Circulaire AFZ nr. 7/2010 d.d. 04.06.2010
Overgang van het systeem van bronbelasting naar een systeem van gegevensuitwisseling in het kader van de spaarrichtlijn - gegevensuitwisseling tussen de FOD’s Financiën en Mobiliteit - bewijskracht van het proces-verbaal inzake directe belastingen - procedure van aanhaling van voertuigen ingeval van niet betaalde VB en BIV - gegevensuitwisseling binnen de FOD Financiën
WETBOEK VAN DE INKOMSTENBELASTINGEN 1992
WETBOEK VAN DE MET DE INKOMSTENBELASTINGEN GELIJKGESTELDE BELASTINGEN
WETBOEK VAN DE BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE
WETBOEK DIVERSE RECHTEN EN TAKSEN
WETBOEK DER REGISTRATIE-, HYPOTHEEK- EN GRIFFIERECHTEN
WETBOEK DER SUCCESSIERECHTEN
ALGEMENE WET INZAKE DOUANE EN ACCIJNZEN VAN 18 JULI 1977
Diverse bepalingen
Commentaar van de wet van 21 december 2009 houdende fiscale en diverse bepalingen en de programmawet van 23 december 2009.
Aan alle ambtenaren van de niveaus A, B en C
Deze circulaire geeft een eerste commentaar op de wetswijzigingen inzake procedure opgenomen in de wet van 21 december 2009 houdende fiscale en diverse bepalingen en de programmawet van 23 december 2009.
INHOUDSTABEL
1. WET VAN 21 DECEMBER 2009 HOUDENDE FISCALE EN DIVERSE BEPALINGEN (BS 31.12.2009, ED. 2):
2. PROGRAMMAWET VAN 23 DECEMBER 2009 (BS 30.12.2009, ED. 1)
III. BEWIJSKRACHT VAN HET PROCES-VERBAAL INZAKE DIRECTE BELASTINGEN
V. GEGEVENSUITWISSELING TUSSEN DE VERSCHILLENDE ADMINISTRATIES BINNEN DE FOD FINANCIËN
A.1. Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992
A.2. Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde
A.3. Wetboek diverse rechten en taksen
A.4. Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten
A.5. Wetboek der successierechten
A.6. Algemene wet inzake douane en accijnzen van 18 juli 1977
A.7. Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen
C.1. Gegevensinzameling door de rechtmatig belaste ambtenaar ten behoeve van de eigen belasting
BIJLAGE 1: WETBOEK VAN DE INKOMSTENBELASTINGEN 1992
BIJLAGE 2: WETBOEK VAN DE BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE
BIJLAGE 3: WETBOEK DIVERSE RECHTEN EN TAKSEN
BIJLAGE 4: WETBOEK DER REGISTRATIE-, HYPOTHEEK- EN GRIFFIERECHTEN
BIJLAGE 5: Wetboek der successierechten
BIJLAGE 6: ALGEMENE WET VAN 18 JULI 1977 INZAKE DOUANE EN ACCIJNZEN
BIJLAGE 7: WETBOEK VAN DE MET DE INKOMSTENBELASTINGEN GELIJKGESTELDE BELASTINGEN
1. WET VAN 21 DECEMBER 2009 HOUDENDE FISCALE EN DIVERSE BEPALINGEN (BS 31.12.2009, ED. 2):
I. OVERGANG VAN HET SYSTEEM VAN BRONBELASTING NAAR EEN SYSTEEM VAN GEGEVENSUITWISSELING IN HET KADER VAN DE SPAARRICHTLIJN
A. Wettekst
Art. 15.- In artikel 19bis van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gewijzigd bij de wet van 27 december 2005, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, vierde lid, worden de woorden "artikel 3, § 1, 7°, a), van de voornoemde wet van 17 mei 2004" vervangen door de woorden "artikel 2, § 1, 3°, a), van het koninklijk besluit van 27 september 2009 tot uitvoering van artikel 338bis, § 2 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992";
2° in paragraaf 1, vijfde lid, worden de woorden "artikel 3, § 1, 7°, a), van de voormelde wet van 17 mei 2004, met uitsluiting van die bedoeld in artikel 6 van dezelfde wet" vervangen door de woorden "artikel 2, § 1, 3°, a) van het voormeld koninklijk besluit van 27 september 2009, met uitsluiting van die bedoeld in artikel 2, § 5 van hetzelfde koninklijk besluit";
3° in paragraaf 1, zesde lid, worden de woorden "artikel 3, § 1, 4°, van de voormelde wet van 17 mei 2004" vervangen door de woorden "artikel 2, § 1, 6°, van het voormeld koninklijk besluit van 27 september 2009";
4° in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden "artikel 3, § 1, 7°, a), van voormelde wet van 17 mei 2004" vervangen door de woorden "artikel 2, § 1, 3°, a) van het voormeld koninklijk besluit van 27 september 2009".
Art. 16.- In artikel 261, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, wordt de bepaling onder 2°bis vervangen als volgt:
"2°bis In afwijking op de bepalingen onder 1° en het 2°, wat de interesten bedoeld in artikel 19bis betreft, door de uitbetalende instantie bedoeld in artikel 2, § 1, 2° van het koninklijk besluit van 27 september 2009 tot uitvoering van artikel 338bis, § 2 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.".
Art. 17.- In artikel 338bis van hetzelfde Wetboek, gewijzigd door de wet van 20 juni 2005, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 worden de woorden "de wet van 17 mei 2004 tot omzetting in het Belgisch recht van" en de woorden "en tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 inzake de roerende voorheffing" opgeheven;
2° in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden "of in een van de afhankelijke of geassocieerde gebieden waarmee een wederkerigheidsverplichting bestaat" ingevoegd tussen de woorden "een andere lidstaat" en de woorden "verstrekt de uitbetalende instantie";
3° de paragrafen 3 en 4 worden opgeheven.
Art. 18.- De artikelen 15 tot 17 treden in werking op 1 januari 2010.
B. Inwerkingtreding
De bovenvermelde wettelijke bepalingen treden in werking op 1 januari 2010.
C. Bespreking
Artikelen 19bis en 261, WIB 92
In artikel 19bis en artikel 261, eerste lid, WIB 92 wordt verwezen naar artikel 3 van de wet van 17 mei 2004 tot omzetting in het Belgisch recht van de richtlijn 2003/48/EG van 3 juni 2003 van de Raad van de Europese Unie betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling en tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 inzake de roerende voorheffing (hierna spaarwet).
Aangezien artikel 2 van het koninklijk besluit van 27 september 2009 betreffende de inwerkingtreding van artikel 338bis, § 2, eerste tot derde lid van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, onder andere artikel 3 van de spaarwet opheft, kan niet langer worden verwezen naar dit artikel.
Deze opheffing is het gevolg van de overstap van het systeem van bronbelasting naar het systeem van gegevensuitwisseling voor de toepassing van de richtlijn 2003/48/EG van 3 juni 2003 van de Raad van de Europese Unie betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling (hierna spaarrichtlijn).
Artikel 2 van het koninklijk besluit van 27 september 2009 tot uitvoering van artikel 338bis, § 2 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, herneemt de definities die waren opgenomen in artikel 3 van de spaarwet.
Daarom wordt nu in artikel 19bis en artikel 261, eerste lid, WIB 92 verwezen naar artikel 2 van het voornoemd koninklijk besluit.
Artikel 338bis, § 1, WIB 92
Aangezien artikel 338bis, WIB 92 voortvloeit uit de spaarrichtlijn en een aantal artikelen in de spaarwet worden opgeheven, wordt in artikel 338bis, WIB 92 nu verwezen naar de spaarrichtlijn zelf in plaats van naar de spaarwet.
Artikel 338bis, § 2, WIB 92
De bestaande delegatie aan de Koning is onvolkomen en wordt daarom aangepast. Wat het territoriaal toepassingsgebied van artikel 338bis, WIB 92 betreft, moet immers eveneens rekening worden gehouden met de met de afhankelijke en geassocieerde gebieden gesloten bilaterale overeenkomsten die in een wederkerigheidsverplichting voorzien.
Het gaat meer bepaald over de overeenkomsten die België heeft gesloten met de Nederlandse Antillen, Aruba, Guernsey, het eiland Man, Jersey, Anguilla, de Britse Maagdeneilanden, Montserrat en de Turks en Caicos Eilanden (zie met name de wet van 21 juni 2005 houdende bepalingen die gelijkwaardig zijn aan de bepalingen waarin, wat België betreft, is voorzien in de overeenkomsten betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden, die werden gesloten tussen het Koninkrijk België en het Koninkrijk der Nederlanden met betrekking tot de Nederlandse Antillen enerzijds en Aruba anderzijds, en tussen het Koninkrijk België en respectievelijk Guernsey, het eiland Man, Jersey, Anguilla, de Britse Maagdeneilanden, Montserrat en de Turks en Caicos Eilanden (BS 24.6.2005), alsook het koninklijk besluit van 27 juni 2005 (BS 29.6.2005)).
De overeenkomsten met Anguilla en de Turks en Caicos Eilanden voorzien weliswaar in wederkerigheid, maar zolang deze gebieden geen directe belasting kennen, zal geen informatieuitwisseling plaatsvinden met betrekking tot interestbetalingen door een in België gevestigde uitbetalende instantie ten gunste van een uiteindelijk gerechtigde die inwoner is van Anguilla of de Turks en Caicos Eilanden.
Ook met de Caymaneilanden werd een dergelijke overeenkomst gesloten, maar die omvat geen enkele verbintenis ten laste van België en voorziet slechts in een eenzijdige uitwisseling van informatie door de Caymaneilanden.
Artikel 338bis, §§ 3 en 4, WIB 92
De derde paragraaf van artikel 338bis, WIB 92 stelt dat de inlichtingen van andere lidstaten bekomen in uitvoering van de spaarrichtlijn “door de administratie bevoegd voor de vestiging van de inkomstenbelastingen mogen worden gebruikt voor de juiste vaststelling van de inkomstenbelastingen”.
In de vierde paragraaf wordt hieraan toegevoegd dat “artikel 318 niet van toepassing is op de uitwisseling van inlichtingen die wordt geregeld door de §§ 2 en 3”.
Uit de voorbereidende werken valt niet op te maken waarom deze paragrafen noodzakelijk zouden zijn om de ingevolge de spaarrichtlijn op een rechtmatige manier ontvangen inlichtingen te kunnen aanwenden voor fiscale doeleinden noch waarom de loutere omzetting van de spaarrichtlijn hiervoor niet voldoende zou zijn.
De algemene principes inzake de onderzoeksbevoegdheden van de administratie ten aanzien van de belastingplichtige zijn omschreven in de artikelen 315, 315bis, 316 en 317, WIB 92.
De hiermee samengaande verplichtingen voor de belastingplichtige zijn opgenomen in de artikelen 315, 315bis en 316, WIB 92. In artikel 317, WIB 92 wordt uitdrukkelijk vermeld dat de gegevens verkregen door middel van de voorleggings- en de informatieplicht van de belastingplichtige ook mogen worden aangewend met het oog op de belastingheffing van derden.
De administratie is dus gerechtigd om de op basis van de artikelen 315, 315bis en 316, WIB 92 verkregen informatie ook te gebruiken met het oog op het belasten van derden.
Artikel 318, eerste lid, WIB 92 houdt echter een beperking in van de hiervoor vermelde onderzoeksbevoegdheden. Artikel 318, eerste lid, WIB 92 luidt als volgt:
“In afwijking van de bepalingen van artikel 317, en onverminderd de toepassing van de artikelen 315, 315bis en 316, is de administratie niet gemachtigd in de rekeningen, boeken en documenten van de bank-, wissel-, krediet- en spaarinstellingen inlichtingen in te zamelen met het oog op het belasten van hun cliënten.”.
In internationale context past het evenwel bij de afbakening van de aan de administratie toegekende onderzoeksbevoegdheden ook rekening te houden met het fiscaalrechtelijk territorialiteitspostulaat.
Dit houdt in dat de uitoefening van de fiscale executiebevoegdheid beperkt is tot het grondgebied van de Belgische Staat.
De belastingsoevereiniteit van de Staten houdt immers een beperking in van de bevoegdheid van de Belgische Staat inzake fiscale materies.
Met andere woorden, de onderzoeks- en controlebevoegdheden waarover de administratie beschikt, kunnen enkel op het Belgische grondgebied worden uitgeoefend. Hetzelfde geldt a fortiori voor de beperkingen op die bevoegdheden.
Artikel 318, WIB 92 omvat een dergelijke beperking. Het in artikel 318, WIB 92 opgenomen bankgeheim kan per definitie niet verder werken dan het Belgische grondgebied en de op het Belgische grondgebied gevestigde financiële instellingen aangezien de fiscale onderzoeksbevoegdheid zelf niet verder reikt.
Uit het voorgaande volgt dat artikel 318, WIB 92 geen extraterritoriale werking heeft en bijgevolg geen rechtstreekse invloed heeft op de informatievergaring door de buitenlandse fiscale administratie in de rekeningen van buitenlandse financiële instellingen. Artikel 318, WIB 92 werkt wel onrechtstreeks door in de mate dat de Belgische administratie op grond van de dubbelbelastingverdragen en de wederzijdse bijstandsrichtlijn (Richtlijn 77/799/EEG) geen informatie kan vragen die ze op grond van haar eigen wetgeving niet kan verkrijgen, tenzij een wettelijke bepaling dit expliciet bepaalt (cfr. het recente dubbelbelastingverdrag tussen België en de Verenigde Staten).
Dit impliceert dat de informatieuitwisseling op verzoek tussen de partnerstaten wordt beperkt door de procedureregels zoals bepaald in het intern recht.
Artikel 8 van de spaarrichtlijn bepaalt dat de uitbetalende instantie (de financiële instelling) diverse inlichtingen over de interestbetaling (het bedrag van de intresten, de identificatie van de begunstigde en dergelijke) moet mededelen aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van vestiging van de uitbetalende instantie.
Vervolgens deelt deze buitenlandse bevoegde autoriteit automatisch, minstens één keer per jaar, aan de bevoegde Belgische autoriteit de van de uitbetalende instanties ontvangen informatie die betrekking heeft op de uiteindelijk gerechtigden die inwoner van België zijn, mee (art. 9.2. spaarrichtlijn).
Hieruit blijkt dat de Belgische administratie op geen enkel ogenblik is tussengekomen in de procedure van gegevensuitwisseling.
Met andere woorden, het betreft hier een spontane uitwisseling van inlichtingen.
Tenzij het de bedoeling zou zijn om de Belgische fiscale administratie ruimere onderzoeksbevoegdheden te geven naar aanleiding van het verkrijgen van inlichtingen ingevolge de spaarrichtlijn, is het overbodig om in artikel 338bis, WIB 92 te vermelden dat artikel 318, WIB 92 niét van toepassing is op de ontvangen inlichtingen in het kader van de spaarrichtlijn.
Hetzelfde geldt overigens voor de gegevensuitwisseling door Belgische uitbetalende instanties met betrekking tot de interesten toegekend aan uiteindelijk gerechtigden uit andere lidstaten.
De omzetting van de spaarrichtlijn, meer bepaald paragraaf 2 van artikel 338bis, WIB 92 volstaat om deze informatieuitwisseling te regelen.
Teneinde elk misverstand hieromtrent te vermijden, wordt paragraaf 4 opgeheven.
Zoals hiervoor reeds vermeld, voorziet artikel 9 van de spaarrichtlijn in een "automatische gegevensuitwisseling" en zorgt er bijgevolg voor dat artikel 318, WIB 92 niét belet om de inlichtingen bekomen van een buitenlandse bank in het kader van de spaarrichtlijn te gebruiken.
Aangezien dergelijke inlichtingen door de Belgische administratie op een rechtmatige wijze worden verkregen, moeten zij worden beschouwd als bewijskrachtige gegevens die kunnen worden aangewend voor belastingheffing (zie de ruime omschrijving van art. 340, WIB 92).
De wet stelt immers geen beperking aan het gebruik dat kan worden gemaakt van rechtmatig verworven gegevens.
Bijgevolg is de derde paragraaf van artikel 338bis, WIB 92 eveneens overbodig en wordt daarom opgeheven.
II. GEGEVENSUITWISSELING TUSSEN DE FOD FINANCIËN EN DE FOD MOBILITEIT – DIENST INSCHRIJVING VOERTUIGEN – ERKENDE INSTELLINGEN VOOR AUTOKEURING
A. Wettekst
Art. 53.- In artikel 2, eerste lid, van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, vervangen bij het koninklijk besluit van 29 maart 1994 en gewijzigd bij de wetten van 22 december 1998, 4 mei 1999, 8 april 2003 en 10 augustus 2005, worden tussen het woord "307, " en het woord "337" de woorden "323, 327, " ingevoegd.
Art. 54.- Artikel 34 van hetzelfde Wetboek, opgeheven bij de wet van 25 januari 1999, wordt hersteld als volgt:
"Art. 34. De Directie voor de Inschrijving van de Voertuigen zorgt ervoor dat de gegevens die noodzakelijk zijn om de belasting te bepalen, op elektronische wijze ter beschikking van de administratie worden gesteld."
Art. 55.- Artikel 35 van hetzelfde Wetboek, opgeheven bij de wet van 25 januari 1999, wordt hersteld als volgt:
"Art. 35. De administratie kan de erkende instellingen voor autokeuring belasten met:
1° de vaststelling van bepaalde technische gegevens bij de autokeuring, voor zover die noodzakelijk zijn om de belasting te bepalen;
2° de mededeling van de onder punt 1° bedoelde gegevens aan de Directie voor de Inschrijving van de Voertuigen."
Art. 56.- In artikel 36bis, eerste lid, van hetzelfde Wetboek worden de woorden ", met uitzondering van de artikelen 34 en 35, " ingevoegd tussen de woorden "VIII en X" en de woorden "zijn niet van toepassing op".
Art. 57.- In artikel 95 van hetzelfde Wetboek worden de woorden "34, 35, " ingevoegd tussen het woord "artikelen" en het woord "37, ".
Art. 58.- De artikelen 53 tot 57 treden in werking vanaf aanslagjaar 2009.
B. Inwerkingtreding
De bovenvermelde wettelijke bepalingen treden in werking vanaf aanslagjaar 2009.
C. Bespreking
Deze wijzigingen worden voornamelijk ingevoerd omwille van bepaalde rechtspraak waarbij werd gesteld dat de belasting gevestigd op grond van onrechtmatig verkregen inlichtingen moet worden vernietigd.
Volgens deze rechtspraak strookt de spontane mededeling van inlichtingen door bestuursdiensten (in casu door de Directie voor de Inschrijving van de Voertuigen (DIV) aan de belastingadministratie, niet met een restrictieve interpretatie van artikel 1 van de wet van 28 juli 1938 tot verzekering van de juiste heffing van belastingen, noch met deze van artikel 327, § 1, WIB 92 dat ermee overeenstemt.
Hetzelfde geldt voor de mededeling van inlichtingen die de bestuursdiensten nog niet in hun bezit hebben bij de ontvangst van de vraag van de administratie.
De aanpassing van de artikelen 34, 35, 36bis en 95, WGB strekt ertoe om de bestaande rechtsonzekerheid met betrekking tot de interpretatie van deze bepalingen te beëindigen.
Aldus worden de toepassingsvoorwaarden van artikel 1 van de wet van 28 juli 1938 en artikel 327, § 1, WIB 92 door de wetgever gepreciseerd in het WGB waardoor de wettelijke grondslag voor de wijze waarop de gegevens, noodzakelijk voor de berekening van de verkeersbelasting op de autovoertuigen en de belasting op de inverkeerstelling, door de DIV ter kennis worden gebracht aan de administratie, wordt bevestigd.
Het is dus louter met het oog op de rechtszekerheid dat de principes vervat in de wet van 28 juli 1938 en artikel 327, § 1, WIB 92 in het WGB worden geconcretiseerd.
Het toezicht op de technische kenmerken van voertuigen geschiedt in principe uitsluitend in de stations voor technische controle.
De op deze manier ingezamelde gegevens worden gecentraliseerd bij de VZW Groepering van erkende ondernemingen voor autokeuring en rijbewijs (GOCA) en worden doorgegeven aan de DIV voor verdere verwerking.
Op het einde van dit verloop, verzendt de DIV een bijwerking van de gegevensbestanden aan de belastingadministratie die haar bestanden dientengevolge aanpast.
Zo kan de belastingadministratie over de technische gegevens van alle voertuigen beschikken die noodzakelijk zijn voor de berekening van het voor deze voertuigen verschuldigde belastingbedrag.
Enkel door een uitwisseling van gegevens tussen de GOCA, de DIV en de FOD Financiën kan de belastingadministratie over correcte technische gegevens van de voertuigen beschikken met het oog op een correcte belastingberekening.
De wijzigingen aan de artikelen 34, 35, 36bis en 95, WGB strekken ertoe de wettelijke grondslag te verduidelijken voor de wijze waarop de gegevensuitwisseling tussen de fiscale administratie, de DIV en de VZW GOCA met het oog op de correcte belastingberekening op het vlak van de verkeersbelasting op de autovoertuigen en de belasting op de inverkeerstelling gebeurt, met inbegrip van de gegevensuitwisseling met betrekking tot bepaalde metingen die ter gelegenheid van de technische keuringen door de VZW GOCA, op vraag van de administratie, reeds sedert jaar en dag gebeuren.
Teneinde de rechtszekerheid te bevorderen worden door de wijziging aan artikel 2, eerste lid, WGB de bepalingen van de artikelen 323 en 327, WIB 92 uitdrukkelijk uitgebreid tot het WGB.
2. PROGRAMMAWET VAN 23 DECEMBER 2009 (BS 30.12.2009, ED. 1)
III. BEWIJSKRACHT VAN HET PROCES-VERBAAL INZAKE DIRECTE BELASTINGEN
A. Wettekst
Art. 135.- Artikel 340 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wordt vervangen als volgt:
"Art. 340. Ter bepaling van het bestaan en van het bedrag van de belastingschuld kan de administratie alle door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen aanvoeren, met inbegrip van de processen-verbaal opgesteld door de ambtenaren van de Federale Overheidsdienst Financiën, maar met uitzondering van de eed.
De processen-verbaal hebben bewijskracht tot bewijs van het tegendeel.".
B. Inwerkingtreding
De bovenvermelde wettelijke bepaling treedt in werking de tiende dag volgend op de dag waarop deze wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt, zijnde 9 januari 2010.
C. Bespreking
Begrip proces-verbaal
Het proces-verbaal is een akte waarin een ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Financiën inzonderheid zijn opzoekingen, de verkregen inlichtingen, de materiële vaststellingen van feiten en de aan hem afgelegde verklaringen optekent.
Vorm en inhoud van het proces-verbaal inzake indirecte belastingen
Een geldig proces-verbaal bevat de naam, de hoedanigheid en de handtekening van de ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Financiën, die bevoegd is tot het uitvoeren van de controle, alsook de datum en de nauwkeurige en uitvoerige beschrijving van de gedane vaststellingen.
Het proces-verbaal kan zowel in het kader van de opsporing van inbreuken worden opgesteld als betrekking hebben op om het even welk feit, die de verschuldigdheid van de belasting of van een geldboete vaststelt of bijdraagt tot de vaststelling ervan.
Het proces-verbaal kan zowel mondelinge als schriftelijke verklaringen van de belastingplichtigen of getuigen bevatten.
Een eerder opgemaakt proces-verbaal kan worden aangevuld of genuanceerd aan de hand van een aanvullend proces-verbaal.
Tot weerlegging van de als tegenbewijs aangevoerde middelen kan de verbalisant, bijvoorbeeld in een aanvullend proces-verbaal, bewijzen bijbrengen om de vaststellingen en feiten van het eerste proces-verbaal te preciseren of te vervolledigen, zelfs op grond van vaststellingen die na de opstelling van dat proces-verbaal gedaan zijn (en ongeacht het feit dat reeds een rechtsgeding aan de gang zou zijn).
Bewijskracht van het proces-verbaal inzake indirecte belastingen
Het proces-verbaal levert het bewijs van de juistheid en de waarachtigheid van de erin opgenomen inlichtingen, zolang de belastingplichtige niet heeft aangetoond dat deze onjuist of onwaar zijn.
Het is de belastingplichtige die dit tegenbewijs moet leveren. Loutere beweringen of ontkenningen zijn niet voldoende.
Alleen positieve en controleerbare gegevens kunnen de bijzondere bewijskracht van het proces-verbaal aantasten.
De bewijskracht strekt zich uit tot alle handelingen die de verbalisanten verklaren gesteld te hebben en alle feiten waarvan zij verklaren getuige te zijn geweest, inzonderheid, hetgeen ze ontdekt hebben in de hun overgelegde stukken, tot de verklaringen die zij afgelegd of ingewonnen hebben en, meer algemeen, tot al wat zij gezien, gehoord of anders waargenomen hebben voor zover de vaststellingen binnen het kader van hun opdracht blijven.
De bewijskracht van het proces-verbaal geldt niet voor de gevolgtrekkingen die de verbalisanten uit hun vaststellingen afleiden: deze gevolgtrekkingen blijven aan de controle der rechtbanken onderworpen zoals alle andere vermoedens.
Het proces-verbaal is vooral nuttig voor het vaststellen van feiten en inbreuken die een vluchtig karakter hebben, zoals onder andere het aantal personeelsleden, het vervoeren van een goed, het laden of lossen van een goed, de weigering boeken of bescheiden voor te leggen of inlichtingen te verstrekken.
Gelijkstelling van de bewijskracht van het proces-verbaal inzake directe en indirecte belastingen
Zowel de ambtenaren van de Algemene administratie van de fiscaliteit – sector directe belastingen als de ambtenaren van de Algemene administratie van de fiscaliteit – sector btw zijn bevoegd om processen-verbaal op te stellen maar, voor de inwerkingtreding van de wetswijziging, stelde zich het probleem dat afhankelijk van de fiscale materie, de inhoud van het proces-verbaal alsook de bewijskracht die eraan verbonden is, niet dezelfde waren.
Zo konden, inzake directe belastingen, de processen-verbaal enkel worden opgesteld om inbreuken op te sporen en hadden zij geen bijzondere bewijskracht, terwijl inzake indirecte belastingen de processen-verbaal betrekking konden hebben op om het even welk feit dat de verschuldigdheid van de belasting of van een geldboete vaststelt of ertoe bijdraagt die vast te stellen en hadden zij een bijzondere bewijskracht wanneer de voorwaarden betreffende de vorm en de inhoud vervuld waren.
Dat hield in dat, inzake directe belastingen, de processen-verbaal slechts golden als eenvoudige inlichtingen die, desgevallend, konden dienen als basis voor een vermoeden dat ter beoordeling aan de rechter werd overgelaten.
Vanaf de inwerkingtreding van de wetswijziging wordt het proces-verbaal eveneens inzake directe belastingen een bewijsmiddel waarvan een vermoeden van juistheid uitgaat.
De vorm en de inhoud van het proces-verbaal, alsook de bewijskracht die eraan verbonden is, worden vanaf de inwerkingtreding van de wettelijke bepaling gelijkgesteld aan het proces-verbaal inzake indirecte belastingen.
Vanaf de inwerkingtreding beschikken beide administraties bij de uitoefening van hun taken over dezelfde bewijsmiddelen, zonder dat enig onderscheid hoeft te worden gemaakt al naar gelang het onderzoek betrekking heeft op een procedure inzake inkomstenbelastingen of inzake btw dan wel op beide materies samen.
IV. PROCEDURE VAN AANHALING VAN VOERTUIGEN INGEVAL VAN NIET BETAALDE VERKEERSBELASTING EN BELASTING OP DE INVERKEERSTELLING
A. Wettekst
Art. 150.- Artikel 33 van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, opgeheven bij de wet van 25 januari 1999, wordt hersteld als volgt:
"Art. 33. § 1. Indien de niet-betaling wordt vastgesteld op de openbare weg, moet de bestuurder van het voertuig de ontdoken verkeersbelasting en de boete in handen van de verbalisant betalen op het ogenblik van de vaststelling van de overtreding.
§ 2. In geval van niet-betaling van de in paragraaf 1 bedoelde sommen, wordt het voertuig aangehaald tot de verschuldigde sommen betaald zijn.
Zijn deze niet betaald binnen zesennegentig uur na de vaststelling van de overtreding, dan wordt het voertuig in beslag genomen.
Een bericht van inbeslagneming wordt binnen twee werkdagen aan de natuurlijke of rechtspersoon die vermeld is of vermeld moet zijn op het inschrijvingsbewijs van het voertuig gezonden.
Het risico en de eventuele kosten voortvloeiend uit de aanhaling en het beslag zijn ten laste van de eigenaar, de ondernemer, de houder of de bestuurder van het voertuig overeenkomstig de artikelen 6 en 21.
Het beslag wordt na betaling van de verschuldigde sommen en kosten opgeheven.
§ 3. Bij niet-betaling van deze sommen en kosten veroordeelt de rechtbank tot betaling ervan en gelast zij de verkoop van het in beslag genomen voertuig.
De gerechtskosten, de verkeersbelasting, de boete en de andere kosten worden aangerekend op de opbrengst van de verkoop van het voertuig en het eventueel overschot wordt aan de natuurlijke of rechtspersoon die vermeld is of vermeld moet zijn op het inschrijvingsbewijs van het voertuig terugbetaald.
§ 4. Voor de toepassing van dit artikel zijn de wets- en verordeningsbepalingen inzake douane en accijnzen betreffende de aanhaling, de inbeslagneming en de verkoop, het opstellen en het viseren van de processen-verbaal, het afgeven van het afschrift ervan, de bewijskracht van die akten en de wijze van vervolging van toepassing."
Art. 151.- In artikel 36bis, eerste lid van hetzelfde wetboek, gewijzigd bij de wetten van 19 februari 2001 en 9 juli 2004, worden de woorden “, met uitzondering van artikel 33, ” ingevoegd tussen de woorden “VIII en X” en de woorden “zijn niet van toepassing op”
Art. 152.- In artikel 95 van hetzelfde wetboek wordt het woord “33, ” ingevoegd tussen het woord “artikelen” en het woord “37, ”.
B. Inwerkingtreding
De bovenvermelde wettelijke bepalingen treden in werking de tiende dag volgend op de dag waarop deze wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt, zijnde 9 januari 2010.
C. Bespreking
De wetswijzigingen hebben tot doel om de ambtenaren die, overeenkomstig artikel 14 van het koninklijk besluit van 8 juli 1970 houdende de algemene verordening betreffende de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, bevoegd zijn om de overtredingen op de wetgeving inzake de verkeersbelastingen op te sporen en vast te stellen, toe te laten op een meer doeltreffende manier de fiscale fraude te bestrijden door hen de mogelijkheid te verlenen de betrokken voertuigen aan te halen.
De bepalingen leggen de procedure vast die van toepassing is op de op de openbare weg vastgestelde inbreuken.
Deze wetsbepalingen leggen het principe vast van de onmiddellijke betaling van de ontdoken verkeersbelastingen en de boete.
Bij onmiddellijke betaling is de overtreding afgehandeld en mag de betrokkene zijn weg verder zetten.
Wanneer een overtreding wordt vastgesteld en de bekeurde in de onmogelijkheid is om de gevorderde som te betalen of de som niet wil betalen, moet het voertuig worden aangehaald. Het voertuig wordt aangehaald overeenkomstig de regels die gelden voor de inbeslagnemingen inzake douane en accijnzen.
Deze maatregel is eveneens van toepassing op de belasting op de inverkeerstelling.
V. GEGEVENSUITWISSELING TUSSEN DE VERSCHILLENDE ADMINISTRATIES BINNEN DE FOD FINANCIËN
A. Wettekst
A.1. Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992
Art. 153.- Artikel 335 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wordt vervangen als volgt:
“Art. 335. Alle administraties die ressorteren onder de Federale Overheidsdienst Financiën zijn gehouden alle in hun bezit zijnde toereikende, ter zake dienende en niet overmatige inlichtingen ter beschikking te stellen aan alle ambtenaren van deze Overheidsdienst, voorzover die ambtenaren regelmatig belast zijn met de vestiging of de invordering van de belastingen, en voorzover die gegevens bijdragen tot de vervulling van de opdracht van die ambtenaren tot de vestiging of de invordering van eender welke door de Staat geheven belasting.
Elke ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Financiën, die regelmatig werd belast met een controle- of onderzoeksopdracht, is van rechtswege gemachtigd alle toereikende, ter zake dienende en niet overmatige inlichtingen te vragen, op te zoeken of in te zamelen die bijdragen tot de vestiging of de invordering van eender welke, andere, door de Staat geheven belasting.”.
Art. 154.- In artikel 336 van hetzelfde Wetboek, worden de woorden « van een fiscaal staatsbestuur » vervangen door de woorden « van de Federale Overheidsdienst Financiën ».
A.2. Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde
Art. 155.- In artikel 93quaterdecies van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, ingevoegd bij de wet van 22 december 1989 en gewijzigd bij de wet van 28 december 1992, de programmawet van 20 juli 2006 en de wet van 1 maart 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
“1° in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden « van een fiscaal rijksbestuur » vervangen door de woorden « van de Federale Overheidsdienst Financiën »;
2° paragraaf 3 wordt vervangen als volgt:
« § 3. Alle administraties die ressorteren onder de Federale Overheidsdienst Financiën zijn gehouden alle in hun bezit zijnde toereikende, ter zake dienende en niet overmatige inlichtingen ter beschikking te stellen aan alle ambtenaren van deze Overheidsdienst, voorzover die ambtenaren regelmatig belast zijn met de vestiging of de invordering van de belastingen, en voorzover die gegevens bijdragen tot de vervulling van de opdracht van die ambtenaren tot de vestiging of de invordering van eender welke door de Staat geheven belasting.
Elke ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Financiën, die regelmatig werd belast met een controle- of onderzoeksopdracht, is van rechtswege gemachtigd alle toereikende, ter zake dienende en niet overmatige inlichtingen te vragen, op te zoeken of in te zamelen die bijdragen tot de vestiging of de invordering van eender welke, andere, door de Staat geheven belasting. ».”
A.3. Wetboek diverse rechten en taksen
Art. 156.- In artikel 211 van het Wetboek diverse rechten en taksen, gewijzigd bij de wet van 19 december 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
“1° in paragraaf 2, worden de woorden « van een fiscaal rijksbestuur » vervangen door de woorden « van de Federale Overheidsdienst Financiën »;
2° paragraaf 3 wordt vervangen als volgt:
« § 3. Alle administraties die ressorteren onder de Federale Overheidsdienst Financiën zijn gehouden alle in hun bezit zijnde toereikende, ter zake dienende en niet overmatige inlichtingen ter beschikking te stellen aan alle ambtenaren van deze Overheidsdienst, voorzover die ambtenaren regelmatig belast zijn met de vestiging of de invordering van de belastingen, en voorzover die gegevens bijdragen tot de vervulling van de opdracht van die ambtenaren tot de vestiging of de invordering van eender welke door de Staat geheven belasting.
Elke ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Financiën, die wettelijk werd belast met een controle- of onderzoeksopdracht, is van rechtswege gemachtigd alle toereikende, ter zake dienende en niet overmatige inlichtingen te vragen, op te zoeken of in te zamelen die bijdragen tot de vestiging of de invordering van eender welke, andere, door de Staat geheven belasting. ».”
A.4. Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten
Art. 157.- In artikel 289 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
“1° in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden « van een fiscaal rijksbestuur » vervangen door de woorden « van de Federale Overheidsdienst Financiën »;
2° paragraaf 3 wordt vervangen als volgt:
« § 3. Alle administraties die ressorteren onder de Federale Overheidsdienst Financiën zijn gehouden alle in hun bezit zijnde toereikende, ter zake dienende en niet overmatige inlichtingen ter beschikking te stellen aan alle ambtenaren van deze Overheidsdienst, voorzover die ambtenaren regelmatig belast zijn met de vestiging of de invordering van de belastingen, en voorzover die gegevens bijdragen tot de vervulling van de opdracht van die ambtenaren tot de vestiging of de invordering van eender welke door de Staat geheven belasting.
Elke ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Financiën, die wettelijk werd belast met een controle- of onderzoeksopdracht, is van rechtswege gemachtigd alle toereikende, ter zake dienende en niet overmatige inlichtingen te vragen, op te zoeken of in te zamelen die bijdragen tot de vestiging of de invordering van eender welke, andere, door de Staat geheven belasting. ».”
A.5. Wetboek der successierechten
Art. 158.- In het Eerste Boek van het Wetboek der successierechten, wordt een hoofdstuk XIbis ingevoegd, dat het artikel 104/1 bevat, luidende:
« HOOFDSTUK XIbis. - Aan alle belastingen gemene bepalingen
Art. 104/1. Alle administraties die ressorteren onder de Federale Overheidsdienst Financiën zijn gehouden alle in hun bezit zijnde toereikende, ter zake dienende en niet overmatige inlichtingen ter beschikking te stellen aan alle ambtenaren van deze Overheidsdienst, voorzover die ambtenaren regelmatig belast zijn met de vestiging of de invordering van de belastingen, en voorzover die gegevens bijdragen tot de vervulling van de opdracht van die ambtenaren tot de vestiging of de invordering van eender welke door de Staat geheven belasting.
Elke ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Financiën, die regelmatig werd belast met een controle- of onderzoeksopdracht, is van rechtswege gemachtigd alle toereikende, ter zake dienende en niet overmatige inlichtingen te vragen, op te zoeken of in te zamelen die bijdragen tot de vestiging of de invordering van eender welke, andere, door de Staat geheven belasting.
Elke inlichting, stuk, proces-verbaal of akte, in het uitoefenen van zijn functie ontdekt of bekomen door een ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Financiën of van een fiscaal rijksbestuur, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van een bestuursdienst van de Staat, met inbegrip van de parketten en de griffies der hoven en rechtbanken, de besturen van de Gemeenschappen en de Gewesten van de Belgische Staat, de provinciën, de agglomeraties en de gemeenten, evenals de openbare instellingen of inrichtingen, kan door de Staat worden ingeroepen voor het opsporen van elke krachtens de belastingwetten verschuldigde som.
Onder openbare instellingen of inrichtingen worden verstaan de instellingen, maatschappijen, verenigingen, inrichtingen en diensten welke de Staat, een Gemeenschap of een Gewest mede beheert, waaraan de Staat, een Gemeenschap of een Gewest een waarborg verstrekt, op de werkzaamheden waarvan de Staat, een Gemeenschap of een Gewest toezicht uitoefent of waarvan het bestuurspersoneel wordt aangewezen door de federale regering of een Gemeenschaps- of Gewestregering, op haar voordracht of mits haar goedkeuring. ».
A.6. Algemene wet inzake douane en accijnzen van 18 juli 1977
Art. 159.- In artikel 210 van de algemene wet van 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
“1° in paragraaf 2 worden de woorden « van een fiscaal rijksbestuur » vervangen door de woorden « van de Federale Overheidsdienst Financiën »;
2° paragraaf 3 wordt vervangen als volgt:
« § 3. Alle administraties die ressorteren onder de Federale Overheidsdienst Financiën zijn gehouden alle in hun bezit zijnde toereikende, ter zake dienende en niet overmatige inlichtingen ter beschikking te stellen aan alle ambtenaren van deze Overheidsdienst, voorzover die ambtenaren regelmatig belast zijn met de vestiging of de invordering van de belastingen, en voorzover die gegevens bijdragen tot de vervulling van de opdracht van die ambtenaren tot de vestiging of de invordering van eender welke door de Staat geheven belasting.
Elke ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Financiën, die regelmatig werd belast met een controle- of onderzoeksopdracht, is van rechtswege gemachtigd alle toereikende, ter zake dienende en niet overmatige inlichtingen te vragen, op te zoeken of in te zamelen die bijdragen tot de vestiging of de invordering van eender welke, andere, door de Staat geheven belasting. ».”
A.7. Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen
Art. 160.- In artikel 2, eerste lid, van het Wetboek van de met de inkomstenbelasting gelijkgestelde belastingen, gewijzigd bij de wetten van 8 april 2003, 10 augustus 2005 en 25 april 2007, wordt het woord « 337 » vervangen door de woorden « 335 tot 337 ».
B. Inwerkingtreding
De bovenvermelde wettelijke bepalingen treden in werking de tiende dag volgend op de dag van publicatie in het Belgisch Staatsblad, zijnde 9 januari 2010.
C. Bespreking
C.1. Gegevensinzameling door de rechtmatig belaste ambtenaar ten behoeve van de eigen belasting
De taak van de vestiging en de invordering van de belasting is zeer informatie-intensief.
Een efficiënte werking vereist dat de toegang tot informatie dienstig voor de vaststelling van de fiscale toestand van de belastingplichtige niet wordt geblokkeerd of moeilijk gemaakt.
De bedoeling is om alle mogelijke hinderpalen die een nauwere samenwerking tussen de administraties van de FOD Financiën in de weg zouden staan uit de weg te ruimen en erin te voorzien dat alle gegevens binnen de FOD Financiën deel uitmaken van een gegevensbank die gemeenschappelijk is aan alle administraties binnen de FOD Financiën en die kan aangewend worden voor elke belasting waarvoor de FOD Financiën de vestiging en/of de invordering verzorgt.
De opdracht van de ambtenaren van de FOD Financiën bestaat immers uit het vaststellen van de belastbare inkomsten van de belastingplichtigen, het controleren van hun fiscale situatie, het opsporen van elke som die verschuldigd is ingevolge de belastingwetgeving en het innen en desnoods invorderen van de verschuldigde sommen.
Om deze opdracht naar behoren te kunnen vervullen, kan bvb. de ambtenaar belast met een onderzoek naar de fiscale toestand van persoon X, voortaan alle gegevens betreffende deze persoon X die nuttig zijn voor de uitvoering van zijn opdracht en die beschikbaar zijn binnen de FOD Financiën raadplegen.
Hierdoor kan worden vermeden dat eenzelfde inlichting tweemaal moet worden opgevraagd bij persoon X, eenmaal door bvb. een ambtenaar bevoegd inzake btw en eenmaal door een ambtenaar bevoegd inzake directe belastingen.
Bij wijze van voorbeeld, de ambtenaar van de sector Kadaster (« Opmetingen en Waarderingen ») van de Algemene administratie van de patrimoniumdocumentatie zal toegang hebben tot de databestanden beheerd door de sector Registratie (« Rechtszekerheid ») van dezelfde algemene administratie die gegevens zouden bevatten die nuttig zijn voor de vaststelling van een of andere vastgoedwaarde.
Zodanig kunnen de geregistreerde huurcontracten worden geraadpleegd.
In de diverse wetboeken werden de desbetreffende artikelen op die manier aangepast.
Elke ambtenaar van de FOD Financiën kan dus de gegevens die, rekening houdend met zijn functie, dienstig kunnen zijn voor de vestiging en de invordering van de door de Staat geheven belastingen en die beschikbaar zijn binnen de FOD Financiën, consulteren én er zich op beroepen voor het opsporen van elke krachtens de belastingwetten verschuldigde som.
Zij laat aldus de ambtenaren van de FOD Financiën toe om de in hun bezit zijnde gegevens mee te delen aan hun collega’s van een andere administratie binnen de FOD Financiën. Deze mededeling kan spontaan of automatisch gebeuren, of op verzoek.
Hierbij moet worden opgemerkt dat spontane gegevensuitwisseling tussen fiscale administraties ook al toegelaten is op basis van een andere rechtsgrond, met name de bepaling inzake het beroepsgeheim.
C.2. Gegevensinzameling door de rechtmatig belaste ambtenaar ten behoeve van een andere belasting dan de eigen belasting
Voor de inwerkingtreding van de Programmawet van 23 december 2009 was een ambtenaar van een fiscale administratie die tijdens een controle over een bepaalde belasting vaststelde dat de belastingplichtige in kwestie een overtreding had begaan inzake een andere belasting, reeds van rechtswege gemachtigd om alle informatie op te zoeken die de juiste heffing van deze andere belasting kon verzekeren.
Sedert de inwerkingtreding van de Programmawet heeft een fiscaal ambtenaar ook de bevoegdheid om een opzoeking of controle te verrichten over de toepassing van een andere belastingwetgeving dan deze waarvoor zijn administratie bevoegd is, zonder dat hij in het kader van een controle over “zijn” belasting noodzakelijkerwijze overtredingen op een andere belastingwetgeving vaststelt.
Hierbij enkele voorbeelden:
- de ambtenaar regelmatig belast met een controle in de inkomstenbelastingen kan de Ontvanger van de registratie verzoeken inlichtingen te verzamelen inzake de venale waarde van een verkocht onroerend goed;
- de ambtenaren van de Algemene administratie van de fiscaliteit die op grond van artikel 322, WIB 92 vragen om inlichtingen naar de belastingplichtige sturen, kunnen de bekomen inlichtingen zowel gebruiken voor het vestigen van een aanslag inzake de inkomstenbelastingen, als voor het vaststellen van de btw;
- hetzelfde geldt voor de ambtenaren van de Algemene administratie van de fiscaliteit die op grond van artikel 62, § 1, Btw-wetboek vragen om inlichtingen naar de belastingplichtige sturen;
- de ambtenaar van de sector Kadaster (« Opmetingen en Waarderingen ») van de Algemene administratie van de patrimoniumdocumentatie die de opdracht heeft om een kadastraal inkomen te schatten of te herschatten zal in het kader van zijn opdracht eveneens elk gegeven kunnen opnemen die nuttig kan zijn voor de vaststelling van andere vastgoedwaarden.
En omgekeerd zal hij er baat bij hebben om ter gelegenheid van een controle van een venale waarde de nodige vaststellingen te doen met betrekking tot de discordanties die worden ontdekt op het vlak van de kadastrale documentatie
De wetswijziging maakt het mogelijk dat ambtenaren welke op het moment van de controle melding maken van de belasting waarvoor zij rechtmatig belast zijn en hierbij gebruik maken van de onderzoeksbevoegdheden eigen aan deze belasting de verkregen inlichtingen kunnen overdragen aan hun collega’s van een andere administratie van de FOD Financiën die deze kunnen aanwenden voor de vestiging en inning van eender welke, andere, door de Staat geheven belasting waarvoor zij bevoegd zijn.
3. GECOORDINEERDE TEKSTEN
De gecoördineerde versie van de wetswijzigingen in de wetboeken en wet is opgenomen in de volgende bijlagen:
BIJLAGE 1: Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992
BIJLAGE 2: Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde
BIJLAGE 3: Wetboek diverse rechten en taksen
BIJLAGE 4: Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten
BIJLAGE 5: Wetboek der successierechten
BIJLAGE 6: Algemene wet van 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen
BIJLAGE 7: Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen
NAMENS DE MINISTER:
De adjunct-administrateur-generaal
Paul NECKEBROECK
BIJLAGE 1: WETBOEK VAN DE INKOMSTENBELASTINGEN 1992
Gecoördineerde versie
Artikel 19bis
§ 1. Interest omvat eveneens de inkomsten in het bedrag verkregen ingeval van inkoop van eigen rechten van deelneming of ingeval van gehele of gedeeltelijke verdeling van het eigen vermogen van een collectieve beleggingsinstelling in effecten waarvan meer dan 40 % van het vermogen rechtstreeks of onrechtstreeks is belegd in schuldvorderingen, voor zover deze inkomsten betrekking hebben op de periode gedurende dewelke de verkrijger houder was van de rechten van deelneming.
Indien de verkrijger de rechten van deelneming vóór 1 juli 2005 heeft verworven, of indien hij de datum van verwerving niet aantoont, wordt hij evenwel geacht houder te zijn geweest vanaf 1 juli 2005.
Deze verrichtingen zijn slechts belastbaar indien ze betrekking hebben op rechten van deelneming van een collectieve beleggingsinstelling in effecten waarvoor de statuten of het fondsreglement geen uitkering van de netto-opbrengst voorzien.
Een collectieve beleggingsinstelling waarvan de statuten niet de jaarlijkse uitkering voorzien van alle inkomsten die werden verkregen, na aftrek van de bezoldigingen, commissies en kosten, wordt voor de toepassing van het vorige lid geacht geen uitkering van de netto-opbrengst te voorzien.
Het belastbaar bedrag van de inkomsten bedoeld in het eerste lid is gelijk aan het geheel van de inkomsten die rechtstreeks of onrechtstreeks, onder de vorm van interesten, meerwaarden of minderwaarden voortkomen van de opbrengsten uit activa die werden belegd in schuldvorderingen bedoeld in artikel 2, § 1, 3°, a), van het koninklijk besluit van 27 september 2009 tot uitvoering van artikel 338bis, § 2 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wanneer de beheerder van de collectieve beleggingsinstelling in staat is dat gedeelte vast te stellen in het bedrag dat voortvloeit uit het verschil tussen het bij de verrichting verkregen bedrag en de aanschaffings- of beleggingswaarde van de aandelen of bewijzen van deelneming.
Onder schuldvorderingen worden verstaan de schuldvorderingen bedoeld in artikel 2, § 1, 3°, a) van het voormeld koninklijk besluit van 27 september 2009, met uitsluiting van die bedoeld in artikel 2, § 5 van hetzelfde koninklijk besluit.
Onder collectieve beleggingsinstellingen in effecten in de zin van deze bepaling, wordt verstaan de in artikel 2, § 1, 6°, van het voormeld koninklijk besluit van 27 september 2009 bedoelde instellingen en de collectieve beleggingsinstellingen gevestigd buiten het grondgebied waarop het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap krachtens zijn artikel 299 van toepassing is.
Het in het eerste lid bedoelde percentage van 40 % wordt bepaald aan de hand van de beleggingspolitiek zoals die in het fondsreglement of de statuten van de betrokken instelling is neergelegd en, bij ontstentenis daarvan, op basis van de feitelijke samenstelling van de beleggingsportefeuille van de instelling.
Bij gebrek aan informatie over het voormelde percentage van het vermogen van de collectieve beleggingsinstelling in effecten dat is belegd in schuldvorderingen, wordt dit percentage geacht meer dan 40 pct. te bedragen.
§ 2. Wanneer de beheerder niet in de mogelijkheid is om dat gedeelte te bepalen, is het belastbaar bedrag van de inkomsten gelijk aan het verschil tussen het bij de verrichting ontvangen bedrag en de aanschaffings- of beleggingswaarde van de aandelen of bewijzen van deelneming vermenigvuldigd met het percentage van het vermogen van de collectieve beleggingsinstelling in effecten dat belegd is in schuldvorderingen bedoeld in artikel 2, § 1, 3°, a) van het voormeld koninklijk besluit van 27 september 2009.
Wanneer het gaat om rechten van deelneming verworven vóór 1 juli 2005, of indien de datum van verwerving niet wordt aangetoond, geldt de inventariswaarde op 1 juli 2005 als aanschaffings- of beleggingswaarde voor de toepassing van deze paragraaf.
Artikel 261
De roerende voorheffing is verschuldigd:
1° door rijksinwoners, binnenlandse vennootschappen, verenigingen, instellingen, inrichtingen en lichamen, en aan de rechtspersonenbelasting onderworpen rechtspersonen die inkomsten van roerende goederen en kapitalen en inkomsten als bedoeld in artikel 90, 6° of 11°, andere dan deze bedoeld in het tweede lid, verschuldigd zijn, zomede door aan de belasting van niet-inwoners onderworpen belastingplichtigen die in België een inrichting hebben, op de resultaten waarvan inkomsten als bedoeld in artikel 17, § 1, 2° tot 4°, en inkomsten als bedoeld in artikel 90, 6° en 11°, worden aangerekend;
2° door de in België gevestigde tussenpersonen die op enige wijze tussen beide komen bij de uitbetaling van inkomsten uit kapitalen en roerende goederen van buitenlandse oorsprong, van inkomsten van buitenlandse oorsprong als bedoeld in artikel 90, 6° en 11°, of van inkomsten als bedoeld in het tweede lid, tenzij :
a) hen wordt bewezen dat een vorige tussenpersoon de voorheffing heeft ingehouden;
b) ze bewijzen dat die inkomsten zijn betaald aan een in België gevestigde kredietinstelling, beursvennootschap of erkende verrekenings- of vereffeningsinstelling;
c) ze de hoedanigheid hebben van een in België gevestigde kredietinstelling, beursvennootschap of erkende verrekenings- of vereffeningsinstelling die de inkomsten uit kapitalen en roerende goederen, andere dan de inkomsten van verhuring, verpachting, gebruik en concessie van roerende goederen, alsmede in artikel 90, 6° en 11°, bedoelde inkomsten betaalt aan een in het vierde lid bedoelde in het buitenland gevestigde onderneming;
2°bis. In afwijking op het 1° en het 2°, wat betreft de interesten bedoeld in artikel 19bis, door de uitbetalende instantie bedoeld in artikel 2, § 1, 2° van het koninklijk besluit van 27 september 2009 tot uitvoering van artikel 338bis, § 2 van het wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.
3° door beheers vennootschappen van instellingen voor collectieve belegging die zijn erkend door de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen om één of meerdere in artikel 23 of in artikel 105 van de wet van 20 juli 2004 betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles bedoelde gemeenschappelijke fondsen voor belegging in schuldvorderingen te beheren, voor de door deze gemeenschappelijke beleggingsfondsen voor belegging in schuldvorderingen toegekende of betaalbaar gestelde inkomsten;
4° door rijks inwoners, binnenlandse vennootschappen, verenigingen, instellingen, inrichtingen en lichamen, alsook aan de rechtspersonenbelasting onderworpen rechtspersonen en aan de belasting van niet-inwoners onderworpen belastingplichtigen, die inkomsten als bedoeld in artikel 17, § 1, 5°, verschuldigd zijn.
De van het eerste lid, 1°, uitgesloten inkomsten, zijn inkomsten uit kapitalen en roerende goederen, andere dan dividenden, zomede de in artikel 228, § 2, 9°, j, bedoelde diverse inkomsten waarvan de schuldenaar onderworpen is aan de personenbelasting, de vennootschapsbelasting of de rechtspersonenbelasting, wanneer die inkomsten worden toegerekend op de resultaten van een inrichting waarover de schuldenaar in het buitenland beschikt en wanneer ze door de schuldenaar niet rechtstreeks aan de verkrijger van de inkomsten worden betaald.
Met betrekking tot de interest van leningen van financiële instrumenten en de in artikel 90, 11°, bedoelde inkomsten die worden betaald in uitvoering van een lening betreffende financiële instrumenten, gesloten en integraal vereffend door tussenkomst van een erkend gecentraliseerd systeem voor het lenen en ontlenen van financiële instrumenten, is, in afwijking van het eerste lid, de schuldenaar van de roerende voorheffing welke deze voorheffing op de belastbare inkomsten moet inhouden niettegenstaande elke andersluidende overeenkomst, de beheerder van het erkend gecentraliseerd systeem.
Onder "erkend gecentraliseerd systeem voor het lenen en ontlenen van financiële instrumenten" wordt verstaan een systeem voor het lenen en ontlenen van financiële instrumenten dat tot doel heeft in laatste instantie de afwikkeling van orders tot overdracht van effecten te vergemakkelijken en dat geïntegreerd is in een vereffeningssysteem voor effecten zoals bedoeld in artikel 2, § 1, b, van de wet van 28 april 1999 houdende omzetting van de richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitief karakter van de afwikkeling van de betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen, of in een systeem van een andere Staat waarvan de wetgeving minstens in gelijkwaardige werkingsvoorwaarden voorziet, erkend door de minister van Financiën of zijn gedelegeerde.
De Koning bepaalt de erkenningsvoorwaarden waaraan het systeem moet voldoen en de periode tijdens dewelke de erkenning kan worden verleend.
De in het eerste lid, 2°, c), bedoelde in het buitenland gevestigde ondernemingen zijn:
1° de kredietinstellingen;
2° de financiële tussenpersonen zoals gedefinieerd in artikel 2, 9°, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten;
3° de verrekeningsinstellingen zoals gedefinieerd in artikel 2, 16°, van de wet van 2 augustus 2002;
4° de vereffeningsinstellingen zoals gedefinieerd in artikel 2, 17°, van de wet van 2 augustus 2002;
5° de ondernemingen wiens waarvan de voornaamste activiteit bestaat uit het beheer van vermogens, het adviseren bij het beheer van vermogens of uit de bewaarneming en het beheer van financiële instrumenten, alsmede de ondernemingen die uit hoofde van de wetgeving waaraan ze zijn onderworpen, gemachtigd zijn een van die activiteiten uit te oefenen.
Behoudens in het geval bedoeld in artikel 268, moeten de in het eerste lid vermelde belastingplichtigen:
- de roerende voorheffing inhouden op de belastbare inkomsten die in geld zijn toegekend of betaalbaar gesteld;
- zich, op welke manier ook, het bedrag van de verschuldigde roerende voorheffing op die inkomsten doen overhandigen in geval van toekenning of betaalbaarstelling onder de vorm van goederen in natura.
Artikel 335
Alle administraties die ressorteren onder de Federale Overheidsdienst Financiën zijn gehouden alle in hun bezit zijnde toereikende, ter zake dienende en niet overmatige inlichtingen ter beschikking te stellen aan alle ambtenaren van deze Overheidsdienst, voorzover die ambtenaren regelmatig belast zijn met de vestiging of de invordering van de belastingen, en voorzover die gegevens bijdragen tot de vervulling van de opdracht van die ambtenaren tot de vestiging of de invordering van eender welke door de Staat geheven belasting.
Elke ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Financiën, die regelmatig werd belast met een controle- of onderzoeksopdracht, is van rechtswege gemachtigd alle toereikende, ter zake dienende en niet overmatige inlichtingen te vragen, op te zoeken of in te zamelen die bijdragen tot de vestiging of de invordering van eender welke, andere, door de Staat geheven belasting.
Artikel 336
Elke inlichting, stuk, proces-verbaal of akte, in het uitoefenen van zijn functie ontdekt of bekomen door een ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Financiën, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van een der in de artikelen 327 en 328 aangeduide diensten, besturen, vennootschappen, verenigingen, instellingen of inrichtingen, kan door de Staat worden ingeroepen voor het opsporen van elke krachtens de belastingwetten verschuldigde som.
Artikel 338bis
§ 1. Dit artikel regelt de uitwisseling van gegevens in het kader van de (…) richtlijn 2003/48/EG van 3 juni 2003 van de Raad van de Europese Unie betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling (…).
§ 2. Wanneer de uiteindelijk gerechtigde van interesten woonachtig is in een andere lid-Staat of in een van de afhankelijke of geassocieerde gebieden waarmee een wederkerigheidsverplichting bestaat, verstrekt de uitbetalende instantie aan de administratie bevoegd voor de vestiging van de inkomstenbelastingen de door de Koning vastgestelde gegevens.
De administratie bevoegd voor de vestiging van de inkomstenbelastingen wisselt de in het eerste lid bedoelde gegevens uit met de bevoegde autoriteit van de woonstaat van de uiteindelijk gerechtigde.
De gegevensuitwisseling gebeurt automatisch en ten minste eenmaal per jaar, binnen zes maanden na afloop van elk kalenderjaar, voor alle gedurende dat jaar verrichte betalingen van interesten. De Koning legt de modaliteiten van die uitwisseling vast.
Voor toepassing van dit artikel bepaalt de Koning:
- wat moet worden verstaan onder uiteindelijk gerechtigde, interesten en uitbetalende instantie;
- de modaliteiten volgens dewelke de identificatie en de woonplaats van de uiteindelijk gerechtigde worden vastgelegd.
§ 3. (…)
§ 4. (…)
Artikel 340
Ter bepaling van het bestaan en van het bedrag van de belastingschuld kan de administratie alle door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen aanvoeren, met inbegrip van de processen-verbaal opgesteld door de ambtenaren van de Federale Overheidsdienst Financiën, maar met uitzondering van de eed.
De processen-verbaal hebben bewijskracht tot bewijs van het tegendeel.
BIJLAGE 2: WETBOEK VAN DE BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE
Gecoördineerde versie
Artikel 93quaterdecies
§ 1. De bestuursdiensten van de Staat, met inbegrip van de parketten en de griffies der hoven en rechtbanken, de besturen van de Gemeenschappen en de Gewesten van de Belgische Staat, de provinciën, de agglomeraties en de gemeenten, evenals de openbare organismen en instellingen, zijn gehouden wanneer ze daartoe aangezocht zijn door een ambtenaar van één der rijksbesturen belast met de aanslag in, of de invordering van de belastingen, hem alle in hun bezit zijnde inlichtingen te verstrekken, hem, zonder verplaatsing, van alle in hun bezit zijnde akten, stukken, registers en om 't even welke bescheiden inzage te verlenen en hem alle inlichtingen, afschriften of uittreksels te laten nemen welke bedoelde ambtenaar ter verzekering van de aanslag in, of de heffing van de door de Staat geheven belastingen nodig acht.
Met het oog op de toepassing van dit Wetboek dient onder openbare lichamen te worden verstaan, de instellingen, maatschappijen, verenigingen, instellingen en diensten welke de Staat, de Gemeenschappen of de Gewesten van de Belgische Staat medebeheren, waaraan de Staat, de Gemeenschappen of de Gewesten van de Belgische Staat een waarborg verstrekken, op de bedrijvigheid waarvan de Staat, de Gemeenschappen of de Gewesten van de Belgische Staat toezicht uitoefenen of waarvan het bestuurspersoneel aangewezen wordt door de Federale Regering of een gemeenschaps- of gewestregering, op haar voordracht of met haar goedkeuring.
Van de akten, stukken, registers en bescheiden of inlichtingen in verband met gerechtelijke procedures, mag evenwel geen inzage worden verleend zonder uitdrukkelijke toelating van de federale procureur, de procureur-generaal of de auditeur-generaal.
Het eerste lid is niet van toepassing op het bestuur der Postchecks, het Nationaal Instituut voor de Statistiek, noch op de kredietinstellingen.
Andere afwijkingen van deze bepaling kunnen worden ingevoerd bij door de Minister van Financiën mede ondertekende koninklijke besluiten.
§ 2. Alle inlichtingen, stukken, processen-verbaal of akten ontdekt of bekomen in het uitoefenen van zijn functie, door een ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Financiën, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van een der hierboven aangeduide diensten, kunnen door de Staat ingeroepen worden voor het opsporen van elke krachtens de belastingwetten verschuldigde som.
Desondanks kan het aanbieden tot registratie van de processen-verbaal en van de verslagen over expertises betreffende gerechtelijke procedures, het bestuur dan alleen toelaten die akten in te roepen mits het daartoe de in het derde lid van § 1 bepaalde toelating heeft bekomen.
§ 3. Alle administraties die ressorteren onder de Federale Overheidsdienst Financiën zijn gehouden alle in hun bezit zijnde toereikende, ter zake dienende en niet overmatige inlichtingen ter beschikking te stellen aan alle ambtenaren van deze Overheidsdienst, voorzover die ambtenaren regelmatig belast zijn met de vestiging of de invordering van de belastingen, en voorzover die gegevens bijdragen tot de vervulling van de opdracht van die ambtenaren tot de vestiging of de invordering van eender welke door de Staat geheven belasting.
Elke ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Financiën, die regelmatig werd belast met een controle- of onderzoeksopdracht, is van rechtswege gemachtigd alle toereikende, ter zake dienende en niet overmatige inlichtingen te vragen, op te zoeken of in te zamelen die bijdragen tot de vestiging of de invordering van eender welke, andere, door de Staat geheven belasting.
BIJLAGE 3: WETBOEK DIVERSE RECHTEN EN TAKSEN
Gecoördineerde versie
Artikel 211
§ 1. De bestuursdiensten van de Staat, met inbegrip van de parketten en de griffies der hoven en rechtbanken, de besturen van de provinciën en van de gemeenten, zomede de openbare organismen en instellingen, zijn gehouden wanneer ze daartoe aangezocht zijn door een ambtenaar van een der rijksbesturen belast met de aanslag in, of de invordering van de belastingen, hem alle in hun bezit zijnde inlichtingen te verstrekken, hem, zonder verplaatsing, van alle in hun bezit zijnde akten, stukken, registers en om 't even welke bescheiden inzage te verlenen en hem alle inlichtingen, afschriften of uittreksels te laten nemen, welke bedoelde ambtenaar ter verzekering van de aanslag in, of de heffing van de door de Staat geheven belastingen nodig acht.
Onder openbare organismen dienen verstaan, naar de geest van deze wet, de instellingen, maatschappijen, verenigingen, inrichtingen en diensten welke de Staat mede beheert, waarvan de Staat een waarborg verstrekt, op welker bedrijvigheid de Staat toezicht uitoefent of waarvan het bestuurspersoneel aangewezen wordt door de regering, op haar voordracht of mits haar goedkeuring.
Die verplichting is echter, tijdens het leven der erflaters en schenkers, niet toepasselijk op de in artikel 5 bedoelde akten van notarissen voor zover zij bij notarissen berustende testamenten betreffen of akten houdende schenking van de toekomstige goederen gedaan tussen echtgenoten.
Van de akten, stukken, registers en bescheiden of inlichtingen in verband met gerechtelijke procedures, mag evenwel geen inzage worden verleend zonder uitdrukkelijke toelating van de procureur-generaal of de auditeur-generaal.
Alinea 1 is niet van toepassing op het bestuur der Postchecks, het Nationaal Instituut voor de Statistiek, noch op de kredietinstellingen. Andere afwijkingen van deze bepaling kunnen worden ingevoerd bij door de Minister van Financiën mede ondertekende koninklijke besluiten.
§ 2. Elke inlichting, stuk, proces-verbaal of akte ontdekt of bekomen in het uitoefenen van zijn functies, door een ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Financiën, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van een der hierboven aangeduide diensten, kan door de Staat ingeroepen worden voor het opsporen van elke krachtens de belastingwetten verschuldigde som.
De ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Financiën is ertoe gemachtigd om de hem voorgelegde akten en geschriften die in overtreding zijn met de bepalingen van dit Wetboek of van de besluiten genomen tot uitvoering ervan, in te houden, om ze bij zijn processen-verbaal te voegen, tenzij de overtreders bedoelde processen-verbaal ondertekenen of dadelijk de rechten of taksen en de opgelopen boete betalen.
Desondanks kan het aanbieden tot registratie van de processen-verbaal en van de verslagen over expertises betreffende gerechtelijke procedures, het bestuur dan alleen toelaten die akten in te roepen mits het daartoe de in alinea 3 van § 1 bepaalde toelating heeft bekomen.
§ 3. Alle administraties die ressorteren onder de Federale Overheidsdienst Financiën zijn gehouden alle in hun bezit zijnde toereikende, ter zake dienende en niet overmatige inlichtingen ter beschikking te stellen aan alle ambtenaren van deze Overheidsdienst, voorzover die ambtenaren regelmatig belast zijn met de vestiging of de invordering van de belastingen, en voorzover die gegevens bijdragen tot de vervulling van de opdracht van die ambtenaren tot de vestiging of de invordering van eender welke door de Staat geheven belasting.
Elke ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Financiën, die wettelijk werd belast met een controle- of onderzoeksopdracht, is van rechtswege gemachtigd alle toereikende, ter zake dienende en niet overmatige inlichtingen te vragen, op te zoeken of in te zamelen die bijdragen tot de vestiging of de invordering van eender welke, andere, door de Staat geheven belasting.
BIJLAGE 4: WETBOEK DER REGISTRATIE-, HYPOTHEEK- EN GRIFFIERECHTEN
Gecoördineerde versie
Artikel 289
§ 1. De bestuursdiensten van de Staat, met inbegrip van de parketten en de griffies der hoven en rechtbanken, de besturen van de provinciën en van de gemeenten, zomede de openbare organismen en instellingen, zijn gehouden, wanneer zij daartoe aangezocht zijn door een ambtenaar van een der Rijksbesturen belast met de aanslag in, of de invordering van de belastingen, hem alle in hun bezit zijnde inlichtingen te verstrekken, hem, zonder verplaatsing van alle in hun bezit zijnde akten, stukken, registers en om 't even welke bescheiden inzage te verlenen en hem alle inlichtingen, afschriften of uittreksels te laten nemen, welke bedoelde ambtenaar ter verzekering van de aanslag in, of de heffing van de door de Staat geheven belastingen nodig acht.
Onder openbare organismen dienen verstaan, naar de geest van deze wet, de instellingen, maatschappijen, verenigingen, inrichtingen en diensten welke de Staat mede beheert, waaraan de Staat een waarborg verstrekt, op welker bedrijvigheid de Staat toezicht uitoefent of waarvan het bestuurspersoneel aangewezen wordt door de regering, op haar voordracht of mits haar goedkeuring.
Van de akten, stukken, registers en bescheiden of inlichtingen in verband met gerechtelijke procedures, mag evenwel geen inzage worden verleend zonder uitdrukkelijke toelating van de procureur-generaal of de auditeur-generaal.
Alinea 1 is niet van toepassing op het Bestuur der postchecks, het Nationaal Instituut voor de statistiek, noch op de kredietinstellingen.
Andere afwijkingen van deze bepaling kunnen worden ingevoerd bij door de Minister van Financiën medeondertekende koninklijke besluiten.
§ 2. Elke inlichting, stuk, proces-verbaal of akte ontdekt of bekomen in het uitoefenen van zijn functie, door een ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Financiën, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van een der hierboven aangeduide diensten, kan door de Staat ingeroepen worden voor het opsporen van elke krachtens de belastingwetten verschuldigde som.
Desondanks kan het aanbieden tot registratie van de processen-verbaal en van de verslagen over expertises betreffende gerechtelijke procedures, het bestuur dan alleen toelaten die akten in te roepen mits het daartoe de in alinea 3 van § 1 bepaalde toelating heeft bekomen.
§ 3. Alle administraties die ressorteren onder de Federale Overheidsdienst Financiën zijn gehouden alle in hun bezit zijnde toereikende, ter zake dienende en niet overmatige inlichtingen ter beschikking te stellen aan alle ambtenaren van deze Overheidsdienst, voorzover die ambtenaren regelmatig belast zijn met de vestiging of de invordering van de belastingen, en voorzover die gegevens bijdragen tot de vervulling van de opdracht van die ambtenaren tot de vestiging of de invordering van eender welke door de Staat geheven belasting.
Elke ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Financiën, die wettelijk werd belast met een controle- of onderzoeksopdracht, is van rechtswege gemachtigd alle toereikende, ter zake dienende en niet overmatige inlichtingen te vragen, op te zoeken of in te zamelen die bijdragen tot de vestiging of de invordering van eender welke, andere, door de Staat geheven belasting.
BIJLAGE 5: Wetboek der successierechten
GECOÖRDINEERDE VERSIE
HOOFDSTUK XIbis: Aan alle belastingen gemene bepalingen
Artikel 104/1
Alle administraties die ressorteren onder de Federale Overheidsdienst Financiën zijn gehouden alle in hun bezit zijnde toereikende, ter zake dienende en niet overmatige inlichtingen ter beschikking te stellen aan alle ambtenaren van deze Overheidsdienst, voorzover die ambtenaren regelmatig belast zijn met de vestiging of de invordering van de belastingen, en voorzover die gegevens bijdragen tot de vervulling van de opdracht van die ambtenaren tot de vestiging of de invordering van eender welke door de Staat geheven belasting.
Elke ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Financiën, die regelmatig werd belast met een controle- of onderzoeksopdracht, is van rechtswege gemachtigd alle toereikende, ter zake dienende en niet overmatige inlichtingen te vragen, op te zoeken of in te zamelen die bijdragen tot de vestiging of de invordering van eender welke, andere, door de Staat geheven belasting.
Elke inlichting, stuk, proces-verbaal of akte, in het uitoefenen van zijn functie ontdekt of bekomen door een ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Financiën of van een fiscaal rijksbestuur, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van een bestuursdienst van de Staat, met inbegrip van de parketten en de griffies der hoven en rechtbanken, de besturen van de Gemeenschappen en de Gewesten van de Belgische Staat, de provinciën, de agglomeraties en de gemeenten, evenals de openbare instellingen of inrichtingen, kan door de Staat worden ingeroepen voor het opsporen van elke krachtens de belastingwetten verschuldigde som.
Onder openbare instellingen of inrichtingen worden verstaan de instellingen, maatschappijen, verenigingen, inrichtingen en diensten welke de Staat, een Gemeenschap of een Gewest mede beheert, waaraan de Staat, een Gemeenschap of een Gewest een waarborg verstrekt, op de werkzaamheden waarvan de Staat, een Gemeenschap of een Gewest toezicht uitoefent of waarvan het bestuurspersoneel wordt aangewezen door de federale regering of een Gemeenschaps- of Gewestregering, op haar voordracht of mits haar goedkeuring.
BIJLAGE 6: ALGEMENE WET VAN 18 JULI 1977 INZAKE DOUANE EN ACCIJNZEN
Gecoördineerde versie
Artikel 210
§ 1. De bestuursdiensten van de Staat, met inbegrip van de parketten en de griffies der hoven en rechtbanken, de besturen van de provinciën en van de gemeenten, zomede de openbare organismen en instellingen, zijn gehouden wanneer zij daartoe aangezocht zijn door een ambtenaar van een der Rijksbesturen belast met de aanslag in, of de invordering van de belastingen, hem alle in hun bezit zijnde inlichtingen te verstrekken, hem zonder verplaatsing, van alle in hun bezit zijnde akten, stukken, registers en om 't even welke bescheiden inzage te verlenen en hem alle inlichtingen, afschriften of uittreksels te laten nemen, welke bedoelde ambtenaar ter verzekering van de aanslag in, of de heffing van de door de Staat geheven belastingen nodig acht.
Onder openbare organismen dienen verstaan, naar de geest van deze wet, de instellingen, maatschappijen, verenigingen, inrichtingen en diensten welke de Staat medebeheert, waaraan de Staat een waarborg verstrekt, op welker bedrijvigheid de Staat toezicht uitoefent of waarvan het bestuurspersoneel aangewezen wordt door de regering, op haar voordracht of mits haar goedkeuring.
Van de akten, stukken, registers en bescheiden of inlichtingen in verband met gerechtelijke procedures, mag evenwel geen inzage worden verleend zonder uitdrukkelijke toelating van de procureur-generaal of de auditeur-generaal.
Alinea 1 is niet van toepassing op het Bestuur der Postchecks, het Nationaal Instituut voor de Statistiek, noch op de kredietinstellingen. Andere afwijkingen van deze bepaling kunnen worden ingevoerd bij door de Minister van Financiën mede ondertekende koninklijke besluiten.
§ 2. Elke inlichting, stuk, proces-verbaal of akte ontdekt of bekomen in het uitoefenen van zijn functies, door een ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Financiën, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van een der hierboven aangeduide diensten, kan door de Staat ingeroepen worden voor het opsporen van elke krachtens de belastingwetten verschuldigde som.
Desondanks kan het aanbieden tot registratie van de processen-verbaal en van de verslagen over expertises betreffende gerechtelijke procedures, het bestuur dan alleen toelaten die akten in te roepen mits het daartoe de in § 1, alinea 3 bepaalde toelating heeft bekomen.
§ 3. Alle administraties die ressorteren onder de Federale Overheidsdienst Financiën zijn gehouden alle in hun bezit zijnde toereikende, ter zake dienende en niet overmatige inlichtingen ter beschikking te stellen aan alle ambtenaren van deze Overheidsdienst, voorzover die ambtenaren regelmatig belast zijn met de vestiging of de invordering van de belastingen, en voorzover die gegevens bijdragen tot de vervulling van de opdracht van die ambtenaren tot de vestiging of de invordering van eender welke door de Staat geheven belasting.
Elke ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Financiën, die regelmatig werd belast met een controle- of onderzoeksopdracht, is van rechtswege gemachtigd alle toereikende, ter zake dienende en niet overmatige inlichtingen te vragen, op te zoeken of in te zamelen die bijdragen tot de vestiging of de invordering van eender welke, andere, door de Staat geheven belasting.
BIJLAGE 7: WETBOEK VAN DE MET DE INKOMSTENBELASTINGEN GELIJKGESTELDE BELASTINGEN
Gecoördineerde versie
Artikel 2
Voor zover hiervan door de bepalingen betreffende de in artikel 1 genoemde belastingen niet wordt afgeweken, zijn de artikelen 298, 300 tot 302, 304, 307, 323, 327, 335 tot 337, 354 tot 359, 366 tot 379, 394, 398, 399bis, 409 tot 411, 413 en 414, 417 tot 419, 422 tot 442, 443bis, 443ter en 470bis van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 van toepassing op die belastingen.
Bovendien vinden de artikelen 351 en 352 van hetzelfde Wetboek toepassing op de belasting op de spelen en weddenschappen en op de belasting op de automatische ontspanningstoestellen.
De overtredingen van de bepalingen van dit Wetboek en van de besluiten tot uitvoering ervan worden gestraft met dezelfde straffen als gesteld zijn in de artikelen 445, 449 tot 453 en 455 tot 459 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, met inachtneming van de voorwaarden in die artikelen bepaald, behalve in zover daarin wordt verwezen naar bepalingen die geen toepassing vinden inzake met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen.
De artikelen 460 en 463 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 zijn van toepassing op de overtredingen van de bepalingen van dit Wetboek en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.
Artikel 33
§ 1. Indien de niet-betaling wordt vastgesteld op de openbare weg, moet de bestuurder van het voertuig de ontdoken verkeersbelasting en de boete in handen van de verbalisant betalen op het ogenblik van de vaststelling van de overtreding.
§ 2. In geval van niet-betaling van de in paragraaf 1 bedoelde sommen, wordt het voertuig aangehaald tot de verschuldigde sommen betaald zijn.
Zijn deze niet betaald binnen zesennegentig uur na de vaststelling van de overtreding, dan wordt het voertuig in beslag genomen.
Een bericht van inbeslagneming wordt binnen twee werkdagen aan de natuurlijke of rechtspersoon die vermeld is of vermeld moet zijn op het inschrijvingsbewijs van het voertuig gezonden.
Het risico en de eventuele kosten voortvloeiend uit de aanhaling en het beslag zijn ten laste van de eigenaar, de ondernemer, de houder of de bestuurder van het voertuig overeenkomstig de artikelen 6 en 21.
Het beslag wordt na betaling van de verschuldigde sommen en kosten opgeheven.
§ 3. Bij niet-betaling van deze sommen en kosten veroordeelt de rechtbank tot betaling ervan en gelast zij de verkoop van het in beslag genomen voertuig.
De gerechtskosten, de verkeersbelasting, de boete en de andere kosten worden aangerekend op de opbrengst van de verkoop van het voertuig en het eventueel overschot wordt aan de natuurlijke of rechtspersoon die vermeld is of vermeld moet zijn op het inschrijvingsbewijs van het voertuig terugbetaald.
§ 4. Voor de toepassing van dit artikel zijn de wets- en verordeningsbepalingen inzake douane en accijnzen betreffende de aanhaling, de inbeslagneming en de verkoop, het opstellen en het viseren van de processen-verbaal, het afgeven van het afschrift ervan, de bewijskracht van die akten en de wijze van vervolging van toepassing.
Artikel 34
De Directie voor de Inschrijving van de Voertuigen zorgt ervoor dat de gegevens die noodzakelijk zijn om de belasting te bepalen, op elektronische wijze ter beschikking van de administratie worden gesteld.
Artikel 35
De administratie kan de erkende instellingen voor autokeuring belasten met:
1° de vaststelling van bepaalde technische gegevens bij de autokeuring, voor zover die noodzakelijk zijn om de belasting te bepalen;
2° de mededeling van de onder punt 1° bedoelde gegevens aan de Directie voor de Inschrijving van de Voertuigen.
Artikel 36bis
De bepalingen van de hoofdstukken VIII en X, met uitzondering van de artikelen 33, 34 en 35, zijn niet van toepassing op:
1° de voertuigen van alle aard die onderworpen zijn aan de reglementering voor de inschrijving van de motorvoertuigen en de aanhangwagens en die het voorwerp uitmaken van een tijdelijke inschrijving andere dan een tijdelijke inschrijving van lange duur waarvoor een internationale kentekenplaat wordt afgeleverd;
2° de voertuigen van alle aard die niet in artikel 21 worden bedoeld;
3° de voertuigen van alle aard die niet onderworpen zijn aan de sub 1°, bedoelde reglementering.
De voormelde voertuigen zijn daarentegen onderworpen aan de respectievelijke bepalingen van artikel 36ter en 36quater.
Artikel 95
Voor zover er door de bepalingen van deze titel niet wordt afgeweken, zijn artikel 2, eerste, derde en vierde lid, en de artikelen 33, 34, 35, 37, 38 en 41, van toepassing op de belasting op de inverkeerstelling.
