13de addendum dd. 14.05.2014 bij de circulaire nr. Ci.RH.241/509.803 (AAFisc Nr. 8/2003 dd. 05.03.1999)

Algemene Administratie van de Fiscaliteit - Operationele Expertise en Ondersteuning
Dienst PB
Inkomstenbelasting

13de addendum dd. 14.05.2014 bij de circulaire nr. Ci.RH.241/509.803 (AAFisc Nr. 8/2003 dd. 05.03.1999)

Vrijwilliger
Vergoeding voor vrijwilligerswerk
Belastingstelsel

Belastingstelsel van de vergoedingen voor vrijwilligerswerk.

BIJLAGE: 1

I. INLEIDING

1. Onderhavige circulaire actualiseert en coördineert de richtlijnen in verband met de niet-belastbare bedragen van de vergoedingen voor vrijwilligerswerk waarvan sprake in de circulaire Ci.RH.241/509.803 van 05.03.1999 en haar addenda van 17.04.2003, 04.04.2005, 11.05.2006, 23.08.2007, 15.07.2008, 07.04.2009, 13.11.2009, 27.01.2010, 02.02.2011, 23.05.2011, 17.02.2012 en 14.01.2013.

II. TOEPASSING

2. Die richtlijnen zijn van toepassing op de vergoedingen (toelagen, verblijfs- en verplaatsingsvergoedingen, enz.) die in het kader van gelegenheidswerk, zowel in de sportsector als in de sociale en culturele sector in de brede betekenis van het woord, door een club, federatie, vereniging, instelling of overheid aan onbaatzuchtige medewerkers en aan beoefenaars van amateursporten en van andere socio-culturele activiteiten worden toegekend.

Hoedanigheid van de vrijwilliger

3. De vrijwilliger is een natuurlijke persoon die, op onbaatzuchtige wijze, onbezoldigd en in een georganiseerd of gereglementeerd verband, zijn activiteiten uitvoert.

Hoedanigheid van de opdrachtgever

4. Het vrijwilligerswerk gebeurt in opdracht van een club, federatie, vereniging, instelling zonder winstoogmerk of overheidsdienst, ongeacht of de opdrachtgever al dan niet rechtspersoonlijkheid bezit.

Worden als opdrachtgever beschouwd:

- rechtspersonen, zoals een vereniging zonder winstoogmerk, een ziekenfonds, een openbare dienst of een instelling van openbaar nut, een gemeente, een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, die geen onderneming exploiteren of zich niet bezighouden met verrichtingen van winstgevende aard;

- verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid, zoals feitelijke verenigingen en groeperingen, die geen onderneming exploiteren of geen winstgevende bezigheid verrichten.

Zijn onder meer uitgesloten als opdrachtgever:

- enigerlei vennootschap, vereniging, inrichting of instelling, met of zonder rechtspersoonlijkheid, die een onderneming exploiteert of zich bezighoudt met verrichtingen van winstgevende aard en aan de Ven.B, de BNI/ven., ofwel, ten name van de vennoten of leden aan de PB of de BNI/nat.pers., is onderworpen;

- een individuele privé-persoon, behoudens wanneer die persoon via een club, federatie, vereniging, instelling of de overheid beroep doet op vrijwilligerswerk.

Voorbeelden: zo zijn onder meer de volgende personen uitgesloten van de toepassing van deze circulaire:

- een gepensioneerde werknemer die voor een onderneming (al dan niet zijn gewezen werkgever) nog klusjes opknapt;

- de echtgenote van een zaakvoerder van een BVBA die af en toe meewerkt in de vennootschap;

- een vrijwilliger in een bejaardentehuis dat, alhoewel onder de vorm van een VZW opgericht, aan de Ven.B is onderworpen.

Bedoelde activiteiten

5. Het gelegenheidswerk moet worden verricht in het kader van sociale, culturele of sportieve activiteiten van de club, federatie, vereniging, instelling of overheid. Bedoeld zijn inzonderheid de opvang of de begeleiding van zieken, bejaarden, kinderen, jongeren en sociaal zwakkeren (zoals de thuiszorg voor zorgbehoevende personen of mantelzorg), de bescherming van het leefmilieu, de organisatie van sportwedstrijden en van sociale en culturele evenementen, alsmede het zelf deelnemen aan die wedstrijden en evenementen.

Relatie tussen de vrijwilliger en de opdrachtgever

6. Het gelegenheidswerk betreft activiteiten die onbaatzuchtig en rechtstreeks voor de opdrachtgever worden verricht.

Dezelfde persoon mag niet dezelfde activiteiten verrichten voor dezelfde organisatie zowel in de hoedanigheid van vrijwilliger als in die van werknemer, zelfstandige of ambtenaar.

Het is dus mogelijk dat iemand die met een organisatie verbonden is door een arbeidsovereenkomst, een dienstencontract of een statutaire aanstelling, voor deze organisatie vrijwilligerswerk uitoefent, op voorwaarde dat het gaat om andere activiteiten dan diegene waarvoor hij werd aangeworven.

Voorbeeld: een persoon met een arbeidsovereenkomst als boekhouder binnen een organisatie, mag niet tegelijkertijd als vrijwillige penningmeester van die organisatie actief zijn. Betrokkene mag echter naast zijn betaalde functie wel een vrijwillige activiteit als bijvoorbeeld jeugdverantwoordelijke uitvoeren. De activiteit als jeugdverantwoordelijke is immers duidelijk verschillend van zijn bezoldigde activiteit als boekhouder.

III. OMSCHRIJVING VAN DE NIET-BELASTBARE VERGOEDINGEN

7. Sommige vergoedingen geven geen aanleiding tot belastingheffing, omdat zij de terugbetaling vertegenwoordigen van kosten die de verkrijgers doen in het kader van een of andere activiteit die als vrijetijdsbesteding kan worden beschouwd, zodat er geen sprake kan zijn van beroepsinkomsten.

Het gaat hier om eerder geringe vergoedingen die worden toegekend aan amateursporters, deelnemers aan evenementen en medewerkers die zich op louter onbaatzuchtige wijze inzetten voor hun club, federatie, vereniging, instelling of ten dienste van de gemeenschap en die uitsluitend de terugbetaling vertegenwoordigen van een gedeelte of zelfs het geheel van de kosten die zij doen in het kader van hun vrijwilligerswerk.

8. Die vergoedingen kunnen als niet belastbaar worden aangemerkt mits aan de volgende voorwaarden samen voldaan is (zie ook de parlementaire vragen nr 522, van 20.04.1993, van Volksvertegenwoordiger SARENS, Bull. Vr. en Antw. Kamer, 1992 - 1993, nr. 61, blz. 5595 en nr. 163, van 10.01.1997 van Senator LOONES, Bull. Vr. en Antw. Senaat, 1996 - 1997, nr. 1-38, blz. 1873 en 1874):

- de betrokken amateursporters, deelnemers aan evenementen of vrijwillige medewerkers verrichten op louter onbaatzuchtige wijze prestaties voor de club, federatie, vereniging, instelling of gemeenschap;

- de vergoedingen vertegenwoordigen uitsluitend de terugbetaling van werkelijke kosten, hetgeen impliceert dat zij niet abnormaal hoog zijn en dus geen verdoken bezoldigingen voor geleverde prestaties bevatten.

IV. BEDRAG VAN DE NIET-BELASTBARE VERGOEDINGEN

9. Indat verband mag worden aangenomen dat de vergoedingen die clubs, federaties, verenigingen, instellingen of de overheid in het kader van hun sportieve, sociale of culturele doeleinden aan hun onbezoldigde vrijwilligers toekennen als forfaitaire terugbetaling van kosten, werkelijke kosten dekken en derhalve niet belastbaar zijn, wanneer zij per verkrijger niet meer bedragen dan 24,79 euro per dag en 991,57 euro per jaar.

10. Die vergoedingen vertegenwoordigen de forfaitaire terugbetaling van:

- de kosten voor de verplaatsingen die de vrijwilligers met hun eigen vervoermiddel of met het gemeenschappelijk vervoer afleggen tussen hun woonplaats en de zetel van de club, federatie, vereniging of instelling of de plaats van waaruit de activiteiten worden georganiseerd, geleid of bestuurd (bijvoorbeeld clublokaal, sportterrein, cultureel centrum, vergaderzaal, enz.) of de plaatsen die met de activiteiten van de vereniging verband houden maar die geen vaste plaats van activiteit zijn (verplaatsingen voor uitwedstrijden, manifestaties, voordrachten, vormingsdagen, enz.);

- de verblijfkosten (inzonderheid verfrissingen en maaltijden);

- alle andere kosten waarvoor het wegens de aard en het geringe bedrag niet gebruikelijk is bewijsstukken voor te leggen (kosten i.v.m. sportuitrusting, telefoon, fax, gebruik PC, internet, briefwisseling, documentatie, klein materiaal, enz.).

11. Vanaf 01.01.2002 (aanslagjaar 2003) worden voormelde grensbedragen geïndexeerd. Als bijlage is een overzicht toegevoegd van deze geïndexeerde grensbedragen.

V. OVERSCHRIJDING VAN DE GRENSBEDRAGEN

12. Wanneer één van de sub 9 vermelde forfaitaire bedragen in een bepaald belastbaar tijdperk wordt overschreden (meer bedragen dan 24,79 euro per dag of meer dan 991,57 euro per jaar), moeten alle inkomsten die voor hetzelfde belastbare tijdperk voortvloeien uit het vrijwilligerswerk, integraal als belastbare inkomsten worden aangemerkt. In dat geval kunnen die vergoedingen alleen van belasting worden vrijgesteld als terugbetaling van eigen kosten van de club, federatie, vereniging, instelling of overheid, mits het dubbel bewijs als bedoeld in nr. 31/32 Com.IB 92 wordt geleverd; namelijk dat:

a) de vergoeding bestemd is tot het dekken van kosten die eigen zijn aan de club, federatie, vereniging, instelling of overheid;

b) die vergoeding ook daadwerkelijk aan dergelijke kosten is besteed.

VI. COMBINATIE VAN FORFAITAIRE KOSTENVERGOEDING MET TERUGBETALING VAN REËLE KOSTEN

13. Wanneer een organisatie op forfaitaire basis vergoedingen aan haar vrijwilligers toekent die de hiervoor bedoelde grensbedragen niet overschrijden dan kan het bovenvermelde belastingstelsel slechts worden toegepast voor zover dat forfaitaire vergoedingsstelsel niet wordt gecombineerd met een vergoedingsstelsel dat is gestoeld op de terugbetaling van de werkelijke kosten op basis van bewijsstukken.

14. Een forfaitaire vergoedingsregeling wordt geacht alle kosten te omvatten waardoor het in principe niet mogelijk is om voor dezelfde organisatie tevens een aanvullende vergoedingsregeling op basis van de werkelijke kosten toe te passen.

15. Wanneer een vrijwilliger actief is voor twee verenigingen en de twee systemen gecombineerd worden omdat de ene vereniging het ene systeem toepast en een andere vereniging het andere systeem, zal men op fiscaal vlak voor het geheel moeten nagaan of de daggrens (24,79 euro per dag) en de jaargrens (991,57 euro per jaar) voor de twee systemen samen niet worden overschreden.

16. Inhet geval dat deze grenzen niet zijn overschreden, is er geen probleem. De vergoedingen betaald in de twee systemen worden als terugbetaling van de eigen kosten van de clubs, federaties, verenigingen, instellingen of overheid aangemerkt en zijn bijgevolg niet belastbaar.

17. Inhet geval dat deze grenzen wel zijn overschreden, zijn de ontvangen vergoedingen enkel niet belastbaar wanneer het in het nr. 12 bedoelde dubbele bewijs wordt geleverd (zie parlementaire vraag nr. 143 van 30.04.2008 gesteld door Volksvertegenwoordiger BECQ, Bull. Vr. en Antw., Kamer, 2007-2008, nr. 025, blz. 5841-5844).

18. Het voorgaande wordt bevestigd in artikel 10 van de Wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers zoals dat door artikel 62 van de Wet van 6 mei 2009 houdende diverse bepalingen (BS van 19.05.2009) is aangevuld. Naast de expliciete bevestiging van dat cumulatieverbod voert artikel 62 van voornoemde wet echter ook een uitzondering in op die regel.

19. Voornoemd artikel 10 bepaalt dat een combinatie van het forfaitaire stelsel met de terugbetaling van werkelijke kosten mogelijk is wanneer het de terugbetaling van vervoerskosten betreft en dit voor maximaal2.000 kilometerper jaar en per vrijwilliger.

20. Als vervoerskosten worden in dit verband aangemerkt de kosten voor het gebruik van:

- het openbaar vervoer;

- de eigen wagen;

- de eigen motor- of bromfiets;

- de eigen fiets.

Deze opsomming is limitatief.

21. Wat betreft het gebruik van de eigen wagen of van de eigen motor- of bromfiets, worden de reële vervoerskosten vastgesteld overeenkomstig artikel 13 van het koninklijk besluit van 18 januari 1965 houdende de algemene regeling inzake reiskosten. Het bedrag van de kilometervergoeding wordt jaarlijks herzien op 1 juli en wordt voor de periode van 1 juli 2012 tot 30 juni 2013 en voor de periode van 1 juli 2013 tot 30 juni 2014 bepaald op 0,3456 euro per kilometer, respectievelijk 0,3461 euro per kilometer voor verplaatsingen met de eigen auto, motor- of bromfiets (zie circulaire nr. Ci.RH.241/629.056 van 17.09.2013).

22. De reële vervoerskosten door het gebruik van de eigen fiets, worden vastgesteld overeenkomstig artikel 3 van het koninklijk besluit van 13 juni 2010 houdende toekenning van een vergoeding voor het gebruik van de fiets aan de personeelsleden van het federaal administratief openbaar ambt. Het bedrag van de vergoeding bedraagt momenteel 0,20 euro per afgelegde kilometer (vanaf 1 januari 2010). Deze fietsvergoeding wordt niet geïndexeerd.

23. Het totaalbedrag van de vergoeding voor de kosten voor het gebruik van het openbaar vervoer, de eigen wagen, de eigen motor- of bromfiets of de eigen fiets dat op basis van de in artikel 62 van voornoemde wet van 6 mei 2009 bepaalde uitzondering wordt toegekend, mag per jaar maximaal 2.000 maal de in het nr. 21 bedoelde kilometervergoeding bedragen.

24. Hoewel voornoemde Wet van 3 juli 2005 inzonderheid betrekking heeft op sociale zaken, heeft de Minister van Financiën in zijn antwoord op de parlementaire vraag nr. 13779 van 23.06.2009 gesteld door Volksvertegenwoordiger VERCAMER (Integraal Verslag, Kamercommissie Financiën en Begroting, Com. 601, blz. 6 en 7) bevestigd dat deze uitzondering eveneens op fiscaal vlak geldt.

25. Bijgevolg is vanaf inkomstenjaar 2009 ook op fiscaal vlak een combinatie van de forfaitaire kostenvergoeding met een terugbetaling van de in deze circulaire bedoelde reële vervoerskosten mogelijk voor maximaal2.000 kilometerper jaar per vrijwilliger.

26. De terugbetaling van de beoogde reële vervoerskosten voor maximaal2.000 kilometerper jaar en per vrijwilliger, wordt in afwijking van het bepaalde in het nr. 10 van deze circulaire, niet geacht deel uit te maken van het bedrag dat geldt als een forfaitaire terugbetaling van kosten.

VII. UITSLUITING

27. De richtlijnen van deze circulaire gelden niet voor de vergoedingen van vrijwilligers waarvoor reeds een afzonderlijke belastingregeling bestaat.

Dat is o.m. het geval voor de vergoedingen:

- van 25,00 euro per wedstrijd voor stewards;

- van 12,50 euro, 20,00 euro en 25,00 euro per wedstrijd voor respectievelijk controleurs, kassiers en hun verantwoordelijken van bij de KBVB aangesloten voetbalclubs;

- van 12,50 euro en 15,00 euro per wedstrijd voor respectievelijk spelers en medewerkers van amateurploegen in de lagere afdelingen aangesloten bij:

* de KBVB en bij vergelijkbare voetbalbonden;

* de Vlaamse Volleybalbond;

* de Koninklijke Belgische Basketbalbond;

* de Koninklijke Belgische Hockeybond (veldhockey);

* de Franstalige Handballiga.

Voor meer informatie over deze afzonderlijke belastingregelingen wordt naar nrs. 9 tot 21 van de circulaire Ci.RH.241/601.872 van 06.01.2010 verwezen.

28. Deze uitsluitingsmaatregel moet evenwel in het voordeel van de belastingplichtige geïnterpreteerd worden, zodat de bepalingen van deze circulaire toch mogen toegepast worden in de plaats van de afzonderlijke belastingregelingen, indien deze voordeliger zijn voor de belastingplichtige.

29. De toepassing van het in deze circulaire uiteengezette belastingstelsel kan niet worden gecombineerd met de toepassing van één van de hiervoor vermelde specifieke afzonderlijke belastingregelingen voor eenzelfde activiteit, bij dezelfde belastingplichtige, tijdens eenzelfde belastbaar tijdperk.

VIII. KLEINE VERGOEDINGSREGELING VOOR KUNSTENAARS

30. De bepalingen van deze circulaire betreffende het belastingstelsel van de vergoedingen voor vrijwilligerswerk mag niet worden toegepast indien de belastingplichtige artistieke prestaties verricht en artikel 38, § 1, eerste lid, 23°, WIB 92 (kleine vergoedingsregeling voor kunstenaars) van toepassing is. De bepalingen van artikel 38, § 1, eerste lid, 23°, WIB 92 vormen immers geen keuzestelsel. Alle vergoedingen die de belastingplichtige in het kader van artistieke prestaties ontvangt, vallen onder toepassing van dit artikel.

Voor meer bijzonderheden over de kleine vergoedingsregeling voor kunstenaars wordt verwezen naar de nrs. 4 tot 7 van de circulaire Ci.RH.241/606.414 van 13.08.2010.

IX. PRESENTIEGELDEN

31. Wanneer forfaitaire vergoedingen de aard hebben van presentiegelden, die worden toegekend bijvoorbeeld voor deelname aan de raad van bestuur van een VZW, dan is niet voldaan aan de voorwaarden van deze circulaire. Presentiegelden worden in principe als belastbare beroepsinkomsten in de zin van artikel 23, § 1, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 aangemerkt (parlementaire vraag nr. 600 van 22.10.2012, gesteld door Volksvertegenwoordiger VERCAMER, Bull. Vr. en Antw., Kamer 2011-2012, nr. 091, blz. 134-135, 03.12.2012).

X. CONTROLEMAATREGELEN

32. De vergoedingen die de vermelde grenzen niet overschrijden, moeten - aangezien zij worden geacht niet in het toepassingsgebied van de inkomstenbelastingen te vallen - niet op een fiche nr. 281 worden vermeld. De dienstleider van de taxatiedienst die bevoegd is voor de betrokken club, federatie, vereniging, instelling of overheid kan die club, federatie, vereniging, instelling of overheid evenwel verplichten om per jaar een nominatieve lijst met vermelding van de uitgekeerde sommen per verkrijger voor te leggen (cf. nr. 317/13, eerste lid, tweede gedachtenstreep, Com.IB 92).

33. Indien aan de vrijwilliger werkelijk gedane kosten worden terugbetaald die eigen zijn aan de organisatie moet eveneens op vraag van de belastingadministratie een nominatieve lijst met vermelding van de terugbetaalde bedragen per verkrijger en de bewijsstukken ter zake worden voorgelegd.

34. De aandacht wordt er echter op gevestigd dat, indien de betaalde bedragen niet bestemd zijn tot het dekken van eigen kosten van de organisatie of het bewijs ontbreekt dat zij daadwerkelijk aan dergelijke kosten zijn besteed, zij als een vermomde belastbare bezoldiging kunnen worden aangemerkt, waarvoor wel een fiche 281.10 moet worden uitgereikt (PV nr. 522 van 18.07.2013, gesteld door Volksvertegenwoordiger SLEGERS, Bull. Vr. en Antw., Kamer, nr. 128, blz. 98-100, 09.09.2013).

Bijlage: Geïndexeerd bedrag

Voor de Administrateur-generaal van de Fiscaliteit wnd.,

P. GYSEN
Adviseur - Directeur