Circulaire nr. Ci.RH.421/605.074 (AOIF Nr. 71/2010) dd 01.12.2010

Algemene administratie van de FISCALITEIT - Centrale diensten

Directie I/1

Circulaire nr. Ci.RH.421/605.074 (AOIF Nr. 71/2010) dd 01.12.2010

(Aangevuld met : Addendum dd 23.12.2011 en dd 20.07.2012 - zie hieronder)

Vennootschapsbelasting

Berekening van de belasting

Afzonderlijke aanslag Ven.B

Voordeel van alle aard

Bijwerking van de commentaar op art. 219, WIB 92.

Aan alle ambtenaren van de niveaus A, B en C.

U gelieve als bijlage de tekst van de commentaar op art. 219, WIB 92, te willen vinden, die de huidige commentaar vervangt.

NAMENS DE MINISTER:

Voor de Administrateur-generaal van de fiscaliteit d.d.:

D. DELVAUX M. DE KEYSER

Eerste Attaché van financiën Eerste Attaché van financiën

Bijwerking Com.IB 92

TITEL III: VENNOOTSCHAPSBELASTING

HOOFDSTUK III: Berekening van de belasting

Afdeling II: Afzonderlijke aanslag

Art. 219, WIB 92

  1. WETTEKST 219/0
  1. GRONDSLAG VAN DE AFZONDERLIJKE AANSLAG 219/1-9
  1. Kosten zoals bedoeld in art. 57, WIB 92 en onder de vorm van voordelen

van alle aard verkregen bezoldigingen 219/1-4

  1. Verdoken meerwinsten 219/5
  1. Financiële voordelen of voordelen van alle aard zoals bedoeld in art. 53,

24°, WIB 92 219/6

  1. Bedragen die niet in de grondslag begrepen zijn 219/7-9
  1. WETTELIJKE AFWIJKING 219/10
  1. ADMINISTRATIEVE SOEPELHEID 219/11-13
  1. PROCEDURE M.B.T. DE VASTSTELLING VAN DE BELASTBARE GRONDSLAG 219/14
  1. BEREKENING EN TARIEF VAN DE AFZONDERLIJKE AANSLAG 219/15-17
  1. AFTREKBAARHEID 219/18
  1. AANSLAGJAAR 219/19

Afdeling II

Afzonderlijke aanslag

Art. 219, WIB 92

I. WETTEKST

219/0

Art. 219. Een afzonderlijke aanslag wordt gevestigd op kosten als bedoeld in artikel 57 en op

voordelen van alle aard als bedoeld in de artikelen 31, tweede lid, 2°, en 32, tweede lid, 2°, die niet worden verantwoord door individuele fiches en een samenvattende opgave alsmede op de verdoken meerwinsten die niet onder de bestanddelen van het vermogen van de vennootschap worden teruggevonden en op de in artikel 53, 24°, bedoelde financiële voordelen of voordelen van alle aard.

Die aanslag is gelijk aan 300 pct. van die kosten, voordelen van alle aard en verdoken meerwinsten.

Als verdoken meerwinsten worden niet aangemerkt, de reserves als bedoeld in artikel 24, eerste lid, 2° tot 4°.

Deze aanslag is niet van toepassing indien de belastingplichtige aantoont dat het bedrag van de kosten, vermeld in artikel 57, of van de voordelen van alle aard als bedoeld in de artikelen 31, tweede lid, 2°, en 32, tweede lid, 2°, begrepen is in een door de genieter overeenkomstig artikel 305 ingediende aangifte.

II. GRONDSLAG VAN DE AFZONDERLIJKE AANSLAG

  1. KOSTEN ZOALS BEDOELD IN ART. 57, WIB 92 EN ONDER DE VORM VAN VOORDELEN VAN ALLE AARD VERKREGEN BEZOLDIGINGEN

219/1

De afzonderlijke aanslag in de Ven.B is van toepassing op de kosten die niet op de in art. 57,

WIB 92, gestelde wijze zijn verantwoord; die kosten kunnen bestaan uit:

commissies, makelaarslonen, handels- of andere restorno's, toevallige of niet-toevallige vacatiegelden of erelonen, gratificaties, vergoedingen of voordelen van alle aard die voor de verkrijgers al dan niet in België belastbare beroepsinkomsten zijn, behoudens de bezoldiging van meewerkende echtgenoten;

bezoldigingen, pensioenen, renten of als zodanig geldende toelagen, betaald aan personeelsleden, aan bedrijfsleiders en aan gewezen personeelsleden en bedrijfsleiders evenals aan hun rechtverkrijgenden, met uitzondering van de sociale voordelen die ten name van de verkrijgers zijn vrijgesteld;

vaste vergoedingen toegekend aan de leden van het personeel als terugbetaling van werkelijke eigen kosten van de werkgever.

219/2

Alhoewel de in 219/1, bedoelde bezoldigingen, die zijn voorzien in de bepalingen van

de art. 30, 1° en 2°, 31 en 32, WIB 92, de door personeelsleden en bedrijfsleiders verkregen voordelen van alle aard omvatten, heeft de wetgever bij de Programmawet van 27.12.2006 het evenwel nuttig geacht een expliciete verwijzing naar deze voordelen op te nemen in art. 219, 1e en 4e lid, WIB 92.

De in de art. 31, 2e lid, 2° en 32, 2e lid, 2°, WIB 92, bedoelde voordelen van alle aard die niet worden verantwoord door individuele fiches en een samenvattende opgave moeten worden onderworpen aan de afzonderlijke aanslag.

219/3

Terzake worden bij gebrek aan naleving van de voorwaarden van art. 57, WIB 92, als niet verantwoorde bezoldigingen beschouwd:

een voordeel van alle aard ingevolge een renteloze lening die is toegestaan door een vennootschap aan een personeelslid, zelfs indien hiervan niets in de kostenrekeningen van de vennootschap wordt teruggevonden (zie PV nr. 249 van 2.3.2000, gesteld door dhr. Stef GORIS, QRVA 50 034 van 13.6.2000, blz. 3949);

het gedeelte van de huurprijs en de huurvoordelen dat ten name van de bedrijfsleider als bezoldigingen wordt geherkwalificeerd (zie PV nr. 315 van 28.4.2000, gesteld door mevr. Trees PIETERS QRVA 50 153 van 27.1.2003, blz. 19593).

219/4

De in 219/1 gegeven opsomming belet niet dat ook met niet verantwoorde kosten moeten worden gelijkgesteld (zie ook commentaar op de art. 57 en 195, WIB 92):

de liberaliteiten waarvoor de naam en het adres van de verkrijgers zomede de reden van de betaling niet worden bekendgemaakt; het kan inderdaad voorkomen dat vergoedingen ter beloning van diensten onder de benaming "liberaliteiten" bij de beroepskosten worden opgenomen met de bedoeling de desbetreffende inkomsten ten name van de verkrijgers aan de PB te onttrekken (zie Cass., 28.5.1963, NV "Ets. Holvoet-Lecomte", Bulle. 413, blz. 2250);

de verworpen verteerkosten (andere dan die bedoeld in art. 53, 8° en 8°bis, WIB 92) in een NV ingeval de verkrijgers niet worden geïdentificeerd (Gent, 24.6.1964, NV "Brouwerij Bosteels", Bull. 413, blz. 2301).

de drinkgelden en andere gratificaties vanaf een bepaald bedrag (zie 219/8) die door begrafenisondernemingen zijn betaald aan bepaalde niet-geïdentificeerde personen die zouden kunnen bijdragen tot een goed verloop van begrafenissen (zie PV nr. 971 van 16.4.2002, gesteld door dhr. Eric VAN WEDDINGEN, QRVA 50 157 van 24.2.2003, blz. 20239).

B. VERDOKEN MEERWINSTEN

219/5

De verdoken meerwinsten die niet onder de bestanddelen van het vermogen van de

vennootschap worden teruggevonden werden voorheen als gevolg van een vaste rechtspraak gelijkgesteld met niet verantwoorde kosten waarop de afzonderlijke aanslag van toepassing was.

Onder verdoken meerwinst moet inzonderheid worden verstaan de door de administratie vastgestelde winsten die niet begrepen zijn in het boekhoudkundige resultaat van de vennootschap en derhalve evenmin onder de bestanddelen van het vermogen van de vennootschap worden teruggevonden. Inzonderheid betreft het de omzet die een onderneming in het zwart heeft gerealiseerd (zie PV nr. 15 van 1.9.1999, gesteld door mevr. Annemie VAN DE CASTEELE, QRVA 50 016 van 31.1.2000,

blz. 1772).

Ingevolge het arrest van het Hof van Cassatie van 26.5.1994 (Hof van Cassatie, arrest C 94/3, SA I., FJF 94/213) kwam het de administratie toe het bewijs te leveren dat dergelijke meerwinsten het vermogen van de vennootschap hadden verlaten en dat ze hadden gediend voor kosten zoals bedoeld in art. 57, WIB 92.

Teneinde te vermijden dat dit bewijs niet zou kunnen worden geïnterpreteerd als een cascade van vermoedens en om terzake alle twijfels weg te nemen, is in art. 219, 1e lid, WIB 92, expliciet voorzien dat een afzonderlijke aanslag wordt gevestigd op verdoken meerwinsten die niet onder de bestanddelen van het vermogen van de vennootschap worden teruggevonden (zie art. 21, W 4.5.1999 houdende diverse fiscale bepalingen, BS 12.6.1999). Hierdoor moet de administratie niet langer aantonen dat deze meerwinsten de onderneming hebben verlaten op een wijze zoals vermeld in art. 57, WIB 92 (zie voormelde W 4.5.1999, Parl. St. 1949/1 - 98/99, blz. 11 en 12).

Dienaangaande worden verdoken meerwinsten geacht deel uit te maken van het vermogen van de vennootschap, wanneer deze bijdragen tot een werkelijke verrijking van de vennootschap. De aanwezigheid van verdoken meerwinsten in het vermogen van de vennootschap zal moeten blijken uit het geheel van de feiten die eigen zijn aan elk geval afzonderlijk waaronder inzonderheid de verrichte boekingen. Deze boekingen moeten een werkelijke verrijking van de vennootschap uitdrukken naar aanleiding van de verwezenlijkte verdoken verrichtingen. De boekingen die eveneens het ontstaan van een schuld ten aanzien van derden uitdrukken zijn in principe niet representatief om een verhoging van het vermogen van de vennootschap uit te maken.

De winsten zoals bedoeld in art. 24, 1e lid, 2° tot 4°, WIB 92, waaronder de verdoken reserves die overeenstemmen met onderwaarderingen van activa en overwaarderingen van passiva, worden overeenkomstig art. 219, 3e lid, WIB 92, niet aangemerkt als verdoken meerwinsten.

De afzonderlijke aanslag is bovendien niet van toepassing op vreemde firma's die in België werkzaam zijn en ook niet op de belastbare minima zoals bedoeld in art. 342, §§ 2 en 3, WIB 92 (zie mondelinge PV nr. 11754 van 23.5.2006, gesteld door dhr. Dirk VAN DER MAELEN, Kamer, CRIV 51 Com. 971, blz. 10 en 11).

C. FINANCIELE VOORDELEN OF VOORDELEN VAN ALLE AARD ZOALS BEDOELD IN ART. 53, 24°, WIB 92

219/6

De afzonderlijke aanslag is van toepassing op financiële voordelen of voordelen van alle aard als bedoeld in art. 53, 24°, WIB 92.

De W 11.5.2007 tot aanpassing van de wetgeving inzake de bestrijding van omkoping (BS 8.6.2007) heeft niet alleen art. 58, WIB 92, opgeheven dat in een afwijkende regeling voorzag indien het toekennen van geheime commissielonen tot de dagelijkse praktijk behoorde, maar heeft ook een nieuw art. 53, 24° in het WIB 92 ingevoegd dat de niet-aftrekbaarheid als beroepskost oplegt van inzonderheid de voordelen van alle aard die rechtstreeks of onrechtstreeks worden verleend in verband met elementen van openbare omkoping van een buitenlandse ambtenaar. Voortaan zijn de voordelen waarvan hiervoor sprake is verplicht en zonder mogelijkheid om daarvan af te wijken onderworpen aan een afzonderlijke aanslag (zie art. 12 van voormelde W 11.5.2007).

D. BEDRAGEN DIE NIET IN DE GRONDSLAG BEGREPEN ZIJN 219/7

Mogen niet als door art. 219, WIB 92, beoogde kosten worden behandeld, degene waarvan, zelfs wanneer ze bij gebrek aan verantwoording onder de verworpen uitgaven zouden moeten worden opgenomen, als vaststaand kan worden beschouwd dat ze ten name van de verkrijgers geen in art. 57, WIB 92, bedoelde inkomsten zijn en inzonderheid dat ze niet de aard hebben van verdoken meerwinsten (zoals, b.v. de interesten van bij derden die geen bedrijfsleiders zijn, geleende kapitalen, RSZ-bijdragen, enz.).

219/8

De afzonderlijke aanslag is bovendien niet van toepassing op:

de sociale voordelen die ten name van de verkrijgers zijn vrijgesteld;

de in art. 53, 9°, WIB 92, bedoelde kosten met betwistbaar beroepskarakter (jacht, visvangst, enz.) wanneer het niet mogelijk is de werkelijke verkrijgers van die kosten te identificeren (zie commentaar op art. 195, WIB 92);

de geringe giften, bestaande uit fooien, geschenken, enz., verleend aan personen die geen deel uitmaken van het personeel van de vennootschap;

de kosten waarvan de echtheid en het bedrag verantwoord (zie commentaar op art. 49, WIB 92) zijn, maar die, bijvoorbeeld wegens hun overdreven karakter, in een bepaalde mate niet als beroepskost worden aanvaard en evenmin aanleiding geven tot het belasten van een voordeel van alle aard ten name van de verkrijgers (zie 219/9).

219/9

De onder 219/8, 4°, beoogde gevallen worden geïllustreerd door het volgende voorbeeld.

Een vennootschap heeft als publiciteitskosten een bedrag geboekt van 12.500,00 EUR dat volledig door bewijsstukken is verantwoord. Uit het onderzoek blijkt dat 6.000,00 EUR als beroepskost kan worden aanvaard, terwijl een voordeel van alle aard aan de bedrijfsleiders ten bedrage van 800,00 EUR in aanmerking moet worden genomen.

De afzonderlijke aanslag is slechts van toepassing op het bedrag van 800,00 EUR voordelen van alle aard, voor zover de vennootschap niet aantoont dat dit bedrag wordt belast ten name van de verkrijgende bedrijfsleiders (zie nr. 219/10). Het resterende bedrag dat niet als beroepskost kan worden aanvaard (5.700,00 EUR), moet enkel als verworpen uitgaven onder de fiscale winst van de vennootschap worden opgenomen.

III. WETTELIJKE AFWIJKING

219/10

Art. 219, 1e lid, WIB 92, voorziet in de toepassing van de afzonderlijke aanslag op kosten

zoals bedoeld in art. 57, WIB 92, en op voordelen van alle aard zoals bedoeld in de art. 31, 2e lid, 2° en 32, 2e lid, 2°, WIB 92, indien zij niet worden verantwoord door individuele fiches en samenvattende opgaven die worden overlegd in de vorm en binnen de termijn die de Koning bepaalt (zie de art. 30 tot 33 en 92 tot 94, KB/WIB 92).

Deze aanslag is overeenkomstig art. 219, 4e lid, WIB 92, evenwel niet van toepassing indien de belastingplichtige het bewijs levert dat het bedrag van deze kosten en voordelen van alle aard opgenomen is in een door de genieter van dit bedrag overeenkomstig art. 305, WIB 92, ingediende fiscale aangifte.

Indien de belastingplichtige te goeder trouw is, wordt de administratie verzocht haar medewerking te verlenen om de aangifte van de betrokken genieter terug te vinden, en dit inzonderheid wanneer de relaties tussen de vennootschap en de genieter zijn verstoord.

Voor zover als nodig wordt opgemerkt dat deze afwijking niet geldt wanneer financiële voordelen of voordelen van alle aard worden verstrekt zoals bedoeld in art. 53, 24°, WIB 92.

IV. ADMINISTRATIEVE SOEPELHEID

219/11

Uiteraard zal de administratie bereid zijn een zekere soepelheid aan de dag te leggen ingeval

van laattijdige indiening van de voormelde fiches en samenvattende opgaven en dit enkel in de gevallen wanneer de belastingplichtige, om redenen onafhankelijk van zijn wil, niet bij machte was de opgelegde termijnen te respecteren (zie 219/10). Deze soepelheid mag in geen geval een afzwakking vormen van het ontradend karakter van de desbetreffende wettelijke bepaling. Dienaangaande zal een korte vertraging voor het indienen van de documenten worden aanvaard en geen aanleiding geven tot de toepassing van de afzonderlijke aanslag, voor zover deze vertraging:

- geen systematisch of vrijwillig karakter heeft;

- niet voortvloeit uit een intentie om zich aan belastbare materie te onttrekken;

- de administratie niet verhindert om, binnen de context van de inzonderheid technische voorschriften, tot de taxatie van deze inkomsten ten name van de verkrijgers over te gaan (het moet mogelijk zijn om deze inkomsten nog binnen de wettelijke termijnen te belasten);

- of deze taxatie niet ingewikkelder maakt zonder dat bijzondere omstandigheden dit op feitelijk vlak rechtvaardigen.

219/12

Voor verdoken meerwinsten zal worden toegestaan dat de afzonderlijke aanslag niet moet worden toegepast in het geval dat deze meerwinsten in het vermogen van de vennootschap worden terug opgenomen door een aanpassing van de jaarrekening voor het boekjaar tijdens hetwelk ze door de vennootschap werden verwezenlijkt, indien het boekhoudrecht dit toelaat. Deze aanpassing moet, voor de inkomsten van het betrokken boekjaar, uiteraard plaatsvinden binnen de wettelijke fiscale termijnen (zie PV nr. 20 van 14.1.2009, gesteld door Mevr. Ingrid CLAES, QRVA 52 047 van 2.2.2009, blz. 9).

219/13

Er kan geen administratieve soepelheid worden toegestaan aan een belastingplichtige die

financiële voordelen of voordelen van alle aard zoals bedoeld in art. 53, 24°, WIB 92 toekent (zie 219/6).

V. PROCEDURE M.B.T. DE VASTSTELLING VAN DE BELASTBARE GRONDSLAG 219/14

Zie de art. 346 en 351, WIB 92.

VI. BEREKENING EN TARIEF VAN DE AFZONDERLIJKE AANSLAG 219/15

De afzonderlijke aanslag wordt geheven tegen het tarief van 300% op het bedrag van de niet verantwoorde kosten. Het hoge tarief van de bijzondere aanslag moet ertoe leiden dat de belastingplichtigen er praktisch geen voordeel meer kunnen bij hebben de vereiste verantwoording niet over te leggen (1). Deze aanslag heeft immers als doel het verlies te compenseren van de belasting die niet van de verkrijgers van de kosten kan worden gevorderd.

(1) Zie eveneens het arrest nr. 28/2003 van het Grondwettelijk Hof van 19.2.2003.

Vanaf het aj. 1994 moet een aanvullende crisisbijdrage (ACB) van 3 opcentiemen worden gevestigd op de afzonderlijke aanslag verschuldigd tegen het tarief van 300% (zie commentaar op art. 463bis, WIB 92).

219/16

De aandacht wordt gevestigd op het volgende:

overeenkomstig art. 207, WIB 92, kunnen de in de art. 199 tot 206, WIB 92, bedoelde aftrekken niet worden verricht op de grondslag van de afzonderlijke aanslag;

de vermeerdering ingeval geen of ontoereikende voorafbetalingen zijn gedaan is niet van toepassing op de afzonderlijke aanslag;

op de afzonderlijke aanslag mag geen verrekening van voorheffingen gebeuren (art. 292, 2e lid, WIB 92).

Voorbeeld

219/17

Een NV kent tijdens het boekjaar 2008 (aj. 2009) 50.000,00 EUR toe aan niet-geïdentificeerde personen.

Afzonderlijke aanslag:

- basisbelasting: 50.000,00 EUR x 300% = 150.000,00 EUR

- ACB van 3% = 4.500,00 EUR

----------

- totaal = 154.500,00 EUR

(ongeacht of de grondslag in de gewone aanslag een belastbaar resultaat, dan wel een compenseerbaar verlies oplevert).

VII. AFTREKBAARHEID 219/18

De niet verantwoorde kosten en verdoken meerwinsten die aan de afzonderlijke aanslag zijn onderworpen, moeten niet in aanmerking worden genomen voor de gewone aanslag in de Ven.B en zijn dus in feite als aftrekbare beroepskosten aan te merken (zie art. 197, WIB 92).

De afzonderlijke aanslag (met inbegrip van de 3 opcentiemen ACB) is eveneens aftrekbaar als beroepskosten (art. 198, 1e lid, 1°, WIB 92).

Wanneer de vennootschap overeenkomstig de boekhoudwetgeving, een kostenrubriek heeft gedebiteerd met de verschuldigde, gestorte of geraamde belastingen met inbegrip van de afzonderlijke aanslag, moet in een bijlage bij de aangifte de splitsing worden gemaakt tussen:

- het gedeelte dat betrekking heeft op niet als beroepskosten aftrekbare belastingen en dat derhalve onder de verworpen uitgaven moet worden opgenomen;

- en het gedeelte dat betrekking heeft op als beroepskosten aftrekbare belastingen.

VIII. AANSLAGJAAR 219/19

De afzonderlijke aanslag wordt verbonden aan het aanslagjaar betreffende het belastbare tijdperk in de loop waarvan de omstandigheid waarin gezegde aanslag zijn grond vindt, zich heeft voorgedaan (zie art. 206, KB/WIB 92).

Addendum dd 23.12.2011 aan de circulaire nr. Ci.RH.421/605.074 (AAFisc Nr. 71/2010) dd 01.12.2010

Vennootschapsbelasting Berekening van de belasting Afzonderlijke aanslag Ven. B Voordeel van alle aard

Verduidelijkingen naar aanleiding van het antwoord van de heer Minister op de mondelinge parlementaire vragen nr. 6590 van Volksvertegenwoordiger D. Clarinval en nr. 6767 van mevrouw de Volksvertegenwoordiger V. Wouters.

Aan al de ambtenaren van de niveaus A, B en C.

  1. Naar aanleiding van het antwoord dat door de heer Minister werd verstrekt op de mondelinge parlementaire vragen nr. 6590 van de heer Volksvertegenwoordiger D. Clarinval en nr. 6767 van mevrouw de Volksvertegenwoordiger V. Wouters in de Commissie voor de financi en en de begroting (CRIV 53 COM 333 van 9.11.2011 blz. 20 tot 24) worden de volgende verduidelijkingen verstrekt met betrekking tot de toepassing van de afzonderlijke aanslag zoals bedoeld in art. 219, WIB 92, op de voordelen alle aard zoals bedoeld in de art. 31, tweede lid, en 32, tweede lid, 2°, WIB 92, die niet of onvoldoende zijn verantwoord overeenkomstig de ter zake geldende bepalingen.
  1. In de zin van de verstrekte antwoorden op de voormelde parlementaire vragen zal uitsluitend kunnen worden afgezien van de toepassing van de afzonderlijke aanslag op de voor delen van alle aard die worden vastgesteld overeenkomstig de bepalingen inzake de forfaitaire raming zoals bedoeld in art. 18, KB/WIB 92 (alsmede voor de voordelen die voortkomen uit de terbeschikkingstelling van een GSM), die aan het licht komen naar aanleiding van een vóór 1 juli 2012 aangevatte controle en die niet (of onvoldoende) zijn verantwoord overeenkomstig de ter zake geldende bepalingen, en dit onder de enige en uitsluitende voorwaarde dat deze voordelen effectief ten name van de genieters binnen de wettelijke termijnen kunnen worden belast.

Voor de voordelen van alle aard die niet op de wijze zoals vermeld in het vorige lid aan het licht komen en voor de andere voordelen van alle aard (1), die niet of onvoldoende zijn verantwoord overeenkomstig de terzake geldende bepalingen, blijft de afzonderlijke aanslag zo als bedoeld in art. 219, WIB 92, van toepassing, tenzij deze voordelen op een spontane wijze worden aangegeven bij de PB controle van de genieter en ten laatste op 30 juni 2012.

(1) Hier zijn bedoeld de voordelen van alle aard die niet overeenkomstig de bepalingen inzake de forfaitaire raming zoals vermeld in art. 18, KB/WIB 92 zijn vastgesteld (andere voorde len dan deze die voortkomen uit de terbeschikkingstelling van een GSM) en die niet naar aanleiding van een vóór 1 juli 2012 aangevatte controle aan het licht komen.

Eenmaal dat deze overgangsperiode is verstreken moeten de bepalingen inzake de afzonderlijke aanslag zoals bedoeld in art. 219, WIB 92, worden nageleefd bij gebrek aan het opstellen van de betrokken fiche binnen de vereiste termijn, rekening houdend met de beoorde lingselementen hierna aangehaald in punt 3, in fine.

  1. De houding waarbij opzettelijk geen fiches en samenvattende opgaven worden opgemaakt zoals door de wet opgelegd en de fiscale controle wordt afgewacht om alsdan het bedrag dat op de voorgeschreven wijze had moeten worden vermeld op de rekening courant van de genieter van het voordeel in te schrijven kan niet worden aanvaard. Buiten deze hypothese lijkt het redelijk, inzonderheid met het oog op het vermijden van een toename van de administratieve en gerechtelijke geschillen, dat rekening wordt gehouden met de goede trouw van de belastingplichtige die iets uit het oog zou hebben verloren of een fout zou hebben begaan, met het uitzonderlijke karakter van de niet-aangifte, met het relatieve belang van de fout van de belastingplichtige, met name in vergelijking met dat van de andere fiscale verplichtingen waaraan hij wel heeft voldaan, enz.

Wanneer het voordeel van alle aard tijdens het belastbaar tijdperk in de loop waarvan dat voordeel is toegekend, op het debet van de rekening courant van de genieter wordt geboekt, wordt er aan herinnerd dat het bedrag ervan niet als voordeel van alle aard wordt aangemerkt (zie schriftelijke parlementaire vraag nr. 427 van 21.6.2011 van mevrouw de Volksvertegenwoordiger C. Marghem, QRVA 53 043, blz. 8).

  1. Bovendien wordt een nieuwe administratieve soepelheid in de Com.IB 92 op art. 219 opgenomen, in die zin dat het nr. 219/11 wordt aangevuld met een tweede lid: "Eveneens zal kunnen worden afgezien van de vestiging van de afzonderlijke aanslag voor de bedragen waarvan het ontbreken van de verantwoording voortkomt uit een redelijk verschil in interpretatie van de fiscale bepalingen met betrekking tot de voordelen met een sociaal of cultureel karakter zoals bedoeld in art. 38, § 1, eerste lid, 11° en 25°, WIB 92, op voorwaarde dat deze bedragen ten name van de genieters binnen de wettelijke termijnen worden belast". De grens tussen een vrijgesteld sociaal voordeel en belastbaar inkomen kan inderdaad uit een dergelijk verschil voortvloeien.

Het huidig addendum is onmiddellijk van toepassing in elke fase van de procedure.

NAMENS DE MINISTER:

Voor de Administrateur-generaal van de fiscaliteit dd.,

R. ROSOUX Auditeur-generaal a.i.

Addendum dd 20.07.2012 aan de circulaire nr. Ci.RH.421/605.074 (AAFisc Nr. 71/2010) dd 01.12.2010 en het addendum van 23.12.2011, zelfde nummer

Vennootschapsbelasting Berekening van de belasting Afzonderlijke aanslag Ven.B Aftrekbare beroepskosten

Verantwoording van de beroepskosten Definiëring van begrippen

Aan al de ambtenaren van de niveaus A, B en C.

  1. Het punt 3, in fine van het voormelde addendum van 23.12.2011 stelt dat buiten een bepaalde hypothese het redelijk lijkt, inzonderheid met het oog op het vermijden van een toename van de administratieve en gerechtelijke geschillen, dat rekening wordt gehouden met de goede trouw van de belastingplichtige die iets uit het oog zou hebben verloren of een fout zou hebben begaan, met het uitzonderlijke karakter van de niet-aangifte, met het relatieve belang van de fout van de belastingplichtige in vergelijking met dat van de andere fiscale verplichtingen waaraan hij wel heeft voldaan, enz.

Naar aanleiding van onder meer het antwoord van de heer Staatssecretaris namens de heer Minister op de mondelinge parlementaire vraag nr. 12678 van Volksvertegenwoordiger G. Rutten (CRABV 53 COM 537 van 10.7.2012, blz. 11 tot 13) worden de volgende aanvullende verduidelijkingen verstrekt.

  1. De in art. 219, WIB 92 bedoelde afzonderlijke aanslag zal niet worden toegepast in geval van regularisatie van forfaitair geraamde voordelen van alle aard, als bedoeld in art. 36, WIB 92, wanneer :

- deze voortvloeit uit een rekenfout die te goeder trouw werd begaan (bv. het K.I. van een gebouw is nog niet gekend of is in betwisting, enz.) en deze fout uitzonderlijk is (het begrip "uitzonderlijk" moet worden begrepen in de zin dat de fout geen herhaaldelijk karakter vertoont) ;

- deze een gering bedrag vertegenwoordigt (zie punt 1 : het relatief belang van de fout);

- en door de genieter van het voordeel werd overgegaan tot een spontane rechtzetting van zijn fiscale toestand.

  1. De "goede trouw" wordt niet gedefinieerd in het WIB 92. De "goede trouw" is de interne overtuiging van een persoon dat hij in een situatie verkeert die in overeenstemming is met de wet en het aanvoelt te handelen zonder iemand anders zijn rechten te schenden. Het is een begrip dat veelvuldig wordt gebruikt in diverse wetgevingen, zoals o.a. het burgerlijk wetboek, om de strikte toepassing van positieve regels te verzachten.

Er kan worden verwezen naar het nr. 444/22, Com. IB 92, dat voor de toepassing van art. 444, tweede lid, WIB 92 (bij ontstentenis van kwade trouw kan worden afgezien van de minimumverhoging van 10%), dezelfde draagwijdte geeft aan de twee uitdrukkingen "zonder het opzet de belasting te ontduiken" en "bij ontstentenis van kwade trouw". Het doel is voornamelijk om in het algemeen een onderscheid te maken tussen de belastingplichtige die in geval van overtreding slechts bij vergissing, nalatigheid, onvoorzichtigheid, enz. gehandeld heeft, en degene die daarentegen met bedrieglijk oogmerk heeft gehandeld.

Een beroep doen op het gezond verstand van de taxatieambtenaar betekent niet dat de administratie ter zake beschikt over een onbeperkte macht, maar dat zij de afwezigheid van kwade trouw, m.a.w. de goede trouw, in elk afzonderlijk geval kan beoordelen, rekening houdende met alle feitelijke elementen waarover zij beschikt. Dienaangaande moet enerzijds voldoende soepelheid aan de dag worden gelegd ter vermijding van een gebrek aan billijkheid en moet anderzijds elke willekeur en ongelijke behandeling worden uitgesloten.

  1. Onder spontane rechtzetting door de in nr. 2 hiervoor bedoelde genieter wordt verstaan, elk door deze laatste ingediend verzoek tot verhoging van zijn belastbare inkomsten met niet-aangegeven bedragen dat wordt ingediend vóór de verzending van een bericht van wijziging van aangifte door de dienst die belast is met het onderzoek van die aangifte.
  1. Ten gevolge van de recente wetswijzigingen inzake de vaststelling van het voordeel van alle aard voor het persoonlijk gebruik van een kosteloos ter beschikking gesteld voertuig (zie art. 36, § 2, WIB 92) kunnen mogelijkerwijze fouten in de berekening van dat voordeel voorkomen op de fiches die werden opgesteld op naam van de genieters voor het eerste belastbare tijdperk waarin de nieuwe maatregel van toepassing is. Bij wijze van uitzondering, en in elk geval voor wat betreft de inkomsten van het jaar 2012, kan worden toegestaan dat de in nr. 2 bedoelde tolerantie eveneens van toepassing is, zelfs in het geval dat de genieter zijn fiscale toestand niet spontaan heeft rechtgezet.
  1. Bovendien wordt herinnerd aan het antwoord op de parlementaire vraag nr. 469 van 14.5.2009 gesteld door de heer J. De Potter (V, Kamer, zitting 2008-2009, nr. 67, blz. 144). Wanneer door een werknemer of bedrijfsleider tijdens zijn privéleven of tijdens de uitoefening van zijn functie opgelopen verkeers- of strafrechtelijke boetes door de onderneming worden betaald of terugbetaald, maakt, behoudens de in dat antwoord opgenomen uitzondering, deze betaling of terugbetaling een voordeel van alle aard uit ten name van de natuurlijke persoon die de inbreuk heeft begaan en is deze aftrekbaar als beroepskost ten name van de vennootschap of de werkgever voor zover een fiche werd opgemaakt. De kwalificatie als voordeel van alle aard heeft de niet-toepassing van de bepalingen van art. 53, 6°, WIB 92 ten name van de onderneming tot gevolg.
  1. Overeenkomstig art. 219, vierde lid, WIB 92 wordt de afzonderlijke aanslag van 309% niet gevestigd wanneer de belastingplichtige die de fiche had moeten opmaken (nl. de vennootschap die het voordeel heeft verleend) aantoont dat het bedrag dat er op had moeten voorkomen (uitgaven vermeld in art. 57 of voordelen van alle aard als bedoeld in de art. 31, tweede lid, 2° en 32, tweede lid, 2°, WIB 92) begrepen is in een door de genieter overeenkomstig art. 305, WIB 92 ingediende aangifte (d.i. een aangifte ingediend in de vormen en binnen de termijnen zoals omschreven in de wet).

Aangezien de wettekst geen enkele bijkomende voorwaarde toevoegt aan de voorwaarde dat de bedragen moeten zijn vermeld in een overeenkomstig art. 305, WIB 92 ingediende aangifte, verhindert een verkeerde kwalificatie door de begunstigde – natuurlijke persoon in zijn aangifte, de toepassing van de afzonderlijke aanslag (voorbeelden : onjuiste aangifte als winst daar waar het een bezoldiging betreft, onjuiste aangifte als divers inkomen daar waar het in werkelijkheid om winst gaat, enz.).

  1. Overigens laat de formulering "overeenkomstig art. 305, WIB 92" veronderstellen dat enkel de gevallen worden beoogd waarin de genieter een aangifte in België moet onderschrijven. Evenwel moeten de inkomsten van genieters die in het buitenland belastbaar zijn eveneens verplicht op fiches worden opgenomen. Derhalve zal met het oog op gelijke behandeling worden toegestaan dat de afzonderlijke aanslag niet wordt toegepast indien de vennootschap aantoont dat het bedrag van de niet-verantwoorde kosten of voordelen van alle aard begrepen zijn in een door de genieters ingediende aangifte krachtens een bepaling van buitenlands recht die gelijkaardig is aan art. 305, WIB 92.
  1. Er wordt benadrukt dat niet als voordelen van alle aard moeten worden aangemerkt, de restaurantkosten die uitsluitend zijn gedaan in het kader van de beroepserkzaamheid maar die een overdreven karakter hebben. Het onredelijke gedeelte van dergelijke kosten vertegenwoordigt uitgaven die ten name van de vennootschap niet kunnen worden aangenomen (art. 53, 10°, WIB 92). De door de vennootschap ten laste genomen restaurantkosten die een louter privé-karakter hebben, zijn uiteraard voordelen van alle aard die als zodanig moeten worden behandeld.

NAMENS DE MINISTER:

De Administrateur-generaal van de fiscaliteit,

C. SIX