Circulaire 2018/C/64 betreffende de artikelen 74, 75, 81, 86 A, 86 B2 en 86 C, alinea 10 van de wet van 25.12.2017 tot hervorming van de vennootschapsbelasting

Commentaar op de artikelen 74, 75, 81, 86 A, 86 B2 en 86 C, alinea 10 van de wet van 25.12.2017 tot hervorming van de vennootschapsbelasting (BS 29.12.2017).

Inkomstenbelastingen ; vestiging van de belasting ; bewijsmiddelen ; taxatie bij vergelijking ; administratieve boete ; bedrag en toepassingsgebied van de administratieve boete

FOD Financiën, 25.05.2018
Algemene Administratie van de Fiscaliteit – Taxatieprocedure en Verplichtingen

Inhoudstafel

I. Wettelijke bepalingen inzake procedure – Wet tot hervorming van de vennootschapsbelasting 25.12.2017 (BS 29.12.2017)
II. Gewijzigde artikelen inzake procedure

1°. Wijzigingen van artikel 342, WIB 92

A. Wijziging vanaf 01.01.2018 (artikelen 74 en 86 A van de wet)

1. Gecoördineerde wettekst
2. Commentaar
3. Inwerkingtreding

B. Wijziging vanaf 01.01.2020 (artikelen 75, 1° en 86 B2 van de wet)

1. Gecoördineerde wettekst
2. Commentaar
3. Inwerkingtreding

C. Wijziging vanaf aanslagjaar 2022 (artikelen 75, 2° en 86 C, alinea 10 van de wet)

1. Gecoördineerde wettekst
2. Commentaar
3. Inwerkingtreding

2°. Wijziging van artikel 445, WIB 92 (artikel 81 en 86 B2 van de wet)

1. Gecoördineerde wettekst
2. Commentaar
3. Inwerkingtreding

I. Wettelijke bepalingen inzake procedure – Wet tot hervorming van de vennootschapsbelasting 25.12.2017 (BS 29.12.2017)

Art. 74. Artikel 342 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 11 juli 2005, wordt aangevuld met een paragraaf 4, luidende :

" § 4. Bij niet-aangifte of laattijdige overlegging van de aangifte door een onderneming onderworpen aan de vennootschapsbelasting of de belasting der niet-inwoners overeenkomstig artikel 227, 2°, wordt het minimum van de belastbare winst vastgesteld op 34 000 euro.

Dit bedrag wordt bij herhaalde inbreuken verhoogd volgens een schaal waarvan de trappen, gaande van 25 pct. minimum tot 200 pct. maximum, door de Koning worden vastgesteld.".

Art. 75. In artikel 342, § 4, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij artikel 74 van deze wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1° In het eerste lid worden de woorden "34 000 euro." worden vervangen door de worden "40 000 euro.";

2° de paragraaf wordt aangevuld met een lid, luidende :

"Het minimum van de belastbare winst wordt jaarlijks geïndexeerd volgens de regels van artikel 178, § 2, met dien verstande dat het bedrag van 40 000 euro eerst wordt gedeeld door de indexeringscoëfficiënt die van toepassing is voor aanslagjaar 2020 waarna het resultaat wordt afgerond tot het hogere of lagere veelvoud van 100 euro naargelang de cijfers van de eenheden en tientallen al dan niet 50 bereiken."

Art. 81. Artikel 445, § 1, vijfde lid, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de programmawet van 1 juli 2016, wordt vervangen als volgt :

"Geen boete wordt toegepast wanneer de belastingplichtige aantoont dat het bedrag van de kosten, bedoeld in artikel 57, of van de voordelen van alle aard bedoeld in de artikelen 31, tweede lid, 2°, en 32, tweede lid, 2°, begrepen is in een door de verkrijger overeenkomstig artikel 305 ingediende aangifte of in een door de verkrijger in het buitenland ingediende gelijkaardige aangifte.".

Art. 86. A. De artikelen …………., 74, …………. treden in werking op 1 januari 2018 en zijn van toepassing vanaf aanslagjaar 2019 verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt op 1 januari 2018.

B1. ……………..

B2. De artikelen …………, 75, 1°, 81, ………. treden in werking op 1 januari 2020 en zijn van toepassing vanaf aanslagjaar 2021 verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt op 1 januari 2020.

C. ………………..

…………

Artikel 75, 2°, treedt in werking vanaf aanslagjaar 2022.

…………..

Hieronder volgt een commentaar op voormelde wijzigingen ingevoerd door de wet tot hervorming van de vennootschapsbelasting van 25.12.2017 (hierna wet genoemd).

II. Gewijzigde artikelen inzake procedure

1°. Wijzigingen van artikel 342, WIB 92

A. Wijziging vanaf 01.01.2018 (artikelen 74 en 86 A van de wet)

1. Gecoördineerde wettekst

§ 1. Bij gebreke van bewijskrachtige gegevens, geleverd door de belanghebbenden, hetzij door de administratie, worden de in artikel 23, §1, 1° en 2° vermelde winst of baten voor elke belastingplichtige bepaald naar de normale winst of baten van ten minste drie soortgelijke belastingplichtigen en met inachtneming, volgens het geval, van het aangewende kapitaal, van de omzet, van het aantal werklieden, van de benuttigde drijfkracht, van de huurwaarde van in bedrijf genomen gronden, alsmede van alle andere nuttige inlichtingen.

De administratie kan te dien einde, in overleg met de betrokken beroepsgroeperingen, forfaitaire grondslagen van aanslag vaststellen.

De in vorig lid bedoelde forfaitaire grondslagen van aanslag mogen vastgesteld worden voor drie opeenvolgende aanslagjaren.

De administratie kan eveneens, in overleg met de betrokken beroepsorganisatie, de beroepskosten die doorgaans niet met bewijsstukken kunnen worden gestaafd, op vaste bedragen taxeren.

§ 2. De Koning bepaalt, met inachtneming van de in §1, eerste lid vermelde gegevens, het minimum van de winst dat belastbaar is ten name van de vreemde firma’s die in België werkzaam zijn.

§ 3. Bij niet-aangifte of bij laattijdige overlegging van de aangifte, zijn de belastbare minima die door de Koning in uitvoering van §2 zijn vastgesteld, eveneens van toepassing op elke onderneming en beoefenaar van een vrij beroep.

§ 4. Bij niet-aangifte of laattijdige overlegging van de aangifte door een onderneming onderworpen aan de vennootschapsbelasting of de belasting der niet-inwoners overeenkomstig artikel 227, 2°, wordt het minimum van de belastbare winst vastgesteld op 34000 euro.

Dit bedrag wordt bij herhaalde inbreuken verhoogd volgens een schaal waarvan de trappen, gaande van 25 pct. minimum tot 200 pct. maximum, door de Koning worden vastgesteld.

2. Commentaar

Bij niet-aangifte of bij laattijdige overlegging van de aangifte kan de administratie de ondernemingen en de beoefenaars van een vrij beroep belasten op een forfaitaire minimumbedrag die voor het aanslagjaar 2018 niet lager mag zijn dan 19.000 euro (art. 182, KB/WIB 92).

Teneinde de ondernemingen onderworpen aan de vennootschapsbelasting of de belasting der niet-inwoners/vennootschappen aan te zetten hun fiscale verplichtingen inzake de neerlegging van de aangifte na te komen, voorziet het voorgestelde artikel voor die vennootschappen een wettelijke verhoging van het absolute minimum van de belastbare winst van 19.000 euro voorzien door artikel 182, KB/WIB 92, bij niet-aangifte of laattijdige overlegging van aangifte (Parl. St., Kamer, 2017–2018, nr. 54 – 2864/001, blz. 114).

In een eerste fase wordt het voormelde bedrag van 19 000 euro aldus gebracht op 34.000 euro.

De sensibilisering ter nakoming van deze verplichting van de overlegging zal nog meer versterkt worden door de mogelijkheid toegekend aan de Koning om het absolute minimumbedrag van de belastbare winst in niveaus, gaande van minimum 25 % tot maximum 200 %, te verhogen bij herhaalde tekortkomingen aan de verplichting om een aangifte in te dienen of de herhaalde indiening buiten de wettelijke termijn (Parl. St., Kamer, 2017–2018, nr. 54 – 2864/001, blz. 114).

Desalniettemin, aangezien het enkel gaat om een bewijsmiddel gebaseerd op een weerlegbaar vermoeden verbonden aan een forfaitair bedrag van belastbare winst, zal de geviseerde vennootschap natuurlijk het recht behouden om het tegendeel te bewijzen, overeenkomstig artikel 352, 1ste lid, WIB 92 (Parl. St., Kamer, 2017–2018, nr. 54 – 2864/001, blz. 115).

3. Inwerkingtreding

De nieuwe bepaling treedt in werking op 01.01.2018 en is van toepassing vanaf aanslagjaar 2019 verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt op 01.01.2018.

B. Wijziging vanaf 01.01.2020 (artikelen 75, 1° en 86 B2 van de wet)

1. Gecoördineerde wettekst

§ 1. Bij gebreke van bewijskrachtige gegevens, geleverd door de belanghebbenden, hetzij door de administratie, worden de in artikel 23, §1, 1° en 2° vermelde winst of baten voor elke belastingplichtige bepaald naar de normale winst of baten van ten minste drie soortgelijke belastingplichtigen en met inachtneming, volgens het geval, van het aangewende kapitaal, van de omzet, van het aantal werklieden, van de benuttigde drijfkracht, van de huurwaarde van in bedrijf genomen gronden, alsmede van alle andere nuttige inlichtingen.

De administratie kan te dien einde, in overleg met de betrokken beroepsgroeperingen, forfaitaire grondslagen van aanslag vaststellen.

De in vorig lid bedoelde forfaitaire grondslagen van aanslag mogen vastgesteld worden voor drie opeenvolgende aanslagjaren.

De administratie kan eveneens, in overleg met de betrokken beroepsorganisatie, de beroepskosten die doorgaans niet met bewijsstukken kunnen worden gestaafd, op vaste bedragen taxeren.

§ 2. De Koning bepaalt, met inachtneming van de in §1, eerste lid vermelde gegevens, het minimum van de winst dat belastbaar is ten name van de vreemde firma’s die in België werkzaam zijn.

§ 3. Bij niet-aangifte of bij laattijdige overlegging van de aangifte, zijn de belastbare minima die door de Koning in uitvoering van §2 zijn vastgesteld, eveneens van toepassing op elke onderneming en beoefenaar van een vrij beroep.

§ 4. Bij niet-aangifte of laattijdige overlegging van de aangifte door een onderneming onderworpen aan de vennootschapsbelasting of de belasting der niet-inwoners overeenkomstig artikel 227, 2°, wordt het minimum van de belastbare winst vastgesteld op 40000 euro.

Dit bedrag wordt bij herhaalde inbreuken verhoogd volgens een schaal waarvan de trappen, gaande van 25 pct. minimum tot 200 pct. maximum, door de Koning worden vastgesteld.

2. Commentaar

In een tweed fase wordt het minimum van de belastbare winst vastgesteld op 40.000 euro.

3. Inwerkingtreding

De nieuwe bepaling treedt in werking op 01.01.2020 en is van toepassing vanaf aanslagjaar 2021 verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt op 01.01.2020.

C. Wijziging vanaf aanslagjaar 2022 (artikelen 75, 2° en 86 C, alinea 10 van de wet)

1. Gecoördineerde wettekst

§ 1. Bij gebreke van bewijskrachtige gegevens, geleverd door de belanghebbenden, hetzij door de administratie, worden de in artikel 23, §1, 1° en 2° vermelde winst of baten voor elke belastingplichtige bepaald naar de normale winst of baten van ten minste drie soortgelijke belastingplichtigen en met inachtneming, volgens het geval, van het aangewende kapitaal, van de omzet, van het aantal werklieden, van de benuttigde drijfkracht, van de huurwaarde van in bedrijf genomen gronden, alsmede van alle andere nuttige inlichtingen.

De administratie kan te dien einde, in overleg met de betrokken beroepsgroeperingen, forfaitaire grondslagen van aanslag vaststellen.

De in vorig lid bedoelde forfaitaire grondslagen van aanslag mogen vastgesteld worden voor drie opeenvolgende aanslagjaren.

De administratie kan eveneens, in overleg met de betrokken beroepsorganisatie, de beroepskosten die doorgaans niet met bewijsstukken kunnen worden gestaafd, op vaste bedragen taxeren.

§ 2. De Koning bepaalt, met inachtneming van de in §1, eerste lid vermelde gegevens, het minimum van de winst dat belastbaar is ten name van de vreemde firma’s die in België werkzaam zijn.

§ 3. Bij niet-aangifte of bij laattijdige overlegging van de aangifte, zijn de belastbare minima die door de Koning in uitvoering van §2 zijn vastgesteld, eveneens van toepassing op elke onderneming en beoefenaar van een vrij beroep.

§ 4. Bij niet-aangifte of laattijdige overlegging van de aangifte door een onderneming onderworpen aan de vennootschapsbelasting of de belasting der niet-inwoners overeenkomstig artikel 227, 2°, wordt het minimum van de belastbare winst vastgesteld op 40 000 euro.

Dit bedrag wordt bij herhaalde inbreuken verhoogd volgens een schaal waarvan de trappen, gaande van 25 pct. minimum tot 200 pct. maximum, door de Koning worden vastgesteld.

Het minimum van de belastbare winst wordt jaarlijks geïndexeerd volgens de regels van artikel 178, § 2, met dien verstande dat het bedrag van 40 000 euro eerst wordt gedeeld door de indexeringscoëfficiënt die van toepassing is voor aanslagjaar 2020 waarna het resultaat wordt afgerond tot het hogere of lagere veelvoud van 100 euro naargelang de cijfers van de eenheden en tientallen al dan niet 50 bereiken.

2. Commentaar

De wet voert eveneens een nieuwe bepaling in waardoor het minimum van de belastbare winst jaarlijks wordt geïndexeerd volgens de regels van artikel 178, § 2, WIB 92, met dien verstande dat het bedrag van 40.000 euro eerst wordt gedeeld door de indexeringscoëfficiënt die van toepassing is voor aanslagjaar 2020 waarna het resultaat wordt afgerond tot het hogere of lagere veelvoud van 100 euro naargelang de cijfers van de eenheden en tientallen al dan niet 50 bereiken.

Deze bepaling zorgt ervoor dat de indexering van de minimumbedragen geleidelijk gebeurt (Parl. St., Kamer, 2017–2018, nr. 54 – 2864/001, blz. 115).

3. Inwerkingtreding

De nieuwe bepaling treedt in werking vanaf aanslagjaar 2022.

2°. Wijziging van artikel 445, WIB 92 (artikel 81 en 86 B2 van de wet)

1. Gecoördineerde wettekst

§ 1. De door de adviseur-generaal gemachtigde ambtenaar kan een geldboete van 50 EUR tot 1.250 EUR opleggen voor iedere overtreding van de bepalingen van dit Wetboek, evenals van de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

De Koning legt de schaal van de administratieve geldboetes vast en regelt hun toepassingsmodaliteiten.

Deze geldboete wordt gevestigd en ingevorderd volgens de regelen die van toepassing zijn inzake personenbelasting.

In afwijking van het tweede lid, wordt de geldboete, die samen met de voorheffing waarop zij betrekking heeft wordt ingekohierd, gevestigd en ingevorderd volgens de regels die van toepassing zijn inzake roerende voorheffing en bedrijfsvoorheffing.

Geen boete wordt toegepast wanneer de belastingplichtige aantoont dat het bedrag van de kosten, bedoeld in artikel 57, of van de voordelen van alle aard bedoeld in de artikelen 31, tweede lid, 2°, en 32, tweede lid, 2°, begrepen is in een door de verkrijger overeenkomstig artikel 305 ingediende aangifte of in een door de verkrijger in het buitenland ingediende gelijkaardige aangifte.

§ 2. In afwijking van §1, eerste lid, legt de door de bevoegde adviseur-generaal gemachtigde ambtenaar een geldboete op van 6 250 EUR wanneer niet voldaan is aan de in artikel 307, §1/1, eerste lid, c, § 1/3 en § 1/4, bedoelde verplichting.

De voormelde geldboete wordt opgelegd per jaar en per niet gemelde juridische constructie.

§ 3. In afwijking van § 1, eerste lid, kan de door de bevoegde adviseur-generaal gemachtigde ambtenaar voor een overtreding van de bepalingen van de artikelen 321/1 tot 321/6, evenals van de ter uitvoering ervan genomen besluiten, een boete opleggen van 1 250 EUR tot 25 000 EUR vanaf de tweede overtreding. Voor de overtredingen toe te schrijven aan kwade trouw of aan het opzet de belasting te ontduiken kan voor de eerste overtreding een boete van 12 500 EUR worden opgelegd. Vanaf de tweede overtreding kan een boete van 25 000 EUR worden opgelegd.

De Koning legt de schaal van de administratieve geldboetes vast en regelt hun toepassingsmodaliteiten.

2. Commentaar

Ten gevolge van de wijzigingen aangebracht aan artikel 219, tweede en vierde lid, WIB 92, met name het opheffen van de mogelijkheid om de aanslagvoet te verminderen tot 50 % voor de verdoken meerwinsten wanneer deze terug zijn opgenomen in de boekhouding van een later boekjaar, werd artikel 445, § 1, vijfde lid, aangepast.

Daarom werd in artikel 445, § 1, vijfde lid, WIB 92, de bepaling geschrapt die voorzag dat geen boete wordt toegepast wanneer in de artikelen 219 en 233, tweede lid, WIB 92, bedoelde verdoken meerwinsten, binnen de in datzelfde artikel 219, vierde lid, WIB 92, bedoelde voorwaarden, terug in de boekhouding worden opgenomen in een later boekjaar dan het boekjaar tijdens hetwelk de meerwinst werd verwezenlijkt. Met andere woorden, een administratieve boete, zal toch kunnen worden toegepast bij een latere opname in de boekhouding van verdoken meerwinsten.

3. Inwerkingtreding

Artikel 445, § 1, vijfde lid, treedt in werking vanaf 01.01.2020 en is van toepassing vanaf aanslagjaar 2021 verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt op 01.01.2020.

Interne ref.: 714.330