Circulaire nr. 6/2010 d.d. 26.03.2010

(Circulaire AFZ nr. 3/2010)

Waals Gewest – Begrippen echtgenoot en wettelijk samenwonende – Onroerende landgoederen en bescheiden woningen – Schenkingsrecht – Schenking van een onderneming – Schenking van landbouwgronden – Aandeelhouderschapsovereenkomst

Federale Overheidsdienst FINANCIEN

Patrimoniumdocumentatie

Kadaster, Registratie en Domeinen

Administratie van Fiscale Zaken

4de dienst – 2de directie

4 bijlagen

Decreet van 10 december 2009 houdende fiscale billijkheid en milieuefficiëntie voor het wagenpark en de passiefhuizen

Registratierechten

Inhoudsopgave

  1. Inleiding

  2. 1. Begrippen echtgenoot en wettelijk samenwonende (art. 50bis en 131 W.Reg.Wl.)

  3. 2. Onroerende landgoederen – Bescheiden woningen

    1. 2.1. Toepassingsgebied

    2. 2.2. Rekening houden met de lokalisatie van het onroerend goed – Progressief recht

    3. 2.3. Uitsluitingsregels

      1. 2.3.1. Maximum kadastraal inkomen

        1. 1. Kadastraal inkomen van de verkregen goederen

        2. 2. Kadastraal inkomen van de verkregen onroerende goederen en van de reeds bezeten onroerende goederen

          1. 2.1. Beginselen

          2. 2.2. Enkel in blote eigendom bezeten onroerend goederen verkregen uit de nalatenschap van een ascendent

          3. 2.3. Bezeten onroerende goederen op het tijdstip van de aankoop tegen het verlaagd tarief en bestemd om te worden afgestaan – Inschrijving in het Wetboek van de administratieve tolerantie

          4. 2.4. Andere gevallen – Ongezonde/Onbewoonbare onroerende goederen

      2. 2.3.2. Verlaagd recht voor een bescheiden woning en bezit, op het ogenblik van de verkoop, van onroerende zakelijke rechten op onroerende goederen die geheel of gedeeltelijk tot bewoning zijn bestemd

        1. 1. Beginselen

        2. 2. Uitzonderingen

      3. 2.3.3. Art. 57, W.Reg.Wl. – Voorwaarde betreffende de verkoopwaarde van de opgerichte constructie

    4. 2.4. Bijkomende vermeldingen – Anti-misbruik maatregel – Boete

    5. 2.5. Inschrijving in het bevolkings- of vreemdelingenregister

    6. 2.6. Niet vervulling van de voorwaarden – Verlies van het voordeel van het verlaagd recht – Overmacht – Dwingende redenen

  4. 3. Schenkingsrecht

    1. 3.1. Echtgenoten – Wettelijk samenwonenden

    2. 3.2. Schenking van een onderneming

      1. 3.2.1. Vereenvoudigde controle van de voorwaarden gesteld voor de toepassing van het verlaagd recht – Art. 140bis, § 2, 3°, nieuw en art. 140quinquies, § 1, 4° en 5° nieuw, W.Reg.Wl. – In werking op 01.01.2010

        1. 1. Voorafgaande controle

        2. 2. Controle achteraf

      2. 3.2.2. Schenking van landbouwgronden – Versoepeling van het stelsel – In werking 23.12.2009 – Art. 140bis, § 1, 1°, laatste lid W.Reg.W

        1. 1. Toepassingsgebied

          1. 1.1. Bedoelde goederen

          2. 1.2. Bedoelde rechthebbenden

        2. 2. Gevolgen van de twee ficties

        3. 3. Niet-naleving van de voorwaarden – Gevolgen

        4. 4. Inwerkingtreding

      3. 3.2.3. Aandeelhouderschapsovereenkomst – versoepeld stelsel

      4. 3.2.4. Technische verbeteringen

  5. 4. Inwerkingtreding

Bijlage 1: Uittreksel uit het Belgisch Staatsblad van 23.12.2009

Bijlage 2: Gecoördineerde teksten van de gewijzigde en van de nieuwe bepalingen in het W.Reg.Wl.

Bijlage 3: Wetboek van Internationaal Privaatrecht (W. IPR) (uittreksels – art. 4 en 21; hoofdstukken III en IV)

Bijlage 4: Lijst van de zones met een hoge of zeer hoge vastgoeddruk

Inleiding

In het Belgisch Staatsblad van 23.12.2009 werd het voornoemde Waals decreet bekendgemaakt. Het wijzigt een aantal bepalingen zowel op het vlak van registratie- als van successierechten.

In deze circulaire wordt een eerste commentaar verstrekt bij de bepalingen inzake registratierechten. De wijzigingen inzake successierechten zullen behandeld worden in een andere (samenvattende) circulaire.

Het decreet herdefinieert de begrippen echtgenoot en wettelijk samenwonende en dit zowel in het kader van het recht op de overdracht ten bezwarende titel dat vervat is in de artikelen 44 tot 75, als in het kader van het schenkingsrecht.

Het wijzigt het stelsel van de kleine landeigendommen en bescheiden woningen: de voorwaarden voor toepassing ervan worden herzien (met de waarde van het verkregen of gebouwde onroerend goed wordt ook rekening gehouden, evenals met de toestand ervan); het principe dat ten grondslag lag aan de administratieve tolerantie aangaande de reeds bezeten onroerende goederen wordt in het Wetboek ingeschreven, maar de wijze van toepassing wordt omgekeerd (onmiddellijke toekenning van het verlaagd tarief op de authentieke akte, onder de voorwaarde van vervreemding binnen een voortaan strikt bepaalde termijn die wordt vastgesteld in het Wetboek); een aantal nieuwe vermeldingen worden vereist.

Het stelsel van de schenking van een onderneming wordt eveneens gewijzigd. Langs de ene kant wordt het versoepeld, meer bepaald wat betreft de landbouwgronden, en van de andere kant vervalt de vereiste van een aandeelhouderschapsovereenkomst in geval de stemrechten in het bezit zijn van sommige verwanten. Bovendien wordt de door de ontvanger uit te voeren controle vereenvoudigd.

Het merendeel van die wijzigingen is in werking getreden op 23.12.2009, de overige zijn in werking getreden op 01.01.2010.

1. Begrippen echtgenoot en wettelijk samenwonende (art. 50bis en 131 W.Reg.Wl.)

In het Wetboek werd een artikel 50bis ingevoegd dat de begrippen echtgenoot en wettelijk samenwonende definieert voor de toepassing van de artikelen 44 tot 75 W.Reg.Wl. Die definitie wordt herhaald in artikel 131 W.Reg.Wl. voor wat het schenkingsrecht aangaat (1).

----------

(1) Dezelfde wettelijke definities werden ook in het W.Succ.W. ingeschreven (cf. nieuw art. 3, W.Succ.Wl.).

Voor wettelijk samenwonen wordt geen minimumduur meer bepaald. De reeds bestaande voorwaarde van het hebben van een gemeenschappelijke woonplaats blijft behouden. Die voorwaarde moet vervuld zijn op de dag van, naargelang het geval, de verkoop of de schenking. De tekst is duidelijk het gaat om de woonplaats stricto sensu, niet om de gebruikelijke verblijfplaats in het geval deze zou gevestigd zijn op een andere plaats dan de (officiële) woonplaats van de samenwonenden.

Bovendien wordt, zowel wat het begrip echtgenoot als wat het begrip wettelijk samenwonende betreft, voortaan niet enkel met het Burgerlijk Wetboek rekening gehouden maar ook met het Wetboek van Internationaal Privaatrecht (waarvan de artikelen 4 en 21 evenals de hoofdstukken III en IV hernomen worden in bijlage 3).

2. Kleine landgoederen – Bescheiden woningen

De wijziging van het stelsel beoogt het toespitsen ervan op landgoederen en woningen die werkelijk aan het predicaat "klein" of "bescheiden" beantwoorden, wat noodzakelijkerwijze meebrengt dat de toepassingsvoorwaarden worden verstrengd. De Waalse decreetgever heeft echter bij het herbekijken van onder meer de uitzonderingen ook meer aandacht geschonken aan bepaalde bijzondere gevallen (bijvoorbeeld het bezit van een ongezonde/onbewoonbare woning of het bezit in blote eigendom van een onroerend goed, woning of ander, verkregen uit de nalatenschap van een ascendent, ...).

Om het stelsel aldus toe te spitsen heeft de Waalse decreetgever:

1° het voordeel willen beperken tot één woning (waarvan men het genot heeft), meer bepaald door voortaan ook rekening te houden met zakelijke rechten op woningen (of onroerende goederen met gemengd gebruik waaronder bewoning) gelegen in het buitenland;

2° bovenop de bestaande (en lichtjes aangepaste) voorwaarde inzake het maximum kadastraal inkomen van de verkregen en reeds bezeten onroerende goederen, een toepassingsmodaliteit toegevoegd die rekening houdt met de verkoopwaarde van het verkregen (art. 53) of het gebouwde (art. 57) onroerend goed;

  • in het kader van artikel 53 is het verlaagd recht van toepassing tot beloop van een bepaalde maximum. Op het deel van de verkoopwaarde dat dit maximum overschrijdt is het gewoon recht van toepassing;

  • in het kader van artikel 57 vormt de overschrijding van het maximum van de verkoopwaarde van de constructie (=opgerichte woning) een grond van uitsluiting;

  • in beide gevallen,

    • schommelt dat maximum volgens het soort gebied waarbij de gemeente waar het onroerend goed is gelegen, is ingedeeld. Die indeling is gebaseerd op de lokale vastgoeddruk (gebieden met zeer hoge, hoge en normale – d.w.z. noch zeer hoge, noch hoge – vastgoeddruk. De maximumwaarde geldt voor een volledig kalenderjaar, rekening houdende met het statuut van de gemeente op 1 juli van het jaar dat voorafgaat aan de verkoop;

    • wordt voor de drie categorieën van gemeenten die waarde ieder jaar geïndexeerd;

    • de in aanmerking te nemen maximumwaarde is die geldend tijdens het jaar dat de verkoopovereenkomst wordt gesloten, ook wanneer het de toepassing van artikel 57 betreft.
      N.B. in geval van voorgaande verkoop van hetzelfde onroerend goed tussen dezelfde partijen en eveneens vallend onder de toepassing van artikel 53 of van artikel 57, moet gekeken worden naar de maximumwaarde geldend tijdens het jaar van de oorspronkelijke aankoop indien de voorgaande overeenkomst in der minne werd ongedaan gemaakt binnen de twaalf maanden voor de verkoop vervat in de aangeboden akte.

3° een tweeledige anti-misbruik maatregel bepaald (littera e, nieuw, van artikel 55, eerste lid, 2°) door volgende vermeldingen op te leggen:

  • de datum van de verkoopovereenkomst (onderhandse akte) vervat in de aangeboden akte;
  • in voorkomend geval het bestaan van een voorgaande verkoop van hetzelfde onroerend goed, tussen dezelfde partijen, die eveneens in aanmerking kwam voor de toepassing van artikel 53 of 57, evenals de datum van die voorgaande overeenkomst, als ze in der minne werd ongedaan gemaakt binnen de twaalf maanden voor de verkoop die ter registratie wordt aangeboden.

Deze bijkomende vermeldingen beogen meer in het bijzonder het tegengaan van het ongedaan maken van een overeenkomst met het oog op hetzij een verhoogde in aanmerking te nemen maximumwaarde ingevolge de indexatie ervan, hetzij een latere meer voordeel meebrengende herindeling van de gemeente van ligging van het onroerend goed.

In geval van een onjuiste vermelding "verbeurt elke contracterende partij individueel een boete gelijk aan het ontdoken recht" (art. 204 juncto art. 59, tweede lid, nieuw).

Tenslotte heeft de Waalse decreetgever de administratieve tolerantie betreffende de reeds bezeten onroerende goederen in het Wetboek opgenomen, waarbij hij de vroegere tolerantie hoofdzakelijk in het voordeel van de verkrijgers heeft aangepast (zie hierna; 2.3.1.2.3.).

Deze aandachtspunten worden hierna verder geanalyseerd.

2.1. Toepassingsgebied

Wat het toepassingsgebied betreft zijn de voornaamste verschillen met de vroegere regels, vooreerst de nieuwe regel van gelijke behandeling van echtgenoten en wettelijk samenwonenden (2) en vervolgens de nieuwe regel die meebrengt dat de toepassing van het verlaagd verkooptarief hetzij wordt beperkt tot een deel van de belastbare grondslag, hetzij wordt uitgesloten, in het geval dat de verkoopwaarde van het verkochte onroerend goed (art. 53) of van het opgericht gebouw (art. 57) een in het Wetboek bepaald en geïndexeerd maximum, dat varieert volgens de categorie van vastgoeddruk waarbij de gemeente van ligging van het onroerend goed is ingedeeld, overschrijdt.

----------

(2) Behalve, in hoofde van de wettelijk samenwonenden, de vereiste van een gemeenschappelijke woonplaats opgelegd door artikel 50bis W.Reg.Wl.

Voor het overige is het toepassingsgebied van het stelsel van het verlaagd verkooprecht relatief ongewijzigd gebleven.

Inderdaad, zoals in het verleden, vindt dat stelsel toepassing op de verkopen in brede zin, aan natuurlijke personen van de eigendom van landeigendommen en woningen gelegen in het Waals Gewest, mits het kadastraal inkomen (K.I.) van die goederen een bepaald maximum (3) niet te boven gaat. De beperking tot verkoop aan natuurlijke personen is nu wel uitdrukkelijk in het nieuwe artikel 53, W.Reg.Wl. ingeschreven.

----------

(3) Rep. R.J., R 53, 1°/02-01; Rép. not., nr.364; Circ. nr. 5/1990; F Werdefroy, Registratierechten, II, nr. 766.

Dat brengt mee, in voorkomend geval met voorbehoud evenwel van de wijzigingen die de wettelijk samenwonenden betreffen, dat ondermeer de volgende administratieve beslissingen van toepassing blijven:

    1. a) de verkrijging van een goed door twee echtgenoten, zelfs gescheiden van goederen, de ene voor de blote eigendom en de andere voor het vruchtgebruik, kan genieten van het verlaagd tarief, mits de overige voorwaarden vervuld zijn (4);
    2. b) het verlaagd tarief kan ook van toepassing zijn in geval van aankoop van het vruchtgebruik door de blote eigenaar wanneer die verkrijging onderworpen is aan het evenredig recht (5);
  1. in geval van aankoop in onverdeeldheid van het geheel van een woning door een natuurlijke persoon en een rechtspersoon, kan de natuurlijke persoon genieten van het verlaagd tarief (6).

----------

(4) Cf. Cursus registratie-, hypotheek- en griffierechten, Fod Financiën, uitgave 01.01.2008 (hierna: Cursus ..., nr. ...) (beschikbaar op www.fisconet.be), blz. 200, nr. 257^2, Rép. R.J., R, 53/01-01.

(5) De vermindering kan ook van toepassing zijn (z. Cursus ..., nr. 257^2, C, noot onderaan op de blz.):

  • - op de aankoop van een onroerend goed in zijn geheel, door twee of meer personen in onverdeeldheid (vgl. Rep.RJ, R 53, 2°, nrs. 05-03 en 07-05 en R 54, nr. 02-05);
  • - op de aankoop van een onverdeeld deel, wanneer de koper door die aankoop eigenaar wordt van het gehele goed (gesteld althans, dat artikel 113 W.Reg. van toepassing is; zie Rep.RJ, R 54, nr. 02.02);
  • - op de aankoop, door een echtgenoot of door het gemeenschappelijk vermogen, van een onverdeeld deel van een goed waarvan het overige toebehoort aan de andere echtgenoot (Rep.RJ, R 54, nr. 02.01);
  • - op de aankoop van een woning, met een onverdeeld deel in een goed dat dient of dienen moet als aanhorigheid van die woning en van andere onderscheiden erven (Rep.RJ, R 54, nr.02.04).

(6) Rep. R.J., R 53, 2°/13-01 en Rep. R.J., R 54/02-07, T. Not. 2002, blz. 766, F. Werdefroy, Registratierechten, II, nr. 765^2.

De maximum-K.I.'s zijn voortaan in artikel 53bis nieuw van het Wetboek vermeld. Bij gevolg zijn een aantal artikelen van het ad hoc K.B. (door het decreet zelf) opgeheven wat betreft de in het Waals Gewest te lokaliseren verrichtingen.

Niettegenstaande, zoals voorheen ook het geval was, de tekst van de artikelen 53 en 57 nieuw, enkel uitdrukkelijk spreekt van "verkopen" blijft het zo dat de verlaging van toepassing kan zijn op alle verrichtingen – ongeacht hun kwalificatie – die aan het verkooprecht zijn onderworpen (ruil, afstand van onverdeelde delen vallende onder toepassing van artikel 113, overeenkomsten die vallen onder de toepassing van de artikelen 129 of 130 W. Reg.) (7).

----------

(7) Cf. Cursus, ..., blz 156, nr 257^1, E; F. Werdefroy, Registratierechten, II nrs. 749 en 804^4; Rec. gén. enr. not., nrs. 24.321, 15.092 en 17.821, Rep. RJ, R 72/06-02.

Tenslotte verandert er evenmin iets aan de definitie van de begrippen kleine landeigendommen en bescheiden woningen.

2.2. Rekening houden met de lokalisatie van het onroerend goed – Progressief recht

De bedoeling van de Waalse decreetgever was het stelsel toe te spitsen op de werkelijk bescheiden tot middelmatige woningen. Daartoe wordt er opnieuw rekening gehouden met de lokalisatie van het onroerend goed (art. 53ter en 57bis) en wordt er, in het kader van de verkoop van een bescheiden woning of een kleine landeigendom, een grote nieuwigheid ingevoerd doordat het recht praktisch gezien in heel wat gevallen progressief wordt gemaakt (art. 53) (8).

----------

(8) Merk op dat deze tweede nieuwigheid niet van toepassing is wanneer het gaat om de bouw van een bescheiden woning.

Inderdaad, daar waar het verlaagd recht van 5 of 6% voorheen werd toegepast op de totale waarde van het onroerend goed, zal het voortaan nog enkel toegepast worden op een eerste schijf tot beloop van een maximum bedrag bepaald in artikel 53ter. Dat maximum schommelt bovendien naargelang de gemeente van ligging van het onroerend goed gekwalificeerd is als een gebied met zeer hoge, hoge of normale (noch zeer hoge, noch hoge) vastgoeddruk (maxima nu vastgesteld op respectievelijk 210.000, 200.000 en 191.000 euro). Het deel van de heffingsgrondslag dat het maximum te boven zal voortaan onderworpen zijn aan het tarief bepaald in artikel 44.

Hetzelfde geldt voor de kleine landeigendommen.

In geval van verkoop van een onverdeeld deel wordt het overeenkomstig het gebied van ligging van het onroerend goed toepasselijke maximum verminderd in verhouding met het verkochte deel (art. 53ter, § 1, vijfde lid). Deze verhoudingsgewijze vermindering van het maximum geldt ook wanneer het gaat om de verkoop van de blote eigendom.

In het kader van een onder artikel 53 vallende verkoop is het verlaagd recht van 6% of van 5% enkel van toepassing op een schijf van de belastbare grondslag (9) die het overeenkomstig artikel 53ter van toepassing zijnde maximum niet overschrijdt; het deel van de belastbare grondslag dat vermeld maximum overschrijdt wordt belast aan het tarief van 12,50% of 10% (10) (theoretisch).

----------

(9) De tekst, net zoals die van artikel 57 trouwens – voegt eraan toe dat het gaat om de aanslagbasis "vastgelegd overeenkomstig de artikelen 45 tot 50". Dat houdt enkel een bevestiging in van de algemene regel.

(10) De overeenstemming (althans heden) van de bedragen bedoeld in artikel 53ter nieuw met de plafonds die van toepassing zijn voor toekenning van de leningen die recht geven op het tarief van 5%, heeft tot gevolg dat het tarief van 10% de facto niet van toepassing kan zijn in het kader van artikel 53, nieuw W.Reg.Wl., met uitzondering van, misschien, op de eventuele lasten (in de zin van artikel 45, W.Reg.Wl.) en behoudens het optrekken van de toepassingsdrempel van deze leningen omwille van familiale redenen.

Daarentegen vormt in het kader van artikel 57 de waarde van de gebouwde woning (= opgerichte constructie) zonder de bouwgrond, beschouwd op de datum van de verkrijging van de bouwgrond, een criterium van uitsluiting (zie 2.3.3.). De op de belastbare grondslag van de bouwgrond toe te passen tarief belasting bedraagt dus ofwel 6 (of 5)% ofwel dat bepaald in artikel 44.

Ook hier wordt, al is dat niet uitdrukkelijk in de tekst voorzien, het maximum in voorkomend geval verminderd in verhouding tot het verkochte deel.

De ligging van het goed bepaalt het bedrag van het maximum tot beloop waarvan het verlaagd recht wordt toegepast. Het nieuwe artikel 53ter bepaalt dat dit maximum varieert naargelang de gemeente waar het onroerend goed gelegen is aangemerkt wordt als een gebied met zeer hoge vastgoeddruk, hoge vastgoeddruk, of geen van beide voorgaande. Om te weten bij welk soort gebied de gemeente is ingedeeld, moet gekeken worden naar de indeling op 1 juli van het kalenderjaar dat voorafgaat aan dat waarin de verkoop geschiedt. Het statuut van een gemeente is dus gedurende het lopende jaar onveranderlijk.

Voor de verkopen die in de periode van 23 tot 31.12.2009 werden gesloten en voor die welke in de loop van 2010 zijn of zullen worden gesloten, wordt in bijlage 4 de respectieve indeling van de gemeenten gegeven.

De maxima tot beloop waarvan de verlaagde tarieven van 5 of 6% van toepassing zijn worden jaarlijks geïndexeerd. De indeling van de gemeenten bij de onderscheiden vastgoeddrukgebieden (zeer hoog, hoog, normaal) kan ook jaarlijks worden aangepast. Deze aanpassingen zullen in het Belgisch Staatsblad worden bekend gemaakt.

Behalve inzake de vereiste van een gemeenschappelijke woonplaats voor wettelijk samenwonenden, worden wettelijk samenwonenden voortaan op dezelfde wijze als gehuwden behandeld. Dat betreft zowel de aanspraak op het verlaagd recht, als de te vervullen voorwaarden en de mate waarin met de reeds bezeten onroerende goederen moet rekening gehouden worden.

N.B.

  1. 1) Het feit dat het besluit van de Waalse regering (BWR) waarnaar in de wettekst wordt verwezen (11) werd gewijzigd bij een ander BWR (12), stelt actueel geen probleem omdat rekening wordt gehouden met de indeling van de gemeenten op 1 juli van het kalenderjaar dat voorafgaat aan dat waarin de verkoop werd gesloten.

  2. 2) In tegenstelling tot wat geldt voor het maximum toelaatbaar K.I. wijzigen de waarden bepaald in de artikelen 53ter en 57bis niet naargelang het aantal kinderen ten laste.

----------

(11) BWR van 25 februari 1999 betreffende hypothecaire leningen en huurhulp van het Fonds voor huisvesting van kindrijke families in Wallonië.

(12) BWR van 15 december 2009 tot wijziging van het besluit van de Waalse Regering van 20 december 2007 houdende het reglement van de hypotheekleningen van de "Société wallonne de Crédit social" (Waalse Maatschappij voor Sociaal Krediet) en de "Guichets du Crédit social" (Sociale Kredietloketten) (Belgisch staatsblad van 06.01.2010). Het BWR van 20 december 2007 had zelf dat van 25 februari 1999 gewijzigd.

2.3 Uitsluitingsregels

De uitsluitingsregels betreffen hoofdzakelijk het maximum kadastraal inkomen van de verkregen en van de reeds bezeten onroerende goederen, evenals het bezit van onroerende zakelijke rechten in onroerende goederen die geheel of gedeeltelijk tot bewoning zijn bestemd.

Enkel in het kader van artikel 57 W.Reg.Wl. bestaat een bijkomende uitsluitingsregel die gekoppeld is aan de verkoopwaarde van de gebouwde woning.

Zowel wat betreft de berekening van het maximum K.I. van de verkregen en van de reeds bezeten goederen (zie verder, 2.3.2.2.) als wat betreft het bezit van onroerende zakelijke rechten (zie 2.3.2.) wordt voortaan ook rekening gehouden met de onroerende goederen of onroerende zakelijke rechten van de eventueel met de verkrijger wettelijk samenwonende.

Zoals reeds vermeld definieert artikel 50bis een wettelijk samenwonende als: "de persoon die op het moment van de overdracht dezelfde woonplaats had als de verkrijger en zich met hem in een relatie van wettelijk samenwonenden bevond overeenkomstig de bepalingen van boek III, titel Vbis, van het Burgerlijk Wetboek, alsook de persoon die op het moment van de overdracht dezelfde woonplaats had als de verkrijger of zijn gewone verblijfplaats met de verkrijger deelde, in de zin van artikel 4 van het Wetboek van Internationaal Privaatrecht, en zich met hem in een relatie van samenleven bevond overeenkomstig Hoofdstuk IV van hetzelfde Wetboek".

De termen "op het moment van de overdracht" worden niet gedefinieerd. Vermits het registratierecht vooral de overeenkomst die de overdracht van het onroerend goed vaststelt treft en niet zozeer de overdracht zelf (13), moeten, volgens het Waals Gewest die termen geïnterpreteerd worden in de betekenis van "op de datum van de overeenkomst", dus, in voorkomend geval, op de datum van de onderhandse akte.

----------

(13) Cf. F. Werdefroy, Registratierechten, 2006-2007, I, blz. 104, nr. 142, 6°streepje.

In geval van een verkoop onder opschortende voorwaarde zijn de uitsluitingsregels te beschouwen op de dag dat die voorwaarde wordt vervuld (14).

----------

(14) Rec.gén.enr.not. 1971, nr. 21.493; F. Werdefroy, Registratierechten, II, 7704; Circ. 2/1980, Rep. R.J., R 54/09-04.

2.3.1. Maximum kadastraal inkomen

1. Kadastraal inkomen van de verkregen goederen

Het kadastraal inkomen (K.I.) van de onroerende goederen waarvan de verkoop onder de tarieven van artikelen 53 of 57 valt, mag een bedrag dat respectievelijk bepaald wordt in de artikelen 53bis en 57, laatste lid, niet overschrijden.

Art. 53bis.

"Het maximum kadastraal inkomen bedoeld in artikel 53 wordt vastgesteld op:

1° 323 EUR wanneer de aankoop enkel gronden betreft;

2° 745 EUR wanneer de aankoop betrekking heeft hetzij op een gebouwd onroerend goed, hetzij tegelijkertijd op een gebouwd onroerend goed en op gronden. Wanneer de aankoop betrekking heeft op een onroerend goed dat geheel of gedeeltelijk voor bewoning bestemd is, wordt dat bedrag met 100 EUR verhoogd indien de verkrijger, zijn echtgenoot of wettelijk samenwonende drie of vier kinderen ten laste hebben, met 200 EUR indien ze vijf of zes kinderen ten laste hebben en met 300 EUR indien ze zeven kinderen of meer ten laste hebben op de aankoopdatum. De kinderen ten laste van wie het lichamelijk of geestelijk vermogen wegens één of meer aandoeningen voor minstens 66% gebrekkig of verminderd is, worden voor twee kinderen ten laste geteld. Als kinderen ten laste worden beschouwd de kinderen die op de datum van de aankoopakte deel uitmaken van het gezin van de verkrijger en die gedurende het kalenderjaar dat aan die datum voorafgaat persoonlijk geen inkomsten hebben gehad waarvan het nettobedrag, berekend overeenkomstig de artikelen 142 en 143 van het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992, hoger is dan het nettobedrag bedoeld in artikel 136 van hetzelfde Wetboek.

Daarenboven is de vermindering van het registratierecht bedoeld in artikel 53 slechts toepasselijk op de gronden begrepen in de aankoop als het totaal van de kadastrale inkomens van die gronden niet hoger is dan 323 EUR".

Artikel 57, laatste lid.

"Het kadastraal inkomen van het gebouwd onroerend goed en de aanhorigheden ervan is het inkomen bedoeld in artikel 53bis, eerste lid, 2°, volgens het onderscheid in dat artikel gemaakt, maar mits vervanging van de datum van de aankoopakte door de datum waarop het kadastraal inkomen vastgelegd wordt na de voltooiing van de bouw".

De bedragen zijn dus voortaan in het Wetboek zelf en niet meer in een uitvoeringsbesluit opgenomen. Ze stemmen overeen met de bedragen in de vervangen federale regelgeving, ook wat betreft de vermeerdering voor kinderen ten laste.

2. Kadastraal inkomen van de verkregen onroerende goederen en van de reeds bezeten onroerende goederen
2.1. Beginselen

"De verlaging bepaald in artikel 53 is nooit van toepassing op gronden die deel uitmaken van de nieuwe aankoop als het kadastraal inkomen ervan, samen met dat van de gronden die de verkrijger of zijn echtgenoot of wettelijk samenwonende al bezit, hoger is dan 323 EUR. In afwijking van deze bepaling wordt evenwel geen rekening gehouden met de gronden die de verkrijger of zijn echtgenoot of wettelijk samenwonende enkel in blote eigendom bezit en die verkregen werden uit de nalatenschap van hun respectieve bloedverwanten in de opgaande lijn" (art. 54, laatste lid).

Bovendien mag het kadastraal inkomen (K.I.) van de onroerende goederen waarvan de verkoop onderworpen is aan de tarieven van de artikelen 53 of 57, gevoegd bij dat van de onroerende goederen waarop de verkrijger, zijn echtgenoot of zijn wettelijk samenwonende zakelijke rechten hebben, niet meer bedragen dan het bedrag bepaald in respectievelijk artikel 53bis en artikel 57, laatste lid (zie hiervoor).

Inderdaad: "De verlaging bepaald in artikel is evenmin toepasselijk indien de verkrijger of zijn echtgenoot of wettelijk samenwonende het geheel of een onverdeeld deel van een zakelijk recht bezit op één of meer onroerende goederen waarvan het kadastraal inkomen voor het geheel of voor het onverdeeld deel samen met dat van het verkregen onroerend goed meer bedraagt dan het maximumbedrag bepaald in artikel 53bis (art. 54, tweede lid)".

Vastgesteld moet dus worden dat, behalve enkele uitzonderingen (zie verder), voortaan met het K.I. van alle in België gelegen onroerende goederen waarop de verkrijger, zijn echtgenoot of zijn wettelijk samenwonende zakelijke rechten hebben, wordt rekening gehouden. Dat betreft dus naast het eigendomsrecht ook het vruchtgebruik, het erfpacht- en opstalrecht.

In voorkomend geval wordt het K.I. bepaald in verhouding tot de onverdeelde delen die de verkrijger, zijn echtgenoot of zijn wettelijk samenwonende bezit. Daarentegen bepaalt het Wetboek geen verhoudingsgewijze vermindering van het K.I. van het geheel naargelang de aard van het zakelijk recht of van de resterende duur (vruchtgebruik gevestigd voor een bepaalde duur) vóór de uitdoving ervan. In dergelijk geval moet dus met het volledige K.I. rekening worden gehouden.

Aldus moet, bij gebreke van een andersluidende bepaling, met het volledige K.I. rekening worden gehouden in geval van bezit van de (volledige) blote eigendom (BE) van een onroerend goed.

Uit wat voorafgaat volgt noodzakelijkerwijze dat het (volledige) K.I. van een onroerend goed waarvan het eigendomsrecht is opgedeeld (blote eigendom, vruchtgebruik, erfpacht- en opstalrecht) in aanmerking kan moeten worden genomen zowel ten aanzien van de blote eigenaar als ten aanzien van de vruchtgebruiker, enz..., ongeacht of het gaat om één of om onderscheiden verkopen.

Er wordt aan herinnerd dat voortaan ook rekening wordt gehouden met de onroerende goederen of onroerende zakelijke rechten van de eventuele wettelijk samenwonende van de verkrijger.

Bij wijze van afwijking (zie art. 54, vierde lid) wordt evenwel geen rekening gehouden met het KI van bepaalde onroerende goederen. Samenvattend gaat het om: 1) die van welke de betrokkene enkel de blote eigendom bezit op voorwaarde dat de BE werd verkregen uit de nalatenschap van een ascendent van de verkrijger, zijn echtgenoot of zijn wettelijk samenwonende; 2) die welke werden afgestaan binnen het jaar van de authentieke akte van de (nieuwe) aankoop; 3) die waarvan het gebruik onmogelijk is ten gevolge van wettelijke of contractuele beletsels.

Aangezien de tekst op dit punt niet werd gewijzigd wordt bij de berekening van het maximun K.I. van de reeds bezeten onroerende goederen geen rekening gehouden met de onroerende goederen die in het buitenland zijn gelegen (15).

----------

(15) Vgl. art. 54, 2de en 3de lid. In de huidige stand van zaken blijkt nergens uit de tekst van het 2de lid dat rekening moet worden gehouden met de onroerende goederen gelegen in het buitenland. Daar waar de "Commentaar van de artikelen" het feit dat geen rekening wordt gehouden met de in het buitenland gelegen onroerende goederen als één van de problemen aanmerkt (z. blz. 7, laatste lid), wordt er verderop in die commentaar gezegd dat er gestreefd wordt naar een harmonisatie met de regels inzake de onroerende voorheffing en dat bijgevolg voorgesteld wordt "het bestaande grensbedrag, dat gebaseerd is op het kadastraal inkomen van alle door de verkrijger bezeten onroerende goederen, te handhaven". Dat grensbedrag hield geen rekening met de in het buitenland gelegen onroerende goederen. Dat blijft dus zo. Moest met die goederen wel rekening gehouden worden dan zou men een equivalent stelsel hebben moeten instellen voor de landen die geen KI-stelsel of een van het Waals stelsel te sterk afwijkend stelsel kennen.

2.2. Enkel in blote eigendom bezeten onroerend goederen verkregen uit de nalatenschap van een ascendent

Bij de optelling van de K.I.'s van de verkregen en reeds bezeten onroerende goederen om na te gaan of het desbetreffende maximum K.I. niet is overschreden, wordt geen rekening gehouden met de K.I.'s "van de onroerende goederen die de verkrijger of zijn echtgenoot of zijn wettelijk samenwonende enkel in blote eigendom bezitten en die werden verkregen uit de nalatenschap van hun respectieve bloedverwanten in de opgaande lijn".

Niettegenstaande het gebruik van de term "respectieve" wordt er om na te gaan of het maximum K.I. van de verkregen en reeds bezeten goederen niet is overschreden, geen rekening gehouden met het K.I. van een in blote eigendom bezeten onroerend goed dat de verkrijger (van het nieuw onroerend goed) verkregen heeft in de nalatenschap van een van zijn ascendenten of in de nalatenschap van een ascendent van zijn echtgenoot of van zijn wettelijk samenwonende. Idem wat betreft het K.I. van een onroerend goed dat de echtgenoot van of de wettelijke samenwonende met de verkrijger in blote eigendom verkregen heeft uit de nalatenschap van een ascendent van de verkrijger.

Merk op dat er voor de verwaarloosbaarheid ervan bij de toetsing aan de voorwaarde van het maximum K.I., geen grens meer wordt gesteld aan het K.I. van dergelijke onroerende goederen.

2.3. Bezeten onroerende goederen op het tijdstip van de aankoop tegen het verlaagd tarief en bestemd om te worden afgestaan – Inschrijving in het Wetboek van de administratieve tolerantie

Voorheen kende de administratie achteraf het voordeel van het stelsel van de kleine landeigendommen en bescheiden woningen toe, op voorwaarde dat de verkrijger zich ten bezwarende titel ontdeed van zijn volledig part in de goederen die verhinderden dat hij onmiddellijk kon genieten van het stelsel. Er werd vereist dat de afstand geschiedde binnen een redelijke termijn na de aankoopakte waarvoor men van het stelsel wou genieten en dat die akte melding maakte van "de intentie zich volledig en ten bezwarende titel te ontdoen van het goed en, in voorkomend geval, van alle parten bezeten in een zelfde goed (of meerdere goederen) (16)".

----------

(16) Circ. 14/1995, met verwijzing naar Cuvelier, Répertoire notarial, "Droits d'enregistrement et T.V.A. applicables aux ventes d'immeubles", nr. 189 ; Werdefroy, Registratierechten, nr.770.

Het decreet integreert het principe dat ten grondslag ligt aan deze administratieve tolerantie in het Wetboek, maar wijzigt daarbij de wijze van toepassing ervan. Het K.I. van de onroerende goederen waarvan de door de verkrijger, zijn echtgenoot of zijn wettelijk vertegenwoordiger bezeten zakelijke rechten vroeger beletten dat het voordeel onmiddellijk kon worden genoten, wordt voortaan reeds verwaarloosd bij de registratie van de verkoopakte op voorwaarde dat:

  1. de verkoop vastgesteld werd bij authentieke akte; de registratie van een onderhandse akte tegen het verlaagd tarief is dus in deze context uitgesloten (17);

  2. in de verkoopakte de "af te stane" onroerende goederen worden vermeld conform het bepaalde in artikel 55, eerste lid, 2°, c) [zie verder]; uit de teksten volgt dat deze vermelding in elk geval moet opgenomen zijn in de onderhandse akte;

    indien deze akte niet ter registratie wordt aangeboden omdat de notariële akte verleden wordt binnen de vier maanden die erop volgen, moet de vermelding worden hernomen in de notariële akte in geval "de afstand" van de betrokken onroerende goederen nog niet is geschied;

    tenslotte, in geval "de afstand" van alle of van een deel van de bedoelde onroerende goederen reeds is geschied, is het toch aangewezen ze te vermelden in of aan de voet van de notariële akte;

  3. de bedoelde zakelijke rechten zijn "afgestaan" binnen een jaar te rekenen van de authentieke akte waarop het verlaagd tarief werd toegepast.

----------

(17) Dit belet integendeel niet de registratie van een onderhandse akte aan het verlaagde recht van zodra er geen onroerende goederen af te staan zijn (of onbewoonbaar zijn, enz...).

Artikel 55 werd inderdaad aangepast om voortaan ook te bepalen dat "de nog te verkopen onroerende goederen bedoeld in artikel 54 vierde lid, 2° zijn (...) het voorwerp van een aparte vermelding met nauwkeurige aanduiding van hun ligging en de aard van de zakelijke rechten die de verkrijger, zijn echtgenoot of zijn wettelijk samenwonende erop hebben (art. 55, eerste lid, 2°, c). Dat impliceert noodzakelijkerwijze dat het verlaagd recht kan worden genoten vóór de afstand van de zakelijke rechten die in beginsel de toepassing ervan verhinderen.

N.B.: Inhoud van de vermelding bepaald in artikel 55, eerste lid, 2°, c)

Deze vermelding moet slaan op alle onroerende goederen waarvan de verkrijger voornemens is zich te ontdoen;

dat betreft dus noodzakelijkerwijze alle onroerende goederen die zelfs maar gedeeltelijk bestemd zijn voor bewoning en waarop hij (voor het geheel of voor een deel) om het even welk zakelijk recht heeft (zie hierna, nr. 2.3.2.) (voor zover het niet gaat om onroerende goederen die onder een uitzondering vallen: bezit in BE uit de nalatenschap van een ascendent (zie hiervoor), ongezond /onbewoonbaar verklaarde woningen, enz. (zie verder)); De vermelding dient alleen de onroerende goederen te betreffen waarvan hij voornemens is zich te ontdoen om te kunnen voldoen aan de voorwaarde van het maximum K.I. Volgens het Waals Gewest is het niet noodzakelijk dat de verkrijger zich ontdoet van alle andere onroerende goederen waarop hij een zakelijk recht heeft, op voorwaarde dat hij voor de overblijvende goederen voldoet aan de bedoelde voorwaarde. Het spreekt voor zich dat hij zich effectief van het surplus aan goederen moet ontdoen, zo niet verbeurt hij de boete bepaald in artikel 61^1, tweede lid, nieuw.

De afstand van de zakelijke rechten moet voortaan geschieden binnen een strikte termijn van één jaar, die wordt gerekend vanaf de authentieke akte van de verkoop die voor het verlaagd recht in aanmerking komt. De datum van de afstand kan bewezen worden door alle in het recht toegelaten middelen.

Indien het gaat om een akte die onder artikel 57 valt, moet de afstand geschieden binnen het jaar van de eerste ingebruikneming van het op de grond gebouwde onroerend goed. De datum van de eerste ingebruikneming kan eveneens door alle in het recht toegelaten middelen worden bewezen; de datum vermeld in de verklaring die bij de diensten van het kadaster moet worden gedaan maakt een weerlegbaar vermoeden uit.

N.B. Bevrijdende afstanden in de zin van artikel 54

Artikel 54, vierde lid, 2°, bepaalt dat " de verkrijger, zijn echtgenoot of zijn wettelijk samenwonende daadwerkelijk het hem toebehorende zakelijk recht (moet hebben) afgestaan".

Artikel 55, eerste lid, 2°, c) heeft het over "de nog te verkopen onroerende goederen bedoeld in artikel 54, vierde lid, 2°".

Artikel 61^1 spreekt van "verlies van de vermindering wegens gebrek aan wederverkoop van een tot bewoning bestemd onroerend goed, als bedoeld in artikel 54, tweede lid, 2°).

Gelet op de term "afgestaan" in artikel 54 dat de toepassing van het verlaagd recht uitsluit in geval van het bezit van een ander tot bewoning bestemd onroerend goed (behoudens de uitzondering bepaald in het Wetboek) en om iedere betwisting te vermijden, zal de administratie op verzoek van het Waals Gewest iedere vervreemding, ten bezwarende titel of om niet, van het geheel van de betreffende onroerende zakelijke rechten, als voldoende beschouwen.

Wanneer het gaat om andere onroerende goederen dan (geheel of gedeeltelijk) voor bewoning bestemde, moet de vervreemding volgens het Waals Gewest alle rechten betreffen die de betrokkenen bezitten in de onroerende goederen die overeenkomstig artikel 55, eerste lid, 2° c) in de akte worden vermeld.

In geval de afstand niet geschiedt binnen de voorgeschreven termijn gaat het recht op het verlaagd tarief verloren en wordt een belastingsverhoging verschuldigd gelijk aan de aanvullende rechten (art. 54 en 61^1).

2.4. Andere gevallen – Ongezonde/Onbewoonbare onroerende goederen

Bij toepassing van artikel 54, vierde lid, 3°, wordt evenmin rekening gehouden met "de onroerende goederen die de verkrijger, zijn echtgenoot of zijn wettelijk samenwonende niet persoonlijk gebruikt wegens een wettelijk of contractueel beletsel waardoor het gebruik van het onroerend goed door die persoon zelf op de datum van de authentieke akte onmogelijk is. Worden onder meer als dusdanig beschouwd de gebouwen die als onverbeterbare woning zijn aangemerkt in de zin van artikel1, 14°, van de Waalse huisvestingscode, ingevolge een beslissing van een afgevaardigde van de Minister van huisvesting of een besluit van de burgemeester".

De wettelijke of contractuele beletsels moeten van aard zijn het persoonlijk gebruik van het onroerend goed door de genoemde personen onmogelijk te maken op de datum van de authentieke akte. Als dat persoonlijk gebruik wel mogelijk is, bijvoorbeeld door een opzeg, wordt wel met het K.I. van het onroerend goed rekening gehouden. Meer algemeen geldt dat het bestaan van de onmogelijkheid van gebruik niet uitsluitend mag afhangen van de wil van diegene die de onmogelijkheid inroept.

Wat de in het Brussels of Vlaams Gewest gelegen ongezonde/onbewoonbare woningen betreft, die zullen maar buiten beschouwing blijven op voorwaarde dat ze onder een regeling vallen die gelijkaardig is aan een regeling die geldt voor de in Wallonië gelegen onroerende goederen.

2.3.2. Verlaagd recht voor een bescheiden woning en bezit, op het ogenblik van de verkoop, van onroerende zakelijke rechten op onroerende goederen die geheel of gedeeltelijk tot bewoning zijn bestemd

1. Beginselen

De toepassing van het verlaagd recht voor een bescheiden woning (art. 53, eerste lid, 2°) is uitgesloten "indien de verkrijger, zijn echtgenoot of zijn wettelijk samenwonende al het geheel of een onverdeeld deel van een zakelijk recht bezit op een gebouw dat geheel of gedeeltelijk voor bewoning bestemd is, ongeacht of het in België of in het buitenland gelegen is".

Merk op dat, behoudens de uitzonderingen bepaald in het Wetboek, het voortaan volstaat om van het voordeeltarief voor een bescheiden woning te worden uitgesloten indien de verkrijger, zijn echtgenoot of zijn wettelijk samenwonende om het even welk zakelijk recht heeft – zelfs al betreft dat maar een onverdeeld deel – op een - al was het maar gedeeltelijk - tot bewoning bestemd onroerend goed.

Merk tevens op dat daarbij voortaan ook rekening wordt gehouden met de in het buitenland gelegen onroerende goederen. De versterking van de internationale samenwerking in fiscale zaken en het vergemakkelijken van uitwisseling van informatie binnen de FOD Financiën zoals geregeld in de programmawet van 23.12.2009 (zie wat die uitwisseling betreft de ad hoc circulaire), moet steeds beter toelaten de wil te verwezenlijken van de Waalse decreetgever om rekening te houden met de hier bedoelde in het buitenland gelegen onroerende goederen.

Ter herinnering:

  1. 1) deze uitbreiding tot de in het buitenland gelegen onroerende goederen betreft niet de toetsing aan het maximum K.I. (zie hiervoor);

  2. 2) er wordt voortaan rekening gehouden met de onroerende goederen of de onroerende zakelijke rechten van de eventueel met de verkrijger wettelijk samenwonende persoon.

2. Uitzonderingen

Deze zijn dezelfde als in het kader van de toetsing aan het maximum K.I. (zie hiervoor).

Wat de in het Brussels of Vlaams Gewest en de in het buitenland gelegen ongezonde/onbewoonbare onroerende goederen betreft, deze blijven maar buiten beschouwing indien ze ter zake onder een gelijkaardige maatregel vallen als die geldend in het Waals Gewest.

2.3.3. Art. 57, W.Reg.Wl. – Voorwaarde betreffende de verkoopwaarde van de opgerichte constructie

In het kader van de toepassing van artikel 57 W.Reg.Wl. vormen de maximum bedragen vastgesteld in het Wetboek – welke eveneens jaarlijks worden geïndexeerd – een uitsluitingscriterium. Ofwel het verlaagd tarief van 6 of 5%, ofwel dat bepaald in artikel 44 (zie artikel 57bis), is dus van toepassing.

In dit kader kan er dus nooit sprake zijn van belasting van een eerste schijf aan het verlaagd tarief van 6 of 5 % en van hetgeen van de belastbare grondslag overblijft aan het tarief bepaald in artikel 44.

Het is met de verkoopwaarde van de opgerichte constructie – dus van de gebouwde woning met voorbijzien van die van de bouwgrond (18) – dat rekening moet worden gehouden. Die verkoopwaarde moet beschouwd worden "zoals geschat op de datum van de verkrijging van de bouwgrond" (art. 57).

----------

(18) Waals Parlement, Commentaar van de artikelen, Doc. 118 (2008-2010) Nr. 1, blz. 10.

2.4. Bijkomende vermeldingen – Anti-misbruik maatregel – Boete

1. Een anti-misbruik maatregel werd ingevoerd om te vermijden dat men het belastingvoordeel zou kunnen beïnvloeden door in te spelen op de jaarlijkse aanpassing van de maxima en van de indeling bij een gebied van vastgoeddruk. Dit zou kunnen door een overeenkomst eerst in der minne te ontbinden en ze later over te doen.

Om effectief rekening te kunnen houden met de situatie op 1 juli van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het jaar waarin de verkoop is geschied (art. 53ter, § 1, eerste lid), legt artikel 55 eerste lid, 2°, e) een nieuwe verplichte vermelding in de akte op te weten: "de datum van de verkoopovereenkomst die de oorzaak is van het verschuldigd worden van de rechten, overeenkomstig artikel 19, eerste lid, 2°".

Verder luidt het artikel "wanneer het te verkopen onroerend goed al het voorwerp is geweest van een andere verkoop bedoeld in artikel 53ter of in artikel 57bis die werd overeengekomen tussen dezelfde partijen en die verkoop bij overeenkomst geannuleerd, vernietigd, ontbonden of herroepen werd binnen twaalf maanden voorafgaand aan de verkoop waarop de akte betrekking heeft, vermeldt de akte eveneens de datum van de voorheen geannuleerde, vernietigde, ontbonden of herroepen verkoop".

Deze tweede vermelding wordt vereist om artikel 53ter, § 2 effectief te kunnen toepassen.

Merk op dat de eerste vermelding hierboven de datum van de overeenkomst "die de rechten verschuldigd maakt" moet doen kennen en niet in voorkomend geval de datum van de verwezenlijking van de laatst overblijvende opschortende voorwaarde. Inderdaad, de vervulling van die opschortende voorwaarde wijzigt geenszins de datum van de onderhandse akte waarin ze is bedongen en het is wel degelijk de overeenkomst van verkoop zelf die het belastbare feit uitmaakt. Idem in geval van uitgestelde overdracht van de eigendom: vermelding van de datum van de overeenkomst en niet die van de effectieve overdracht van de eigendom.

2. Aan de naleving van deze verplichting is een boete verbonden die wordt verbeurd door de verkrijger en de verkoper, zelfs al is deze laatste niet verplicht de verklaring bedoeld in artikel 55, eerste lid, 2° voor echt te verklaren en te ondertekenen.

Inderdaad, artikel 59, tweede lid bepaalt: "In geval van onjuistheid van een vermelding vereist door artikel 55, eerste lid, 2°, e) is artikel 204 van toepassing".

N.B. Al gaat het niet om een maatregel die in het in deze circulaire besproken decreet is vervat, is het toch nuttig eraan te herinneren dat artikel 55 onlangs werd gewijzigd, meer bepaald door het 1° van het eerste lid ervan op te heffen (19). Daardoor is er sinds 10 januari 2010 geen verplichting meer om een uittreksel uit de kadastrale legger aan de akte te hechten.

----------

(19) Artikel 79 van de wet van 22 december 2009 houdende diverse bepalingen (1), B.S., 31.12.2009, 2de editie. De bepalingen van deze wet werden van commentaar voorzien bij de circulaire nr. 4/2010 (AFZ. nr. 1/2010).

2.5. Inschrijving in het bevolkings- of vreemdelingenregister

De verplichting om zich in het bevolkings- of vreemdelingenregister in te schrijven in geval artikel 57 W.Reg.Wl. van toepassing is, werd in het Wetboek ingeschreven (zie art. 55, eerste lid, 2°, c) en d); art. 60, tweede lid). Hierdoor krijgt het vroegere louter administratieve standpunt ter zake een wettelijke basis en kan het niet meer worden betwist.

2.6. Niet vervulling van de voorwaarden – Verlies van het voordeel van het verlaagd recht – Overmacht – Dwingende redenen

Wat betreft het verlies van het voordeel van het verlaagd recht wegens gebrek aan tijdige of voldoende lange uitbating, bepaalt artikel 60, derde lid, nieuw, nog duidelijker dat de dwingende redenen ook kunnen ingeroepen worden in geval het gaat om de verkoop van een kleine landeigendom (vgl. circ. 18/2009 / AFZ nr. 15/2009, punt 1.1.) Het tweede lid van dat artikel werd bovendien aangepast aan de vereiste van inschrijving in het bevolkings- of vreemdelingenregister, welke werd ingevoegd in artikel 55 voor wat betreft de toepassing van het verlaagd recht in het kader van artikel 57.

In geval van verlies van het voordeel van het verlaagd recht wegens het niet "afstaan" (zie hiervoor) van de onroerende goederen bedoeld in artikel 54, vierde lid, 2°, moet de verkrijger de aanvullende rechten betalen evenals een belastingverhoging gelijk aan de aanvullende rechten (art. 61^1, tweede lid, nieuw).

Merk op dat de wettekst spreekt van "gebrek aan wederverkoop van een tot bewoning bestemd onroerend goed". Vermits artikel 54, vierde lid, 2°, niet enkel woningen betreft (20), zal de administratie de aanvullende rechten en de belastingverhoging invorderen wanneer het gaat om andere onroerende goederen die, zonder de afwijking in artikel 54, vierde lid, 2°, een beletsel zouden hebben gevormd voor het verlaagd recht en die niet wederverkocht werden binnen de gestelde termijn.

----------

(20) Het voorontwerp van decreet werd gewijzigd wat artikel 54, W.Reg.Wl. aangaat, zonder dat dit ook geschiedde voor de voorgestelde wijziging van artikel 61^1

3. Schenkingsrecht

3.1. Echtgenoten – Wettelijk samenwonenden

Het nieuwe laatste lid van artikel 131 W.Reg.Wl. herneemt de definities van deze begrippen in artikel 50bis W. Reg. W. (zie punt 1, hiervoor).

3.2. Schenking van een onderneming

Er wordt aan herinnerd dat het stelsel van schenking van een onderneming, geregeld in artikel 140bis W.Reg.Wl. enkel van toepassing kan zijn indien het schenkingsrecht in het Waals Gewest (21) moet worden gelokaliseerd. De ligging van de onderneming, in het Waals gewest of elders, is daarbij van geen belang.

----------

(21) Zie Bijzondere wet van 16 januari 1989, art. 5, § 2, 8°; Cursus, ..., blz. 10 e.v., nr 2, C, 4. (ook op www.fisconet.be). Het lokalisatiecriterium is dat van de ligging van het onroerend goed in geval van een schenking door een niet-rijksinwoner. Als de schenker rijksinwoner is, wordt gekeken naar zijn woonplaats, hetzij op het moment van de schenking, hetzij, in voorkomend geval, waar ze in de vijf jaar voorafgaand aan de schenking het langst gevestigd was.

3.2.1. Vereenvoudigde controle van de voorwaarden gesteld voor de toepassing van het verlaagd recht – Art. 140bis, § 2, 3°, nieuw en art. 140quinquies, § 1, 4° en 5° nieuw, W.Reg.Wl. – In werking op 01.01.2010

1. Voorafgaande controle.

De begiftigden dienen in of onderaan op de akte niet meer te verklaren dat alle toepassingsvoorwaarden van het verlaagd recht zijn vervuld; ze moeten wel nog een desbetreffend attest afgeleverd door het Waals Gewest overmaken.

Zoals dat reeds het geval was in het kader van de successierechten, kan het verlaagd tarief nog enkel worden toegepast mits bedoeld attest tijdig is overgemaakt (art. 140bis, § 2, 3°, nieuw). De door de ontvanger uit te voeren controle beperkt zich tot het nagaan of het attest werkelijk is overgemaakt. Bij gebreke van die overmaking, wordt het gewoon recht geheven, evenwel onder voorbehoud van een eventuele latere teruggave.

Inderdaad, sedert het decreet van 30 april 2009 kan het attest nog overgemaakt worden binnen twee jaar na de aanbieding ter registratie van de akte (art. 209, eerste lid, 7°, W.Reg.Wl. (22); zie circ. nr. 18/2009 / AFZ nr. 15/2009).

----------

(22) Artikel 209, eerste lid, 7°, werd (nog) niet aan de nieuwe redactie van artikel 140bis, § 2, 3° aangepast. Daar waar dit artikel 209 het heeft over een verklaring ondertekend door de begiftigde moet men daar voortaan onder verstaan het bijvoegen van het attest bedoeld in artikel 140bis, § 2, 3° bij het door de opvolger gedane verzoek tot teruggave.

De maatregel betreffende de overmaking van het attest uiterlijk op het ogenblik van de aanbieding ter registratie van de akte of van de overmaking ervan binnen de twee jaar daarop volgend, is van toepassing te rekenen van 01.01.2010, dus voor de notariële akten verleden vanaf die datum.

2. Controle achteraf

Op het einde van de proefperiode van 5 jaar moeten de ontvangers geen controle meer uitvoeren.

Inderdaad, behoudens toepassing van artikel 140sexies of van artikel 140septies, moeten de opvolgers een verklaring indienen bij de diensten van het Waals Gewest (art. 140quinquies, § 1, 4°; zie ook voor de modaliteiten van deze verklaring het besluit van het Waals Gewest (BWG) van 29 juni 2006, B.S., 08.08.2006, zoals gewijzigd bij het BWG van 7 januari 2010, B.S., 19.01.2010, en het M.B. van 25 januari 2010 (23), B.S., 12.02.2010, 1ste editie).

----------

(23) Ministerieel besluit tot uitvoering van het besluit van de Waalse Regering van 29 juni 2006 betreffende de verlaagde tarieven van de successie- en de schenkingsrechten, meer bepaald bij overdracht van ondernemingen.

De bevoegde dienst van het Waals Gewest zal, zoals al het geval is in het kader van de successierechten, de bevoegde ontvanger verwittigen van de invorderingen die nog moeten geschieden als gevolg van het onderzoek van die verklaring.

Indien nodig zullen de ontvangers dan de neerlegging van de verklaring bedoeld in artikel 140octies, eerste lid, vragen, alvorens te handelen met het oog op de invordering van de verschuldigde sommen.

Deze maatregel is eveneens van toepassing te rekenen van 01.01.2010, dus enkel voor de notariële akten die sedert die datum zijn verleden. De controle achteraf van de akten verleden tot 31.12.2009, blijft dus berusten bij de ontvanger overeenkomstig de sedert 01.01.2006 door het decreet van 15 december 2005 ingestelde procedure.

3.2.2. Schenking van landbouwgronden – Versoepeling van het stelsel – In werking 23.12.2009 – Art. 140bis, § 1, 1°, laatste lid, W.Reg.Wl.

Het stelsel is versoepeld wat betreft de schenking van landbouwgronden (zie art. 140bis, § 1, 1°, laatste lid).

De zakelijke rechten die de schenker bezit op landbouwgronden die het voorwerp uitmaken van een landpacht toegestaan overeenkomstig het Burgerlijk Wetboek, kunnen worden overgedragen "aan de uitbater of aan de mede-uitbater van de landbouwactiviteit die erop wordt uitgeoefend, alsook in rechte lijn, tussen echtgenoten en tussen wettelijk samenwonenden", met toepassing van het voordeel van artikel 140bis.

Daartoe bepaalt dat artikel twee ficties:

  1. 1) de overgedragen gronden worden "afgezien van de overdracht van elke quotiteit van de landbouwactiviteit die er uitgeoefend wordt" zelf beschouwd als vormende een onderneming teneinde de toepassing van het verlaagd recht mogelijk te maken en dat zelfs indien ze over het algemeen geen bron of geen bron meer vormen van beroepsinkomsten voor de schenker op het tijdstip van de schenking. Inderdaad, de wettekst bepaalt dat: "In (dat) geval ... worden die gronden desalniettemin beschouwd als goederen die een universaliteit van goederen, een bedrijfstak of een handelsfonds uitmaken, waarmee de schenker alleen of samen met andere personen op de dag van de schenking een landbouwactiviteit uitoefent, (...)" (140bis, § 1, laatste lid).

  2. 2) " (...) de onderneming, in de zin van de voorwaarden bedoeld in § 2, 1°, (van art. 140bis) en in artikel 140quinquies, § 1, 1°, 2° en 3°, is het landbouwbedrijf van de begiftigde, effectieve uitbater van de landbouwactiviteit die op die gronden uitgeoefend wordt, waarbij die onderneming beschouwd wordt in haar geheel en in haar toestand na overdracht van de gronden" (idem).

1. Toepassingsgebied
1.1. Bedoelde goederen

Het moet gaan om zakelijke rechten op landbouwgronden:

  • die deel uitmaken van het vermogen van de schenker;

  • die het voorwerp zijn van een pacht toegestaan conform het Burgerlijk Wetboek (Boek III, T. VIII, Hfdst II, Afd. III) en

  • die geschonken worden afgezien van de overdracht van elke quotiteit in de landbouwactiviteit die erop wordt uitgeoefend

Volgens het Waals Gewest moet onder een landbouwgrond worden verstaan een onroerend goed, per kadastraal perceel beschouwd, waarvan de bodem hoofdzakelijk voor de teelt van gewassen of als weide wordt gebruikt. Dat sluit de aanwezigheid van een gebouw niet uit, zoals bijvoorbeeld een opslagplaats of een stal, mits het gebouw van accessoire aard is; doorslaggevend is de hoofdzakelijke landbouwbestemming van het geheel.

Gelet op de redactie van de tekst hoeft de schenker niet noodzakelijkerwijze aan één en dezelfde begiftigde, uitbater of mede-uitbater, alle onroerende zakelijke rechten die hij bezit op zijn landbouwgronden over te dragen; evenmin is de schenker verplicht alle landbouwgronden die onder een zelfde pachtovereenkomst vallen over te dragen. Hij kan zich beperken tot het schenken van een deel of van een onverdeeld deel van de landbouwgronden die onder dezelfde pacht vallen aan de uitbater of de mede-uitbater en het overblijvende deel of onverdeeld deel aan andere personen schenken. Onder die laatsten zal dan enkel zijn echtgenoot, of zijn wettelijk samenwonende en zijn "rechte lijn- begiftigden" van het tarief van 0% genieten (zie verder).

Niet verpachte gronden komen niet in aanmerking (24). Die welke tezelfdertijd met een deel van de landbouwactiviteit worden geschonken kunnen gebeurlijk onder toepassing van het nultarief vallen bij toepassing van artikel 140bis, § 1, 1°, eerste lid; daarvoor is vereist dat beide samen een (deel van een) universaliteit van goederen of een bedrijfstak vormen die recht geeft op het voordeel van het nultarief. Voorbeeld: een uitbating bestaande uit een bedrijfstak graanproductie en een bedrijfstak melkproductie.

----------

(24) Ter herinnering: hoewel artikel 3, 1°, eerste lid van Boek III, Titel VIII, Hoofdstuk II, Afdeling III van het B.W. bepaalt dat de pacht "schriftelijk moet zijn vastgesteld", bepaalt het tweede lid van hetzelfde artikel 3, 1°, dat : " Bij ontstentenis van een dergelijk geschrift, kan degene die een landeigendom exploiteert het bewijs leveren van het bestaan van een pacht en van de pachtvoorwaarden door alle middelen, met inbegrip van getuigen en vermoedens".

Volgens het Waals Gewest "volgt uit de ratio legis van de tekst, die duidelijk werd uiteengezet in de commentaar bij het artikel van het decreet van 10 december 2009 waarbij die bepaling werd ingevoegd in artikel 140bis W.Reg.Wl., en uit de in dat artikel voorkomende woorden "afgezien van de overdracht van elke quotiteit van de landbouwactiviteit die er uitgeoefend wordt" dat de schenker uitbater van een landbouwbedrijf moet zijn of geweest zijn".

1.2. Bedoelde rechthebbenden

De potentiële rechthebbenden op het nultarief zijn:

  • de uitbater of een (of meerdere) mede-uitbater(s) van de landbouwactiviteit uitgevoerd op de geschonken gronden;

  • de bloedverwanten in rechte lijn, de echtgenoot van of de wettelijk samenwonende met de schenker.

Ondanks de tekst van artikel 140bis, § 1, 1°, W.Reg.Wl. is het volgens het Waals Gewest niet vereist dat ten minste één van de begiftigden (mede-)uitbater is van de op de geschonken grond uitgevoerde landbouwactiviteit.

De wijze waarop de uitbating of mede-uitbating van de landbouwactiviteit door de uitbater of de mede-uitbater werd verkregen, heeft geen invloed op de mogelijkheid om het nultarief te genieten bij de latere schenking van de gronden.

De begiftigden die aanspraak maken op het nultarief moeten allen zijn vermeld in het attest bedoeld in artikel 1401bis, § 2, 3°, ongeacht of ze al dan niet uitbater of mede-uitbater zijn van de landbouwactiviteit uitgeoefend op de geschonken gronden. De wettekst maakt geen enkel onderscheid tussen de (mede-)uitbaters en de anderen.

2. Gevolgen van de twee ficties.

De gelijkstelling enerzijds van de gronden met een landbouwonderneming, en anderzijds van de landbouwonderneming van de rechthebbende die de werkelijke uitbater of mede-uitbater is van de op de geschonken gronden uitgeoefende landbouwactiviteit met een onderneming die er in principe één had moeten zijn van de schenker, brengt onder meer mee dat het vervuld zijn van de voorwaarden voor de toekenning en voor het behoud van het nultarief moeten beoordeeld worden rekening houdend met de onderneming van de betrokken uitbater of mede-uitbater(s).

Aldus moet de betrokken begiftigde er voor zorgen dat de betrokken uitbater of mede-uitbater:

  1. 1) een toegelaten activiteit en de werkgelegenheid (gemiddeld 75%) in stand houdt tijdens de proefperiode van 5 jaar na de schenking;

  2. 2) zich, gedurende dezelfde periode, onthoudt van een vermindering, in de zin van artikel 140quinquies, § 1, 3°, van de geïnvesteerde tegoeden in de eigen onderneming, waarbij die in haar geheel en in haar situatie na de overdracht van de gronden moet worden beschouwd (art. 140bis, § 1, 1°, laatste lid, en art. 140quinquies, § 1, 1° tot 3°, W.Reg.Wl.; zie ook circ. 18/2009 / AFZ/15/2009 voor de commentaar bij de voorwaarden inzake werkgelegenheid, zoals gewijzigd bij het decreet van 30 april 2009).

3. Niet-naleving van de voorwaarden – Gevolgen

In geval van niet-naleving van de voorwaarden van artikel 140quinquies, § 1, zijn de begiftigden die het nultarief genoten hebben - en aldus allen te beschouwen zijn als "opvolger" in de betekenis van artikel 140bis, § 2, 3° a - allen gehouden tot indiening van de verklaring bedoeld in artikel 140octies, eerste lid, 1°, evenals tot betaling van de rechten, onverminderd het bepaalde in de artikelen 140sexies en 140septies (respectievelijk spontane indiening wegens een voorval dat leidt tot verplichte indiening van een verklaring en wederoverdracht ten kosteloze titel aan de oorspronkelijke schenker).

Ter herinnering:

  1. 1) de termijn voor de aanbieding ter registratie van de verklaring bedoeld in het reeds vernoemde artikel 140octies, eerste lid, 1°, bedraagt vier maanden te rekenen van "het verstrijken van het jaar tijdens hetwelk één van de oorzaken van het verschuldigd worden van het recht overeenkomstig de artikelen 131 tot 140, zich heeft voorgedaan" en niet te rekenen van het voorval dat tot de indiening van de verklaring verplicht;

  2. 2) het recht verschuldigd op de verklaringen bedoeld in de artikelen 140quinquies en 140sexies wordt vermeerderd met de wettelijke intrest, te rekenen van de datum van de registratie van de schenking. [...].

4. Inwerkingtreding

De versoepeling van het stelsel van schenking van landbouwgronden, mits naleving van de hiervoor behandelde voorwaarden, is van toepassing vanaf 23.12.2009, dus voor de notariële akten verleden vanaf die datum.

3.2.3. Aandeelhouderschapsovereenkomst – versoepeld stelsel

Er wordt aan herinnerd dat artikel 140bis onder meer de schenking toelaat van zakelijke rechten op effecten van een onderneming of op schuldvordering van een onderneming (art. 140bis, § 1, 2°, a) en b)), indien de bij authentieke akte vastgestelde schenking slaat op effecten die op datum van de akte minstens 10% van de stemrechten in de algemene vergadering vertegenwoordigen.

Indien de effecten tussen de 10% en de 50% van de stemrechten in de algemene vergadering vertegenwoordigden werd de toepassing van het nultarief afhankelijk gesteld van het sluiten van een aandeelhouderschapsovereenkomst slaande op minstens 50% van de stemrechten in de algemene vergadering en waarin de partijen zich verbonden tot het naleven van de door het Wetboek gestelde voorwaarden om het nultarief te behouden.

In een dergelijk geval wordt bij toepassing van artikel 140bis, § 2, 2°, tweede streepje, laatste lid, voor de met ingang van 23.12.2009 bij authentieke akten gedane schenkingen geen aandeelhouderschapsovereenkomst meer vereist, wanneer ten minste 50% van de stemrechten in de algemene vergaderingen, op de dag van de bedoelde akte, gehouden worden door:

  1. 1) de schenker, zijn echtgenoot of zijn wettelijk samenwonende;

  2. 2) hun ascendenten, descendenten, respectieve broers en zussen;

  3. 3) de echtgenoten of wettelijk samenwonenden van de ascendenten, descendenten, broers en zussen;

  4. 4) de descendenten van die broers en zussen;

  5. 5) de echtgenoten of wettelijk samenwonenden van de descendenten van die broers en zussen (cf. art. 334 B.W.; idem, ter herinnering, betreffende artikel 131 W.Reg.Wl.).

Vermits ze door de wettekst niet uitgesloten worden voor de berekening van de 50%, moet ook rekening gehouden worden met stemrechten gehouden door de halfbroers en halfzusters van vaders of moederszijde van de schenker, van zijn echtgenoot of van zijn wettelijk samenwonende; dit geldt evenzeer voor de stemrechten gehouden door de descendenten of de echtgenoten of wettelijk samenwonende van die descendenten van die halfbroers en halfzusters (cf. art. 334 B.W.; idem, ter herinnering, waar het gaat over artikel 131 W.Reg.Wl.)

In de twee schema's die volgen komen de personen voor waarvan, op de dag van de schenkingsakte, de stemrechten in de algemene vergadering in aanmerking genomen worden, om na te gaan of de 50% wordt bereikt die vereist is voor een vrijstelling van een aandeelhouderschapsovereenkomst. Het eerste schema is meer samengebald, het tweede meer uitgevouwen.

In die schema's staat de letter of de lettercombinatie "X" voor de schenker, "B en Z" voor broers en zussen van X of van diens echtgenoot of diens wettelijk samenwonende; "Asc." en "Desc." respectievelijk voor ascendenten en descendenten, "Egn" en "W.S." respectievelijk voor echtgenoot en voor wettelijk samenwonende.

Schema 1

Tweede schema

N.B. : Zijn onder andere uitgesloten bij de berekening, zelfs al gaat het om mede-uitbaters, de ooms en tantes en de neven in de 4de graad (kozijns in de betekenis van het fr. cousins) en de nichten in de 4de graad (nichten in de betekenis van het fr. cousines) van de schenker of van zijn echtgenoot of zijn wettelijk samenwonende.

Inderdaad, als, bijvoorbeeld, de wettelijk samenwonende van een nicht van de echtgenoot van de schenker of de echtgenoot van de broer van de schenker in aanmerking worden genomen (25), is dat niet het geval als het gaat om de oom of de kozijn (zelfs al zijn ze mede-uitbaters) van de schenker of van zijn echtgenoot of wettelijk samenwonende.

----------

(25) Juister gezegd hun stemrechten in de algemene vergadering.

In het navolgende schema wordt dit geïllustreerd.

In dat schema staat "X" voor de schenker, "GV" en "GM" voor de grootvader, resp. de grootmoeder van de schenker, "Bm" voor een halfbroer langs moederszijde van de echtgenoot van de schenker, "O" voor een oom van de schenker, "K" voor een kozijn (zoon van broer of zus van de vader of moeder van de schenker – Frans "Cousin/Cousine") en N voor een neef of nicht van de schenker (Frans "neveu/nièce"); "Egn." en "W.S." staan respectievelijk voor de echtgenoot of de wettelijk samenwonende van de personen die voorafgaan.

Derde schema

De maatregel van eventuele vrijstelling van het sluiten van een aandeelhouderschapsovereenkomst is van toepassing vanaf 23.12.2009, dus op de authentieke akten die vanaf die datum zijn verleden.

3.2.4. Technische verbeteringen

De tekst van artikel 140quater wordt enerzijds aangepast om de ongerijmdheid vervat in de eerste woorden van de oude Franse tekst te corrigeren en anderzijds om hem aan te passen aan de invoeging bij decreet van 30 april 2009 van een 7° (26) in artikel 209, eerste lid, W.Reg.Wl.

----------

(26) Met de verwijzing naar art. 209,7°, werd uiteraard 209, eerste lid, 7° bedoeld.

4. Inwerkingtreding

De bepalingen betreffende de registratierechten vervat in het vermelde decreet zijn in werking getreden op de datum van de bekendmaking van het decreet in het Belgisch Staatsblad, d.w.z. op 23.12.2009, behalve de enkele wijzigingen die in werking zijn getreden op 01.01.2010 (zie art. 17, 42 en 48 van het decreet).

Interne ref.: AFZ: Dossier nr. 443 / Kad., reg. en domeinen: E.E./L. 196