Circulaire nr. AFZ/2003-0333 (AFZ 2/2004) van 08.01.2004
CIRC 08.01.04/2
AANDELENOPTIE
Belastingstelsel van de aandelenopties
AANSLAGTERMIJN
Verlenging van de aanslagtermijn van 3 jaar
BEDRIJFSVOORHEFFING
Fictieve bedrijfsvoorheffing
Vrijstelling van storting van de BV
DIVERSE FISCALE MAATREGELEN
Beknopt overzicht
MEEWERKENDE ECHTGENOOT
Bezoldiging van meewerkende echtgenoot
PENSIOEN
Aanvullend pensioen voor zelfstandigen
SECTOR VAN DE ZEEVISSERIJ
Bedrijfsvoorheffing
VRIJGESTELD INKOMEN
PC-privé
WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK
Personeel voor wetenschappelijk onderzoek
Belastingstelsel van de aandelenopties
AANSLAGTERMIJN
Verlenging van de aanslagtermijn van 3 jaar
BEDRIJFSVOORHEFFING
Fictieve bedrijfsvoorheffing
Vrijstelling van storting van de BV
DIVERSE FISCALE MAATREGELEN
Beknopt overzicht
MEEWERKENDE ECHTGENOOT
Bezoldiging van meewerkende echtgenoot
PENSIOEN
Aanvullend pensioen voor zelfstandigen
SECTOR VAN DE ZEEVISSERIJ
Bedrijfsvoorheffing
VRIJGESTELD INKOMEN
PC-privé
WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK
Personeel voor wetenschappelijk onderzoek
Eerste commentaar op de programmawet (I) van 24.12.2002 en de uitvoeringsbesluiten van 25.3.2003, 3.4.2003 en 28.9.2003.
Aan alle ambtenaren van de niveaus 1, B en C van de Administratie van fiscale zaken, van de Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit (sector directe belastingen), van de Administratie der directe belastingen en van de Administratie van de bijzondere belastingsinspectie.
In bijlage volgt een eerste commentaar betreffende :
1. de programmawet (I) van 24 december 2002 (BS 31.12.2002, err. 7.2.2003, Ed. 2, V 3106, Bull. 834), meer bepaald over de bepalingen inzake :
- het fiscaal statuut van de meewerkende echtgenoot;
- aanvullende pensioenen van zelfstandigen;
- wetenschappelijk onderzoek;
- de sector van de zeevisserij;
- PC-privé;
- opcentiemen op de BNI/nat.pers. en de toepassing van de aanvullende gemeentebelasting op de PB in de berekening van de BV;
- verrekenbare BV;
- maatregelen betreffende de onderzoeks- en aanslagtermijn bij vennootschappen; aandelenopties;
- regularisatie van de belastbare bezoldigingen en vergoedingen van personeelsleden van de lokale politie;
2. het koninklijk besluit van 25 maart 2003 tot wijziging van het KB/WIB 92 en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van artikel 396 van de programmawet van 24 december 2002 (BS 4.4.2003, V 3140, Bull. 837);
3. het koninklijk besluit van 3 april 2003 tot uitvoering van artikel 388 van de programmawet van 24 december 2002 en tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van de aangifte in de bedrijfsvoorheffing (BS 22.4.2003, V 3156, Bull. 838);
4. het koninklijk besluit van 28 september 2003 tot vaststelling van de toepassingsmodaliteiten zoals voorzien in artikel 385 van de programmawet (I) van 24 december 2002 (BS 1.10.2003, Ed. 2, V 3219, Bull. 842).
NAMENS DE MINISTER :
De adjunct-administrateur-generaal,
Paul NECKEBROECK
Bijlage
PROGRAMMAWET (I) VAN 24 DECEMBER 2002
INHOUDSTAFEL
INHOUDSTAFEL
| I. FISCAAL STATUUT VAN DE MEEWERKENDE ECHTGENOOT |
| A. Wettekst |
| B. Commentaar |
| 1. Algemeen |
| 2. Onderverdeling van de meewerkende echtgenoten in twee groepen |
| 3. Aard van de toekenning |
| 4. Bepaling van het netto bedrag van de toekenning |
| 5. Begrenzing van de toekenning |
| 6. Voorafbetalingen |
| 7. Belastingkrediet |
| 8. Inwerkingtreding |
| II. Aanvullende pensioenen van zelfstandigen |
| A. Wettekst |
| B. Commentaar |
| 1. Algemeen |
| 2. Bijdragen gestort voor de vorming van uitkeringen |
| 3. Uitkeringen |
| 4. Opmerkingen |
| 5. Inwerkingtreding |
| III. WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK |
| A. Wettekst en uitvoeringsbesluit |
| 1. Programmawet (I) van 24 december 2002 |
| 2. Koninklijk besluit van 28 september 2003 |
| B. Commentaar |
| 1. Algemeen |
| 2. Betrokken onderzoekers |
| 3. Fiscale maatregel |
| 4. Inwerkingtreding |
| IV. SECTOR VAN DE ZEEVISSERIJ |
| A. Wettekst en uitvoeringsbesluit |
| 1. Programmawet (I) van 24 december 2002 |
| 2. Koninklijk besluit van 3 april 2003 |
| B. Commentaar |
| 1. Algemeen |
| 2. Nieuwe reglementering inzake de te storten BV |
| 3. Aangiften BV |
| 4. Voor te leggen documenten |
| 5. Inwerkingtreding |
| V. PC-PRIVE |
| A. Wettekst en uitvoeringsbesluit |
| 1. Programmawet (I) van 24 december 2002 |
|
2. Koninklijk besluit van 25 ma |
| B. Commentaar |
| 1. Algemeen |
| 2. Uitsluiting |
| 3. Begrenzing |
| 4. Voorwaarden |
| 5. Minimumvereisten PC-privé plan |
| 6. Voordeel van alle aard |
| 7. Inwerkingtreding |
| VI. Opcentiemen op de BNI/nat.pers. en toepassing van de aanvullende gemeentebelasting op de PB in de berekening van de BV |
| A. Wettekst |
| B. Commentaar |
| 1. Algemeen |
| 2. Maatregelen |
| 3. Inwerkingtreding |
| VII. Verrekenbare BV |
| A. Wettekst |
| B. Commentaar |
| 1. Algemeen |
| 2. Maatregel |
| 3. Inwerkingtreding |
| VIII. Maatregelen betreffende de onderzoeks- en aanslagtermijn bij vennootschappen |
| A. Wettekst |
| B. Commentaar |
| 1. Algemeen |
| 2. Beoogde belastingplichtigen |
| 3. Maatregel |
| 4. Inwerkingtreding |
| IX. AANDELENOPTIES |
| A. Wettekst |
| B. Commentaar |
| 1. Algemeen |
| 2. Schriftelijk aanbod |
| 3. Aanvaarding van het aanbod |
| 4. Waardebepaling van de aandelen |
| 5. Uitoefeningsperiode van de opties |
| 6. Inwerkingtreding |
| X. Regularisatie van de belastbare bezoldigingen en vergoedingen van personeelsleden van de lokale politie |
| A. Wettekst |
| B. Commentaar |
| 1. Algemeen |
| 2. Maatregel |
| 3. Inwerkingtreding |
…
Art. 15. Artikel 30 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, vervangen bij het koninklijk besluit van 20 december 1996, wordt aangevuld met een 3°, luidende :
« 3° bezoldigingen van meewerkende echtgenoten. ».
Art. 16. Artikel 33 van hetzelfde Wetboek, opgeheven door het koninklijk besluit van 20 december 1996, wordt hersteld in de volgende lezing :
« Art. 33. Bezoldigingen van meewerkende echtgenoten zijn alle toekenningen van een deel van de winst en de baten aan de meewerkende echtgenoot die tijdens het belastbaar tijdperk geen beroepsactiviteit uitoefent die voor hem rechten opent op uitkeringen in een verplichte regeling voor pensioenen, kinderbijslagen en ziekte- en invaliditeitsverzekering die minstens gelijkwaardig zijn aan die van het sociaal statuut van zelfstandigen, noch een uitkering geniet binnen het raam van de sociale zekerheid die voor hem dergelijke eigen rechten opent.
Deze bezoldigingen moeten overeenstemmen met de normale bezoldiging van de prestaties van de meewerkende echtgenoot, doch mogen niet hoger zijn dan 30 pct. van het netto bedrag van de inkomsten van de beroepswerkzaamheid die met de hulp van de echtgenoot wordt uitgeoefend, behoudens indien de prestaties van de meewerkende echtgenoot hem kennelijk recht geven op een groter deel. ».
Art. 17. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 33bis ingevoerd, dat luidt als volgt :
« Art. 33bis. Voor de toekenning van de in artikel 30, 3°, bedoelde bezoldigingen worden de beroepsinkomsten die afzonderlijk worden belast buiten beschouwing gelaten. ».
Art. 18. Artikel 51, 3°, van hetzelfde Wetboek, opgeheven door het koninklijk besluit van 20 december 1996, wordt hersteld in de volgende lezing :
« 3° voor bezoldigingen van meewerkende echtgenoten : 5 pct.; ».
Art. 19. In artikel 52, 4°, van hetzelfde Wetboek, vervallen de woorden «, buiten zijn echtgenoot».
Art. 20. In artikel 53 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 30 maart 1994, 7 april 1995 en 20 december 1995, bij het koninklijk besluit van 20 december 1996 en bij de wet van 22 december 1998, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het 12° wordt aangevuld met de woorden «, behoudens de in artikel 30, 3°, bedoelde bezoldigingen »;
2° het artikel wordt aangevuld als volgt :
« 19° voor de belastingplichtigen die in artikel 30, 3°, bedoelde bezoldigingen toekennen, de beroepskosten die eigen zijn aan de in artikel 33, eerste lid, bedoelde meewerkende echtgenoten;
20° voor de in artikel 33, eerste lid, bedoelde meewerkende echtgenoten, de beroepskosten die betrekking hebben op de activiteiten van de echtgenoot met wie wordt meegewerkt. ».
Art. 21. Artikel 57, 1°, van hetzelfde Wetboek, wordt aangevuld met de woorden «, behoudens de in artikel 30, 3°, bedoelde bezoldigingen;».
Art. 22. In artikel 86, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 20 december 1996 en 20 juli 2000, worden de woorden « aan de echtgenoot » vervangen door de woorden « aan de niet in artikel 33, eerste lid, bedoelde echtgenoot ».
Art. 23. In artikel 145^1 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 28 december 1992, 17 november 1998, 25 januari 1999 en 17 mei 2000, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid worden de woorden « de artikelen 145^2 tot 145^16bis » vervangen door de woorden « de artikelen 145^2 tot 145^16 »;
2° het 6° wordt opgeheven.
Art. 24. In titel II, hoofdstuk III, afdeling I, onderafdeling IIbis van hetzelfde Wetboek, wordt het onderdeel « G. Bijdragen voor het vrij pensioen van meewerkende echtgenoot van een zelfstandige » dat artikel 145^16bis omvat, ingevoegd bij de wet van 25 januari 1999, opgeheven.
Art. 25. In artikel 157 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 december 1996 en bij de wet van 10 augustus 2001, worden de woorden «, bezoldigingen van bedrijfsleiders » vervangen door de woorden « en de in artikel 30, 2° en 3°, bedoelde bezoldigingen ».
Art. 26. In artikel 158 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 20 december 1995 en bij het koninklijk besluit van 20 december 1996, worden de woorden « en bezoldigingen van bedrijfsleiders » vervangen door de woorden « en de in artikel 30, 2° en 3°, bedoelde bezoldigingen ».
Art. 27. In artikel 164 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 december 1996 en bij de wet van 6 juli 1997, worden de woorden « en de bezoldigingen van bedrijfsleiders » vervangen door de woorden « en de in artikel 30, 2° en 3°, bedoelde bezoldigingen ».
Art. 28. In artikel 166 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 december 1996, worden de woorden « en de bezoldigingen van bedrijfsleiders » vervangen door de woorden « en de in artikel 30, 2° en 3°, bedoelde bezoldigingen ».
Art. 29. In artikel 167, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 december 1996, worden de woorden « de bezoldigingen van bedrijfsleiders « vervangen door de woorden « de in artikel 30, 2° en 3°, bedoelde bezoldigingen ».
Art. 30. Artikel 171, 2°, a, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 25 januari 1999, wordt opgeheven.
Art. 31. In artikel 270, 1°, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 12 december 1996 en bij de wet van 22 december 1998, wordt het woord « bezoldigingen « telkens vervangen door de woorden « in artikel 30, 1° en 2°, bedoelde bezoldigingen ».
Art. 32. In artikel 271 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 6 juli 1994 en bij het koninklijk besluit van 20 december 1996, vervallen de woorden « bezoldigingen van bedrijfsleiders ».
Art. 33. Artikel 289ter, § 1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd door de wet van 10 augustus 2001, wordt aangevuld met het volgende lid :
« Geen belastingkrediet wordt verleend aan de in artikel 33, eerste lid, bedoelde meewerkende echtgenoten wanneer hun bezoldigingen voortkomen uit een activiteitsinkomen dat niet in aanmerking komt voor het belastingkrediet of dat wordt toegekend door een belastingplichtige als bedoeld in het derde lid. ».
Art. 34. In artikel 10 van de wet van 10 augustus 2001 houdende hervorming van de personenbelasting worden de woorden « aan de echtgenoot » vervangen door de woorden « aan de niet in artikel 33, eerste lid, bedoelde echtgenoot ».
Art. 35. Artikel 49, B, van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
« B. 1° In hetzelfde artikel wordt het bedrag van 78 EUR telkens vervangen door het bedrag van 220 EUR;
2° § 2 van hetzelfde artikel wordt aangevuld met het volgende lid :
« In afwijking van de vorige leden wordt, voor de in artikel 33, eerste lid, bedoelde meewerkende echtgenoten het bedrag van 220 EUR telkens vervangen door het bedrag van 200 EUR. ».
…
Art. 37. § 1. De artikelen 15 tot 35 treden in werking vanaf aanslagjaar 2004, behalve artikel 34 dat in werking treedt met ingang van aanslagjaar 2005.
§ 2. In afwijking van de artikelen 15 tot 35 blijft, voor elk van de aanslagjaren 2004 tot 2006, artikel 86 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 van toepassing op de meewerkende echtgenoten :
Art. 15. Artikel 30 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, vervangen bij het koninklijk besluit van 20 december 1996, wordt aangevuld met een 3°, luidende :
« 3° bezoldigingen van meewerkende echtgenoten. ».
Art. 16. Artikel 33 van hetzelfde Wetboek, opgeheven door het koninklijk besluit van 20 december 1996, wordt hersteld in de volgende lezing :
« Art. 33. Bezoldigingen van meewerkende echtgenoten zijn alle toekenningen van een deel van de winst en de baten aan de meewerkende echtgenoot die tijdens het belastbaar tijdperk geen beroepsactiviteit uitoefent die voor hem rechten opent op uitkeringen in een verplichte regeling voor pensioenen, kinderbijslagen en ziekte- en invaliditeitsverzekering die minstens gelijkwaardig zijn aan die van het sociaal statuut van zelfstandigen, noch een uitkering geniet binnen het raam van de sociale zekerheid die voor hem dergelijke eigen rechten opent.
Deze bezoldigingen moeten overeenstemmen met de normale bezoldiging van de prestaties van de meewerkende echtgenoot, doch mogen niet hoger zijn dan 30 pct. van het netto bedrag van de inkomsten van de beroepswerkzaamheid die met de hulp van de echtgenoot wordt uitgeoefend, behoudens indien de prestaties van de meewerkende echtgenoot hem kennelijk recht geven op een groter deel. ».
Art. 17. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 33bis ingevoerd, dat luidt als volgt :
« Art. 33bis. Voor de toekenning van de in artikel 30, 3°, bedoelde bezoldigingen worden de beroepsinkomsten die afzonderlijk worden belast buiten beschouwing gelaten. ».
Art. 18. Artikel 51, 3°, van hetzelfde Wetboek, opgeheven door het koninklijk besluit van 20 december 1996, wordt hersteld in de volgende lezing :
« 3° voor bezoldigingen van meewerkende echtgenoten : 5 pct.; ».
Art. 19. In artikel 52, 4°, van hetzelfde Wetboek, vervallen de woorden «, buiten zijn echtgenoot».
Art. 20. In artikel 53 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 30 maart 1994, 7 april 1995 en 20 december 1995, bij het koninklijk besluit van 20 december 1996 en bij de wet van 22 december 1998, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het 12° wordt aangevuld met de woorden «, behoudens de in artikel 30, 3°, bedoelde bezoldigingen »;
2° het artikel wordt aangevuld als volgt :
« 19° voor de belastingplichtigen die in artikel 30, 3°, bedoelde bezoldigingen toekennen, de beroepskosten die eigen zijn aan de in artikel 33, eerste lid, bedoelde meewerkende echtgenoten;
20° voor de in artikel 33, eerste lid, bedoelde meewerkende echtgenoten, de beroepskosten die betrekking hebben op de activiteiten van de echtgenoot met wie wordt meegewerkt. ».
Art. 21. Artikel 57, 1°, van hetzelfde Wetboek, wordt aangevuld met de woorden «, behoudens de in artikel 30, 3°, bedoelde bezoldigingen;».
Art. 22. In artikel 86, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 20 december 1996 en 20 juli 2000, worden de woorden « aan de echtgenoot » vervangen door de woorden « aan de niet in artikel 33, eerste lid, bedoelde echtgenoot ».
Art. 23. In artikel 145^1 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 28 december 1992, 17 november 1998, 25 januari 1999 en 17 mei 2000, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid worden de woorden « de artikelen 145^2 tot 145^16bis » vervangen door de woorden « de artikelen 145^2 tot 145^16 »;
2° het 6° wordt opgeheven.
Art. 24. In titel II, hoofdstuk III, afdeling I, onderafdeling IIbis van hetzelfde Wetboek, wordt het onderdeel « G. Bijdragen voor het vrij pensioen van meewerkende echtgenoot van een zelfstandige » dat artikel 145^16bis omvat, ingevoegd bij de wet van 25 januari 1999, opgeheven.
Art. 25. In artikel 157 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 december 1996 en bij de wet van 10 augustus 2001, worden de woorden «, bezoldigingen van bedrijfsleiders » vervangen door de woorden « en de in artikel 30, 2° en 3°, bedoelde bezoldigingen ».
Art. 26. In artikel 158 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 20 december 1995 en bij het koninklijk besluit van 20 december 1996, worden de woorden « en bezoldigingen van bedrijfsleiders » vervangen door de woorden « en de in artikel 30, 2° en 3°, bedoelde bezoldigingen ».
Art. 27. In artikel 164 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 december 1996 en bij de wet van 6 juli 1997, worden de woorden « en de bezoldigingen van bedrijfsleiders » vervangen door de woorden « en de in artikel 30, 2° en 3°, bedoelde bezoldigingen ».
Art. 28. In artikel 166 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 december 1996, worden de woorden « en de bezoldigingen van bedrijfsleiders » vervangen door de woorden « en de in artikel 30, 2° en 3°, bedoelde bezoldigingen ».
Art. 29. In artikel 167, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 december 1996, worden de woorden « de bezoldigingen van bedrijfsleiders « vervangen door de woorden « de in artikel 30, 2° en 3°, bedoelde bezoldigingen ».
Art. 30. Artikel 171, 2°, a, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 25 januari 1999, wordt opgeheven.
Art. 31. In artikel 270, 1°, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 12 december 1996 en bij de wet van 22 december 1998, wordt het woord « bezoldigingen « telkens vervangen door de woorden « in artikel 30, 1° en 2°, bedoelde bezoldigingen ».
Art. 32. In artikel 271 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 6 juli 1994 en bij het koninklijk besluit van 20 december 1996, vervallen de woorden « bezoldigingen van bedrijfsleiders ».
Art. 33. Artikel 289ter, § 1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd door de wet van 10 augustus 2001, wordt aangevuld met het volgende lid :
« Geen belastingkrediet wordt verleend aan de in artikel 33, eerste lid, bedoelde meewerkende echtgenoten wanneer hun bezoldigingen voortkomen uit een activiteitsinkomen dat niet in aanmerking komt voor het belastingkrediet of dat wordt toegekend door een belastingplichtige als bedoeld in het derde lid. ».
Art. 34. In artikel 10 van de wet van 10 augustus 2001 houdende hervorming van de personenbelasting worden de woorden « aan de echtgenoot » vervangen door de woorden « aan de niet in artikel 33, eerste lid, bedoelde echtgenoot ».
Art. 35. Artikel 49, B, van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
« B. 1° In hetzelfde artikel wordt het bedrag van 78 EUR telkens vervangen door het bedrag van 220 EUR;
2° § 2 van hetzelfde artikel wordt aangevuld met het volgende lid :
« In afwijking van de vorige leden wordt, voor de in artikel 33, eerste lid, bedoelde meewerkende echtgenoten het bedrag van 220 EUR telkens vervangen door het bedrag van 200 EUR. ».
…
Art. 37. § 1. De artikelen 15 tot 35 treden in werking vanaf aanslagjaar 2004, behalve artikel 34 dat in werking treedt met ingang van aanslagjaar 2005.
§ 2. In afwijking van de artikelen 15 tot 35 blijft, voor elk van de aanslagjaren 2004 tot 2006, artikel 86 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 van toepassing op de meewerkende echtgenoten :
-
die tijdens het belastbaar tijdperk geen beroepsactiviteit hebben uitgeoefend waardoor zij eigen rechten openen op uitkeringen in een verplichte regeling voor pensioenen, kinderbijslagen en ziekte- en invaliditeitsverzekering die minstens gelijkwaardig zijn aan die van het sociaal statuut van zelfstandigen, noch een uitkering binnen het raam van de sociale zekerheid hebben genoten die voor hen dergelijke eigen rechten opent;
- en die zich tijdens hetzelfde belastbaar tijdperk niet vrijwillig hebben onderworpen aan het sociaal statuut der zelfstandigen overeenkomstig artikel 7bis, § 2, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen.
§ 3. In afwijking van de artikelen 15 tot 35 blijft artikel 86 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 van toepassing op de meewerkende echtgenoten :
-
die geboren zijn voor 1 januari 1956;
-
en die, tijdens het belastbaar tijdperk, geen beroepsactiviteit hebben uitgeoefend, waardoor zij eigen rechten openen op uitkeringen in een verplichte regeling voor pensioenen, kinderbijslagen en ziekte- en invaliditeitsverzekering die minstens gelijkwaardig zijn aan die van het sociaal statuut van zelfstandigen, noch een uitkering binnen het raam van de sociale zekerheid hebben ontvangen die voor hen dergelijke eigen rechten openen;
- en die zich tijdens hetzelfde belastbaar tijdperk niet vrijwillig hebben onderworpen aan het sociaal statuut der zelfstandige overeenkomstig artikel 7bis, § 3, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen.
…
Bij de uitwerking van het nieuwe sociaal statuut voor de medewerkende echtgenoot, is gebleken dat naast de sociale aspecten, ook de fiscale aspecten inzake het inkomen van de medewerkende echtgenoot moesten worden verbeterd.
Meerdere artikelen van het WIB 92 werden aangepast teneinde de toekenning aan de meewerkende echtgenoot op fiscaal vlak te herdefiniëren tot een volledig eigen inkomen.
Ingevolge het nieuwe sociale statuut wordt een onderscheid gemaakt tussen de meewerkende echtgenoot die een eigen beroepsactiviteit heeft die voor hem eigen rechten opent op uitkeringen in een verplichte regeling voor pensioenen, kinderbijslagen en ziekte- en invaliditeitsverzekering die minstens gelijkwaardig zijn aan die van het sociaal statuut van zelfstandigen (meewerkende echtgenoot met sociaal statuut), en de meewerkende echtgenoot die een dergelijke beroepsactiviteit heeft die geen eigen rechten opent (meewerkende echtgenoot zonder sociaal statuut).
Voor de meewerkende echtgenoot zonder sociaal statuut worden een aantal bepalingen ingevoerd die tot gevolg hebben dat de toekenning voor die meewerkende echtgenoot op fiscaal vlak een eigen beroepsinkomen vormt.
Naar analogie met de vergelijkbare situatie voor bedrijfsleiders, werd dit eigen beroepsinkomen van de meewerkende echtgenoot opgenomen tussen de bezoldigingen beoogd in artikel 30, WIB 92.
Voor de medewerkende echtgenoot met een sociaal statuut blijft het huidig systeem van toekenning van meewerkinkomen onveranderd behouden (artikel 86, WIB 92).
De meewerkende echtgenoot zonder sociaal statuut heeft het recht van dit bruto belastbaar beroepsinkomen af te trekken :
- ofwel forfaitaire beroepskosten ten belope van 5 %;
- ofwel de werkelijke beroepskosten.
Er wordt hierbij opgemerkt dat de beroepskosten van de zaak waarin wordt meegeholpen, geen beroepskosten van de meewerkende echtgenoot kunnen zijn.
De hier bedoelde beroepskosten zijn die beroepskosten die eigen zijn aan de medewerkende echtgenoot, met andere woorden, de kosten die moeten worden gemaakt omdat de echtgenoot meewerkt en die er dus niet zouden zijn indien die echtgenoot niet meewerkt.
Anderzijds kunnen de kosten eigen aan de medewerkende echtgenoot op hun beurt geen beroepskosten zijn van de geholpen zelfstandige.
De toegekende bezoldiging moet overeenstemmen met een normale bezoldiging voor de geleverde prestatie, in principe beperkt tot 30 % van het netto bedrag van de inkomsten uit de beroepswerkzaamheid die met behulp van de meewerkende echtgenoot wordt uitgeoefend. Uiteraard gaat het om het netto bedrag van de inkomsten voor de aftrek als beroepskost van de toekenning zelf.
Aangezien deze bezoldigingen worden verkregen buiten een band van ondergeschiktheid, worden ze, zoals de inkomsten van de geholpen echtgenoot, onderworpen aan de verhoging indien geen of onvoldoende voorafbetalingen zijn gedaan.
De bezoldiging toegekend aan de medewerkende echtgenoot zonder sociaal statuut, is een activiteitsinkomen dat in beginsel recht geeft op de verrekening van het in artikel 289ter, WIB 92, vermelde belastingkrediet. Dit is niet het geval voor het in artikel 86, WIB 92, vermelde meewerkinkomen omdat het activiteitsinkomen in artikel 289ter, WIB 92, wordt bekeken vóór toepassing van de artikelen 86 tot 89, WIB 92.
Daar de bezoldiging van de medewerkende echtgenoot een deel is van het inkomen dat voortkomt uit een en dezelfde activiteit, samen uitgeoefend door twee echtgenoten, die beiden, indien ze aan de vereiste voorwaarden voldoen, kunnen genieten van het belastingkrediet, wordt het belastingkrediet voor de medewerkende echtgenoot beperkt tot 200 euro, niet geïndexeerd bedrag.
De artikelen 15 tot 35 van de programmawet (I) van 24.12.2002 treden in werking met ingang van aj. 2004, uitgezonderd artikel 34, dat in werking treedt met ingang van aj. 2005.
Uitzonderingen :
- het huidige fiscaal stelsel (artikel 86, WIB 92) wordt behouden voor elk van de ajn. 2004 tot 2006 voor de medewerkende echtgenoten zonder sociaal statuut en die niet vrijwillig zijn toegetreden tot het nieuwe sociaal statuut (de aansluiting is verplicht vanaf aj. 2007, inkomsten 2006);
- het huidige fiscaal stelsel wordt eveneens behouden voor aj. 2004 en volgende voor dezelfde medewerkende echtgenoten zonder sociaal statuut die zijn geboren voor 1.1.1956 en die niet vrijwillig zijn toegetreden tot het nieuwe sociaal statuut.
De belastingvermindering inzake de bijdragen voor het vrij pensioen van meewerkende echtgenoot van een zelfstandige (artikel 145^16, WIB 92) en de regeling betreffende de afzonderlijke taxatie van uitkeringen gevormd met die bijdragen (artikel 171, 2°, a, WIB 92) worden opgeheven met ingang van aj. 2004.
(art. 15 tot 35, en 37, programmawet (I) 24.12.2002 - art. 30, 33, 33bis, 51, 3°, 52, 4°, 53, 57, 1°, 86, 1
ste lid, 145^1, 145^16bis, 157, 158, 164, 166, 167, 2de lid, 171, 2°, a, 270, 1°, 271, 289ter, § 1, WIB 92)
…
Art. 72. Artikel 34, § 1, 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gewijzigd bij de wetten van 28 december 1992 en 17 mei 2000, wordt aangevuld als volgt :
«alsmede aanvullende pensioenen als bedoeld in titel II, hoofdstuk I, afdeling 4, van de programmawet van 24 december 2002;».
Art. 73. Artikel 38, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 28 juli 1992, 6 augustus 1993, 6 juli 1994 en 21 december 1994, bij het koninklijk besluit van 20 december 1996, bij de wetten van 8 augustus 1997, 8 juni 1998 en 7 april 1999, bij het koninklijk besluit van 20 juli 2000, bij de wetten van 22 mei 2001 en 10 juli 2001, bij koninklijk besluit van 13 juli 2001 en bij de wet van 10 augustus 2001, wordt aangevuld als volgt :
« 16° voordelen die ten name van de verkrijger voortvloeien uit de rechtstreekse betaling door het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering van bijdragen of premies aan een pensioeninstelling voor overeenkomsten in uitvoering van de regeling van sociale voordelen voorzien in artikel 54 van de wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen;».
Art. 74. Artikel 39, § 2, 2°, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 28 december 1992, 17 mei 2000 en 19 juli 2000, wordt aangevuld als volgt :
«d) ze niet geheel of gedeeltelijk zijn gevormd door middel van bijdragen die in aanmerking konden komen als beroepskosten overeenkomstig artikel 52, 7°bis;».
Art. 75. Artikel 52 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 28 december 1992, 30 maart 1994, 20 december 1995, bij het koninklijk besluit van 20 december 1996 en bij de wet van 22 december 1998, wordt aangevuld als volgt :
« 7°bis . tot de in 7° bedoelde bijdragen behoren inzonderheid de bijdragen als vermeld in artikel 45 van de programmawet van 24 december 2002, met uitzondering van de premies of bijdragen die door het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering rechtstreeks aan een pensioeninstelling worden betaald voor overeenkomsten in uitvoering van de regeling van sociale voordelen voorzien in artikel 54 van de wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen en die ten name van de verkrijger zijn vrijgesteld ingevolge artikel 38, eerste lid, 16°. ».
Art. 76. In artikel 59, derde lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 28 december 1992 en 6 juli 1994, worden de woorden « artikel 52, 7°bis of in » ingevoegd tussen de woorden « met werkgevers- of persoonlijke bijdragen als bedoeld in » en de woorden « artikel 145^3 ».
Art. 77. Artikel 145^4 van hetzelfde wetboek, ingevoegd bij de wet van 28 december 1994 en gewijzigd bij de wet van 10 augustus 2001, wordt aangevuld als volgt :
« 3° die bijdragen niet geheel of gedeeltelijk in aanmerking kunnen komen voor de toepassing van artikel 52, 7°bis.»
Art. 78. In artikel 169, § 1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 28 december 1992 en bij het koninklijk besluit van 13 juli 2001, worden de woorden « zoals het van kracht was voordat het door artikel 70 van de programmawet van 24 december 2002, werd vervangen, of van aanvullende pensioenen als bedoeld in titel II, hoofdstuk I, afdeling 4, van de programmawet van 24 december 2002 » ingevoegd tussen de woorden « of van aanvullende pensioenen overeenkomstig artikel 52bis van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen » en de woorden « alsmede kapitalen ».
Art. 79. In artikel 364ter van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 28 december 1992, worden de woorden «, door in artikel 52, 7°bis, vermelde bijdragen » ingevoegd tussen de woorden « die gevormd zijn door werkgeversbijdragen » en de woorden « of door persoonlijke bijdragen ».
Art. 82. … De artikelen 72 tot 79 treden in werking vanaf aanslagjaar 2005.
…
Art. 72. Artikel 34, § 1, 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gewijzigd bij de wetten van 28 december 1992 en 17 mei 2000, wordt aangevuld als volgt :
«alsmede aanvullende pensioenen als bedoeld in titel II, hoofdstuk I, afdeling 4, van de programmawet van 24 december 2002;».
Art. 73. Artikel 38, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 28 juli 1992, 6 augustus 1993, 6 juli 1994 en 21 december 1994, bij het koninklijk besluit van 20 december 1996, bij de wetten van 8 augustus 1997, 8 juni 1998 en 7 april 1999, bij het koninklijk besluit van 20 juli 2000, bij de wetten van 22 mei 2001 en 10 juli 2001, bij koninklijk besluit van 13 juli 2001 en bij de wet van 10 augustus 2001, wordt aangevuld als volgt :
« 16° voordelen die ten name van de verkrijger voortvloeien uit de rechtstreekse betaling door het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering van bijdragen of premies aan een pensioeninstelling voor overeenkomsten in uitvoering van de regeling van sociale voordelen voorzien in artikel 54 van de wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen;».
Art. 74. Artikel 39, § 2, 2°, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 28 december 1992, 17 mei 2000 en 19 juli 2000, wordt aangevuld als volgt :
«d) ze niet geheel of gedeeltelijk zijn gevormd door middel van bijdragen die in aanmerking konden komen als beroepskosten overeenkomstig artikel 52, 7°bis;».
Art. 75. Artikel 52 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 28 december 1992, 30 maart 1994, 20 december 1995, bij het koninklijk besluit van 20 december 1996 en bij de wet van 22 december 1998, wordt aangevuld als volgt :
« 7°bis . tot de in 7° bedoelde bijdragen behoren inzonderheid de bijdragen als vermeld in artikel 45 van de programmawet van 24 december 2002, met uitzondering van de premies of bijdragen die door het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering rechtstreeks aan een pensioeninstelling worden betaald voor overeenkomsten in uitvoering van de regeling van sociale voordelen voorzien in artikel 54 van de wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen en die ten name van de verkrijger zijn vrijgesteld ingevolge artikel 38, eerste lid, 16°. ».
Art. 76. In artikel 59, derde lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 28 december 1992 en 6 juli 1994, worden de woorden « artikel 52, 7°bis of in » ingevoegd tussen de woorden « met werkgevers- of persoonlijke bijdragen als bedoeld in » en de woorden « artikel 145^3 ».
Art. 77. Artikel 145^4 van hetzelfde wetboek, ingevoegd bij de wet van 28 december 1994 en gewijzigd bij de wet van 10 augustus 2001, wordt aangevuld als volgt :
« 3° die bijdragen niet geheel of gedeeltelijk in aanmerking kunnen komen voor de toepassing van artikel 52, 7°bis.»
Art. 78. In artikel 169, § 1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 28 december 1992 en bij het koninklijk besluit van 13 juli 2001, worden de woorden « zoals het van kracht was voordat het door artikel 70 van de programmawet van 24 december 2002, werd vervangen, of van aanvullende pensioenen als bedoeld in titel II, hoofdstuk I, afdeling 4, van de programmawet van 24 december 2002 » ingevoegd tussen de woorden « of van aanvullende pensioenen overeenkomstig artikel 52bis van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen » en de woorden « alsmede kapitalen ».
Art. 79. In artikel 364ter van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 28 december 1992, worden de woorden «, door in artikel 52, 7°bis, vermelde bijdragen » ingevoegd tussen de woorden « die gevormd zijn door werkgeversbijdragen » en de woorden « of door persoonlijke bijdragen ».
Art. 82. … De artikelen 72 tot 79 treden in werking vanaf aanslagjaar 2005.
…
De belangrijkste nieuwigheid inzake aanvullende pensioenen van zelfstandigen zit in het feit dat alle zelfstandigen voortaan zullen kunnen kiezen tussen een gewone vrije aanvullende pensioenovereenkomst voor zelfstandigen en een sociale pensioenovereenkomst die gebaseerd is op een solidariteitsstelsel dat tot op heden was voorbehouden aan sommige vrije beroepen zoals de artsen, de advocaten, enz…
Er wordt evenwel opgemerkt dat het belastingstelsel dat enerzijds van toepassing is op de bijdragen die worden gestort in het kader van de twee types van contracten (gewone en sociale) en anderzijds op de uitkeringen, niet beduidend is gewijzigd.
a) Die bijdragen zijn aftrekbare beroepskosten voor zover zij daadwerkelijk en volledig gedurende het jaar zijn betaald (artikel 52, 7°bis, WIB 92).
b) De rechtstreekse RIZIV tegemoetkomingen in de betaling van de genoemde bijdragen zijn bij de zorgverstrekker vrijgestelde voordelen van alle aard (artikel 38, eerste lid, 16°, WIB 92).
c) De RIZIV-bijdrage die rechtstreeks aan de pensioeninstelling wordt betaald en die een van belasting vrijgesteld voordeel uitmaakt bij de zorgverstrekker, is niet aftrekbaar als beroepskost (artikel 52, 7°bis, in fine, WIB 92).
d) De bijdragen, die bij toepassing van artikel 52, 7°bis, WIB 92, als beroepskost kunnen worden afgetrokken, zijn uitgesloten van de belastingvermindering voor het lange termijnsparen als bedoeld in artikel 145^1, 2°, WIB 92 (artikel 145^4, 3°, WIB 92). Uiteraard kunnen dezelfde bijdragen tegelijkertijd geen recht geven op een aftrek als beroepskost en op een belastingvermindering.
a) De pensioenen die de zelfstandigen hebben gevormd door middel van bijdragen voor aanvullend pensioen, daarin begrepen de aanvullende pensioenen die met RIZIV-bijdragen zijn gevormd, worden als belastbare pensioenen aangemerkt (artikel 34, WIB 92).
b) Zij zijn eventueel vrijgesteld (artikel 39, WIB 92).
Er is beslist artikel 39, § 2, 2°, WIB 92, dat tot doel heeft een fiscale vrijstelling te verlenen voor uitkeringen die voortkomen van verzekeringscontracten waarvoor geen enkel fiscaal voordeel is toegestaan, te vervolledigen teneinde duidelijk te stellen dat geen enkele vrijstelling wordt verleend wanneer die bijdragen als beroepskost in aanmerking konden komen.
Met die formulering wordt vermeden dat voor uitkeringen gevormd met bijdragen die voor een bepaald jaar niet daadwerkelijk als beroepskost kunnen worden afgetrokken omdat betrokkene de bijdragen die hij verschuldigd is krachtens het sociaal statuut der zelfstandigen, tijdens het betreffende jaar niet effectief en volledig heeft betaald (artikel 45 van de programmawet (I) van 24.12.2002), toch de belastingvrijstelling wordt gevraagd.
c) De huidige regeling om de aanvullende pensioenen in kapitaal voor zelfstandigen te belasten tegen een fictieve omzettingsrente wordt uitgebreid met de in de programmawet (I) van 24.12.2002 bedoelde aanvullende pensioenen voor zelfstandigen (artikel 169, § 1, eerste lid, WIB 92).
d) Een specifieke regel is van toepassing voor de overdracht van reserves van het ene contract naar het andere om te beletten dat die overdracht als een uitkering wordt beschouwd, behoudens wanneer die reserves worden overgedragen naar een in het buitenland gevestigde instelling (artikel 364ter, WIB 92).
- Voortaan kan een vrij aanvullend pensioen worden gecumuleerd met een groepsverzekering of een bedrijfsleidersverzekering.
- De toekenningen waarmee rekening moet worden gehouden voor de berekening van de 80%-regel worden uitgebreid tot de pensioenen die zijn gevormd in het kader van het sociaal statuut van de zelfstandigen (artikel 59, derde lid, WIB 92).
De artikelen 72 tot 79 van deze programmawet treden in werking vanaf aj. 2005.
(art. 72 tot 79 en 82, programmawet (I) 24.12.2002 - art. 34, § 1, 2°, 38, eerste lid, 39, § 2, 2°, 52, 59, derde lid, 145^4, 169, § 1, eerste lid, 364ter, WIB 92)
1. Programmawet (I) van 24 december 2002
…
Art. 385. De universiteiten en hogescholen die bezoldigingen uitbetalen of toekennen aan assistent-onderzoekers en het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek alsmede het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen die bezoldigingen uitbetalen of toekennen aan postdoctorale onderzoekers en die krachtens artikel 270, 1°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, bedrijfsvoorheffing op die bezoldigingen verschuldigd zijn, worden vrijgesteld van het storten aan de Schatkist, van 50 pct. van die bedrijfsvoorheffing, op voorwaarde dat ze op die bezoldigingen 100 pct. van die bedrijfsvoorheffing inhouden.
Om de in het eerste lid bedoelde vrijstelling van storting van de bedrijfsvoorheffing te verkrijgen, moet de werkgever tot staving van zijn aangifte in de bedrijfsvoorheffing het bewijs leveren dat de werknemers in hoofde van wie de vrijstelling wordt gevraagd, effectief tewerkgesteld zijn als assistent-onderzoekers of postdoctorale onderzoekers gedurende de periode waarop die aangifte in de bedrijfsvoorheffing betrekking heeft. De Koning bepaalt de wijze waarop dat bewijs wordt geleverd.
Art. 386. Artikel 385 treedt in werking op 1 oktober 2003.
…
2. Koninklijk besluit van 28 september 2003 tot vaststelling van de toepassingsmodaliteiten zoals voorzien in artikel 385 van de programmawet (I) van 24 december 2002
…
Artikel 1. Artikel 90, § 1, KB/WIB 92, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 3 januari 1995, 10 januari 1997, 3 mei 1999, 5 december 2000, 21 oktober 2002 en 3 april 2003 wordt aangevuld met het volgende lid :
« De schuldenaars van bedrijfsvoorheffing die zijn bedoeld in artikel 385 van de programmawet (I) van 24 december 2002, moeten voor de periode waarin zij bezoldigingen hebben toegekend waarvoor zij slechts 50 pct. van de verschuldigde bedrijfsvoorheffing in de Schatkist moeten storten, drie afzonderlijke aangiften in de bedrijfsvoorheffing overleggen volgens het hierna volgend onderscheid :
…
Art. 385. De universiteiten en hogescholen die bezoldigingen uitbetalen of toekennen aan assistent-onderzoekers en het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek alsmede het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen die bezoldigingen uitbetalen of toekennen aan postdoctorale onderzoekers en die krachtens artikel 270, 1°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, bedrijfsvoorheffing op die bezoldigingen verschuldigd zijn, worden vrijgesteld van het storten aan de Schatkist, van 50 pct. van die bedrijfsvoorheffing, op voorwaarde dat ze op die bezoldigingen 100 pct. van die bedrijfsvoorheffing inhouden.
Om de in het eerste lid bedoelde vrijstelling van storting van de bedrijfsvoorheffing te verkrijgen, moet de werkgever tot staving van zijn aangifte in de bedrijfsvoorheffing het bewijs leveren dat de werknemers in hoofde van wie de vrijstelling wordt gevraagd, effectief tewerkgesteld zijn als assistent-onderzoekers of postdoctorale onderzoekers gedurende de periode waarop die aangifte in de bedrijfsvoorheffing betrekking heeft. De Koning bepaalt de wijze waarop dat bewijs wordt geleverd.
Art. 386. Artikel 385 treedt in werking op 1 oktober 2003.
…
2. Koninklijk besluit van 28 september 2003 tot vaststelling van de toepassingsmodaliteiten zoals voorzien in artikel 385 van de programmawet (I) van 24 december 2002
…
Artikel 1. Artikel 90, § 1, KB/WIB 92, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 3 januari 1995, 10 januari 1997, 3 mei 1999, 5 december 2000, 21 oktober 2002 en 3 april 2003 wordt aangevuld met het volgende lid :
« De schuldenaars van bedrijfsvoorheffing die zijn bedoeld in artikel 385 van de programmawet (I) van 24 december 2002, moeten voor de periode waarin zij bezoldigingen hebben toegekend waarvoor zij slechts 50 pct. van de verschuldigde bedrijfsvoorheffing in de Schatkist moeten storten, drie afzonderlijke aangiften in de bedrijfsvoorheffing overleggen volgens het hierna volgend onderscheid :
-
de eerste aangifte in de bedrijfsvoorheffing bevat de door de werkgever betaalde of toegekende belastbare inkomsten van werknemers die niet in artikel 385 van de genoemde wet zijn bedoeld en de daarop verschuldigde bedrijfsvoorheffing die in de Schatkist moet worden gestort;
-
de tweede aangifte in de bedrijfsvoorheffing bevat uitsluitend de voor die periode betaalde of toegekende belastbare inkomsten van de werknemers die wel in het voornoemd artikel 385 zijn bedoeld, en de daarop ingehouden bedrijfsvoorheffing als bedoeld in hetzelfde artikel;
- de derde aangifte in de bedrijfsvoorheffing bevat uitsluitend een negatief bedrag van 50 pct. van de ingehouden bedrijfsvoorheffing. In de rubriek "belastbare inkomsten" moet het cijfer "0" worden ingevuld. ».
Art. 2. Voor de toepassing van artikel 385 van de programmawet (I) van 24 december 2002 moeten de in het eerste en tweede lid van dat artikel vermelde werkgevers, aan de in artikel 90, § 1, zesde lid, derde streepje, KB/WIB 92 vermelde aangifte in de bedrijfsvoorheffing een nominatieve lijst per instelling toevoegen met vermelding van :
1° de volledige identiteit van de werkgever met vermelding van het nationaal nummer of het refertenummer als schuldenaar inzake bedrijfsvoorheffing;
2° voor elke in artikel 385, derde lid van dezelfde wet vermelde werknemer :
a) de volledige identiteit alsmede, in voorkomend geval, het nationaal nummer;
b) het bewijs dat de betrokken werknemer, naargelang het geval, een assistent-onderzoeker of een postdoctorale onderzoeker is;
c) in voorkomend geval, de data van indiensttreding en uitdiensttreding zoals die in de onmiddellijke aangifte van tewerkstelling (DIMONA) zijn vermeld;
d) de bevestiging dat een arbeidsovereenkomst werd afgesloten of een tewerkstellingsbesluit werd getroffen;
e) het bedrag van de betaalde bruto belastbare bezoldigingen;
f) het bedrag van de op die bezoldigingen ingehouden bedrijfsvoorheffing en een gedetailleerde berekening van die bedrijfsvoorheffing;
3° het totaal bedrag van de bezoldigingen en van de ingehouden bedrijfsvoorheffing.
Art. 3. De bepalingen van dit besluit zijn van toepassing op de bezoldigingen betaald of toegekend vanaf 1 oktober 2003.
1° de volledige identiteit van de werkgever met vermelding van het nationaal nummer of het refertenummer als schuldenaar inzake bedrijfsvoorheffing;
2° voor elke in artikel 385, derde lid van dezelfde wet vermelde werknemer :
a) de volledige identiteit alsmede, in voorkomend geval, het nationaal nummer;
b) het bewijs dat de betrokken werknemer, naargelang het geval, een assistent-onderzoeker of een postdoctorale onderzoeker is;
c) in voorkomend geval, de data van indiensttreding en uitdiensttreding zoals die in de onmiddellijke aangifte van tewerkstelling (DIMONA) zijn vermeld;
d) de bevestiging dat een arbeidsovereenkomst werd afgesloten of een tewerkstellingsbesluit werd getroffen;
e) het bedrag van de betaalde bruto belastbare bezoldigingen;
f) het bedrag van de op die bezoldigingen ingehouden bedrijfsvoorheffing en een gedetailleerde berekening van die bedrijfsvoorheffing;
3° het totaal bedrag van de bezoldigingen en van de ingehouden bedrijfsvoorheffing.
Art. 3. De bepalingen van dit besluit zijn van toepassing op de bezoldigingen betaald of toegekend vanaf 1 oktober 2003.
…
Deze maatregel beoogt meer kansen te geven aan het wetenschappelijk onderzoek in België, met name door het aantal arbeidsplaatsen die beschikbaar zijn voor wetenschappelijke onderzoekers te verhogen door de loonlast per arbeidsplaats te verlagen.
Deze maatregel blijft beperkt tot de door de universiteiten en hogescholen tewerkgestelde assistent-onderzoekers.
Zij is ook van toepassing op de postdoctorale onderzoekers die worden bezoldigd door het
Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek alsmede het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen.
De schuldenaars van de bezoldigingen van de hiervoor vermelde werknemers die onderworpen zijn aan de BV, zijn slechts gehouden 50 % van de normaal aan de schatkist verschuldigde BV te storten, op voorwaarde dat 100 % van de BV op die bezoldigingen wordt ingehouden.
Het deel van de op de bezoldigingen ingehouden BV dat niet aan de Schatkist wordt doorgestort, blijft in het vermogen van de schuldenaar van de BV, zijnde de instelling die de werknemer tewerkstelt.
De werknemer zelf behoudt het recht op een verrekening van het volledig bedrag van de bedrijfsvoorheffing met zijn/haar aanslag in de PB of de BNI/nat.pers. Dus ook van het gedeelte van de BV dat niet aan de Schatkist is doorgestort.
Het koninklijk besluit van 28 september 2003 bepaalt de nadere regels en modaliteiten in verband met de wijze waarop bij de indiening van de aangifte in de bedrijfsvoorheffing het bewijs wordt geleverd dat de werknemers voor wie 50 % van de ingehouden bedrijfsvoorheffing met betrekking tot de periode waarop die aangifte betrekking heeft, niet wordt gestort, inderdaad bij een werkgever actief waren als assistent-onderzoekers of postdoctorale onderzoekers.
Wat die bewijsvoering betreft, wordt opgemerkt dat het de Federale diensten voor wetenschappelijke, technische en culturele aangelegenheden zullen zijn die, via een erkenning, zullen bepalen welke onderzoekers, naargelang het geval, in aanmerking komen als assistent-onderzoeker of postdoctoraal onderzoeker.
Artikel 385 van de programmawet (I) van 24.12.2002 treedt in werking vanaf 1 oktober 2003.
(art. 385 en 386, programmawet (I) 24.12.2002)
1. Programmawet (I) van 24 december 2002
…
Art. 387. Dit artikel is van toepassing op de werkgevers die behoren tot de sector van de zeevisserij en die, bij toepassing van artikel 270, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, schuldenaar zijn van de bedrijfsvoorheffing ingevolge de in artikel 273, 1°, van hetzelfde Wetboek bedoelde betaling of toekenning van belastbare bezoldigingen aan werknemers die zijn tewerkgesteld aan boord van een in een lidstaat van de Europese Unie geregistreerd schip waarvoor een zeebrief kan worden voorgelegd. Dit artikel is slechts van toepassing op de overeenkomstig artikel 272 van hetzelfde Wetboek ingehouden bedrijfsvoorheffing.
Voordat de storting aan de Schatkist wordt uitgevoerd, wordt het bedrag van de ingehouden bedrijfsvoorheffing vergeleken met het bedrag van de fictieve bedrijfsvoorheffing dat wordt verkregen rekening houdend met de forfaitaire daglonen zoals die zijn vastgesteld door de regelgeving tot vaststelling van de forfaitaire daglonen voor de berekening van de bijdragen voor sociale zekerheid verschuldigd voor de handarbeiders wier lonen geheel of gedeeltelijk uit fooien of bedieningsgeld bestaat, evenals voor de werknemers die door een arbeidsovereenkomst voor de zeevissers zijn verbonden, en die als berekeningsgrondslag dienen voor de berekening van de sociale bijdragen.
Wanneer het bedrag van de ingehouden bedrijfsvoorheffing lager is dan het bedrag van de fictieve bedrijfsvoorheffing, zijn de in het eerste lid beoogde werkgevers ertoe gehouden het totaal bedrag van de fictieve bedrijfsvoorheffing in de Schatkist te storten.
Het verschil tussen de fictieve bedrijfsvoorheffing en de ingehouden bedrijfsvoorheffing vormt bij de werkgevers een aftrekbare beroepskost als bedoeld in artikel 49 van hetzelfde Wetboek en is niet verrekenbaar in hoofde van de werknemer.
Wanneer het bedrag van de ingehouden bedrijfsvoorheffing meer bedraagt dan het bedrag van de fictieve bedrijfsvoorheffing, zijn de werkgevers er slechts toe gehouden een bedrag gelijk aan de fictieve bedrijfsvoorheffing in de Schatkist te storten. Het saldo van de ingehouden bedrijfsvoorheffing wordt door de werkgever aan het « Zeevissersfonds » opgericht bij de collectieve arbeidsovereenkomst van 29 augustus 1986, gestort.
Art. 388. De Koning bepaalt de nadere regels en modaliteiten in verband met de wijze :
…
Art. 387. Dit artikel is van toepassing op de werkgevers die behoren tot de sector van de zeevisserij en die, bij toepassing van artikel 270, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, schuldenaar zijn van de bedrijfsvoorheffing ingevolge de in artikel 273, 1°, van hetzelfde Wetboek bedoelde betaling of toekenning van belastbare bezoldigingen aan werknemers die zijn tewerkgesteld aan boord van een in een lidstaat van de Europese Unie geregistreerd schip waarvoor een zeebrief kan worden voorgelegd. Dit artikel is slechts van toepassing op de overeenkomstig artikel 272 van hetzelfde Wetboek ingehouden bedrijfsvoorheffing.
Voordat de storting aan de Schatkist wordt uitgevoerd, wordt het bedrag van de ingehouden bedrijfsvoorheffing vergeleken met het bedrag van de fictieve bedrijfsvoorheffing dat wordt verkregen rekening houdend met de forfaitaire daglonen zoals die zijn vastgesteld door de regelgeving tot vaststelling van de forfaitaire daglonen voor de berekening van de bijdragen voor sociale zekerheid verschuldigd voor de handarbeiders wier lonen geheel of gedeeltelijk uit fooien of bedieningsgeld bestaat, evenals voor de werknemers die door een arbeidsovereenkomst voor de zeevissers zijn verbonden, en die als berekeningsgrondslag dienen voor de berekening van de sociale bijdragen.
Wanneer het bedrag van de ingehouden bedrijfsvoorheffing lager is dan het bedrag van de fictieve bedrijfsvoorheffing, zijn de in het eerste lid beoogde werkgevers ertoe gehouden het totaal bedrag van de fictieve bedrijfsvoorheffing in de Schatkist te storten.
Het verschil tussen de fictieve bedrijfsvoorheffing en de ingehouden bedrijfsvoorheffing vormt bij de werkgevers een aftrekbare beroepskost als bedoeld in artikel 49 van hetzelfde Wetboek en is niet verrekenbaar in hoofde van de werknemer.
Wanneer het bedrag van de ingehouden bedrijfsvoorheffing meer bedraagt dan het bedrag van de fictieve bedrijfsvoorheffing, zijn de werkgevers er slechts toe gehouden een bedrag gelijk aan de fictieve bedrijfsvoorheffing in de Schatkist te storten. Het saldo van de ingehouden bedrijfsvoorheffing wordt door de werkgever aan het « Zeevissersfonds » opgericht bij de collectieve arbeidsovereenkomst van 29 augustus 1986, gestort.
Art. 388. De Koning bepaalt de nadere regels en modaliteiten in verband met de wijze :
-
waarop bij de indiening van de aangifte in de bedrijfsvoorheffing het bewijs wordt geleverd dat de werknemers voor wie de ingehouden bedrijfsvoorheffing niet volledig is gestort voor de periode waarop de aangifte betrekking heeft, daadwerkelijk aan boord van een in artikel 387, eerste lid, bedoeld schip waren tewerkgesteld;
- waarop, in het geval bedoeld in artikel 387, derde lid, bij de indiening van de aangifte in de bedrijfsvoorheffing het onderscheid moet worden gemaakt tussen de ingehouden en de gestorte bedrijfsvoorheffing.
Art. 389. De artikelen 387 en 388 zijn van toepassing op de bezoldigingen betaald of toegekend vanaf 1 januari 2003.
…
2. Koninklijk besluit van 3 april 2003 tot uitvoering van artikel 388 van de programmawet van 24 december 2002 en tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van de aangifte in de bedrijfsvoorheffing
…
Artikel 1. Artikel 90, § 1, KB/WIB 92, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 3 januari 1995, 10 januari 1997, 3 mei 1999 en 5 december 2000, wordt aangevuld met het volgende lid :
« De schuldenaars van bedrijfsvoorheffing die zijn bedoeld in artikel 387, eerste lid, van de Programmawet van 24 december 2002, moeten voor de periode waarin zij bezoldigingen hebben toegekend waarvoor het bedrag van de ingehouden bedrijfsvoorheffing, bevattende een eventueel fiscaal volontariaat, verschilt van het bedrag van de fictieve bedrijfsvoorheffing als bedoeld in artikel 387, tweede lid van de genoemde wet, afzonderlijke aangiften in de bedrijfsvoorheffing overleggen volgens het hierna volgend onderscheid :
…
2. Koninklijk besluit van 3 april 2003 tot uitvoering van artikel 388 van de programmawet van 24 december 2002 en tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van de aangifte in de bedrijfsvoorheffing
…
Artikel 1. Artikel 90, § 1, KB/WIB 92, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 3 januari 1995, 10 januari 1997, 3 mei 1999 en 5 december 2000, wordt aangevuld met het volgende lid :
« De schuldenaars van bedrijfsvoorheffing die zijn bedoeld in artikel 387, eerste lid, van de Programmawet van 24 december 2002, moeten voor de periode waarin zij bezoldigingen hebben toegekend waarvoor het bedrag van de ingehouden bedrijfsvoorheffing, bevattende een eventueel fiscaal volontariaat, verschilt van het bedrag van de fictieve bedrijfsvoorheffing als bedoeld in artikel 387, tweede lid van de genoemde wet, afzonderlijke aangiften in de bedrijfsvoorheffing overleggen volgens het hierna volgend onderscheid :
-
een eerste aangifte in de bedrijfsvoorheffing bevat de door de werkgever betaalde of toegekende belastbare inkomsten van werknemers die niet in artikel 387, eerste lid van de genoemde wet zijn bedoeld en de daarop verschuldigde bedrijfsvoorheffing die in de Schatkist moet worden gestort;
-
een tweede aangifte in de bedrijfsvoorheffing bevat uitsluitend de door de werkgever voor die periode werkelijk betaalde of toegekende belastbare inkomsten van de werknemers die wel in het artikel 387, eerste lid van de genoemde wet zijn bedoeld en de daarop ingehouden bedrijfsvoorheffing als bedoeld in artikel 387, derde of vijfde lid van dezelfde wet;
-
wanneer het bedrag van de ingehouden bedrijfsvoorheffing lager is dan het bedrag van de fictieve bedrijfsvoorheffing als bedoeld in artikel 387, derde lid, van de genoemde wet, dan moet een derde aangifte in de bedrijfsvoorheffing worden ingediend die uitsluitend het positieve verschil bevat tussen de fictieve bedrijfsvoorheffing en de ingehouden bedrijfsvoorheffing. In de rubriek "belastbare inkomsten" moet het cijfer "0" worden ingevuld;
- wanneer het bedrag van de ingehouden bedrijfsvoorheffing meer bedraagt dan het bedrag van de fictieve bedrijfsvoorheffing als bedoeld in artikel 387, vijfde lid, van de genoemde wet, dan moet een vierde aangifte in de bedrijfsvoorheffing worden ingediend die uitsluitend het negatieve verschil bevat tussen de fictieve bedrijfsvoorheffing en de ingehouden bedrijfsvoorheffing. In de rubriek "belastbare inkomsten" moet het cijfer "0" worden ingevuld. »
Art. 2. Voor de toepassing van artikel 388, van de Programmawet van 24 december 2002 moeten de in artikel 387, eerste lid van dezelfde wet vermelde werkgevers, de volgende documenten toevoegen aan de in artikel 90, § 1, vijfde lid, tweede streepje KB/WIB 92 vermelde aangifte in de bedrijfsvoorheffing :
1. wat de in België geregistreerde schepen betreft :
1. wat de in België geregistreerde schepen betreft :
-
ter gelegenheid van de eerste aangifte in de bedrijfsvoorheffing die ter uitvoering van deze bepalingen wordt ingediend, een afschrift van de zeebrief die voor elk van de betrokken schepen is uitgereikt;
- een nominatieve lijst per schip met de vermelding van :
1° de volledige identiteit van de werkgever met vermelding van het nationaal nummer of het refertenummer als schuldenaar inzake bedrijfsvoorheffing;
2° voor elke in artikel 387, eerste lid van dezelfde wet vermelde werknemer :
a) de volledige identiteit alsmede, in voorkomend geval, het nationaal nummer;
b) de functie aan boord van het schip of een omschrijving van de aan boord verrichte werkzaamheden;
c) in voorkomend geval, de data van indiensttreding en uitdiensttreding zoals die in de onmiddellijke aangifte van tewerkstelling (DIMONA) zijn vermeld;
d) het bedrag van de betaalde bruto belastbare bezoldigingen;
e) het bedrag van de op die bezoldigingen ingehouden bedrijfsvoorheffing en een gedetailleerde berekening van die bedrijfsvoorheffing;
f) een gedetailleerde berekening van de in artikel 387, tweede lid van de genoemde wet bedoelde fictieve bedrijfsvoorheffing;
3° het totaal bedrag van de bezoldigingen en van de ingehouden bedrijfsvoorheffing;
4° het totaal bedrag van de forfaitaire bezoldigingen en van de fictieve bedrijfsvoorheffing;
2. wat de in een andere lidstaat van de Europese Unie geregistreerde schepen betreft :
2° voor elke in artikel 387, eerste lid van dezelfde wet vermelde werknemer :
a) de volledige identiteit alsmede, in voorkomend geval, het nationaal nummer;
b) de functie aan boord van het schip of een omschrijving van de aan boord verrichte werkzaamheden;
c) in voorkomend geval, de data van indiensttreding en uitdiensttreding zoals die in de onmiddellijke aangifte van tewerkstelling (DIMONA) zijn vermeld;
d) het bedrag van de betaalde bruto belastbare bezoldigingen;
e) het bedrag van de op die bezoldigingen ingehouden bedrijfsvoorheffing en een gedetailleerde berekening van die bedrijfsvoorheffing;
f) een gedetailleerde berekening van de in artikel 387, tweede lid van de genoemde wet bedoelde fictieve bedrijfsvoorheffing;
3° het totaal bedrag van de bezoldigingen en van de ingehouden bedrijfsvoorheffing;
4° het totaal bedrag van de forfaitaire bezoldigingen en van de fictieve bedrijfsvoorheffing;
2. wat de in een andere lidstaat van de Europese Unie geregistreerde schepen betreft :
-
een afschrift van de zeebrief die voor elk van de betrokken schepen is uitgereikt of een document vergelijkbaar met die zeebrief, waaruit onomstotelijk blijkt dat het betreffende schip in een lidstaat van de Europese Unie is geregistreerd. Dit document moet steeds worden toegevoegd;
- een nominatieve lijst per schip met daarop dezelfde gegevens als vermeld onder 1, tweede streepje hiervoor.
Art. 3. De bepalingen van dit besluit zijn van toepassing op de bezoldigingen betaald of toegekend vanaf 1 januari 2003.
…
…
De statistische inlichtingen inzake de inhouding van BV voor de sector van de zeevisserij tonen aan dat er belangrijke verschillen bestaan tussen de rederijen zodat een éénvormig stelsel van belastingheffing aangewezen is om de strijd aan te binden tegen de oneerlijke concurrentie die tussen de betrokken werkgevers heerst.
Voordat de storting aan de Schatkist wordt uitgevoerd, zal de op basis van de normale bezoldiging van de zeevissers ingehouden BV, worden vergeleken met een fictieve BV die wordt verkregen door slechts rekening te houden met het forfaitaire dagloon dat als basis dient voor de berekening van de sociale bijdragen die in de sector verschuldigd zijn, zoals ze zijn vastgelegd door het ministerieel besluit van 21.12.2001 (Belgisch Staatsblad van 19.2.2002, ed. 2).
Wanneer de ingehouden BV lager zou zijn dan de fictieve BV, moet de werkgever het totaal bedrag van de fictieve BV in de Schatkist storten. Het verschil tussen de fictieve BV en de ingehouden BV vormt bij de werkgever aftrekbare beroepskosten en is niet verrekenbaar in hoofde van de werknemer.
Wanneer het bedrag van de ingehouden BV meer bedraagt dan het bedrag van de fictieve BV, moet de werkgever slechts een bedrag gelijk aan de fictieve BV in de Schatkist storten en zal het saldo door de werkgever aan het "Zeevissersfonds" worden gestort.
Wanneer het bedrag van de ingehouden BV (met inbegrip van een eventueel fiscaal volontariaat) verschilt van het bedrag van de fictieve BV, moet de tot de sector van de zeevisserij behorende werkgever afzonderlijke aangiften in de bedrijfsvoorheffing overleggen volgens het hierna volgend onderscheid :
| Wanneer het gaat om … | Wat aan te geven ? | |
Eerste aangifte | Andere werknemers dan diegene die zijn tewerkgesteld aan boord van een in een lidstaat van de Europese Unie geregistreerd schip waarvoor een zeebrief kan worden voorgelegd (werknemers "aan de wal"). | De door de werkgever betaalde of toegekende belastbare inkomsten en de daarop verschuldigde BV die in de Schatkist moet worden gestort. |
Tweede aangifte | Werknemers die zijn tewerkgesteld aan boord van een in een lidstaat van de Europese Unie geregistreerd schip waarvoor een zeebrief kan worden voorgelegd. | 1) De door de werkgever voor die periode werkelijk betaalde of toegekende belastbare inkomsten. |
2) De op die inkomsten ingehouden BV (eventueel met inbegrip van de aanvullende inhoudingen in het kader van het fiscaal volontariaat). | ||
Derde aangifte | Inkomsten waarvoor het bedrag van de ingehouden BV (eventueel met inbegrip van de aanvullende inhoudingen in het kader van het fiscaal volontariaat) lager is dan het bedrag van de fictieve BV. | Het positieve verschil tussen de fictieve BV en de ingehouden BV (eventueel met inbegrip van de aanvullende inhoudingen in het kader van het fiscaal volontariaat). |
In de rubriek "belastbare inkomsten" het cijfer "0" vermelden. | ||
Vierde aangifte | Inkomsten waarvoor het bedrag van de ingehouden BV (eventueel met inbegrip van de aanvullende inhoudingen in het kader van het fiscaal volontariaat) meer bedraagt dan het bedrag van de fictieve BV. | Het negatieve verschil tussen de fictieve BV en de ingehouden BV (eventueel met inbegrip van de aanvullende inhoudingen in het kader van het fiscaal volontariaat). |
In de rubriek "belastbare inkomsten" het cijfer "0" vermelden. |
Als hij de
tweede aangifte moet indienen (zie punt 3), zal de werkgever eveneens de volgende documenten moeten voorleggen :
1.
wat de in België geregistreerde schepen betreft :
- ter gelegenheid van de eerste aangifte in de BV die ter uitvoering van deze bepalingen wordt ingediend, een afschrift van de zeebrief die voor elk van de betrokken schepen is uitgereikt;
- een nominatieve lijst per schip met de vermelding van :
1° de volledige identiteit van de werkgever met vermelding van het nationaal nummer of het refertenummer als schuldenaar inzake BV;
2° voor elke aan boord van een in een lidstaat van de Europese Unie geregistreerd schip waarvoor een zeebrief kan worden voorgelegd, tewerkgestelde werknemer :
a) de volledige identiteit alsmede, in voorkomend geval, het nationaal nummer;
b) de functie aan boord van het schip of een omschrijving van de aan boord verrichte werkzaamheden;
c) in voorkomend geval, de data van indiensttreding en uitdiensttreding zoals die in de onmiddellijke aangifte van tewerkstelling (DIMONA) zijn vermeld;
d) het bedrag van de betaalde bruto belastbare bezoldigingen;
e) het bedrag van de op die bezoldigingen ingehouden BV en een gedetailleerde berekening van die BV;
f) een gedetailleerde berekening van de fictieve BV die wordt verkregen rekening houdend met de forfaitaire daglonen zoals die zijn vastgesteld door de regelgeving tot vaststelling van de forfaitaire daglonen voor de berekening van de bijdragen voor sociale zekerheid verschuldigd voor de handarbeiders wier lonen geheel of gedeeltelijk uit fooien of bedieningsgeld bestaan, evenals voor de werknemers die door een arbeidsovereenkomst voor de zeevissers zijn verbonden;
3° het totaal bedrag van de bezoldigingen en van de ingehouden BV;
4° het totaal bedrag van de forfaitaire bezoldigingen en van de fictieve BV;
2.
wat de in een andere lidstaat van de Europese Unie geregistreerde schepen betreft :
- een afschrift van de zeebrief die voor elk van de betrokken schepen is uitgereikt of een document vergelijkbaar met die zeebrief, waaruit onomstotelijk blijkt dat het betreffende schip in een lidstaat van de Europese Unie is geregistreerd. Dit document moet steeds worden toegevoegd;
- een nominatieve lijst per schip met daarop dezelfde gegevens als vermeld onder 1, tweede streepje, hiervoor.
De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op de bezoldigingen die zijn betaald of toegekend vanaf 1.1.2003.
(art. 387 tot 389, programmawet (I) 24.12.2002 - art. 1 tot 3, KB 3.4.2003)
1. Programmawet (I) van 24 december 2002
…
Art. 396. Artikel 38, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gewijzigd bij de wetten van 28 juli 1992, 6 augustus 1993, 6 juli 1994 en 21 december 1994, bij het koninklijk besluit van 20 december 1996, bij de wetten van 8 augustus 1997, 8 juni 1998 en 7 april 1999, bij het koninklijk besluit van 13 juli 2001 en bij de wet van 10 augustus 2001, wordt aangevuld als volgt :
« 17° in zover zij niet meer bedragen dan 1.250,00 EUR per aanbod, de tussenkomsten van de werkgever ten beloop van maximum 60 % van de aankoopprijs (exclusief BTW) die door de werknemers wordt betaald voor de aankoop van een geheel van pc, randapparatuur en printer, internetaansluiting en internetabonnement, alsook de voor de bedrijfsvoering dienstige software in het kader van een door de werkgever georganiseerd plan, zonder dat die werkgever op enig ogenblik zelf eigenaar van de voormelde elementen mag zijn.
De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in Ministerraad de voorwaarden waaraan die vrijstelling moet voldoen. ».
Art. 397. Artikel 396 treedt in werking op de datum bepaald door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
…
2. Koninklijk besluit van 25 maart 2003 tot wijziging van het KB/WIB 92 en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van artikel 396 van de programmawet van 24 december 2002
Artikel 1. Artikel 18, § 3, KB/WIB 92, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 22 oktober 1993, 18 februari 1994, 7 maart 1995, 5 april 1995, 6 maart 1996, 17 maart 1997, 20 mei 1997, 12 juni 1997, 2 juni 1998, 7 december 1998, 21 april 1999, 25 april 2000, 20 juli 2000, 16 maart 2001, 13 juli 2001 en 8 maart 2002, wordt aangevuld met een punt 10 dat luidt als volgt :
« 10. Persoonlijk gebruik van een kosteloos ter beschikking gestelde PC of internetaansluiting :
Het voordeel wordt forfaitair vastgesteld op :
…
Art. 396. Artikel 38, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gewijzigd bij de wetten van 28 juli 1992, 6 augustus 1993, 6 juli 1994 en 21 december 1994, bij het koninklijk besluit van 20 december 1996, bij de wetten van 8 augustus 1997, 8 juni 1998 en 7 april 1999, bij het koninklijk besluit van 13 juli 2001 en bij de wet van 10 augustus 2001, wordt aangevuld als volgt :
« 17° in zover zij niet meer bedragen dan 1.250,00 EUR per aanbod, de tussenkomsten van de werkgever ten beloop van maximum 60 % van de aankoopprijs (exclusief BTW) die door de werknemers wordt betaald voor de aankoop van een geheel van pc, randapparatuur en printer, internetaansluiting en internetabonnement, alsook de voor de bedrijfsvoering dienstige software in het kader van een door de werkgever georganiseerd plan, zonder dat die werkgever op enig ogenblik zelf eigenaar van de voormelde elementen mag zijn.
De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in Ministerraad de voorwaarden waaraan die vrijstelling moet voldoen. ».
Art. 397. Artikel 396 treedt in werking op de datum bepaald door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
…
2. Koninklijk besluit van 25 maart 2003 tot wijziging van het KB/WIB 92 en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van artikel 396 van de programmawet van 24 december 2002
Artikel 1. Artikel 18, § 3, KB/WIB 92, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 22 oktober 1993, 18 februari 1994, 7 maart 1995, 5 april 1995, 6 maart 1996, 17 maart 1997, 20 mei 1997, 12 juni 1997, 2 juni 1998, 7 december 1998, 21 april 1999, 25 april 2000, 20 juli 2000, 16 maart 2001, 13 juli 2001 en 8 maart 2002, wordt aangevuld met een punt 10 dat luidt als volgt :
« 10. Persoonlijk gebruik van een kosteloos ter beschikking gestelde PC of internetaansluiting :
Het voordeel wordt forfaitair vastgesteld op :
-
180 EUR per jaar voor een kosteloos ter beschikking gestelde PC;
- 60 EUR per jaar voor de internetaansluiting en het internetabonnement. »
Art. 2. In hoofdstuk I, van hetzelfde besluit, worden afdeling VIII en artikel 19, opgeheven bij het koninklijk besluit van 12 augustus 1994, hersteld in de volgende lezing :
« Afdeling VIII. PC-privé-plannen
(Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 38, eerste lid, 17°)
Artikel 19. Opdat de tussenkomst van de werkgever in het kader van een PC-privé-plan in aanmerking kan komen voor de vrijstelling als bedoeld in artikel 38, eerste lid, 17°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, moeten de volgende voorwaarden zijn vervuld :
1. het aanbod van de werkgever waarmee hij zich ertoe verbindt om tussen te komen in de aankoopprijs van een geheel van PC, randapparatuur en printer, internetaansluiting en internetabonnement, alsook de voor de bedrijfsvoering dienstige software, wordt beschreven in het PC-privé-plan;
2. de voorwaarden die in het plan zijn opgenomen moeten dezelfde zijn voor alle werknemers;
3. de minimumvoorwaarden waaraan het plan moet voldoen zijn de volgende :
a) het plan moet de beschrijving geven van het geheel van PC, randapparatuur en printer, internetaansluiting en internetabonnement, alsook de voor de bedrijfsvoering dienstige software;
b) het plan bepaalt dat het de werknemer vrij staat het geheel of slechts een gedeelte van het beschreven materieel te kiezen;
c) de tussenkomst van de werkgever moet per onderdeel van het aanbod worden opgegeven;
d) de tussenkomst kan enkel geschieden bij aankoop van materieel in nieuwe staat;
e) de tussenkomst door de werkgever geschiedt tegen afgifte van een door de werknemer eensluidend verklaard afschrift van de aankoopfactuur of van het aankoopbewijs op naam van de werknemer;
f) wat de materiëlen betreft, die een werknemer voorheen in het kader van een PC-privé-plan heeft aangeschaft, moet het plan bepalen dat slechts in de loop van het derde jaar volgend op het jaar van aanschaf opnieuw mag worden ingegaan op een aanbod van de werkgever. ».
Art. 3. Artikel 396 van de programmawet van 24 december 2002 en dit besluit hebben uitwerking met ingang van 1 januari 2003.
« Afdeling VIII. PC-privé-plannen
(Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 38, eerste lid, 17°)
Artikel 19. Opdat de tussenkomst van de werkgever in het kader van een PC-privé-plan in aanmerking kan komen voor de vrijstelling als bedoeld in artikel 38, eerste lid, 17°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, moeten de volgende voorwaarden zijn vervuld :
1. het aanbod van de werkgever waarmee hij zich ertoe verbindt om tussen te komen in de aankoopprijs van een geheel van PC, randapparatuur en printer, internetaansluiting en internetabonnement, alsook de voor de bedrijfsvoering dienstige software, wordt beschreven in het PC-privé-plan;
2. de voorwaarden die in het plan zijn opgenomen moeten dezelfde zijn voor alle werknemers;
3. de minimumvoorwaarden waaraan het plan moet voldoen zijn de volgende :
a) het plan moet de beschrijving geven van het geheel van PC, randapparatuur en printer, internetaansluiting en internetabonnement, alsook de voor de bedrijfsvoering dienstige software;
b) het plan bepaalt dat het de werknemer vrij staat het geheel of slechts een gedeelte van het beschreven materieel te kiezen;
c) de tussenkomst van de werkgever moet per onderdeel van het aanbod worden opgegeven;
d) de tussenkomst kan enkel geschieden bij aankoop van materieel in nieuwe staat;
e) de tussenkomst door de werkgever geschiedt tegen afgifte van een door de werknemer eensluidend verklaard afschrift van de aankoopfactuur of van het aankoopbewijs op naam van de werknemer;
f) wat de materiëlen betreft, die een werknemer voorheen in het kader van een PC-privé-plan heeft aangeschaft, moet het plan bepalen dat slechts in de loop van het derde jaar volgend op het jaar van aanschaf opnieuw mag worden ingegaan op een aanbod van de werkgever. ».
Art. 3. Artikel 396 van de programmawet van 24 december 2002 en dit besluit hebben uitwerking met ingang van 1 januari 2003.
…
Er wordt een belastingvrijstelling ingesteld voor de werknemers die via hun werkgever van de mogelijkheid gebruik maken om in het kader van een zogenaamd PC-privé plan de aankoop te verrichten van een geheel van PC, randapparatuur en printer, internetaansluiting en internetabonnement, alsook voor de bedrijfsvoering dienstige software.
Die belastingvrijstelling is in hoofde van de werknemers van toepassing op de tussenkomst die de werkgever doet in de aankoop van die computerelementen.
De maatregel is enkel van toepassing op werknemers; de bedrijfsleiders zijn derhalve uitgesloten.
De vrijgestelde tussenkomst van de werkgever is beperkt tot 60 % van de aankoopprijs (exclusief BTW) die de werknemer heeft moeten betalen, met een maximale vrijstelling van die werkgeverstussenkomst tot 1.250 euro (niet-geïndexeerd bedrag) per aanbod.
De vrijstelling van de werkgeverstussenkomst wordt slechts toegestaan indien de aankoop door de werknemer is gebeurd in het kader van een door de werkgever georganiseerd plan, zonder dat die werkgever zelf ooit eigenaar van die computerelementen is geweest. De taak van de werkgever bestaat erin om als tussenpersoon te voorzien in de nodige contacten en organisatie die de werknemer toelaten om op een fiscaal gunstige manier een volledige computerinstallatie bij een derde-onderneming aan te kopen.
Een eerste voorwaarde bepaalt dat het aanbod van de werkgever om tussen te komen, in het plan wordt beschreven.
Een tweede voorwaarde bepaalt, teneinde het sociale belang van deze maatregel te onderstrepen, dat de voorwaarden die in het plan zijn opgenomen, dezelfde moeten zijn voor alle werknemers.
Een laatste voorwaarde bepaalt de minimumvereisten waaraan het PC-privé plan moet voldoen en die voornamelijk tot doel hebben misbruiken uit te sluiten :
- het plan moet een duidelijke beschrijving geven van de in aanmerking komende apparaten, evenals de voor de bedrijfsvoering dienstige software;
- het plan bepaalt dat de werknemer vrij kan kiezen. Met andere woorden, de werknemer is niet verplicht een ganse PC-configuratie aan te schaffen, maar hij moet minstens twee onderdelen van het aanbod van de werkgever aanschaffen;
- de tussenkomst door de werkgever moet worden opgegeven per apparaat en per software-pakket;
- de tussenkomst kan alleen geschieden voor materieel in nieuwe staat. Dit sluit het doorverkopen van tweedehandsmaterieel van de werkgever uit;
- de tussenkomst gebeurt tegen afgifte van een door de werknemer eensluidend verklaard afschrift van de aankoopfactuur of van het aankoopbewijs;
- wanneer een werknemer een aankoop verricht in het kader van het plan, kan hij dezelfde elementen ten vroegste opnieuw aanschaffen in het kader van een plan in het derde jaar volgend op het jaar van de eerste aankoop.
Voorbeeld
- aanbod in de loop van jaar N : de werknemer kiest een PC en de voor de bedrijfsvoering dienstige software;
- aanbod in de loop van jaar N+1 : de werknemer kiest een printer en een internetaansluiting;
- aanbod in de loop van jaar N+3 : de werknemer kan opnieuw een PC aanschaffen maar geen printer.
Teneinde tot een eenvormige raming te komen van het voordeel van alle aard dat ontstaat door het kosteloos ter beschikking stellen door de werkgever van een PC of internetaansluiting, legt artikel 1, KB 25.03.2003 het te weerhouden voordeel vast als volgt :
- 180 EUR per jaar voor een kosteloos ter beschikking gestelde PC;
- 60 EUR per jaar voor de internetaansluiting en het internetabonnement.
Artikel 396 van de programmawet (I) van 24.12.2002 en het koninklijk besluit van 25.3.2003 tot wijziging van het KB/WIB 92 en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van artikel 396 van de programmawet van 24.12.2002, hebben uitwerking met ingang van 1.1.2003.
(art. 396 en 397, programmawet (I) 24.12.2002 - art. 2 en 3, KB 25.03.2003 - art. 38, 1
e lid, WIB 92)
…
Art. 398. Artikel 245 van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met het volgende lid :
« De Koning kan bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad die opcentiemen verhogen tot maximaal zeven opcentiemen. »
Art. 399. Artikel 469, tweede lid, van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld als volgt :
« De Koning kan bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad dat percentage verhogen tot maximaal 7 pct. ».
…
Art. 402. Artikel 398 treedt in werking vanaf aanslagjaar 2005.
Artikel 399 treedt in werking met ingang van 1 januari 2004.
De in artikel 245 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde opcentiemen en het in artikel 469, tweede lid, van hetzelfde Wetboek vermelde percentage worden, respectievelijk voor het aanslagjaar 2004 en voor het jaar 2003, vastgelegd op 6,7.
…
Art. 398. Artikel 245 van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met het volgende lid :
« De Koning kan bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad die opcentiemen verhogen tot maximaal zeven opcentiemen. »
Art. 399. Artikel 469, tweede lid, van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld als volgt :
« De Koning kan bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad dat percentage verhogen tot maximaal 7 pct. ».
…
Art. 402. Artikel 398 treedt in werking vanaf aanslagjaar 2005.
Artikel 399 treedt in werking met ingang van 1 januari 2004.
De in artikel 245 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde opcentiemen en het in artikel 469, tweede lid, van hetzelfde Wetboek vermelde percentage worden, respectievelijk voor het aanslagjaar 2004 en voor het jaar 2003, vastgelegd op 6,7.
…
Deze maatregel beoogt het forfaitair vastgelegde percentage van de aanvullende gemeentebelasting beter te laten overéénstemmen met de werkelijkheid, er rekening mee houdende dat sinds de gemeenten er vrij in zijn deze vast te leggen, ze vaak hoger zijn dan oorspronkelijk vastgelegd in het WIB 92.
Het doel is de BNI/nat. pers., evenals de bedrijfsvoorheffing en de voorafbetalingen inzake personenbelasting, zo goed mogelijk bij de berekening te laten aansluiten.
Een KB kan de verhoging met opcentiemen op de BNI/nat.pers. brengen op maximum 7 (in plaats van 6).
Een KB kan het maximumtarief waarmee rekening wordt gehouden bij de inning van de aanvullende belasting via bedrijfsvoorheffing of voorafbetalingen brengen op 7 % (in plaats van 6).
Artikel 398 van deze programmawet treedt in werking met ingang van aj. 2005.
Artikel 399 van deze programmawet treedt in werking met ingang van 1.1.2004.
De opcentiemen beoogt in artikel 245, WIB 92 en het percentage beoogt in artikel 469, 2
de lid, WIB 92 worden respectievelijk voor aj. 2004 en voor het jaar 2003, vastgelegd op 6,7.
…
Art. 400. Artikel 296 van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met het volgende lid :
« De geheven bedrijfsvoorheffing is :
Art. 400. Artikel 296 van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met het volgende lid :
« De geheven bedrijfsvoorheffing is :
-
de overeenkomstig artikel 272 ingehouden bedrijfsvoorheffing;
- de niet ingehouden bedrijfsvoorheffing die werkelijk in de Schatkist wordt gestort. ».
…
Deze maatregel legt het administratieve standpunt betreffende het begrip "geheven BV" uitdrukkelijk vast in de wettekst. Hierdoor kan er geen twijfel meer bestaan dat de op bezoldigingen ingehouden BV met de PB kan worden verrekend, zelfs als die voorheffing niet of slechts ten dele aan de Schatkist wordt gestort.
Artikel 296, WIB 92 wordt derhalve aangevuld met een nieuw lid waarin de gevallen zijn opgenomen die aanleiding kunnen geven tot een verrekenbare BV.
Dit is inzonderheid het geval wanneer er een vrijstelling is van de storting van de voorheffing (maatregel ten behoeve van de wetenschappelijke onderzoekers), als een fictieve bedrijfsvoorheffing wordt vastgesteld (maatregel ten behoeve van de zeevisserij) of als de belastingplichtige te kampen heeft met een faillissement.
Deze bepaling treedt in werking op 10.1.2003.
(art. 400, programmawet (I) 24.12.2002 - art. 296, WIB 92)
…
Art. 401. In artikel 354 van hetzelfde Wetboek gewijzigd bij de wet van 15 maart 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° 1° het eerste lid wordt aangevuld als volgt :
« Wanneer voor de toepassing van de vennootschapsbelasting en van de belasting van niet-inwoners die overeenkomstig de artikelen 233 en 248 wordt gevestigd, de belastingplichtige anders dan per kalenderjaar boekhoudt, wordt de termijn van drie jaar verlengd met eenzelfde tijdperk als dat welke is verlopen tussen 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd en de datum van afsluiting van het boekjaar in de loop van hetzelfde jaar. »;
2° in het vierde lid worden de woorden « binnen de in het eerste lid bedoelde termijn van 3 jaar » vervangen door de woorden « binnen de in het eerste lid bedoelde termijn ».
Art. 402. … Artikel 401 en dit artikel treden in werking op de dag van de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad.
…
Art. 401. In artikel 354 van hetzelfde Wetboek gewijzigd bij de wet van 15 maart 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° 1° het eerste lid wordt aangevuld als volgt :
« Wanneer voor de toepassing van de vennootschapsbelasting en van de belasting van niet-inwoners die overeenkomstig de artikelen 233 en 248 wordt gevestigd, de belastingplichtige anders dan per kalenderjaar boekhoudt, wordt de termijn van drie jaar verlengd met eenzelfde tijdperk als dat welke is verlopen tussen 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd en de datum van afsluiting van het boekjaar in de loop van hetzelfde jaar. »;
2° in het vierde lid worden de woorden « binnen de in het eerste lid bedoelde termijn van 3 jaar » vervangen door de woorden « binnen de in het eerste lid bedoelde termijn ».
Art. 402. … Artikel 401 en dit artikel treden in werking op de dag van de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad.
…
Deze maatregel strekt ertoe artikel 354, WIB 92, aan te vullen, teneinde de onderzoeks- en controletermijnen van de aangiften in de vennootschapsbelasting en in de belasting van niet-inwoners/vennootschappen eenvormig te maken, los van de datum van afsluiting van de jaarrekening van de binnenlandse vennootschappen of Belgische inrichtingen van de betrokken buitenlandse vennootschappen.
Worden beoogd, de vennootschappen of de Belgische inrichtingen die hun jaarrekeningen anders dan per kalenderjaar afsluiten.
In het vervolg bestrijkt de aanslagtermijn in alle gevallen een periode van drie jaar vanaf de datum van afsluiting van de jaarrekening. Daarmee samenhangend omvat de onderzoeks- en controletermijn als bedoeld in artikel 333, WIB 92, naast het belastbare tijdperk zelf, eveneens deze periode.
Deze bepaling treedt in werking op de dag van zijn publicatie in het Belgisch Staatsblad, met name 31.12.2002.
(art. 401 en 402, programmawet (I) 24.12.2002 - art 354, WIB 92)
…
Art. 403. Artikel 41, 4°, van de wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen, wordt vervangen als volgt :
« 4° aanbod : het aanbod van de optie dat schriftelijk en gedateerd aan de begunstigde ter kennis wordt gebracht; ».
Art. 404. Artikel 42, § 1, tweede lid, van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
« Wanneer de begunstigde het aanbod ten laatste op de zestigste dag die volgt op de datum van het aanbod, schriftelijk heeft aanvaard, wordt de optie uit fiscaal oogpunt geacht op die zestigste dag te zijn toegekend, zelfs indien aan de uitoefening van de optie opschortende of ontbindende voorwaarden zijn verbonden. De begunstigde die voor het verstrijken van die termijn de aanbieder niet schriftelijk de aanvaarding van het aanbod heeft medegedeeld, wordt geacht het aanbod te hebben geweigerd. »
Art. 405. In artikel 43, § 4, 1°, van dezelfde wet, worden de woorden « de gemiddelde koers » vervangen door de woorden « de gemiddelde slotkoers ».
Art. 406. In artikel 43, § 4, 2°, van de wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen worden tussen de woorden « door een bedrijfsrevisor » en de woorden « die door die vennootschap wordt aangewezen », de woorden « of door een accountant » ingevoegd.
Art. 407. Artikel 47 van dezelfde wet wordt aangevuld met een § 4 luidend als volgt :
« § 4. Voor de aandelenoptieplannen afgesloten tussen 1 januari 1999 en 31 december 2002, kan de vennootschap die de opties aanbiedt, vóór 30 juni 2003, met instemming van de begunstigden, uitoefeningsperiode ervan zonder bijkomende fiscale last met hoogstens 3 jaar verlengen.
Dit akkoord moet aan de Administratie worden betekend vóór 31 juli 2003.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt afgeweken van artikel 499 van het Wetboek van vennootschappen. ».
…
Art. 403. Artikel 41, 4°, van de wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen, wordt vervangen als volgt :
« 4° aanbod : het aanbod van de optie dat schriftelijk en gedateerd aan de begunstigde ter kennis wordt gebracht; ».
Art. 404. Artikel 42, § 1, tweede lid, van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
« Wanneer de begunstigde het aanbod ten laatste op de zestigste dag die volgt op de datum van het aanbod, schriftelijk heeft aanvaard, wordt de optie uit fiscaal oogpunt geacht op die zestigste dag te zijn toegekend, zelfs indien aan de uitoefening van de optie opschortende of ontbindende voorwaarden zijn verbonden. De begunstigde die voor het verstrijken van die termijn de aanbieder niet schriftelijk de aanvaarding van het aanbod heeft medegedeeld, wordt geacht het aanbod te hebben geweigerd. »
Art. 405. In artikel 43, § 4, 1°, van dezelfde wet, worden de woorden « de gemiddelde koers » vervangen door de woorden « de gemiddelde slotkoers ».
Art. 406. In artikel 43, § 4, 2°, van de wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen worden tussen de woorden « door een bedrijfsrevisor » en de woorden « die door die vennootschap wordt aangewezen », de woorden « of door een accountant » ingevoegd.
Art. 407. Artikel 47 van dezelfde wet wordt aangevuld met een § 4 luidend als volgt :
« § 4. Voor de aandelenoptieplannen afgesloten tussen 1 januari 1999 en 31 december 2002, kan de vennootschap die de opties aanbiedt, vóór 30 juni 2003, met instemming van de begunstigden, uitoefeningsperiode ervan zonder bijkomende fiscale last met hoogstens 3 jaar verlengen.
Dit akkoord moet aan de Administratie worden betekend vóór 31 juli 2003.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt afgeweken van artikel 499 van het Wetboek van vennootschappen. ».
…
Deze maatregel strekt er toe sommige bepalingen betreffende aandelenopties, opgenomen in de wet van 26.3.1999 betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen, te verduidelijken.
Teneinde iedere discussie uit te sluiten om het juiste moment van de toekenning te bepalen, wordt bepaald dat voor het aanbod van de optie schriftelijk, gedateerd en op naam kennis moet worden gegeven aan de begunstigde; een mondeling aanbod wordt niet meer aanvaard.
In het vervolg zal de begunstigde die het aanbod niet schriftelijk heeft aanvaard, ten laatste de zestigste dag volgend op het aanbod, worden geacht het aanbod te hebben geweigerd.
Om de bepaling van de waarde van het aandeel eenvoudiger te maken wanneer de aandelen op de beurs worden genoteerd of verhandeld, is de in aanmerking te nemen gemiddelde koers van het aandeel de slotkoers.
Rekening houdend met de duidelijke neergang sinds 3 jaar van de financiële markten en met het feit dat de begunstigden van de aandelen belasting op een voordeel betaald hebben dat in de huidige stand van zaken nooit zou worden toegekend, kon de vennootschap die het aanbod toekent, voor 30.6.2003, in overleg met de begunstigden, de verhandelingsperiode met hoogstens 3 jaar verlengen zonder enige bijkomende fiscale last. Deze mogelijkheid wordt geboden voor de aandelenoptieplannen afgesloten tussen 1.1.1999 en 31.12.2002.
Dit akkoord moest aan de Administratie worden betekend vóór 31.7.2003.
In voorkomend geval zal geen toepassing worden gemaakt van artikel 499 van het Wetboek van vennootschappen, dat geen inschrijvingsperiode van meer dan 10 jaar toelaat.
Deze bepalingen treden in werking op 10.1.2003.
(art. 403 tot 407, programmawet (I) 24.12.2002)
Art. 408. Voor de toepassing van het Wetboek van de inkomstenbelasting 1992 worden de belastbare bezoldigingen en vergoedingen van de personeelsleden van de lokale politie waarvoor de berekening of regularisatie voor de niet geregulariseerde maanden van het jaar 2002 door het « sociaal secretariaat van de geïntegreerde politie, gestructureerd op twee niveaus » in het jaar 2003 uiterlijk op 30 april 2003 wordt uitgevoerd, geacht ten belope van 80 pct. te zijn betaald of toegekend in het jaar 2002.
Aangezien de lokale politie van de politiezones vaak maar in het jaar 2002 is ingesteld, en de gegevens betreffende de personeelsleden van de gemeentepolitie niet of slechts gedeeltelijk konden worden overgenomen en/of geregulariseerd door het sociaal secretariaat GPI, zal de CDVU voor een groot deel van de betrokken personeelsleden slechts ten vroegste in 2003 de volgende taken kunnen uitvoeren :
- de nodige berekeningen inzake de werkelijk uit te betalen lonen en vergoedingen;
- de storting en aangifte van de ingehouden bedrijfsvoorheffing.
Niettegenstaande zij voorschotten op hun loon en vergoedingen hebben gekregen, heeft een deel van personeelsleden gedurende een gedeelte of gans het jaar 2002 geen belastbare bezoldigingen ontvangen.
Teneinde de negatieve gevolgen van die toestand (taxatie in 2003 van bezoldigingen van 2002 en 2003, onmogelijkheid om rekening te houden met sommige aftrekbare bestedingen of sommige betalingen die recht geven op een belastingvermindering, …) te verhelpen, werd beslist om 80 % van de regularisaties uitgevoerd tussen 1.1 en 30.4.2003 van de maanden van de nog niet geregulariseerde maanden van 2002 te behandelen alsof ze zijn betaald of toegekend in het jaar 2002.
Wat de 20 % betreft die niet word geacht te zijn betaald of toegekend in 2002, worden de normale fiscale regels toegepast, dat wil zeggen dat dit deel als achterstallen van het jaar 2002 die in 2003 zijn uitbetaald, samen met de belastbare inkomsten van het jaar 2003 zullen worden belast.
Dit artikel treedt in werking op 10.1.2003.
(art. 408 programmawet (I) 24.12.2002)
Bron: FisconetPlus
