is bestemd en waarin de schenker zijn hoofdverblijfplaats heeft sinds minstens vijf jaar op de datum van de schenking, een evenredig recht op het bruto-aandeel van elk der begiftigden die om de toepassing ervan verzoeken, geheven volgens het tarief aangegeven in onderstaande tabel.

Daarin wordt opgegeven :

  • onder littera a : het percentage geldend voor de overeenstemmende schijf;

  • onder littera b : het totaalbedrag van de belasting op de voorgaande schijven.

Tabel met betrekking tot het preferentiële tarief voor schenkingen van woningen

Schijf van de schenking

Van

tot en met

a

b

EUR

EUR

pct.

EUR

0,01

25.000,00

1

-

25.000,01

50.000,00

2

250

50.000,01

175.000,00

5

750

175.000,01

250.000,00

12

7.000

250.000,01

500.000,00

24

16.000

meer dan 500.000

30

76.000

§ 2. Voor de toepassing van die bepaling blijkt het feit dat de schenker zijn hoofdverblijfplaats had in kwestieus onroerend goed, behoudens bewijs van het tegendeel, uit een uittreksel van het bevolkingsregister of van het vreemdelingenregister.

Het voordeel van het verlaagd tarief blijft behouden zelfs indien de schenker zijn hoofdverblijfplaats niet in kwestieus onroerend goed heeft kunnen handhaven wegens overmacht of om dwingende redenen van medische, familiale, beroeps- of maatschappelijke aard.

Onder dwingende reden van medische aard in de zin van dit artikel wordt meer bepaald een toestand van behoefte aan verzorging voor de schenker, diens echtgenoot/echtgenote, wettelijk samenwonende, kinderen of kinderen van zijn echtgenote/haar echtgenoot of wettelijk samenwonende verstaan, die opgetreden is na aankoop van de woning en waardoor de schenker in de onmogelijkheid verkeert om de woning te blijven betrekken, zelfs bijgestaan door zijn gezin of een gezinshulporganisatie.

§ 3. Voor de schenkingsakten die onderworpen zijn aan het recht van § 1 wordt vrijgesteld van het schenkingsrecht hetgeen aan een begiftigde in de rechte lijn, tussen echtgenoten of wettelijk samenwonenden wordt gegeven :

  • tegen een bedrag van 12.500,00 euro;

  • tegen een bijkomend bedrag van 12.500,00 euro indien het bruto-aandeel van die begiftigde, onderworpen aan het recht van § 1, 125.000,00 euro niet te boven gaat.

Het vrijgestelde totaalbedrag wordt bij voorrang aangerekend op de opeenvolgende schijven van het bruto-aandeel dat onderworpen is aan het recht van § 1, te beginnen met de laagste.

Artikel 132/1

...

Artikel 132^2

Voor de toepassing van deze afdeling wordt er geen rekening gehouden met de verwantschapsband voortspruitende uit de gewone adoptie.

Evenwel wordt, mits bewijs te verstrekken door de belanghebbende, met deze adoptieve afstamming rekening gehouden :

1° wanneer het adoptief kind een kind is van de echtgenoot of van de wettelijk samenwonende van de adoptant;

2° wanneer, op het ogenblik van de adoptie, het adoptief kind onder de voogdij was van de openbare onderstand of van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, of wees van een voor België gestorven vader of moeder;

3° wanneer het adoptief kind, vóór de leeftijd van éénentwintig jaar bereikt te hebben en gedurende zes onafgebroken jaren, uitsluitend of hoofdzakelijk van de adoptant of eventueel van hem en zijn echtgenoot of van zijn wettelijk samenwonende tesamen, de hulp en de verzorging heeft gekregen welke kinderen normaal van hun ouders krijgen;

4° wanneer de adoptie gedaan werd door een persoon van wie al de afstammelingen voor België gestorven zijn.

Artikel 132^3

Voor de toepassing van deze afdeling worden gelijkgesteld met schenkingen in de rechte lijn, middels bewijzen die door betrokkene verstrekt dienen te worden :

1° de schenkingen tussen een persoon en een kind van de echtgenoot/echtgenote of de wettelijk samenwonende van die persoon; die gelijkstelling geldt eveneens indien de schenking plaatsvindt na het overlijden van die echtgenoot/echtgenote of die wettelijk samenwonende;

2° de schenkingen tussen een persoon en het kind dat door die persoon als opvangouder in de zin van artikel 1, 5°, van het decreet van 4 maart 1991 inzake hulpverlening aan de jeugd of als voogd, toeziende voogd of pleegvoogd in de zin van Titel X van Boek één van het Burgerlijk Wetboek is opgevoed, op voorwaarde dat het kind, vóór de leeftijd van eenentwintig jaar te hebben bereikt en tijdens zes ononderbroken jaren, uitsluitend of hoofdzakelijk van die persoon, of eventueel van die persoon en diens echtgenoot/echtgenote of diens wettelijk samenwonende tezamen, de bijstand en de zorg heeft gekregen die kinderen normalerwijze van hun ouders krijgen.

Artikel 133

Het recht wordt vereffend op de verkoopwaarde van de geschonken goederen, zonder aftrek van lasten.

De belastbare grondslag wordt in de volgende gevallen evenwel als volgt bepaald.

a) Als de schenking beursgenoteerde openbare effecten betreft, wordt de belastbare grondslag bepaald door de waarde voortvloeiend uit de laatste prijscourant die op last van de regering bekend is gemaakt vóór de datum waarop het recht eisbaar is geworden.

b) Als de schenking het vruchtgebruik of de blote eigendom van een onroerend goed betreft, wordt de belastbare grondslag bepaald op de wijze vermeld in de artikelen 47 tot en met 50.

c) Voor de schenkingen van het op het hoofd van de begiftigde of een derde gevestigde vruchtgebruik van roerende goederen geldt als belastinggrondslag het bedrag verkregen door de vermenigvuldiging van de jaarlijkse opbrengst van de goederen, forfaitair vastgesteld op 4 ten honderd van de verkoopwaarde van de volle eigendom van de goederen, met het getal dat in de tabel van artikel 47, eerste lid, wordt aangegeven tegenover de leeftijdsklasse waartoe diegene op wiens leven het vruchtgebruik gevestigd is, behoort op de datum van de schenking.

Voor de schenkingen van het voor een bepaalde tijd gevestigde vruchtgebruik van roerende goederen geldt als belastinggrondslag het bedrag verkregen door kapitalisatie van de jaarlijkse opbrengst tegen 4 ten honderd over de duur van het vruchtgebruik bepaald in de schenkingsakte. De jaarlijkse opbrengst wordt forfaitair vastgesteld op 4 ten honderd van de verkoopwaarde van de volle eigendom van die goederen. Het aldus verkregen bedrag van de belastinggrondslag mag evenwel niet gaan boven de waarde berekend volgens het vorig lid indien het vruchtgebruik gevestigd is ten bate van een natuurlijke persoon, hetzij boven twintigmaal de opbrengst indien het vruchtgebruik gevestigd is ten bate van een rechtspersoon.

In geen enkel geval mag het vruchtgebruik een waarde toegewezen worden die de vier vijfde van de verkoopwaarde van de volle eigendom van de geschonken roerende goederen te boven gaat.

Indien het vruchtgebruik op het hoofd van twee of meerdere personen is gevestigd met recht van aanwas of terugvalling, is de leeftijd die in overweging dient te worden genomen voor de berekening van het getal opgenomen in de tabel van artikel 47, lid één, die van de jongste persoon.

d) Wat betreft de schenkingen van de blote eigendom van roerende goederen, is de belastbare grondslag de verkoopwaarde van de volle eigendom van de goederen verminderd met de waarde van het vruchtgebruik berekend volgens c) hierboven.

Indien het verlaagd tarief van artikel 131bis toegepast wordt op een schenking van de blote eigendom van roerende goederen waarvan het vruchtgebruik door de schenker is voorbehouden, is de belastbare grondslag de verkoopwaarde van de volle eigendom van de goederen.

e) Voor schenkingen van een lijfrente of een levenslang pensioen wordt het recht berekend over het jaarlijks bedrag van de uitkering, vermenigvuldigd met de leeftijdscoëfficiënt die volgens de tabel in artikel 47, lid op de begiftigde moet worden toegepast en bepaald wordt door de leeftijd van de begiftigde op de dag van de schenkingsakte.

f) Voor schenkingen van een altijd durende rente wordt het recht berekend over het jaarlijks bedrag van de rente vermenigvuldigd met twintig.

Artikel 134

Voor de toepassing van artikelen 131 tot 133, wordt de last, bestaande uit een som, een rente of een pensioen onder kosteloze titel bedongen ten bate van een derde die aanneemt, in hoofde van deze derde als schenking belast en van het aandeel van de hoofdbegiftigde afgetrokken.

Voorzover de schenking onderworpen is aan het tarief van artikel 131, wordt de last voor de derde eveneens als schenking belast volgens de tarieven vastgesteld in artikel 131.

Voor zover de schenking onderworpen is aan het tarief van artikel 131ter, wordt de last voor de derde eveneens als schenking belast volgens de tarieven vastgesteld in artikel 131ter.

Artikel 135

Het bedrag van het recht vastgesteld in artikel 131 en van het recht vastgesteld in artikel 131ter vereffend ten laste van de begiftigde, die op het tijdstip waarop het recht aan de Staat verworven is minstens drie kinderen in leven heeft die de leeftijd van eenentwintig jaar niet hadden bereikt, wordt verminderd met 2 pct. voor elk van deze kinderen, zonder dat de vermindering 62 EUR per kind mag overschrijden.

Deze vermindering wordt ten gunste van de begiftigde echtgenoot of wettelijk samenwonende gebracht op 4 pct. per kind dat de leeftijd van eenentwintig jaar niet had bereikt, zonder dat de vermindering 124 EUR per kind mag overschrijden.

Voor de toepassing van dit artikel wordt het ontvangen kind voor zover het levensvatbaar geboren wordt, gelijkgesteld met het geboren kind.

Artikel 136

Het voordeel van de in vorig artikel voorziene verminderingen wordt afhankelijk gesteld van de vermelding in de akte van schenking van naam, voornamen, woonplaats, plaats en datum van geboorte van de kinderen van de begiftigde beoogd bij artikel 135.

Deze vermelding mag gedaan worden onderaan op de akte in een verklaring vóór de registratie ondertekend en echt bevestigd door de begiftigde of, in zijn naam, door de werkende notaris.

Ingeval een kind, ontvangen vóór de eisbaarheid van de belasting, geboren wordt na de registratie, wordt hetgeen te veel werd geheven terugbetaald op aanvraag van de betrokkene, te doen binnen twee jaar vanaf de geboorte van het kind.

De begiftigde die in verband met het aantal van zijn afstammelingen een onjuiste verklaring heeft afgelegd, verbeurt een boete gelijk aan het ontdoken recht.

Artikel 137

Ter bepaling van het op een schenking onderworpen aan het recht van artikel 131 of van artikel 131ter toepasselijk tarief, wordt de desbetreffende belastbare grondslag gevoegd bij de som die heeft gediend tot grondslag van heffing op de schenkingen onderworpen aan het recht van artikel 131 of van artikel 131ter welke reeds tussen dezelfde partijen zijn voorgekomen en vastgesteld werden door akten die dagtekenen van minder dan drie jaar vóór de datum der nieuwe schenking en vóór laatstbedoelde datum geregistreerd werden of verplicht registreerbaar geworden zijn.

Artikel 138/1

Ongeacht of zij verplicht registreerbaar zijn dan wel vrijwillig tot de formaliteit worden aangeboden, moeten de akten van schenking onderworpen aan het recht van artikel 131 en de akten van schenking onderworpen aan het recht van artikel 131ter vermelding houden of er reeds tussen dezelfde partijen één of meer schenkingen onderworpen aan het recht van artikel 131 en aan het recht van artikel 131ter, en zijn voorgekomen welke vastgesteld werden door akten die dagtekenen van minder dan drie jaar vóór de datum der nieuwe schenking en vóór dezelfde datum geregistreerd werden of verplicht registreerbaar geworden zijn.

Zo ja, moeten zij de datum dier akten vermelden, zomede de grondslag waarop de belasting werd of dient geheven.

De in dit artikel voorziene opgaven en vermeldingen voor de akten van schenking onderworpen aan het recht van artikel 131 of van artikel 131ter mogen gedaan worden onderaan de akte in een verklaring vóór de registratie ondertekend en echt bevestigd door de begiftigde of, in zijn naam, door de werkende notaris.

Indien bewuste opgaven en vermeldingen ontbreken of indien zij onjuist of onvolledig zijn, verbeuren de partijen ondeelbaar een geldboete ten bedrage van het ontdoken recht, zonder dat ze lager dan 25 EUR mag zijn.

Artikel 138/2

Voor de toepassing van artikelen 137 en 138/1 op de aan een schorsende voorwaarde onderworpen schenkingen, wordt de datum van de vervulling der voorwaarde in de plaats gesteld van de datum van de akte.

Artikel 139

Bij onjuist opgeven van de graad van verwantschap of band van aanverwantschap of wettelijk samenwonen of van het statuut van opvangouder tussen schenker en begiftigde, is door deze laatsten, benevens het ontdoken recht, ondeelbaar een boete verschuldigd gelijk aan het bedrag van dat recht.

Artikel 140

De rechten vastgesteld in, al naargelang, artikel 131 of artikel 131bis, worden verlaagd :

1° tot 5,5 % voor de schenkingen aan :

de provincies, de gemeenten, de provinciale en gemeentelijke openbare inrichtingen, de intercommunales, de autonome gemeentebedrijven, gelegen in het Waalse Gewest;

  • de maatschappijen erkend door de "Société wallonne du Logement" (Waalse Huisvestingsmaatschappij);

  • het "Fonds du Logement des Familles nombreuses de Wallonie" (Woningsfonds van de Kroostrijke Gezinnen van Wallonië);

  • de instellingen met een maatschappelijk doel bedoeld in artikel 191 van de Waalse Huisvestingscode die door de Waalse Regering als agentschappen voor sociale huisvesting, sociale buurtregieën of verenigingen voor de bevordering van de huisvesting worden erkend;

1°bis tot 0 % voor de schenkingen aan :

  • aan het Waalse Gewest, de Franse Gemeenschap en de Duitstalige Gemeenschap;

  • de publiekrechtelijke rechtspersonen opgericht bij een decreet van de raden van Gewest of Gemeenschappen bedoeld onder de eerste streep;

2° tot 7 % voor de schenkingen, met inbegrip van de opbrengsten om niet, aan de verenigingen zonder winstoogmerk, aan de mutualiteiten of nationale verenigingen van mutualiteiten, de beroepsverenigingen en de internationale verenigingen zonder winstoogmerk, de privé-stichtingen en de stichtingen van algemeen nut;

3° 100 euro voor de schenkingen, met inbegrip van de opbrengsten om niet, gedaan aan de stichtingen of rechtspersonen die in het 2° bedoeld zijn, zo de schenker zelf een van die stichtingen of rechtspersonen is;

4° 1,10 % voor de schenkingen, met inbegrip van de opbrengsten om niet, gedaan door de gemeenten aan de pensioenfondsen die zij onder de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk hebben opgericht in uitvoering van een door de toezichthoudende overheid goedgekeurd financieel saneringsplan.

De verlagingen ingeschreven in lid één, 2o, 3o en 4o, zijn enkel van toepassing op de schenkingen aan rechtspersonen en aan de stichtingen bedoeld in lid één, 2°die volgende voorwaarden verenigen :

a . de rechtspersoon of de stichting dient een zetel van werkzaamheden te hebben:

  • ofwel in België;

  • ofwel in de lid-Staat van de Europese Gemeenschap waarin de schenker daadwerkelijk verblijft of zijn arbeidsplaats heeft op het ogenblik van de schenking, of waarin hij voorheen daadwerkelijk verbleven is of zijn arbeidsplaats heeft gehad;

b . de rechtspersoon of de stichting dient in die zetel hoofdzakelijk en belangeloos doelstellingen na te streven van ecologische, menslievende, filosofische, religieuze, wetenschappelijke, artistieke, pedagogische, culturele, sportieve, politieke, syndicale, professionele, humanitaire, vaderlandslievende of burgerlijke aard, dan wel inzake onderwijs, zorgverlening aan mensen of dieren, maatschappelijke bijstand of personenbegeleiding, op het ogenblik van de schenking;

In afwijking van voorgaande dient die privé-stichting evenwel, indien de begiftigde een privé-stichting is, in die zetel als hoofdactiviteit en met een belangeloos doel, doelen van maatschappelijke aard te vervolgen op het ogenblik van de schenking;

c . de rechtspersoon of de stichting dient zijn statutaire zetel, zijn centraal bestuur of zijn voornaamste vestiging op het grondgebied van de Europese Unie te hebben.

Indien de begiftigde vermeld in beide vorige leden een vereniging zonder winstoogmerk is die geldig is opgericht in België of die geldig is opgericht in het buitenland overeenkomstig de wet van de staat waaronder zij ressorteert, zodra de waarde van de gift 1.500 euro overschrijdt of zodra De ambtenaar die het bevoegde kantoor leidt krachtens de artikelen 39 en 40 het oplegt om na te zien of de voorwaarden van beide vorige leden verenigd zijn, wordt de toepassing van het verlaagde percentage ondergeschikt gemaakt aan de neerlegging door de vereniging van volgende documenten en inlichtingen, tegelijk met de akte waarin de schenking vermeld wordt en bij het bevoegde kantoor leidt krachtens de artikelen 39 en 40 :

a . indien de vereniging erkend is overeenkomstig artikel 110 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen tijdens de periode waarin de schenking plaatsvond : een voor eensluidend verklaard afschrift van de voor die periode verkregen erkenning;

b . in het tegenovergestelde geval :

  • het afschrift van de vigerende statuten van de vereniging, met in voorkomend geval een vertaling in het Frans, en de verwijzingen naar de wettelijke bekendmakingen van die statuten;

  • het adres van de zetel van de vereniging;

  • de vermelding van de doeleinden en de activiteiten van de vereniging;

  • het adres van de zetels van werkzaamheden van de verenging, evenals hun benaming indien die benaming niet dezelfde is als die van de vereniging.

Op verzoek van de ambtenaar die het bevoegde kantoor krachtens de artikelen 39 en 40 leidt, kan de toepassing van het verminderde percentage daarnaast, om na te zien of de voorwaarden van de leden 1 en 2 verenigd zijn, ondergeschikt worden gemaakt aan de mededeling van een voor eensluidend verklaard afschrift van de ontvangsten- en uitgavenrekening van het laatste boekjaar van de vereniging en van de begroting van het op het ogenblik van de schenking lopende boekjaar.

Indien de begiftigde vermeld in beide eerste leden een privé-stichting is die rechtsgeldig is samengesteld in België of in het buitenland, overeenkomstig de wet van de staat waaronder ze valt, wordt de toepassing van het verlaagd tarief ondergeschikt gemaakt aan de indiening door de stichting, samen met de akte waarin de schenking wordt vermeld, van een attest van de erkenning van die stichting als een stichting met een maatschappelijk karakter, aangevraagd bij de Minister van Financiën van het Waalse Gewest. De wijze waarop die erkenning wordt aangevraagd, wordt door de Regering van het Waalse Gewest bepaald.