Circulaire nr. Ci.RH.242/516.233 (AOIF 27/2003) dd. 29.10.2003
CIRC 29.10.03/1
Circulaire nr. Ci.RH.242/516.233 (AOIF 27/2003) dd. 29.10.2003
Bull. nr. 843, pag. 3188-3223
BELASTING VAN NIET-INWONERS
Vrijstelling voor bijkomend personeel
PERSONENBELASTING
Vrijstelling voor bijkomend personeel
VENNOOTSCHAPSBELASTING
Vrijstelling voor bijkomend personeel
VRIJSTELLING VOOR BIJKOMEND PERSONEEL
Toepassingsvoorwaarde
WET
Bevordering van het zelfstandig ondernemerschap
Commentaar op :
I. WETTELIJKE BEPALINGEN
Art. 29 van de Programmawet van 10.2.1998 tot bevordering van het zelfstandig ondernemerschap (BS 21.2.1998 - V 2559 - Bull. 782), gewijzigd door art. 167 van de Programmawet van 30.12.2001 (BS 31.12.2001 - V 3010 - Bull. 823)
1. § 1. Winst van nijverheids-, handels- of landbouwbedrijven die op 31 december1997 of op het einde van het jaar waarin de exploitatie is aangevangen, als die aanvang op een latere datum valt, minder dan elf werknemers, in de zin van artikel 30, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, tewerkstellen, en baten, onder welke naam ook, van vrije beroepen, ambten of posten, en van elke winstgevende bezigheid die niet bedoeld is in artikel 23, § 1, 1° en 4°, van hetzelfde Wetboek, worden van de personenbelasting, van de vennootschapsbelasting of van de belasting der niet-verblijfhouders vrijgesteld tot een bedrag gelijk aan 150.000 frank () per in België bijkomend tewerkgestelde personeelseenheid, waarvan het bruto dag- of uurloon niet hoger is dan het bedrag bepaald door de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit.
§ 2. De vrijstelling is van toepassing op de winst en op de baten van de belastbare tijdperken die samenvallen met de jaren 1998, 1999, 2000, 2001, 2002 en 2003 of, wanneer de belastingplichtigen anders dan per kalenderjaar boekhouden, met het eerste boekjaar dat wordt afgesloten respectievelijk na 31 december 1998, 1999, 2000, 2001, 2002 en 2003.
§ 3. Het aantal in België bijkomend tewerkgestelde personeelseenheden wordt vastgesteld door het gemiddeld personeelsbestand van de belastingplichtige tijdens de jaren 1998, 1999, 2000, 2001, 2002 en 2003 respectievelijk te vergelijken met dat van de jaren 1997, 1998, 1999, 2000, 2001 en 2002.
Er wordt evenwel geen rekening gehouden met de personeelsaangroei die het gevolg is van een overname van werknemers welke reeds vóór 1 januari 1998 waren aangeworven, ofwel door een onderneming waarmede de belastingplichtige zich rechtstreeks in enigerlei band van wederzijdse afhankelijkheid bevindt, ofwel door een belastingplichtige waarvan hij de beroepswerkzaamheid geheel of gedeeltelijk voortzet ingevolge een gebeurtenis die niet bedoeld is in § 6.
§ 4. Indien het gemiddeld personeelsbestand tijdens het jaar volgend op de vrijstelling is verminderd ten opzichte van het jaar van vrijstelling, wordt het totaal bedrag van de voordien krachtens paragraaf 1 vrijgestelde winsten of baten echter verminderd met 150.000 frank [3.718,40 EUR.] per afgevloeid personeelslid; de voordien vrijgestelde winst of baten worden in dat geval als winst of baten van het volgende belastbare tijdperk beschouwd.
Het eerste lid vindt geen toepassing indien en in de mate dat de betrokkene aantoont dat de bijkomende tewerkstelling het erop volgende jaar behouden is gebleven bij de werkgever die zijn personeel heeft overgenomen in omstandigheden bedoeld in § 3, tweede lid.
§ 5. Dit artikel is niet van toepassing wanneer de belastingplichtige voor dezelfde bijkomende personeelseenheden de toepassing vraagt van artikel 67 van hetzelfde Wetboek.
§ 6. Ten aanzien van de belastingplichtigen betrokken bij verrichtingen als bedoeld in de artikelen 46 en 211 van hetzelfde Wetboek, blijven de bepalingen van dit artikel van toepassing alsof die verrichtingen niet hadden plaatsgevonden.
KB 19.3.1998 tot uitvoering van artikel 29 van de Programmawet van 10 februari 1998 tot bevordering van het zelfstandig ondernemerschap (BS 25.4.1998 - V 2574 - Bull. 784)
Art. 1
2. Het bedrag bedoeld in artikel 29, § 1 van de Programmawet van 10 februari 1998 tot bevordering van het zelfstandig ondernemerschap wordt vastgesteld op maximum 3.220 frank [79,82 EUR.], voor het bruto dagloon en 424 frank [10,51 EUR.], voor het bruto uurloon.
Art. 2
Artikel 29 van de Programmawet van 10 februari 1998 tot bevordering van het zelfstandig ondernemerschap en artikel 1 van dit besluit treden in werking op 1 januari 1998.
Art. 3
Onze Minister van Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit.
II. ALGEMENE DRAAGWIJDTE
3. Om de tewerkstelling van laaggeschoolden aan te moedigen, heeft de wetgever met art. 29 van de Programmawet van 10 februari 1998 tot bevordering van het zelfstandig ondernemerschap, hierna "de Programmawet" genoemd, een belastingvrijstelling ingevoerd ten voordele van bepaalde belastingplichtigen die bijkomend personeel met een laag loon aanwerven.
Meer bepaald strekt dat artikel 29 van de Programmawet ertoe de winst van nijverheids-, handels-, of landbouwondernemingen die op 31 december 1997 of op het einde van het jaar waarin de exploitatie is aangevangen, als die aanvang op een latere datum valt, minder dan elf werknemers tewerkstellen, en baten van vrije beroepen, ambten, posten of andere winstgevende bezigheden, van de personenbelasting, van de vennootschapsbelasting of van de belasting van niet-inwoners vrij te stellen ten belope van 150.000 BEF (3.718,40 EUR) per in België bijkomend tewerkgestelde personeelseenheid waarvan het bruto dag- of uurloon niet hoger is dan respectievelijk 3.220 BEF (79,82 EUR) of 424 BEF (10,51 EUR).
De vrijstelling was aanvankelijk van toepassing op de winst en op de baten van de belastbare tijdperken die samenvielen met de jaren 1998, 1999 en 2000 of, wanneer de belastingplichtigen anders dan per kalenderjaar boekhouden, met het eerste boekjaar dat werd afgesloten respectievelijk na 31 december 1998, 1999 en 2000.
Art. 167 van de Programmawet van 30 december 2001 verlengt deze vrijstellingsregeling met drie jaar, zodat deze bij voortduur van toepassing blijft op de winst en baten van de belastbare tijdperken die samenvallen met de jaren 2001, 2002 en 2003 of, wanneer de belastingplichtigen anders dan per kalenderjaar boekhouden, met het eerste boekjaar dat wordt afgesloten respectievelijk na 31 december 2001, 2002 en 2003. De overige bepalingen van artikel 29 van de Programmawet blijven tijdens die jaren onverminderd van toepassing.
4. Met het oog op de berekening van die vrijstelling, heeft de administratie een tabel 276 T uitgewerkt die bij de aangifte in de inkomstenbelastingen kan gevoegd worden. Een model ervan is als bijlage toegevoegd.
III. BEDOELDE BELASTINGPLICHTIGEN
A. Algemeen
5. Art. 29 van de Programmawet is in beginsel van toepassing op :
6. Nijverheids-, handels- en landbouwondernemingen komen slechts voor de hier beoogde belastingvermindering in aanmerking indien zij op 31.12.1997, of op 31 december van het jaar waarin de exploitatie is aangevangen, als die aanvang na 31.12.1997 valt, minder dan elf werknemers tewerkstellen (die voorwaarde geldt dus niet voor de in nr. 5, b bedoelde personen die baten ontvangen).
7. Om te bepalen of die grens van 11 werknemers op 31.12.1997, of op het einde van het jaar van de aanvang van de exploitatie, al dan niet is bereikt, moet rekening worden gehouden met alle personeelsleden die bezoldigingen genieten in de zin van art. 30, 1°, WIB 92, met inbegrip van de in het personeelsregister ingeschreven werknemers die op die datum inactief zijn, zoals langdurig zieken, werknemers met volledige loopbaanonderbreking, werknemers met toegestaan verlof, enz.
Terzake is het zonder belang of deze werknemers al dan niet in aanmerking komen voor de berekening van de vrijstelling. Zodoende dienen ook de werknemers met een hoger loon en de werknemers die in het buitenland worden tewerkgesteld, voor voormelde grens in aanmerking te worden genomen. Personeelsleden die deeltijdse arbeid verrichten, moeten bij het vaststellen van deze grens voor één volledige eenheid worden geteld.
Anderzijds moeten bedrijfsleiders, van wie de inkomsten als bezoldigingen in de zin van art. 30, 2°, WIB 92 worden aangemerkt, niet worden meegeteld om te bepalen of de grens van 11 werknemers al dan niet is bereikt.
Om het aantal personeelsleden vast te stellen kan inzonderheid worden gesteund op het in de onderneming bijgehouden personeelsregister.
8. De omstandigheid dat de grens van 11 werknemers op een latere datum dan die waarvan in nr. 7 sprake is wordt overschreden, ontneemt de betrokken belastingplichtige geenszins het recht op de vrijstelling.
C. Opmerkingen
9.
A. Algemene principes
10. Het aantal in België bijkomend tewerkgestelde personeelseenheden wordt vastgesteld door het gemiddeld personeelsbestand van de belastingplichtige tijdens de jaren 1998, 1999, 2000, 2001, 2002 en 2003 respectievelijk te vergelijken met dat van de jaren 1997, 1998, 1999, 2000, 2001 en 2002 (cf. art. 29, § 3, eerste lid, Programmawet).
Het gemiddeld personeelsbestand van de belastingplichtige tijdens een jaar wordt berekend door het totaal van de door zijn werknemers in die periode gepresteerde arbeidsdagen te delen door het aantal arbeidsdagen dat normaal tijdens een jaar door een werknemer kan worden gepresteerd. Vooreerst zal dus per werknemer en per jaar de gepresteerde arbeidsdagen moeten worden vastgesteld, waarbij tevens zal moeten worden nagegaan onder welke arbeidsregeling deze werknemer werkzaam is.
11. Overeenkomstig de art. 29, § 1, Programmawet en art. 1, KB 19.3.1998, komen uitsluitend de in België bijkomend tewerkgestelde personeelseenheden waarvan het bruto dag- of uurloon niet hoger is dan 3.220 BEF (79,82 EUR) of 424 BEF (10,51 EUR) en die hierna dan ook "personeelsleden met een laag loon" worden genoemd, voor de vrijstelling in aanmerking.
Vermits de toepassing van deze maatregel enerzijds beperkt wordt tot de werkelijk nieuwe tewerkstelling (Doc. 1206/1, 1207/1, Kamer, gewone zitting 1996-1997, blz. 21 en Doc. 1206/3, Kamer, gewone zitting 1997-1998, blz. 8) en anderzijds uitsluitend personeelsleden met een laag loon betreft, zal zowel het gemiddeld personeelsbestand van alle personeelsleden als het gemiddeld personeelsbestand van de personeelsleden met een laag loon moeten worden berekend, waarbij de aangroei van deze laatste categorie van personeelsleden, met het oog op de te verlenen vrijstelling, in voorkomend geval zal moeten beperkt worden tot de totale personeelsaangroei.
B. Personeelsleden waarmee geen rekening mag worden gehouden voor de berekening van het gemiddeld personeelsbestand
1. Bedrijfsleiders en meewerkende echtgenoten
12. Uit art. 29, § 1 van de Programmawet volgt dat de in art. 30, 2° en 32 WIB 92 bedoelde bedrijfsleiders niet in aanmerking mogen genomen worden voor de berekening van de vrijstelling voor bijkomend personeel. Voor de berekening van het gemiddeld personeelsbestand moeten ze dus buiten beschouwing worden gelaten.
Hetzelfde geldt voor de meewerkende echtgenoten bedoeld in de art. 30, 3° en 33 WIB 92
[Bepaling van toepassing vanaf aj. 2004 (zie art. 15 en 16, Programmawet 24.12.2002 - BS 31.12.2002, V 3106, Bull. 834).].
2. Personeelsleden tewerkgesteld in het buitenland
13. Ingevolge datzelfde art. 29, § 1 moeten de in het buitenland tewerkgestelde personeelsleden evenzeer buiten beschouwing worden gelaten voor de berekening van het gemiddeld personeelsbestand.
3. Personeelsleden overgenomen van andere ondernemingen
14. Bij de berekening van het gemiddeld personeelsbestand mag geen rekening gehouden worden met de personeelsaangroei die het gevolg is van een overname van personeelsleden die reeds vóór 1.1.1998 waren aangeworven door ondernemingen waarmee de belastingplichtige zich rechtstreeks in enigerlei band van wederzijdse afhankelijkheid bevindt of door een belastingplichtige waarvan hij de beroepswerkzaamheid geheel of gedeeltelijk voortzet ingevolge een gebeurtenis die niet bedoeld is in de art. 46 en 211 WIB 92 (cf. art. 29, § 3, tweede lid, Programmawet).
15. De term "enigerlei band van wederzijdse afhankelijkheid" dient te worden begrepen in de zin van de art. 26 en 79 WIB 92.
16. De toepassing van de vrijstelling is dus duidelijk beperkt tot de werkelijk nieuwe tewerkstelling, zodat ze niet geldt voor :
4. Personeelsleden waarvoor de in art. 67 WIB 92 bedoelde vrijstelling wordt gevraagd
18. Overeenkomstig art. 29, § 5 van de Programmawet kan de in die wetsbepaling beoogde vrijstelling niet worden toegestaan wanneer de belastingplichtige voor dezelfde bijkomende personeelseenheden de toepassing vraagt van de in art. 67 WIB 92 beoogde vrijstelling voor bijkomend personeel voor wetenschappelijk onderzoek en uitvoer.
C. Berekening van de gepresteerde arbeidsdagen per personeelslid
1. Kwartaalaangiften RSZ [Bij het opstellen van onderhavige circ. werd uitgegaan van de papieren kwartaalaangifte RSZ zoals zij bestond vóór de vervanging ervan door de elektronische multifunctionale kwartaalaangifte DmfA met ingang van 01.01.2003.]
19. Om het gemiddeld personeelsbestand te bepalen dient vooreerst het aantal tijdens een jaar gepresteerde arbeidsdagen van een personeelslid te worden vastgesteld, waarbij doorgaans [Zie evenwel nr. 52.] kan gesteund worden op de kwartaalaangiften ingediend bij de RSZ, met name inzonderheid op de staat "A" (handarbeiders) en de staat "B" (hoofdarbeiders).
Het aantal gepresteerde arbeidsdagen wordt in die staten vermeld :
20. Voor de vaststelling van het aantal gepresteerde arbeidsdagen wordt geen rekening gehouden met de in de RSZ-aangiften vermelde arbeidsdagen die betrekking hebben op de perioden die gedekt zijn door de personeelsleden verkregen opzeggings- en verbrekingsvergoedingen.
3. Deeltijdse arbeid
21. Bij de berekening van de gepresteerde arbeidsdagen dient er bijzondere aandacht te worden geschonken aan de werknemers die in een stelsel van deeltijdse arbeid werken waarbij dagelijks (of op sommige dagen) verminderde prestaties worden geleverd.
Alhoewel zij tijdens die dagen per dag minder uren presteren dan collega's die voltijds arbeiden, worden die dagen niettemin als een volledige dag ingevuld op de kwartaalaangiften RSZ.
Bij de berekening van het bijkomend personeel moet de belastingplichtige het totaal aantal arbeidsdagen in dergelijk geval, door het aanbrengen van de nodige correcties, herleiden tot het equivalent in normale werkdagen (de individuele loonstaten kunnen daartoe nuttig worden geraadpleegd).
Voor een werknemer die bv. dagelijks halftijdse prestaties levert die op de kwartaalaangifte RSZ als volledige dagen zijn vermeld, moeten de op die aangifte vermelde dagen, met het oog op de berekening van de gepresteerde arbeidsdagen, dus worden gehalveerd [Zie ook voorbeeld onder nr.62.].
D. Berekening van het gemiddeld dag- of uurloon
1. Algemeen
22. Aangezien de vrijstelling voor bijkomend personeel uitsluitend wordt verleend voor personeelsleden met een laag loon, dient deze categorie van personeelsleden te worden afgezonderd.
Om te bepalen of een bepaalde werknemer als een personeelslid met een laag loon kan worden aangemerkt, wordt zijn gemiddeld dag- of uurloon berekend [In EUR dient het gemiddelde te worden afgerond op de cent. Gedeelten van minder dan 0,5 cent worden weggelaten; gedeelten van 0,5 cent of meer worden voor 1 cent gerekend. Voor de jaren waarin de bedragen in BEF werden vermeld, moest de afronding geschieden op de frank. Gedeelten van minder dan 50 hondersten werden weggelaten; gedeelten van 50 hondersten en meer werden voor 1 frank gerekend.], naar gelang de werknemer respectievelijk voltijds of deeltijds is tewerkgesteld.
De berekening geschiedt per kwartaal.
Voor de kwartalen waarin het gemiddeld bruto dag- of uurloon niet hoger is dan respectievelijk 79,82 EUR of 10,51 EUR [Voor de jaren waarin de Belgische frank nog van toepassing was, respectievelijk 3.220 BEF en 424 BEF], kan de werknemer als een personeelslid met een laag loon worden beschouwd.
2. Gemiddeld dagloon
23. Het gemiddeld dagloon van een voltijdse werknemer wordt, voor elk kwartaal, berekend door het bedrag van de door die werknemer in de loop van dat kwartaal verkregen brutolonen te delen door het totaal van de door die werknemer in datzelfde kwartaal gepresteerde arbeidsdagen.
24. Onder het "bedrag van de brutolonen" wordt verstaan, het totaal van de brutolonen, die in principe in kolom 4 van de RSZ-kwartaalaangiften zijn vermeld, met uitzondering van de opzeggings- en verbrekingsvergoedingen.
De eindejaarspremies, dertiende maand, enz., die evenzeer onder de brutolonen moeten worden begrepen en die in de regel in eenmaal aan de werknemers worden uitbetaald, moeten in het jaar waarin zij worden ontvangen evenredig worden omgedeeld over het aantal kwartalen waarin de betrokken werknemers een brutoloon hebben ontvangen. Bij uitbetaling van de eindejaarspremie door een derde, b.v. een fonds voor bestaanszekerheid, moet het bedrag ervan, dat mag geacht worden overeen te stemmen met 25 % van de brutolonen van het kwartaal waarin die premie gewoonlijk wordt betaald, eveneens evenredig worden omgedeeld over het aantal kwartalen waarin de betrokken werknemers tijdens dat jaar een brutoloon hebben ontvangen.
25. Voor de berekening van het gemiddeld dagloon dient zowel voor arbeiders als bedienden onder "arbeidsdagen" te worden verstaan : de in kolom (9a) van de kwartaalaangiften RSZ opgenomen arbeidsdagen, met uitsluiting dus van de in kolom (9b) voor de arbeiders vermelde wettelijke vakantiedagen.
3. Gemiddeld uurloon
26. Het gemiddeld uurloon van een deeltijdse werknemer wordt, voor elk kwartaal, berekend door het bedrag van de door die werknemer in de loop van dat kwartaal verkregen brutolonen te delen door het totaal van de door die werknemer in datzelfde kwartaal gepresteerde arbeidsuren.
27. Voor wat onder "het bedrag van de brutolonen" moet worden verstaan, kan worden verwezen naar nr. 24.
28. De in een bepaald kwartaal gepresteerde arbeidsuren zijn voor elke deeltijdse werknemer in de regel afzonderlijk vermeld in kolom 11 van de kwartaalaangiften RSZ. Deze "arbeidsuren" zijn met name de bezoldigde werkelijke arbeidsuren die verband houden met de bezoldigde "arbeidsdagen" in de zin van nr. 25, met uitsluiting dus van de wettelijke vakantiedagen voor arbeiders.
Opmerkingen
1. Werknemers die in de loop van eenzelfde kwartaal gedeeltelijk voltijds en gedeeltelijk deeltijds werden tewerkgesteld, moeten voor deze berekening als deeltijdse werknemers worden aangemerkt. Dit houdt in dat ook voor het gedeelte van dat kwartaal waarin voltijdse prestaties werden verricht, de bezoldigde arbeidsuren moeten worden opgegeven.
2. Fracties van uren dienen, zoals op de kwartaalaangiften RSZ, decimaal te worden voorgesteld en te worden afgerond op de tweede decimaal (225 uur en 10 minuten wordt bv. 225,17).
E. Gepresteerde arbeidsdagen van personeelsleden met een laag loon
29. Voor personeelsleden waarvoor de berekening van het gemiddeld bruto dag- of uurloon (cf. rubriek D) tijdens één of meerdere kwartalen van een bepaald jaar respectievelijk 79,82 EUR of 10,51 EUR [Voor de jaren waarin de Belgische frank nog van toepassing was, respectievelijk 3.220 BEF en 424 BEF.] niet overschrijdt, dienen de tijdens die kwartalen gepresteerde arbeidsdagen (cf. rubriek C) te worden afgezonderd, teneinde ze in aanmerking te nemen voor de berekening van het gemiddeld personeelsbestand van de personeelsleden met een laag loon.
F. Berekening van het gemiddeld personeelsbestand
1. Algemeen
30. Het gemiddeld personeelsbestand van een bepaald jaar wordt verkregen door het totaal aantal door het personeel tijdens dat jaar in België gepresteerde arbeidsdagen, te delen door het aantal arbeidsdagen dat normaal tijdens dat jaar door één werknemer kan worden gepresteerd.
Om de noemer van voormelde breuk te bepalen, dient rekening te worden gehouden met de arbeidsregeling die op de betrokken personeelsleden van toepassing is.
Verder moet, zoals reeds aangegeven onder nr. 11, zowel het gemiddeld personeelsbestand van alle personeelsleden als dat van de personeelsleden met een laag loon worden berekend.
Uiteraard zal, voor de belastingplichtigen wier beroepswerkzaamheid na 31 december 1997, 1998, 1999, 2000, 2001 of 2002 een aanvang neemt, het gemiddelde van de respectievelijk tijdens jaren 1997, 1998, 1999, 2000, 2001 of 2002 tewerkgestelde personeelsleden steeds gelijk zijn aan nul (zie ook nr. 40).
2. Arbeidsregeling
31. Voor de personeelsleden die in het stelsel van de vijfdagenweek werkzaam zijn, moet het totaal aantal voor dat personeel in aanmerking te nemen arbeidsdagen worden gedeeld door 251.
32. Onder "arbeidsdagen" moet hier in de regel worden verstaan : de dagen waarop werkelijk arbeid wordt verricht van normale duur.
Voor personeelsleden die verminderde prestaties leveren, dienen in voorkomend geval de nodige correcties op die "arbeidsdagen" te worden toegepast (zie inzonderheid nr. 21).
Indien de duur van de dagelijkse prestaties daarentegen meer bedraagt dan het aantal uren dat in de vijfdaagse werkweek in principe dagelijks zou moeten worden gepresteerd (bv. 8 uur in de 40-urenweek, 7,6 uur in de 38-urenweek), en die prestaties over minder dan vijf dagen per week zijn gespreid (bv. 9,5 uur per dag gedurende 4 dagen in de 38-urenweek), worden voor de vaststelling van het aantal op de kwartaalaangiften RSZ te vermelden arbeidsdagen, de tijdens het kwartaal gepresteerde arbeidsuren in principe gedeeld door het aantal uren dat in de vijfdaagse werkweek normaliter dagelijks zou moeten worden gepresteerd (bv. 8 in de 40-urenweek, 7,6 in de 38-urenweek). Indien dergelijke werkwijze is toegepast moet dit regime als een met de vijfdagenweek gelijkgesteld stelsel worden beschouwd en is de noemer eveneens gelijk aan 251.
33. Voor de personeelsleden op wie een andere arbeidsregeling van toepassing is, moet het gemiddeld aantal personeelsleden worden berekend door het totaal aantal in aanmerking te nemen arbeidsdagen te delen door het aantal arbeidsdagen dat normaal tijdens een jaar door een personeelslid in die arbeidsregeling kan worden gepresteerd.
34. Voor personeelsleden die werkzaam zijn in het stelsel van de zesdagenweek, mag het aantal gepresteerde arbeidsdagen worden gedeeld door 303.
3. Berekening van het gemiddelde voor alle personeelsleden
35. Zoals reeds aangegeven in nr. 11, moeten deze berekeningen tweemaal worden uitgevoerd, nl. eenmaal met betrekking tot het volledige personeelsbestand en éénmaal met betrekking tot de personeelsleden met een laag loon.
Voor de berekening van het gemiddeld personeelsbestand van alle personeelsleden, moeten de door hen gepresteerde arbeidsdagen (zie nrs. 19 tot 21) derhalve worden gedeeld door 251 in de vijfdagenweek, door 303 in de zesdagenweek en door het aantal arbeidsdagen dat normaal tijdens een jaar door een personeelslid kan worden gepresteerd in de andere gevallen.
Het resultaat van die bewerkingen moet steeds tot op twee cijfers na de komma worden uitgerekend.
4. Berekening van het gemiddelde voor de personeelsleden met een laag loon
36. De berekening van het gemiddeld personeelsbestand van de personeelsleden met een laag loon geschiedt op dezelfde wijze als onder nr. 35, met dien verstande dat uitsluitend de arbeidsdagen van de kwartalen waarin het gemiddeld dag- of uurloon van die personeelsleden respectievelijk 79,82 EUR (3.220 BEF) of 10,51 EUR (424 BEF) niet overschrijdt, voor deze berekening in aanmerking mogen worden genomen (zie nr. 29).
V. BEREKENING VAN HET AANTAL PERSONEELSEENHEDEN WAARVOOR DE VRIJSTELLING KAN BEKOMEN WORDEN
A. Algemeen
37. Het aantal personeelsleden dat voor de jaren 1998, 1999, 2000, 2001, 2002 en 2003 recht geeft op vrijstelling, stemt in principe overeen met de aangroei in de betrokken jaren van de personeelsleden met een laag loon. Die aangroei mag, voor de toekenning van de vrijstelling, evenwel nooit meer bedragen dan de totale personeelsaangroei tijdens die jaren.
Derhalve dient zowel de totale personeelsaangroei als de aangroei van de personeelsleden met een laag loon te worden vastgesteld.
B. Totale personeelsaangroei
38. Voor elk van de kalenderjaren 1998, 1999, 2000, 2001, 2002 en 2003 wordt de totale personeelsaangroei bepaald door het verschil te maken tussen :
Het verschil tussen voormelde gemiddelden wordt afgerond naar de hogere of lagere eenheid (gedeelten van minder dan 50 honderdsten) worden weggelaten, gedeelten van 50 honderdsten en meer worden voor één eenheid gerekend).
Voorbeeld :
C. Aangroei van de personeelsleden met een laag loon
39. De berekening van de aangroei van de personeelsleden met een laag loon geschiedt op dezelfde wijze als de berekening van de totale personeelsaangroei, met dien verstande dat bij die berekening uiteraard slechts rekening zal worden gehouden met de personeelsleden met een laag loon.
D. Nieuwe ondernemingen
40. Voor ondernemingen (of verkrijgers van baten) die hun activiteit pas in 1998, 1999, 2000, 2001, 2002 of 2003 opstarten, is het geheel van het gemiddeld personeelsbestand voor dat jaar als bijkomend personeel te beschouwen (Doc. 1206/1, 1207/1, Kamer, gewone zitting 1996-1997, blz. 21). Voor dergelijke belastingplichtigen stemt m.a.w. de totale personeelsaangroei en de aangroei van de personeelsleden met een laag loon tijdens het jaar 1998, 1999, 2000, 2001, 2002 of 2003 in principe respectievelijk overeen met het gemiddelde volledige personeelsbestand en het gemiddelde personeelsbestand van de personeelsleden met een laag loon voor dat jaar (zie ook nr. 30, laatste lid).
In dit verband wordt de aandacht nogmaals gevestigd op het feit dat de maatregel beperkt is tot de werkelijk nieuwe tewerkstelling, met uitsluiting dus van personeelsleden die zijn overgenomen van ondernemingen zoals die waarvan sprake is in de nrs. 14 tot 16 en 57.
E. Berekening van het aantal personeelseenheden waarvoor vrijstelling kan bekomen worden
41. Het aantal personeelsleden waarvoor de vrijstelling kan bekomen worden, stemt overeen met de onder nr. 39 beoogde aangroei van de personeelsleden met een laag loon, zonder dat die aangroei evenwel hoger mag zijn dan de onder nr. 38 beoogde totale personeelsaangroei. In dergelijk geval moet het onder nr. 39 bekomen resultaat dus worden beperkt tot het onder nr. 38 verkregen resultaat.
Wanneer voor een bepaald kalenderjaar wordt vastgesteld dat één van de onder voormelde nrs. 38 of 39 beoogde resultaten gelijk is aan nul of negatief is (wat betekent dat er een personeelsafname is), kan er voor het betrokken aanslagjaar in geen geval een vrijstelling voor bijkomend personeel met een laag loon worden verleend.
Voorbeelden
42. Art. 29, § 1 van de Programmawet stelt het bedrag van de vrijstelling vast op 150.000 BEF (3.718,40 EUR) per bijkomende personeelseenheid met een laag loon.
Dit bedrag wordt, overeenkomstig art. 178 WIB 92, jaarlijks aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk.
Derhalve bedraagt de vrijstelling voor de ajren. 1999, 2000, 2001, 2002, 2003 en 2004 respectievelijk 165.000 BEF, 167.000 BEF (4.139,82 EUR), 168.000 BEF (4.164,61 EUR), 172.655 BEF (4.280 EUR), 4.390 EUR en 4.460 EUR.
43. De vrijstelling voor bijkomend personeel met een laag loon is van toepassing voor elk van de jaren 1998, 1999, 2000, 2001, 2002 en 2003, d.w.z. in de regel voor de ajren. 1999, 2000, 2001, 2002, 2003 en 2004.
Voor belastingplichtigen die hun boekhouding anders dan per kalenderjaar voeren, wordt de vrijstelling evenwel aangerekend op de winst van de boekjaren 1998/1999, 1999/2000, 2000/2001, 2001/2002, 2002/2003 en 2003/2004.
Voor vennootschappen heeft dit geen gevolgen wat de ajren. betreft waarvoor de vrijstelling van toepassing is (cf. eerste lid).
Voor natuurlijke personen betekent dit evenwel dat de vrijstelling die voortvloeit uit de bijkomende tewerkstelling tijdens de kalenderjaren 1998, 1999, 2000, 2001, 2002 en 2003 respectievelijk wordt toegekend voor de aanslagjaren 2000 (boekjaar 1998/1999), 2001 (boekjaar 1999/2000), 2002 (boekjaar 2000/2001), 2003 (boekjaar 2001/2002), 2004 (boekjaar 2002/2003) en 2005 (boekjaar 2003/2004).
VII. AANREKENING VAN DE VRIJSTELLING
A. Natuurlijke personen
44. Ten name van natuurlijke personen moet het vrijgestelde bedrag worden afgetrokken van de nettowinst of van de nettobaten, vóór toepassing van art. 23, § 2, 2°, WIB 92, d.w.z. na vermindering van het brutobedrag van de belastbare winst of baten met de beroepskosten die op deze inkomsten drukken en vóór aftrek van de beroepsverliezen die tijdens het belastbare tijdperk eventueel uit hoofde van een andere beroepswerkzaamheid zouden zijn geleden.
Voor natuurlijke personen die winst in de zin van art. 23, § 1, 1°, WIB 92 behalen, mag het vrijgestelde bedrag, in voorkomend geval, slechts worden afgetrokken na aftrek van de in artikel 67 WIB 92 beoogde vrijstelling voor bijkomend personeel voor wetenschappelijk onderzoek en uitvoer.
B. Vennootschappen
45. Ten name van vennootschappen gebeurt de voormelde aftrek samen met de "andere niet belastbare bestanddelen". Alhoewel de aftrek van die vrijstellingen en die bestanddelen in globo gebeurt mag, met het oog op de berekening van de eventuele latere terugnemingen van die vrijstellingen worden geacht dat de aftrek van de vrijstellingen voor bijkomend personeel in laatste instantie geschiedt indien het totaal van de overblijvende winst kleiner is dan de aftrekbare bestanddelen.
C. Onvoldoende winst of baten
46. Het vrijgestelde bedrag of het gedeelte ervan dat, bij ontstentenis van of wegens onvoldoende winst of baten, niet kan worden afgetrokken, mag niet naar de volgende belastbare tijdperken worden overgedragen.
VIII. VERMINDERING VAN HET PERSONEELSBESTAND
47. Overeenkomstig de uitdrukkelijke bepalingen van art. 29, § 4, eerste lid van de Programmawet, wordt het totaal bedrag van de voorheen vrijgestelde winst of baten verminderd met 150.000 BEF (3.718,40 EUR) per afgevloeid personeelslid indien het gemiddeld personeelsbestand tijdens het daaropvolgende jaar is verminderd.
Doordat voormelde wettelijke bepaling de terugname, in tegenstelling tot de in art. 29, § 1 van diezelfde wet besproken aangroei, niet afhankelijk maakt van een afname van de personeelsleden met een laag loon, moet de vrijstelling voor bijkomend personeel het jaar daarop geheel of gedeeltelijk worden teruggenomen van zodra het gemiddeld personeelsbestand van alle personeelsleden (zie nr. 35) gedaald is ten overstaan van het jaar waarin die vrijstelling werd verleend.
48. Het terugnemen van de vrijstelling gebeurt door een (te indexeren) bedrag van 3.718,40 EUR (150.000 BEF) per afgevloeide personeelseenheid toe te voegen aan de nettowinst of de nettobaten van het jaar waarin die afvloeiing zich voordoet. Wat de vennootschappen betreft, moet het bedrag van de terugneming bij de verworpen uitgaven worden gevoegd.
Voor de ajren. 2000, 2001, 2002, 2003 en 2004 [Het geïndexeerd bedrag voor het aj. 2005 is op dit ogenblik nog niet gekend] bedraagt de toevoeging aan de winst of de baten in principe respectievelijk 167.000 BEF (4.139,82 EUR), 168.000 BEF (4.164,61 EUR), 172.655 BEF (4.280 EUR), 4.390 EUR en 4.460 EUR per personeelseenheid in min.
Die toevoeging mag evenwel nooit meer bedragen dan het bedrag van de vrijstelling dat het aanslagjaar ervoor werkelijk werd toegekend.
49. In onderstaande schematische voorstelling worden de in de nrs. 47 en 48 uiteengezette principes verduidelijkt aan de hand van een aantal mogelijke situaties met betrekking tot inzonderheid de ajren. 2002 en 2003. Er wordt terzake van de hypothese uitgegaan dat er tijdens de gehele kalenderjaren 1999 en 2000, 3 werknemers - waarvan 1 met een laag loon - werden tewerkgesteld.
[(1) Op basis van de aangroei van de personeelsleden met lage lonen, in voorkomend geval beperkt tot de totale personeelsaangroei.]
[(2) Vrijstelling beperkt tot de beschikbare nettowinst of -baten.]
[(3) 4.390 EUR, beperkt tot de voor het vorige aj. effectief toegekende vrijstelling.]
50. Voor belastingplichtigen die anders dan per kalenderjaar boekhouden, wordt het bedrag toegevoegd aan de winst van het boekjaar dat aanvangt in het kalenderjaar waarin de vermindering van het personeel zich heeft voorgedaan (zie ook nr. 43).
Voorbeeld : Indien het personeelsbestand in 2002 1 eenheid lager ligt dan in 2001, wordt inzake PB, in beginsel 4.460 EUR belast voor het aj. 2004 (boekjaar 2002-2003); inzake Ven.B zal alsdan 4.390 EUR belast worden voor het aj. 2003 (boekjaar 2002-2003).
51. Wanneer de vermindering van het personeelsbestand evenwel te wijten is aan de overdracht van het personeel naar een nieuwe werkgever in omstandigheden zoals bedoeld in nr. 14, moet de vrijstelling niet worden teruggenomen indien en in de mate dat de belastingplichtige aantoont dat de aanvullende tewerkstelling tijdens het jaar volgend op het jaar van de vrijstelling bij die nieuwe werkgever behouden is gebleven (cf. art. 29, § 4, tweede lid, Programmawet).
IX. BIJZONDERE GEVALLEN
A. Helpende gezinsleden van zelfstandigen
52. De helpende gezinsleden van zelfstandigen (met uitzondering van de echtgeno(o)t(e)), die niet worden opgenomen in de kwartaalaangiften RSZ, mogen voor de berekening van de vrijstelling worden meegeteld indien zij :
Bij begin of stopzetting van de tewerkstelling als helpend gezinslid tijdens het jaar, worden alleen de volle maanden van tewerkstelling meegerekend; zij worden geteld voor 21 arbeidsdagen (vijfdagenweek), 25 arbeidsdagen (zesdagenweek) of het aantal arbeidsdagen dat normaal tijdens een (volledige) maand van tewerkstelling wordt gepresteerd (andere gevallen).
Tijdelijke tewerkstelling (schoolvakanties, weekends) komt niet in aanmerking.
54. Met betrekking tot deze categorie van werknemers moeten, voor de berekening van de vrijstelling, uiteraard ook de daartoe noodzakelijke gegevens (bekomen aan de hand van andere controleerbare bescheiden dan de kwartaalaangiften RSZ) worden opgenomen in de vakken V en VI van de tabel 276 T (zie bijlage). Die werknemers moeten op die tabel worden opgenomen nà de personeelsleden die op de kwartaalaangiften RSZ voorkomen.
B. Erkende leerlingen
55. Erkende leerlingen mogen eveneens in aanmerking worden genomen om de evolutie van het tewerkgesteld personeel te bepalen.
C. Overname van het personeel van ondernemingen in faling
56. Bij overname van personeel van ondernemingen in faling zal, voor de berekening van het gemiddelde personeelsbestand, in elk geval afzonderlijk aan de hand van de feitelijke en juridische omstandigheden moeten worden nagegaan of er al dan niet een gehele of gedeeltelijke voortzetting (in de zin van art. 29, § 3, tweede lid, Programmawet) is van de onderneming in faling.
Zo zal er bv. voortzetting van de activiteit zijn wanneer een onderneming in faling in haar geheel wordt opgekocht met verplichting tot overname van het personeel en zonder dat de activiteiten van het bedrijf worden onderbroken.
D. Belastingplichtigen betrokken bij verrichtingen als bedoeld in de art. 46 en 211 WIB 92
57. In dergelijke gevallen wordt de vrijstelling of de terugneming van de vrijstelling berekend alsof die verrichtingen niet hadden plaatsgevonden (art. 29, § 6, Programmawet).
Voorbeeld :
Op 1.1.2002 neemt de zoon het bedrijf van de vader over (toepassing van art. 46, § 1, 1°, WIB 92). In 2001 waren er gemiddeld drie personeelsleden met een laag loon, in 2002 vier. Voor de berekening van de hier beoogde vrijstelling met betrekking tot het jaar 2002, is de aangroei van het aantal personeelsleden met een laag loon derhalve gelijk aan één (en niet aan vier).
E. Uitzendkrachten
58. Aangezien de met een arbeidsovereenkomst voor uitzendarbeid aan een uitzendbureau verbonden uitzendkrachten overeenkomstig de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers, als werknemers van dat uitzendbureau moeten worden aangemerkt, kunnen zij niet in aanmerking worden genomen voor de toekenning van de vrijstelling in hoofde van de onderneming waar zij tijdelijk als uitzendkracht tewerkgesteld zijn.
Zij kunnen daarentegen wel in rekening worden gebracht door het uitzendbureau zelf.
Alsdan moet er uiteraard ook rekening mee gehouden worden om uit te maken of de in art. 29, § 1 van de Programmawet gestelde grens van 11 werknemers in hoofde van het uitzendbureau al dan niet is bereikt.
X. FORMALITEITEN
59. De belastingplichtigen dienen bij hun aangifte in de inkomstenbelastingen van het belastbare tijdperk waarvoor zij de vrijstelling vragen, een tabel te voegen waarin, enerzijds, voor het geheel van de werknemers en, anderzijds, voor de voor de vrijstelling in aanmerking komende personeelsleden waarvan het brutodag- of uurloon niet hoger is dan respectievelijk 79,82 EUR of 10,51 EUR [Voor de jaring waarin de Belgische frank nog van toepassing was, respectievelijk 3.220 BEF en 424 BEF.], moet worden vermeld;
61. Voor het vervullen van de in de nrs. 59 en 60 beoogde formaliteiten, stelt de administratie een tabel (276 T) ter beschikking van de belastingplichtige.
Een model van die tabel, met de toelichting erbij, gaat in bijlage; het betreft in casu de tabel die bij de aangifte in de inkomstenbelastingen van het aanslagjaar 2003 mag worden gevoegd door :
62. Een boekhouder stelt tijdens het jaar 2001 2 voltijdse bedienden (A en B) tewerk.
Op 1.1.2002 werft hij twee bedienden (C en D) aan die deeltijdse arbeid verrichten volgens de volgende regeling :
Op 1.7.2002 werft hij opnieuw 2 voltijds tewerkgestelde bedienden (E en F) aan.
Alle personeelsleden zijn werkzaam in het stelsel van de vijfdagenweek.
Voor de (kalender)jaren 2001 en 2002 zien de vakken V en VI van de tabel 276 T van het aanslagjaar 2003 er als volgt uit (eenvoudigheidshalve worden de cijfers op jaarbasis vermeld en worden alleen de ingevulde kolommen weergegeven) :
Op basis van voorgaande gegevens wordt het gemiddelde personeelsbestand als volgt berekend (cf. vak I van de tabel 276 T:)
De vrijstelling wordt als volgt berekend (cf. vak II van de tabel 276 T):
NAMENS DE MINISTER:
Voor de Administrateur-generaal
van de Belastingen en de Invordering:
De Auditeur-generaal van financiën,
G. DELSOIR
BIJLAGE
Circulaire nr. Ci.RH.242/516.233 (AOIF 27/2003) dd. 29.10.2003
Bull. nr. 843, pag. 3188-3223
BELASTING VAN NIET-INWONERS
Vrijstelling voor bijkomend personeel
PERSONENBELASTING
Vrijstelling voor bijkomend personeel
VENNOOTSCHAPSBELASTING
Vrijstelling voor bijkomend personeel
VRIJSTELLING VOOR BIJKOMEND PERSONEEL
Toepassingsvoorwaarde
WET
Bevordering van het zelfstandig ondernemerschap
Commentaar op :
- art. 29, Programmawet 10.2.1998 tot bevordering van zelfstandig ondernemerschap, gewijzigd door art. 167, Programmawet 30.12.2001;
- KB 19.3.1998 tot uitvoering van artikel 29 van de Programmawet van 10 februari 1998 tot bevordering van het zelfstandig ondernemerschap.
Art. 29 van de Programmawet van 10.2.1998 tot bevordering van het zelfstandig ondernemerschap (BS 21.2.1998 - V 2559 - Bull. 782), gewijzigd door art. 167 van de Programmawet van 30.12.2001 (BS 31.12.2001 - V 3010 - Bull. 823)
1. § 1. Winst van nijverheids-, handels- of landbouwbedrijven die op 31 december1997 of op het einde van het jaar waarin de exploitatie is aangevangen, als die aanvang op een latere datum valt, minder dan elf werknemers, in de zin van artikel 30, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, tewerkstellen, en baten, onder welke naam ook, van vrije beroepen, ambten of posten, en van elke winstgevende bezigheid die niet bedoeld is in artikel 23, § 1, 1° en 4°, van hetzelfde Wetboek, worden van de personenbelasting, van de vennootschapsbelasting of van de belasting der niet-verblijfhouders vrijgesteld tot een bedrag gelijk aan 150.000 frank () per in België bijkomend tewerkgestelde personeelseenheid, waarvan het bruto dag- of uurloon niet hoger is dan het bedrag bepaald door de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit.
§ 2. De vrijstelling is van toepassing op de winst en op de baten van de belastbare tijdperken die samenvallen met de jaren 1998, 1999, 2000, 2001, 2002 en 2003 of, wanneer de belastingplichtigen anders dan per kalenderjaar boekhouden, met het eerste boekjaar dat wordt afgesloten respectievelijk na 31 december 1998, 1999, 2000, 2001, 2002 en 2003.
§ 3. Het aantal in België bijkomend tewerkgestelde personeelseenheden wordt vastgesteld door het gemiddeld personeelsbestand van de belastingplichtige tijdens de jaren 1998, 1999, 2000, 2001, 2002 en 2003 respectievelijk te vergelijken met dat van de jaren 1997, 1998, 1999, 2000, 2001 en 2002.
Er wordt evenwel geen rekening gehouden met de personeelsaangroei die het gevolg is van een overname van werknemers welke reeds vóór 1 januari 1998 waren aangeworven, ofwel door een onderneming waarmede de belastingplichtige zich rechtstreeks in enigerlei band van wederzijdse afhankelijkheid bevindt, ofwel door een belastingplichtige waarvan hij de beroepswerkzaamheid geheel of gedeeltelijk voortzet ingevolge een gebeurtenis die niet bedoeld is in § 6.
§ 4. Indien het gemiddeld personeelsbestand tijdens het jaar volgend op de vrijstelling is verminderd ten opzichte van het jaar van vrijstelling, wordt het totaal bedrag van de voordien krachtens paragraaf 1 vrijgestelde winsten of baten echter verminderd met 150.000 frank [3.718,40 EUR.] per afgevloeid personeelslid; de voordien vrijgestelde winst of baten worden in dat geval als winst of baten van het volgende belastbare tijdperk beschouwd.
Het eerste lid vindt geen toepassing indien en in de mate dat de betrokkene aantoont dat de bijkomende tewerkstelling het erop volgende jaar behouden is gebleven bij de werkgever die zijn personeel heeft overgenomen in omstandigheden bedoeld in § 3, tweede lid.
§ 5. Dit artikel is niet van toepassing wanneer de belastingplichtige voor dezelfde bijkomende personeelseenheden de toepassing vraagt van artikel 67 van hetzelfde Wetboek.
§ 6. Ten aanzien van de belastingplichtigen betrokken bij verrichtingen als bedoeld in de artikelen 46 en 211 van hetzelfde Wetboek, blijven de bepalingen van dit artikel van toepassing alsof die verrichtingen niet hadden plaatsgevonden.
KB 19.3.1998 tot uitvoering van artikel 29 van de Programmawet van 10 februari 1998 tot bevordering van het zelfstandig ondernemerschap (BS 25.4.1998 - V 2574 - Bull. 784)
Art. 1
2. Het bedrag bedoeld in artikel 29, § 1 van de Programmawet van 10 februari 1998 tot bevordering van het zelfstandig ondernemerschap wordt vastgesteld op maximum 3.220 frank [79,82 EUR.], voor het bruto dagloon en 424 frank [10,51 EUR.], voor het bruto uurloon.
Art. 2
Artikel 29 van de Programmawet van 10 februari 1998 tot bevordering van het zelfstandig ondernemerschap en artikel 1 van dit besluit treden in werking op 1 januari 1998.
Art. 3
Onze Minister van Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit.
II. ALGEMENE DRAAGWIJDTE
3. Om de tewerkstelling van laaggeschoolden aan te moedigen, heeft de wetgever met art. 29 van de Programmawet van 10 februari 1998 tot bevordering van het zelfstandig ondernemerschap, hierna "de Programmawet" genoemd, een belastingvrijstelling ingevoerd ten voordele van bepaalde belastingplichtigen die bijkomend personeel met een laag loon aanwerven.
Meer bepaald strekt dat artikel 29 van de Programmawet ertoe de winst van nijverheids-, handels-, of landbouwondernemingen die op 31 december 1997 of op het einde van het jaar waarin de exploitatie is aangevangen, als die aanvang op een latere datum valt, minder dan elf werknemers tewerkstellen, en baten van vrije beroepen, ambten, posten of andere winstgevende bezigheden, van de personenbelasting, van de vennootschapsbelasting of van de belasting van niet-inwoners vrij te stellen ten belope van 150.000 BEF (3.718,40 EUR) per in België bijkomend tewerkgestelde personeelseenheid waarvan het bruto dag- of uurloon niet hoger is dan respectievelijk 3.220 BEF (79,82 EUR) of 424 BEF (10,51 EUR).
De vrijstelling was aanvankelijk van toepassing op de winst en op de baten van de belastbare tijdperken die samenvielen met de jaren 1998, 1999 en 2000 of, wanneer de belastingplichtigen anders dan per kalenderjaar boekhouden, met het eerste boekjaar dat werd afgesloten respectievelijk na 31 december 1998, 1999 en 2000.
Art. 167 van de Programmawet van 30 december 2001 verlengt deze vrijstellingsregeling met drie jaar, zodat deze bij voortduur van toepassing blijft op de winst en baten van de belastbare tijdperken die samenvallen met de jaren 2001, 2002 en 2003 of, wanneer de belastingplichtigen anders dan per kalenderjaar boekhouden, met het eerste boekjaar dat wordt afgesloten respectievelijk na 31 december 2001, 2002 en 2003. De overige bepalingen van artikel 29 van de Programmawet blijven tijdens die jaren onverminderd van toepassing.
4. Met het oog op de berekening van die vrijstelling, heeft de administratie een tabel 276 T uitgewerkt die bij de aangifte in de inkomstenbelastingen kan gevoegd worden. Een model ervan is als bijlage toegevoegd.
III. BEDOELDE BELASTINGPLICHTIGEN
A. Algemeen
5. Art. 29 van de Programmawet is in beginsel van toepassing op :
a) nijverheids-, handels-, of landbouwondernemingen, die minder dan elf werknemers tewerkstellen op 31.12.1997 of op het einde van het jaar van de aanvang van de exploitatie wanneer die aanvang dateert van na 31.12.1997;B. Voorwaarden
b) beoefenaars van vrije beroepen, ambten of posten en personen die baten verkrijgen uit een winstgevende bezigheid als bedoeld in art. 27 WIB 92.
6. Nijverheids-, handels- en landbouwondernemingen komen slechts voor de hier beoogde belastingvermindering in aanmerking indien zij op 31.12.1997, of op 31 december van het jaar waarin de exploitatie is aangevangen, als die aanvang na 31.12.1997 valt, minder dan elf werknemers tewerkstellen (die voorwaarde geldt dus niet voor de in nr. 5, b bedoelde personen die baten ontvangen).
7. Om te bepalen of die grens van 11 werknemers op 31.12.1997, of op het einde van het jaar van de aanvang van de exploitatie, al dan niet is bereikt, moet rekening worden gehouden met alle personeelsleden die bezoldigingen genieten in de zin van art. 30, 1°, WIB 92, met inbegrip van de in het personeelsregister ingeschreven werknemers die op die datum inactief zijn, zoals langdurig zieken, werknemers met volledige loopbaanonderbreking, werknemers met toegestaan verlof, enz.
Terzake is het zonder belang of deze werknemers al dan niet in aanmerking komen voor de berekening van de vrijstelling. Zodoende dienen ook de werknemers met een hoger loon en de werknemers die in het buitenland worden tewerkgesteld, voor voormelde grens in aanmerking te worden genomen. Personeelsleden die deeltijdse arbeid verrichten, moeten bij het vaststellen van deze grens voor één volledige eenheid worden geteld.
Anderzijds moeten bedrijfsleiders, van wie de inkomsten als bezoldigingen in de zin van art. 30, 2°, WIB 92 worden aangemerkt, niet worden meegeteld om te bepalen of de grens van 11 werknemers al dan niet is bereikt.
Om het aantal personeelsleden vast te stellen kan inzonderheid worden gesteund op het in de onderneming bijgehouden personeelsregister.
8. De omstandigheid dat de grens van 11 werknemers op een latere datum dan die waarvan in nr. 7 sprake is wordt overschreden, ontneemt de betrokken belastingplichtige geenszins het recht op de vrijstelling.
C. Opmerkingen
9.
1. De vrijstelling voor bijkomend personeel is niet afhankelijk van het voeren van een boekhouding overeenkomstig de bepalingen van de W 17.7.1975 op de boekhouding en de jaarrekening van de ondernemingen (V 1399 - B 534).IV. BEREKENING VAN HET GEMIDDELD PERSONEELSBESTAND
2. Wanneer de belastingplichtigen hun beroepswerkzaamheden in de vorm van een feitelijke vereniging uitoefenen, wordt de vrijstelling omgedeeld in verhouding tot het aandeel van elk lid in de winst of baten van de vereniging.
A. Algemene principes
10. Het aantal in België bijkomend tewerkgestelde personeelseenheden wordt vastgesteld door het gemiddeld personeelsbestand van de belastingplichtige tijdens de jaren 1998, 1999, 2000, 2001, 2002 en 2003 respectievelijk te vergelijken met dat van de jaren 1997, 1998, 1999, 2000, 2001 en 2002 (cf. art. 29, § 3, eerste lid, Programmawet).
Het gemiddeld personeelsbestand van de belastingplichtige tijdens een jaar wordt berekend door het totaal van de door zijn werknemers in die periode gepresteerde arbeidsdagen te delen door het aantal arbeidsdagen dat normaal tijdens een jaar door een werknemer kan worden gepresteerd. Vooreerst zal dus per werknemer en per jaar de gepresteerde arbeidsdagen moeten worden vastgesteld, waarbij tevens zal moeten worden nagegaan onder welke arbeidsregeling deze werknemer werkzaam is.
11. Overeenkomstig de art. 29, § 1, Programmawet en art. 1, KB 19.3.1998, komen uitsluitend de in België bijkomend tewerkgestelde personeelseenheden waarvan het bruto dag- of uurloon niet hoger is dan 3.220 BEF (79,82 EUR) of 424 BEF (10,51 EUR) en die hierna dan ook "personeelsleden met een laag loon" worden genoemd, voor de vrijstelling in aanmerking.
Vermits de toepassing van deze maatregel enerzijds beperkt wordt tot de werkelijk nieuwe tewerkstelling (Doc. 1206/1, 1207/1, Kamer, gewone zitting 1996-1997, blz. 21 en Doc. 1206/3, Kamer, gewone zitting 1997-1998, blz. 8) en anderzijds uitsluitend personeelsleden met een laag loon betreft, zal zowel het gemiddeld personeelsbestand van alle personeelsleden als het gemiddeld personeelsbestand van de personeelsleden met een laag loon moeten worden berekend, waarbij de aangroei van deze laatste categorie van personeelsleden, met het oog op de te verlenen vrijstelling, in voorkomend geval zal moeten beperkt worden tot de totale personeelsaangroei.
B. Personeelsleden waarmee geen rekening mag worden gehouden voor de berekening van het gemiddeld personeelsbestand
1. Bedrijfsleiders en meewerkende echtgenoten
12. Uit art. 29, § 1 van de Programmawet volgt dat de in art. 30, 2° en 32 WIB 92 bedoelde bedrijfsleiders niet in aanmerking mogen genomen worden voor de berekening van de vrijstelling voor bijkomend personeel. Voor de berekening van het gemiddeld personeelsbestand moeten ze dus buiten beschouwing worden gelaten.
Hetzelfde geldt voor de meewerkende echtgenoten bedoeld in de art. 30, 3° en 33 WIB 92
[Bepaling van toepassing vanaf aj. 2004 (zie art. 15 en 16, Programmawet 24.12.2002 - BS 31.12.2002, V 3106, Bull. 834).].
2. Personeelsleden tewerkgesteld in het buitenland
13. Ingevolge datzelfde art. 29, § 1 moeten de in het buitenland tewerkgestelde personeelsleden evenzeer buiten beschouwing worden gelaten voor de berekening van het gemiddeld personeelsbestand.
3. Personeelsleden overgenomen van andere ondernemingen
14. Bij de berekening van het gemiddeld personeelsbestand mag geen rekening gehouden worden met de personeelsaangroei die het gevolg is van een overname van personeelsleden die reeds vóór 1.1.1998 waren aangeworven door ondernemingen waarmee de belastingplichtige zich rechtstreeks in enigerlei band van wederzijdse afhankelijkheid bevindt of door een belastingplichtige waarvan hij de beroepswerkzaamheid geheel of gedeeltelijk voortzet ingevolge een gebeurtenis die niet bedoeld is in de art. 46 en 211 WIB 92 (cf. art. 29, § 3, tweede lid, Programmawet).
15. De term "enigerlei band van wederzijdse afhankelijkheid" dient te worden begrepen in de zin van de art. 26 en 79 WIB 92.
16. De toepassing van de vrijstelling is dus duidelijk beperkt tot de werkelijk nieuwe tewerkstelling, zodat ze niet geldt voor :
- het personeel dat wordt overgenomen door een pas opgerichte vennootschap die de beroepswerkzaamheid van een bestaande onderneming voortzet (ongeacht of die vennootschap werd opgericht door de belastingplichtige wiens onderneming zij voortzet, door zijn familieleden of door derden), voor zover dit personeel door de bestaande onderneming reeds vóór 1.1.1998 was aangeworven;
- het vóór 1.1.1998 aangeworven personeel van een eenmanszaak die door de belastingplichtige (natuurlijke personen) wordt overgenomen, ongeacht of de belastingplichtige al dan niet met de gewezen exploitant verwant is en eventueel reeds vóór de overname in de zaak werkzaam was [Zie evenwel de nrs. 56 en 57.];
- over het algemeen, personeelsleden die na een exploitantwisseling verder worden tewerkgesteld en die vóór 1.1.1998 door de vroegere exploitant waren aangeworven;
- de overname van personeel door een belastingplichtige die een onderneming, een bedrijfsafdeling of een tak van werkzaamheid in zijn bezit krijgt door erfopvolging, schenking of vereniging in één hand van alle aandelen van een handelsvennootschap [Zie evenwel nr. 57.], voor zover dit personeel vóór 1.1.1998 deel uitmaakte van de overgenomen onderneming, bedrijfsafdeling of tak van werkzaamheid.
4. Personeelsleden waarvoor de in art. 67 WIB 92 bedoelde vrijstelling wordt gevraagd
18. Overeenkomstig art. 29, § 5 van de Programmawet kan de in die wetsbepaling beoogde vrijstelling niet worden toegestaan wanneer de belastingplichtige voor dezelfde bijkomende personeelseenheden de toepassing vraagt van de in art. 67 WIB 92 beoogde vrijstelling voor bijkomend personeel voor wetenschappelijk onderzoek en uitvoer.
C. Berekening van de gepresteerde arbeidsdagen per personeelslid
1. Kwartaalaangiften RSZ [Bij het opstellen van onderhavige circ. werd uitgegaan van de papieren kwartaalaangifte RSZ zoals zij bestond vóór de vervanging ervan door de elektronische multifunctionale kwartaalaangifte DmfA met ingang van 01.01.2003.]
19. Om het gemiddeld personeelsbestand te bepalen dient vooreerst het aantal tijdens een jaar gepresteerde arbeidsdagen van een personeelslid te worden vastgesteld, waarbij doorgaans [Zie evenwel nr. 52.] kan gesteund worden op de kwartaalaangiften ingediend bij de RSZ, met name inzonderheid op de staat "A" (handarbeiders) en de staat "B" (hoofdarbeiders).
Het aantal gepresteerde arbeidsdagen wordt in die staten vermeld :
- in de kolommen (9a) en (9b) van de staat "A" waarin respectievelijk de bezoldigde arbeidsdagen en de wettelijke vakantiedagen van de handarbeiders zijn opgenomen;
- in kolom (9a) van de staat "B" waarin de bezoldigde arbeidsdagen, met inbegrip van de wettelijke vakantiedagen, van de hoofdarbeiders zijn vermeld.
20. Voor de vaststelling van het aantal gepresteerde arbeidsdagen wordt geen rekening gehouden met de in de RSZ-aangiften vermelde arbeidsdagen die betrekking hebben op de perioden die gedekt zijn door de personeelsleden verkregen opzeggings- en verbrekingsvergoedingen.
3. Deeltijdse arbeid
21. Bij de berekening van de gepresteerde arbeidsdagen dient er bijzondere aandacht te worden geschonken aan de werknemers die in een stelsel van deeltijdse arbeid werken waarbij dagelijks (of op sommige dagen) verminderde prestaties worden geleverd.
Alhoewel zij tijdens die dagen per dag minder uren presteren dan collega's die voltijds arbeiden, worden die dagen niettemin als een volledige dag ingevuld op de kwartaalaangiften RSZ.
Bij de berekening van het bijkomend personeel moet de belastingplichtige het totaal aantal arbeidsdagen in dergelijk geval, door het aanbrengen van de nodige correcties, herleiden tot het equivalent in normale werkdagen (de individuele loonstaten kunnen daartoe nuttig worden geraadpleegd).
Voor een werknemer die bv. dagelijks halftijdse prestaties levert die op de kwartaalaangifte RSZ als volledige dagen zijn vermeld, moeten de op die aangifte vermelde dagen, met het oog op de berekening van de gepresteerde arbeidsdagen, dus worden gehalveerd [Zie ook voorbeeld onder nr.62.].
D. Berekening van het gemiddeld dag- of uurloon
1. Algemeen
22. Aangezien de vrijstelling voor bijkomend personeel uitsluitend wordt verleend voor personeelsleden met een laag loon, dient deze categorie van personeelsleden te worden afgezonderd.
Om te bepalen of een bepaalde werknemer als een personeelslid met een laag loon kan worden aangemerkt, wordt zijn gemiddeld dag- of uurloon berekend [In EUR dient het gemiddelde te worden afgerond op de cent. Gedeelten van minder dan 0,5 cent worden weggelaten; gedeelten van 0,5 cent of meer worden voor 1 cent gerekend. Voor de jaren waarin de bedragen in BEF werden vermeld, moest de afronding geschieden op de frank. Gedeelten van minder dan 50 hondersten werden weggelaten; gedeelten van 50 hondersten en meer werden voor 1 frank gerekend.], naar gelang de werknemer respectievelijk voltijds of deeltijds is tewerkgesteld.
De berekening geschiedt per kwartaal.
Voor de kwartalen waarin het gemiddeld bruto dag- of uurloon niet hoger is dan respectievelijk 79,82 EUR of 10,51 EUR [Voor de jaren waarin de Belgische frank nog van toepassing was, respectievelijk 3.220 BEF en 424 BEF], kan de werknemer als een personeelslid met een laag loon worden beschouwd.
2. Gemiddeld dagloon
23. Het gemiddeld dagloon van een voltijdse werknemer wordt, voor elk kwartaal, berekend door het bedrag van de door die werknemer in de loop van dat kwartaal verkregen brutolonen te delen door het totaal van de door die werknemer in datzelfde kwartaal gepresteerde arbeidsdagen.
24. Onder het "bedrag van de brutolonen" wordt verstaan, het totaal van de brutolonen, die in principe in kolom 4 van de RSZ-kwartaalaangiften zijn vermeld, met uitzondering van de opzeggings- en verbrekingsvergoedingen.
De eindejaarspremies, dertiende maand, enz., die evenzeer onder de brutolonen moeten worden begrepen en die in de regel in eenmaal aan de werknemers worden uitbetaald, moeten in het jaar waarin zij worden ontvangen evenredig worden omgedeeld over het aantal kwartalen waarin de betrokken werknemers een brutoloon hebben ontvangen. Bij uitbetaling van de eindejaarspremie door een derde, b.v. een fonds voor bestaanszekerheid, moet het bedrag ervan, dat mag geacht worden overeen te stemmen met 25 % van de brutolonen van het kwartaal waarin die premie gewoonlijk wordt betaald, eveneens evenredig worden omgedeeld over het aantal kwartalen waarin de betrokken werknemers tijdens dat jaar een brutoloon hebben ontvangen.
25. Voor de berekening van het gemiddeld dagloon dient zowel voor arbeiders als bedienden onder "arbeidsdagen" te worden verstaan : de in kolom (9a) van de kwartaalaangiften RSZ opgenomen arbeidsdagen, met uitsluiting dus van de in kolom (9b) voor de arbeiders vermelde wettelijke vakantiedagen.
3. Gemiddeld uurloon
26. Het gemiddeld uurloon van een deeltijdse werknemer wordt, voor elk kwartaal, berekend door het bedrag van de door die werknemer in de loop van dat kwartaal verkregen brutolonen te delen door het totaal van de door die werknemer in datzelfde kwartaal gepresteerde arbeidsuren.
27. Voor wat onder "het bedrag van de brutolonen" moet worden verstaan, kan worden verwezen naar nr. 24.
28. De in een bepaald kwartaal gepresteerde arbeidsuren zijn voor elke deeltijdse werknemer in de regel afzonderlijk vermeld in kolom 11 van de kwartaalaangiften RSZ. Deze "arbeidsuren" zijn met name de bezoldigde werkelijke arbeidsuren die verband houden met de bezoldigde "arbeidsdagen" in de zin van nr. 25, met uitsluiting dus van de wettelijke vakantiedagen voor arbeiders.
Opmerkingen
1. Werknemers die in de loop van eenzelfde kwartaal gedeeltelijk voltijds en gedeeltelijk deeltijds werden tewerkgesteld, moeten voor deze berekening als deeltijdse werknemers worden aangemerkt. Dit houdt in dat ook voor het gedeelte van dat kwartaal waarin voltijdse prestaties werden verricht, de bezoldigde arbeidsuren moeten worden opgegeven.
2. Fracties van uren dienen, zoals op de kwartaalaangiften RSZ, decimaal te worden voorgesteld en te worden afgerond op de tweede decimaal (225 uur en 10 minuten wordt bv. 225,17).
E. Gepresteerde arbeidsdagen van personeelsleden met een laag loon
29. Voor personeelsleden waarvoor de berekening van het gemiddeld bruto dag- of uurloon (cf. rubriek D) tijdens één of meerdere kwartalen van een bepaald jaar respectievelijk 79,82 EUR of 10,51 EUR [Voor de jaren waarin de Belgische frank nog van toepassing was, respectievelijk 3.220 BEF en 424 BEF.] niet overschrijdt, dienen de tijdens die kwartalen gepresteerde arbeidsdagen (cf. rubriek C) te worden afgezonderd, teneinde ze in aanmerking te nemen voor de berekening van het gemiddeld personeelsbestand van de personeelsleden met een laag loon.
F. Berekening van het gemiddeld personeelsbestand
1. Algemeen
30. Het gemiddeld personeelsbestand van een bepaald jaar wordt verkregen door het totaal aantal door het personeel tijdens dat jaar in België gepresteerde arbeidsdagen, te delen door het aantal arbeidsdagen dat normaal tijdens dat jaar door één werknemer kan worden gepresteerd.
Om de noemer van voormelde breuk te bepalen, dient rekening te worden gehouden met de arbeidsregeling die op de betrokken personeelsleden van toepassing is.
Verder moet, zoals reeds aangegeven onder nr. 11, zowel het gemiddeld personeelsbestand van alle personeelsleden als dat van de personeelsleden met een laag loon worden berekend.
Uiteraard zal, voor de belastingplichtigen wier beroepswerkzaamheid na 31 december 1997, 1998, 1999, 2000, 2001 of 2002 een aanvang neemt, het gemiddelde van de respectievelijk tijdens jaren 1997, 1998, 1999, 2000, 2001 of 2002 tewerkgestelde personeelsleden steeds gelijk zijn aan nul (zie ook nr. 40).
2. Arbeidsregeling
31. Voor de personeelsleden die in het stelsel van de vijfdagenweek werkzaam zijn, moet het totaal aantal voor dat personeel in aanmerking te nemen arbeidsdagen worden gedeeld door 251.
32. Onder "arbeidsdagen" moet hier in de regel worden verstaan : de dagen waarop werkelijk arbeid wordt verricht van normale duur.
Voor personeelsleden die verminderde prestaties leveren, dienen in voorkomend geval de nodige correcties op die "arbeidsdagen" te worden toegepast (zie inzonderheid nr. 21).
Indien de duur van de dagelijkse prestaties daarentegen meer bedraagt dan het aantal uren dat in de vijfdaagse werkweek in principe dagelijks zou moeten worden gepresteerd (bv. 8 uur in de 40-urenweek, 7,6 uur in de 38-urenweek), en die prestaties over minder dan vijf dagen per week zijn gespreid (bv. 9,5 uur per dag gedurende 4 dagen in de 38-urenweek), worden voor de vaststelling van het aantal op de kwartaalaangiften RSZ te vermelden arbeidsdagen, de tijdens het kwartaal gepresteerde arbeidsuren in principe gedeeld door het aantal uren dat in de vijfdaagse werkweek normaliter dagelijks zou moeten worden gepresteerd (bv. 8 in de 40-urenweek, 7,6 in de 38-urenweek). Indien dergelijke werkwijze is toegepast moet dit regime als een met de vijfdagenweek gelijkgesteld stelsel worden beschouwd en is de noemer eveneens gelijk aan 251.
33. Voor de personeelsleden op wie een andere arbeidsregeling van toepassing is, moet het gemiddeld aantal personeelsleden worden berekend door het totaal aantal in aanmerking te nemen arbeidsdagen te delen door het aantal arbeidsdagen dat normaal tijdens een jaar door een personeelslid in die arbeidsregeling kan worden gepresteerd.
34. Voor personeelsleden die werkzaam zijn in het stelsel van de zesdagenweek, mag het aantal gepresteerde arbeidsdagen worden gedeeld door 303.
3. Berekening van het gemiddelde voor alle personeelsleden
35. Zoals reeds aangegeven in nr. 11, moeten deze berekeningen tweemaal worden uitgevoerd, nl. eenmaal met betrekking tot het volledige personeelsbestand en éénmaal met betrekking tot de personeelsleden met een laag loon.
Voor de berekening van het gemiddeld personeelsbestand van alle personeelsleden, moeten de door hen gepresteerde arbeidsdagen (zie nrs. 19 tot 21) derhalve worden gedeeld door 251 in de vijfdagenweek, door 303 in de zesdagenweek en door het aantal arbeidsdagen dat normaal tijdens een jaar door een personeelslid kan worden gepresteerd in de andere gevallen.
Het resultaat van die bewerkingen moet steeds tot op twee cijfers na de komma worden uitgerekend.
4. Berekening van het gemiddelde voor de personeelsleden met een laag loon
36. De berekening van het gemiddeld personeelsbestand van de personeelsleden met een laag loon geschiedt op dezelfde wijze als onder nr. 35, met dien verstande dat uitsluitend de arbeidsdagen van de kwartalen waarin het gemiddeld dag- of uurloon van die personeelsleden respectievelijk 79,82 EUR (3.220 BEF) of 10,51 EUR (424 BEF) niet overschrijdt, voor deze berekening in aanmerking mogen worden genomen (zie nr. 29).
V. BEREKENING VAN HET AANTAL PERSONEELSEENHEDEN WAARVOOR DE VRIJSTELLING KAN BEKOMEN WORDEN
A. Algemeen
37. Het aantal personeelsleden dat voor de jaren 1998, 1999, 2000, 2001, 2002 en 2003 recht geeft op vrijstelling, stemt in principe overeen met de aangroei in de betrokken jaren van de personeelsleden met een laag loon. Die aangroei mag, voor de toekenning van de vrijstelling, evenwel nooit meer bedragen dan de totale personeelsaangroei tijdens die jaren.
Derhalve dient zowel de totale personeelsaangroei als de aangroei van de personeelsleden met een laag loon te worden vastgesteld.
B. Totale personeelsaangroei
38. Voor elk van de kalenderjaren 1998, 1999, 2000, 2001, 2002 en 2003 wordt de totale personeelsaangroei bepaald door het verschil te maken tussen :
- enerzijds, het gemiddelde van het volledige personeelsbestand tijdens respectievelijk de jaren 1998, 1999, 2000, 2001, 2002 en 2003;
- en, anderzijds, het gemiddelde van het volledige personeelsbestand tijdens respectievelijk de jaren 1997, 1998, 1999, 2000, 2001 en 2002.
Het verschil tussen voormelde gemiddelden wordt afgerond naar de hogere of lagere eenheid (gedeelten van minder dan 50 honderdsten) worden weggelaten, gedeelten van 50 honderdsten en meer worden voor één eenheid gerekend).
Voorbeeld :
- Gemiddelde van het volledige personeelsbestand in 2002 : 9,88
- Gemiddelde van het volledige personeelsbestand in 2001 : 8,34
- Verschil of bijkomende personeelseenheden : 1,54
C. Aangroei van de personeelsleden met een laag loon
39. De berekening van de aangroei van de personeelsleden met een laag loon geschiedt op dezelfde wijze als de berekening van de totale personeelsaangroei, met dien verstande dat bij die berekening uiteraard slechts rekening zal worden gehouden met de personeelsleden met een laag loon.
D. Nieuwe ondernemingen
40. Voor ondernemingen (of verkrijgers van baten) die hun activiteit pas in 1998, 1999, 2000, 2001, 2002 of 2003 opstarten, is het geheel van het gemiddeld personeelsbestand voor dat jaar als bijkomend personeel te beschouwen (Doc. 1206/1, 1207/1, Kamer, gewone zitting 1996-1997, blz. 21). Voor dergelijke belastingplichtigen stemt m.a.w. de totale personeelsaangroei en de aangroei van de personeelsleden met een laag loon tijdens het jaar 1998, 1999, 2000, 2001, 2002 of 2003 in principe respectievelijk overeen met het gemiddelde volledige personeelsbestand en het gemiddelde personeelsbestand van de personeelsleden met een laag loon voor dat jaar (zie ook nr. 30, laatste lid).
In dit verband wordt de aandacht nogmaals gevestigd op het feit dat de maatregel beperkt is tot de werkelijk nieuwe tewerkstelling, met uitsluiting dus van personeelsleden die zijn overgenomen van ondernemingen zoals die waarvan sprake is in de nrs. 14 tot 16 en 57.
E. Berekening van het aantal personeelseenheden waarvoor vrijstelling kan bekomen worden
41. Het aantal personeelsleden waarvoor de vrijstelling kan bekomen worden, stemt overeen met de onder nr. 39 beoogde aangroei van de personeelsleden met een laag loon, zonder dat die aangroei evenwel hoger mag zijn dan de onder nr. 38 beoogde totale personeelsaangroei. In dergelijk geval moet het onder nr. 39 bekomen resultaat dus worden beperkt tot het onder nr. 38 verkregen resultaat.
Wanneer voor een bepaald kalenderjaar wordt vastgesteld dat één van de onder voormelde nrs. 38 of 39 beoogde resultaten gelijk is aan nul of negatief is (wat betekent dat er een personeelsafname is), kan er voor het betrokken aanslagjaar in geen geval een vrijstelling voor bijkomend personeel met een laag loon worden verleend.
Voorbeelden
- Totale personeelsaangroei : 2
Aangroei van de personeelsleden met een laag loon : 4
Aantal personeelsleden waarvoor de vrijstelling kan bekomen worden : 2
- Totale personeelsaangroei : - 1
Aangroei van de personeelsleden met een laag loon : 4
Aantal personeelsleden waarvoor de vrijstelling kan bekomen worden : 0
- Totale personeelsaangroei : 2
Aangroei van de personeelsleden met een laag loon : - 1
Aantal personeelsleden waarvoor de vrijstelling kan bekomen worden : 0
42. Art. 29, § 1 van de Programmawet stelt het bedrag van de vrijstelling vast op 150.000 BEF (3.718,40 EUR) per bijkomende personeelseenheid met een laag loon.
Dit bedrag wordt, overeenkomstig art. 178 WIB 92, jaarlijks aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk.
Derhalve bedraagt de vrijstelling voor de ajren. 1999, 2000, 2001, 2002, 2003 en 2004 respectievelijk 165.000 BEF, 167.000 BEF (4.139,82 EUR), 168.000 BEF (4.164,61 EUR), 172.655 BEF (4.280 EUR), 4.390 EUR en 4.460 EUR.
43. De vrijstelling voor bijkomend personeel met een laag loon is van toepassing voor elk van de jaren 1998, 1999, 2000, 2001, 2002 en 2003, d.w.z. in de regel voor de ajren. 1999, 2000, 2001, 2002, 2003 en 2004.
Voor belastingplichtigen die hun boekhouding anders dan per kalenderjaar voeren, wordt de vrijstelling evenwel aangerekend op de winst van de boekjaren 1998/1999, 1999/2000, 2000/2001, 2001/2002, 2002/2003 en 2003/2004.
Voor vennootschappen heeft dit geen gevolgen wat de ajren. betreft waarvoor de vrijstelling van toepassing is (cf. eerste lid).
Voor natuurlijke personen betekent dit evenwel dat de vrijstelling die voortvloeit uit de bijkomende tewerkstelling tijdens de kalenderjaren 1998, 1999, 2000, 2001, 2002 en 2003 respectievelijk wordt toegekend voor de aanslagjaren 2000 (boekjaar 1998/1999), 2001 (boekjaar 1999/2000), 2002 (boekjaar 2000/2001), 2003 (boekjaar 2001/2002), 2004 (boekjaar 2002/2003) en 2005 (boekjaar 2003/2004).
VII. AANREKENING VAN DE VRIJSTELLING
A. Natuurlijke personen
44. Ten name van natuurlijke personen moet het vrijgestelde bedrag worden afgetrokken van de nettowinst of van de nettobaten, vóór toepassing van art. 23, § 2, 2°, WIB 92, d.w.z. na vermindering van het brutobedrag van de belastbare winst of baten met de beroepskosten die op deze inkomsten drukken en vóór aftrek van de beroepsverliezen die tijdens het belastbare tijdperk eventueel uit hoofde van een andere beroepswerkzaamheid zouden zijn geleden.
Voor natuurlijke personen die winst in de zin van art. 23, § 1, 1°, WIB 92 behalen, mag het vrijgestelde bedrag, in voorkomend geval, slechts worden afgetrokken na aftrek van de in artikel 67 WIB 92 beoogde vrijstelling voor bijkomend personeel voor wetenschappelijk onderzoek en uitvoer.
B. Vennootschappen
45. Ten name van vennootschappen gebeurt de voormelde aftrek samen met de "andere niet belastbare bestanddelen". Alhoewel de aftrek van die vrijstellingen en die bestanddelen in globo gebeurt mag, met het oog op de berekening van de eventuele latere terugnemingen van die vrijstellingen worden geacht dat de aftrek van de vrijstellingen voor bijkomend personeel in laatste instantie geschiedt indien het totaal van de overblijvende winst kleiner is dan de aftrekbare bestanddelen.
C. Onvoldoende winst of baten
46. Het vrijgestelde bedrag of het gedeelte ervan dat, bij ontstentenis van of wegens onvoldoende winst of baten, niet kan worden afgetrokken, mag niet naar de volgende belastbare tijdperken worden overgedragen.
VIII. VERMINDERING VAN HET PERSONEELSBESTAND
47. Overeenkomstig de uitdrukkelijke bepalingen van art. 29, § 4, eerste lid van de Programmawet, wordt het totaal bedrag van de voorheen vrijgestelde winst of baten verminderd met 150.000 BEF (3.718,40 EUR) per afgevloeid personeelslid indien het gemiddeld personeelsbestand tijdens het daaropvolgende jaar is verminderd.
Doordat voormelde wettelijke bepaling de terugname, in tegenstelling tot de in art. 29, § 1 van diezelfde wet besproken aangroei, niet afhankelijk maakt van een afname van de personeelsleden met een laag loon, moet de vrijstelling voor bijkomend personeel het jaar daarop geheel of gedeeltelijk worden teruggenomen van zodra het gemiddeld personeelsbestand van alle personeelsleden (zie nr. 35) gedaald is ten overstaan van het jaar waarin die vrijstelling werd verleend.
48. Het terugnemen van de vrijstelling gebeurt door een (te indexeren) bedrag van 3.718,40 EUR (150.000 BEF) per afgevloeide personeelseenheid toe te voegen aan de nettowinst of de nettobaten van het jaar waarin die afvloeiing zich voordoet. Wat de vennootschappen betreft, moet het bedrag van de terugneming bij de verworpen uitgaven worden gevoegd.
Voor de ajren. 2000, 2001, 2002, 2003 en 2004 [Het geïndexeerd bedrag voor het aj. 2005 is op dit ogenblik nog niet gekend] bedraagt de toevoeging aan de winst of de baten in principe respectievelijk 167.000 BEF (4.139,82 EUR), 168.000 BEF (4.164,61 EUR), 172.655 BEF (4.280 EUR), 4.390 EUR en 4.460 EUR per personeelseenheid in min.
Die toevoeging mag evenwel nooit meer bedragen dan het bedrag van de vrijstelling dat het aanslagjaar ervoor werkelijk werd toegekend.
49. In onderstaande schematische voorstelling worden de in de nrs. 47 en 48 uiteengezette principes verduidelijkt aan de hand van een aantal mogelijke situaties met betrekking tot inzonderheid de ajren. 2002 en 2003. Er wordt terzake van de hypothese uitgegaan dat er tijdens de gehele kalenderjaren 1999 en 2000, 3 werknemers - waarvan 1 met een laag loon - werden tewerkgesteld.
| SITUATIE | KALENDERJAAR | GEMIDDELD PERSONEELSBESTAND | IN PRINCIPE TE VERLENEN VRIJSTELLING (1) | EFFECTIEF VERLEENDE VRIJSTELLING | TERUG TE NEMEN VRIJSTELLING | |
| Gehele personeel | Personeel met lage lonen | |||||
| I | 2000 2001 2002 | 3 5 (+2) 4 (-1) | 1 3 (+2) 1 (-2) | - 2 x 4.280 EUR - | - 8.560 EUR - | 4.390 EUR |
| II | 2000 2001 2002 | 3 5 (+2) 4 (-1) | 1 4 (+3) 4 (0) | - 2 x 4.280 EUR - | - 6.000 EUR (2) - | 4.390 EUR |
| III | 2000 2001 2002 | 3 5 (+2) 4 (-1) | 1 2 (+1) 1 (-1) | - 1 x 4.280 EUR - | - 4.280 EUR - | 4.280 EUR (3) |
| IV | 2000 2001 2002 | 3 4 (+1) 5 (+1) | 1 3 (+2) 2 (-1) | - 1 x 4.280 EUR - | - 4.280 EUR - | - |
| V | 2000 2001 2002 | 3 4 (+1) 3 (-1) | 1 2 (+1) 3 (+1) | - 1 x 4.280 EUR - | - 1.250 EUR (2) - | 1.250 EUR (3) |
[(2) Vrijstelling beperkt tot de beschikbare nettowinst of -baten.]
[(3) 4.390 EUR, beperkt tot de voor het vorige aj. effectief toegekende vrijstelling.]
50. Voor belastingplichtigen die anders dan per kalenderjaar boekhouden, wordt het bedrag toegevoegd aan de winst van het boekjaar dat aanvangt in het kalenderjaar waarin de vermindering van het personeel zich heeft voorgedaan (zie ook nr. 43).
Voorbeeld : Indien het personeelsbestand in 2002 1 eenheid lager ligt dan in 2001, wordt inzake PB, in beginsel 4.460 EUR belast voor het aj. 2004 (boekjaar 2002-2003); inzake Ven.B zal alsdan 4.390 EUR belast worden voor het aj. 2003 (boekjaar 2002-2003).
51. Wanneer de vermindering van het personeelsbestand evenwel te wijten is aan de overdracht van het personeel naar een nieuwe werkgever in omstandigheden zoals bedoeld in nr. 14, moet de vrijstelling niet worden teruggenomen indien en in de mate dat de belastingplichtige aantoont dat de aanvullende tewerkstelling tijdens het jaar volgend op het jaar van de vrijstelling bij die nieuwe werkgever behouden is gebleven (cf. art. 29, § 4, tweede lid, Programmawet).
IX. BIJZONDERE GEVALLEN
A. Helpende gezinsleden van zelfstandigen
52. De helpende gezinsleden van zelfstandigen (met uitzondering van de echtgeno(o)t(e)), die niet worden opgenomen in de kwartaalaangiften RSZ, mogen voor de berekening van de vrijstelling worden meegeteld indien zij :
- voorkomen op de loonopgave 325.10 van de zelfstandige werkgever;
- als helper onderworpen zijn aan het sociaal statuut van de zelfstandigen (tenzij zij jonger zijn dan 20 jaar);
- voltijds tewerkgesteld zijn (wat impliceert dat zij tijdens de tewerkstellingsperiode geen dagschool volgen);
- voor dezelfde periode geen andere beroepsinkomsten (met inbegrip van pensioenen of vervangingsinkomsten) hebben genoten.
Bij begin of stopzetting van de tewerkstelling als helpend gezinslid tijdens het jaar, worden alleen de volle maanden van tewerkstelling meegerekend; zij worden geteld voor 21 arbeidsdagen (vijfdagenweek), 25 arbeidsdagen (zesdagenweek) of het aantal arbeidsdagen dat normaal tijdens een (volledige) maand van tewerkstelling wordt gepresteerd (andere gevallen).
Tijdelijke tewerkstelling (schoolvakanties, weekends) komt niet in aanmerking.
54. Met betrekking tot deze categorie van werknemers moeten, voor de berekening van de vrijstelling, uiteraard ook de daartoe noodzakelijke gegevens (bekomen aan de hand van andere controleerbare bescheiden dan de kwartaalaangiften RSZ) worden opgenomen in de vakken V en VI van de tabel 276 T (zie bijlage). Die werknemers moeten op die tabel worden opgenomen nà de personeelsleden die op de kwartaalaangiften RSZ voorkomen.
B. Erkende leerlingen
55. Erkende leerlingen mogen eveneens in aanmerking worden genomen om de evolutie van het tewerkgesteld personeel te bepalen.
C. Overname van het personeel van ondernemingen in faling
56. Bij overname van personeel van ondernemingen in faling zal, voor de berekening van het gemiddelde personeelsbestand, in elk geval afzonderlijk aan de hand van de feitelijke en juridische omstandigheden moeten worden nagegaan of er al dan niet een gehele of gedeeltelijke voortzetting (in de zin van art. 29, § 3, tweede lid, Programmawet) is van de onderneming in faling.
Zo zal er bv. voortzetting van de activiteit zijn wanneer een onderneming in faling in haar geheel wordt opgekocht met verplichting tot overname van het personeel en zonder dat de activiteiten van het bedrijf worden onderbroken.
D. Belastingplichtigen betrokken bij verrichtingen als bedoeld in de art. 46 en 211 WIB 92
57. In dergelijke gevallen wordt de vrijstelling of de terugneming van de vrijstelling berekend alsof die verrichtingen niet hadden plaatsgevonden (art. 29, § 6, Programmawet).
Voorbeeld :
Op 1.1.2002 neemt de zoon het bedrijf van de vader over (toepassing van art. 46, § 1, 1°, WIB 92). In 2001 waren er gemiddeld drie personeelsleden met een laag loon, in 2002 vier. Voor de berekening van de hier beoogde vrijstelling met betrekking tot het jaar 2002, is de aangroei van het aantal personeelsleden met een laag loon derhalve gelijk aan één (en niet aan vier).
E. Uitzendkrachten
58. Aangezien de met een arbeidsovereenkomst voor uitzendarbeid aan een uitzendbureau verbonden uitzendkrachten overeenkomstig de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers, als werknemers van dat uitzendbureau moeten worden aangemerkt, kunnen zij niet in aanmerking worden genomen voor de toekenning van de vrijstelling in hoofde van de onderneming waar zij tijdelijk als uitzendkracht tewerkgesteld zijn.
Zij kunnen daarentegen wel in rekening worden gebracht door het uitzendbureau zelf.
Alsdan moet er uiteraard ook rekening mee gehouden worden om uit te maken of de in art. 29, § 1 van de Programmawet gestelde grens van 11 werknemers in hoofde van het uitzendbureau al dan niet is bereikt.
X. FORMALITEITEN
59. De belastingplichtigen dienen bij hun aangifte in de inkomstenbelastingen van het belastbare tijdperk waarvoor zij de vrijstelling vragen, een tabel te voegen waarin, enerzijds, voor het geheel van de werknemers en, anderzijds, voor de voor de vrijstelling in aanmerking komende personeelsleden waarvan het brutodag- of uurloon niet hoger is dan respectievelijk 79,82 EUR of 10,51 EUR [Voor de jaring waarin de Belgische frank nog van toepassing was, respectievelijk 3.220 BEF en 424 BEF.], moet worden vermeld;
- het aantal arbeidsdagen dat die werknemers hebben gepresteerd tijdens het jaar dat voorafgaat aan het jaar dat in aanmerking wordt genomen voor de berekening van de vrijstelling;
- het aantal door diezelfde werknemers gepresteerde arbeidsdagen tijdens het jaar waarvoor de vrijstelling kan worden verleend;
- het aantal arbeidsdagen dat normaal door een werknemer tijdens voormelde jaren kan worden gepresteerd;
- het detail van de berekeningen die zijn uitgevoerd om de wijziging van het gemiddeld personeelsbestand van die categorieën van werknemers te bepalen.
61. Voor het vervullen van de in de nrs. 59 en 60 beoogde formaliteiten, stelt de administratie een tabel (276 T) ter beschikking van de belastingplichtige.
Een model van die tabel, met de toelichting erbij, gaat in bijlage; het betreft in casu de tabel die bij de aangifte in de inkomstenbelastingen van het aanslagjaar 2003 mag worden gevoegd door :
- zelfstandigen die geen boekhouding voeren of die een boekhouding per kalenderjaar (afsluitdatum 31.12.2002) voeren;
- vennootschappen die hun boekhouding per kalenderjaar (afsluitdatum 31.12.2002) voeren of die hun boekjaar in 2003 vóór 31 december hebben afgesloten indien zij niet per kalenderjaar boekhouden.
- "aanslagjaar 2002" vervangen door "aanslagjaar 2003";
- "aanslagjaar 2001" vervangen door "aanslagjaar 2002";
- "4.280,00 EUR" vervangen door "4.390,00 EUR".
62. Een boekhouder stelt tijdens het jaar 2001 2 voltijdse bedienden (A en B) tewerk.
Op 1.1.2002 werft hij twee bedienden (C en D) aan die deeltijdse arbeid verrichten volgens de volgende regeling :
- C levert enkel de voormiddag prestaties die overeenstemmen met 50 % van een voltijdse dagtaak;
- D werkt enkel op maandag, woensdag en vrijdag en levert tijdens die dagen voltijdse prestaties.
Op 1.7.2002 werft hij opnieuw 2 voltijds tewerkgestelde bedienden (E en F) aan.
Alle personeelsleden zijn werkzaam in het stelsel van de vijfdagenweek.
Voor de (kalender)jaren 2001 en 2002 zien de vakken V en VI van de tabel 276 T van het aanslagjaar 2003 er als volgt uit (eenvoudigheidshalve worden de cijfers op jaarbasis vermeld en worden alleen de ingevulde kolommen weergegeven) :
| 2001 | |||||||||||
| Volgnr. 1 | Identiteit 2 | Staat RSZ A of B 4 | V(oltijds) of D(eeltijds) 5 | Bruto- lonen 6 | Arbeidsdagen voltallig personeel (V + D) | Bezoldigde uren (D) 12 | Gemiddelde dagloon (V) (kol. 6 : kol 7) 13 | Gemiddelde uurloon (D) (kol. 6 : kol 12) 14 | Arbeidsdagen lage lonen (1) 15 | ||
| Bezoldigde dagen 7 | Correcties 9 | Totaal (kol.7 - kol.9) 10 | |||||||||
| 1 2 | A B | B B | V V | 31.000 23.000 | 251 251 | - - | 251 251 | - - | 123,51 91,63 | - - | - - |
| 502 | |||||||||||
| 2002 | |||||||||||
| Volgnr. 1 | Identiteit 2 | Staat RSZ A of B 4 | V(oltijds) of D(eeltijds) 5 | Bruto- lonen 6 | Arbeidsdagen voltallig personeel (V + D) | Bezoldigde uren (D) 12 | Gemiddelde dagloon (V) (kol. 6 : kol 7) 13 | Gemiddelde uurloon (D) (kol. 6 : kol 12) 14 | Arbeidsdagen lage lonen (1) 15 | ||
| Bezoldigde dagen 7 | Correcties 9 | Totaal (kol.7 - kol.9) 10 | |||||||||
| 1 2 3 4 5 6 | A B C D E F | B B B B B B | V V D D V V | 11.000 (2) 24.000 9.000 11.000 13.000 9.000 | 86 (3) 250 248 150 125 125 | - - 124 (4) - (5) - - | 86 250 124 150 125 125 | - - 942,40 1.140 - - | 127,91 96,00 - - 104,00 72,00 | - - 9,55 9,65 - - | - - 124 150 - 125 |
| 860 | 399 | ||||||||||
| (1) in kol. 10 vermelde arbeidsdagen indien kol. 13 = 79,82 EUR of kol. 14 = 10,51 EUR (2) met uitzondering van de door A verkregen opzeggingsvergoeding (3) met uitzondering van de arbeidsdagen die betrekking hebben op de periode die gedekt is door de door A verkregen opzegggingsvergoeding | (4) de door C sedert 01.01.2002 dagelijks halftijds geleverde prestaties werden op de kwartaalaangiften RSZ voor een volledige dag geteld en moeten dus worden gehalveerd (5) de voor D op de kwartaalaangiften RSZ opgegeven arbeidsdagen dienen te worden gecorrigeerd aangezien ze overeenstemmen met de door hem op die dagen voltijds geleverde prestaties | ||||||||||
| A. Alle personeelsleden | |
| 2001 | 2002 |
| 502 ----- = 2 251 | 860 ----- = 3,43 251 |
| B. Personeelsleden met een laag loon | |
| 2001 | 2002 |
| 0 ----- = 0 251 | 399 ----- = 1,59 251 |
| a. | Totale personeelsaangroei in 2002: 3,43 - 2 = 1,43 of | afgerond 1 |
| b. | Aangroei in 2002 van de personeelsleden met een laag loon: 1,59 - 0 = 1,59 of | afgerond 2 |
| c. | Aantal personeelsleden waarvoor de vrijstelling kan bekomen worden: | 2 beperkt tot 1 |
| d. | Vrijstelling | 1 x 4.390 EUR = 4.390 EUR |
Voor de Administrateur-generaal
van de Belastingen en de Invordering:
De Auditeur-generaal van financiën,
G. DELSOIR
BIJLAGE
Bron: FisconetPlus
