Circulaire 2018/C/47 met betrekking tot het Btw-register van de motorvoertuigen
Deze circulaire bespreekt de Btw-verplichtingen die voortvloeien uit de artikelen 28 en 29 van het KB nr. 1 van 29.12.1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde en vervangt de circulaire AOIF nr. 16/2004 van 23.03.2004.
Belasting over de toegevoegde waarde ; Btw-register van de motorvoertuigen ; verplichtingen
FOD Financiën, 19.04.2018
Algemene Administratie van de Fiscaliteit – BTW
II. Voornaamste reglementaire bepalingen
III. Beoogde voertuigen, inrichtingen en handelingen
A. De beoogde voertuigen
B. De inrichtingen van de belastingplichtige
C. De beoogde handelingen
IV. De betrokken belastingplichtigen
V. Inschrijvingen in het register
A. Te volgen procedure
B. In het register op te nemen vermeldingen
C. Tijdstip van inschrijving
VII. Aantal registers en hun vorm
A. Aantal registers
B. Vorm van het register
1. Register gehouden op papier
2. Geïnformatiseerd register
VIII. Termijn en plaats van bewaring van het register
IX. Vrijstelling voor het houden en het inschrijven in andere registers
XI. Opheffingsbepalingen en inwerkingtreding
I. Inleiding
1. Het artikel 28 van het koninklijk besluit nr. 1 van 29.12.1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, verplicht garagisten en, meer algemeen, de belastingplichtigen die geregeld bepaalde handelingen met betrekking tot motorvoertuigen verrichten om, per bedrijfszetel, een register te houden dat bestemd is voor de inschrijving van alle voertuigen die binnenkomen in hun inrichting met het oog op het ondergaan van één of meerdere van deze handelingen.
Het artikel 29 van hetzelfde koninklijk besluit voorziet dat dit register op papier of op geïnformatiseerde wijze kan gehouden worden.
2. De circulaire AOIF nr. 16 van 23.03.2004 verduidelijkte de modaliteiten tot het houden van het register, hetzij op papier, hetzij op geïnformatiseerde wijze. Rekening houdend met de evolutie van zowel de technologie, als van de wetgeving, dienen deze modaliteiten te worden herzien. De huidige circulaire vervangt daarom de circulaire AOIF nr. 16 van 23.03.2004.
II. Voornaamste reglementaire bepalingen
3. Artikel 28, § 1, van het voormeld koninklijk besluit nr. 1, bepaalt dat, per bedrijfszetel, elke belastingplichtige die, in het kader van zijn economische activiteit regelmatig één of meerdere van de volgende handelingen verricht, een register dient te houden van de motorvoertuigen die in zijn inrichting aanwezig zijn (hierna het register genoemd):
1° elke levering en/of dienstverrichting betreffende een motorvoertuig, met uitzondering van het wassen van goederen bedoeld in artikel 22, § 1, 3°, van hetzelfde koninklijk besluit;
2° elke levering van tweedehandse motorvoertuigen;
3° elke tussenkomst als tussenpersoon in de levering van tweedehandse motorvoertuigen.
Deze bepaling is echter niet van toepassing op de belastingplichtigen die uitsluitend handelingen van montage, assemblage of constructie van motorvoertuigen verrichten.
4. Krachtens artikel 28, § 2, van het voormeld koninklijk besluit nr. 1 moet dit register door de betrokken belastingplichtige worden aangevuld door het inschrijven van:
1° zodra een voertuig binnenkomt in zijn inrichting teneinde er het voorwerp uit te maken van een handeling bedoeld in artikel 28, § 1, van dit koninklijk besluit, een volgnummer, de datum van binnenkomst van het voertuig in zijn inrichting, de nummerplaat of, bij gebrek daaraan, het chassisnummer van het voertuig en, in voorkomend geval, het Btw-identificatienummer van de opdrachtgever toegekend door een andere lidstaat van de Europese Unie en de in deze aanschrijving bepaalde code die de aard van de handeling identificeert;
2° wanneer het voertuig zijn inrichting verlaat, de uitgaande datum;
3° ten laatste op het einde van de maand volgend op die waarin het voertuig zijn inrichting heeft verlaten, een verwijzing naar de factuur of, bij gebrek daaraan, naar een ander verantwoordingsstuk bedoeld in artikel 15, § 2, van het voormeld koninklijk besluit nr. 1, of nog, de reden waarom geen enkel stuk werd opgemaakt.
III. Beoogde voertuigen, inrichtingen en handelingen
5. Een inschrijving in het register is vereist wanneer de volgende drie voorwaarden vervuld zijn:
- een voertuig zoals gedefinieerd in artikel 28, § 3, van het koninklijk besluit nr. 1
- komt binnen in de inrichting van de belastingplichtige
- teneinde er het voorwerp uit te maken van een handeling bedoeld in § 1 van het genoemde artikel 28.
A. De beoogde voertuigen
6. De voertuigen beoogd door de verplichting tot inschrijving in het register zijn de motorvoertuigen. Artikel 28, § 3, 1°, van het voormelde koninklijk besluit nr. 1, definieert de motorvoertuigen als zijnde elk landvoertuig uitgerust met een motor onderworpen aan de reglementering betreffende de inschrijving.
Voorbeelden van beoogde voertuigen die moeten worden ingeschreven in het register: personenauto's, auto's voor dubbel gebruik, minibussen, autobussen of autocars, motorhomes, vrachtwagens, bestelwagens, tractoren (voor landbouw, bosbouw of andere doeleinden, voor zover ze het voorwerp moeten uitmaken van een inschrijving), motorfietsen en bromfietsen.
Voorbeelden van niet beoogde voertuigen die bijgevolg niet moeten worden ingeschreven in het register: de aanhangwagens van de voormelde voertuigen evenals de kampeerwagens.
Opmerking:
De aandacht wordt gevestigd op het feit dat ten gevolge een wijziging in de reglementering betreffende de inschrijving van voertuigen, sinds 31.03.2014 alle bromfietsen en lichte vierwielers die in het verkeer worden gebracht, verplicht moeten ingeschreven zijn (koninklijk besluit van 23.03.2014 tot wijziging van het koninklijk besluit van 20.07.2001 betreffende de inschrijving van voertuigen – BS d.d. 28.03.2014). Vanaf 11.12.2015, is dit eveneens het geval voor de voertuigen die voor die datum in het verkeer werden gebracht (koninklijk besluit van 18.11.2015 betreffende de regularisatie van de inschrijving van de bromfietsen en lichte vierwielers en tot wijziging van het koninklijk besluit van 20.07.2001 betreffende de inschrijving van voertuigen – BS d.d. 01.12.2015).
Concreet zijn door deze wijziging in ieder geval onderworpen aan de reglementering betreffende de inschrijving:
- de bromfietsen van klasse A, met name alle voertuigen met twee of drie wielen met een cilinderinhoud van maximaal 50 cm3 of een elektrische motor, met een nominaal continu maximumvermogen van ten hoogste 4kW en waarvan de maximumsnelheid 25 km/u is;
- de bromfietsen van klasse B, met name alle voertuigen met twee of drie wielen met een maximale cilinderinhoud van 50 cm3 of een elektrische motor, met een nominaal continu maximumvermogen van ten hoogste 4kW en waarvan de maximumsnelheid 45 km/u is;
- de Speed Pedelecs, met name de snelle elektrische fietsen waarbij de trapondersteuning niet stopt bij 25 km/u en waarbij de snelheid 45 km/u kan bereiken en die beschouwd worden als bromfietsen (de andere elektrische fietsen met name de fietsen met elektrische hulpmotor en de gemotoriseerde fietsen zijn niet beoogd door de reglementering betreffende de inschrijving)
Bijgevolg worden deze voertuigen in principe beoogd door het register.
Tolerantie:
De bromfietsen van klasse A, de bromfietsen van klasse B en de Speed Pedelecs worden niet beoogd door de verplichting tot inschrijving in het register.
7. Zowel nieuwe motorvoertuigen als gebruikte motorvoertuigen worden beoogd door het register.
In de meeste gevallen, betreffen de handelingen die aanleiding geven tot een inschrijving in het register, een gebruikt voertuig. Evenwel dienen welbepaalde nieuwe vervoermiddelen soms toch het voorwerp uit te maken van een inschrijving in het register. Het betreft nieuwe vervoermiddelen die aanwezig zijn in de inrichting van de belastingplichtige en waaraan laatstgenoemde op vraag van zijn klanten een handeling moet verrichten vooraleer deze voertuigen aan hen worden geleverd.
Voorbeeld:
Een klant koopt bij een concessionaris een nieuw vervoermiddel dat hij in de showroom heeft uitgekozen. De klant wenst echter dat de concessionaris een LPG-systeem installeert in dit voertuig. De levering met installatie van dit LPG-systeem door de concessionaris in zijn inrichting moet het voorwerp uitmaken van een inschrijving in zijn register.
8. Alleen de voormelde motorvoertuigen die niet toebehoren aan de belastingplichtige die dit register moet houden, moeten worden ingeschreven in het register, behoudens wanneer laatstgenoemde deze voertuigen verwerft met het oog op de wederverkoop (zie nummer 22), of wanneer hij een andere bestemming toekent aan de voertuigen die hem toebehoren, dit wil zeggen wanneer hij ze in zijn inrichting te koop aanbiedt. De nieuwe voertuigen in consignatie moeten niet ingeschreven worden in het register.
Voorbeeld:
Een door een garagehouder aan zijn klant verhuurd voertuig dat wordt onderhouden op initiatief en op kosten van de garagehouder in zijn inrichting, dient niet te worden ingeschreven in zijn register.
B. De inrichtingen van de belastingplichtige
9. Krachtens artikel 28, § 2, van het koninklijk besluit nr. 1, moet de belastingplichtige het register aanvullen zodra een voertuig binnenkomt in zijn inrichting.
Het binnenkomen van het voertuig in zijn inrichting is dus het motief voor de inschrijving in het register.
10. Onder 'inrichting' wordt verstaan, elke plaats, in een gesloten of open ruimte, waar de belastingplichtige zijn economische activiteit uitoefent. Bijgevolg worden zowel de binnen- als de buiteninrichting van de belastingplichtige bedoeld.
De betrokken belastingplichtige moet niet noodzakelijkerwijze de eigenaar zijn van de genoemde inrichting of over een zakelijk recht op die inrichting beschikken (vruchtgebruik, erfpacht, opstal, erfdienstbaarheid), een economisch gebruiksrecht daaromtrent volstaat (huurcontract, recht om een economische activiteit uit te oefenen, …).
Het betreft concreet garages, parkings, toonzalen, loodsen, werkplaatsen of andere plaatsen waar de betrokken voertuigen worden ondergebracht.
Worden evenwel niet beoogd de plaatsen zoals salons, beurzen, … waar deze voertuigen worden tentoongesteld gedurende een periode van niet meer dan 15 opeenvolgende kalenderdagen (voorbeeld: het autosalon).
De verplichting tot inschrijving in het register is bijgevolg niet van toepassing op werken verricht buiten de inrichting van de belastingplichtige. Bij wijze van voorbeeld geeft het depanneren van een motorvoertuig op de openbare weg of bij de klant zelf geen aanleiding tot een inschrijving in het register. De verplichting tot inschrijving is echter wel van toepassing wanneer het voertuig uiteindelijk in de inrichting van de belastingplichtige moet worden gebracht en er aldaar werken worden aan uitgevoerd.
C. De beoogde handelingen
11. De handelingen beoogd door een inschrijving in het register kunnen handelingen zijn met of zonder medecontractant, en kunnen hetzij onder bezwarende titel hetzij kosteloos worden verricht.
Voorbeeld:
Een klant brengt zijn geaccidenteerd voertuig binnen in zijn garage met het oog op een gratis bestek betreffende de herstelling. De garagehouder moet deze handeling inschrijven in zijn register ondanks het feit dat ze kosteloos wordt verricht.
12. Het artikel 28, § 1, van het voornoemde koninklijk besluit nr. 1, voorziet drie categorieën van handelingen die de verplichting tot een inschrijving in het register met zich meebrengen.
Eerste categorie van handelingen: de leveringen en/of dienstverrichtingen betreffende een motorvoertuig, met uitzondering van het wassen van goederen
13. Hier worden alle leveringen van goederen en alle dienstverrichtingen beoogd, met uitzondering van het wassen van goederen als bedoeld in artikel 22, § 1, 3°, van het koninklijk besluit nr. 1, die worden verricht door de belastingplichtige die het register moet houden en die betrekking hebben op elk motorvoertuig, ongeacht of dit een nieuw of een gebruikt voertuig is.
Leveringen van goederen
14. Onder de levering van een goed moet worden verstaan, de overdracht van de macht om als een eigenaar over een goed te beschikken (artikel 10 van het Btw-Wetboek).
Door de verplichting tot inschrijving in het register worden de leveringen van goederen met betrekking tot elk motorvoertuig beoogd.
De levering zelf van het motorvoertuig is dus niet bedoeld (zie evenwel de hierna beschreven tweede categorie van handelingen betreffende de levering van tweedehandse motorvoertuigen). Het zijn de leveringen van goederen met betrekking tot dit motorvoertuig die worden beoogd door de verplichting tot inschrijving in het register.
Bovendien moeten enkel de leveringen van goederen met betrekking tot een motorvoertuig in het register worden ingeschreven indien zij aanleiding geven tot het verrichten van een installatie of een montage in dit voertuig door de leverancier van het goed of voor zijn rekening.
Voorbeeld:
De verkoop van een autoradio door een garagehouder moet niet worden ingeschreven in zijn register wanneer deze garagehouder niet instaat voor de installatie of montage ervan in het voertuig. Anderzijds, ingeval deze garagehouder de installatie of montage van deze autoradio in het voertuig op zich neemt, is hij gehouden deze handeling in te schrijven in zijn register indien het voertuig wordt binnengebracht in zijn inrichting.
Dienstverrichtingen
15. Als een dienst wordt beschouwd elke handeling die geen levering van een goed is (artikel 18 van het Btw-Wetboek).
Met uitsluiting van het wassen, moeten alle dienstverrichtingen met betrekking tot een motorvoertuig het voorwerp uitmaken van een inschrijving in het register.
Het betreft inzonderheid herstellingswerken, onderhoudswerken, of meer specifieke werken zoals de behandeling tegen roest, de installatie van een alarm- of een LPG-systeem, maar ook een expertise of een beoordeling van het voertuig, het opmaken van een bestek, enz.
Anderzijds worden de handelingen die gebruikelijk aan nieuwe vervoermiddelen worden verricht, niet beoogd (wegklaar maken, enz.).
Gezien het binnenkomen van het motorvoertuig van een derde in de inrichting van de betrokken belastingplichtige met het oog op het eraan verrichten van een dienst, de oorzaak is van de inschrijving in het register, worden de ondernemingen wier gebruikelijke activiteit bestaat uit het verlenen van rechten van genot met betrekking tot motorvoertuigen (leasing-, verhuurondernemingen) voor wat deze handelingen betreft niet beoogd door de verplichting tot het houden van het register.
Tweede categorie van handelingen: de levering van tweedehandse motorvoertuigen
16. Alleen de leveringen van tweedehandse motorvoertuigen worden hier beoogd, het betreft met andere woorden de leveringen van gebruikte voertuigen.
Artikel 28, § 3, 2°, van het koninklijk besluit nr. 1, definieert een tweedehands motorvoertuig als zijnde elk landvoertuig uitgerust met een motor onderworpen aan de reglementering betreffende de inschrijving, met inbegrip van de voertuigen beoogd in artikel 8bis, § 2, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek, welke als zodanig of na herstelling geschikt zijn om opnieuw te worden gebruikt.
Worden aldus beoogd door de verplichting tot inschrijving in het register de leveringen van personenauto's, auto's voor dubbel gebruik, minibussen, autobussen of autocars, motorhomes, vrachtwagens, bestelwagens, tractoren (voor landbouw, bosbouw of voor andere doeleinden), motorfietsen, … die reeds het voorwerp hebben uitgemaakt van een eerste inschrijving, of die minstens reeds werden gebruikt, zelfs indien hun levering plaatsvindt binnen de zes maanden na de datum van hun eerste ingebruikneming of indien ze niet meer dan 6.000 kilometer hebben afgelegd.
17. De leveringen van motorvoertuigen die de belastingplichtige onderwerpt aan de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge als bedoeld in artikel 58, § 4, van het Btw-Wetboek, worden bijgevolg eveneens beoogd door de verplichting tot inschrijving in het register, en dit onafhankelijk van het naleven van de andere specifieke verplichtingen voorzien in het kader van de genoemde bijzondere regeling. De aanschrijving nr. 2 van 02.01.1995 betreffende de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge voor tweedehandse vervoermiddelen blijft integraal van toepassing.
18. Gezien het binnenkomen van het motorvoertuig in de inrichting van de belastingplichtige die het register moet houden aan de basis ligt van de inschrijving in zijn register, moeten de verzekeringsondernemingen die gewoonlijk de voertuigen verkopen waarvan zij eigenaar zijn geworden en die daartoe niet over een eigen inrichting beschikken waarin de genoemde voertuigen worden ondergebracht, geen register bijhouden. Indien deze voertuigen worden verkocht door bemiddeling van de garagehouder in wiens inrichting zij werden ondergebracht, dient laatstgenoemde belastingplichtige de voertuigen op te nemen in zijn register (zie derde categorie van handelingen hieronder).
Derde categorie van handelingen: de tussenkomst als tussenpersoon in de levering van tweedehandse motorvoertuigen
19. Hier wordt de tussenkomst beoogd bij de levering van tweedehandse motorvoertuigen (zie nummer 16 hierboven) van een tussenpersoon die niet handelt onder de voorwaarden van artikel 13, § 2, van het Btw-Wetboek, met andere woorden van iemand die louter optreedt als makelaar of lasthebber
De tussenpersonen die handelen onder de voorwaarden van artikel 13, § 2, van het Btw-Wetboek, worden geacht in hun eigen naam te kopen en te verkopen en de toepasselijke regeling voor de leveringen van tweedehandse motorvoertuigen waarbij zij tussenkomen is die beschreven in de tweede categorie van handelingen hiervoor.
Indien deze tussenkomst plaatsvindt zonder dat het motorvoertuig binnenkomt in de inrichting van de tussenpersoon, dient geen enkele inschrijving te worden aangebracht in het register.
Ingeval de tussenpersoon over geen enkele inrichting beschikt om reden dat de voertuigen rechtstreeks worden geleverd door de verkoper aan de koper, dient hij volgens dezelfde gedachtegang geen register te houden.
IV. De betrokken belastingplichtigen
20. Alle belastingplichtigen die geregeld één of meerdere van de in hoofdstuk III, C, hiervoor beoogde handelingen verrichten moeten het register houden.
21. Behoudens de garagehouders worden derhalve in ieder geval beoogd door deze bepaling:
- de 'uitlaatcentra' die zich al dan niet uitsluitend bezighouden met het herstellen en het vervangen van uitlaten van motorvoertuigen;
- de belastingplichtigen van wie de activiteit, al dan niet uitsluitend, bestaat uit het verkopen met plaatsing en het plaatsen van banden evenals, in voorkomend geval, het herstellen van banden, het uitbalanceren van wielen of het verrichten van andere werken van hetzelfde type;
- de belastingplichtigen van wie de activiteit, al dan niet uitsluitend, bestaat uit het verkopen met plaatsing en het plaatsen van batterijen, evenals, in voorkomend geval, het herstellen en opladen ervan;
- iedere andere belastingplichtige van wie de activiteit, al dan niet uitsluitend, bestaat uit het verrichten van elk type van levering of dienstverrichting (met uitzondering van het wassen) met betrekking tot motorvoertuigen. Worden inzonderheid bedoeld de verkoop met plaatsing en de plaatsing, evenals de herstelling of het onderhoud van radio-, video- of telefooninstallaties, alarm- of anti-diefstalsystemen, airconditioning, voorruiten, schuifdaken, zetelbekledingen, trekhaken, schokdempers, boordcomputers, ... evenals het demonteren, ongeacht of dit gepaard gaat met het opnieuw samenstellen, van ieder onderdeel van een motorvoertuig, en zelfs de expertisewerkzaamheden.
Opmerking: wat meer in het bijzonder de exploitant van een parking of van een benzinestation betreft die, zelfs indien bijkomstig, olieverversingen of kleine dringende herstellingen aan motorvoertuigen verricht, wordt opgemerkt dat hij ook een register moet houden en hij er de voertuigen in moet vermelden waaraan de beoogde werkzaamheden worden verricht.
Daarentegen moeten niet in het register worden ingeschreven, de voertuigen die alleen in de inrichting van een dergelijke exploitant worden binnengebracht om er te parkeren of die er slechts enkele ogenblikken worden binnengebracht uitsluitend voor de bevoorrading van brandstof, voor het nazicht van de druk van de banden en, in voorkomend geval, om ze op te pompen, of voor het wassen van de ruiten;
- de belastingplichtigen die hun leveringen onderwerpen aan de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge beoogd in artikel 58, § 4, van het Btw-Wetboek.
Opmerking De leden van een Btw-eenheid moeten elk een register houden voor de handelingen die hen betreffen.
22. De volgende belastingplichtigen moeten daarentegen het register niet houden:
- degenen van wie de activiteit uitsluitend bestaat uit het wassen van motorvoertuigen;
- degenen die uitsluitend handelingen verrichten:
* van montage en/of assemblage en/of constructie van motorvoertuigen;
* van takelen en/of stallen van motorvoertuigen;
- degenen die voertuigen wederverkopen die door hen werden gebruikt voor het verrichten van belastbare handelingen. Dit is inzonderheid het geval voor belastingplichtigen die een vloot van voertuigen exploiteren - zoals taxibedrijven en verhuurbedrijven van voertuigen - en die deze, na gebruik, wederverkopen als tweedehandse voertuigen.
Deze belastingplichtigen moeten nochtans wel het register houden wanneer zij, naast voormelde activiteit, gewoonlijk tweedehandse motorvoertuigen aankopen met het uitsluitend doel deze weder te verkopen. In dit geval moeten alle voertuigen erin worden vermeld, zelfs deze die, na hun gebruik voor het verrichten van belastbare handelingen, worden doorverkocht als tweedehandse voertuigen, en dit, vanaf het tijdstip waarop de bestemming wordt gewijzigd, met andere woorden, van zodra de belastingplichtige deze voertuigen te koop aanbiedt in zijn inrichting.
V. Inschrijvingen in het register
A. Te volgen procedure
23. Het motief voor de inschrijving van een motorvoertuig in het register is zijn binnenkomst in de inrichting van de betrokken belastingplichtige om er het voorwerp uit te maken van één van de handelingen beoogd in hoofdstuk III, C hierboven.
Dit houdt in dat de voertuigen die zich voor andere doeleinden in de inrichting van de belastingplichtige bevinden, niet moeten worden vermeld in het register.
De volgende voertuigen moeten bij wijze van voorbeeld niet worden vermeld in het register:
- de directiewagens;
- de demonstratiewagens;
- de verhuurwagens;
- de vervangwagens;
- de nieuwe wagens in stock in de showroom (z. evenwel nummer nummer 7 hiervoor);
- de wagens aangekocht of overgenomen met het oog op de recuperatie van de onderdelen ervan;
- de wagens die louter geparkeerd staan en die toebehoren aan een personeelslid, een handelsagent, een leverancier, enz.
Deze voertuigen moeten echter wel het voorwerp uitmaken van een inschrijving in het register van zodra hun bestemming wijzigt, met andere woorden vanaf het tijdstip dat ze door de belastingplichtige in zijn inrichting te koop worden aangeboden.
24. De inschrijvingen in dit register worden zonder enig wit vlak noch leemte verricht. Zodoende moeten alle regels achtereenvolgend worden ingevuld en per regel moeten alle kolommen worden vervolledigd (de kolommen 1 tot 5 op het tijdstip van binnenkomen van het voertuig in de inrichting, de kolom 6 bij zijn vertrek en de kolom 7 op het tijdstip van opmaak van het verantwoordingsstuk, overeenkomstig punt V, B hieronder).
25. In geval van verbetering van een reeds gemaakte inschrijving, mag de oorspronkelijke foutieve vermelding, in geen enkele omstandigheid en onder geen enkel voorwendsel, worden uitgewist. Indien het gaat om een geïnformatiseerd register (z. nummers 42 tot 44 hierna), mag het technisch niet mogelijk zijn een gegeven, na het invoeren, uit te wissen of te wijzigen zonder een spoor na te laten.
De oorspronkelijke inschrijving moet altijd leesbaar blijven. Dit betekent dat de te wijzigen regel of vermelding, bij voorbeeld, mag doorstreept worden, maar op zo'n wijze dat de doorstreepte gegevens ontcijferd kunnen worden. Indien een volledige regel doorstreept werd, wordt de correcte inschrijving vervolgens geplaatst op de eerstvolgende beschikbare regel. Indien daarentegen één (meerdere) gegeven(s) van een regel moet(en) gecorrigeerd worden zonder afbreuk te doen aan de volledige regel, wordt (worden) het (de) correcte gegeven(s) ingeschreven in hetzelfde (dezelfde) vak(ken) als het (de) doorstreepte gegeven(s).
B. In het register op te nemen vermeldingen
26. Bij het binnenkomen van een voertuig in de inrichting, moet het register, waarvan een model is opgenomen in nummer 31 hierna, worden aangevuld met:
- een volgnummer dat bestaat uit minimum 4 posities en dat wordt genomen uit een ononderbroken reeks van 0001 tot 9999 (kolom 1),
- de datum van binnenkomst van het voertuig in de inrichting van de belastingplichtige (kolom 2),
- de nummerplaat of, bij gebrek daaraan, het chassisnummer van het voertuig (kolom 3),
- indien het voertuig wordt verstuurd vanuit een andere lidstaat, door of voor rekening van een in die lidstaat voor de Btw geïdentificeerde belastingplichtige, met het oog op het verrichten van een maakloonwerk in de zin van artikel 18, § 1, tweede lid, 1°, van het Btw-Wetboek of een expertise of een materieel werk, ander dan een maakloonwerk, het Btw-identificatienummer van de opdrachtgever toegekend door de andere lidstaat. Dit Btw-identificatienummer moet worden voorafgegaan door de code van het land dat dit nummer heeft toegekend (kolom 4),
- de code ter identificering van de aard van de handeling (kolom 5).
27. De code die wordt gebruikt om de aard van de handeling vast te stellen dient verplicht één van de hierna in functie van de aard van de beoogde handelingen gedefinieerde codes te zijn. Het gebruik van andere codes (cijfers of letters) is verboden.
Vier codes werden voorzien. Deze codes worden uitgedrukt door de cijfers 1 tot 4.
Code 1
De code uitgedrukt door het cijfer '1' wordt gebruikt ter identificering van de leveringen van goederen, de handelingen van onderhoud, herstelling, omvorming, installatie - andere dan deze die volledig onder waarborg worden verricht (beoogd door code 2) of die betrekking hebben op de tweedehandse vervoermiddelen bestemd voor de verkoop (code 4) - alsmede van elke andere handeling die niet strikt bedoeld wordt door de codes 2 en 3.
Voor zover het voertuig het voorwerp uitmaakt van een handeling als bedoeld door de code '1', maar ook van handelingen bedoeld door de codes 2 en/of 3, wordt enkel de code 1 gebruikt.
Code 2
De code uitgedrukt door het cijfer '2' wordt gebruikt ter identificering van de handelingen (leveringen van goederen en dienstverrichtingen) die volledig worden verricht ter uitvoering van een waarborgverplichting.
Indien een handeling wordt verricht deels onder waarborg en deels op kosten van de klant of van enig andere persoon, dient de code '1' te worden gebruikt.
Code 3
De code uitgedrukt door het cijfer '3' wordt gebruikt indien het voertuig, tijdens zijn verblijf in de inrichting van de belastingplichtige, uitsluitend het voorwerp uitmaakt van een bestek, onder bezwarende titel of om niet.
Code 4
De code uitgedrukt door het cijfer '4' wordt in hoofde van de belastingplichtige die het register moet houden, gebruikt ter identificering van, hetzij de levering van een tweedehands motorvoertuig voor zijn eigen rekening, hetzij zijn tussenkomst als tussenpersoon bij een dergelijke levering.
Als deze levering of de tussenkomst bij deze levering eveneens aanleiding geeft tot het verrichten, door de belastingplichtige die het register moet houden, van een handeling bedoeld door de codes 1 en/of 2 en/of 3, zal steeds de code '4' worden gebruikt.
Voorbeelden:
a. De belastingplichtige is tussenpersoon bij de levering van een tweedehands voertuig waaraan hij herstellingen moet verrichten voor rekening van de verkoper. Bijgevolg worden twee handelingen gesteld beoogd door het register, met name de tussenkomst bij de verkoop van een tweedehands voertuig en de herstelling van dit voertuig. Niettemin moet enkel de code 4 worden vermeld.
b. De belastingplichtige is tussenpersoon bij de levering van een tweedehands voertuig waaraan hij herstellingen moet verrichten voor rekening van de koper. In dit geval moet de code 4 die werd ingeschreven in het register op het tijdstip van het binnenkomen van het voertuig in de inrichting van de belastingplichtige niet gewijzigd worden naar aanleiding van de herstellingen verricht voor rekening van de koper.
Opmerking:
Wanneer een voertuig dat onder een welbepaalde code werd ingeschreven het voorwerp uitmaakt van een handeling die niet was voorzien op het tijdstip van het binnenkomen van dat voertuig in de inrichting van de garagehouder en deze handeling een wijziging van de oorspronkelijk ingeschreven code met zich meebrengt, geeft deze handeling geen aanleiding tot een nieuwe inschrijving in het register. De nieuwe code moet in het register na de oorspronkelijk ingeschreven code worden vermeld. Laatstgenoemde code mag in geen enkel geval worden doorgehaald of veranderd in een andere code.
De toevoeging van de nieuwe code moet zonder uitstel worden verricht, van zodra de belastingplichtige kennis heeft van de handeling die aanleiding geeft tot de wijziging van de code.
Uiteraard is deze procedure enkel van toepassing indien het betrokken voertuig de inrichting van de garagehouder niet heeft verlaten sedert de inschrijving van de oorspronkelijke code. In het tegenovergestelde geval, moet de regel van het register met betrekking tot dit voertuig reeds aangevuld zijn met een datum van vertrek en moet er bijgevolg een nieuwe inschrijving gebeuren wanneer het voertuig opnieuw binnenkomt in de inrichting van de belastingplichtige.
Voorbeelden:
a. Een voertuig wordt binnengebracht in de inrichting van de garagehouder om er het voorwerp uit te maken van een aan een eventuele herstelling voorafgaand bestek.
De code 3 moet worden ingeschreven in het register.
De eigenaar beslist vervolgens, zonder dat het voertuig de inrichting van de garagehouder heeft verlaten, om de herstelling te laten uitvoeren.
De code 3 moet worden aangevuld met de code 1 (zie volgnummer 3 van het model van het register in nummer 31 hieronder).
b. Op 22.05.2016 wordt een voertuig binnengebracht in de inrichting van de garagehouder met het oog op het uitvoeren van een herstelling.
De code 1 moet worden ingeschreven in het register.
Een week later, namelijk op 29.05.2016, beslist de eigenaar, gegeven de kostprijs van de herstelling, en zonder dat het voertuig de inrichting van de garagehouder heeft verlaten:
1. om het voertuig te verkopen door bemiddeling van deze garagehouder.
De oorspronkelijk in het register ingeschreven code 1 moet worden aangevuld met de code 4.
2. om het voertuig te verkopen aan de garagehouder die de onderdelen ervan zal recupereren.
De oorspronkelijk in het register ingeschreven code 1 blijft behouden, daar de nieuwe bestemming geen wijziging van code met zich meebrengt.
Evenwel, op het tijdstip van de wijziging van de bestemming, moet de inschrijving van dit voertuig in het register worden afgesloten door in de kolom voorzien voor de vermelding van de datum van het verlaten van de inrichting (kolom 6) de datum van wijziging van de bestemming in te vullen en in kolom 7 de verwijzing, naargelang het geval, naar de factuur uitgereikt door de leverancier of door de belastingplichtige zelf (self-billing) of naar het verantwoordingsstuk beoogd in artikel 10 van voormeld koninklijk besluit nr. 1 (zie volgnummer 4 van het model van het register in nummer 31 hieronder).
28. Zodra het voertuig de inrichting van de belastingplichtige verlaat, moet de kolom van het register voorzien voor de vermelding van de datum van het verlaten van de inrichting (kolom 6) worden ingevuld.
29. Bovendien moet het register eveneens worden aangevuld met een verwijzing naar het stuk ter verantwoording van het vertrek of de afwezigheid van het voertuig (kolom 7).
Dit verantwoordingsstuk betreft:
- hetzij een uitgaande factuur, opgemaakt door de belastingplichtige;
- hetzij een inkomende factuur of een in artikel 10 van het voormeld koninklijk besluit nr. 1 bedoeld stuk opgemaakt door de belastingplichtige (indien het voertuig werd binnengebracht in de inrichting van de belastingplichtige met het oog op het eraan verrichten van één of meerdere handelingen beoogd door de codes 1 tot 3 zoals beschreven in nummer 27 hierboven, en bijgevolg reeds werd ingeschreven in het register, maar uiteindelijk werd ingekocht door de belastingplichtige die het register moet bijhouden met het oog op het recupereren van de onderdelen ervan);
- hetzij een verantwoordingsstuk opgemaakt door de belastingplichtige en beoogd in artikel 15, § 2, van het voormeld koninklijk besluit nr. 1 ter verantwoording van de inschrijvingen verricht in het dagboek van ontvangsten.
Opmerking: het is mogelijk dat twee facturen werden opgemaakt met betrekking tot één inschrijving in het register. In dergelijk geval moet in de daartoe voorziene kolom een verwijzing naar de beide facturen worden ingeschreven (kolom 7).
Voorbeeld: een belastingplichtige is koper/wederverkoper (commissionair in de zin van artikel 13 van het Btw-Wetboek) bij de levering van een tweedehands voertuig waaraan hij een herstelling verricht voor rekening van de verkoper. Een eerste factuur zal worden uitgereikt aan de verkoper met betrekking tot de verrichte herstellingen en een tweede aan de koper met betrekking tot de verkoop van het voertuig.
Anderzijds dient, ingeval geen enkel stuk werd opgemaakt, de reden voor het niet opmaken van een stuk te worden vermeld in het register.
Dit zal meer bepaald het geval zijn als de belastingplichtige handelingen onder waarborg verricht.
Deze vermelding mag worden vervangen door een code, met uitsluiting van de cijfers 1 tot 4, op voorwaarde dat de sleutel voor deze code beschikbaar is ingeval van een controle door de administratie.
C. Tijdstip van inschrijving
30. De vermeldingen beoogd onder nummer 26 hierboven moeten in het register worden aangebracht vanaf het tijdstip van binnenkomen van een tweedehands motorvoertuig in de inrichting van de betrokken belastingplichtige om één of meerdere handelingen zoals beoogd in punt III, C, hierboven te ondergaan
Deze vermeldingen moeten eveneens worden aangebracht vanaf het tijdstip dat een wijziging in de bestemming van de voertuigen die toebehoren aan de belastingplichtige zoals demonstratie-, directie-, huurwagens, … wordt doorgevoerd en voor zover die voertuigen in zijn inrichting te koop worden aangeboden.
Opmerking: gezien het register bestemd is een correct beeld te geven van de voertuigen aanwezig in de inrichting van de belastingplichtige op een gegeven tijdstip, mag het register niet aangevuld worden vooraleer het voertuig binnenkomt in de inrichting. Zo is het bijvoorbeeld niet toegestaan, bij de opening van de inrichting, steeds alle voertuigen in te schrijven in het register die voorzien zijn in de dagplanning terwijl zij zich nog niet in de inrichting bevinden.
Met het oog op het uitvoeren van bepaalde werken wordt soms met de klant overeengekomen dat deze zijn voertuig tijdens de sluitingsuren in de inrichting van de belastingplichtige binnenbrengt en de sleutels van het voertuig in de brievenbus deponeert. In dat geval moet het voertuig zonder uitstel in het register worden ingeschreven van zodra de inrichting opent.
Indien een voertuig in de inrichting van de garagehouder aanwezig is zonder dat een inschrijving in het register is vereist en daarna een handeling beoogd door het register moet ondergaan, dan dient dit voertuig zonder uitstel te worden ingeschreven van zodra de aard van deze handeling is gekend.
Voorbeeld: een nieuw voertuig bestemd om te worden verkocht bevindt zich in de showroom van de belastingplichtige. Een klant verwerft het voertuig maar wenst dat het uitgerust wordt met een LPG-systeem. Vanaf het tijdstip dat de belastingplichtige wordt ingelicht over de aan dit voertuig uit te voeren handelingen, moet hij dit voertuig in zijn register inschrijven.
De onder nummer 28 beoogde inlichting, te weten de datum van uitgang, zal worden aangevuld op het tijdstip van de uitgang van het voertuig.
De onder nummer 29 beoogde inlichting, te weten de referentie van het verantwoordingsstuk, zal worden ingevuld ten laatste op het einde van de maand die volgt op deze waarin het voertuig de inrichting van de betrokken belastingplichtige heeft verlaten.
VI. Opmaak van het register
31. Het register bevat minimum 7 kolommen, waar voor elk betrokken voertuig kan ingeschreven worden:
- een volgnummer;
- de datum van binnenkomst van het voertuig in de inrichting van de belastingplichtige;
- de nummerplaat of, bij gebrek daaraan, het chassisnummer;
- eventueel het buitenlands identificatienummer van de opdrachtgever;
- de code ter identificering van de aard van de handeling dat het voertuig zal ondergaan;
- de datum van uitgang van het voertuig uit de inrichting van de belastingplichtige;
- de referentie van de factuur of van het verantwoordingsstuk opgemaakt om de handeling vast te stellen of, indien geen enkel document werd opgemaakt, de reden van het ontbreken van dit document.
Model van het register op basis van vijf voorbeelden:
1. Bij de opening van zijn inrichting op 09.05.2016 stelt de belastingplichtige vast dat een klant zijn voertuig tijdens de sluitingsuren op zijn parking heeft achtergelaten teneinde een onderhoud te ondergaan. Op het tijdstip van de opening vermeldt hij derhalve dit voertuig in zijn register. De klant recupereert zijn voertuig op het einde van dag.
2. De belastingplichtige is koper/wederverkoper bij de verkoop van een tweedehands voertuig dat wordt binnengebracht in zijn inrichting op 17.05.2016 en dat enkele herstellingswerken moet ondergaan voor rekening van de verkoper. De koper neemt het hersteld voertuig in bezit op 20.05.2016. Een factuur met betrekking tot de uitgevoerde herstellingswerken wordt uitgereikt aan de verkoper en een factuur die de verkoop van het voertuig vaststelt wordt uitgereikt aan de koper.
3. Op 23.05.2016 vertrouwt een klant zijn beschadigd voertuig toe aan de belastingplichtige teneinde een bestek te bekomen met betrekking tot de uit te voeren herstellingswerken. De belastingplichtige vermeldt dit voertuig in zijn register onder de code 3. In de loop van die dag deelt hij het bedrag van de herstellingswerken mee aan zijn klant, die akkoord gaat met dit bestek en die hem opdracht geeft om het voertuig te herstellen. De belastingplichtige vermeldt op dat tijdstip de code 1 na de initiële code 3. Het voertuig verlaat de volgende dag zijn inrichting.
4. Op 24.05.2016 wordt een voertuig binnengebracht in de inrichting van de belastingplichtige om het voorwerp uit te maken van een herstelling. Het wordt derhalve ingeschreven in het register onder de code 1. Op 26.05.2016 oordeelt de eigenaar van het voertuig, die geen Btw-belastingplichtige is, dat de herstellingen belangrijker zijn dan voorzien en hij besluit het voertuig door te verkopen aan de belastingplichtige die de onderdelen ervan zal recupereren. De belastingplichtige maakt het stuk op beoogd in artikel 10 van het voormeld koninklijk besluit nr. 1 en vermeldt het in zijn boek voor inkomende facturen onder nummer 35.
5. Op 02.06.2016 zendt een in Frankrijk voor de Btw geïdentificeerde belastingplichtige zijn voertuig naar de Belgische belastingplichtige bij wie hij het twee maand daarvoor heeft verworven met een jaar waarborg, teneinde een elektronisch probleem op te lossen. Het voertuig verlaat de volgende dag de inrichting van de belastingplichtige.
Volg-nr. | Datum van binnenkomst van het voertuig | Nummerplaat of Chassis-nummer | Buitenlands Btw-identificatie-nummer van de opdrachtgever | Code(s) met betrekking tot de aard van de handeling | Datum waarop het voertuig de inrichting verlaat | Verwijzing naar het verantwoordings-document of reden van afwezigheid ervan |
(1) | (2) | (3) | (4) | (5) | (6) | (7) |
1 | 09.05.2016 | 1DCA686 | / | 1 | 09.05.2016 | Fact 111/16 |
2 | 7.05.2016 | WVWZYY5MZ4Y448725 | / | 4 | 20.05.2016 |
Fact 114/16 en 115/16 |
3 | 3.05.2016 | 1PBY681 | / | 3-1 | 24.05.2016 | Fact 116/16 |
4 | 24.05.2016 | 1PKB 783 | / | 1 | 26.05.2016 | Doc 35/16 |
5 (1) | 02.06.2016 | 5894AL75 | FR 82934379825 | 2 | 03.06.2016 | Waarbo |
rg |
t nr. 1 (zie in dit opzicht nummer 45 van de onderhavige circulaire).
32. Voor het overige is het register aan geen bijzondere vormvoorwaarden onderworpen. Het volstaat dat het derwijze wordt aangelegd dat de in de nummers 24 tot 27 hierboven beoogde vermeldingen erin zijn opgenomen.
VII. Aantal registers en hun vorm
A. Aantal registers
33. In principe dient de belastingplichtige die over meerdere bedrijfszetels beschikt, een register te houden per bedrijfszetel.
Bovenaan elk register wordt een verwijzing aangebracht naar de bedrijfszetel en de inrichtingen die normaliter tot deze bedrijfszetel behoren.
Indien het houden van slechts één register te moeilijk is wegens de indeling van de inrichtingen die behoren tot deze bedrijfszetel, kan in voorkomend geval het houden van meerdere registers voor die welbepaalde zetel door de administratie worden aanvaard.
In deze veronderstelling kan evenwel maximaal één register per activiteitscode worden gehouden.
Om een dergelijke afwijking te bekomen dient een gemotiveerd verzoekschrift te worden ingediend bij het hoofd van de beheersdienst die bevoegd is voor de plaats waar de belastingplichtige is gevestigd.
B. Vorm van het register
34. Het register kan hetzij op papier, hetzij op geïnformatiseerde wijze worden gehouden.
De aandacht wordt gevestigd op het feit dat de keuze om het register op geïnformatiseerde wijze te houden door de belastingplichtige moet worden gemaakt voor het geheel van de activiteiten van een exploitatiezetel. Het is uitgesloten dat het register gedeeltelijk op geïnformatiseerde wijze en gedeeltelijk op papier zou worden gehouden. Ingeval de belastingplichtige een vergunning heeft verkregen om meerdere registers te houden voor éénzelfde exploitatiezetel (zie nummer 33), is het toch toegestaan bepaalde registers op papier en andere op geïnformatiseerde wijze te houden.
1. Register gehouden op papier
35. Het register moet vóór zijn eerste gebruik worden samengesteld uit bladen die door alle passende middelen samengevoegd zijn (innaaien, nieten, plakken van de rug, …). Het mag niet door losse bladen worden vervangen.
36. Het register moet worden genummerd. Dit wil zeggen dat al de bladzijden of al de bladen een nieuw nummer moeten dragen. Die nummering kan gedaan worden ter gelegenheid van het drukken, of daarna, onder andere met de hand.
37. De inschrijvingen in dit register worden zonder enig wit vlak noch leemte verricht. In geval van verbetering moet de oorspronkelijke inschrijving altijd leesbaar blijven (zie nummers 24 en 25).
38. Voor het overige is het register aan geen bijzondere vormvoorwaarden onderworpen. Het volstaat dat het derwijze wordt aangelegd dat de in de nummers 26 tot 29 hierboven beoogde vermeldingen erin zijn opgenomen.
Opmerking:
Artikel 29, eerste lid, van het Btw-Wetboek, voorziet dat, vóór elk gebruik, het register moet voorgelegd worden, om geviseerd en geparafeerd te worden, op het controlekantoor van de Btw waaronder de belastingplichtige ressorteert. Deze verplichting werd afgeschaft wat betreft de boekhouding (artikel 2, § 1, van het koninklijk besluit van 25.01.2005) en zou vervolgens afgeschaft worden op vlak van Btw. Vandaar is bij wijze van administratieve tolerantie de verplichting tot visering en parafering geschorst in afwachting van de wijziging van de bestaande reglementering.
2. Geïnformatiseerd register
39. De belastingplichtige is niet gehouden de administratie te informeren van zijn keuze het register te houden op geïnformatiseerde wijze.
40. Bij het houden van het register op geïnformatiseerde wijze moeten echter de volgende twee voorwaarden voldaan zijn:
Eerste voorwaarde: de belastingplichtige moet de integriteit van de inhoud van het register garanderen tot het einde van de wettelijke bewaartermijn.
Onder 'integriteit van de inhoud' verstaat men het feit dat de inhoud, voorgeschreven door de regels van toepassing op het register, niet werd gewijzigd na inschrijving. Elke inschrijving in het register moet bijgevolg een onveranderlijk karakter hebben. Anders gezegd, het mag technisch niet mogelijk zijn een gegeven, na inschrijving in het register, te wijzigen of te verwijderen zonder een spoor na te laten. De oorspronkelijke inschrijving moet altijd leesbaar blijven (zie hierover nummer 25 hiervoor).
De belastingplichtige bepaalt zelf hoe de integriteit van de inhoud van het register wordt gewaarborgd. Hij moet daarom, op elke vraag van controleagenten van de bevoegde administratie, het bewijs kunnen leveren dat aan deze voorwaarde wordt voldaan. Hij kan, bijvoorbeeld, gebruik maken van een procedure van een geavanceerde elektronische handtekening of een bedrijfscontrole die hem toestaat de inschrijvingen in het register te vergelijken met andere documenten (facturen, werkbonnen, rekeninguittreksels, …), en zo vast te stellen dat de inhoud van het register juist is en niet werd gewijzigd.
Tweede voorwaarde: de belastingplichtige moet de leesbaarheid van het register garanderen tot het einde van de wettelijke bewaartermijn.
Onder 'leesbaarheid' verstaat men het feit dat het register zo wordt getoond dat alle gegevens die hij bevat en verband houden met de Btw duidelijk leesbaar zijn, op papier of op digitaal scherm, zonder dat er daarvoor veel onderzoek of interpretatie nodig is.
De belastingplichtige bepaalt zelf hoe de leesbaarheid van het register wordt gewaarborgd.
41. Er wordt geen specifieke vorm opgelegd aan het register gehouden op geïnformatiseerde wijze. Uiteraard moet het alle verplichte vermeldingen, voorzien in de nummer 26 tot 29 hiervoor, bevatten.
Dit register kan geïnspireerd worden op het model opgenomen in nummer 31 hierboven.
VIII. Termijn en plaats van bewaring van het register
42. Krachtens artikel 60, § 4, van het Btw-Wetboek dient het register te worden bewaard gedurende zeven jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het jaar volgend op zijn sluiting.
43. Het door de onderhavige aanschrijving beoogd register moet zich op de bedrijfszetel bevinden tot bij het verstrijken van de derde maand volgend op zijn afsluiting (art. 28, § 5, van het koninklijk besluit nr. 1).
Tijdens deze periode moet het register zonder uitstel door de belastingplichtige op de bedrijfszetel ter inzage worden voorgelegd op uitdrukkelijk verzoek van de ambtenaren van de administraties die bevoegd zijn voor de belasting over de toegevoegde waarde, de inkomstenbelasting en de douane en accijnzen
Nadien moet het register worden bewaard op de administratieve hoofdzetel van de belastingplichtige.
Indien het register wordt gehouden in een elektronisch formaat, moet een volledige online toegang tot de betrokken gegevens, ongeacht de plaats waar de gegevens zich digitaal bevinden, worden gewaarborgd op de bedrijfszetel tot bij het verstrijken van de derde maand volgend op zijn afsluiting en nadien op de administratieve hoofdzetel van de belastingplichtige.
Het register dat op papier wordt gehouden slaat niet op een welbepaalde termijn en zal als afgesloten worden beschouwd wanneer alle bladzijden zijn gebruikt en de kolommen 6 en 7 zijn ingevuld voor alle in het register ingeschreven voertuigen.
Het op geïnformatiseerde wijze gehouden register dient alle voertuigen te vermelden die tijdens een kalenderjaar in de inrichting van de belastingplichtige zijn binnengekomen (kolom 2) en zal derhalve als afgesloten worden beschouwd wanneer de kolommen 6 en 7 met betrekking tot deze voertuigen zijn ingevuld.
44. Krachtens artikel 61, § 1, vierde lid, van het Btw-Wetboek, is eenieder gehouden de boeken en stukken die hij moet bewaren, op ieder verzoek van de ambtenaren van de administratie die de belasting over de toegevoegde waarde onder haar bevoegdheid heeft, ter inzage voor te leggen. Wanneer de boeken en stukken door middel van een geïnformatiseerd systeem worden bewaard, hebben die ambtenaren het recht zich de op informatiedragers geplaatste gegevens in een leesbare en verstaanbare vorm ter inzage te doen voorleggen. Die ambtenaren kunnen eveneens de betrokken persoon verzoeken om in hun bijzijn en op zijn uitrusting kopies te maken onder de door hen gewenste vorm van het geheel of een deel van de voormelde gegevens, evenals om de informaticabewerkingen te verrichten die nodig worden geacht om de juiste heffing van de belasting na te gaan.
IX. Vrijstelling voor het houden en het inschrijven in andere registers
45. Krachtens artikel 25, § 1, van het voormeld koninklijk besluit nr. 1, moet iedere belastingplichtige een register houden van de goederen die hem door een belastingplichtige worden toevertrouwd met het oog op de oplevering aan laatstgenoemde van een maakloonwerk in de zin van artikel 18, § 1, tweede lid, 1°, van het Btw-Wetboek.
Bovendien vermeldt de belastingplichtige in het register beoogd in de vorige alinea eveneens, krachtens artikel 25, § 2, van datzelfde koninklijk besluit, de goederen die hem vanuit een andere lidstaat werden toegezonden door of voor rekening van een in die andere lidstaat voor Btw-doeleinden geïdentificeerde belastingplichtige en die het voorwerp uitmaken van een expertise of van een materieel werk, ander dan een maakloonwerk in de zin van artikel 18, § 1, tweede lid, 1°, van het Btw-Wetboek.
Artikel 25, § 4, van het voormeld koninklijk besluit nr. 1 verduidelijkt echter dat deze bepalingen niet van toepassing zijn op de handelingen die in het register bedoeld in de onderhavige aanschrijving moeten worden ingeschreven. Wanneer een voertuig derhalve het voorwerp dient uit te maken van een maakloonwerk in de zin van artikel 18, § 1, tweede lid, 1°, van het Btw-Wetboek, of, in het geval van een belastingplichtige opdrachtgever die voor de Btw geïdentificeerd is in een andere lidstaat en die het voertuig vanuit die andere lidstaat verstuurt, van een maakloonwerk, van een expertise of van een materieel werk, ander dan een maakloonwerk, en dit voertuig moet worden ingeschreven in het register dat het voorwerp uitmaakt van deze aanschrijving, is de belastingplichtige ervan ontheven dit voertuig in te schrijven in het register bedoeld in artikel 25 van het koninklijk besluit nr. 1 (zie in dit opzicht het voorbeeld nummer 5 inzake het model van het register dat werd opgenomen in nummer 31 hierboven).
X. Sancties
46. De overtredingen op de in deze circulaire uiteengezette bepalingen worden bestraft met een boete van 50 EUR tot 5000 EUR per overtreding krachtens artikel 70, § 4, van het Btw-Wetboek. Het bedrag van deze boete wordt vastgesteld in sectie 3, I, van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 44 van 09.07.2012 tot vaststelling van het bedrag van de niet-proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde.
XI. Opheffingsbepalingen en inwerkingtreding
47. De onderhavige circulaire treedt in werking vanaf de datum van zijn publicatie. Derhalve moeten alle hierin opgenomen bepalingen verplicht vanaf deze datum worden toegepast.
48. De huidige circulaire vervangt de circulaire AOIF nr. 16/2004 van 23.03.2004.
Interne ref.: 130.170
