Circulaire nr. Ci.RH.241/550.265 (AOIF 20/2002) van 18.07.2002

CIRC 18.07.02/1
Bull. nr. 830, pag. 2605-2635
AANGIFTE IN DE PB
Invulling van de aangifte

BEDRIJFSVOORHEFFING
Vergoeding voor reiskosten voor woon-werkverkeer

LOONFICHE
Fiche 281.10.

VERGOEDING
Vergoeding voor reiskosten voor woon-werkverkeer.
Vrijgestelde vergoeding.
Fiscale behandeling van de vergoedingen toegekend aan werknemers voor de verplaatsingen van de woonplaats naar de plaats van tewerkstelling.
INHOUDSTAFEL
Nrs.
I. INLEIDING 1.1 tot 1.4
II. WETTEKST 2
III. DRAAGWIJDTE 3.1 tot 3.5
IV. BEDOELDE BELASTINGPLICHTIGEN 4
V. VOORWAARDEN 5.1 en 5.2
VI. VERGOEDINGEN 6.1 tot 6.7
VII. VERVOERSWIJZEN 7.1 tot 7.10
VIII. VERPLAATSINGEN WOONPLAATS - PLAATS VAN TEWERKSTELLING 8.1 tot 8.3
IX. GRENZEN 9.1 tot 9.9
X. COMBINATIE VAN VERVOERSWIJZEN 10.1 tot 10.3
XI. VOORBEELDEN 11.1 tot 11.7
XII. BEDRIJFSVOORHEFFING 12.1 en 12.2
XIII. LOONFICHE 281.10 (inkomsten 2001) 13.1.tot 13.6
XIV. AANGIFTE IN DE INKOMSTENBELASTINGEN (aanslagjaar 2002 - inkomsten 2001) 14.1 tot 14.3
XV. VERIFICATIE 15
1.1. De vergoedingen die een werkgever betaalt of toekent aan zijn personeelsleden voor hun verplaatsingen van de woonplaats naar de plaats van tewerkstelling en terug zijn in principe belastbare inkomsten op grond van artikel 31, 2de lid, 1°, WIB 92.
1.2. De vergoedingen die de werkgever aan zijn werknemers bovenop de bezoldigingen toekent als terugbetaling van hun persoonlijke reiskosten van de woonplaats naar de plaats van tewerkstelling, zijn echter overeenkomstig artikel 38, 1ste lid, 9°, WIB 92 onder bepaalde voorwaarden en binnen bepaalde grenzen uitdrukkelijk vrijgesteld van de PB en dit inzonderheid om het gebruik van het gemeenschappelijk openbaar vervoer aan te moedigen
1.3. Art. 6 van de Wet van 10 augustus 2001 houdende hervorming van de personenbelasting (Belgisch Staatsblad van 20 september 2001 - V 2971 - Bull. 821) heeft de vrijstellingsregeling van de vergoedingen voor de verplaatsingen van de woonplaats naar de plaats van tewerkstelling grondig gewijzigd doordat het art. 38, 1ste lid, 9°, WIB 92 vervangt door nieuwe bepalingen die voortvloeien uit het regeerakkoord inzake mobiliteit.
1.4. Dit nieuwe regeling is van toepassing vanaf het aanslagjaar 2002 (inkomsten van het jaar 2001).
2. "Art. 6. Artikel 38, eerste lid, 9°, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 10 juli 2001, wordt vervangen als volgt :
(Vrijgesteld zijn : )
9° voor de werknemer wiens beroepskosten overeenkomstig artikel 51 forfaitair worden bepaald, de vergoedingen door de werkgever toegekend als terugbetaling of betaling van reiskosten van de woonplaats naar de plaats van tewerkstelling voor zover die werknemer die verplaatsing maakt :
a) met het openbaar gemeenschappelijk vervoer : voor het volledige bedrag van de vergoeding;
b) met een gemeenschappelijk vervoer van personeelsleden dat door de werkgever of door een groep van werkgevers wordt georganiseerd : voor een bedrag dat maximaal gelijk is aan de prijs van een treinabonnement eerste klasse voor die afstand;
c) met een ander dan in a of b vermeld vervoermiddel : voor een maximum bedrag van 125 EUR per jaar".
3.1. Dit artikel verruimt de vrijstelling van art. 38, 1ste lid, 9°, WIB 92, betreffende de terugbetaling door de werkgever van reiskosten van de woonplaats naar de plaats van tewerkstelling.
3.2. Ingevolge die nieuwe bepaling wordt de vrijstelling echter alleen nog toegekend aan de werknemers wiens beroepskosten overeenkomstig art. 51 WIB 92 forfaitair worden bepaald.
3.3. Bovendien wordt er een onderscheid gemaakt naargelang de werknemer gebruik maakt van :
a) het openbaar gemeenschappelijk vervoer; in dat geval is de volledige betaling of terugbetaling door de werkgever van de kosten voor openbaar vervoer vrijgesteld;
b) het gemeenschappelijk vervoer van personeelsleden dat door de werkgever of door een groep van werkgevers wordt georganiseerd (hierna, "georganiseerd gemeenschappelijk vervoer"); in dat geval is de vergoeding vrijgesteld ten belope van een bedrag dat maximaal gelijk is aan de prijs van een treinabonnement eerste klasse voor eenzelfde afstand;
c) een andere vervoerswijze; in dat geval is het maximumbedrag van de vrijstelling vastgesteld op 125 EUR (te indexeren bedrag).
Voor aanslagjaar 2002 bedraagt dit te indexeren maximumbedrag 126 EUR (zie art. 43, KB 13 juli 2001, houdende uitvoering van de wet van 26 juni 2000 betreffende de invoering van de euro in de wetgeving die betrekking heeft op aangelegenheden als bedoeld in art. 78 van de Grondwet en die ressorteert onder het Ministerie van Financiën - BS 11 augustus 2001 - V 2958 - Bull. 819).
3.4. Het onderscheid dat wordt gemaakt, betreft de wijze waarop het vervoer gebeurt (openbaar gemeenschappelijk vervoer, georganiseerd gemeenschappelijk vervoer, andere vorm van vervoer) en niet het gebruikte vervoermiddel (bus, autocar, minibus, personenauto, enz.).
3.5. Wanneer de werknemer zijn verplaatsing van de woonplaats naar de plaats van tewerkstelling op verschillende wijzen doet, moet de vrijgestelde vergoeding worden vastgesteld per gebruikte vervoerswijze en mogen de verschillende vrijstellingen worden samengevoegd.
4. Deze maatregel betreft werknemers (belastingplichtigen die in art. 30, 1° en 31, WIB 92, bedoelde bezoldigingen verkrijgen). Hij is derhalve niet van toepassing op bedrijfsleiders.
5.1. Om op een vrijstelling bij toepassing van art. 38, 1ste lid, 9°, WIB 92 aanspraak te kunnen maken, moet de werknemer uiteraard, bovenop zijn bezoldigingen, vergoedingen van zijn werkgever ontvangen die uitdrukkelijk betrekking hebben op zijn verplaatsingen van de woonplaats naar de plaats van tewerkstelling.
5.2. Bovendien hangt de toekenning van de vrijstelling af van de manier waarop de beroepskosten van de werknemer zijn bepaald. Om de vrijstelling te kunnen verkrijgen moeten de beroepskosten, overeenkomstig artikel 51 WIB 92, forfaitair worden bepaald.
Indien de aftrek van de werkelijke beroepskosten is toegepast, kunnen de vergoedingen die de werknemer van zijn werkgever verkrijgt voor zijn verplaatsingen van de woonplaats naar de plaats van tewerkstelling bijgevolg niet van belasting worden vrijgesteld.
6.1. Bedoeld worden hier, de vergoedingen die rechtstreeks betrekking hebben op de verplaatsingen van de werknemer tussen zijn woonplaats en zijn plaats van tewerkstelling. Het is zonder belang of die vergoedingen vrijwillig, verplicht, wettelijk, extra-wettelijk, reglementair of anderszins worden toegekend.
6.2. Het is evenmin vereist dat zij specifiek betrekking hebben op één of andere vervoerswijze. De vergoedingen die globaal en zonder onderscheid betrekking hebben op diverse vervoerswijzen, voor de verplaatsing van de woonplaats naar de plaats van tewerkstelling, komen eveneens in aanmerking voor de vrijstelling.
6.3. De vergoedingen die vatbaar zijn voor vrijstelling, zijn in principe de vergoedingen die bestaan uit een bijdrage in de kosten voor de verplaatsing van de woonplaats naar de plaats van tewerkstelling, ongeacht of het een betaling of een terugbetaling betreft.
6.4. Dit is inzonderheid het geval bij het gebruik van het openbaar gemeenschappelijk vervoer. In dat verband mogen immers de bedragen in aanmerking worden genomen die de werkgever rechtstreeks aan een maatschappij voor openbaar vervoer betaalt (derdebetalerssysteem) of aan de werknemer betaalt als terugbetaling van kosten die hij werkelijk heeft gedragen (al dan niet regelmatig abonnement, losse tickets, meerritenkaarten, enz).
6.5. In afwijking op het voorgaande is het echter belangrijk te benadrukken dat uitsluitend wat het gebruik van georganiseerd gemeenschappelijk vervoer betreft, alle vergoedingen die die betrekking hebben op de verplaatsingen van de woonplaats naar de plaats van tewerkstelling, in aanmerking mogen worden genomen ongeacht of ze al dan niet een bijdrage in de kosten ten laste van de werknemer vertegenwoordigen.
6.6. Het voordeel dat volgt uit het gebruik door de werknemer van het gemeenschappelijk vervoer dat de werkgever eventueel door tussenkomst van een maatschappij voor personenvervoer, kosteloos of beneden kostprijs organiseert, is een sociaal voordeel dat van PB is vrijgesteld.
6.7. Wanneer de verplaatsing van de woonplaats naar de plaats van tewerkstelling gebeurt met een door de werkgever aan de werknemer kosteloos of tegen voordelige voorwaarden ter beschikking gesteld voertuig, wordt het voordeel dat daaruit volgt in principe op grond van artikel 36 WIB 92 aangemerkt als een belastbaar voordeel van alle aard. Dat voordeel mag echter worden gelijkgesteld met een vergoeding voor verplaatsingskosten van de woonplaats naar de plaats van tewerkstelling, eventueel in het kader van georganiseerd gemeenschappelijk vervoer (zie eveneens nr. 9.7).
1. Openbaar gemeenschappelijk vervoer
7.1. Onder openbaar gemeenschappelijk vervoer moet voornamelijk worden verstaan het vervoer met de trein, tram, bus, metro en elk ander vervoermiddel dat wordt ingezet door de openbare vervoermaatschappijen, zoals de NMBS, de MIVB, TEC, DE LIJN, ten bate van het publiek.
7.2. Het is dus voortaan niet meer nodig dat de werknemer een regelmatig abonnement bij een maatschappij voor openbaar gemeenschappelijk vervoer heeft, noch dat hij het openbaar gemeenschappelijk vervoer regelmatig gebruikt.
7.3. Daarenboven is geenszins vereist dat de verplaatsing tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling volledig of hoofdzakelijk gebeurt met het openbaar gemeenschappelijk vervoer.
2. Georganiseerd gemeenschappelijk vervoer
Gemeenschappelijk vervoer
7.4. Bedoeld wordt hier, het gemeenschappelijk vervoer van personeelsleden met elk voertuig dat geschikt is voor het vervoer van minimum 2 personen zoals inzonderheid, een autocar, autobus, minibus, bedrijfsvoertuig (bestelwagen, jeep, pick-up, …); personenauto, auto voor dubbel gebruik, motorfiets, enz. dat door de werkgever of door een groep van werkgevers wordt georganiseerd, eventueel door tussenkomst van een maatschappij voor personenvervoer.
7.5. Carpooling waarbij enkele personen tezamen in één en dezelfde personenauto het traject tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling afleggen, wordt hier eveneens bedoeld.
De gebruikte voertuigen kunnen eigendom zijn van de onderneming of van een groep van ondernemingen, of door de bedoelde ondernemingen zijn gehuurd of geleasd, enz, of nog toebehoren aan een werknemer of zelfs aan een derde.
7.6. Carpooling wordt alleen georganiseerd gemeenschappelijk vervoer aangemerkt, voor zover het traject door tenminste 2 werknemers wordt afgelegd. Het traject dat een werknemer alleen aflegt, wordt beschouwd als een verplaatsing met ander vervoer als vermeld in punt 3 hierna (zie nr. 7.10), maar alleen in de mate waarin hij het normaal traject tussen zijn woonplaats en zijn plaats van tewerkstelling niet overschrijdt (zie nrs. 8.1 en 8.3).
De terbeschikkingstelling van een voertuig met chauffeur voor de woon-werkverplaatsingen wordt echter niet als carpooling aangemerkt.
Georganiseerd
7.7. Het gemeenschappelijk vervoer moet ofwel door de werkgever ofwel door een groep van werkgevers worden georganiseerd.
Dit houdt enerzijds in dat de werkgever de regels en de modaliteiten voor het gebruik van het gemeenschappelijk vervoer vastlegt en anderzijds toeziet op het gebruik ervan door de werknemers.
7.8. De werkgever of de groep van werkgevers kunnen eveneens een beroep doen op een maatschappij voor personenvervoer die de verplaatsingen tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling of een gedeelte van deze verplaatsingen (b.v. tussen het station en de onderneming) organiseert.
7.9. Bovendien moeten de regels voor het gebruik van het georganiseerd gemeenschappelijk vervoer, evenals de voorwaarden van de vergoedingen, opgenomen zijn in een collectieve overeenkomst of in individuele schriftelijke overeenkomsten die zijn gesloten tussen de werkgever of de groep van werkgevers en elke werknemer.
3. Ander vervoer
7.10. Bedoeld worden hier, alle andere vervoerswijzen zonder uitzondering, dan het openbaar gemeenschappelijk vervoer en het georganiseerd gemeenschappelijk vervoer.
8.1. Voor een werknemer moet als woon-werkverkeer, elke verplaatsing heen en terug worden aangemerkt, waarbij de belastingplichtige zich van zijn woonplaats naar een vaste plaats van tewerkstelling begeeft om er zijn beroepswerkzaamheden uit te oefenen.
Het traject dat hiervoor in aanmerking komt is niet noodzakelijk het kortste, maar datgene dat gelet op de afstand, de verkeersdrukte, de aard van de weg en de duur van de verplaatsingen als normaal kan worden beschouwd.
8.2. De vaste plaats van tewerkstelling is de plaats van tewerkstelling waar een bestendige activiteit wordt uitgeoefend, zelfs indien zij van korte duur is, en dit in tegenstelling tot de plaatsen van tewerkstelling die worden bezocht in het kader van een rondreizende activiteit zoals bijvoorbeeld die van handelsvertegenwoordigers, enz.
8.3. In geval van carpooling wordt de verplaatsing die het normale traject overschrijdt ten gevolge van een omweg om een werknemer-passagier op te halen, bij de werknemer-chauffeur gelijkgesteld met een dienstverplaatsing voor rekening van de werkgever.
1. Openbaar gemeenschappelijk vervoer
9.1. De vergoeding door de werkgever toegekend als betaling of terugbetaling van de kosten voor verplaatsingen van de werknemer met het openbaar gemeenschappelijk vervoer is volledig vrijgesteld.
2. Georganiseerd gemeenschappelijk vervoer
9.2. De vergoeding die door de werkgever is betaald, is bij de werknemer vrijgesteld voor een bedrag dat maximaal gelijk is aan de prijs van een treinabonnement eerste klasse voor de afstand afgelegd met dat gemeenschappelijk vervoer.
9.3. Het gaat hier om de normale afstand over de weg (zie nr. 8.1) tussen de vertrekplaats en de bestemming van de werknemer.
9.4. Om de prijs van een treinabonnement eerste klasse vast te stellen, werd beslist om rekening te houden met het voordeligste tarief voor de belastingplichtige; d.w.z. het tarief vastgesteld voor de weektreinkaarten eerste klasse. De NMBS publiceert jaarlijks een "Officiële verzameling van de tarieven" toepasselijk vanaf 1 februari (tarieven gepubliceerd op 1.2.2001 en 1.2.2002 - bijlage 1). Dit tarief is vastgesteld in functie van de afstand in km van een enkel traject (doorgaans enkele reis genoemd).
9.5. Voor de eenvoud wordt het tarief dat geldt vanaf 1 februari van het jaar in aanmerking genomen om de grens vast te stellen die van toepassing is op de totale vergoeding met betrekking tot dat jaar.
9.6. Om praktische redenen en billijkheidshalve, wordt het aantal treinkaarten waarmee in een jaar rekening mag worden gehouden, bepaald door het aantal dagen dat men gebruik heeft gemaakt van het georganiseerd gemeenschappelijk vervoer te delen door 5 (dit cijfer komt overeen met een week van 5 werkdagen) en dit ongeacht het stelsel van de werktijden.
Belangrijk
9.7. Voor zover het georganiseerd gemeenschappelijk vervoer gebeurt met een voertuig dat de werkgever kosteloos of tegen voordelige voorwaarden ter beschikking van de werknemers heeft gesteld is het voordeel dat daaruit voorvloeit voor die werknemer in principe een belastbaar voordeel van alle aard, dat echter wordt gelijkgesteld met een vergoeding voor verplaatsingskosten van de woonplaats naar de plaats van tewerkstelling. In dit geval moet de vrijstelling bij de werknemer niet worden begrensd. Het voordeel dat voor de werknemer voortvloeit uit het gebruik van een door de werkgever ter beschikking gesteld voertuig voor zijn woon-werkverplaatsingen, wordt m.a.w. volledig vrijgesteld (zonder enige begrenzing) in de mate dat het voertuig voor het georganiseerd gemeenschappelijk vervoer wordt gebruikt.
3. Ander vervoer
9.8. Het maximumbedrag van de vrijstelling bedraagt 125 EUR (126 EUR voor aanslagjaar 2002). Ingevolge indexering bedraagt dit maxium voor de aanslagjaren 2002 en 2003 (inkomsten 2001 en 2002) 150 EUR.
9.9.
4. Samenvattende tabel
Vervoerswijze
Beroepskosten
Maximum vrijstelling van
a) openbaar gemeenschappelijk vervoer
werkelijke beroepskosten
wettelijk forfait
nihil
volledige bijdrage van de werkgever in de kosten
b) georganiseerd gemeenschappelijk vervoer
werkelijke beroepskosten
wettelijk forfait
nihil
prijs van een treinabonnement eerste klasse voor dezelfde afstand (*)
c) andere vervoerswijze
werkelijke beroepskosten
wettelijk forfait
nihil
125 EUR (aanslagjaar 2002 126 EUR) te indexeren
* in geval een voertuig ter beschikking van de werknemer wordt gesteld, is het voordeel van alle aard volledig vrijgesteld.
X. COMBINATIE VAN VERVOERSWIJZEN
10.1. Voortaan mogen de specifieke vrijstellingen voor woon-werkverplaatsingen die afhangen van de vervoerswijzen ten name van de werknemer worden samengevoegd (b.v. met de wagen van de woonplaats naar het station, treinrit, en georganiseerd gemeenschappelijk vervoer voor het traject van het station naar het bedrijf).
10.2. Wat de verplaatsingen met de fiets betreft, mag de vrijstelling van art. 38, 1ste lid, 9°, krachtens de bepalingen van art. 38, 2de lid, WIB 92, daarentegen niet worden samengevoegd met de vrijstelling van de specifieke kilometervergoeding van 0,15 EUR toegekend voor de verplaatsingen met de fiets in de zin van art. 38, 1ste lid, 14°, WIB 92.
10.3. Wanneer de werkgever aan zijn werknemer een vergoeding toekent die globaal en zonder onderscheid betrekking heeft op verplaatsingen van de woonplaats naar de plaats van tewerkstelling, dient op de eerste plaats de vrijstelling ten belope van het maximumbedrag van 125 EUR (te indexeren) te worden toegepast en daarna, eventueel, de vrijstelling tot het bedrag van de kosten voor openbaar gemeenschappelijk vervoer. Het nog niet vrijgesteld saldo wordt, eventueel, geacht betrekking te hebben op het georganiseerd gemeenschappelijk vervoer en wordt vrijgesteld in de mate dat het het bedrag van een treinabonnement eerste klasse niet overschrijdt.
XI. VOORBEELDEN
Voorbeeld 1
11.1. Een werknemer legt gedurende het hele jaar 2001 hetzelfde traject af tussen zijn woonplaats en zijn plaats van tewerkstelling. Hij doet die verplaatsing gedurende 220 dagen per jaar.
Het traject is als volgt opgesplitst :
  • met de eigen wagen van de woonplaats naar het station;
  • met de trein van het station naar een verzamelplaats;
  • met het georganiseerd gemeenschappelijk vervoer van de verzamelplaats naar de plaats van tewerkstelling (20 km).
De werkgever betaalt hem het treinabonnement volledig terug ten belope van 500 EUR en kent hem een vergoeding van 150 EUR toe als terugbetaling van zijn reële verplaatsingskosten met de wagen, alsmede een vergoeding van 1.000 EUR voor het gebruik van het georganiseerd gemeenschappelijk vervoer (afgekort GGV).
De treinkaart eerste klasse voor een week voor een afstand van 20 km kost 24,54 EUR op 1.2.2001.
De werknemer vraagt de aftrek van zijn werkelijke beroepskosten niet.
Fiscale behandeling
  • traject woonplaats - station
vrijgesteld : 150 EUR
belastbaar : 0 EUR

  • traject met de trein
vrijgesteld : 500 Eur
belastbaar : 0 EUR

  • traject met GGV
(aantal dagen / 5 ) 220 = 44 weken
grens : 24,54 EUR x 44 = 1.079,76 EUR
vrijgesteld : 1.000 EUR
belastbaar : 0 EUR

Voorbeeld 2
11.2 Zelfde gegevens als in voorbeeld 1, behalve dat de werkgever aan zijn werknemer een globale vergoeding van 1.650 EUR, zonder uitsplitsing volgens vervoerswijze voor zijn woon-werkverplaatsingsingen toekent.
Fiscale behandeling
Het bedrag van 1.650 EUR wordt eerst verminderd met 150 EUR voor de kosten die betrekking hebben op het traject woonplaats-station en vervolgens met 500 EUR voor het treinabonnement.
Het saldo, 1.000 EUR, wordt geacht betrekking te hebben op het traject met GGV.
grens : 1.079,76 EUR
vrijgesteld : 1.000 EUR
belastbaar : 0 EUR

Voorbeeld 3
11.3 Een werknemer gebruikt gedurende het hele jaar 2001 het GGV voor zijn woon-werkverplaatsingen. De werknemer verhuist in de loop van het jaar.
Van 1.1 tot 31.12 werkt hij in Brussel.
Van 1.1 tot 31.5 woont hij in Luik en gebruikt het GGV gedurende 100 dagen voor een afstand van 200 km (100 km x 2); hij ontvangt hiervoor een vergoeding van 1.500 EUR.
Vanaf 1.6 tot 31.12 woont hij in Namen en gebruikt het GGV gedurende 80 dagen voor een afstand van 120 km (60 km x 2); hij ontvangt hiervoor een vergoeding van 1.000 EUR.
De werknemer vraagt de aftrek van zijn werkelijke beroepskosten niet.
Fiscale behandeling
Vergoeding voor de periode van 1.1 tot 31.5
De treinkaart eerste klasse voor een week voor een afstand van 100 km kost 67,55 EUR op 1.2.2001.
(Aantal dagen / 5 ) 100 = 20 weken
grens : 67,55 EUR x 20 = 1.351 EUR
belastbaar : 1.500 EUR - 1.351 EUR = 149 EUR

Vergoeding voor de periode van 1.6 tot 31.12
De treinkaart eerste klasse voor een week voor een afstand van 60 km kost 49,58 EUR op 1.2.2001.
(Aantal dagen / 5 ) 80 = 16 weken
grens : 49,58 EUR x 16 = 793,28 EUR
belastbaar : 1.000 EUR - 793,28 EUR = 206,72 EUR

Voorbeeld 4
11.4. Gedurende het hele jaar 2002 stelt een wekgever, in het kader van de carpooling die hij organiseert, een wagen ter beschikking van drie van zijn werknemers (Dirk, Steven en Maggy) om hun woon-werkverplaatsingen af te leggen. Het gaat hier om een voertuig met een belastbare kracht van 10 PK.
De vaste plaats van tewerkstelling bevindt zich in Brussel. Dirk woont in Luik; hij haalt Steven op in Borgworm en Maggy in Leuven.
Zij carpoolen 220 dagen gedurende het jaar.
De afstand die Dirk dagelijks aflegt tussen zijn woonplaats (Luik) en zijn plaats van tewerkstelling (Brussel) bedraagt 200 km (100 km x 2).
De dagelijkse carpoolafstand (tenminste 2 personen), namelijk tussen Borgworm en Brussel, bedraagt 160 km (80 km x 2).
Dirk legt tijdens het jaar 44.000 km (200 km x 220 dagen) af voor zijn woon-werkverplaatsingen en 6.000 km voor eigenlijke privé-verplaatsingen.
Dirk vraagt de aftrek van zijn werkelijke beroepskosten niet.
Fiscale behandeling
Bij Dirk
Verplaatsing woonplaats - plaats van tewerkstelling
Bij Dirk moet er in principe rekening worden gehouden met een belastbaar voordeel van alle aard ten bedrage van 12.381,60 EUR (44.000 x 0,2814 EUR - voordeel in EUR per afgelegde km voor een voertuig met een belastbare kracht van 10 PK voor het jaar 2002).
Dit voordeel mag echter met een vergoeding voor woon-werkverplaatsingen met het GGV worden gelijkgesteld, ten belope van de carpoolverplaatsingen, namelijk 35.200 km (160 km x 220 dagen). Dat gedeelte van het voordeel bedraagt 9.905,28 EUR (35.200 x 0,2814 EUR) en is volledig vrijgesteld.
Het belastbaar voordeel van alle aard dat betrekking heeft op de verplaatsingen met de wagen die alleen werden afgelegd, moet dus als volgt worden bepaald :
12.381,60 EUR - 9.905,28 EUR = 2.476,32 EUR
belastbaar : 2.476,32 EUR - 150,00 EUR = 2.326,32 EUR.
Eigenlijke privé-verplaatsingen
Een voordeel van alle aard ten bedrage van 1.688,40 EUR (6.000 x 0,2814 EUR) is belastbaar op grond van art. 18, § 3, 9°, KB/WIB 92.
Bij Steven en Maggy
Voor Steven en Maggy is het voordeel dat voortvloeit uit de door de werkgever georganiseerde carpooling een vrijgesteld sociaal voordeel.
Voorbeeld 5
11.5. Zelfde gegevens als voorbeeld 4, behalve dat Dirk zijn eigen wagen gebruikt in het kader van de carpooling die door de werkgever is georganiseerd.
Dirk ontvangt van zijn werkgever een globale vergoeding van 1.000 EUR voor al zijn woon-werkverplaatsingen.
Fiscale behandeling
Bij Dirk
Op de vergoeding van 1.000 EUR moet eerste de vrijstelling ten bedrage van 150 EUR worden toegepast die betrekking heeft op de verplaatsingen met de wagen die alleen werden afgelegd.
Het saldo, namelijk 850 EUR betreft de verplaatsingen afgelegd met het GGV.
De weektreinkaart eerste klasse voor een afstand van 80 km kost 61 EUR op 1.2.2002.
(Aantal dagen / 5) 220 = 44 weken
grens : 61 EUR x 44 = 2.684,00 EUR
vrijgesteld : 850 EUR.

De door de werkgever toegekende vergoeding van 1.000 EUR is dus volledig vrijgesteld.
Bij Steven en Maggy
Het voordeel dat voortvloeit uit de door de werkgever georganiseerde carpooling is een vrijgesteld sociaal voordeel.
Voorbeeld 6
11.6 Zelfde gegevens als in voorbeeld 4, behalve dat Steven in Tongeren woont.
Het normale traject van Dirk tussen zijn woonplaats en zijn plaats van tewerkstelling bedraagt 200 km (100 km x 2) per dag.
De afstand die Dirk dagelijks effectief aflegt tussen zijn woonplaats (Luik) en zijn plaats van tewerkstelling (Brussel) bedraagt 220 km (110 km x 2).
De normale dagelijkse carpoolafstand (tenminste 2 personen), namelijk tussen Tongeren en Brussel, bedraagt 180 km (90 km x 2).
De omweg die Dirk omwille van de carpooling maakt bedraagt 20 km (10 km x 2) per dag.
Fiscale behandeling
Bij Dirk
Bij Dirk moet in principe een belastbaar voordeel van alle aard ten bedrage van 12.381,60 EUR (44.000 km x 0,2814 EUR) in aanmerking worden genomen. Er wordt opgemerkt dat men zich om dit voordeel van alle aard te bepalen moet baseren op het normale traject tussen de woonplaats en plaats van tewerkstelling van Dirk, zonder rekening te houden met de dagelijkse omweg die wordt beschouwd als een dienstverplaatsing (20 km x 220 dagen).
Dit voordeel mag echter met een vergoeding voor woon-werkverplaatsingen afgelegd met het GGV worden gelijkgesteld ten belope van de carpoolverplaatsingen, namelijk 39.600 km (180 km x 220 dagen). Dat gedeelte van het voordeel bedraagt 11.143,44 EUR (39.600 x 0.2814 EUR) en is volledig vrijgesteld.
Het belastbaar voordeel van alle aard dat betrekking heeft op de verplaatsingen met de wagen die alleen werden afgelegd, moet dus als volgt worden bepaald :
12381,60 EUR - 11.143,44 EUR = 1.238,16 EUR
belastbaar : 1.238,16 EUR - 150 EUR = 1.088,16 EUR
Eigenlijke privé-verplaatsingen
Een voordeel van alle aard ten bedrage van 1.688, 40 EUR (6.000 x 0,2814 EUR) is belastbaar op grond van art. 18, § 3, 9°, KB/WIB 92.
Bij Steven en Maggy
Voor Steven en Maggy is het voordeel dat voortvloeit uit de door de werkgever georganiseerde carpooling een vrijgesteld sociaal voordeel.
Voorbeeld 7
Tussen 1.1 en 30.6 van het jaar 2002 gebruikt Dirk zijn eigen wagen voor zijn woon-werkverplaatsingen tezamen met Steven en Maggy in het kader van de carpooling die door de werkgever is georganiseerd.
Dirk ontvangt van zijn werkgever een globale vergoeding van 1.500 EUR voor al zijn woon-werkverplaatsingen.
De vaste plaats van tewerkstelling bevindt zich in Brussel. Dirk woont in Luik; hij haalt Steven op in Borgworm en Maggy in Tervuren.
Zij carpoolen 110 dagen gedurende het jaar. Het normale traject van Dirk tussen zijn woonplaats en zijn plaats van tewerkstelling bedraagt 200 km (100 km x 2) per dag.
De afstand die Dirk dagelijks effectief aflegt tussen zijn woonplaats (Luik) en zijn plaats van tewerkstelling (Brussel) bedraagt 210 km (105 km x 2).
De normale dagelijkse carpooling (tenminste 2 personen), namelijk tussen Borgworm en Brussel, bedraagt 160 km (80 km x 2).
De omweg omwille van de carpooling bedraagt 10 km (5 km x 2) per dag.
Dirk vraagt de aftrek van zijn werkelijke beroepskosten niet.
Fiscale behandeling
Bij Dirk
De vergoeding van 1.500 EUR moet eerst worden opgesplitst in een gedeelte enerzijds voor de dienstverplaatsingen en anderzijds voor de woon-werkverplaatsingen.
Dienstverplaatsingen
1.500 EUR x 5/105 = 71,43 EUR
grens : (eigen kosten van de werkgever - dienstverplaatsingen - circulaire Ci.RH.241/535.316 van 18.9.2001) :
1.100 km (10 km x 110 dagen) x 0,2636 EUR = 289,96 EUR/
Verplaatsingen voor woon-werkverkeer :
1.500 EUR x 100/105 = 1.428,57 EUR
Op deze vergoeding wordt de vrijstelling van 150 EUR toegepast, met betrekking tot de verplaatsingen die met de wagen alleen werden afgelegd.
Het saldo, namelijk 1.278,57 EUR betreft verplaatsingen afgelegd met het GGV.
De treinkaart eerste klasse voor een week voor een afstand van 80 km kost 61,00 EUR op 1.2.2002.
(Aantal dagen / 5) 110 = 22 weken
grens : 61 EUR x 22 = 1.342 EUR
vrijgesteld : 1.278,57 EUR

De door de werkgever toegekende vergoeding van 1.500 EUR is dus volledig vrijgesteld.
Bij Steven en Maggy
Voor Steven en Maggy is het voordeel dat voortvloeit uit de door de werkgever georganiseerde carpooling een vrijgesteld sociaal voordeel.
XII. BEDRIJFSVOORHEFFING
12.1. Op voorwaarde dat de werknemer aan zijn werkgever schriftelijk bevestigt dat hij bij de aangifte van zijn inkomsten voor het betrokken jaar geen aanspraak zal maken op zijn werkelijke beroepskosten, mag de werkgever bij de berekening van de verschuldigde bedrijfsvoorheffing, vanaf 1 januari 2002, rekening houden met de vrijstellingen van art. 38, 1ste lid, 9°, WIB 92.
12.2. In dat geval mag het vrijgesteld gedeelte van de vergoedingen voor de berekening van de bedrijfsvoorheffing overeenkomstig volgende regels worden vastgesteld :
a) De werknemer gebruikt het openbaar gemeenschappelijk vervoer
Voor zover de werkgever kan vaststellen dat de vergoedingen betrekking hebben op de betaling of terugbetaling van kosten voor woon-werkverplaatsingen met één of meerdere openbare gemeenschappelijke vervoermiddelen, mag het bedrag van de vergoeding worden vrijgesteld.
b) De werknemer gebruikt het georganiseerd gemeenschappelijk vervoer
Voor zover de werkgever kan vaststellen dat de vergoeding betrekking heeft op woon-werkverplaatsingen met het georganiseerd gemeenschappelijk vervoer, mag het bedrag van de vergoeding worden vrijgesteld in de mate dat die vergoeding de prijs van een treinabonnement eerste klasse voor die afstand niet overschrijdt.
c) In de andere gevallen (behalve de fietsvergoeding bedoeld in art. 38, 1ste lid, 14°, WIB 92)
Alleen een bedrag van maximum 150 EUR mag worden vrijgesteld.
Indien niet aan de vermelde voorwaarden is voldaan, moet het totale bedrag van de vergoeding aan de bedrijfsvoorheffing worden onderworpen.
XIII. LOONFICHE 281.10 (inkomsten 2001)
13.1. De vergoedingen voor de woon-werkverplaatsingen moeten, naargelang van de vervoerswijze, als volgt in het vak 14 van de fiche 281.10 (zie bijlage 2) worden opgenomen.
1. De werknemer gebruikt het openbaar gemeenschappelijk vervoer
13.2. Het totale jaarbedrag van de door de werkgever toegekende vergoeding als betaling of terugbetaling van de kosten voor woon-werkverplaatsingen met één of meerdere openbare gemeenschappelijke vervoermiddelen moet in vak 14, a en 14, d (tegenover de kenletter "V") worden vermeld.
Alleen de vergoedingen waarvan de werkgever kan vaststellen dat ze betrekking hebben op de betaling of terugbetaling van kosten voor woon-werkverplaatsingen met het openbaar gemeenschappelijk vervoer mogen in vak 14, a worden vermeld.
Dit is inzonderheid het geval voor reiskosten die de werkgever rechtstreeks aan een maatschappij van openbaar gemeenschappelijk vervoer betaalt (derdebetalerssysteem) of voor zover de werknemer t.o.v. zijn werkgever kan aantonen (b.v. aan de hand van vervoersbewijzen) dat de vergoedingen op dergelijke reiskosten betrekking hebben.
Wanneer de werkgever bijdraagt in de prijs van een abonnement voor openbaar gemeenschappelijk vervoer en het bedrag rechtstreeks aan een maatschappij voor openbaar vervoer betaalt, volstaat het niet meer, zoals voorheen, om zich te beperken tot het aanbrengen van de vermelding "JA" in het vak 14, a.
2. De werkgever organiseert gemeenschappelijk vervoer
13.3 De werkgever moet, in vak 14, b, de vermelding "NEEN" of "JA" schrappen, naargelang hij al dan niet gemeenschappelijk vervoer organiseert.
Wanneer de werknemer het georganiseerd gemeenschappelijk vervoer gebruikt, moet het jaarbedrag van de vergoeding die de werkgever toekent aan de werknemer voor het geheel of een gedeelte van zijn woon-werkverplaatsingen worden vermeld in vak 14, b en 14, d (tegenover de kenletter "V").
Alleen de vergoeding die betrekking heeft op de verplaatsingen die de werknemer werkelijk met het georganiseerd gemeenschappelijk vervoer heeft afgelegd (b.v. een kilometervergoeding berekend op basis van de werkelijke verplaatsingen) mag in vak 14, b worden vermeld.
In vak 14, b moet alleen de eventuele vergoeding zelf worden vermeld. Het voordeel dat voortvloeit uit het gemeenschappelijk vervoer dat de werkgever (alleen of tezamen met andere werkgevers) kosteloos of beneden kostprijs, eventueel door tussenkomst van een maatschappij voor personenvervoer, organiseert is een sociaal voordeel dat van personenbelasting is vrijgesteld. De waarde van dat vrijgestelde sociale voordeel, moet bijgevolg niet in vak 14, b en evenmin in vak 14, d (tegenover de kenletter "V") worden opgenomen.
3. De werknemer gebruikt een ander vervoermiddel
13.4. Het totale jaarbedrag van de vergoeding die de werkgever heeft toegekend als betaling of terugbetaling van de kosten voor de woon-werkverplaatsingen die op een andere wijze wordt afgelegd dan vermeld onder de punten 1 en 2 hiervoor, moet in vak 14, c en 14, d (tegenover de kenletter "V") worden vermeld.
De vergoedingen als betaling of terugbetaling van kosten voor verplaatsingen met de fiets mogen hier ook worden vermeld, op voorwaarde dat het geen specifieke kilometervergoeding voor verplaatsingen met de fiets betreft die op grond van art. 38, 1ste lid, 14°, WIB 92 wordt vrijgesteld.
Wanneer de werkgever niet kan vaststellen dat de toegekende vergoedingen betrekking hebben op de betaling of terugbetaling van kosten voor woon-werkverplaatsingen gedaan met het openbaar gemeenschappelijk vervoer of op het georganiseerd gemeenschappelijk vervoer, moet dit bedrag eveneens in vak 14, c en 14, d (tegenover de kenletter "V") worden vermeld.
In dat geval dient de werknemer, in het kader van zijn aangifte in de inkomstenbelastingen, te bewijzen dat de vergoeding wordt geacht betrekking te hebben op :
  • het gebruik van het openbaar gemeenschappelijk vervoer;
  • het gebruik van georganiseerd gemeenschappelijk vervoer;
  • het gebruik van ander vervoer.
Opmerkingen
13.5. Wanneer de verplaatsing vanaf de woonplaats naar de plaats van tewerkstelling gebeurt met een door de werkgever kosteloos of tegen voordelige voorwaarden ter beschikking gesteld voertuig, moet het bedrag van het eruit voortvloeiend voordeel eveneens in vak 14, b of 14, c en 14, d (tegenover de kenletter "V") worden vermeld.
Op de fiche 281.10 is het bedrag van de door de werkgever toegekende vergoedingen voor de verplaatsingen van de werknemer tussen zijn woonplaats en zijn plaats van tewerkstelling terug te vinden; in sommige gevallen is de opsplitsing naargelang van de vervoerswijzen van de werknemer gekend. Het totaal bedrag komt in elk geval voor in vak 14, d, tegenover de kenletter "V".
De werknemer moet de vrijstelling eventueel aanvragen bij het indienen van zijn aangifte in de inkomstenbelastingen.
13.6. Wat het georganiseerd gemeenschappelijk vervoer betreft, wordt vanaf het inkomstenjaar 2002 aan de werkgever opgelegd dat hijzelf de in vak 14, b te vermelden vergoeding begrenst tot de prijs van een treinabonnement eerste klasse voor die afstand.
XIV. AANGIFTE IN DE INKOMSTENBELASTINGEN (aanslagjaar 2002 - inkomsten 2001)
14.1. Er wordt aan herinnerd dat indien de werknemer de aftrek van zijn werkelijke beroepskosten verkrijgt, hij geen enkel recht heeft op een vrijstelling.
14.2. Indien zijn beroepskosten forfaitair worden vastgesteld, kan het bedrag van de vrijstelling als volgt worden bepaald :
1° Het bedrag van de vergoeding toegekend door de werkgever als betaling of terugbetaling van kosten voor het gebruik van een of meerdere openbare gemeenschappelijke vervoermiddelen en dat vermeld is in vak 14, a van de fiche 281.10, is volledig vrijgesteld;
2° Het bedrag van de vergoeding toegekend door de werkgever met betrekking tot de verplaatsingen waarvoor de werknemer gebruik heeft gemaakt van het georganiseerd gemeenschappelijk vervoer en dat vermeld is in vak 14, b, van de fiche 281.10, is vrijgesteld in de mate dat het de prijs van een treinabonnement eerste klasse voor die afstand niet overschrijdt;
3° Het bedrag van de vergoeding toegekend door de werkgever als betaling of terugbetaling van kosten voor woon-werkverplaatsingen die de werknemer op een andere wijze heeft afgelegd dan vermeld onder de punten 1° en 2°, is vrijgesteld voor een maximum bedrag van 150 EUR.

14.3. Indien het bedrag vermeld in vak 14, c, van de fiche 281.10 vergoedingen bevat die betrekking hebben op woon-werkverplaatsingen waarvoor de werknemer gebruik heeft gemaakt van het openbaar gemeenschappelijk vervoer of van het georganiseerd gemeenschappelijk vervoer, maar die de werkgever niet heeft vermeld in vak 14, a of b van de fiche 281.10 (b.v. omdat hij het totale bedrag van de vergoedingen die hij heeft toegekend niet of niet volledig per vervoerswijze heeft uitgesplitst), moet de werknemer die aanspraak maakt op de vrijstelling bedoeld onder de punten 1° of 2°, de aanwending van de vergoedingen voor de één of andere vervoerswijze aantonen en, naargelang van het geval, bij zijn aangifte voegen :
  • een nota waarin de vervoerswijzen zijn opgenomen en een becijferd detail van de gevraagde vrijstelling;
  • de bewijsstukken van zijn verplaatsingskosten voor het gebruik van het openbaar gemeenschappelijk vervoer (attest van de maatschappij voor openbaar vervoer, abonnement, kaarten, tickets, enz.);
  • de bewijsstukken waaruit het gebruik van het georganiseerd gemeenschappelijk vervoer blijkt (attest van de werkgever of van de vervoersmaatschappij, enz.).
XV. VERIFICATIE
15. Gelet op de datum van publicatie van de wet en de gevolgen ervan, inzonderheid wat het opstellen van de fiches 281.10 door de werkgevers betreft, is het voor sommige belastingplichtigen moeilijk, zoniet onmogelijk, om een van de hiervoor opgesomde bewijsstukken af te leveren. Daarom wordt er aan de taxatie-ambtenaren gevraagd om, in het kader van het onderzoek van de dossiers terzake blijk te geven van ruim begrip en dit in het bijzonder wat de in 2001 en 2002 toegekende vergoedingen betreft.
Voor de Directeur-generaal :
De Directeur,
P. LEROY.
Bijlage 1
KmWEEKTREINKAART 1ste klasse
20012002
BEFEUREURBEF
1
370
9,17
9,10
367
2
405
10,04
10,10
407
3
440
10,91
11,10
448
4
480
11,90
12,10
488
5
515
12,77
13,00
524
6
545
13,51
13,90
561
7
580
14,38
14,70
593
8
610
15,12
15,50
625
9
645
15,99
16,40
662
10
675
16,73
17,20
694
11
705
17,48
18,00
726
12
740
18,34
18,90
762
13
770
19,09
19,70
795
14
800
19,83
20,50
827
15
835
20,70
21,40
863
16
865
21,44
22,20
896
17
895
22,19
23,00
928
18
930
23,05
23,90
964
19
960
23,80
24,70
996
20
990
24,54
25,50
1.029
21
1.025
25,41
26,50
1.069
22
1.055
26,15
27,00
1.089
23
1.085
26,90
28,00
1.130
24
1.120
27,76
29,00
1.170
25
1.150
28,51
29,50
1.190
26
1.180
29,25
30,50
1.230
27
1.215
30,12
31,50
1.271
28
1.245
30,86
32,00
1.291
29
1.275
31,61
33,00
1.331
30
1.310
32,47
34,00
1.372
31 - 33
1.360
33,71
35,00
1.412
34 - 36
1.440
35,70
37,50
1.513
37 - 39
1.520
37,68
39,50
1.593
40 - 42
1.595
39,54
41,50
1.674
43 - 45
1.675
41,52
43,50
1.755
47 - 49
1.755
43,51
45,50
1.835
49 - 51
1.830
45,36
47,50
1.916
52 - 54
1.885
46,73
49,00
1.977
55 - 57
1.945
48,22
50,00
2.017
58 - 60
2.000
49,58
52,00
2.098
61 - 65
2.075
51,44
54,00
2.178
66 - 70
2.165
53,67
56,00
2.259
71 - 75
2.260
56,02
59,00
2.380
76 - 80
2.355
58,38
61,00
2.461
81 - 85
2.445
60,61
64,00
2.582
86 - 90
2.540
62,96
66,00
2.662
91 - 95
2.630
65,20
68,00
2.743
96 - 100
2.725
67,55
71,00
2.864
101 - 105
2.820
69,91
73,00
2.945
106 - 110
2.910
72,14
76,00
3.066
111 - 115
3.005
74,49
78,00
3.147
116 - 120
3.095
76,72
81,00
3.268
121 - 125
3.190
79,08
83,00
3.348
126 - 130
3.285
81,43
85,00
3.429
131 - 135
3.375
83,66
88,00
3.550
136 - 140
3.470
86,02
90,00
3.631
141 - 145
3.565
88,37
93,00
3.752
146 - 150
3.695
91,60
96,00
3.873
Bijlage 2