Circulaire nr. Ci.RH.421/566.524 (AOIF 42/2004 - AFZ 18/2004) van 23.12.2004

VENNOOTSCHAPSBELASTING
Belastbare grondslag in de Ven.B.
Vrijgestelde winst

VRIJGESTELDE WINST
Erkend Belgisch audiovisueel werk
Maatregelen ter aanmoediging van de financiering van erkende Belgische audiovisuele werken (Tax Shelter) - art. 194ter, WIB 92.
Aan alle diensten van de sector taxatie.
Inhoudstafel
Nrs.
I.
INLEIDING 1 tot 3
II.
WETTEKST 4 en 5
VOORWERP VAN DE VRIJSTELLING - BETROKKEN BELASTINGPLICHTIGEN 6 tot 8
IV.
DEFINITIES - TOEPASSINGEN
1. Binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken 9 tot 13
2. Raamovereenkomst 14 tot 22
3. Erkend Belgisch audiovisueel werk 23 tot 30
4. Productie- en exploitatiekosten in België 31 tot 42
V.
VERBONDEN OF GESTORTE SOMMEN IN UITVOERING VAN EEN RAAMOVEREENKOMST
1. Principe : vrijstelling ten belope van 150 pct. van de aangewende sommen 43
2. Toepassing : verbintenis en storting van de sommen 44
3. Tegenpartij : schuldvorderingen en verwerving van eigendomsrechten 45
VI.
TIJDELIJKE VRIJSTELLING VAN DE VERBONDEN OF GESTORTE SOMMEN
1. Principe (tijdelijke en voorwaardelijke vrijstelling - definitieve vrijstelling) 46
2. Dubbele beperking per belastbaar tijdperk 47
3. Uitwerking : berekeningsgrondslag van de beperking 48
4. Berekeningswijze van de beperking 49 en 50
5. Overdracht bij onvoldoende winst 51 tot 53
VOORWAARDEN VOOR DE TOEKENNING EN VOOR HET BEHOUD VAN DE TIJDELIJKE VRIJSTELLING
1. Principe 54
2. Onaantastbaarheidsvoorwaarde 55
3. Voorwaarde m.b.t. de tijdelijke onoverdraagbaarheid van de rechten 56
4. Voorwaarde m.b.t. de maximale financiering van 50 pct. van het totale budget van de kosten voor het werk 57 tot 59
5. Voorwaarde m.b.t. de aanwending van de gestorte sommen 60 en 61
6. Voorwaarde m.b.t. de verdeling van de aangewende sommen ter uitvoering van de raamovereenkomst 62 tot 65
7. Overlegging van een afschrift van de raamovereenkomst en het attest van erkenning van het werk 66 tot 69
8. Overlegging van het attest van de RSZ 70 en 71
TERUGNEMING VAN DE TIJDELIJKE VRIJSTELLING
IX.
DEFINITIEVE VRIJSTELLING
1. Principe 74
2. Attest voorzien in art. 194ter, § 4, eerste lid, 7°, WIB 92 75 en 76
3. Attest voorzien in art. 194ter, § 4, eerste lid, 7°bis, WIB 92 77 en 78
4. Definitieve vrijstelling 79
X.
VERWORPEN UITGAVEN
1. Principe (art. 194ter, § 6, WIB 92) 80
2. Fiscale behandeling 81
XI.
NALATIGHEIDSINTERESTEN 82 en 83
BESCHIKKINGEN VAN DE EUROPESE COMMISSIE 84
INWERKINGTREDING 85
1. De programmawet van 2 augustus 2002 (BS 29.08.2002 - errata BS 13.11.2002) heeft specifieke fiscale bepalingen ingevoegd in het WIB 92, ten voordele van binnenlandse vennootschappen en Belgische inrichtingen van buitenlandse vennootschappen die sommen lenen of investeren met het oog op de financiering van de productie van een erkend Belgisch audiovisueel werk.
Art. 128 van de programmawet van 2 augustus 2002 heeft de bepalingen met betrekking tot de Ven.B, die opgenomen zijn onder Titel III, Hoofdstuk II, Afdeling III, van het WIB 92, aangevuld met een Onderafdeling IV met als titel "Ondernemingen die investeren in een raamovereenkomst voor de productie van een audiovisueel werk" waaronder art. 194ter is opgenomen.
Art. 194ter, WIB 92, voorziet in een vrijstelling van de belastbare inkomsten in de Ven.B, binnen bepaalde voorwaarden en grenzen, ten belope van 150 pct. van de verbonden en gestorte sommen, ter uitvoering van een raamovereenkomst gesloten met een binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken, met het oog op de financiering van de productie van een erkend Belgisch audiovisueel werk.
De vrijstelling is definitief verworven vanaf het ogenblik waarop alle voorwaarden van art. 194ter, WIB 92, zijn voldaan.
Dit nieuwe vrijstellingsregime wordt doorgaans "tax shelter" genoemd.
Art. 129 van de programmawet van 2 augustus 2002 heeft art. 416, WIB 92, aangevuld met een tweede lid om de regels vast te leggen volgens dewelke de nalatigheidsinteresten binnen het kader van het in art. 194ter, WIB 92, opgenomen stelsel, dienen te worden toegepast.
2. Art. 194ter, WIB 92, ingevoegd door art. 128 van de programmawet van 2 augustus 2002, werd gewijzigd door art. 291 van de programmawet van 22 december 2003 (BS 31.12.2003) en door art. 2 van de wet van 17 mei 2004 (BS 04.06.2004).
Art. 416, tweede lid, WIB 92, ingevoegd door art. 129 van de programmawet van 2 augustus 2002, werd gewijzigd door art. 292 van de programmawet van 22 december 2003 en door art. 3 van de wet van 17 mei 2004.
3. Al deze bepalingen, met uitzondering van een onderdeel van de definitie van het begrip Belgisch erkend audiovisueel werk, zijn van toepassing vanaf aanslagjaar 2004.
Deze circulaire bevat bijgevolg de commentaar op de art. 194ter en 416, tweede lid, WIB 92, zoals deze voor het laatst zijn gewijzigd bij de wet van 17 mei 2004.
4. Art. 194ter, WIB 92, zoals ingevoerd door art. 128 van de programmawet van 2 augustus 2002 (BS 29.08.2002 - errata BS 13.11.2002) en gewijzigd door art. 291 van de programmawet van 22 december 2003 (BS 31.12.2003) en door art. 2 van de wet van 17 mei 2004 (BS 04.06.2004).
"Artikel 194ter.§ 1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder :
1° binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken :
  • de vennootschap die als voornaamste doel de ontwikkeling en de productie van audiovisuele werken heeft;
  • niet zijnde een televisieomroep of een onderneming die verbonden is met Belgische of buitenlandse televisieomroepen;
2° raamovereenkomst voor de productie van een audiovisueel werk : de basisovereenkomst gesloten, naargelang het geval, tussen een binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken, enerzijds, en één of meerdere binnenlandse vennootschappen en/of één of meerdere belastingplichtigen bedoeld in artikel 227, 2°, anderzijds, voor de financiering van de productie van een erkend Belgisch audiovisueel werk met vrijstelling van de belastbare winst;
3° erkend Belgisch audiovisueel werk :
  • een langspeelfilm, een documentaire of een animatiefilm bestemd om in de bioscoop te worden vertoond, een lange fictiefilm voor televisie, een animatieserie of een documentaire voor televisie en die door de bevoegde diensten van de betrokken gemeenschap zijn erkend als Europees werk zoals bedoeld in de richtlijn "Televisie zonder grenzen" van 3 oktober 1989 (89/552/EEG), gewijzigd bij richtlijn 97/36/EG van 30 juni 1997 en bekrachtigd door de Franse Gemeenschap op 4 januari 1999, door de Vlaamse Gemeenschap op 25 januari 1995 en door het Brussels Hoofdstedelijk Gewest op 30 maart 1995;
  • waarvoor de productie- en exploitatiekosten die in België werden gedaan binnen een periode van ten hoogste 18 maanden vanaf de datum van afsluiting van de raamovereenkomst voor de productie van een audiovisueel werk, ten minste 150 pct. belopen van de totale sommen, die, anders dan in de vorm van leningen, in beginsel zijn aangewend voor de uitvoering van de raamovereenkomst met vrijstelling van winst overeenkomstig § 2;
4° de productie- en exploitatiekosten die in België werden gedaan : de exploitatiekosten en de financiële kosten waaruit beroepsinkomsten voortvloeien welke, ten name van de begunstigde, belastbaar zijn in de personenbelasting, in de vennootschapsbelasting of in de belasting van niet-inwoners, met uitzondering van de kosten vermeld in artikel 57 die niet worden verantwoord door individuele fiches en een samenvattende opgave, van de kosten vermeld in artikel 53, 9° en 10°, alsmede alle andere kosten die niet werden gedaan voor de productie of de exploitatie van het erkend werk.
In afwijking van het vorige lid, worden, wanneer de kosten, voor de begunstigde, de vergoeding van dienstverrichtingen vertegenwoordigen en wanneer de begunstigde een beroep doet op één of meerdere onderaannemers voor de verwezenlijking van deze dienstverrichtingen, deze kosten slechts als in België gedane kosten aangemerkt indien de vergoeding van de dienstverrichtingen van de onderaannemer of onderaannemers 10 pct. van de kosten niet overschrijdt. Deze voorwaarde wordt geacht te zijn vervuld wanneer de begunstigde zich hiertoe schriftelijk heeft verbonden, zowel ten aanzien van de vennootschap voor de productie als ten aanzien van de federale overheid.
Voor de berekening van het percentage bepaald in het vorige lid, wordt er geen rekening gehouden met de vergoedingen van de onderaannemers welke hadden kunnen worden beschouwd als in België gedane kosten indien deze onderaannemers rechtstreeks een contract zouden hebben aangegaan met de vennootschap voor de productie.
§ 2. Ten name van de vennootschap, niet zijnde een binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken of een televisieomroep, die in België een raamovereenkomst sluit voor de productie van een erkend Belgisch audiovisueel werk, wordt de belastbare winst binnen de grenzen en onder de hierna gestelde voorwaarden vrijgesteld ten belope van 150 pct., hetzij van de sommen die werkelijk door die vennootschap betaald zijn ter uitvoering van de raamovereenkomst, hetzij van de sommen waarvoor de vennootschap zich heeft verbonden deze te storten ter uitvoering van de raamovereenkomst.
De in het eerste lid bedoelde sommen kunnen worden aangewend voor de uitvoering van de raamovereenkomst, hetzij door de toekenning van leningen, voor zover de vennootschap geen kredietinstelling is, hetzij door het verwerven van rechten verbonden aan de productie en de exploitatie van het audiovisueel werk.
§ 3. Per belastbaar tijdperk wordt de vrijstelling als bedoeld in § 2 verleend ten belope van een bedrag beperkt tot 50 pct., met een maximum van 750 000 EUR, van de belastbare gereserveerde winst van het belastbaar tijdperk vastgesteld vóór de samenstelling van de vrijgestelde reserve bedoeld in § 4.
Indien een belastbaar tijdperk geen of onvoldoende winst oplevert om de sommen ter uitvoering van de raamovereenkomst te kunnen aanwenden, wordt de voor dat belastbaar tijdperk niet verleende vrijstelling achtereenvolgens overgedragen op de winst van de volgende belastbare tijdperken, waarbij de vrijstelling per belastbaar tijdperk nooit hoger mag zijn dan de in het vorige lid gestelde grenzen.
De vrijstelling waarop aanspraak gemaakt wordt uit hoofde van de sommen die met toepassing van § 2, eerste lid, werkelijk betaald zijn en van de in het tweede lid bedoelde overdracht wordt uiterlijk toegekend voor het aanslagjaar dat verband houdt met het belastbaar tijdperk dat het belastbaar tijdperk voorafgaat tijdens hetwelk het laatste van de in § 4, eerste lid, 7° en 7°bis, bedoelde attesten wordt ontvangen.
§ 4. De vrijstelling wordt slechts verleend en behouden wanneer :
1° de vrijgestelde winst op een afzonderlijke rekening van het passief van de balans geboekt is en blijft tot op de datum waarop het laatste van de in 7° en 7°bis bedoelde attesten wordt ontvangen;
2° de vrijgestelde winst niet tot grondslag dient voor de berekening van enige beloning of toekenning tot op de datum waarop het laatste van de in 7° en 7°bis bedoelde attesten wordt ontvangen;
3° de schuldvorderingen en de eigendomsrechten die werden verkregen bij het afsluiten of de uitvoering van de raamovereenkomst blijven behouden, zonder terugbetaling of retrocessie, in volle eigendom door de oorspronkelijke houder van deze rechten tot de verwezenlijking van het gereed product welke het afgewerkte audiovisueel werk is; de maximale duur van de onoverdraagbaarheid van de rechten welke voortvloeit uit hetgeen voorafgaat is evenwel beperkt tot een periode van 18 maanden vanaf de datum van het afsluiten van de raamovereenkomst bestemd voor de productie van een audiovisueel werk;
4° het totaal van de door het geheel van de binnenlandse vennootschappen of de Belgische inrichtingen van de belastingplichtigen bedoeld in artikel 227, 2°, die de overeenkomst hebben afgesloten daadwerkelijk gestorte sommen in uitvoering van de raamovereenkomst met vrijstelling van winst overeenkomstig § 2, niet meer bedraagt dan 50 pct. van het totale budget van de kosten voor het erkend Belgisch audiovisueel werk en het daadwerkelijk voor de uitvoering van dat budget werd aangewend;
5° het totaal van de sommen die ter uitvoering van de raamovereenkomst, in de vorm van leningen, zijn aangewend door het geheel van de binnenlandse vennootschappen of Belgische inrichtingen van de belastingplichtigen bedoeld in artikel 227, 2°, die de overeenkomst hebben gesloten, niet meer bedraagt dan 40 pct. van de sommen die ter uitvoering van de raamovereenkomst met vrijstelling van winst overeenkomstig § 2 zijn aangewend;
6° de vennootschap die aanspraak maakt op de vrijstelling een afschrift van de raamovereenkomst, alsmede een document waarin de betrokken Gemeenschap bevestigt dat het werk beantwoordt aan de definitie van een erkend Belgisch audiovisueel werk als bedoeld in het eerste streepje van § 1, eerste lid, 3°, overlegt binnen de termijn die bepaald is voor het indienen van de aangifte in de inkomstenbelasting voor het belastbaar tijdperk, en deze documenten bij de aangifte voegt;
7° de vennootschap die aanspraak maakt op het behoud van de vrijstelling een document overlegt waarin de controle waarvan de binnenlandse vennootschap voor de productie van het erkend Belgisch audiovisueel werk afhangt uiterlijk binnen vier jaar na het sluiten van de raamovereenkomst enerzijds verklaart dat de voorwaarden inzake de kosten in België overeenkomstig § 1, 3° en 4°, voor de in de raamovereenkomst bepaalde doeleinden door de binnenlandse vennootschap voor de productie van een audiovisueel werk, alsmede de in 4° en 5° bepaalde voorwaarden en grenzen zijn nageleefd en, anderzijds, dat de vennootschap die aanspraak maakt op de toekenning en het behoud van de vrijstelling de in § 2, eerste lid, bedoelde sommen werkelijk heeft betaald aan de binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken binnen een termijn van achttien maanden die aanvangt op de datum waarop de raamovereenkomst is gesloten;
7°bis de vennootschap die aanspraak maakt op het behoud van de vrijstelling een document overlegt waarin de betrokken Gemeenschap uiterlijk binnen vier jaar na het sluiten van de raamovereenkomst bevestigt dat de productie van het werk is voltooid en dat de globale financiering van het werk overeenkomstig dit artikel met naleving van de in 4° bepaalde voorwaarden en grenzen is uitgevoerd;
8° de binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken geen achterstallen heeft bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid op het moment van het afsluiten van de raamovereenkomst;
9° de in 1° tot 5° van deze paragraaf bedoelde voorwaarden op een ononderbroken wijze worden nageleefd.
Ingeval een of andere van deze voorwaarden gedurende enig belastbaar tijdperk niet langer wordt nageleefd of ontbreekt, wordt de voorheen vrijgestelde winst aangemerkt als winst van dat belastbare tijdperk. Ingeval de onder 7° en 7°bis vermelde attesten niet binnen vier jaar na het sluiten van de raamovereenkomst voor de productie van een audiovisueel werk worden verkregen door de vennootschap die aanspraak maakt op de vrijstelling, wordt de voorheen vrijgestelde winst aangemerkt als winst van het belastbare tijdperk tijdens hetwelk de termijn van vier jaar verstrijkt.
§ 4bis. In afwijking van § 4 en voor zover de in § 4, eerste lid, 7° en 7°bis, vermelde attesten worden ontvangen binnen de in § 4, eerste lid, 7° en 7°bis, vermelde periode van vier jaar, worden de sommen die overeenkomstig de §§ 2 tot 4 tijdelijk zijn vrijgesteld, definitief vrijgesteld vanaf het aanslagjaar dat verband houdt met het belastbaar tijdperk tijdens hetwelk het laatste van deze attesten wordt ontvangen.
§ 5. De raamovereenkomst voor de productie van een audiovisueel werk bevat de volgende verplichte vermeldingen :
1° de benaming en het maatschappelijk doel van de binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken;
2° de benaming en het maatschappelijk doel van de binnenlandse vennootschappen of de Belgische inrichtingen van belastingplichtigen bedoeld in artikel 227, 2°, die de raamovereenkomst hebben gesloten met de in 1° bedoelde vennootschap;
3° het totaal van de met toepassing van § 2 aangewende sommen evenals de juridische vorm, met een gedetailleerde opgave per bedrag, van die aangewende sommen ten name van elke deelnemende vennootschap vermeld onder 2°;
4° de identificatie en de beschrijving van het erkend audiovisueel werk dat het voorwerp uitmaakt van de raamovereenkomst;
5° het budget van de uitgaven die nodig zijn voor het audiovisueel werk in kwestie, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen het gedeelte dat ten laste wordt genomen door de binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken en het gedeelte dat gefinancierd wordt door elke binnenlandse vennootschap of Belgische inrichting van een belastingplichtige bedoeld in artikel 227, 2°, die aanspraak maakt op de vrijstelling bedoeld in § 2;
6° de overeengekomen wijze waarop de bedragen worden vergoed die, naar gelang van hun aard, worden aangewend bij de uitvoering van de raamovereenkomst;
7° de waarborg dat elke binnenlandse vennootschap of Belgische inrichting van een in artikel 227, 2°, bedoelde belastingplichtige die overeenkomstig 2° geïdentificeerd is noch een binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken, noch een televisieomroep is, evenals dat de geldschieters geen kredietinstellingen zijn;
8° de verbintenis van de binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken :
  • overeenkomstig § 1 in België uitgaven te doen ten belope van 150 pct. van het geïnvesteerde bedrag anders dan in de vorm van leningen;
  • het definitieve bedrag dat in beginsel wordt aangewend tot uitvoering van de raamovereenkomst met vrijstelling van winst te beperken tot ten hoogste 50 pct. van het budget van de totale uitgaven van het erkend Belgisch audiovisueel werk voor alle betrokken binnenlandse vennootschappen en Belgische inrichtingen van belastingplichtigen bedoeld in artikel 227, 2°, en om alle overeenkomstig § 2 gestorte bedragen daadwerkelijk aan te wenden voor de uitvoering van dit budget;
  • het totaal van de sommen die in de vorm van leningen zullen worden aangewend voor de uitvoering van de raamovereenkomst te beperken tot ten hoogste 40 pct. van de sommen die in beginsel zijn bestemd voor de uitvoering van de raamovereenkomst met vrijstelling van de winst voor alle betrokken binnenlandse vennootschappen en Belgische inrichtingen van belastingplichtigen bedoeld in artikel 227, 2°.
§ 6. De voorgaande bepalingen laten onverlet het recht van de vennootschap aanspraak te maken op de eventuele aftrek als beroepskosten van andere bedragen dan die vermeld in § 2 die eveneens besteed werden aan de productie van audiovisuele werken en dat binnen de voorwaarden vermeld in de artikelen 49 en volgende.
In afwijking van de artikelen 23, 48, 49 en 61, zijn kosten en verliezen, en ook waardeverminderingen, voorzieningen en afschrijvingen met betrekking tot, naargelang van het geval, de schuldvorderingen en de eigendoms- en exploitatierechten op het audiovisueel werk, die voortvloeien uit leningen of verrichtingen vermeld in § 2, niet aftrekbaar als beroepskosten of -verliezen, noch vrijgesteld."
5. Art. 416, tweede lid, WIB 92, zoals ingevoegd door art. 129 van de programmawet van 2 augustus 2002 (BS 29.08.2002) en gewijzigd door art. 292 van de programmawet van 22 december 2003 (BS 31.12.2003) en door art. 3 van de wet van 17 mei 2004 (BS 04.06.2004).
In afwijking van artikel 414 en onverminderd de toepassing van de artikelen 444 en 445, is op het gedeelte van de belasting dat proportioneel verband houdt met de gereserveerde sommen welke belastbaar worden overeenkomstig artikel 194ter, § 4, tweede lid, tengevolge van het niet naleven van de voorwaarden als bedoeld in § 4, eerste lid, 3° tot 7°bis, van hetzelfde artikel, een nalatigheidsinterest verschuldigd, berekend overeenkomstig artikel 414, vanaf 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd waarvoor de vrijstelling werd toegestaan.
III. VOORWERP VAN DE VRIJSTELLING - BETROKKEN BELASTINGPLICHTIGEN
1. Voorwerp van de vrijstelling
6. Volgens art. 194ter, § 2, WIB 92, wordt de belastbare winst, binnen de grenzen en onder de terzake gestelde voorwaarden, vrijgesteld, ten belope van 150 pct. van de door een binnenlandse vennootschap ter uitvoering van een raamovereenkomst voor de productie van een erkend Belgische audiovisueel werk aangewende sommen.
Deze sommen kunnen worden aangewend voor de uitvoering van de raamovereenkomst, hetzij door de toekenning van leningen, hetzij door het verwerven van rechten verbonden aan de productie en de exploitatie van het audiovisueel werk.
2. Betrokken belastingplichtigen
7. Het vrijstellingsregime is van toepassing op binnenlandse vennootschappen en op Belgische inrichtingen van in art. 227, 2°, WIB 92, bedoelde belastingplichtigen die een raamovereenkomst afsluiten voor de productie van een erkend Belgisch audiovisueel werk, met een binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken (zie nr. 9).
In de hierna volgende commentaar, zal er niet meer gesproken worden over Belgische inrichtingen van in art. 227, 2°, WIB 92, bedoelde belastingplichtigen, waarop de bepalingen van art. 194ter, WIB 92, mutatis mutandis van toepassing zijn krachtens art. 235, WIB 92.
3. Uitsluitingen
8. Art. 194ter, § 2, eerste lid, WIB 92, sluit de binnenlandse vennootschappen voor de productie van audiovisuele werken en de televisieomroepen uit van het in nr. 6 uiteengezette vrijstellingsregime.
Art. 194ter, § 2, tweede lid, WIB 92, voorziet bovendien in een beperkte uitsluiting voor de kredietinstellingen.
a) Binnenlandse vennootschappen voor de productie van audiovisuele werken
De binnenlandse vennootschappen voor de productie van audiovisuele werken zijn gedefinieerd in art. 194ter, § 1, eerste lid, 1°, WIB 92, (zie nr. 9).
b) Televisieomroepen
De televisieomroepen zijn niet gedefinieerd in art. 194ter, WIB 92.
Het recht van de Europese Unie omschrijft de televisieomroepen als ondernemingen die de redactionele verantwoordelijkheid dragen voor de samenstelling van schema's van televisieprogramma's die voor het publiek bestemd zijn en die deze uitzendt of deze laat uitzenden door derden (zie art. 1, a, van de Richtlijn 97/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 1997 die de richtlijn 89/552/EEG van de Raad, van 3 oktober 1989, betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de Lidstaten inzake de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten, PB L 202 van 30 juli 1997, blz. 60 tot 71 heeft gewijzigd).
De binnenlandse vennootschappen die beantwoorden aan deze definitie zijn bijgevolg uitgesloten van de in art. 194ter, WIB 92, voorziene vrijstelling.
c) Kredietinstellingen
Art. 194ter, § 2, tweede lid, WIB 92, sluit de kredietinstellingen uit van het vrijstellingsregime voor de onder de vorm van een lening aangewende sommen (zie nr. 6 en nr. 45) voor de uitvoering van een raamovereenkomst voor de productie van een erkend Belgisch audiovisueel werk.
Het betreft de in België gevestigde kredietinstellingen zoals bepaald in de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen.
Art. 194ter, WIB 92, definieert een aantal begrippen met het oog op de toepassing van het vrijstellingsregime.
9. Definitie : Art. 194ter, § 1, eerste lid, 1°, WIB 92, definieert de binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken als volgt :
  • de vennootschap die als voornaamste doel de ontwikkeling en de productie van audiovisuele werken heeft;
  • niet zijnde een televisieomroep of een onderneming die verbonden is met Belgische of buitenlandse televisieomroepen.
10. Draagwijdte van de definitie : Voor de toepassing van art. 194ter, WIB 92, is de binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken de vennootschap die een raamovereenkomst voor de productie van een erkend Belgisch audiovisueel werk sluit met een of meerdere binnenlandse vennootschappen en/of Belgische inrichtingen van in art. 227, 2°, WIB 92, bedoelde belastingplichtigen, met de bedoeling dat zij sommen aanwenden, met vrijstelling van belasting, voor de financiering van de productie van een erkend Belgisch audiovisueel werk.
Er wordt aan herinnerd dat (zie nr. 8) een binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken zelf niet kan genieten van de vrijstelling van Ven.B, zoals bedoeld in art. 194ter, WIB 92 (zie art. 194ter, § 2, eerste lid, WIB 92).
Uitwerking
a) Binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken
11. Het begrip "binnenlandse vennootschap" wordt omschreven in art. 2, WIB 92. De Belgische inrichtingen van de in art. 227, 2°, WIB 92, bedoelde belastingplichtigen worden dus niet bedoeld in de in art. 194ter, § 1, eerste lid, 1°, WIB 92, opgenomen definitie.
b) Voornaamste doel
12. Het voornaamste doel van de binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken moet bestaan in de ontwikkeling en de productie van audiovisuele werken.
Deze begrippen zijn niet omschreven in het WIB 92. Het betreft een geheel van activiteiten met het oog op het verzekeren van de productie van audiovisuele werken vanaf het ontwerp van een project en het zoeken naar financieringsbronnen tot de eindafwerking van het audiovisueel werk en de promotie ervan met het oog op zijn commercialisering.
Het begrip audiovisueel werk heeft op dit vlak een algemene betekenis en is dus verschillend van het begrip erkend Belgisch audiovisueel werk zoals omschreven in art. 194ter, § 1, eerste lid, 3°, WIB 92 (zie nr. 23).
De vraag of de activiteiten inzake ontwikkeling en productie van audiovisuele werken de voornaamste activiteiten uitmaken is een feitenkwestie die in de eerste plaats moet worden onderzocht op basis van de resultatenrekening en inzonderheid van de opbrengstenrekening van de vennootschap voor het betrokken boekjaar of de betrokken referteboekjaren. Het gaat hier over de kernactiviteit zelf van de vennootschap, waarbij andere eventueel uitgeoefende activiteiten een bijkomstig karakter hebben. Of de productieactiviteit de kernactiviteit uitmaakt zal beoordeeld worden op basis van een bepaald volume van activiteiten. Concreet zal een quasi-gelijkheid van de productieactiviteiten en de andere eventueel uitgeoefende activiteiten van een binnenlandse vennootschap niet volstaan om deze als een binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken, aan te merken.
Om te beoordelen of een binnenlandse vennootschap moet worden beschouwd als een binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken in de zin van art. 194ter, WIB 92, is het overigens niet noodzakelijk dat de activiteiten inzake ontwikkeling en productie van audiovisuele werken worden uitgeoefend op een afzonderlijke en autonome basis of in het kader van contracten van coproductie.
Art. 194ter, WIB 92, verbiedt geen hergroeperingen of intermediaire structuren tussen de binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken en de vennootschappen die sommen investeren en uitlenen in uitvoering van een raamovereenkomst (Parl. st. Kamer 2001-2002, nr. 50-1823/15, blz. 15), onverminderd evenwel de wettelijke verplichtingen die moeten worden nageleefd door de binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken.
Bij voorafgaande beslissing werd beslist dat een binnenlandse vennootschap die aan de hierna volgende voorwaarden voldoet, kan worden beschouwd als een binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken in de zin van art. 194ter, § 1, eerste lid, 1°, WIB 92 :
  • het maatschappelijk doel van de binnenlandse vennootschap kan als volgt worden samengevat : de selectie van werken; de verwezenlijking van de investering in het betrokken audiovisueel werk; het beheer en de controle; de controle op de financiële stromen die verband houden met de productie van de audiovisuele werken en, bijkomstig, aanvullende diensten;
  • de raamovereenkomsten die alle door art. 194ter, WIB 92, vereiste inlichtingen bevatten, zullen worden getekend door de investeerders en de binnenlandse vennootschap, met dien verstande dat elke raamovereenkomst betrekking heeft op slechts één enkel erkend Belgisch audiovisueel werk;
  • de in art. 194ter, § 1, eerste lid, 3° en 4°, WIB 92, bedoelde kosten zullen worden gedaan door de binnenlandse vennootschap voor de in de raamovereenkomsten beoogde doelstellingen;
  • de binnenlandse vennootschap zal alle voorwaarden naleven die worden opgelegd door art. 194ter, WIB 92;
  • de binnenlandse vennootschap is geen televisieomroep of een onderneming die verbonden is met Belgische of buitenlandse televisieomroepen;
  • aangezien de binnenlandse vennootschap een centraliserende rol speelt, zal het bij haar zijn dat de FOD Financiën, via haar controle, zal moeten nagaan of alle in art. 194ter, WIB 92, opgesomde voorwaarden per erkend Belgisch audiovisueel werk zijn verenigd; dienaangaande zal het verband tussen de productie- en de exploitatiekosten die in België werden gedaan volgens de doelstellingen voorzien in de raamovereenkomsten kunnen worden nagezien op grond van de analytische boekhouding die door de binnenlandse vennootschap voor de productie van een erkend Belgisch audiovisueel werk wordt gehouden.
c) Niet zijnde een televisieomroep of een onderneming die verbonden is met Belgische of buitenlandse televisieomroepen
13. Zowel de televisieomroepen zelf (zie nr. 8) als de ondernemingen die verbonden zijn met Belgische of buitenlandse televisieomroepen zijn uitgesloten van de definitie van binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken.
Aangezien de definitie slechts de binnenlandse vennootschappen betreft, moet voor de toepassing van art. 194ter, WIB 92, onder "verbonden ondernemingen" uitsluitend de verbonden vennootschappen in de zin van art. 11 van het Wetboek van vennootschappen worden verstaan.
14. Definitie : Art. 194ter, § 1, eerste lid, 2°, WIB 92, definieert de raamovereenkomst voor de productie van een audiovisueel werk als de basisovereenkomst gesloten, naargelang het geval, tussen een binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken, enerzijds, en één of meerdere binnenlandse vennootschappen en/of één of meer belastingplichtigen bedoeld in art. 227, 2°, WIB 92, anderzijds, voor de financiering van de productie van een erkend Belgisch audiovisueel werk met vrijstelling van belastbare winst.
15. Draagwijdte van de definitie : Het voorwerp en het doel van de raamovereenkomst is de financiering van de productie van een erkend Belgisch audiovisueel werk (zie nr. 23) met vrijstelling van de belastbare winst.
Uitwerking : m.b.t. de voormelde definitie kunnen de volgende verduidelijkingen worden verstrekt.
a) Contractuele vrijheid
16. De juridische vorm en de inhoud van de raamovereenkomst vallen onder de vrijheid van contracteren, onder voorbehoud van de grondvoorwaarden en de verplichte vermeldingen (zie nrs. 54 tot 71) zoals voorzien in art. 194ter, WIB 92.
b) Exclusief voorwerp
17. De raamovereenkomst moet de financiering van de productie van één enkel erkend Belgisch audiovisueel werk beogen.
c) Partijen betrokken bij de raamovereenkomst
18. Eenzelfde raamovereenkomst kan worden gesloten tussen een binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken en één of meer binnenlandse vennootschappen en/of één of meer Belgische inrichtingen van in art. 227, 2°, WIB 92, bedoelde belastingplichtigen.
d) Meerdere raamovereenkomsten
19. Art. 194ter, WIB 92, sluit de mogelijkheid van het gelijktijdig of opeenvolgend sluiten van meerdere raamovereenkomsten tussen een binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken en verschillende medecontractanten met het oog op de financiering van de productie van eenzelfde audiovisueel werk niet uit.
Het sluiten van opeenvolgende raamovereenkomsten zou als doel kunnen hebben de financiering van een in productie zijnde Belgisch audiovisueel werk dat door de bevoegde Gemeenschap werd erkend tijdens de productiefase (zie nrs. 23 en volgende), te vervolledigen met vrijstelling van belasting.
In geval van opeenvolgende raamovereenkomsten zullen de verschillende bij deze raamovereenkomsten betrokken partijen echter rekening moeten houden met de hierna opgesomde gevolgen :
(i) de termijnen voorzien in art. 194ter, WIB 92, met het oog op het behoud van de vrijstelling beginnen te lopen vanaf de datum van afsluiting van iedere raamovereenkomst, elk afzonderlijk beschouwd;
(ii) de naleving van de financieringsgrens (50 pct. van het totale budget van de kosten, zie nr. 57) die bepaald werd op het ogenblik van het afsluiten van één of meer voorheen gesloten raamovereenkomsten, zou in vraag kunnen worden gesteld door het afsluiten van een bijkomende raamovereenkomst (zie nr. 21).
Daarentegen moet de naleving van de voorwaarde inzake de kosten in België ten belope van 150 pct. van de totale sommen, die, anders dan in de vorm van leningen, in beginsel zijn aangewend voor de uitvoering van de raamovereenkomst (zie nrs. 31 en 38) en van de grens inzake financiering onder de vorm van leningen (maximum 40 pct. van de totale sommen aangewend ter uitvoering van de raamovereenkomst (zie nr. 62)) beoordeeld worden rekening houdend met elke raamovereenkomst afzonderlijk.
Tenslotte wordt de aandacht erop gevestigd dat gelet op het feit dat de voorwaarden en termijnen, op straffe van verval van de vrijstelling, van toepassing zijn op iedere belastingplichtige die investeert in een raamovereenkomst, het niet toegelaten is dat een belastingplichtige meerdere gelijktijdige of opeenvolgende raamovereenkomsten afsluit met het oog op de financiering van eenzelfde audiovisueel werk. In dergelijk geval zou het inderdaad onmogelijk zijn om in hoofde van deze belastingplichtige de aanvang van de in art. 194ter, § 4, eerste lid, 3°, 7° en 7°bis, WIB 92, (zie nr. 22) voorziene termijnen aan de datum van afsluiting van een welbepaalde raamovereenkomst te verbinden.
Hetgeen voorafgaat vormt geen belemmering voor een binnenlandse vennootschap om meerdere raamovereenkomsten af te sluiten die betrekking hebben op verschillende audiovisuele werken, binnen de grenzen en onder de voorwaarden voorzien in art. 194ter, WIB 92.
e) Avenanten aan de raamovereenkomsten
20. De eventuele avenanten aan de raamovereenkomsten mogen geen betrekking hebben op de essentiële elementen die het voorwerp uitmaken van een verplichte vermelding zoals bedoeld in art. 194ter, § 5, WIB 92 (zie nr. 68).
Inderdaad, rekening houdend met het feit dat de in art. 194ter, WIB 92, voorziene vrijstelling verbonden is aan de uitvoering van een raamovereenkomst, houdt dit een definitief karakter in wat betreft de essentiële bestanddelen van deze overeenkomst.
Ten name van iedere medecontractant kunnen inzonderheid, naast de datum van overeenkomst (zie nr. 22), de identificatie van het erkend Belgisch audiovisueel werk, de benaming en het maatschappelijk doel van de partijen in de overeenkomst, het bedrag van de aangewende sommen bij toepassing van art. 194ter WIB 92, de juridische vorm en de wijze van vergoeding van de sommen die zijn aangewend bij de uitvoering van de raamovereenkomst, als essentiële bestanddelen worden aangemerkt.
f) Meerdere binnenlandse vennootschappen voor de productie van audiovisuele werken
21. Art. 194ter, WIB 92, sluit de mogelijkheid tot het afsluiten van raamovereenkomsten door meerdere binnenlandse vennootschappen voor de productie van audiovisuele werken niet formeel uit.
De aandacht wordt echter gevestigd op het feit dat een dergelijke situatie alle betrokken partijen blootstelt aan het risico op het verlies van de vrijstelling ten name van alle investeerders en uitleners die een raamovereenkomst voor hetzelfde werk hebben gesloten, indien de voorwaarde - die op globaal niveau door art. 194ter, WIB 92, werd vastgesteld - niet wordt nageleefd (voorwaarde m.b.t. de maximale financiering van 50 pct. van het totale budget van de kosten; zie nr. 57).
g) Datum van afsluiting van de raamovereenkomst
22. De datum van afsluiting van de raamovereenkomst bepaalt de aanvang van de verschillende periodes voorzien in art. 194ter, WIB 92 :
  • periode van 18 maanden betreffende de in België gedane kosten (art. 194ter, § 1, eerste lid, 3°, WIB 92);
  • periode betreffende de onoverdraagbaarheid van de rechten van 18 maanden (art. 194ter, § 4, eerste lid, 3°, WIB 92);
  • periode van 18 maanden betreffende de werkelijke storting van de sommen (art. 194ter, § 4, eerste lid, 7°, WIB 92);
  • periode van 4 jaar voor overlegging van de attesten door de controle van de binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken en door de betrokken Gemeenschap (art. 194ter, § 4, eerste lid, 7° en 7°bis, WIB 92).
Art. 194ter, § 1, eerste lid, 2°, WIB 92, bepaalt dat de raamovereenkomst gesloten is met het oog op de financiering van de productie van een erkend Belgisch audiovisueel werk.
De raamovereenkomst moet worden gesloten met het oog op de financiering van de productie van een Belgisch audiovisueel werk dat erkend is door de betrokken Gemeenschap (zie nrs. 23 en v.). Er kan evenwel worden toegestaan dat een raamovereenkomst gesloten wordt alvorens de erkenning wordt verkregen, maar ten vroegste op datum van indiening van de aanvraag tot erkenning van het werk bij de betrokken Gemeenschap (zie nrs. 28 en v.). In dit geval spreekt het voor zich dat de vrijstelling slechts vanaf de datum van erkenning kan worden verleend overeenkomstig art. 194ter, § 2 en § 4, eerste lid, 6°, WIB 92. Bovendien beginnen de bovenvermelde periodes te lopen vanaf de datum van afsluiting van de raamovereenkomst, met inbegrip wanneer deze gesloten werd onder opschortende voorwaarde van de toekenning van de erkenning door de betrokken Gemeenschap.
23. Definitie : Art. 194ter, § 1, eerste lid, 3°, WIB 92, definieert het erkend Belgisch audiovisueel werk als volgt :
  • een langspeelfilm, een documentaire of een animatiefilm bestemd om in de bioscoop te worden vertoond, een lange fictiefilm voor televisie (zie nr. 26), een animatieserie of een documentaire voor televisie en die door de bevoegde diensten van de betrokken gemeenschap zijn erkend als Europees werk zoals bedoeld in de richtlijn "Televisie zonder grenzen" van 3 oktober 1989 (89/552/EEG), gewijzigd bij richtlijn 97/36/EG van 30 juni 1997 en bekrachtigd door de Franse Gemeenschap op 4 januari 1999, door de Vlaamse Gemeenschap op 25 januari 1995 en door het Brussels Hoofdstedelijk Gewest op 30 maart 1995;
  • waarvoor de productie- en exploitatiekosten die in België werden gedaan binnen een periode van ten hoogste 18 maanden vanaf de datum van afsluiting van de raamovereenkomst voor de productie van een audiovisueel werk, ten minste 150 pct. belopen van de totale sommen, die, anders dan in de vorm van leningen, in beginsel zijn aangewend voor de uitvoering van de raamovereenkomst met vrijstelling van winst overeenkomstig § 2;
24. Draagwijdte van de definitie : Art. 194ter, WIB 92, is van toepassing op de binnenlandse vennootschappen die in België een raamovereenkomst afsluiten voor de productie van een erkend Belgisch audiovisueel werk.
Krachtens art. 194ter, § 4, eerste lid, 6°, WIB 92, voegt de vennootschap die aanspraak maakt op de vrijstelling bij haar aangifte Ven.B van het belastbaar tijdperk waarvoor de vrijstelling wordt gevraagd een document waarin de betrokken Gemeenschap bevestigt dat het werk beantwoordt aan de definitie van een erkend Belgisch audiovisueel werk (zie nr. 67).
Uitwerking :
a) Aard van het werk
25. Het audiovisueel werk moet behoren tot één van de in het eerste gedachtestreepje van de definitie opgesomde categorieën.
De beoogde categorieën van werken zijn :
  • de langspeelfilm, de documentaire film, de animatiefilm, bestemd om in de bioscoop getoond te worden;
  • de animatieserie voor televisie;
  • de documentaire voor televisie.
De indeling van de werken volgens deze categorieën valt onder de bevoegdheid van de Gemeenschappen.
26. De categorie "lange fictiefilm voor televisie" werd aan deze lijst toegevoegd door art. 2, 1°, a, van de wet van 17 mei 2004. Deze categorie beoogt de lange fictiefilms voor televisie van meer dan 52 minuten, die op zichzelf staan of deel uitmaken van een reeks of een feuilleton. Met name de reality shows, de talk shows worden ervan uitgesloten en meer algemeen de uitzendingen die hoofdzakelijk in studio worden opgenomen, met een beperkt aantal decors en/of met meerdere camera's (Parl.st. 2003-2004, nr. 51-730/3).
Deze uitbreiding is slechts van toepassing vanaf 1 januari 2006, behalve indien een KB vastgelegd na overleg in de Ministerraad bepaalt dat deze bepaling in werking treedt op een vroegere datum (art. 4, W 17.05. 2004).
b) Erkenning van het werk
27. Het werk moet als een Europees werk worden erkend door de bevoegde diensten van één van de Gemeenschappen bedoeld in art. 2 van de Grondwet (de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap en de Duitstalige Gemeenschap).
Het begrip Europees werk wordt gedefinieerd in art. 6 van de Richtlijn 89/552/EEG van de Raad van 3 oktober 1989, betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de Lidstaten inzake de uitoefening van televisieomroepactiviteiten, gewijzigd bij de Richtlijn 97/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 1997 (zie nr. 8).
De erkenning van een audiovisueel werk als een Europees werk, met het oog op de toekenning van het statuut van erkend Belgisch audiovisueel werk voor de toepassing van art. 194ter, WIB 92, valt onder de exclusieve bevoegdheid van de betrokken Gemeenschap.
c) Erkenningsprocedure
28. Art. 194ter, WIB 92, bepaalt de erkenningsprocedure niet.
De aanvraag tot erkenning wordt ingediend door de binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken of door zijn gevolmachtigde.
Zoals reeds werd vermeld (zie nr. 12, vijfde lid), kan de productie van een erkend Belgisch audiovisueel werk worden uitgevoerd in het kader van een contract van coproductie, volgens een wijdverspreid gebruik eigen aan deze sector. In dit geval komt het de binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken (zie nr. 9) toe te waken over de goede uitvoering van de raamovereenkomst, overeenkomstig de bepalingen van art. 194ter, WIB 92.
29. De aanvraag tot erkenning moet uitsluitend gericht worden aan de betrokken Gemeenschap, aan de hierna aangeduide dienst :
  • voor de Vlaamse Gemeenschap :
oud adres:
Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap
Afdeling Media en Film
North Plaza B
Koning Albert II-laan 7
1210 Brussel
Tel : 02/553.46.88 - Fax : 02/553.46.72
E-mail : film@vlaanderen.be
nieuw adres sinds juni 2006:
Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap
Departement Cultuur, Jeugd, Sport en Media
Arenbergstraat 9
1000 Brussel
Tel : 02/553.45.50 - Fax : 02/553.45.79
E-mail : film@vlaanderen.be

  • voor de Franse Gemeenschap :
Ministère de la Communauté française de Belgique
Service général de l'Audiovisuel et des Multimédias
Boulevard Léopold II 44
1080 Bruxelles
Tel : 02/413.22.31 - Fax : 02/413.20.68
E-mail : emmanuel.roland@cfwb.be

  • voor de Duitstalige Gemeenschap :
Ministerium der Deutschsprachigen Gemeinschaft Belgiens
Abteilung Kulturelle Angelegenheiten
Gospertstrasse 1
4700 Eupen
Tel : 087/59.63.39 - fax : 087/55.64.76
E-mail : alfred.belleflamme@dgov.be

Hiertoe zal de aanvrager zich beroepen op de praktische modaliteiten van de betrokken Gemeenschap met het oog op het indienen en het onderzoek van de aanvraag tot erkenning.
De aanvraag tot erkenning kan zowel betrekking hebben op een project waarvoor de eigenlijke productiefase nog niet is aangevat als op een lopend project met het oog op de financiering van de kosten voor het vervolg van de productie, onder voorbehoud van de opmerkingen in nr. 22, derde lid, betreffende de datum van afsluiting van de raamovereenkomst.
d) Gevolg van de erkenning
30. De erkenning als Europees werk is een noodzakelijke maar niet voldoende voorwaarde om het werk als een erkend Belgisch audiovisueel werk te kwalificeren.
Het als een Europees werk erkend audiovisueel werk moet bovendien voldoen aan de voorwaarden inzake de kosten in België, zoals bepaald in art. 194ter, § 1, eerste lid, 3°, WIB 92, om in aanmerking te komen als erkend Belgisch audiovisueel werk (zie nrs. 31 en v.).
31. Voorwaarde : Krachtens art. 194ter, § 1, eerste lid, 3°, WIB 92, moet het audiovisuele werk het voorwerp uitmaken van productie- en exploitatiekosten, die in België a rato van tenminste 150 pct. van de totale sommen anders dan in de vorm van leningen, werden gedaan, en die in beginsel met vrijstelling van winst zijn aangewend voor de uitvoering van de raamovereenkomst overeenkomstig art. 194ter, § 2, WIB 92.
Deze kosten moeten gedaan worden binnen een periode van ten hoogste 18 maanden vanaf de datum van afsluiting van de raamovereenkomst voor de productie van een audiovisueel werk.
32. Draagwijdte : De naleving van de voorwaarde betreffende de kosten in België is een conditio sine qua non, die volledig moet nageleefd worden op straffe van de volledige terugname van de vrijstelling voorzien in art. 194ter, WIB 92.
Uitwerking :
a) Aard van de kosten: productie- en exploitatiekosten
33. Terwijl de raamovereenkomst uitsluitend de financiering van de productie van een erkend Belgische audiovisueel werk tot doel heeft, zijn de kosten die in aanmerking genomen worden met het oog op de naleving van de "territorialiteitsvoorwaarde", de productie- en exploitatiekosten die de binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken voor de in de raamovereenkomst voor de productie van een audiovisueel werk bepaalde doeleinden in België heeft gedaan.
Komen bijgevolg in aanmerking, de kosten verbonden aan het gehele productiebudget (kosten gedetailleerd in de samenvattende kostenraming), alsook de exploitatiekosten eigen aan de productievennootschap, zoals de kosten verbonden aan de lancering en aan de promotie van het werk na de eigenlijke productiefase (zie Parl. st. Kamer 2001-2002, nr. 50-1823/15, blz. 19).
De in België gedane kosten, die voor andere doeleinden zijn gedaan dan die voorzien in een raamovereenkomst zoals omschreven in art. 194ter, § 1, eerste lid, 2°, WIB 92 (zie nrs. 14 en v.), komen niet in aanmerking bij de beoordeling van de in art. 194ter, § 1, eerste lid, 3°, WIB 92, gestelde voorwaarde.
Het spreekt vanzelf dat kosten zoals deze verbonden aan de reproductie en de commercialisering van de dragers van audiovisuele werken (uitgifte van DVD, VHS cassettes, enz.) alsmede aan de merchandising en aan de commerciële exploitatie van de afgeleide rechten van het audiovisueel werk via industriële processen niet tot deze categorie van in aanmerking komende kosten behoren.
b) Voorwaarden m.b.t. het al dan niet in aanmerking komen van kosten in België
34. De in art. 194ter, WIB 92, bedoelde productie- en exploitatiekosten zijn de exploitatiekosten en de financiële kosten waaruit beroepsinkomsten voortvloeien welke, ten name van de begunstigde, belastbaar zijn in de Ven.B, de PB, BNI/ven., of BNI/nat.pers., met uitzondering van (i) de kosten vermeld in art. 57, WIB 92, die niet worden verantwoord door individuele fiches en een samenvattende opgave, (ii) de kosten vermeld in art. 53, 9° en 10°, van hetzelfde Wetboek, alsmede (iii) alle andere kosten die niet werden gedaan voor de productie of exploitatie van het erkend werk (art. 194ter, § 1, eerste lid, 4°, WIB 92).
35. Uit de definitie volgt dat :
  • Alleen de exploitatiekosten en de financiële kosten bedoeld zijn, met uitsluiting van de investeringsuitgaven die geboekt zijn op het actief van de balans van de binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken.
  • Deze kosten omvatten de personeelskosten die direct verbonden zijn aan de productie en aan de exploitatie (zie nr. 33) van het audiovisuele werk door de binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken. Het betreft, bijvoorbeeld, de betaalde lonen aan figuranten en aan technici in uitvoering van een arbeidscontract van bepaalde duur, alsook over de gage die betaald is aan acteurs, onder voorbehoud van hetgeen hierna volgt.
  • De kosten moeten gedaan zijn in België, met andere woorden moeten zij belastbare beroepsinkomsten uitmaken ten name van de dienstverrichter of ten name van diegene die een levering van goederen doet die exploitatiekosten uitmaken voor de binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken.
Het gaat om inkomsten die belastbaar zijn in de Ven.B of in de BNI/ven., in de PB of in de BNI/nat.pers. (winsten of baten, bezoldigingen, roerende, onroerende en diverse inkomsten met beroepskarakter).
De gages van buitenlandse acteurs en de vergoedingen van buitenlandse dienstverrichters worden in dat opzicht in aanmerking genomen voorzover zij daadwerkelijk aan de BNI onderworpen zijn, onder de vorm van BV en/of via regularisatie, overeenkomstig de bepalingen opgenomen in de overeenkomsten ter voorkoming van dubbele belasting en in art. 227 en v. van het WIB 92.
  • De gages en de vergoedingen die door de binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken betaald zijn aan rijksinwoners voor in het buitenland uitgevoerde prestaties met het oog op de productie van een erkend audiovisueel werk vormen in beginsel belastbare inkomsten in de PB overeenkomstig art. 155, WIB 92, of art. 156, 2°, WIB 92, en kunnen voortaan worden aangemerkt als kosten die gedaan zijn in België.
  • De sociale werkgevers- en werknemersbijdragen die betrekking hebben op de gages en vergoedingen van acteurs, figuranten en technici, enz. kunnen eveneens worden aanvaard zoals de eigenlijke bezoldigingen, voorzover zij definitief gestort zijn aan een in België gevestigde instelling voor sociale zekerheid.
  • Zijn uitgesloten : de in art. 57, WIB 92, vermelde kosten, die niet worden verantwoord door individuele fiches en een samenvattende opgave, de kosten vermeld in art. 53, 9° en 10°, WIB 92, alsmede alle andere kosten die niet werden gedaan voor de productie of de exploitatie van het erkend werk.
Zijn inzonderheid niet gedaan voor de productie of de exploitatie van het erkend werk, de kosten met privékarakter, en dit onverminderd de fiscale behandeling van dit soort kosten met het oog op de bepaling van belastbare inkomsten ten name van de binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken of ten name van de begunstigden van enige voordelen die voortvloeien uit dergelijke uitgaven.
c) Onderaanneming
36. Art. 194ter, § 1, tweede en derde lid, WIB 92, bevat een bepaling die voorziet dat de aan de binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken gefactureerde dienstverrichtingen daadwerkelijk worden belast ten name van de begunstigde (de dienstverrichter) in België.
Dienaangaande verduidelijkt art. 194ter, § 1, tweede lid, WIB 92, dat de dienstverrichtingen waarvoor de dienstverrichter een beroep doet op één of meerdere onderaannemers slechts als in België gedane kosten aangemerkt worden indien de vergoeding van de dienstverrichtingen van de onderaannemer of onderaannemers 10 pct. van de kosten niet overschrijdt.
Deze voorwaarde wordt geacht vervuld te zijn wanneer de dienstverrichter die met de binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken handelt, zich schriftelijk heeft verbonden, zowel ten aanzien van de vennootschap voor de productie van audiovisuele werken als ten aanzien van de federale overheid (de controledienst van de FOD Financiën waarvan de binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken afhangt), om geen diensten in onderaanneming voor deze binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken te verrichten die meer dan 10 pct. van het totale bedrag van de gefactureerde kosten exclusief BTW uitmaken (op basis van één of meerdere facturen).
De schriftelijke verbintenis is facultatief en is een weerlegbaar vermoeden. In geval van het in gebreke blijven van de dienstverrichter zullen de betrokken kosten worden uitgesloten voor toepassing van art. 194ter, WIB 92, ongeacht de eventuele verhaalmogelijkheden tussen de partijen.
Art. 194ter, § 1, derde lid, WIB 92, verduidelijkt dat er voor de berekening van de hierboven vermelde 10 pct. geen rekening wordt gehouden met de vergoedingen van onderaannemers welke hadden kunnen worden beschouwd als in België gedane kosten indien deze onderaannemers rechtstreeks een contract zouden hebben aangegaan met de binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken.
37. Voorbeeld :
Een studio onderworpen aan de Ven.B factureert zijn diensten in verband met speciale effecten voor 100.000 EUR (excl. BTW) aan een binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken. Hij verbindt zich niet schriftelijk om voor niet voor meer dan 10 pct. beroep te doen op onderaannemers. Indien de studio beroep heeft gedaan op diensten van onderaannemers voor 25.000 EUR, zal met de 100.000 EUR geen rekening worden gehouden voor de berekening van de voorwaarde inzake kosten in België, behalve wanneer de onderaannemers zelf belastbaar zijn in de PB, de Ven.B, of de BNI ten belope van minstens 15.000 EUR, zodat enkel 10.000 EUR of 10 pct. van het door de studio gefactureerde totale bedrag niet belastbaar is in België in hoofde van de onderaannemer of onderaannemers.
d) Berekeningsbasis en hoogte van de kosten
38. De kosten moeten in beginsel de drempel van 150 pct. belopen van de totale sommen, die, anders dan in de vorm van leningen (zie nr. 45), in beginsel zijn aangewend voor de uitvoering van een raamovereenkomst met vrijstelling van winst overeenkomstig art. 194ter, WIB 92.
In het geval waarin meerdere raamovereenkomsten zouden afgesloten zijn voor éénzelfde werk, moet de voorwaarde inzake kosten voor iedere raamovereenkomst afzonderlijk nageleefd worden. Het niet naleven van deze voorwaarde voor een raamovereenkomst zal dus niet noodzakelijk de vrijstelling op de helling zetten voor de andere raamovereenkomsten voor de productie van hetzelfde audiovisueel werk.
Bij het nazicht van deze voorwaarde, dient men erover te waken dat elke in aanmerking genomen kost slechts één keer voor eenzelfde raamovereenkomst en voor eenzelfde werk aangerekend worden (een analytische boekhouding moet dus worden bijgehouden per werk, ongeacht ook het aantal raamovereenkomsten, door de binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken die deze uitgaven draagt). In geval van meerdere raamovereenkomsten wordt de volgorde van aanrekening van de kosten tussen de verschillende raamovereenkomsten niet vastgesteld door de wettelijke bepaling. Het komt de partijen toe deze vraag op de volgens hen meest geschikte wijze op te lossen.
Het bedrag van de kosten moet in beginsel ten minste 150 pct. belopen van de totale sommen, die, anders dan in de vorm van leningen, in beginsel zijn aangewend voor de uitvoering van een raamovereenkomst met vrijstelling van winst. De basis waarop de coëfficiënt van 150 pct. wordt toegepast, is het bedrag van de totale sommen zoals voorzien in de raamovereenkomst, die, anders dan in de vorm van leningen, in beginsel aangewend zijn voor de uitvoering ervan, met andere woorden door het verwerven van rechten verbonden aan de productie en de exploitatie van het audiovisueel werk.
In dit opzicht, heeft het feit dat de sommen in kwestie niet daadwerkelijk zijn vrijgesteld in hoofde van de investerende vennootschap omwille van de in art. 194ter, § 2, WIB 92, vermelde grenzen (zie nr. 47) of omwille van elke andere reden geen invloed op de beoordeling van de naleving van de voorwaarde inzake de kosten in België gedaan door de binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken.
e) Periode
39. De bedoelde kosten moeten in België gedaan zijn binnen een periode van ten hoogste 18 maanden vanaf de datum van afsluiting van de raamovereenkomst.
Om de datum te bepalen waarop de kosten zijn gedaan, wordt verwezen naar de voorwaarden voor de aftrekbaarheid van beroepskosten (nrs. 49/1.1 en v., Com.IB 92).
De kosten gedaan vóór de datum van afsluiting van de raamovereenkomst en de kosten gedaan na de periode van 18 maanden vanaf de datum van afsluiting van de raamovereenkomst worden uitgesloten door art. 194ter, § 1, eerste lid, 3°, WIB 92.
Het begin en het einde van de periode van 18 maanden vermeld in art. 194ter, WIB 92, moeten strikt worden toegepast.
Bijgevolg zal er moeten over gewaakt worden dat de datum van de raamovereenkomst niet betwistbaar is, dit om te vermijden dat de kosten verworpen worden bij de beoordeling van de voorwaarde vermeld in art. 194ter, § 1, eerste lid, 3° en 4°, WIB 92, door de controle van de binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken (zie nrs. 22 en 76).
De kosten moeten inderdaad daadwerkelijk gedaan zijn binnen de periode van 18 maanden vanaf de datum van afsluiting van de raamovereenkomst voor de productie van een erkend Belgisch audiovisueel werk, voor de in de raamovereenkomst bepaalde doeleinden (art. 194ter, § 1, eerste lid, 2° en 3° en § 4, eerste lid, 7°, WIB 92).
40. Bij herfacturatie van aan de productie verbonden uitgaven of kosten, door de coproducenten aan de binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken, zal men zich ervan vergewissen dat de geherfactureerde dienstprestaties of de leveringen van goederen gedaan zijn binnen de periode van 18 maanden zoals hierboven is bepaald, en dit onverminderd de toepassing van de bepalingen 26 en 49, WIB 92. De geherfactureerde uitgaven en kosten moeten inderdaad toebehoren aan de binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken om als aftrekbaar aanvaard te worden ten zijnen name.
f) Financiële kosten : bijzondere gevallen
41. De financiële kosten betaald door de binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken aan leninggevers ter uitvoering van een raamovereenkomst worden niet uitgesloten door art. 194ter, WIB 92, als in België gedane productie- en exploitatiekosten.
Art. 194ter, WIB 92, bevat bovendien geen bijzondere uitsluiting voor de financiële kosten betaald door de binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken aan leveranciers of aan dienstverrichters die eveneens leningen zouden verstrekken in uitvoering van een raamovereenkomst, zodat de financiële kosten die aan dergelijke begunstigden zijn betaald, in beginsel als in België gedane productie- en exploitatiekosten worden beschouwd.
Er dient geval per geval te worden nagekeken of de leningen in kwestie werkelijk zijn toegekend om de productie van het erkend Belgisch audiovisueel werk te financieren (zie nrs. 61 en 76).
g) Attest
42. De naleving van de voorwaarde m.b.t. de aanwending van kosten in België overeenkomstig art. 194ter, § 1, eerste lid, 3° en 4°, WIB 92, door de binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken voor de in de raamovereenkomst voor de productie van een audiovisueel werk bepaalde doeleinden zal worden nagekeken door de controle Vennootschappen waarvan de binnenlandse vennootschap voor de productie van een erkend Belgisch audiovisueel werk afhangt.
Het attest moet uiterlijk worden overgelegd binnen vier jaar na het sluiten van de raamovereenkomst, op straffe van het volledige verlies van de vrijstelling (art. 194ter, § 4, eerste lid, 7°, WIB 92).
Deze termijn (oorspronkelijk vastgesteld op 2 jaar) kan gemakkelijk worden nageleefd rekening houdend met het feit dat "het gaat om een eenvoudig attest (dat met name de opgave van de gemaakte kosten vermeldt) en niet om een omstandige belastingcontrole" (Parl. st. Kamer 2001-2002, nr. 50-1823/15, blz. 19).
Rekening houdend met de gevolgen verbonden aan de voorwaarde van kosten in België in hoofde van de totaliteit van de investeerders, komt het de aanslagambtenaar toe het naleven van deze voorwaarde nauwgezet maar met een open geest te beoordelen, in het bijzonder met betrekking tot de grens van 150 pct., zoals zulks ook werd gepreciseerd in de parlementaire werkzaamheden (Parl. st. Kamer 2003-2004, nr. 51/27, blz. 13).
43. Overeenkomstig art. 194ter, § 2, eerste lid, WIB 92, wordt de belastbare winst vrijgesteld ten belope van 150 pct., hetzij van de sommen die werkelijk door een binnenlandse vennootschap betaald zijn ter uitvoering van een raamovereenkomst, hetzij van de sommen waarvoor de vennootschap zich heeft verbonden deze te storten ter uitvoering van de raamovereenkomst.
De sommen in kwestie kunnen worden aangewend voor de uitvoering van de raamovereenkomst, hetzij door de toekenning van leningen, hetzij door het verwerven van rechten verbonden aan de productie en de exploitatie van het audiovisueel werk (art.194ter, § 2, tweede lid, WIB 92).
De vennootschappen die uitgesloten zijn van het vrijstellingsregime, zijn omschreven in nr. 8, supra.
44. Het bedrag dat is vrijgesteld binnen de grenzen en onder de in art. 194ter, WIB 92, gestelde voorwaarden, kan vrijgesteld worden van de winst van het belastbaar tijdperk waarin de verbintenis tot storting op een zekere en onherroepelijke manier is aangegaan.
Indien de storting van de sommen in uitvoering van een lening of met het oog op de verwerving van rechten verbonden aan de productie en exploitatie van het audiovisueel werk niet is uitgevoerd in de loop van het belastbaar tijdperk waarin de raamovereenkomst, die de verbintenis bevat, is afgesloten, zal de vrijstelling alsnog kunnen worden gevraagd voor de periode waarin de éénmalige storting is gedaan of voor de periodes waarop de gespreide stortingen betrekking hebben.
Er zal worden op toegezien dat de vrijstelling geen twee keer voor hetzelfde bedrag wordt gevraagd, een eerste keer bij de verbintenis en vervolgens bij de storting van de verbonden sommen.
In de gevallen waarin de vrijstelling wordt bepaald door een verbintenis, is de werkelijke storting binnen de 18 maanden na afsluiting van de raamovereenkomst noodzakelijk voor het behoud van de vrijstelling. Een attest dat door de controle, bevoegd voor de binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken, wordt overgelegd binnen de vier jaar na datum van afsluiting van de raamovereenkomst, zal moeten bevestigen of de effectieve storting of stortingen binnen de vermelde periode van 18 maanden is of zijn gedaan (art. 194ter, § 4, eerste lid, 7°, WIB 92).
Tenslotte, zullen enkel de gestorte sommen vanaf de datum van het afsluiten van de raamovereenkomst met betrekking tot een erkend Belgisch audiovisueel werk overeenkomstig art. 194ter, § 1, WIB 92, in aanmerking worden genomen om de vrijstelling ten belope van 150 pct. van hun bedrag te verlenen.
45. De sommen die in aanmerking worden genomen, moeten het voorwerp uitmaken van een verbintenis met betrekking tot een toekenning van een geldlening of met betrekking tot de verwerving van rechten verbonden aan de productie of exploitatie van het erkend Belgisch audiovisueel werk.
De leningen moeten toegekend zijn aan de binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken en de rechten, verbonden aan de productie en de exploitatie van het erkend Belgisch audiovisueel werk, moeten verworven zijn bij de binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken die medecontractant is in de raamovereenkomst.
Art. 194ter, § 4, eerste lid, 3°, WIB 92, beoogt de "schuldvorderingen en de eigendomsrechten die werden verkregen bij het afsluiten of de uitvoering van de raamovereenkomst" om de voorwaarde inzake minimale bewaartermijn van deze rechten voor het behoud van vrijstelling vast te stellen (zie nr. 56).
Art. 194ter, § 5, 3° en 6°, WIB 92, preciseert om die reden dat de raamovereenkomst de volgende verplichte vermeldingen moet bevatten :
  • het totaal van de met toepassing van art. 194ter, § 2, WIB 92, aangewende sommen evenals de juridische vorm, met een gedetailleerde opgave per bedrag, van die aangewende sommen ten name van elke investeerder en leninggever die de raamovereenkomst heeft afgesloten;
  • de overeengekomen wijze waarop de aangewende bedragen worden vergoed, naargelang van hun aard, bij de uitvoering van de raamovereenkomst (zie nr. 68).
Art. 194ter, § 4, eerste lid, 4° en 5°, WIB 92, voorziet bovendien voorwaarden m.b.t. de toekenning en het behoud van de vrijstelling die gekoppeld zijn aan de verbonden en gestorte sommen ter uitvoering van een raamovereenkomst: deze sommen mogen niet meer bedragen dan 50 pct. van het budget van de totale uitgaven van het audiovisuele werk en maximum 40 pct. van deze aangewende sommen ter uitvoering van de raamovereenkomst mag gebeuren onder de vorm van leningen. Het gaat echter over voorwaarden die verband houden met het audiovisueel werk en met de raamovereenkomst, zodat zij worden gecommentarieerd bij de bespreking van de algemene vrijstellingsvoorwaarden (zie nrs. 57 en 62)
46. Art. 194ter, §§ 2 tot 5, WIB 92, voert een vrijstellingsregime in twee fasen in. In de eerste fase wordt een tijdelijke en voorwaardelijke vrijstelling toegekend.
Het oorspronkelijk vrijgestelde bedrag wordt, hetzij definitief en onvoorwaardelijk vrijgesteld op het einde van de periode van maximum vier jaar die aanvangt op de datum van afsluiting van de raamovereenkomst, hetzij belast wanneer de voorziene voorwaarden voor de definitieve vrijstelling niet zijn nageleefd op het einde van deze periode.
47. Art. 194ter, § 3, eerste lid, WIB 92, bepaalt een dubbele begrenzing per belastbaar tijdperk voor de in § 2 vermelde vrijstelling van de sommen :
  • De in art. 194ter, § 2, WIB 92, bedoelde vrijstelling (met name 150 pct. van de verbonden of gestorte sommen ter uitvoering van de raamovereenkomst, zie nr. 43) is beperkt tot een maximum van 50 pct. van de belastbare gereserveerde winst van het belastbaar tijdperk, vastgesteld vóór de aanleg van de vrijgestelde reserve bedoeld in art. 194ter, § 4, eerste lid, 1°, WIB 92 (bedrag geboekt op een afzonderlijke rekening van het passief).
  • Het aldus beperkte bedrag ten belope van 50 pct. van de belastbare gereserveerde winst van het belastbaar tijdperk mag niet meer bedragen dan 750.000 EUR, met name 150 pct. van een verbonden bedrag van maximum 500.000 EUR, onverminderd de mogelijkheid tot spreiding van de excedenten over de volgende belastbare tijdperken (zie nr. 51).
48. De beperking van 50 pct. wordt berekend op basis van de belastbare gereserveerde winst. Het betreft het bedrag van de belastbare winst van het belastbaar tijdperk vastgesteld vóór de aanleg van de vrijgestelde reserve op grond van art. 194ter, WIB 92.
In de praktijk gaat het om de aangroei van de belastbare gereserveerde winst van het belastbaar tijdperk (code 020 in vak I, A van het formulier 275.1) vóór de aanleg van de vrijgestelde reserve.
Er dient te worden opgemerkt dat de berekeningsbasis van de in art. 194ter, § 3, eerste lid, WIB 92, vermelde grens niet dezelfde is als deze vermeld in art. 194quater, WIB 92, met betrekking tot de investeringsreserve (begrip van "het gereserveerde belastbare resultaat" bedoeld in art. 194quater, § 2, eerste lid, WIB 92).
Niettegenstaande deze bijzonderheid, stelt de berekening van de in art. 194ter, § 3, eerste lid, WIB 92, vermelde beperking dezelfde toepassingsproblemen als deze vermeld in art. 194quater, § 2, WIB 92, (cfr. circ. Ci.RH.421/563.842 van 24.06.2004), in die zin dat de vrijgestelde reserve die beperkt is volgens de in art. 194ter, § 3, WIB 92, vermelde dubbele beperking, het bedrag van de belastbare gereserveerde winst beïnvloedt, die op zijn beurt een aanpassing van het bedrag van "de geraamde belastingschuld" vóór de bepaling van de vrijgestelde reserve tot gevolg heeft.
Het bedrag van de geraamde belastingschuld moet boekhoudkundig worden uitgedrukt en in mindering worden gebracht van de winst van het boekjaar en worden toegevoegd aan de "verworpen uitgaven" Na opeenvolgende aanpassingen, moet de maximale vrijgestelde reserve overeenstemmen met 50 pct. van de aangepaste gereserveerde belastbare winst, behalve in het geval dat de grens van 750.000 EUR wordt bereikt.
Iteratieve berekening
49. De iteratieve berekening bestaat uit een proces van opeenvolgende aanpassingen in de vorm van een tabel die toelaat het definitieve bedrag van de vrijgestelde reserve te bepalen.
Dienaangaande kan mutatis mutandis gebruik worden gemaakt van de iteratieve methode voorgesteld in de circ. Ci.RH. 421/563.842 van 24.06.2004.
Berekeningsprogramma
50. Een bestand, dat kan worden gedownload, zal ter beschikking worden gesteld op de site van de FOD Financiën (http://www.fiscus.fgov.be). Dit bestand maakt het mogelijk de vrijgestelde reserve op een geautomatiseerde manier te bepalen op basis van de in aanmerking te nemen gereserveerde winst, de verrekenbare bestanddelen en de voorlopige belastbare basis.
Er wordt aan herinnerd dat de in aanmerking te nemen belastbare gereserveerde winst voor elk van deze berekeningsmethodes overeenstemt met de positieve beweging van de belaste reserves van het belastbaar tijdperk (boekhoudkundige reserves en onzichtbare reserves), dus na aanpassing in meer of in min van de begintoestand van de reserves en vóór aanleg van de vrijgestelde reserve op basis van art. 194ter, WIB 92.
Principe
51. Art. 194ter, § 3, tweede lid, WIB 92, vermeldt dat indien een belastbaar tijdperk geen of onvoldoende winst oplevert om de sommen ter uitvoering van de raamovereenkomst te kunnen aanwenden, de voor dat belastbaar tijdperk niet verleende vrijstelling achtereenvolgens wordt overgedragen op de winst van de volgende belastbare tijdperken, waarbij de vrijstelling per belastbaar tijdperk nooit hoger mag zijn dan de in art. 194ter, § 3, eerste lid, WIB 92, gestelde grenzen. Het bedrag van de belastbare grondslag beïnvloedt deze overdracht niet.
Voorbeeld
  • Verbonden of gestort bedrag: 100.000 EUR
  • In beginsel vrijstelbaar bedrag: 150.000 EUR
  • Bedrag beperkt tot 50 pct. van de belastbare gereserveerde winst na aanpassing (bij voorbeeld): 85.000 EUR
  • Bedrag over te dragen naar het volgende boekjaar: 65.000 EUR
Wanneer in de loop van het belastbaar tijdperk eveneens een verbintenis werd aangegaan een bedrag te storten dat verband houdt met het volgend aanslagjaar, zal voor de berekening van de grens van 50 pct. op basis van de belastbare gereserveerde winst van het volgend aanslagjaar het overgedragen bedrag van 65.000 EUR worden toegevoegd aan het in beginsel vrijstelbaar bedrag voor dat aanslagjaar.
In geen geval kan het vrijgesteld bedrag voor een aanslagjaar meer bedragen dan 750.000 EUR.
Begrenzing van de vrijstelling en van de overdracht in de tijd
52. Overeenkomstig art. 194ter, § 3, derde lid, WIB 92, wordt de vrijstelling waarop aanspraak gemaakt wordt ingevolge werkelijk betaalde sommen bij toepassing van art. 194ter, § 2, eerste lid, en ingevolge de in art. 194ter, § 3, tweede lid, WIB 92, bedoelde overdracht, uiterlijk toegekend tijdens het aanslagjaar dat verband houdt met het belastbaar tijdperk dat het belastbaar tijdperk voorafgaat tijdens hetwelk het laatste van de in art. 194ter, § 4, eerste lid, 7° en 7°bis, WIB 92, bedoelde attesten wordt ontvangen (zie nrs. 74 en v.).
Deze bepalingen voorzien dat de attesten in kwestie moeten worden overgelegd uiterlijk binnen de vier jaar na afsluiting van de raamovereenkomst.
53. Rekening houdend met het feit dat de tijdelijke vrijstelling wordt toegekend ten vroegste voor het aanslagjaar dat verband houdt met het belastbaar tijdperk tijdens hetwelk de overeenkomst is afgesloten, zal de mogelijkheid van overdracht zich uitstrekken over maximum drie belastbare tijdperken, wanneer de attesten zijn overgelegd op het einde van de periode van vier jaar. Er wordt echter niet uitgesloten dat de attesten worden overgelegd vanaf het tweede jaar, zodat in dat geval de overdracht zou worden geweigerd op basis van art. 194ter, § 3, derde lid, WIB 92.
Voorbeeld
  • Raamovereenkomst afgesloten op 15 december 2004
  • Maximale periode voor de overlegging van de attesten: 15 december 2008
  • Balans op 31 december
  • Vrijstelling gevraagd voor aanslagjaar 2005
  • Laatste attest overgelegd op 5 januari 2008 : overdracht tot 2007 (aanslagjaar 2008)
  • Laatste attest overgelegd op 20 december 2005: enkel de vrijstelling toegekend voor het belastbaar tijdperk 2004 (aanslagjaar 2005) zal worden aanvaard, zonder mogelijkheid tot overdracht.
In dit geval is de vrijstelling definitief verloren voor de excedentaire bedragen.
In de hypothese waarin de belastingplichtige opeenvolgend meerdere raamovereenkomsten afsluit (met betrekking tot verschillende audiovisuele werken, zie nr. 19) dient te worden verduidelijkt met welke raamovereenkomst de bedragen verband houden waarvoor de vrijstelling wordt gevraagd (bedragen gekoppeld aan de verbintenis of aan de daadwerkelijke storting, naar keuze van de belastingplichtige) en welke overgedragen bedragen, rekening houdend dat de datum van afsluiting van de raamovereenkomst en de datum van overlegging van het laatste ermee verband houdend attest, bepalend zullen zijn.
54. Art. 194ter, § 4, eerste lid, WIB 92, onderwerpt de toekenning en het behoud van de vrijstelling van de sommen bepaald overeenkomstig de §§ 2 en 3 (zie nrs. 46 en v.) aan een geheel van voorwaarden.
De naleving van deze voorwaarden in de terzake voorziene periode is voorgeschreven op straffe van verval van de tijdelijke vrijstelling (zie nr. 72).
Wanneer alle voorwaarden worden nageleefd in de periodes, wordt de vrijstelling definitief en onvoorwaardelijk.
Art. 194ter, § 5, WIB 92, formaliseert deze voorwaarden door verplichte vermeldingen die in de raamovereenkomst moeten worden opgenomen.
Het betreft vermeldingen die noodzakelijk zijn voor de geldigheid van de raamovereenkomst, gelet op de definitie die er aan is gegeven door art. 194ter, § 1, eerste lid, 2° en, bijgevolg, voor de toekenning van de vrijstelling.
Deze vermeldingen vormen overigens een contractuele garantie tussen de partijen wat betreft de draagwijdte en de naleving van hun wederzijdse verbintenissen.
55. De overeenkomstig art. 194ter, §§ 2 en 3, WIB 92, vrijgestelde winst moet op een afzonderlijke rekening van het passief geboekt zijn. Deze winst mag niet tot grondslag dienen voor de berekening van enige beloning of toekenning tijdens de ganse periode waarop de voorwaarden van toepassing zijn.
Deze voorwaarden moeten op een ononderbroken wijze worden nageleefd (zie art. 194ter, § 4, eerste lid, 9°, WIB 92) tot op de datum waarop de laatste van de in § 4, 7° en 7°bis bedoelde attesten wordt ontvangen, met name uiterlijk binnen de vier jaar van de afsluiting van de raamovereenkomst (zie nr. 74).
56. Overeenkomstig art. 194ter, § 2, tweede lid, WIB 92, worden de sommen aangewend voor de uitvoering van de raamovereenkomst, hetzij door de toekenning van leningen, hetzij door het verwerven van rechten verbonden aan de productie en de exploitatie van het erkend Belgisch audiovisueel werk (zie nr. 45).
Art. 194ter, § 4, eerste lid, 3°, WIB 92, voorziet dat de schuldvorderingen en de eigendomsrechten die werden verkregen bij het afsluiten of de uitvoering van de raamovereenkomst behouden blijven, zonder terugbetaling of retrocessie, in volle eigendom door de oorspronkelijke houder van deze rechten tot bij de verwezenlijking van het gereed product, met name het afgewerkte audiovisueel werk.
De hiervoor bedoelde maximale duur van de onoverdraagbaarheid van de rechten is evenwel beperkt tot een periode van 18 maanden vanaf de datum van het afsluiten van de raamovereenkomst voor de productie van een audiovisueel werk.
De schuldvorderingen en de eigendomsrechten kunnen worden overgedragen binnen de termijn van 18 maanden volgend op de datum van afsluiting van de raamovereenkomst voorzover het audiovisueel werk is voltooid.
Deze situatie kan zich voordoen bij een raamovereenkomst die een afsluitende financiering van een werk in uitvoering tot doel heeft (zie nr. 19).
Om elke betwisting te vermijden omtrent de datum waarop het werk kan worden beschouwd als zijnde voltooid, wordt er aanbevolen dat de overdragende vennootschap, voorafgaand aan de datum van overdracht, het in art. 194ter, § 4, eerste lid, 7°bis, WIB 92, vermelde attest van de betrokken Gemeenschap verkrijgt.
Om te vermijden dat de regel wordt omzeild, verduidelijkt de bepaling dat de rechten in volle eigendom moeten behouden blijven, zonder terugbetaling of retrocessie.
De voorwaarde van onoverdraagbaarheid geldt op een ononderbroken wijze voor de ganse looptijd zoals hierboven bepaald (art. 194ter, § 4, eerste lid, 9°, WIB 92).
De wet voorziet in geen enkele maximale houdbaarheidsduur van de rechten, zodat de vrijheid van contracteren op dit niveau de bovenhand heeft.
Tenslotte wordt de aandacht speciaal gevestigd op het feit dat de waardebepaling van de schuldvorderingen en de rechten verbonden aan het audiovisueel werk, zowel op het ogenblik van de vaststelling of de verwerving van deze rechten als bij hun eventuele overdracht na de hierboven omschreven periode van onoverdraagbaarheid, geregeld wordt door de gemeenrechtelijke waarderingsregels op boekhoudkundig en fiscaal vlak evenals door de regels die inzake verrekenprijzen van toepassing zijn. De diensten belast met de controle van de vennootschappen en van de natuurlijke personen die betrokken zijn bij deze overdrachten zullen bij verrichtingen van verwerving of overdracht van rechten aan medecontractanten die in België of in het buitenland gevestigd zijn waken over de toepassing van art. 26, 79, 185, § 2, 207 en 344, § 2, WIB 92.
Dezelfde voorzorgen zullen worden genomen bij de controle van de aanvragen van voorafgaande beslissing, in het bijzonder wanneer de raamovereenkomst voorafbepaalde voorwaarden en modaliteiten bij de overdracht van de rechten voorziet, in het voorkomende geval door middel van optiecontracten betreffende aankoop of verkoop, promessen tot aankoop, recht van voorkoop, enz., ten voordele van de binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken of derden.
Principe
57. Het totaal van de overeenkomstig art. 194ter, § 2, WIB 92, werkelijk gestorte sommen in uitvoering van de raamovereenkomst met vrijstelling van winst door alle binnenlandse vennootschappen of de Belgische inrichtingen van de in art. 227, 2°, WIB 92, bedoelde belastingplichtigen, die deze overeenkomst hebben afgesloten mag niet meer bedragen dan 50 pct. van het totale budget van de kosten voor het erkend Belgisch audiovisueel werk (zie nr. 84 : beschikking van de Europese Commissie m.b.t. de steunintensiteit).
Het gaat in casu over het totale budget van de kosten voor de productie (te onderscheiden van de voorwaarden m.b.t. de overeenkomstig art. 194ter, § 1, eerste lid, 3°, WIB 92, in België gedane productie- en exploitatiekosten; zie nr. 33).
Wanneer meerdere raamovereenkomsten werden gesloten met het oog op de financiering van eenzelfde audiovisueel werk, moet de grens van 50 pct. worden geverifieerd rekening houdend met de totaliteit van de daadwerkelijk gestorte sommen in uitvoering van het geheel van de raamovereenkomsten.
Het totaal van de werkelijk gestorte sommen in uitvoering van de raamovereenkomst moet bovendien daadwerkelijk aangewend zijn voor de uitvoering van het totale budget van de kosten voor de productie (zie nr. 60).
Begrenzing
58. De grens van 50 pct. wordt bepaald op grond van het totaal budget van de kosten van de productie van het audiovisueel werk.
In geval van coproductie mogen de verbonden sommen bij de binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken ter uitvoering van een raamovereenkomst slechts een minderheid vertegenwoordigen van de totale productie. Niettemin zal de grens van 50 pct. berekend worden op het totaal budget van de coproductie.
Voorbeeld 1
  • de binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken staat in voor de financiering van 100 pct. van het totaal budget van de productie;
  • indien het totaal budget 1000 bedraagt, mag het totaal van de verbonden sommen op basis van art. 194ter, WIB 92, maximum 500 bedragen;
  • deze 500 kunnen recht geven op een vrijstelling ten bedrage van maximum 750, en zullen kunnen verdeeld worden tussen minimum 300 in de vorm van rechten m.b.t. het werk en maximum 200 in de vorm van leningen;
  • deze, met het oog op de verwerving van de rechten van het werk verbonden som van 300, moeten kosten in België ten belope van minimum 450 met zich meebrengen.
Voorbeeld 2
  • de binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken staat in voor de financiering van 10 pct. van het budget van een internationale coproductie;
  • indien het totaal budget 1000 bedraagt, financiert zij dus de productie ten belope van 100;
  • voor dit totaal budget van 1000, zou het totaal van de verbonden sommen op basis van art. 194ter, WIB 92, theoretisch maximaal 500 bedragen;
  • het gedeelte van de Belgische coproducent, zijnde 100, kan volledig worden gefinancierd met toepassing van art. 194ter, WIB 92 (minimum 60 in de vorm van audiovisuele rechten; kosten in België van minimum 90).
Toepassing
59. Daar waar het behoud van de vrijstelling onderworpen is aan de voorwaarde van werkelijke betaling van de verbonden sommen binnen een termijn van 18 maanden die aanvangt op de datum waarop de raamovereenkomst is gesloten (art. 194ter, § 4, eerste lid, 7°, WIB 92; zie nr. 76), heeft de voorwaarde inzake maximale financiering betrekking op deze werkelijk betaalde sommen. De verbonden sommen die niet gestort zijn binnen een periode van 18 maanden, hetzij in de vorm van een lening, hetzij voor de verwerving van rechten, kunnen inderdaad geen recht geven op het behoud van de vrijstelling.
Hiertoe moet een onderscheid gemaakt worden tussen het geraamd budget van het werk, waarmee rekening wordt gehouden op het ogenblik van het afsluiten van de raamovereenkomst, en het daadwerkelijk afgesloten totaal budget van de kosten van het werk dat voor de toepassing van deze voorwaarde in aanmerking wordt genomen.
Het is op basis van het finale budget en niet op basis van eenvoudige ramingen dat de naleving van de financieringsvoorwaarde van maximaal 50 pct. moet worden nagekeken ten name van de binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken, hetgeen moet bevestigd worden door de controle waarvan deze vennootschap afhangt en evenals door de betrokken Gemeenschap, overeenkomstig art. 194ter, § 4, eerste lid, 7° en 7°bis, WIB 92.
De binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken moet er bijgevolg zorg voor dragen dat alle verantwoordingsstukken die nodig zijn voor het nazicht van deze voorwaarden door de bevoegde diensten (afschrift van de raamovereenkomsten, finaal budget van de kosten, daadwerkelijk gestorte sommen in uitvoering van de raamovereenkomst, data van de stortingen, bewijs van daadwerkelijke aanwending voor de uitvoering van het budget), worden voorgelegd.
In geval van coproductie, en in het bijzonder in geval van internationale coproductie, zal de binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken de passende maatregelen moeten nemen opdat de definitieve rekeningen van het totaal budget van de productie of de eensluidend verklaarde afschriften van de originelen ter beschikking gesteld kunnen worden van de bevoegde diensten.
Principe
60. Het totaal van de daadwerkelijk gestorte sommen in uitvoering van de raamovereenkomst met vrijstelling van winst, binnen de 18 maanden vanaf de ondertekening van deze raamovereenkomst, moet aangewend zijn voor de uitvoering van het totale budget van de kosten van de productie van het audiovisueel werk.
In dit opzicht wordt er aan herinnerd dat de raamovereenkomst gedefinieerd wordt als de basisovereenkomst gesloten voor de financiering van de productie van een erkend Belgisch audiovisueel werk met vrijstelling van de belastbare winst.
Draagwijdte
61. De aandacht wordt gevestigd op het feit dat de in nr. 60 vermelde voorwaarde uitdrukkelijk werd toegevoegd aan art. 194ter, § 4, eerste lid, 4°, WIB 92, om te vermijden dat de daadwerkelijk gestorte sommen in uitvoering van een raamovereenkomst zouden worden vrijgesteld terwijl deze sommen - omwille van juridische en feitelijke omstandigheden met betrekking tot hun storting - niet daadwerkelijk bijdragen tot de financiering van de productie van het audiovisueel werk en aan de uitvoering van het productiebudget.
Dat zal inzonderheid het geval zijn wanneer de uitgeleende sommen gestort zijn op een geblokkeerde rekening op naam van de leninggever, de uitgeleende sommen gestort zijn op het einde van de periode van 18 maanden vanaf de datum vanaf afsluiting van de raamovereenkomst en terugbetaald worden aan de leninggever bijvoorbeeld de dag na hun storting of een korte tijd na deze storting, wanneer de wettelijke periode inzake tijdelijke onoverdraagbaarheid van de in art. 194ter, § 1, eerste lid, 3°, WIB 92, bedoelde rechten is verstreken (zie nrs. 56 en v.).
De controle van de voorwaarde inzake aanwending impliceert een gedetailleerd onderzoek van het financieringsplan van het werk teneinde te kunnen verifiëren of dit volledig en exact is. Het financieringsplan moet, rekening houdend met de afgesloten overeenkomsten en genomen beslissingen, alle financieringsbronnen vermelden (totaal voor de uitvoering van een raamovereenkomst aangewende sommen, hetzij door de toekenning van leningen, hetzij door het verwerven van rechten, inbrengen van (co)producenten, overheidssteun voor de productie, voorverkoop van uitzendrechten, voorschotten van verdelers, deelnemingen, enz.).
Sommen die zouden verbonden zijn op grond van een raamovereenkomst terwijl de financiering van het budget volledig verzekerd is door andere bronnen die, niet beoogd zijn in art. 194ter, WIB 92, kunnen niet worden beschouwd als sommen gestort in uitvoering van een raamovereenkomst afgesloten met het oog op de financiering van de productie van het audiovisueel werk.
Een raamovereenkomst kan als niet tegenstelbaar tegen de administratie worden beschouwd en worden geherkwalificeerd in een gewone lening en/of een gewone overdracht van rechten verbonden aan een audiovisueel werk op basis van art. 344, WIB 92, omwille van het feit dat de feitelijke en juridische omstandigheden toelaten af te leiden dat zij geheel of gedeeltelijk afgesloten is ter vermijding van belastingen en niet met het oog op het bijdragen tot de financiering van de productie van het audiovisueel werk.
Bovendien moet men er zich van vergewissen op grond van de afgesloten overeenkomsten dat de verrichtingen werkelijk gedaan zijn en dat de partijen er alle gevolgen van aanvaarden, waarbij elke simulatie gedaan met het oog op het ten onrechte bekomen van de vrijstelling voorzien in artikel 194ter, WIB 92, moet worden tegengegaan.
Principe
62. Het totaal van de sommen die ter uitvoering van de raamovereenkomst, in de vorm van leningen, zijn aangewend door alle binnenlandse vennootschappen of Belgische inrichtingen van de in art. 227, 2°, WIB 92, vermelde belastingplichtigen die deze overeenkomst hebben afgesloten, mag niet meer bedragen dan 40 pct. van de sommen die ter uitvoering van de raamovereenkomst met vrijstelling van winst overeenkomstig art. 194ter, § 2, WIB 92, zijn aangewend.
Draagwijdte en gevolg
63. Het bedrag van de aangewende sommen in de vorm van leningen ter uitvoering van de raamovereenkomst mag niet meer bedragen dan 40 pct. van het totaal van de aangewende sommen zodat het saldo moet worden verbonden aan de verwerving van rechten verbonden aan de productie en de exploitatie van het audiovisueel werk (zie art. 194ter, § 2, tweede lid, WIB 92).
Art. 194ter, § 5, 8°, WIB 92, voorziet dat de raamovereenkomst verplicht de verbintenis van de binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken moet bevatten om het totaal van de sommen die in de vorm van leningen zullen worden aangewend voor de uitvoering van de raamovereenkomst te beperken tot ten hoogste 40 pct. van de sommen die in beginsel zijn bestemd voor de uitvoering van de raamovereenkomst met vrijstelling van de winst voor alle betrokken binnenlandse vennootschappen en Belgische inrichtingen van belastingplichtigen bedoeld in art. 227, 2°, WIB 92.
De grens van 40 pct. moet globaal worden nageleefd, per raamovereenkomst en niet per investeerder/leninggever :
"Overeenkomstig artikel 194ter, § 5, 8°, derde gedachtestreepje, wordt het totaalbedrag van de sommen die in de vorm van leningen worden aangewend voor de uitvoering van de raamovereenkomst, beperkt tot ten hoogste 40 pct. van de sommen, bestemd voor de uitvoering van de raamovereenkomst met vrijstelling van de winst voor alle betrokken binnenlandse vennootschappen." (Parl. st. Kamer 2001-2002, nr. 50-1823/15, blz. 17)
64. Het bedrag van 40 pct. moet worden bekeken in functie van het totaal van de in beginsel aangewende sommen ter uitvoering van de raamovereenkomst, onafhankelijk van het feit dat deze sommen al dan niet aanleiding hebben gegeven tot een vrijstelling van winst ten name van de belastingplichtigen die ze hebben verbonden, inzonderheid rekening houdend met de grenzen voorzien in art. 194ter, § 2, WIB 92 (zie nr. 47).
65. Het niet naleven van deze voorwaarde brengt het volledige verlies van de in uitvoering van de in aanmerking genomen raamovereenkomst gevraagde tijdelijke vrijstelling met zich mee en dit ten name van alle binnenlandse vennootschappen die deze overeenkomst hebben afgesloten.
Principe
66. Volgens art. 194ter, § 4, eerste lid, 6°, WIB 92, moet bij de aangifte in de vennootschapsbelasting met betrekking tot het aanslagjaar waarvoor voor de eerste maal de tijdelijke vrijstelling is gevraagd overeenkomstig art. 194ter, §§ 2 en 3, WIB 92, een afschrift worden gevoegd van de raamovereenkomst die de verplichte vermeldingen van art. 194ter, § 5, WIB 92, bevat.
Attest
67. Het attest van de betrokken Gemeenschap dat vaststelt dat het audiovisueel werk erkend is als een Europees werk met het oog op de kwalificatie als een erkend Belgisch audiovisueel werk overeenkomstig art. 194ter, § 1, eerste lid, 3°, WIB 92, moet eveneens bij deze aangifte worden gevoegd. Geen enkele bijzondere vormvereiste is hieromtrent voorgeschreven.
Het attest zal evenwel volgende gegevens moeten bevatten :
  • duidelijke identificatie van het werk;
  • de vermelding dat de binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken verklaart de voorwaarden voorzien in artikel 194ter, § 1, eerste lid, 1°, WIB 92, na te leven.
Verplichte vermeldingen van de raamovereenkomst
68. Art. 194ter, § 5, WIB 92, somt de vermeldingen op die verplicht moeten voorkomen in de raamovereenkomst, waarvan een afschrift bij de aangifte moeten worden gevoegd opdat deze raamovereenkomst de vrijstelling naar behoren kan verrechtvaardigen.
Deze bepalingen, die een neerslag zijn van de voornaamste hierboven vermelde voorwaarden, zijn :
a) De benaming en het maatschappelijk doel van de binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken.
De bepaling van het maatschappelijk doel strekt ertoe te beoordelen, naast andere beoordelingselementen, of de binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken beantwoordt aan de definitie van art. 194ter, § 1, eerste lid, 1°, WIB 92 (zie nrs. 9 tot 13).
b) De benaming en het maatschappelijk doel van de binnenlandse vennootschappen of de Belgische inrichtingen van belastingplichtigen bedoeld in art. 227, 2°, WIB 92, die de raamovereenkomst hebben gesloten met de in a ) bedoelde vennootschap.
De bepaling van het maatschappelijk doel strekt er eveneens toe te beoordelen, naast andere beoordelingselementen, of de vennootschappen die de raamovereenkomst afsluiten, beantwoorden aan de voorwaarde rationae personae om aanspraak te maken op de vrijstelling (zie nrs. 7 en 8 en g infra).
c) Het totaal bedrag van de met toepassing van art. 194ter, § 2, WIB 92, aangewende sommen evenals de juridische vorm, met een gedetailleerde opgave per bedrag, van die aangewende sommen ten name van elke deelnemende vennootschap vermeld onder b ).
Deze vermeldingen bepalen de contractueel verbonden sommen, op grond waarvan de vrijstelling principieel kan worden gevraagd overeenkomstig art. 194ter, §§ 2 en 3, WIB 92.
Zij beogen bovendien het financieringspercentage te verduidelijken dat op basis van art. 194ter, WIB 92, wordt verzekerd, in verhouding tot het totaal budget (zie nr. e ), infra) van de kosten van het audiovisueel werk (zie derde voorwaarde, nrs. 57 tot 59) en het maximaal verbonden bedrag in de vorm van leningen (zie vierde voorwaarde, nrs. 60 en 61).
d) De identificatie en de beschrijving van het erkend Belgisch audiovisueel werk dat het voorwerp uitmaakt van de raamovereenkomst (zie nrs. 23 tot 30).
e) Het (in dit stadium geraamde) budget van de uitgaven die nodig zijn voor het audiovisueel werk in kwestie, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen het gedeelte dat ten laste wordt genomen door de binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken en het gedeelte dat gefinancierd wordt door elke binnenlandse vennootschap of Belgische inrichting van een belastingplichtige bedoeld in art. 227, 2°, WIB 92, die aanspraak maakt op de vrijstelling bedoeld in art. 194ter, § 2, WIB 92.
Deze gegevens strekken ertoe om samen met de gegevens voorzien in c ) hierboven, de grenzen van 50 pct. (zie nrs. 57 tot 59) en van 40 pct. (zie nrs. 60 en 61) te controleren.
f) De overeengekomen wijze waarop de bedragen worden vergoed die, naar gelang van hun aard, worden aangewend bij de uitvoering van de raamovereenkomst.
De raamovereenkomst moet de voorwaarden vaststellen volgens dewelke de leningen, toegekend aan de binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken, worden vergoed evenals de rechten verbonden aan de productie en de exploitatie van het audiovisueel werk, die in uitvoering van de raamovereenkomst worden overgedragen aan de investeerders.
Deze vermeldingen m.b.t. de leningen en de investeringen moeten bovendien de controlediensten waarvan de binnenlandse vennootschappen die een raamovereenkomst hebben gesloten afhangen, evenals de binnenlandse vennootschappen voor de productie van audiovisuele werken, toelaten bij hen te controleren of de uitvoeringsvoorwaarden van de overeenkomsten zijn gesloten tegen normale voorwaarden (rentevoet; waardering van de rechten op het werk bij hun verwerving door de binnenlandse investerende vennootschappen en bij hun eventuele overdracht aan de binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken of aan derden).
g) De waarborg dat elke binnenlandse vennootschap of Belgische inrichting van een in art. 227, 2°, WIB 92, bedoelde belastingplichtige die overeenkomstig b) geïdentificeerd is noch een binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken, noch een televisieomroep is, evenals dat de leninggevers geen kredietinstellingen zijn.
h) de verbintenis van de binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken :
  • overeenkomstig art. 194ter, § 1, WIB 92, in België uitgaven te doen ten belope van 150 pct. van het geïnvesteerde bedrag anders dan in de vorm van leningen (zie nrs. 31 tot 42);
  • het definitieve bedrag dat in beginsel wordt aangewend tot uitvoering van de raamovereenkomst met vrijstelling van winst te beperken tot ten hoogste 50 pct. van het budget van de totale uitgaven van het erkend Belgisch audiovisueel werk voor alle betrokken binnenlandse vennootschappen en Belgische inrichtingen van belastingplichtigen bedoeld in art. 227, 2°, WIB 92, en om alle overeenkomstig art. 194ter, § 2, WIB 92, gestorte bedragen daadwerkelijk aan te wenden voor de uitvoering van dit budget (zie c);
  • het totaal van de sommen die in de vorm van leningen zullen worden aangewend voor de uitvoering van de raamovereenkomst te beperken tot ten hoogste 40 pct. van de sommen die in beginsel zijn bestemd voor de uitvoering van de raamovereenkomst met vrijstelling van de winst voor alle betrokken binnenlandse vennootschappen en Belgische inrichtingen van belastingplichtigen bedoeld in art. 227, 2°, WIB 92, (zie c).
Door deze uitdrukkelijke vermeldingen kan de binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken haar verbintenissen formaliseren om de voorwaarden voor de toekenning en het behoud van de vrijstelling te respecteren in het voordeel van de binnenlandse vennootschappen en de Belgische inrichtingen van belastingplichtigen bedoeld in art. 227, 2°, WIB 92, die deze raamovereenkomst afsluiten.
Gevolgen
69. De opsomming van de in art. 194ter, § 5, WIB 92, verplichte vermeldingen is een voorwaarde voor de geldigheid van de raamovereenkomst voor de productie van een audiovisueel werk. Een overeenkomst die niet alle vermeldingen bevat, geeft bijgevolg geen recht op vrijstelling.
70. Art. 194ter, § 4, eerste lid, 8°, WIB 92, maakt de toekenning van de vrijstelling afhankelijk van de voorwaarde dat de binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken op het moment van het afsluiten van de raamovereenkomst geen achterstallen heeft bij de RSZ.
Het door de RSZ afgeleverde attest zal moeten bevestigen dat de binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken alle periodieke aangiftes inzake sociale zekerheidsbijdragen geldig heeft onderschreven op datum van afsluiting van de raamovereenkomst en dat zij de op basis van deze aangiftes verschuldigde sommen heeft betaald.
Wanneer meerdere raamovereenkomsten voor eenzelfde audiovisueel werk zijn afgesloten op verschillende data (zie nr. 19 en v.) zal een attest moeten worden gevraagd bij de afsluiting van iedere raamovereenkomst.
71. De aanvragen om een attest moeten worden gestuurd naar het volgende adres :
Rijksdienst voor Sociale Zekerheid
Directie van de inning - Sectie attesten
Victor Hortaplein 11
1060 BRUSSEL
Fax : 02/509.31.45 (Nl.) en 02/509.36.97 (Fr.)
E-mail : ad2-sectieattesten@rsz.fgov.be (Nl.)
dg2-sectionattestations@onss.fgov. be (Fr.)
72. Art. 194ter, § 4, tweede lid, WIB 92, voorziet dat in geval een of andere van de in § 4, eerste lid (zie nrs. 54 tot 71) bedoelde voorwaarden gedurende enig belastbaar tijdperk niet langer wordt nageleefd of geschonden wordt, de voorheen vrijgestelde winst aangemerkt wordt als winst van dat belastbaar tijdperk.
In dit geval dient aan de belastbare gereserveerde winst (vak I, A van de aangifte 275.1 en opgave 328R) van het belastbaar tijdperk waarin een (of meerdere) van de hierboven bedoelde voorwaarden niet is voldaan, een bedrag te worden toegevoegd gelijk aan het totaal bedrag van de winst die vrijgesteld was voor een vorig aanslagjaar op grond van de sommen, verbonden en gestort in uitvoering van de raamovereenkomst waarvoor de hierboven vermelde voorwaarden niet zijn nageleefd. Dit bedrag wordt opgenomen in vak I, B, rubriek i) en in de opgave 328S van de binnenlandse vennootschap, bij het begin van het betrokken belastbaar tijdperk (code 309).
73. Art. 194ter, § 4, tweede lid, WIB 92, voorziet eveneens dat in het geval waarin de vennootschap die aanspraak maakt op de vrijstelling niet binnen de vier jaar na afsluiting van de raamovereenkomst voor de productie van een audiovisueel werk de in art. 194ter, § 4, eerste lid, 7° en 7°bis, WIB 92, vermelde attesten heeft verkregen (zie nrs. 74 en v.), de voorheen vrijgestelde winst als winst van het belastbaar tijdperk aangemerkt wordt tijdens hetwelk de termijn van vier jaar verstrijkt.
De terugneming van de vrijstelling zal worden uitgevoerd zoals in nr. 72 is uiteengezet.
74. Wanneer alle vrijstellingsvoorwaarden worden nageleefd, staat art. 194ter, § 4bis, WIB 92, de definitieve en onvoorwaardelijke vrijstelling toe voor de sommen die overeenkomstig en binnen de grenzen van §§ 2 en 4 van hetzelfde art. zijn vrijgesteld.
Art. 194ter, § 4bis, WIB 92, voorziet dat in afwijking van § 4 en voor zover de in § 4, eerste lid, 7° en 7°bis vermelde attesten worden ontvangen binnen de in § 4, eerste lid, 7° en 7°bis, vermelde periode van vier jaar, de sommen die overeenkomstig de §§ 2 tot 4 tijdelijk werden vrijgesteld, definitief worden vrijgesteld vanaf het aanslagjaar dat verband houdt met het belastbaar tijdperk tijdens hetwelk het laatste van deze attesten wordt ontvangen.
2. Attest voorzien in art. 194ter, § 4, eerste lid, 7°, WIB 92
75. Dit attest moet worden aangevraagd door de binnenlandse vennootschap die aanspraak maakt op het behoud van de vrijstelling, of in naam en voor rekening van deze vennootschap bij de controle Vennootschappen waarvan de binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken afhangt. Het adres van de bevoegde controle kan worden opgezocht op de portaalsite van de FOD Financiën ( http://minfin.fgov.be/portail1/n l/cadrenl.htm ) op de pagina "Wegwijzer van de federale belastingadministraties".
Het attest moet worden afgeleverd uiterlijk binnen de vier jaar vanaf afsluiting van de raamovereenkomst waarvoor de tijdelijke vrijstelling werd gevraagd.
Aangezien de overlegging van dit attest een zeker aantal controleverrichtingen ten name van de binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken vereist, zal deze er moeten over waken alle nuttige inlichtingen aan de bevoegde controle Vennootschappen te bezorgen. De aanvraag om het attest zal overigens voldoende tijdig moeten worden aangevraagd opdat deze controleverrichtingen binnen een redelijke termijn kunnen worden uitgevoerd, zonder de uitvoering van de andere opdrachten van de betrokken controle Vennootschappen te schaden.
Praktisch gezien wordt er aanbevolen dat de binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken te gepasten tijde aan de controle Vennootschappen een dossier met alle opgaven en rechtvaardigingsstukken overlegt zodat zij hun opdracht zonder vertraging kunnen uitvoeren, onverminderd de toepassing van de bepalingen inzake de onderzoeks- en controlemiddelen.
76. Het document voorzien in art. 194ter, § 4, eerste lid, 7°, WIB 92, moet verklaren dat :
  • de voorwaarden inzake kosten in België overeenkomstig art. 194ter, § 1, 3° en 4°, WIB 92, voor de in de raamovereenkomst bepaalde doeleinden door de binnenlandse vennootschap voor de productie voor audiovisuele werken zijn nageleefd (zie nrs. 31 tot 42).
  • de in art. 194ter, § 4, eerste lid, 4° en 5°, WIB 92, bepaalde voorwaarden en grenzen zijn nageleefd (zie nrs 57 tot 65).
  • de in art. 194ter, § 2, eerste lid, WIB 92, bedoelde sommen werkelijk door de vennootschap die aanspraak maakt op de toekenning en het behoud van de vrijstelling, aan de binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken zijn gestort binnen een termijn van 18 maanden die aanvangt op de datum waarop de raamovereenkomst is gesloten.
Bij niet-naleving van de voorwaarden bedoeld in de eerste en tweede gedachtestreep of in geval er geen storting is gedaan of bij onvolledige storting binnen de 18 maanden vanaf de datum van ondertekening van de raamovereenkomst, zal het attest niet kunnen worden afgeleverd en zal het totaal van de tijdelijk vrijgestelde winst bij de binnenlandse vennootschap als winst van het belastbaar tijdperk waarin de periode van vier jaar verstrijkt, worden beschouwd (zie nr. 73).
De aandacht wordt gevestigd op het feit dat nalatigheidsintresten zullen verschuldigd zijn in deze gevallen (zie nrs. 82 en 83).
3. Attest voorzien in art. 194ter, § 4, eerste lid, 7°bis, WIB 92
77. Dit attest moet worden gevraagd aan de betrokken Gemeenschap (zie nr. 29) door de binnenlandse vennootschap die van de vrijstelling aanspraak maakt op het behoud of in haar naam of voor haar rekening.
Het attest moet eveneens worden overgelegd uiterlijk binnen vier jaar na het sluiten van de raamovereenkomst op basis waarvan de tijdelijke vrijstelling werd gevraagd.
De aanbevelingen opgenomen in nr. 75, derde en vierde lid, zijn hiertoe mutatis mutandis van toepassing.
78. Het document voorzien in art. 194ter, § 4, eerste lid, 7°bis, WIB 92, moet verklaren dat :
  • de productie van het werk is voltooid, wat in de praktijk zal worden vastgesteld door de overlegging aan de bevoegde dienst van de betrokken Gemeenschap van een kopie van het werk op DVD, VHS of enige andere drager.
  • dat de globale financiering van het werk is uitgevoerd overeenkomstig art. 194ter, WIB 92, met naleving van de in art. 194ter, § 4, eerste lid, 4°, WIB 92, bepaalde voorwaarden en grenzen, met andere woorden dat het totaal van de daadwerkelijk gestorte sommen niet meer bedraagt dan 50 pct. van het totale budget van de kosten van de productie van het erkend Belgisch audiovisueel werk en het daadwerkelijk voor de uitvoering van dat budget werd aangewend.
Zoals met het attest voorzien in art. 194ter, § 4, eerste lid, 7°, WIB 92, dient a posteriori nagezien te worden of de financiering van het totale budget van de kosten van het werk niet meer bedraagt dan 50 pct., met dit verschil dat de betrokken Gemeenschap eveneens zal kunnen bevestigen dat deze voorwaarde is nageleefd in het bijzondere geval waarin meerdere binnenlandse vennootschappen voor de productie van audiovisuele werken een raamovereenkomst voor de productie van eenzelfde werk zouden hebben afgesloten. De Gemeenschappen voorzien in dit verband dat de binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken er zich toe verbindt een afschrift over te leggen van iedere raamovereenkomst, alsmede een geactualiseerd financieringsplan.
Om elk interpretatieverschil te vermijden bij de bevoegde diensten bij het afleveren van de attesten bedoeld in art. 194ter, § 4, eerste lid, 7° en 7°bis, WIB 92, wordt er aanbevolen dat de binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken hen volledig identieke informatie meedeelt gelet op het feit dat de twee attesten moeten worden afgeleverd met het oog op de definitieve vrijstelling.
79. De sommen die overeenkomstig de regels voorzien in de nrs. 74 tot 78 definitief zijn vrijgesteld worden aangegeven in de overeenstemmende rubriek van vak I, A van de aangifte 275.1 of 275.2 over het aanslagjaar verbonden aan het belastbaar tijdperk tijdens hetwelk de laatste van de attesten bedoeld in art. 194ter, § 4, eerste lid, 7° en 7°bis, WIB 92, bedoelde attesten verkregen is.
Het bedrag dat wordt toegevoegd aan de belaste reserves (toestand op het einde van het belastbaar tijdperk) moet worden geneutraliseerd door eenzelfde bedrag in littera j) 'Aanpassingen in meer van de begintoestand der reserves' in vak I, A, aan te geven overeenkomstig het principe vermeld in art. 74, tweede lid, 1°, KB/WIB 92.
Het definitief vrijgestelde bedrag beïnvloedt op die manier niet het bedrag van de belastbare winst voor het betrokken aanslagjaar (zie nrs. 47 tot 53 met betrekking tot de berekening van de grens van 50 pct.).
80. Art. 194ter, § 6, WIB 92, voorziet dat :
  • de bepalingen van art. 194ter, WIB 92, het recht onverlet laten van de binnenlandse vennootschap, die een raamovereenkomst afsluit met het oog op de aanwending van de sommen in uitvoering van een raamovereenkomst met vrijstelling van winst, aanspraak te maken op de eventuele aftrek als beroepskosten, van andere bedragen dan die vermeld in art. 194ter, § 2, WIB 92, die eveneens besteed werden aan de productie van audiovisuele werken bijvoorbeeld als coproducent en dat binnen de voorwaarden vermeld in art. 49 en v.
Er zal in deze gevallen evenwel moeten worden nagezien of deze activiteiten niet aan de betrokken vennootschap de hoedanigheid verlenen van binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken (zie nrs. 9 tot 13).
  • in afwijking van de art. 23, 48, 49 en 61, WIB 92, de kosten en verliezen, en ook waardeverminderingen, voorzieningen en afschrijvingen met betrekking tot, naargelang van het geval, de schuldvorderingen en de eigendoms- en exploitatierechten op het audiovisueel werk, die voortvloeien uit leningen of verrichtingen vermeld in art. 194ter, § 2, WIB 92, niet aftrekbaar zijn als beroepskosten of -verliezen, noch vrijgesteld zijn.
Deze bepaling heeft tot doel te vermijden dat deze kosten (vergoedingen voor bemiddeling, financiële kosten, enz.), verliezen en minderwaarden, waardeverminderingen, voorzieningen en afschrijvingen, naast de vrijstelling van de winst ten belope van 150 pct. met betrekking tot de verbonden sommen die gestort zijn in het kader van een raamovereenkomst, fiscaal aftrekbare kosten uitmaken overeenkomstig de algemene bepalingen van het WIB 92. Dienaangaande is het risico op verlies dat gepaard gaat met de financiering van de productie van de audiovisuele werken immers gedekt door het bijzonder regime van art. 194ter, WIB 92.
81. De kosten veroorzaakt door verliezen, minderwaarden, waardeverminderingen, afschrijvingen, voorzieningen, enz., die op grond van art. 194ter, WIB 92, niet als beroepskosten worden beschouwd, moeten worden opgenomen onder de "verworpen uitgaven" in de passende rubriek van de aangifte 275.1 of 275.2.
Met betrekking tot de waardeverminderingen, de afschrijvingen en de voorzieningen voor risico's en kosten, kunnen de bepalingen van art. 194ter, § 6, WIB 92, in beginsel slechts worden toegepast in het geval waarbij deze kosten worden verantwoord (werkelijk tijdens het belastbaar tijdperk ondergane waardevermindering, verliezen en kosten die scherp omschreven zijn en waarschijnlijk zijn).
Indien dit niet het geval is, moeten deze kosten blijven belast worden als reserves.
Wanneer deze kosten als reserves werden belast, kunnen zich twee situaties voordoen :
  • indien de reserve moet worden geannuleerd worden omdat de afschrijvingsexcedenten, de waardeverminderingen of de voorzieningen overeenstemmen met een werkelijke waardevermindering of waarschijnlijke verliezen of kosten moet het betrokken bedrag worden belast als "verworpen uitgaven" in toepassing van art. 194ter, § 6, WIB 92;
  • indien de reserve moet worden geannuleerd omdat de afschrijvingsexcedenten, de waardeverminderingen of de voorzieningen worden teruggenomen, is er een compensatie tussen het bedrag van de geannuleerde reserve en de geboekte opbrengst.
In het geval waarin art. 194ter, WIB 92, werd toegepast, kan een mogelijke dubbele belasting worden voorkomen door een aanpassing in meer van de begintoestand van de belaste reserves, volgens het principe uiteengezet in art. 74, tweede lid, 1°, KB/WIB 92, ten bedrage van :
  • het gedeelte van de verwezenlijkte meerwaarde dat overeenstemt met de afschrijvingen en met de waardeverminderingen die voorheen als VU werden belast op basis van art. 194ter, WIB 92;
  • de terugnames tijdens het belastbaar tijdperk van waardeverminderingen en van voorzieningen die voorheen werden belast op basis van art. 194ter, § 6, WIB 92, in de mate waarin deze waardeverminderingen of deze voorzieningen niet meer verantwoord zijn op het einde van dit belastbaar tijdperk.
82. Art. 416, tweede lid, WIB 92, bepaalt dat, in afwijking van art. 414, WIB 92, en onverminderd de toepassing van de art. 444 en 445 van hetzelfde Wetboek, op het gedeelte van de belasting dat proportioneel verband houdt met de gereserveerde sommen welke belastbaar worden overeenkomstig art. 194ter, § 4, tweede lid, WIB 92, tengevolge van het niet naleven van de voorwaarden als bedoeld in § 4, eerste lid, 3° tot 7°bis, van hetzelfde artikel, een nalatigheidsinterest verschuldigd is, berekend overeenkomstig art. 414, WIB 92, vanaf 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd waarvoor de vrijstelling werd toegestaan.
Een nalatigheidsinterest is verschuldigd op het gedeelte van de vennootschapsbelasting dat proportioneel verband houdt met de bedragen die vrijgesteld zijn op basis van art. 194ter, WIB 92, en die belastbaar worden ten gevolge :
  • van de overdracht van de schuldvorderingen en de eigendomsrechten van het audiovisueel werk vóór de voltooiing van dit werk of vóór de vervaldatum van de termijn van 18 maanden vanaf de datum van afsluiting van de raamovereenkomst wanneer het audiovisueel werk niet voltooid is op deze datum (art. 194ter, eerste lid, 3°, WIB 92);
  • van de niet-naleving van de financieringsvoorwaarden van het audiovisueel werk zoals voorzien in art. 194ter, § 4, eerste lid, 4° en 5°, WIB 92, (grens van 50 pct. van het totale budget van de kosten voor het audiovisueel werk en de financiering in de vorm van leningen van maximum 40 pct. van de sommen aangewend ter uitvoering van de raamovereenkomst);
  • van de niet-overlegging binnen de termijn voorgeschreven in art. 194ter, § 4, eerste lid, 6°, WIB 92, van het document van de betrokken Gemeenschap waarbij bevestigd wordt dat het werk voldoet aan de definitie van een erkend Belgisch audiovisueel werk bedoeld in art. 194ter, § 1, eerste lid, 3°, eerste gedachtestreepje, WIB 92;
  • van de niet-overlegging van de attesten voorzien in art. 194ter, § 4, eerste lid, 7° en 7°bis, WIB 92, met het oog op de toekenning van de definitieve en onvoorwaardelijke vrijstelling, (attesten afgeleverd binnen de termijn van vier jaar vanaf de afsluiting van de raamovereenkomst).
83. Wanneer de winst tijdelijk vrijgesteld werd op basis van art. 194ter, WIB 92, en hij belastbaar wordt omwille van de in nr. 82 uiteengezette redenen, is de nalatigheidsinterest verschuldigd vanaf 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd waarvoor de vrijstelling werd toegestaan, welk ook het aanslagjaar is waarvoor de aanslag is gevestigd.
Voor de berekening van deze nalatigheidsinterest, verwijst art. 416, WIB 92, naar de algemene principes van art. 414, WIB 92.
In afwijking van art. 414, WIB 92, is de nalatigheidsinterest echter verschuldigd vanaf 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd waarvoor de vrijstelling werd toegestaan.
84. De federale steunregeling ten behoeve van de Belgische audiovisuele productie, geregeld door art. 194ter en 416, tweede lid, WIB 92, zoals ingevoegd door de programmawet van 2 augustus 2002, is voorwaardelijk goedgekeurd door de Europese Commissie op 13 mei 2003 (zaak N 410/02). De Europese Commissie is van mening dat de regeling die haar is aangemeld overeenkomstig art. 87, lid 3 van het EG-Verdrag een staatssteun is in de zin van art. 87, lid 1 van het EG-Verdrag. De Commissie heeft echter aangemerkt dat de aangemelde regeling in aanmerking komt voor de culturele afwijking van art. 87, lid 3, onder d), van het EG-Verdrag.
De programmawet van 22 december 2003 heeft vervolgens art. 194ter, WIB 92, gewijzigd om tegemoet te komen aan de voorwaarden gesteld door de Europese Commissie met betrekking tot de toepassing van de regeling.
De Europese Commissie heeft op 30 juni 2004 bevestigd dat de regeling, zoals gewijzigd door de wet van 17 mei 2004, in aanmerking komt voor de afwijking uit art. 87, lid 3, onder d), van het EG-Verdrag (zaak N 224/03).
Deze beslissing verduidelijkt inzonderheid dat :
  • de Belgische federale autoriteiten hebben toegezegd dat voor elk in zijn geheel beschouwd project voor de productie van een erkend Belgisch werk het steunintensiteitsplafond van 50 pct. van het totale projectbudget niet zal worden overschreden, ook niet in geval van cumulatie met uit andere bronnen afkomstige steun (dus met inbegrip van de directe steun verleend door de gefederaliseerde intiteiten);
  • de Belgische regering jaarlijks aan de Europese Commissie een verslag over de tenuitvoerlegging van de regeling (van de tax shelter) zal overmaken;
  • om rekening te kunnen houden met de ontwikkelingen in de hele Gemeenschap (EU), en, zoals haar door de Belgische autoriteiten was gevraagd, beperkt de Commissie haar goedkeuring tot een periode die loopt tot en met 30 juni 2007.
85. De art. 194ter en 416, tweede lid, WIB 92, ingevoegd door de art. 128 en 129 van de programmawet van 2 augustus 2002, waren van toepassing vanaf aanslagjaar 2004 krachtens art. 1 van het KB van 3 mei 2003 (BS 09.05.2003).
De aangebrachte wijzigingen aan de art. 194ter en 416, tweede lid, WIB 92, door de art. 291 en 292 van de programmawet van 22 december 2003 en door de art. 2 en 3 van de wet van 17 mei 2004 zijn eveneens van toepassing vanaf aanslagjaar 2004 (art. 293, programmawet 22.12.2003 en art. 4, eerste lid, W 17.05.2004).
Overeenkomstig art. 4, tweede lid, van de wet van 17 mei 2004, worden de lange fictiefilms voor televisie bedoeld in art. 194ter, § 1, eerste lid, 3°, WIB 92, zoals aangevuld door art. 2, 1°, a) van de wet van 17 mei 2004, slechts vanaf 1 januari 2006 in aanmerking genomen als een erkend Belgisch audiovisueel werk, met het oog op de vrijstelling voorzien in art. 194ter, WIB 92, behalve indien de Koning bepaalt, bij besluit vastgelegd na overleg in de Ministerraad, dat deze bepaling in werking treedt op een vroegere datum dan 1 januari 2006.
Concreet houdt dit in dat een lange fictiefilm voor televisie door de bevoegde diensten van de betrokken Gemeenschap niet zal worden erkend als Europees werk, zodat een dergelijke film slechts zal kunnen aangemerkt worden als een erkend Belgisch audiovisueel werk voor de toepassing van art. 194ter, WIB 92, vanaf 1 januari 2006 of vanaf een vroegere datum vastgesteld bij Koninklijk besluit vastgelegd na overleg in de Ministerraad.
NAMENS DE MINISTER :
De Administrateur-generaal van de
Belastingen en de Invordering,
De Adjunct-administrateur-generaal,
Jean-Marc DELPORTE
Paul NECKEBROECK