Circulaire 2023/C/2 over het belastingstelsel van de vergoedingen voor vrijwilligerswerk. Hoedanigheid van de opdrachtgever
27ste addendum bij de circulaire nr. Ci.RH.241/509.803 van 05.03.1999 – Belastingstelsel van de vergoedingen voor vrijwilligerswerk.
Aanpassing van de fiscale richtlijnen inzake de hoedanigheid van de opdrachtgever aan de bepalingen van de Wet van 03.07.2005 betreffende de rechten van de vrijwilligers.
vrijwilliger ; vergoeding voor vrijwilligerswerk ; belastingstelsel
FOD Financiën, 03.01.2023
Algemene Administratie van de Fiscaliteit – Personenbelasting
I. Inleiding
1. Het belastingstelsel van de vergoedingen voor vrijwilligerswerk wordt besproken in verschillende circulaires (1).
(1) Namelijk de circulaire Ci.RH.241/509.803 van 05.03.1999 en de addenda daaraan.
2. Deze fiscale regeling sluit zo nauw mogelijk aan bij het sociale stelsel, dat is geregeld met de wet van 03.07.2005 betreffende de rechten van vrijwilligers (2)
(2) W 03.07.2005, hierna 'de vrijwilligerswet'.
3. Dit addendum stekt ertoe de fiscale richtlijnen inzake de hoedanigheid van de opdrachtgever (3), in het bijzonder wat de verenigingen zonder winstoogmerk betreft, in overeenstemming te brengen met de vrijwilligerswet (4).
(3) De hoedanigheid van de opdrachtgever wordt besproken in het nr. 4 van de circulaire van 05.03.1999 en het nr. 4 van het 13e addendum van 14.05.2014 bij die circulaire (zie ook titel III hierna).
(4) Zie titel II hierna.
II. Sociale wetgeving
4. De vrijwilligerswet bepaalt dat onder 'organisatie' wordt verstaan:
'elke feitelijke vereniging of private of publieke rechtspersoon zonder winstoogmerk die werkt met vrijwilligers (, waarbij onder feitelijke vereniging wordt verstaan elke vereniging zonder rechtspersoonlijkheid van twee of meer personen die in onderling overleg een activiteit organiseren met het oog op de verwezenlijking van een onbaatzuchtige doelstelling, met uitsluiting van enige winstverdeling onder haar leden en bestuurders, en die een rechtstreekse controle uitoefenen op de werking van de vereniging)' (5).
(5) Art. 3, 3°, van de vrijwilligerswet.
5. Op sociaal vlak is het voor de toepassing van de vrijwilligerswet essentieel dat de organisatie een belangeloos doel nastreeft en er geen verrijking van de leden plaatsvindt.
6. Het feit dat een vereniging een commerciële activiteit heeft, speelt daar geen rol indien de organisatie een belangeloos doel nastreeft en er geen sprake is van verrijking van de leden (6).
(6) Vennootschapsrechtelijk moet een vereniging een belangeloos doel nastreven in het kader van één of meer welbepaalde activiteiten die zij tot voorwerp heeft. Zij mag rechtstreeks noch onrechtstreeks enig vermogensvoordeel uitkeren of bezorgen aan de oprichters, de leden, de bestuurders of enig andere persoon behalve voor het in de statuten bepaald belangeloos doel.
7. Een vzw kan aldus commerciële activiteiten verrichten om middelen te genereren ten behoeve van haar belangeloos doel en beroep doen op vrijwilligers.
8. Het feit dat zij zijn onderworpen aan de rechtspersonenbelasting of de vennootschapsbelasting, is op sociaal vlak niet relevant.
III. Fiscale richtlijnen
9. De circulaire van 05.03.1999 en haar addenda (7) bepalen de hoedanigheid van de opdrachtgever.
(7) Zie nr. 4 van de circulaire van 05.03.1999 en het nr. 4 van het 13e addendum aan die circulaire.
10. Wat de rechtspersonen betreft, mag het overeenkomstig die bepalingen niet gaan om rechtspersonen die een onderneming exploiteren of zich bezighouden met verrichtingen van winstgevende aard.
11. De rechtspersonen die dat wel doen en die aan de vennootschapsbelasting zijn onderworpen, worden door de circulaire uitgesloten van de toepassing ervan.
12. Een vzw onderworpen aan de vennootschapsbelasting is op basis van die bepalingen dus automatisch uitgesloten van het toepassingsgebied van de circulaire.
13. Gelet op de bekommernis om in deze materie een parallellisme met de sociale zekerheid te behouden, wordt het voormelde fiscale standpunt door middel van deze circulaire bijgestuurd (8).
(8) Zie ook parlementaire vragen nr. 532 van 06.07.2021 en nr. 668 van 08.10.2021 van de heer Matheï.
14. Concreet betekent dit dat vzw's die zich bezighouden met verrichtingen van winstgevende aard, en die aan de vennootschapsbelasting zijn onderworpen, toch kunnen worden aangemerkt als opdrachtgever in de zin van de vrijwilligerscirculaire van 05.03.1999.
Uiteraard moet de vzw wel een belangeloos doel nastreven en mag er geen verrijking van de leden plaatsvinden.
IV. Inwerkingtreding
15. Dit addendum treedt onmiddellijk in werking en dat in elk stadium van de procedure.
Interne ref.: 730.318
