Circulaire nr. 2/1980 d.d. 17.01.1980
Bescheiden woningen
Kleine landeigendommen
Kadastrale perekwatie
Kleine landeigendommen
Kadastrale perekwatie
De aanschrijving van 31 oktober 1979, nr. 19, en die van 24 december 1979, nr. 20, hebben respectievelijk de inhoud meegedeeld van de bepalingen der wet van 19 juli 1979 houdende wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen en van het Wetboek der registratie, hypotheek en griffierechten, op het stuk van onroerende fiscaliteit, die het stelsel betreffen van de registratierechten op de verkopen van kleine landeigendommen en bescheiden woningen, en van het koninklijk besluit van 21 december 1979 houdende wijziging van het koninklijk besluit van 11 januari 1940 betreffende de uitvoering van het Wetboek der registratie, hypotheek en griffierechten.
Het voormelde koninklijk besluit van 21 december 1979 werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 25 dito.
Deze aanschrijving heeft ten doel de aldus in het voormelde stelsel der registratierechten aangebrachte wijzigingen van commentaar te voorzien, de toepassing van die wijzigingen in de tijd toe te lichten en de situatie te regelen die ontstaat uit de inwerkingtreding der nieuwe kadastrale inkomens ingevolge de kadastrale perekwatie.
I. Wijzigingen in het stelsel van de registratierechten op de verkopen van kleine land¬eigendommen en bescheiden woningen of bouwplaatsen bestemd voor een dergelijke woning.
A. Maxima ter zake van het kadastraal inkomen.
1. Voor alle gevallen waarin het in aanmerking te nemen maximum kadastraal inkomen gebouwde onroerende goederen betreft (koninklijk besluit van 11 januari 1940, art. 4. 1ste lid, 7, 1ste lid, en 8), komt in de plaats van de huidige verschillende maxima, bepaald volgens de rangschikking van gemeenten, een enig maximum voor het gehele land, dat in de regel vastgesteld is op 20.000 frank.
2. In een verhoging van het voormelde bedrag wordt evenwel voorzien bij de nieuwe bepalingen ingevoegd in de artikelen 4 en 8, van het voormeld koninklijk besluit van 11 januari 1940, voor het geval de verkrijging een onroerend goed dat geheel of gedeeltelijk tot huisvesting bestemd is, of een grond die tot bouwplaats voor een woning bestemd is, tot voorwerp heeft, indien de verkrijger of zijn echtgenoot ten minste drie kinderen ten laste hebben.
De verhoging bedraagt dan 4000 frank, 8000 frank of 12.000 frank, al naar het aantal kinderen ten laste 3 of 4, 5 of 6, of 7 of meer is, doch de kinderen ten laste die een handicap (van ten minste 66 pct.) hebben, worden daarbij voor twee kinderen ten laste geteld.
Die verhoging kan in het algemeen toepassing vinden ter zake van de artikelen 53, 2°, en 57 van het Wetboek der registratierechten, maar ook ter zake van het 1°, van artikel 53 van dit wetboek mits de verkregen landeigendom geheel of gedeeltelijk tot huisvesting dient.
Onder kinderen ten laste zijn te verstaan, de kinderen zij wezen minderjarig of niet van de verkrijger en van zijn echtgenoot of slechts van één hunner (bv., kinderen uit een eerste huwelijk), indien zij aan de volgende voorwaarden beantwoorden :
a) Zij moeten werkelijk en bestendig deel uitmaken van het gezin van de verkrijger, en dit ten dage van de akte van verkrijging indien het om een toepassing gaat van artikel 53, 1° of 2°, van het Wetboek, en ten dage waarop het kadastraal inkomen van de opgerichte woning (dus na voltooiing van het gebouw), is vastgesteld, indien het om een toepassing van artikel 57 van het Wetboek gaat. Er wordt evenwel geen rekening gehouden met een tijdelijke verwijde¬ring van de woning van de verkrijger, om studie, gezondheids of andere redenen (zoals militaire dienst).
b) Zij mogen gedurende het kalenderjaar dat voorafgaat aan de onder voormelde letter a bedoelde datum (met het aangeduide onderscheid naar gelang het om artikel 53 of om artikel 57 van het wetboek, gaat) persoonlijk geen bestaansmiddelen hebben genoten waarvan het netto bedrag uitstijgt boven het in artikel 82, § 1, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen beoogde netto bedrag, dat thans 30.000 frank beloopt. Om dit netto bedrag te bepalen wordt er geen rekening gehouden met : de kinderbijslagen, de studiebeurzen en de premies voor het voorhuwelijkssparen; de toelagen die het kind dat een handicap (van ten minste 66 pct.) heeft, krachtens de desbetreffende wetgeving heeft verkregen; de bedrijfsinkomsten dat het kind heeft opgestreken tijdens het jaar waarin het zijn militaire dienst of zijn dienst als gewetensbezwaarde heeft aangevangen (cf. Wetboek van de inkomstenbelastingen, art. 83); anderzijds is, eveneens ter bepaling van het nettobedrag, bet bruto bedrag van de bestaansmiddelen te verminderen met de uitgaven of lasten die werden gedaan of gedragen om de bestaansmiddelen te verkrijgen en te behouden; deze uitgaven en lasten worden, bij gebreke van bewijskrachtige gegevens, op 20 pct. van het bruto bedrag vastgesteld (cfr. zelfde Wetboek, art. 85).
De regels bedoeld in de artikelen 82, § 3, en 84 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, blijven hier buiten beschouwing.
3. Overeenkomstig de algemene beginselen staat het aan de verkrijger die aanspraak maakt op een verhoging van het maximum kadastraal inkomen, te bewijzen dat de verhoging van toepassing is. Te dien einde, en onverminderd het recht van de administratie om eventueel overlegging van de noodzakelijke bewijsstukken te eisen, moet de verkrijger een verklaring ondertekenen, waarbij hij bevestigt, al naar het geval, dat de voorwaarden gesteld in artikel 4, tweede en derde lid, of in artikel 8, van het gewijzigde koninklijk besluit van 11 januari 1940 vervuld zijn, ten aanzien van zijn kinderen en/of die van zijn echtgenoot, welke kinderen hij daarin voorts nauwkeurig vermeldt (naam, voornamen, geboortedatum, burgerlijke stand, en, eventueel, graad van lichamelijke of geestelijke handicap). Wanneer het om een toepassing gaat van artikel 53, 1° of 2°, van het Wetboek der registratierechten moet die verklaring worden gedaan in de akte van verkrijging of onderaan op die akte vóór de registratie, en wanneer het om een toepassing gaat van artikel 57 van het Wetboek in de aanvraag om gedeeltelijke terugbetaling van de rechten, in te dienen overeenkomstig artikel 58, eerste lid, van het Wetboek. Onjuistheden in de verklaring kunnen aanleiding geven tot toepassing van de boete als voorzien in artikel 202, tweede lid, van het Wetboek.
4. Het enig maximum kadastraal inkomen dat in aanmerking te nemen is voor de gronden (koninklijk besluit van 11 januari 1940, art. 3, 4, 4de lid, en 7, 2de lid) is van 6000 frank op 13.000 frank gebracht.
5. Het ligt voor de hand dat de nieuwe maximale kadastrale inkomens, bedoeld in de nrs. 1, 2 en 4 hierboven, moeten worden gesteld tegenover de definitieve, uit de kadastrale perekwatie volgende kadastrale inkomens van de aangekochte goederen en van de goederen die de verkrijger en/of zijn echtgenoot reeds bezitten.
6. De regels waarin de artikelen 7 en 8 van het koninklijk besluit van 11 januari 1940 voorzien, blijven toepasselijk, met dien verstande dat rekening moet worden gehouden met de wijzigingen die in de artikelen 53 en 54 van het Wetboek zijn aangebracht en met de nieuwe maximale kadastrale inkomens.
7. De nieuwe bepaling die in artikel 54, tweede lid, van het Wetboek is ingevoegd en waarbij wordt afgeweken van de regel, dat het kadastraal inkomen van de andere goederen die de verkrijger en/of zijn echtgenoot bezitten eveneens in aanmerking wordt genomen om vast te stellen of het toegestane maximum kadastraal inkomen al dan niet overschreden wordt, beoogt alle in België gelegen goederen die door de verkrijger en/of zijn echtgenoot werden verkregen uit de nalatenschap van bloedverwanten in de opgaande lijn van deze en/of gene der echtgenoten.
Die afwijking is van toepassing ongeacht :
| a) | de aard, de ligging (in België), de oppervlakte en de waarde van de krachtens erfopvolging verkregen goederen; |
| b) | of die goederen of de gedeelten van die goederen door de verkrijger of zijn echtgenoot uit de nalatenschap van een of meer bloedverwanten in de opgaande lijn werden verkregen, of, eventueel, voor een gedeelte door de verkrijger en voor een gedeelte door zijn echtgenoot uit de nalatenschap van bloedverwanten in de opgaande lijn van de ene of de andere; |
| c) | ongeacht of die goederen werden verkregen uit de nalatenschap van een bloedverwant in de opgaande lijn krachtens de erfopvolging bij versterf dan wel, krachtens een legaat of een contractuele erfstelling (B.W., art. 1082 en volg.) uit de nalatenschap van een bloedverwant in de opgaande lijn die wettelijk aan anderen opkwam; |
| d) | ongeacht of de verwantschap die bestond tussen de bloedverwant in de opgaande lijn en de ver¬krijger of zijn echtgenoot een wettelijke, natuurlijke of adoptieve verwantschap was. |
Die afwijking geldt niet wanneer de onroerende goederen of gedeelten van onroerende goederen, van bloedverwanten in de opgaande lijn werden verkregen bij een overeenkomst onder de levenden onder bezwarende titel of bij een schenking onder de levenden van tegenwoordige goederen.
Indien onroerende goederen door de verkrijger of zijn echtgenoot gedeeltelijk uit een nalatenschap van een of meer bloedverwanten in de opgaande lijn en gedeeltelijk anders werden verkregen, kan de afwijking slechts toepassing vinden in de mate van hetgeen verkregen werd uit de nalatenschap van de bloedverwanten in de opgaande lijn.
8. Indien het kadastraal inkomen betreffende hetgeen door de verkrijger en/of zijn echtgenoot verkregen werd uit de nalatenschap van een bloedverwant in de opgaande lijn, zoals hierboven bedoeld, 25 pct. van het toegestane maximum overschrijdt, vervalt de afwijking (Wetboek, art. 54, lid 2, 2de zin) in haar geheel en niet enkel voor het gedeelte dat boven 25 pct. van het kadastraal inkomen uitstijgt.
Om te bepalen of het toegestane maximum al of niet met 25 pct. wordt overschreden, moet rekening worden gehouden met het totaal van de kadastrale inkomens die, al naar het geval, het geheel of het gedeelte betreffen van alle onroerende goederen die in volle eigendom of blote eigendom door de verkrijger en/of zijn echtgenoot werden verkregen uit de nalatenschap van de bloedverwanten in de opgaande lijn van de ene en de andere.
B. Uitsluiting van het verlaagde tarief (Wetboek_der registratierechten, art. 53, 2°, en 57) indien de verkrijger en/of zijn echtgenoot reeds een onroerend goed bezitten dat tot bewoning is bestemd.
9. De nieuwe regel die in artikel 54, derde lid, van het Wetboek is neergelegd, is betrokken op de verkrijging van een bescheiden woning (Wetboek, art. 53, 2°) of van een bouwplaats voor een dergelijke woning (Wetboek, art. 57), maar blijft vreemd aan de verkrijging van gebouwde of ongebouwde landeigendommen die erop gericht is een kleine landeigendom samen te stellen (Wetboek, art. 53, 1°).
10. Voor de toepassing van die regel blijft in beginsel alle onderscheid achterwege ter zake van de vraagpunten welke de ligging (in België) of de belangrijkheid van de reeds bezeten woning is (z. nochtans verderop, nr.11); of die woning aan de verkrijger of zijn echtgenoot dan wel aan beide echtgenoten toebehoort; of ze onder bezwarende titel (met of zonder toepassing van het verlaagde tarief der registratierechten) dan wel om niet werd verkregen (behoudens de in fine van de nieuwe bepaling opgenomen uitzondering); ten slotte, of ze is opgericht op een grond die van de verkrijger en/of zijn echtgenoot is dan wel op een grond die aan een derde toebehoort mits de verkrijger en/of zijn echtgenoot eigenaar is van de opgerichte woning (bv., ingevolge een recht van erfpacht) .
Het ligt voor de hand dat de regel van toepassing is, onverschillig of de som van de kadastrale inkomens van de verkregen nieuwe woning, van de reeds bezeten woning en eventueel van de andere bezeten goederen, al of niet het toegestane maximum kadastraal inkomen overschrijdt.
11. Onder "onroerend goed dat .... tot bewoning is bestemd" als bedoeld in de nieuwe bepaling is te verstaan elk onroerend goed dat tot permanente huisvesting van een gezin dient of kan dienen, dus met uitsluiting van de bijzondere type goederen (wooncaravans, enz.) die onroerende goederen kunnen zijn, maar die niet zijn opgevat om een gezin het hele jaar door te huisvesten.
12. De onroerende goederen die gedeeltelijk tot bewoning en gedeeltelijk voor landbouw, handels, nijverheids of een andere gebruik zijn bestemd, vallen onder de nieuwe bepaling. Dat is in de regel zo, ongeacht de respectieve belangrijkheid van elk der twee gedeelten van het onroerend goed. Aldus is het verlaagde tarief uitgesloten wanneer het reeds bezeten goed een hofstede met woonst is, zelfs indien de woonst niet het belangrijkste deel van het goed uitmaakt en indien het geheel werd aangekocht onder de gunstregeling van artikel 53, 1° van het Wetboek (zie echter nr. 11 hierboven).
13. Het is van geen belang dat de reeds bezeten woning bij de nieuwe verkrijging door de verkrijger zelf is bewoond dan wel aan een derde is verhuurd, door een gewone huishuur (van korte of van lange duur), een handelshuur of een pacht.
Overigens staat de omstandigheid, dat de reeds bezeten goederen bij de nieuwe verkrijging niet meer effectief tot bewoning worden aangewend, de toepassing van nieuwe regel niet in de weg.
14. In geval van verkrijging onder opschortende voorwaarde van een bescheiden woning of van een bouwplaats (Wetboek, art. 57), moet voor de toepassing van de nieuwe regel de situatie bij de vervulling van de voorwaarde worden beschouwd.
15. De nieuwe regel is niet van toepassing in de volgende gevallen :
a) De verkrijger en/of zijn echtgenoot bezitten slechts een gedeelte in volle eigendom of in blote eigendom van een woning of zij bezitten slechts de geheelheid of een kwotiteit in vruchtgebruik van een woning. De regel is echter wel van toepassing wanneer de echtgenoten ieder rechten in een zelfde woning bezitten en die rechten samen de geheelheid in volle eigendom of in blote eigendom uitmaken.
b) De verkrijger en/of zijn echtgenoot hebben een woning bezeten, maar zij is niet meer in hun patrimonium aanwezig. Hetzelfde is ook waar indien de reeds bezeten woning bestemd is om te worden vervreemd en er een causaal verband bestaat tussen de verkrijging van de nieuwe woning of van de bouwplaats en die vervreemding.
c) De verkrijger van een bescheiden woning of van een bouwplaats en/of de echtgenoot van de verkrijger bezitten reeds een bouwgrond die is aangekocht onder de gunstregeling van artikel 57 van het Wetboek, en ten tijde van de nieuwe verkrijging is het nog mogelijk op die grond een woning te bouwen en de bewoning nog aan te vangen binnen de termijn die voor de toekenning van het verlaagd tarief is voorgeschreven.
16. Wat betreft de uitzondering op de nieuwe regel, die is opgenomen in fine van artikel 54, derde lid, van het Wetboek, moeten de in die tekst gebruikte woorden "uit de nalatenschap van hun bloedverwanten in opgaande lijn" worden verstaan zoals dezelfde woorden in het tweede lid, tweede volzin, van hetzelfde artikel (z. supra, I, A, onder meer nrs. 7, 2de lid, b, c en d, en 3de lid).
17. Die uitzondering geldt, welke de belangrijkheid in waarde of in oppervlakte en het kadastraal inkomen ook zijn van de woning die uit de nalatenschap van bloedverwanten in de opgaande lijn werd verkregen.
18. Wanneer de reeds bezeten woning gedeeltelijk uit de nalatenschap van bloedverwanten in de opgaande lijn en gedeeltelijk op een andere wijze werd verkregen, vervalt de uitzondering en is het verlaagd tarief niet toepasselijk.
19. Voorbeelden betreffende de uitzondering bedoeld in artikel 54, derde lid, (nieuw), in fine van het Wetboek :
a) De verkrijger heeft de 1/2 van een woning en andere goederen geërfd van zijn moeder; de andere 1/2 hoort toe aan de broer van de overledene. Bij het overlijden van deze laatste is zijn nalatenschap in haar geheel opgekomen aan zijn zoon. Bij de verdeling van de nalatenschappen werd de woning toegedeeld aan de verkrijger.
De uitzondering kan niet worden toegepast.
b) De verkrijger heeft een woning opgericht op een grond geërfd van een van zijn bloedverwanten in de opgaande lijn.
De uitzondering is niet van toepassing.
C. Toepassing van de gunstregeling (Wetboek, art. 53, _ 2°, of 57) op de aanhorigheden.
20. De nieuwe reglementaire bepaling die vaststelt welke goederen als aanhorigheden van een bescheiden woning worden aangemerkt (koninklijk besluit van 11 januari 1940, nieuw art. 5), vereist uitdrukkelijk dat er een normaal verband van hoofdzaak tot bijzaak bestaat tussen het huis, de verdieping of het gedeelte van een verdieping, en de aanhorigheden. Zij preciseert dat het al of niet bestaan van dergelijk verband moet worden beoordeeld op grond van objectieve elementen : de aard, de ligging (ten opzichte van de hoofdzaak), de oppervlakte en de waarde van de goederen die als aanhorigheden zijn verkregen.
21. Uit de nieuwe bepaling blijkt duidelijk dat onder meer een bouwgrond in beginsel geen aanhorigheid kan zijn als bedoeld in die bepaling, indien hij zulke waarde heeft dat hij niet als een normale bijhorigheid van een bescheiden woning kan worden beschouwd. Dit is waar, zelfs indien die grond bij de verkrijging gebruikt wordt en nog enige tijd daarna gebruikt zal worden als tuin, moestuin of als iets analoogs.
Evenzo kunnen krachtens de bepaling niet als aanhorigheden worden beschouwd gronden waarvan de verwijdering van de woning, de belangrijkheid van hun oppervlakte, de waarde en/of de aard of bestemming (buiten die van tuin, boomgaard, moestuin, weide, klein bebost perceel, of iets analoogs) niet verenigbaar zijn met het begrip normale bijhorigheid van een woning, zelfs indien deze gelegen is in een landelijke streek.
22. Het is niet nodig dat het als aanhorigheid van de woning aangekochte goed die bestemming al beeft op het tijdstip van de verkrijging.
23. De nieuwe vereiste gesteld bij artikel 53, nieuw laatste lid, van het Wetboek, krachtens welke de aanhorigheden tegelijk met het huis, de verdieping of gedeelte van een verdieping moeten verkregen worden, sluit niet in dat er voor de verkrijging van de hoofdzaak en de aanhorigheid eenheid van verkoper of van overeenkomst moet bestaan.
24. Die nieuwe voorwaarde geldt eveneens wanneer het om een toepassing van artikel 57 van het wetboek gaat.
De aanhorigheden van de te bouwen woning of de grond bestemd tot oprichting van een dergelijke aanhorigheid moeten dan "tegelijk" met de bouwplaats worden verkregen. Het gunststelsel kan dus niet toegepast worden ter zake van aanhorigheden die zijn verkregen na de verkrijging van de bouwplaats, maar vóór de voltooiing en de bewoning van de bescheiden woning.
D. Bewoning of exploitatie van de goederen. Termijnen. Belastingvermeerdering.
25. De wijzigingen die werden aangebracht in artikel 60 van het Wetboek, betreffen alleen de termijn waarbinnen de bewoning of de exploitatie moet worden aangevangen, welke termijn van drie jaar op vijf jaar is gebracht, alsmede de minimale duur van deze bewoning of exploitatie, welke duur van één jaar op drie jaar is gebracht. De bij de wet van 27 februari 1978 (aanschr. nr. 17/1978) in het derde lid van dat artikel ingevoegde bijzondere bepaling betreffende de exploitatietermijn heeft bijgevolg geen reden van bestaan meer en is opgeheven.
Deze wijzigingen brengen insgelijks de wijziging mee van de verjaringstermijn voor de invordering van de rechten die verschuldigd. zijn bij niet vervulling van de in voormeld artikel 60 gestelde voorwaarden; die termijn wordt van zes of zeven jaar op tien jaar gebracht, te rekenen van de datum van de akte (Wetboek, art. 214, 1ste lid, nieuw 3°),
26. Indien de vermindering van het recht vervalt bij gebrek aan exploitatie of bewoning van het verkregen goed binnen de vereiste termijn en gedurende de vereiste tijd, is krachtens de nieuwe tekst van artikel 61^1 van het Wetboek een "vermeerdering" verschuldigd gelijk aan het aanvullend recht, dat wil zeggen gelijk aan 6,50 pct. van de definitieve heffingsgrondslag (dus, eventueel rekening houdend met een tekortschatting, een bewimpeling van prijs of lasten, enz.).
Het begrip vermeerdering is nieuw inzake de registratierechten (vgl. Wetboek van de inkomstenbelastingen, art. 334).
De bij artikel 61^1 gevestigde vermeerdering heeft, zoals de bij het wetboek gevestigde fiscale boeten, het karakter van een administratieve sanctie.
Zij is van rechtswege verschuldigd door de belastingplichtige, zelfs indien hij zijn goede trouw kan aantonen, maar van enige vermeerdering kan natuurlijk geen sprake zijn indien het aanvullend recht niet verschuldigd is omdat het gebrek aan exploitatie of bewoning aan een geval van overmacht te wijten is.
Artikel 61^1 van het Wetboek verleent aan de Minister van Financiën de bevoegdheid om van de vermeerdering geheel of gedeeltelijk af te zien, zoals artikel 219 dat doet voor de fiscale boeten.
E. Drankslijterij in het verkregen goed. Afschaffing van het verbod.
27. De impliciete, maar zuivere en eenvoudige opheffing van de oude bepaling van artikel 61^1 van het Wetboek, schaft ten opzichte van de registratierechten de gevolgen af van de opening van een drankslijterij in het verkregen goed na 31 december 1979. Dergelijke opening na voormelde datum geeft dus geen aanleiding meer tot de opeisbaarheid van het recht bepaald in het oud artikel 61.
F. Vermeldingen in of onderaan op de akte van verkrijging.
28. Artikel 55 van het Wetboek is aangepast ten gevolge van de wijzigingen waarvan sprake onder A, B, C en E hierboven.
De vermeldingen waarover het gaat in artikel 55, eerste lid, letters b en c, moeten geen aanduidingen bevatten betreffende de goederen waarop de afwijking bedoeld in artikel 54, tweede lid, tweede zin, of de uitzondering opgenomen in ditzelfde artikel, derde lid, in fine, van toepassing zijn.
G. Boete (Wetboek, art. 59).
29. De aan het ontdoken recht gelijke boete is ook opeisbaar indien de vermelding, in of onderaan op de akte van verkrijging te stellen krachtens de nieuwe bepaling van artikel 55, eerste lid, 2°, c, van het Wetboek, onjuist is (geen bezit van onroerend goed dat bestemd is tot huisvesting).
II. Toepassing in de tijd van de wijzigingen geschetst onder I hierboven.
30. Uit artikel 45, § 1, 4°, van de wet van 19 juli 1979 en artikel 7 van het koninklijk besluit van 21 december 1979 blijkt dat de nieuwe wettelijke en reglementaire bepalingen betreffende de stelsels van de artikelen 53 tot 61^2 van het Wetboek van toepassing zijn op de akten die met ingang van 1 januari 1980 worden verleden.
De oude regels blijven bijgevolg van toepassing ter zake van de verkrijgingen die zijn vastgesteld bij een vóór 1 januari 1980 verleden authentieke akte (z. echter nr. 27 hierboven), zelfs indien de akte eerst na die datum ter registratie wordt aangeboden. Dat is ook waar indien de akte een onderhandse is (waarvoor bij de registratie toepassing van het gunststelsel wordt gevraagd), onverminderd echter het recht van de administratie om de dagtekening van de akte op grond van artikel 18 van het Wetboek te verwerpen.
31. De wijzigingen ter zake van de voorwaarde van bewoning of van exploitatie van het verkregen goed waarvan het behoud van het gunststelsel afhankelijk is, zijn vreemd aan de verkrijgingen die aan de oude regels onderworpen blijven : De termijn van drie jaar waarbinnen de bewoning of de exploitatie moet worden aangevangen, wordt niet verlengd indien hij nog niet verstreken is, noch vernieuwd indien hij wel verstreken is; de minimale duur van één jaar wordt niet verlengd, ongeacht of de bewoning of de exploitatie al aangevangen is dan wel nog niet. Er is geen vermeerdering verschuldigd indien het verminderde recht niet kan worden behouden wegens niet vervulling van de voorwaarde van bewoning of van exploitatie.
Wat voor diezelfde verkrijgingen het verbod betreft om een drankslijterij te openen in het verkregen goed, zie nr. 27 hierboven.
32. Ten zake van een woning verkregen bij een akte verleden vóór 1 januari 1980, maar waarvan het kadastraal inkomen nog niet was vastgesteld (Wetboek, art. 56), en ter zake van een bouwplaats voor een bescheiden woning verkregen bij een akte verleden vóór diezelfde datum (Wetboek, art. 57), blijkt uit artikel 58, derde lid, van het Wetboek, dat het kadastraal inkomen in aanmerking te nemen voor de verkregen woning of voor de op de verkregen bouwplaats opgerichte woning moet worden vastgesteld volgens de oude regels. De Administratie van het Kadaster zal dus na 1 januari 1980 een oud kadastraal inkomen voor een dergelijke woning vaststellen, ook indien de bewoning na 1 januari 1979 aangevangen werd of indien zij zal worden aangevangen binnen de oude termijn die was gesteld om te voldoen aan de verplichting tot bewoning. In al die gevallen moet het kadastraal inkomen van het oude type zo van de woning als van de bij de verkrijging reeds bezeten goederen (Wetboek, art. 54, 2de lid) vergeleken worden met het oud maximum kadastraal inkomen dat om de datum van de akte van verkrijging van toepassing was volgens de rangschikking van de gemeenten.
III. Regeling van de situatie de eerste tijd na de inwerkingtreding van de kadastrale perekwatie.
33. Wat de akten betreft die met ingang van 1 januari 1980 worden verleden, zal de vermindering van het recht, bedoeld in artikel 53, 1° en 2°, van het Wetboek, onmiddellijk bij de registratie van de akte van verkrijging kunnen worden toegestaan mits een uittreksel uit de kadastrale legger wordt voorgelegd dat het al of niet definitieve - geperekwateerde kadastraal inkomen van het verkregen goed vermeldt, indien dit geperekwateerde inkomen het nieuwe toepasselijke maximum kadastraal inkomen niet overschrijdt (z. inzonderheid art. 4, 1ste en 2de lid, nieuw, van het koninklijk besluit van 11 januari 1940).
Indien, eveneens wat die akten betreft, de Administratie van het Kadaster aan het goed een nieuw kadastraal inkomen heeft toegekend dat het toepasselijke maximum (z. hierboven) overschrijdt, maar dat nog niet definitief is (het werd nog niet betekend of de termijn voor reclamatie is nog niet verstreken of de reclamatie is nog in behandeling), dient artikel 56 van het Wetboek te worden toegepast. In dat geval kan het kadastraal uittreksel dat die Administratie zal afleveren, als gelijkstaande met de in artikel 56 bedoelde verklaring worden beschouwd. Zo na vaststelling van het definitief kadastraal inkomen van het verkregen goed het hierboven bedoeld maximum niet is overschreden, staat het aan de belanghebbenden die aanspraak kunnen maken op de teruggave als voorzien in artikel 58 (1ste lid) van bet Wetboek, een uittreksel uit de kadastrale legger met opgave van dat definitief inkomen over te leggen; de aanvraag om teruggave zal dan ten spoedigste worden behandeld.
34. Om praktische redenen zullen de uittreksels uit de kadastrale legger die de Administratie van het Kadaster de eerste tijd na de inwerkingtreding van de geperekwateerde kadastrale inkomens zal afleveren, vermelden of het inkomen al of niet het nieuw is. Verder is het zo dat wanneer de bevoegde diensten van die Administratie op het ogenblik van de aanvraag om afgifte van het uittreksel nog niét in het bezit zijn van de stukken (microfiches) met de geperekwateerde kadastrale inkomens, er evenwel een manueel gesteld uittreksel met het geperekwateerd inkomen zal kunnen bekomen worden door de notaris of de betrokkenen, mits in de aanvraag om afgifte formeel wordt gepreciseerd dat het uittreksel moet dienen inzake vermindering van registratierechtén (d.w.z. voor de toepassing van artikel 53 van het Wetboek of ook voor de toepassing van de artikelen 62 of 72 van het Wetboek).
Namens de Minister :
De Directeur generaal,
A. LACROIX
Bron: FisconetPlus
