Circulaire nr. Ci.RH.231/543.949 (AOIF 2/2005) dd. 11.01.2005

CIRC 11.01.05/1

Circulaire nr. Ci.RH.231/543.949 (AOIF 2/2005) dd. 11.01.2005


DIVIDEND
Interest van voorschotten

GELDLENING AAN EEN VENNOOTSCHAP
Kwalificatie als een geldlening

INTEREST VAN VOORSCHOTTEN
Herkwalificatie van interesten als dividenden

VOORSCHOT
Geldlening aan een vennootschap


Het begrip "geldlening" zoals bedoeld in art. 18, tweede lid, WIB 92. Zie ook circulaire CI.RH.231/543.949 (AOIF 2/2005) dd. 12.09.2007.

Aan alle ambtenaren van de niveaus 1, B en C.

I. INLEIDING
1. Het KB 20.12.1996 houdende diverse fiscale maatregelen, met toepassing van de art. 2, § 1 en 3, § 1, 2° en 3°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie (V 2484 - Bull. 769) bevat een reeks maatregelen met het oog op de bestrijding van de onderkapitalisatie van de vennootschappen.

In dit algemeen kader heeft art. 3, 2° van het voormeld KB 20.12.1996 art. 18, tweede lid, WIB 92 gewijzigd door in dit artikel het woord "vordering" te vervangen door het woord "geldlening".

De onderhavige circulaire bespreekt deze wijziging, die van toepassing is op de vanaf 01.01.1997 toegekende of betaalbaar gestelde inkomsten. Zij beoogt eveneens een aantal beoordelingselementen aan te reiken inzake de interpretatie van het begrip geldlening.

II. WETTEKST
2. "Art.18.- Dividenden omvatten :

(1° tot 3°)
4 ° interest van voorschotten wanneer één van volgende grenzen wordt overschreden en in de mate van die overschrijding :
  • ofwel de in artikel 55 gestelde grens,
  • ofwel wanneer het totaal bedrag van de rentegevende voorschotten hoger is dan de som van de belaste reserves bij het begin van het belastbare tijdperk en het gestort kapitaal bij het einde van dit tijdperk.
Als voorschot wordt beschouwd, elke al dan niet door effecten vertegenwoordigde geldlening verstrekt door een natuurlijk persoon aan een vennootschap waarvan hij aandelen bezit of door een persoon aan een vennootschap waarin hij een opdracht of functies als vermeld in artikel 32, eerste lid, 1°, uitoefent, alsmede in voorkomend geval, elke geldlening verstrekt aan die vennootschap, door hun echtgenoot of hun kinderen wanneer die personen of hun echtgenoot het wettelijk genot van de inkomsten van die kinderen hebben, met uitzondering van :
1° obligaties en andere gelijksoortige effecten uitgegeven door een openbaar beroep op het spaarwezen;
2° geldleningen aan coöperatieve vennootschappen die door de Nationale Raad van de Coöperatie zijn erkend;
3° geldleningen verstrekt door in artikel 179 vermelde vennootschappen (…)".
III. DRAAGWIJDTE
1. Algemeenheden

3. In het Verslag aan de Koning bij het voormeld KB 20.12.1996 wordt verduidelijkt dat het woord "vordering" wordt vervangen door het begrip "lening", wat verwijst naar een contract en dat voor de herkwalificatie van interesten in dividenden de lening betrekking moet hebben op geld.

4. In antwoord op de parlementaire vraag nr. 1427 van 25.6.1998 gesteld door de heer Volksvertegenwoordiger D. Pieters (Bull. 798, blz. 3445 tot 3448) heeft de Minister van Financiën erop gewezen dat het begrip "geldlening" moeilijk anders kan worden uitgelegd dan in de zin van art. 1895 van het Burgerlijk Wetboek (BW), daar :

  • het begrip geldlening niet wordt gedefinieerd in het WIB 92 en enkel voorkomt in art. 18, tweede lid, WIB 92; ook het begrip "lening" wordt in het WIB 92 niet gedefinieerd;
  • de terminologie die wordt gebruikt in voormeld art. 18, tweede lid, WIB 92 ("geldlening" - "pret d'argent"), praktisch dezelfde is als die van art. 1895, eerste lid, BW ("lening van geld" - "prêt en argent").
2. Het civielrechtelijke begrip "geldlening"

a) Algemeenheden
5. Een lening van geld is een verbruiklening of een eenvoudige lening. De verbintenis die voortvloeit uit een lening van geld, is steeds bepaald door de numerieke geldsom die in het contract is uitgedrukt (art. 1895, eerste lid, BW).

Een verbruiklening is een contract waarbij de ene partij een zekere hoeveelheid zaken die door het gebruik teniet gaan, aan de andere partij afgeeft, onder verplichting voor deze om aan de eerstgenoemde evenzoveel van gelijke soort en hoedanigheid terug te geven (art. 1892, BW).

Het gaat om een zakelijk en eenzijdig contract. Omdat het contract slechts tot stand komt bij de afgifte van de zaak verbindt enkel de ontlener zich tegenover de lener. In geval de ontlener zijn verplichtingen niet nakomt, kan de lener enkel de uitvoering in natura of in een gelijke tegenwaarde vragen maar niet de verbreking van het contract.

6. Inzake een lening is het de wil een ander een voordeel te laten genieten door middel van het gebruik van de zaak die de afgifte van deze zaak op economisch en juridisch vlak met zich meebrengt en rechtvaardigt.

Bij een verbruiklening kan de afgifte van de zaak geen betrekking hebben op de zaak zelf. De materiële afgifte is niet vereist; het volstaat dat de ontlener in het bezit is van de geleende zaak. De wijze van de inbezitstelling is van geen belang. Deze afgifte kan, onder meer, worden verwezenlijkt door vernieuwing van een vroegere lening.

De afgifte van een som geld aan de tegenpartij is een rechtsfeit en kan bijgevolg worden bewezen met alle rechtsmiddelen.

b) Bijzonder geval van de rekening-courant
7. De rekening-courant is gegroeid uit de bank- en handelspraktijk en is niet wettelijk geregeld.

Dienaangaande verduidelijkt De Page (T.V., blz. 117, 118) :

  • dat bankdeposito's (zicht- en termijndeposito's en rekening-courant) als leningen worden beschouwd;
  • dat het logisch is dat de door de bank gestorte interest gerechtvaardigd is omwille van het feit dat deze over het gestorte geld kan beschikken.
8. De schulden en de vorderingen die zijn ingeschreven op de rekening-courant moeten vervangbaar, liquide en opeisbaar zijn. Er is een vermenging van vorderingen in een boekhoudkundig geheel, waarvan enkel het saldo op een bepaald tijdstip opeisbaar zal worden (zie De Page, III, blz. 616 en 618).

9. Ter herinnering, het inschrijven van bezoldigingen op het credit van de rekening-courant van de verkrijger, met het akkoord of de toestemming van deze laatste, heeft wettelijk tot gevolg de eigendom ervan ipso facto in het patrimonium van de verkrijger over te dragen. Dergelijke inschrijving geldt als betaling (zie nr. 360/68, Com.IB 92).

3. Toepassing van art. 18, eerste lid, 4°, WIB 92

a) Beginselen
10. Er zijn vragen gerezen met betrekking tot de toepassing van art. 18, eerste lid, 4°, WIB 92, in de gevallen waarbij een som geld ter beschikking wordt gesteld van de vennootschap ingevolge het bestaan van één of andere schuld op het passief en waarbij uitstel van betaling (met al dan niet gespreide betaling) werd verleend, of zonder vervaldag en die werd afgesloten met een persoon zoals bedoeld in art. 18, tweede lid, WIB 92.

Wanneer voor de toepassing van art. 18, tweede lid, WIB 92 de belastingplichtige het bestaan van een geldlening ontkent, moet de Administratie in voorkomend geval aantonen dat de interest voortvloeit uit een dergelijke lening. Om het bestaan van een geldlening te bewijzen moet met alle bewijsmiddelen zoals vermeld in art. 340, WIB 92 worden aangetoond dat de vordering op de vennootschap de kenmerken van een dergelijk contract heeft.

11. Dienaangaande is het in de eerste plaats de bedoeling van de partijen die doorslaggevend is en de Administratie is niet gebonden door de kwalificatie die zij aan het contract hebben gegeven.

Bijgevolg moet ermee rekening worden gehouden dat de herkwalificatie in dividenden zich niet beperkt tot de interesten die worden toegekend in uitvoering van een contract van geldlening dat als dusdanig werd opgesteld onder de vorm van een geschreven akte zoals deze bij de Administratie is gekend.

Voor elk geval afzonderlijk moet het eventuele bestaan van een stilzwijgende overeenkomst van geldlening worden aangetoond. Het gaat er dus om, op basis van de gegevens uit het dossier, te onderzoeken of een bepaalde gekende verrichting die aanleiding heeft gegeven tot het ontstaan van een schuld ten name van de vennootschap (vb. : een verkoopovereenkomst) gepaard gaat met een contract van geldlening, dat verborgen blijft.

Deze onderzoeksdaden beogen elke vorm van simulatie aan te tonen, alsmede elk geval waarbij de partijen zich hebben vergist bij de kwalificatie van de gestelde verrichting.

b) Bewijs van het bestaan van een geldlening
12. Wanneer een bedrijfsleider van een vennootschap, via rekening-courant aan die vennootschap gelden ter beschikking stelt, ontstaat daardoor een overeenkomst die als een schuldvordering wegens geldleningen moet worden aangemerkt, zelfs wanneer dienaangaande geen uitdrukkelijke geschreven stukken worden opgesteld (zie PV nr. 29 van 30.3.1992 gesteld door de heer Volksvertegenwoordiger Bril, Bull. 721; Gent, 31.3.1999, zaak 1994/FR/91; Antwerpen, 5.9.2000, zaak 1996/FR/309). Het contract van geldlening kan dus stilzwijgend zijn.

Met uitzondering van de inschrijvingen die voortvloeien uit een uitdrukkelijke leningovereenkomst, waarvoor het principe van de eventuele herkwalificatie van interesten in dividenden van toepassing is, zal een herkwalificatie moeten worden overwogen met betrekking tot elk bedrag dat op het credit van de rekening-courant wordt geboekt, met dien verstande evenwel dat de wil om deze sommen uit te lenen (en de eventuele herkwalificatie van interesten in dividenden) redelijkerwijs alleen maar zal kunnen worden weerhouden voor het laagste creditsaldo van de rekening (na aftrek van de inschrijvingen die het gevolg zijn van een overeenkomst van geldlening) op enig ogenblik van het belastbare tijdperk.

13. Interesten komen voor herkwalificatie in dividenden in aanmerking wanneer zij voortvloeien uit elke som geld die ter beschikking wordt gesteld van de vennootschap met de verplichting tot terugbetaling ervan, en dit van zodra bij de schuldeiser de wil aanwezig is de vennootschap te bevoordelen door het gratis ter beschikking stellen van deze gelden.

Men kan bijvoorbeeld te maken hebben met een geldlening wanneer de betalingsvoorwaarden met betrekking tot één of andere prijs die tussen de partijen zijn overeengekomen van die aard zijn dat men te maken heeft met een werkelijke financieringsformule (vb. : de aankoop door de vennootschap van cliënteel tegen een prijs die betaalbaar is over of binnen 20 jaar, met toekenning van interesten - zie dienaangaande ook het nr. 19/28, tweede gedachtestreep, Com.IB 92).

Het is eveneens van belang de in de vennootschap gangbare praktijken te vergelijken met de bijzondere betalingsvoorwaarden die zij heeft vastgesteld voor de schulden die ze heeft ten aanzien van personen zoals bedoeld in art.18, tweede lid, WIB 92.

Het niet respecteren van vervaldagen inzake de betaling door de vennootschap en het gebrek aan enig verhaal ten name van de schuldeiser met betrekking tot de inning van zijn vervallen vordering vormen eveneens nuttige beoordelingselementen.

14. In geval van verkoop van een goed aan de vennootschap legt art. 1650, BW de koper de verplichting op om de prijs te betalen op de dag en op de plaats die bij de koop is bepaald. Indien hieromtrent in de verkoopovereenkomst niets is bepaald, moet de koper, in beginsel, overeenkomstig art. 1651, BW de prijs betalen op de dag en op de plaats die bepaald is voor de levering.

Indien de prijs onbetaald blijft of indien de partijen geen bijzondere modaliteiten met betrekking tot een uitgestelde betaling hebben vastgelegd, kan het volledig karakter van de verkoop in vraag worden gesteld en moet enkel worden beschouwd dat de verkoopprijs geacht werd betaald te zijn geweest en vervolgens terug ter beschikking werd gesteld van de vennootschap door middel van een stilzwijgende geldlening. In werkelijkheid is de vennootschap, ingevolge de niet betaling van de overeengekomen prijs, in het bezit gekomen van de geleende zaak, meer bepaald de liquide middelen die niet werden teruggevorderd.

Bijgevolg zou een herkwalificatie in dividenden kunnen worden doorgevoerd met betrekking tot de interesten die werden toegekend ingevolge de verkoop van één of ander goed aan de vennootschap wanneer geen betalingstermijn is vastgelegd voor de betaling van de prijs of wanneer deze betalingstermijn abnormaal lang is.

15. Het feit dat de vennootschap niet beschikt over liquide middelen om een lening, die werd afgesloten met een persoon zoals bedoeld in art. 18, tweede lid, WIB 92, terug te betalen zal het bestaan van een geldlening versterken. Immers, in het geval van een onmiddellijke opeising van de betaling door de schuldeiser, zou de betrokken vennootschap een alternatieve betalingswijze hebben moeten overwegen, eventueel aan te gaan bij een financiële instelling.

Indien de vennootschap dienaangaande bevestigt dat financiële instellingen haar een lening hebben geweigerd, benadrukt dit enkel de noodzaak voor de vennootschap om te beschikken over liquide middelen ingevolge een overeenkomst aangegaan met andere partijen, waaronder de personen zoals bedoeld in art.18, tweede lid, WIB 92.

16. Bovendien moet de aandacht worden gevestigd op de redenen die door de financiële instelling worden aangehaald voor een dergelijke weigering. Indien één van deze redenen een ontoereikendheid aan waarborgen vanwege de vennootschap is en wanneer de vordering van de bedrijfsleider van de vennootschap (of zijn echtgenote of hun kinderen) is ontstaan ingevolge de verkoop van een bestanddeel uit zijn privé-vermogen aan de vennootschap die hij bestuurt, zullen de taxatiediensten met bijzondere aandacht onderzoeken of er een overeenstemming is tussen de overeengekomen prijs bij de overdracht en de reële waarde van het verworven goed.

17. Art. 344, § 1, WIB 92, zal in bepaalde gevallen van toepassing kunnen zijn wanneer de vastgestelde overeenkomst, gelet op hetgeen voorafgaat, niet kan worden gekwalificeerd als een geldlening.

NAMENS DE MINISTER :
Voor de Administrateur-generaal
van de Belastingen en de Invordering :
De Auditeur-generaal van financiën,

G. DELSOIR